IV.

[Inhoud]IV.Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

[Inhoud]IV.Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

[Inhoud]IV.Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

[Inhoud]IV.Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

[Inhoud]IV.Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

IV.

Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:—Andro!! Andro …De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.—Hoogheid …!!—Andro, kom hier …—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …—Wat, Andro?—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?—Als U het wil, Hoogheid …—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.—Heeft U koorts? vroeg hij.—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …Hij dorst het niet zeggen.—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.—Wil U een dokter uit Vaza hebben?—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:—Ja, Uw Hoogheid, bijna.—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?De man luisterde.—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …De man deed zoo.—En laat je me voelen, je hand, zoo …Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.—Mijn arm prinsje …Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.

Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza:een antieke, sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van Yemena waren geweest, steeds geslapen[49]hadden op een oud verguld paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij zich uitstrekte.

Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap volgde.

Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.

En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, tot St. Ladislas zelven … Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede ketting, die zich voortzoûslingeren in de toekomst? Of …[50]En waartoe telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? Wat zoû het einde zijn, het groote Einde …?

In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee was. Suiste het maar in zijne ooren, of … of ruischte het waarlijk weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees …

Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. Ze schenen hem spoken, vijanden … Ronder opende hij zijne brandende oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.

Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de flitsen van vizioenen, die tafereelen der[51]overstrooming weêr voor hem deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op hem neêr als met atmosfeeren stikstof.

—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in doodsangst:

—Andro!! Andro …

De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot portretten.

—Hoogheid …!!

—Andro, kom hier …

—Hoogheid, wat is er …? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat heeft U … Ik dacht …

—Wat, Andro?

—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U toch …

—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen …

De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.

—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water …?

—Neen, dank je, dank je … Andro, kun je hier komen slapen?

—Als U het wil, Hoogheid …

—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, Andro … Haal je kussen hier.

De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij nooit klaagde …

Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn kussen te halen.

—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene[52]woede, die hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in zoo een robbenhuid steekt als hij!

In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr op de trede van het praalbed.

—Heeft U koorts? vroeg hij.

—Neen … ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik … ik ben …

Hij dorst het niet zeggen.

—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.

—Wil U een dokter uit Vaza hebben?

—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder …

—Zal U dan ook probeeren te slapen … mijn „prinsje”? vroeg hij, met dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing klonk.

Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een voedster, de kussens voor hem opschudde.

—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument …

Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen Othomar na eene pooze vroeg:

—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:

—Ja, Uw Hoogheid, bijna.

—Suist er iets in de verte, is dat water of … of verbeeld ik het me?

De man luisterde.

—Ik hoor niets, Hoogheid … U zal wat koortsig zijn.

—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind …

De man deed zoo.

—En laat je me voelen, je hand, zoo …

Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, steeds door … Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht[53]over het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn vreemden, nationalen klank van liefkoozing.

—Mijn arm prinsje …

Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even vanelkaârte schuiven.


Back to IndexNext