ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.Het was Zondag geworden, den 10enAugustus 1653. Het gelui der kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond geheiligd. Terwijl ginder op de zee,—nog niet tot rust gekomen van den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit en Nederlander verhinderd had—de zonen en de broeders en de bruigoms en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden, om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige, en de voorgangersZijn „grooten en verschrikkelijken” naam aanroepen, opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid dreigden neer te zinken—en als hij ze ophief was Israël, maar als hij die nederliet was Amalek de sterkste!—zoo ondersteunde men door gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee, „alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards.”Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te vereenigen. Twee dagen geleden, den 8stenAugustus, had admiraal Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met ’s lands vloot uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag, daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid zou krijgen uit te zeilen.Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral omdat de windNoord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfsnade vereeniging met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag, liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen, en stevende met den wind Zuidwaarts.Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,—niet zulke goede zeilers als de overige—door de Engelschen ingehaald waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van Blake op den2denMaart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige, beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift, zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den 8stenAugustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe, het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee—en een donderbui was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder leeren kennen!—was er een groote onrust gekomen over de bewoners der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?Hierover waren—aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht—de gedeputeerden of afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen „hadden daartoe geen moed,” omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende schepen.Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen, en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns zouden vooruitzeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, doordezenloods uitgebracht, bereikten ’s lands schepen, op slechts één na, dat aan den grond geraakte, het ruime sop.Den volgenden dag, den9denAugustus, had Witte in den namiddag den vijand in ’t gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.In den morgen van den meergemelden 10denAugustus was het goed weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen, die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar gestaan. Toen namen zij afscheid.Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik bereid om te sterven. En hetzouthans voor de laatste maal zijn, dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, „zijn plicht te doen,” áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn „lieve vaderlant.”Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het Kanaal „schoon geveegd had” van den vijand, was, tijdens een heftigen aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden, zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande „gelijk in een Overste behoorde,” zou sterven.Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotselingziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden, hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden: „Ik heb gedaan....” Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal, een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog, als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf, als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber den vijand het manlijk gelaat toekeerde: „Houdt goeden moed!” En dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar hij ze ophief naar den hemel,—daar zou het zijn, opdat er macht uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen, en niet het minst in zichzelf!...Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten Harpertsz. Tromp gehecht worden.Wel trachtte men den dood van den admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders, die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit, Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste verlies kon hersteld worden.Het zat er bij onstediep ingeworteld, dat we wèl voor de tegenspoeden, maarnietvoor de Engelschen geweken waren. Daarom konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die—we geloofden het voor vast—komenzou. Maar de goede vader van onze kinderen der zee.... dathijgestorven was, het wekte een droefheid op door geheel het land. „Ach!” riep Michiel de Ruijter, „dat ik gestorven ware voor Bestevaer!”Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter zou blijvenleven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja, het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre nageslacht.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.Het was Zondag geworden, den 10enAugustus 1653. Het gelui der kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond geheiligd. Terwijl ginder op de zee,—nog niet tot rust gekomen van den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit en Nederlander verhinderd had—de zonen en de broeders en de bruigoms en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden, om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige, en de voorgangersZijn „grooten en verschrikkelijken” naam aanroepen, opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid dreigden neer te zinken—en als hij ze ophief was Israël, maar als hij die nederliet was Amalek de sterkste!—zoo ondersteunde men door gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee, „alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards.”Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te vereenigen. Twee dagen geleden, den 8stenAugustus, had admiraal Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met ’s lands vloot uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag, daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid zou krijgen uit te zeilen.Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral omdat de windNoord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfsnade vereeniging met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag, liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen, en stevende met den wind Zuidwaarts.Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,—niet zulke goede zeilers als de overige—door de Engelschen ingehaald waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van Blake op den2denMaart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige, beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift, zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den 8stenAugustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe, het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee—en een donderbui was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder leeren kennen!—was er een groote onrust gekomen over de bewoners der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?Hierover waren—aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht—de gedeputeerden of afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen „hadden daartoe geen moed,” omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende schepen.Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen, en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns zouden vooruitzeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, doordezenloods uitgebracht, bereikten ’s lands schepen, op slechts één na, dat aan den grond geraakte, het ruime sop.Den volgenden dag, den9denAugustus, had Witte in den namiddag den vijand in ’t gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.In den morgen van den meergemelden 10denAugustus was het goed weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen, die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar gestaan. Toen namen zij afscheid.Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik bereid om te sterven. En hetzouthans voor de laatste maal zijn, dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, „zijn plicht te doen,” áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn „lieve vaderlant.”Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het Kanaal „schoon geveegd had” van den vijand, was, tijdens een heftigen aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden, zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande „gelijk in een Overste behoorde,” zou sterven.Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotselingziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden, hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden: „Ik heb gedaan....” Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal, een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog, als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf, als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber den vijand het manlijk gelaat toekeerde: „Houdt goeden moed!” En dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar hij ze ophief naar den hemel,—daar zou het zijn, opdat er macht uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen, en niet het minst in zichzelf!...Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten Harpertsz. Tromp gehecht worden.Wel trachtte men den dood van den admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders, die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit, Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste verlies kon hersteld worden.Het zat er bij onstediep ingeworteld, dat we wèl voor de tegenspoeden, maarnietvoor de Engelschen geweken waren. Daarom konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die—we geloofden het voor vast—komenzou. Maar de goede vader van onze kinderen der zee.... dathijgestorven was, het wekte een droefheid op door geheel het land. „Ach!” riep Michiel de Ruijter, „dat ik gestorven ware voor Bestevaer!”Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter zou blijvenleven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja, het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre nageslacht.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.Het einde van een heldenleven.

Het was Zondag geworden, den 10enAugustus 1653. Het gelui der kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond geheiligd. Terwijl ginder op de zee,—nog niet tot rust gekomen van den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit en Nederlander verhinderd had—de zonen en de broeders en de bruigoms en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden, om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige, en de voorgangersZijn „grooten en verschrikkelijken” naam aanroepen, opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid dreigden neer te zinken—en als hij ze ophief was Israël, maar als hij die nederliet was Amalek de sterkste!—zoo ondersteunde men door gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee, „alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards.”Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te vereenigen. Twee dagen geleden, den 8stenAugustus, had admiraal Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met ’s lands vloot uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag, daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid zou krijgen uit te zeilen.Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral omdat de windNoord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfsnade vereeniging met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag, liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen, en stevende met den wind Zuidwaarts.Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,—niet zulke goede zeilers als de overige—door de Engelschen ingehaald waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van Blake op den2denMaart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige, beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift, zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den 8stenAugustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe, het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee—en een donderbui was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder leeren kennen!—was er een groote onrust gekomen over de bewoners der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?Hierover waren—aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht—de gedeputeerden of afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen „hadden daartoe geen moed,” omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende schepen.Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen, en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns zouden vooruitzeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, doordezenloods uitgebracht, bereikten ’s lands schepen, op slechts één na, dat aan den grond geraakte, het ruime sop.Den volgenden dag, den9denAugustus, had Witte in den namiddag den vijand in ’t gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.In den morgen van den meergemelden 10denAugustus was het goed weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen, die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar gestaan. Toen namen zij afscheid.Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik bereid om te sterven. En hetzouthans voor de laatste maal zijn, dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, „zijn plicht te doen,” áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn „lieve vaderlant.”Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het Kanaal „schoon geveegd had” van den vijand, was, tijdens een heftigen aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden, zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande „gelijk in een Overste behoorde,” zou sterven.Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotselingziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden, hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden: „Ik heb gedaan....” Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal, een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog, als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf, als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber den vijand het manlijk gelaat toekeerde: „Houdt goeden moed!” En dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar hij ze ophief naar den hemel,—daar zou het zijn, opdat er macht uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen, en niet het minst in zichzelf!...Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten Harpertsz. Tromp gehecht worden.Wel trachtte men den dood van den admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders, die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit, Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste verlies kon hersteld worden.Het zat er bij onstediep ingeworteld, dat we wèl voor de tegenspoeden, maarnietvoor de Engelschen geweken waren. Daarom konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die—we geloofden het voor vast—komenzou. Maar de goede vader van onze kinderen der zee.... dathijgestorven was, het wekte een droefheid op door geheel het land. „Ach!” riep Michiel de Ruijter, „dat ik gestorven ware voor Bestevaer!”Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter zou blijvenleven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja, het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre nageslacht.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.

Het was Zondag geworden, den 10enAugustus 1653. Het gelui der kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond geheiligd. Terwijl ginder op de zee,—nog niet tot rust gekomen van den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit en Nederlander verhinderd had—de zonen en de broeders en de bruigoms en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden, om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige, en de voorgangersZijn „grooten en verschrikkelijken” naam aanroepen, opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid dreigden neer te zinken—en als hij ze ophief was Israël, maar als hij die nederliet was Amalek de sterkste!—zoo ondersteunde men door gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee, „alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards.”

Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te vereenigen. Twee dagen geleden, den 8stenAugustus, had admiraal Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met ’s lands vloot uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag, daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid zou krijgen uit te zeilen.

Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral omdat de windNoord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.

Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfsnade vereeniging met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag, liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen, en stevende met den wind Zuidwaarts.

Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,—niet zulke goede zeilers als de overige—door de Engelschen ingehaald waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van Blake op den2denMaart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige, beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift, zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.

Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den 8stenAugustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe, het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee—en een donderbui was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder leeren kennen!—was er een groote onrust gekomen over de bewoners der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?

Hierover waren—aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht—de gedeputeerden of afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen „hadden daartoe geen moed,” omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende schepen.

Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.

Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen, en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns zouden vooruitzeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, doordezenloods uitgebracht, bereikten ’s lands schepen, op slechts één na, dat aan den grond geraakte, het ruime sop.

Den volgenden dag, den9denAugustus, had Witte in den namiddag den vijand in ’t gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.

In den morgen van den meergemelden 10denAugustus was het goed weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen, die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar gestaan. Toen namen zij afscheid.

Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik bereid om te sterven. En hetzouthans voor de laatste maal zijn, dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, „zijn plicht te doen,” áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn „lieve vaderlant.”

Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het Kanaal „schoon geveegd had” van den vijand, was, tijdens een heftigen aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden, zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande „gelijk in een Overste behoorde,” zou sterven.

Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotselingziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden, hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden: „Ik heb gedaan....” Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal, een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog, als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf, als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber den vijand het manlijk gelaat toekeerde: „Houdt goeden moed!” En dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.

En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar hij ze ophief naar den hemel,—daar zou het zijn, opdat er macht uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen, en niet het minst in zichzelf!...

Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten Harpertsz. Tromp gehecht worden.Wel trachtte men den dood van den admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders, die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.

Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit, Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste verlies kon hersteld worden.

Het zat er bij onstediep ingeworteld, dat we wèl voor de tegenspoeden, maarnietvoor de Engelschen geweken waren. Daarom konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die—we geloofden het voor vast—komenzou. Maar de goede vader van onze kinderen der zee.... dathijgestorven was, het wekte een droefheid op door geheel het land. „Ach!” riep Michiel de Ruijter, „dat ik gestorven ware voor Bestevaer!”

Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter zou blijvenleven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja, het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre nageslacht.

Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.

Graftombe van Maerten Harpertsz. Tromp in de Oude Kerk te Delft.


Back to IndexNext