[Inhoud]I.Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
[Inhoud]I.Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
[Inhoud]I.Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
[Inhoud]I.Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
[Inhoud]I.Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
I.
Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …Zij stak hem in eens hare hand toe:—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.—Kijk, zeide hij.Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:—Othomar, heb jij niemand … lief?Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.—Ja …Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!Hij haalde de schouders op.—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]Zij lachte even.—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.Zij voelde even aan haren blooten hals.—Dadelijk, sprak ze.Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.—Kom, drong hij.—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?Hij zag naar beneden.—Ja, antwoordde hij.—Voel je geen duizeling? vroeg ze.Hij keek haar angstig aan.—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …—Waarvoor? vroeg hij.—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.
Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein geel licht.
De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van Oostenrijk, Othomar met Valérie … Even drukte Valérie Othomars arm en trok zich met hem uit den stoet terug.
—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.
Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.
—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.
Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van[151]het regiment dat hij in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den sleep.
—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.
Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.
—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê …
Zij stak hem in eens hare hand toe:
—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in eens, met een grooten snik.
En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met een paar oogen, als van een verwonderee. Een onbedwingbaar gevoel van medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.
Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in elkanders hart, naakt.
Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat spook kwam voor hen uit het[152]leven zelve: het leven zelve werd hun een spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, maar in hunne sfeer bestonden zij niet …
Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.
—Kijk, zeide hij.
Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park van Sigismundingen.
Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon … En het artikel eindigde, dat het huwelijk[153]in October in het oude paleis te Altara zoû voltrokken worden.
Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde hij het tijdschrift weêrneêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:
—Othomar, heb jij niemand … lief?
Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?
—Ik heb wel gedacht, dat ik … iemand lief heb gehad, bekende hij; maar ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets wijs te maken … Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van me …
Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.
—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor ons volk …
—Voel je dà t? vroeg ze, in bevreemding.
—Ja …
Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het verschiet was zoo ver, zoó ver …
—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te voelen!
Hij haalde de schouders op.
—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is … onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom is er dan iets moois aan?[154]
Zij lachte even.
—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en … en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.
Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden hen, en zij huiverde.
—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat hier koû.
Zij voelde even aan haren blooten hals.
—Dadelijk, sprak ze.
Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen mousseline.
—Kom, drong hij.
—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?
Hij zag naar beneden.
—Ja, antwoordde hij.
—Voel je geen duizeling? vroeg ze.
Hij keek haar angstig aan.
—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk …
—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als … als mijn groot verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig … Eindelijk dacht ik, dat ik het besluit genomen[155]had: om me te gooien naar beneden … Ik zag me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen … Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om … hèm, Othomar. Ik had hem nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû hem zijn leven lang vervolgd hebben …! Toen … toen, Othomar, ben ik weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!
Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend bruiste …
—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. Het is hier te koud, en, en …
Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.
—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze aderen …
Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even staande:
—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken …
—Waarvoor? vroeg hij.
—Voor … iets, dat tante Olga me zei. Voor …, dat je me gespaard hebt … te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar …
Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste haar.
En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.