IV.

[Inhoud]IV.Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

[Inhoud]IV.Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

[Inhoud]IV.Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

[Inhoud]IV.Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

[Inhoud]IV.Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

IV.

Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …

Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden[175]plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur …

Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.

Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, watzoûzij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen,[176]en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken … En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóoneêrgeslagenals zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?

Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene[177]uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is … Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid …!

Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was[178]geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon …

Othomar zelve dacht niet over zijn deugden,nochover zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan …

Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.

En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.

Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden …

De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.

Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn[179]ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren …

Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.

En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie …


Back to IndexNext