[Inhoud]III.Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
[Inhoud]III.Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
[Inhoud]III.Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
[Inhoud]III.Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
[Inhoud]III.Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
III.
Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:—Hoe bevalt je de tournée?—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.—Alsof ik het niet zie …Ze lacht luid.—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …—Waarom lach je zoo? vraagt ze.Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!Hij schatert weêr en zij nu ook.—Ik?—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …—Zoo als je alles draagt.—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!—Een goed idee …—Dutri …Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.—Hoor je nog wel eens wat van hem?—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …—Wees niet idioot. Wat schreef hij?—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en likeur.
Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:
—O, laat mij U niet storen, Hoogheid …
Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, telkens voorbij de[45]open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze Dutri:
—Hoe bevalt je de tournée?
—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van den Primaat!… Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt zich bepaald populair …
—Een aardige jongen … valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen verleden, bij Myxila …
Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene „emotie” zoû kunnen voelen.
—Ma chère Alexa, pas op …! spreekt hij en dreigt met den vinger.
—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.
—Alsof ik het niet zie …
Ze lacht luid.
—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle vrouwen zijn[46]die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo gauw oud …
Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het lachen …
—Waarom lach je zoo? vraagt ze.
Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.
—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. Ik weet zoo goed als jij … dat jijzelf een van die malle vrouwen bent …!
Hij schatert weêr en zij nu ook.
—Ik?
—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde tusschenpoozen, chronisch, je „geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!
—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag …
—Zoo als je alles draagt.
—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà tout!
—Een goed idee …
—Dutri …
Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; boven stond de lucht vol sterren.
—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.
Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren enweêrin het donker liepen.
—Hoor je nog wel eens wat van hem?
—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt[47]zijn geld op. Het domste wat je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: Adam was prezident …
—Wees niet idioot. Wat schreef hij?
—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er tusschen jullie gebeurd?
Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van melancholie.
—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan …
—Ik weet het niet. We hadden veel metelkaârgesproken, en zoo langzamerhand begonnen we te voelen, dat weelkaârniet meer gelukkig konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.
—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals ik doe op jou, Alexa.
—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?
—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je psychologie.
Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische oogen werden vochtig.
—O … zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:
—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb gehouden! Ik … ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe gaan, naar hem toe gaan … O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice leven, waarin alle[48]dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als … heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem nog, en één woord van hem, één woord …
—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, wat een vulkaan!
Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog niet hervallen in hun toon van blague:
—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb soms hònger naar nieuws van hem …
Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:
—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee …
Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan met de overstroomde dorpen, de arme boeren … het in alles geheel en al eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van keizerlijkheid …
Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.