ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.De kapitein van het admiraalsschip.Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we MaertenHarpertsz.Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden, welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens admiraalsschip. We zien hem den 1sten(?) Januari 1624 als luitenant overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld, en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16denJuni echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden, verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegenonze lastigste en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers, die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50 tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent, verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd, waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den Briel langen tijd „een goede seestadt es geweest.” Maar in ’t jaar 1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja, nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen, die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer in Den Briel verpakt of bereid werd. Van aldeze rampen en van dezen achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer Stede „geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront gehakt, soo dat de voorzeide Stede ’t sedert weijnich jaeren wel de tweederde parten gedecadeert ende verarmt es”.Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers- en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug, dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. ’t Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja, brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen—een strijd op leven en dood!—onzezeelieden gehard werden, en dat er zonder de Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet zeer boos gemaakt zouden hebben.’t Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijnqui vivezijn tegen die Duinkerker rakkers. En menmoesttoch dat roofnest passeeren, wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat men onzen visscherman op zoo’n ten hemel schreiende manier afmaakte, dàt deed de gal overloopen.Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo’n beetje; hethoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het was eenkannibaalte knap af. En dan zoo’n verhaal van twee visschers, jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen, om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei, hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo gekruisigd met hun schip liet verzinken!....Wel—dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein, die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald, wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming hield onder de moordenaars onzer visschertjes.„Komaan,” zei Piet Hein, „dat zullen we er van hebben.” En met een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw van Calais.Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit beter wist danPiet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan zij zelve,—gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht, het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een zoon gingen wreken.Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch—Piet Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij, van „minne” komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten worstelen. En Piet Hein, een dier beroemdeself-madevlootvoogden van ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo ongaarneeen teugel gevoelden, heel wat voeteninde aarde had. Die lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers, en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven en in alleen bij hen grondig bekende wateren,—ze waren nochtans over het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen en gestooten—al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer, de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was, om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot klagenof treuren. De jonge man,—die zijn vader stervend naast zich had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen, met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen, had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest hier wel dadelijkweten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem, achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen, waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans,thansvooral, den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San Salvador, denadmiraal, die uit hun midden opgerezen was—het was het vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.(Oud-Delftshaven).De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui voor ditmaal gevoelig is afgerost,—staren we naar de driekleur van het admiraalsschip.Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend—het was als een slag in het gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!Maar—niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogdeenmaal had verklaard, „dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende.”

ZESDE HOOFDSTUK.De kapitein van het admiraalsschip.Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we MaertenHarpertsz.Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden, welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens admiraalsschip. We zien hem den 1sten(?) Januari 1624 als luitenant overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld, en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16denJuni echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden, verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegenonze lastigste en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers, die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50 tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent, verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd, waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den Briel langen tijd „een goede seestadt es geweest.” Maar in ’t jaar 1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja, nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen, die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer in Den Briel verpakt of bereid werd. Van aldeze rampen en van dezen achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer Stede „geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront gehakt, soo dat de voorzeide Stede ’t sedert weijnich jaeren wel de tweederde parten gedecadeert ende verarmt es”.Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers- en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug, dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. ’t Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja, brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen—een strijd op leven en dood!—onzezeelieden gehard werden, en dat er zonder de Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet zeer boos gemaakt zouden hebben.’t Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijnqui vivezijn tegen die Duinkerker rakkers. En menmoesttoch dat roofnest passeeren, wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat men onzen visscherman op zoo’n ten hemel schreiende manier afmaakte, dàt deed de gal overloopen.Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo’n beetje; hethoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het was eenkannibaalte knap af. En dan zoo’n verhaal van twee visschers, jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen, om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei, hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo gekruisigd met hun schip liet verzinken!....Wel—dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein, die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald, wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming hield onder de moordenaars onzer visschertjes.„Komaan,” zei Piet Hein, „dat zullen we er van hebben.” En met een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw van Calais.Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit beter wist danPiet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan zij zelve,—gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht, het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een zoon gingen wreken.Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch—Piet Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij, van „minne” komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten worstelen. En Piet Hein, een dier beroemdeself-madevlootvoogden van ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo ongaarneeen teugel gevoelden, heel wat voeteninde aarde had. Die lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers, en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven en in alleen bij hen grondig bekende wateren,—ze waren nochtans over het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen en gestooten—al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer, de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was, om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot klagenof treuren. De jonge man,—die zijn vader stervend naast zich had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen, met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen, had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest hier wel dadelijkweten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem, achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen, waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans,thansvooral, den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San Salvador, denadmiraal, die uit hun midden opgerezen was—het was het vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.(Oud-Delftshaven).De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui voor ditmaal gevoelig is afgerost,—staren we naar de driekleur van het admiraalsschip.Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend—het was als een slag in het gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!Maar—niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogdeenmaal had verklaard, „dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende.”

ZESDE HOOFDSTUK.De kapitein van het admiraalsschip.

Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we MaertenHarpertsz.Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden, welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens admiraalsschip. We zien hem den 1sten(?) Januari 1624 als luitenant overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld, en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16denJuni echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden, verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegenonze lastigste en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers, die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50 tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent, verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd, waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den Briel langen tijd „een goede seestadt es geweest.” Maar in ’t jaar 1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja, nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen, die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer in Den Briel verpakt of bereid werd. Van aldeze rampen en van dezen achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer Stede „geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront gehakt, soo dat de voorzeide Stede ’t sedert weijnich jaeren wel de tweederde parten gedecadeert ende verarmt es”.Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers- en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug, dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. ’t Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja, brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen—een strijd op leven en dood!—onzezeelieden gehard werden, en dat er zonder de Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet zeer boos gemaakt zouden hebben.’t Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijnqui vivezijn tegen die Duinkerker rakkers. En menmoesttoch dat roofnest passeeren, wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat men onzen visscherman op zoo’n ten hemel schreiende manier afmaakte, dàt deed de gal overloopen.Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo’n beetje; hethoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het was eenkannibaalte knap af. En dan zoo’n verhaal van twee visschers, jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen, om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei, hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo gekruisigd met hun schip liet verzinken!....Wel—dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein, die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald, wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming hield onder de moordenaars onzer visschertjes.„Komaan,” zei Piet Hein, „dat zullen we er van hebben.” En met een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw van Calais.Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit beter wist danPiet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan zij zelve,—gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht, het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een zoon gingen wreken.Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch—Piet Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij, van „minne” komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten worstelen. En Piet Hein, een dier beroemdeself-madevlootvoogden van ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo ongaarneeen teugel gevoelden, heel wat voeteninde aarde had. Die lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers, en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven en in alleen bij hen grondig bekende wateren,—ze waren nochtans over het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen en gestooten—al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer, de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was, om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot klagenof treuren. De jonge man,—die zijn vader stervend naast zich had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen, met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen, had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest hier wel dadelijkweten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem, achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen, waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans,thansvooral, den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San Salvador, denadmiraal, die uit hun midden opgerezen was—het was het vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.(Oud-Delftshaven).De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui voor ditmaal gevoelig is afgerost,—staren we naar de driekleur van het admiraalsschip.Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend—het was als een slag in het gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!Maar—niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogdeenmaal had verklaard, „dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende.”

Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we MaertenHarpertsz.Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden, welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens admiraalsschip. We zien hem den 1sten(?) Januari 1624 als luitenant overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld, en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16denJuni echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden, verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegenonze lastigste en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers, die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?

Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50 tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent, verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd, waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den Briel langen tijd „een goede seestadt es geweest.” Maar in ’t jaar 1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja, nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen, die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer in Den Briel verpakt of bereid werd. Van aldeze rampen en van dezen achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer Stede „geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront gehakt, soo dat de voorzeide Stede ’t sedert weijnich jaeren wel de tweederde parten gedecadeert ende verarmt es”.

Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers- en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug, dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. ’t Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja, brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.

We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen—een strijd op leven en dood!—onzezeelieden gehard werden, en dat er zonder de Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet zeer boos gemaakt zouden hebben.

’t Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijnqui vivezijn tegen die Duinkerker rakkers. En menmoesttoch dat roofnest passeeren, wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.

Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat men onzen visscherman op zoo’n ten hemel schreiende manier afmaakte, dàt deed de gal overloopen.

Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo’n beetje; hethoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het was eenkannibaalte knap af. En dan zoo’n verhaal van twee visschers, jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen, om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei, hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo gekruisigd met hun schip liet verzinken!....

Wel—dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein, die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald, wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming hield onder de moordenaars onzer visschertjes.

„Komaan,” zei Piet Hein, „dat zullen we er van hebben.” En met een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw van Calais.

Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit beter wist danPiet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan zij zelve,—gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht, het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een zoon gingen wreken.

Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch—Piet Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij, van „minne” komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten worstelen. En Piet Hein, een dier beroemdeself-madevlootvoogden van ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo ongaarneeen teugel gevoelden, heel wat voeteninde aarde had. Die lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers, en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....

Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.

Maerten Harpertsz. Tromp dekt met de driekleur het lijk van Piet Hein.

Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven en in alleen bij hen grondig bekende wateren,—ze waren nochtans over het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen en gestooten—al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer, de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.

Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was, om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot klagenof treuren. De jonge man,—die zijn vader stervend naast zich had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen, met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen, had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest hier wel dadelijkweten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem, achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen, waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....

Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans,thansvooral, den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San Salvador, denadmiraal, die uit hun midden opgerezen was—het was het vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.

Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.(Oud-Delftshaven).

Standbeeld van Piet Hein te Rotterdam.

(Oud-Delftshaven).

De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui voor ditmaal gevoelig is afgerost,—staren we naar de driekleur van het admiraalsschip.

Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?

Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend—het was als een slag in het gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!

Maar—niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogdeenmaal had verklaard, „dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende.”


Back to IndexNext