V.

[Inhoud]V.Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

[Inhoud]V.Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

[Inhoud]V.Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

[Inhoud]V.Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

[Inhoud]V.Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

V.

Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.—Ik heb niets, antwoordde hij.—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.En hij schreef:Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.Castel Vaza, April 18..Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.Othomar.Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:—Mijn kamerdienaar, Andro.Deze verscheen na eenige oogenblikken.—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …

Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin diep neeg.

—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.

Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve over tafel zacht tot hem zei:

—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?…

Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling logenstraffen.

—Ik heb niets, antwoordde hij.

—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.

—Niet zoo heel goed … moest Othomar bekennen, met een glimlach.

Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den binnenhof—zei Ducardi kortaf:

—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!

Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.

—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, verontschuldigend:

—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden vandaag rust te nemen.

Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den[54]prins heen; hij voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo duidelijk zichtbaar scheen.

En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad …

De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een beetje angst zich te verraden, schaamte …

In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens wordt stil gerukt, tot staan.

Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter[55]zelve even te zoeken. Op de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een potlood.

En hij schreef:

Aan Hare Allergenadigste Majesteit,Elizabeth,Keizerin van Liparië.

Castel Vaza, April 18..

Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar Lycilië.

Othomar.

Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:

—Mijn kamerdienaar, Andro.

Deze verscheen na eenige oogenblikken.

—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin …

Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er òp drukte,[56]zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.

Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen waren, op ze schieten, als op honden.

Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar … Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?

Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborgzijharen angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen …![57]

Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu toe … Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?

Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige verplichtingen weg …


Back to IndexNext