VIJFDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.Een Christenhond.Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:„Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was.”De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk een zonderlinge vraag tot hem richtte?Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa op ernstigen toon er bij voegde: „Heb ik goed gedacht, Vizier?” boog hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:„Ja, Heer, dat is zoo!”„Hoe komt het dan,” ging de Vorst met nadrukvoort, „dat ik eerst zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote ervarenheid staat?”Schuchter hief de Vizier de oogen op.„Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?”Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.„Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?”De Vizier neeg bevestigend.„Welnu?” ging de Vorst voort, „zijnhunnenamen dan die van de volgelingen van onzen Profeet.”„Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan immers geen slaaf bestaan?”Toen klonk het hoog.„Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De vrije, die hier binnentreedt, kanmijn paleis als slaaf verlaten. Zou dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als een vrije op te staan?”Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.„Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie kan bestaan voor uw aangezicht?”Doch de Bassa wenkte hem op te staan.„Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is op mijn vloot.”Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze gevangen genomen Nederlander zou allicht meer opde hoogte van het zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd.Maar bij het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit, welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was, en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had doorgebracht. „Hij verstond hem (zich),” zegt een tijdgenoot, „op de Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie, door de welcke een Schip uyt d’eenplaets in d’ander gebracht kan worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent”. In ’t kort: Tromp was „in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij niemant in wetenschap en behoefde te wijcken”.Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die, wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen, waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag, en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had, om te verschijnen voor den Bassa.Die groote dag kwam, en de Frank—, gelijk de Mohammedanen een Westerling gewoon waren te noemen—, werd voor den machtigen Heerscher des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het voorhoofd had.Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, degrooten des lands omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school op den achtergrond de scherprechter.Doch thans trok niet het zonnelicht van ’s Vorsten majesteit aller oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die de gunsteling ging worden van hun Vorst.Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op, en stond daar rustig voor den man, die nietzijnleven in de hand had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders der 17deeeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen, zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen, waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan, van het welbehagen,dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven, die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en eer te verwerven. En werkelijk—daarvoor behoefde hij zoo verre niet te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige Zuiden lagen al dadelijk „eere ende groote vereeringhen” als voor hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten, thans niet toegrijpen?Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed, wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan, dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hemadmiraal te maken, hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger gehalte geleerd had.Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde, door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch tegenover een gemeenschappelijken vijand.En voelbaar ging als ’t ware een onzichtbare vloeistof van genade en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deindeeen vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra, een heerscher der zee. En—hijzou die man zijn!Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was, of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. „Heere mijn God,” bidt hij zachtkens, „leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze”. En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: „Want Uwer is het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid”....Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig maar op vasten toon door destiltedier welwillende verwachting heen:„Neen, Heer, nooit doe ik dat!”Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek, en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Dochnietom te smeeken, maar om te getuigen.„Heer,” spreekt hij als klagend zoo zacht; „ik heb een land, en dat land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben.”En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:„Heer.... m’n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort, is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer ik anders deed.”Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en oogendienst. In diep nadenkenliet hij het hoofd op de borst rusten en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag naar zijn Meester.Daar hief deze het hoofd op.„Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?”„Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid.”„En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in vrijheid heen liet gaan?”Tromp knikte bevestigend.„Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in ’s lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant.”„Is uw volk zeer talrijk?”„Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten zijn niet talrijk.”Toen rees de Vorst van zijn zetel.„Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn als gij!”Verbaasd zagen allen den Bassa aan.„Jongeman,” sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen, „keer terug tot uw volk, dat ikbenijd en gelukkig prijs, nu ik u heb leeren kennen.... Ge zijt vrij.”„Vrij?!”Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene weilanden!...In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen, dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de heerlijke vrijheid terug.Maar hierbij bleef het niet.Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden, die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is, zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht naar Rotterdam, waar hij den 23stenJuli 1622 zich weder in ’s Lands dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.

VIJFDE HOOFDSTUK.Een Christenhond.Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:„Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was.”De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk een zonderlinge vraag tot hem richtte?Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa op ernstigen toon er bij voegde: „Heb ik goed gedacht, Vizier?” boog hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:„Ja, Heer, dat is zoo!”„Hoe komt het dan,” ging de Vorst met nadrukvoort, „dat ik eerst zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote ervarenheid staat?”Schuchter hief de Vizier de oogen op.„Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?”Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.„Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?”De Vizier neeg bevestigend.„Welnu?” ging de Vorst voort, „zijnhunnenamen dan die van de volgelingen van onzen Profeet.”„Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan immers geen slaaf bestaan?”Toen klonk het hoog.„Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De vrije, die hier binnentreedt, kanmijn paleis als slaaf verlaten. Zou dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als een vrije op te staan?”Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.„Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie kan bestaan voor uw aangezicht?”Doch de Bassa wenkte hem op te staan.„Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is op mijn vloot.”Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze gevangen genomen Nederlander zou allicht meer opde hoogte van het zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd.Maar bij het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit, welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was, en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had doorgebracht. „Hij verstond hem (zich),” zegt een tijdgenoot, „op de Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie, door de welcke een Schip uyt d’eenplaets in d’ander gebracht kan worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent”. In ’t kort: Tromp was „in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij niemant in wetenschap en behoefde te wijcken”.Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die, wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen, waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag, en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had, om te verschijnen voor den Bassa.Die groote dag kwam, en de Frank—, gelijk de Mohammedanen een Westerling gewoon waren te noemen—, werd voor den machtigen Heerscher des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het voorhoofd had.Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, degrooten des lands omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school op den achtergrond de scherprechter.Doch thans trok niet het zonnelicht van ’s Vorsten majesteit aller oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die de gunsteling ging worden van hun Vorst.Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op, en stond daar rustig voor den man, die nietzijnleven in de hand had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders der 17deeeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen, zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen, waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan, van het welbehagen,dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven, die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en eer te verwerven. En werkelijk—daarvoor behoefde hij zoo verre niet te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige Zuiden lagen al dadelijk „eere ende groote vereeringhen” als voor hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten, thans niet toegrijpen?Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed, wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan, dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hemadmiraal te maken, hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger gehalte geleerd had.Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde, door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch tegenover een gemeenschappelijken vijand.En voelbaar ging als ’t ware een onzichtbare vloeistof van genade en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deindeeen vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra, een heerscher der zee. En—hijzou die man zijn!Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was, of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. „Heere mijn God,” bidt hij zachtkens, „leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze”. En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: „Want Uwer is het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid”....Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig maar op vasten toon door destiltedier welwillende verwachting heen:„Neen, Heer, nooit doe ik dat!”Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek, en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Dochnietom te smeeken, maar om te getuigen.„Heer,” spreekt hij als klagend zoo zacht; „ik heb een land, en dat land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben.”En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:„Heer.... m’n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort, is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer ik anders deed.”Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en oogendienst. In diep nadenkenliet hij het hoofd op de borst rusten en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag naar zijn Meester.Daar hief deze het hoofd op.„Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?”„Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid.”„En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in vrijheid heen liet gaan?”Tromp knikte bevestigend.„Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in ’s lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant.”„Is uw volk zeer talrijk?”„Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten zijn niet talrijk.”Toen rees de Vorst van zijn zetel.„Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn als gij!”Verbaasd zagen allen den Bassa aan.„Jongeman,” sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen, „keer terug tot uw volk, dat ikbenijd en gelukkig prijs, nu ik u heb leeren kennen.... Ge zijt vrij.”„Vrij?!”Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene weilanden!...In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen, dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de heerlijke vrijheid terug.Maar hierbij bleef het niet.Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden, die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is, zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht naar Rotterdam, waar hij den 23stenJuli 1622 zich weder in ’s Lands dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.

VIJFDE HOOFDSTUK.Een Christenhond.

Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:„Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was.”De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk een zonderlinge vraag tot hem richtte?Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa op ernstigen toon er bij voegde: „Heb ik goed gedacht, Vizier?” boog hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:„Ja, Heer, dat is zoo!”„Hoe komt het dan,” ging de Vorst met nadrukvoort, „dat ik eerst zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote ervarenheid staat?”Schuchter hief de Vizier de oogen op.„Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?”Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.„Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?”De Vizier neeg bevestigend.„Welnu?” ging de Vorst voort, „zijnhunnenamen dan die van de volgelingen van onzen Profeet.”„Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan immers geen slaaf bestaan?”Toen klonk het hoog.„Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De vrije, die hier binnentreedt, kanmijn paleis als slaaf verlaten. Zou dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als een vrije op te staan?”Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.„Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie kan bestaan voor uw aangezicht?”Doch de Bassa wenkte hem op te staan.„Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is op mijn vloot.”Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze gevangen genomen Nederlander zou allicht meer opde hoogte van het zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd.Maar bij het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit, welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was, en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had doorgebracht. „Hij verstond hem (zich),” zegt een tijdgenoot, „op de Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie, door de welcke een Schip uyt d’eenplaets in d’ander gebracht kan worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent”. In ’t kort: Tromp was „in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij niemant in wetenschap en behoefde te wijcken”.Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die, wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen, waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag, en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had, om te verschijnen voor den Bassa.Die groote dag kwam, en de Frank—, gelijk de Mohammedanen een Westerling gewoon waren te noemen—, werd voor den machtigen Heerscher des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het voorhoofd had.Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, degrooten des lands omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school op den achtergrond de scherprechter.Doch thans trok niet het zonnelicht van ’s Vorsten majesteit aller oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die de gunsteling ging worden van hun Vorst.Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op, en stond daar rustig voor den man, die nietzijnleven in de hand had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders der 17deeeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen, zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen, waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan, van het welbehagen,dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven, die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en eer te verwerven. En werkelijk—daarvoor behoefde hij zoo verre niet te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige Zuiden lagen al dadelijk „eere ende groote vereeringhen” als voor hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten, thans niet toegrijpen?Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed, wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan, dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hemadmiraal te maken, hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger gehalte geleerd had.Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde, door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch tegenover een gemeenschappelijken vijand.En voelbaar ging als ’t ware een onzichtbare vloeistof van genade en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deindeeen vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra, een heerscher der zee. En—hijzou die man zijn!Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was, of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. „Heere mijn God,” bidt hij zachtkens, „leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze”. En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: „Want Uwer is het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid”....Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig maar op vasten toon door destiltedier welwillende verwachting heen:„Neen, Heer, nooit doe ik dat!”Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek, en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Dochnietom te smeeken, maar om te getuigen.„Heer,” spreekt hij als klagend zoo zacht; „ik heb een land, en dat land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben.”En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:„Heer.... m’n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort, is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer ik anders deed.”Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en oogendienst. In diep nadenkenliet hij het hoofd op de borst rusten en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag naar zijn Meester.Daar hief deze het hoofd op.„Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?”„Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid.”„En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in vrijheid heen liet gaan?”Tromp knikte bevestigend.„Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in ’s lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant.”„Is uw volk zeer talrijk?”„Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten zijn niet talrijk.”Toen rees de Vorst van zijn zetel.„Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn als gij!”Verbaasd zagen allen den Bassa aan.„Jongeman,” sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen, „keer terug tot uw volk, dat ikbenijd en gelukkig prijs, nu ik u heb leeren kennen.... Ge zijt vrij.”„Vrij?!”Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene weilanden!...In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen, dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de heerlijke vrijheid terug.Maar hierbij bleef het niet.Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden, die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is, zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht naar Rotterdam, waar hij den 23stenJuli 1622 zich weder in ’s Lands dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.

Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:

„Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was.”

De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk een zonderlinge vraag tot hem richtte?

Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa op ernstigen toon er bij voegde: „Heb ik goed gedacht, Vizier?” boog hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:

„Ja, Heer, dat is zoo!”

„Hoe komt het dan,” ging de Vorst met nadrukvoort, „dat ik eerst zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote ervarenheid staat?”

Schuchter hief de Vizier de oogen op.

„Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?”

Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.

„Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?”

De Vizier neeg bevestigend.

„Welnu?” ging de Vorst voort, „zijnhunnenamen dan die van de volgelingen van onzen Profeet.”

„Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan immers geen slaaf bestaan?”

Toen klonk het hoog.

„Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De vrije, die hier binnentreedt, kanmijn paleis als slaaf verlaten. Zou dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als een vrije op te staan?”

Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.

„Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie kan bestaan voor uw aangezicht?”

Doch de Bassa wenkte hem op te staan.

„Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is op mijn vloot.”

Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.

Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze gevangen genomen Nederlander zou allicht meer opde hoogte van het zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.

En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd.Maar bij het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit, welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was, en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had doorgebracht. „Hij verstond hem (zich),” zegt een tijdgenoot, „op de Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie, door de welcke een Schip uyt d’eenplaets in d’ander gebracht kan worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent”. In ’t kort: Tromp was „in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij niemant in wetenschap en behoefde te wijcken”.

Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die, wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?

Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen, waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag, en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had, om te verschijnen voor den Bassa.

Die groote dag kwam, en de Frank—, gelijk de Mohammedanen een Westerling gewoon waren te noemen—, werd voor den machtigen Heerscher des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het voorhoofd had.

Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, degrooten des lands omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school op den achtergrond de scherprechter.

Doch thans trok niet het zonnelicht van ’s Vorsten majesteit aller oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die de gunsteling ging worden van hun Vorst.

Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op, en stond daar rustig voor den man, die nietzijnleven in de hand had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders der 17deeeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen, zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen, waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.

De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.

Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan, van het welbehagen,dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven, die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.

De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en eer te verwerven. En werkelijk—daarvoor behoefde hij zoo verre niet te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige Zuiden lagen al dadelijk „eere ende groote vereeringhen” als voor hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten, thans niet toegrijpen?

Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed, wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan, dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?

Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hemadmiraal te maken, hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger gehalte geleerd had.

Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde, door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch tegenover een gemeenschappelijken vijand.

En voelbaar ging als ’t ware een onzichtbare vloeistof van genade en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.

Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.

Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deindeeen vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra, een heerscher der zee. En—hijzou die man zijn!

Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was, of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....

Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. „Heere mijn God,” bidt hij zachtkens, „leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze”. En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: „Want Uwer is het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid”....

Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig maar op vasten toon door destiltedier welwillende verwachting heen:

„Neen, Heer, nooit doe ik dat!”

Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek, en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.

In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.

Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Dochnietom te smeeken, maar om te getuigen.

„Heer,” spreekt hij als klagend zoo zacht; „ik heb een land, en dat land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben.”

En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:

„Heer.... m’n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort, is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer ik anders deed.”

Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en oogendienst. In diep nadenkenliet hij het hoofd op de borst rusten en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.

De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag naar zijn Meester.

Daar hief deze het hoofd op.

„Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?”

„Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid.”

„En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in vrijheid heen liet gaan?”

Tromp knikte bevestigend.

„Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in ’s lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant.”

„Is uw volk zeer talrijk?”

„Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten zijn niet talrijk.”

Toen rees de Vorst van zijn zetel.

„Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn als gij!”

Verbaasd zagen allen den Bassa aan.

„Jongeman,” sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen, „keer terug tot uw volk, dat ikbenijd en gelukkig prijs, nu ik u heb leeren kennen.... Ge zijt vrij.”

„Vrij?!”

Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene weilanden!...

In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen, dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.

En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de heerlijke vrijheid terug.

Maar hierbij bleef het niet.

Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden, die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.

Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is, zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht naar Rotterdam, waar hij den 23stenJuli 1622 zich weder in ’s Lands dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.


Back to IndexNext