[Inhoud]I.Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
[Inhoud]I.Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
[Inhoud]I.Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
[Inhoud]I.Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
[Inhoud]I.Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
I.
Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.—De kok …?Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.—Laat hem binnen …Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …
Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal van den luchtdom aan.
Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder,[35]in den cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.
Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, laconiek, filozofisch.
De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, in een klooster.
De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.[36]
Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond verlengd hebben en trekken naar omlaag.
De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele portretten.
De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt ze uit de, zorgvuldig bewaarde,[37]enveloppen, vouwt ze open, en leest hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht …
Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die brieven, portretten …
Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen … De herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de zelfde. Maar zij …
Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en voelde vitaliteit in zich. Toen … omdat ze zich begon te vervelen. Om dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde zich.[38]
Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des keizers, abdis was.
Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.
Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij Elizabeth.
Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is …
De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd verliest.
Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:
—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.
—De kok …?
Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als[39]met een profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den divan wat hooger, en leunt op hare hand.
—Laat hem binnen …
Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.
De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:
—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar zijn voorschoot, zijne witte mouwen …
En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich nemen, Excellentie.
Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.
—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten waarschuwen …
—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.
Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne Excellentie, den hertog!
De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.
—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid van leeuwerikken.
—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.
Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en zalmkleur en oude kant, rekt de[40]armen lang uit met een in-moê gebaar, en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich kleeden moet … Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en daarna weêr het zelfde, kleeden … en eten … en slapen …