[Inhoud]II.Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
[Inhoud]II.Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
[Inhoud]II.Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
[Inhoud]II.Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
[Inhoud]II.Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
II.
Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.
Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet gezien; ze was lijdende … Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den oorlog van vijftien jaar geleden.
En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de[41]officieele plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.
In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met goudblauwigen ravengloed.
Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen van meesters der Renaissance aan den wand.[42]
Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den kroonprins; de heeren volgen.
Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een onuitstaanbaren jongen!
Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks ook van den staat[43]van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende niets dan een banaliteit, en …
Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende arme menschen, zonder dak, zonder iets … Het is echter het tweede oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe zij het wilde besteed hebben … Zij herinnert zich, dat tijdens dit gesprek met[44]den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat ze aan hem heeft, en is geboeid.