[Inhoud]VI.Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
[Inhoud]VI.Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
[Inhoud]VI.Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
[Inhoud]VI.Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
[Inhoud]VI.Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
VI.
Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?De hertogin lachte.—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.—Maar door niemand van de adjudanten …!De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.—Dat meisje, was dat zijn dochter?—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.—Prins Zanti, niet waar?—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …—Hoogheid …!! riep ze.[61]Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.
Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.
Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder palfrenier,[58]vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm hielden.
Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar tusschen heel oude kastanjeboomen.
—„Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn dochter.[59]
—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. Maar hoe komt het dan, mevrouw,dat ik verleden jaar, toen ik met den keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord heb, en dat hij hier woonde?
De hertogin lachte.
—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti niet hooren wil.
—Maar door niemand van de adjudanten …!
De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, aan en sprak:
—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar … ik bedenk me nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier nog geen locale klank …
De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.
—Dat was Zanti … fluisterde de hertogin.[60]
—Zanti …! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond achtten voor zijn dochter.
—Dat meisje, was dat zijn dochter?
—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te zijn.
—Prins Zanti, niet waar?
—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court … Titels zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.
Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken aan dien akeligen man:
—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U goed gedaan …
Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, zijne oogen vergrooten, vreemd …
—Wat heeft U, Hoogheid … riep ze verschrikt en trad nader.
Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk … zoo te zijn, maar … maar die man daar heeft me verrast …—hij lachte—, ik wist niet, dat hij hier was, en dan de lucht … die ijle lucht …
Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde …
—Hoogheid …!! riep ze.[61]
Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; zijn mond was open, zonder adem.
De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan het Imperiaal … Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld voorhoofd af met haren zakdoek … En het vreemde gevoel werd vreemder nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd … Zij dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.
Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van kennis,[62]die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht nog van verrassing strak:
—Ik was wat duizelig, zoo even …? Ik vraag u excuus, mevrouw …
Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr zoû geven hare jeugd.