ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter uitvaart.En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten den 2denAugustus hun „compliment van condoleantie”aan „de naeste Vrunden ofte Gallieerden van Tromp,” en den 14denAugustus aan zijn weduwe. Den 13denAugustus werd er besloten, dat aan Tromp „voor ordre ende tot kosten van desen Staet” „een honorable Begrafenisse” zou worden „aengedaen,” en dat er, hem ter eere, een Tombe zou worden opgericht „soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn meriteerende.” Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de „Heeren” zouden ook „de laetste uytvaert assisteeren” van den man, die, zooals het Schotschrift eenmaal zeide, maar van „sulcken volckje” was.De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad,welke van zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden was aan het rijke leven van den zeeheld.Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede „kwalijk” van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd haar huis geplunderd.Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan wal had doorgebracht,—maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer, den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten „peckbrouck” die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef vereeren, spreekt wel uit eentestament van 1634 voor den Brielschen notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, „over sijne Dyensten den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op sijn Schip geschoten is geworden.” Op die medaille stond aan den eenen kant „t’ vidimus van Sijne ExtieFredrick Hendrik ende aend’ ander sijde secker gedicht, luijdende aldus:Geen Pronck van Goud, maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts Heer, Door ’t Oorlochsvaren.”De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken van prof. Anthonius Thysius, die op den 21stenSeptember 1653 in „de vermaerde Leydtsche Academie” de lijkrede over Tromp uitsprak. „Soo eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn liggen, opdat sy, die eertijds t’ samen hadden gevochten, oock omtrent de selve plaets souden liggen.”Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als vergeten neerzit, met de verschrompeldehanden gevouwen in den schoot, die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen, jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had zetoenin de stilte van den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de blauw-groene wateren der zee,—dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon, den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Hier leit Begraven Aeltgen jacobs van Arckenboudt de tweede Huisvrouw van den Ed heer Mærten Harpersz- Tromp Admiræl over Hollandt ende West Vrieslandt is gestorve en op den 13 April Anno 1639 oudt sijnde 36 jareHier Leit Begraven Dingnom cornelis d’ Huisvrouw van Capitein Maerten Harpersz. van der Tromp starf den 20ennovember ano1633 oudt 34 jarenno103Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot ontnomen.... maar het wastochzoo moeilijk niet geweest als zij gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des Heeren zij geloofd!” Want haar kind was gespaard gebleven en haar teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannenmaakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek, als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden, en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.En later?...God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots, wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden, dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af of toe te doen? Maarnuhad ze het begrepen, en ze prees den grijzen Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd hadin dat zalige kindeke,nietin den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen, telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.Maar—al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was, dat kon ze niet, dat kòn ze niet!Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad van Nederland—daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held, met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander dieuithet volk geboren is,—een Jan de Wittweeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten, werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel, den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden voor den eeuwigen slaap.Zijn eenig monument—nietdoor een nageslacht, dat al te ver, veel te ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering opgericht—bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders zouden het vermogendiengang te verzuimen!Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende Oude Kerk.Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit de 17deeeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in de wereldhistorie te danken hebben.EINDE.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter uitvaart.En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten den 2denAugustus hun „compliment van condoleantie”aan „de naeste Vrunden ofte Gallieerden van Tromp,” en den 14denAugustus aan zijn weduwe. Den 13denAugustus werd er besloten, dat aan Tromp „voor ordre ende tot kosten van desen Staet” „een honorable Begrafenisse” zou worden „aengedaen,” en dat er, hem ter eere, een Tombe zou worden opgericht „soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn meriteerende.” Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de „Heeren” zouden ook „de laetste uytvaert assisteeren” van den man, die, zooals het Schotschrift eenmaal zeide, maar van „sulcken volckje” was.De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad,welke van zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden was aan het rijke leven van den zeeheld.Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede „kwalijk” van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd haar huis geplunderd.Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan wal had doorgebracht,—maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer, den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten „peckbrouck” die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef vereeren, spreekt wel uit eentestament van 1634 voor den Brielschen notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, „over sijne Dyensten den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op sijn Schip geschoten is geworden.” Op die medaille stond aan den eenen kant „t’ vidimus van Sijne ExtieFredrick Hendrik ende aend’ ander sijde secker gedicht, luijdende aldus:Geen Pronck van Goud, maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts Heer, Door ’t Oorlochsvaren.”De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken van prof. Anthonius Thysius, die op den 21stenSeptember 1653 in „de vermaerde Leydtsche Academie” de lijkrede over Tromp uitsprak. „Soo eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn liggen, opdat sy, die eertijds t’ samen hadden gevochten, oock omtrent de selve plaets souden liggen.”Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als vergeten neerzit, met de verschrompeldehanden gevouwen in den schoot, die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen, jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had zetoenin de stilte van den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de blauw-groene wateren der zee,—dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon, den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Hier leit Begraven Aeltgen jacobs van Arckenboudt de tweede Huisvrouw van den Ed heer Mærten Harpersz- Tromp Admiræl over Hollandt ende West Vrieslandt is gestorve en op den 13 April Anno 1639 oudt sijnde 36 jareHier Leit Begraven Dingnom cornelis d’ Huisvrouw van Capitein Maerten Harpersz. van der Tromp starf den 20ennovember ano1633 oudt 34 jarenno103Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot ontnomen.... maar het wastochzoo moeilijk niet geweest als zij gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des Heeren zij geloofd!” Want haar kind was gespaard gebleven en haar teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannenmaakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek, als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden, en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.En later?...God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots, wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden, dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af of toe te doen? Maarnuhad ze het begrepen, en ze prees den grijzen Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd hadin dat zalige kindeke,nietin den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen, telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.Maar—al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was, dat kon ze niet, dat kòn ze niet!Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad van Nederland—daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held, met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander dieuithet volk geboren is,—een Jan de Wittweeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten, werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel, den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden voor den eeuwigen slaap.Zijn eenig monument—nietdoor een nageslacht, dat al te ver, veel te ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering opgericht—bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders zouden het vermogendiengang te verzuimen!Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende Oude Kerk.Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit de 17deeeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in de wereldhistorie te danken hebben.EINDE.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Ter uitvaart.

En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten den 2denAugustus hun „compliment van condoleantie”aan „de naeste Vrunden ofte Gallieerden van Tromp,” en den 14denAugustus aan zijn weduwe. Den 13denAugustus werd er besloten, dat aan Tromp „voor ordre ende tot kosten van desen Staet” „een honorable Begrafenisse” zou worden „aengedaen,” en dat er, hem ter eere, een Tombe zou worden opgericht „soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn meriteerende.” Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de „Heeren” zouden ook „de laetste uytvaert assisteeren” van den man, die, zooals het Schotschrift eenmaal zeide, maar van „sulcken volckje” was.De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad,welke van zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden was aan het rijke leven van den zeeheld.Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede „kwalijk” van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd haar huis geplunderd.Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan wal had doorgebracht,—maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer, den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten „peckbrouck” die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef vereeren, spreekt wel uit eentestament van 1634 voor den Brielschen notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, „over sijne Dyensten den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op sijn Schip geschoten is geworden.” Op die medaille stond aan den eenen kant „t’ vidimus van Sijne ExtieFredrick Hendrik ende aend’ ander sijde secker gedicht, luijdende aldus:Geen Pronck van Goud, maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts Heer, Door ’t Oorlochsvaren.”De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken van prof. Anthonius Thysius, die op den 21stenSeptember 1653 in „de vermaerde Leydtsche Academie” de lijkrede over Tromp uitsprak. „Soo eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn liggen, opdat sy, die eertijds t’ samen hadden gevochten, oock omtrent de selve plaets souden liggen.”Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als vergeten neerzit, met de verschrompeldehanden gevouwen in den schoot, die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen, jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had zetoenin de stilte van den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de blauw-groene wateren der zee,—dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon, den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Hier leit Begraven Aeltgen jacobs van Arckenboudt de tweede Huisvrouw van den Ed heer Mærten Harpersz- Tromp Admiræl over Hollandt ende West Vrieslandt is gestorve en op den 13 April Anno 1639 oudt sijnde 36 jareHier Leit Begraven Dingnom cornelis d’ Huisvrouw van Capitein Maerten Harpersz. van der Tromp starf den 20ennovember ano1633 oudt 34 jarenno103Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot ontnomen.... maar het wastochzoo moeilijk niet geweest als zij gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des Heeren zij geloofd!” Want haar kind was gespaard gebleven en haar teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannenmaakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek, als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden, en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.En later?...God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots, wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden, dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af of toe te doen? Maarnuhad ze het begrepen, en ze prees den grijzen Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd hadin dat zalige kindeke,nietin den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen, telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.Maar—al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was, dat kon ze niet, dat kòn ze niet!Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad van Nederland—daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held, met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander dieuithet volk geboren is,—een Jan de Wittweeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten, werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel, den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden voor den eeuwigen slaap.Zijn eenig monument—nietdoor een nageslacht, dat al te ver, veel te ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering opgericht—bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders zouden het vermogendiengang te verzuimen!Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende Oude Kerk.Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit de 17deeeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in de wereldhistorie te danken hebben.EINDE.

En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten den 2denAugustus hun „compliment van condoleantie”aan „de naeste Vrunden ofte Gallieerden van Tromp,” en den 14denAugustus aan zijn weduwe. Den 13denAugustus werd er besloten, dat aan Tromp „voor ordre ende tot kosten van desen Staet” „een honorable Begrafenisse” zou worden „aengedaen,” en dat er, hem ter eere, een Tombe zou worden opgericht „soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn meriteerende.” Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de „Heeren” zouden ook „de laetste uytvaert assisteeren” van den man, die, zooals het Schotschrift eenmaal zeide, maar van „sulcken volckje” was.

De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad,welke van zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden was aan het rijke leven van den zeeheld.

Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede „kwalijk” van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd haar huis geplunderd.

Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan wal had doorgebracht,—maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer, den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten „peckbrouck” die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.

Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef vereeren, spreekt wel uit eentestament van 1634 voor den Brielschen notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, „over sijne Dyensten den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op sijn Schip geschoten is geworden.” Op die medaille stond aan den eenen kant „t’ vidimus van Sijne ExtieFredrick Hendrik ende aend’ ander sijde secker gedicht, luijdende aldus:Geen Pronck van Goud, maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts Heer, Door ’t Oorlochsvaren.”

De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken van prof. Anthonius Thysius, die op den 21stenSeptember 1653 in „de vermaerde Leydtsche Academie” de lijkrede over Tromp uitsprak. „Soo eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn liggen, opdat sy, die eertijds t’ samen hadden gevochten, oock omtrent de selve plaets souden liggen.”

Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als vergeten neerzit, met de verschrompeldehanden gevouwen in den schoot, die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen, jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had zetoenin de stilte van den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de blauw-groene wateren der zee,—dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon, den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.

Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.Hier leit Begraven Aeltgen jacobs van Arckenboudt de tweede Huisvrouw van den Ed heer Mærten Harpersz- Tromp Admiræl over Hollandt ende West Vrieslandt is gestorve en op den 13 April Anno 1639 oudt sijnde 36 jareHier Leit Begraven Dingnom cornelis d’ Huisvrouw van Capitein Maerten Harpersz. van der Tromp starf den 20ennovember ano1633 oudt 34 jarenno103

Grafsteen No. 103 in de St. Laurenskerk te Rotterdam.

Hier leit Begraven Aeltgen jacobs van Arckenboudt de tweede Huisvrouw van den Ed heer Mærten Harpersz- Tromp Admiræl over Hollandt ende West Vrieslandt is gestorve en op den 13 April Anno 1639 oudt sijnde 36 jare

Hier Leit Begraven Dingnom cornelis d’ Huisvrouw van Capitein Maerten Harpersz. van der Tromp starf den 20ennovember ano1633 oudt 34 jaren

no103

Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot ontnomen.... maar het wastochzoo moeilijk niet geweest als zij gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des Heeren zij geloofd!” Want haar kind was gespaard gebleven en haar teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannenmaakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek, als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden, en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.

En later?...

God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots, wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...

Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden, dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af of toe te doen? Maarnuhad ze het begrepen, en ze prees den grijzen Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd hadin dat zalige kindeke,nietin den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen, telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.

Maar—al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was, dat kon ze niet, dat kòn ze niet!

Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...

En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad van Nederland—daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held, met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander dieuithet volk geboren is,—een Jan de Wittweeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten, werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel, den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden voor den eeuwigen slaap.

Zijn eenig monument—nietdoor een nageslacht, dat al te ver, veel te ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering opgericht—bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.

Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders zouden het vermogendiengang te verzuimen!

Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende Oude Kerk.Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit de 17deeeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in de wereldhistorie te danken hebben.

EINDE.


Back to IndexNext