VII.

[Inhoud]VII.Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

[Inhoud]VII.Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

[Inhoud]VII.Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

[Inhoud]VII.Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

[Inhoud]VII.Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

VII.

Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.Othomar wees met het potlood over de kaart.—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!—Barakken? vroeg Othomar.—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!Von Fest haalde zijn schouders op.—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.Weêr haalde Von Fest de schouders op.—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.Ducardi zag hem vlak aan.—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:—Vraag of Zanti hier is …De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.—Woningen, antwoordde Zanti droog.Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.Zanti zag hem aan.—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.—De overstrooming is geen ellende.—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …Zanti zag Othomar aan.—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.Herman schaterde.—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.Maar hij stak de hand uit.—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.De kolonel drukte de hand van den prins.—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!

Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had iets glimlachend rustigs.

Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een enkele star van brillanten in het haar van voren.

Othomar wees met het potlood over de kaart.

—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg … Zie, generaal[63]Ducardi, ziet u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?

De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, verwonderden zich.

—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.

—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het …! Ik sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon zijn. Maar dan is hij het!

—Barakken? vroeg Othomar.

—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren huisvestte, die alles verloren hadden.

—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza was gaan wonen, zei Leoni.

—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei Othomar.

Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.

—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit oogenblik maar te niëeren.

Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge strijdlust borrelde in hem op.

—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch dankbaar, noch diplomatiek.

—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel hier bewoonde,Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi nadrukkelijk.

—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel deed voor de slachtoffers van de[64]overstrooming, Zijne Majesteit hem wel wat liefhebberen in communisme vergevenzoû.

Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.

—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan dilettantisme …

—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom Zanti’s socialisme, opditoogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om alles omtrent de overstroomingen op te nemen …

Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig …

—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van Gothland, die plezier in Othomar kreeg.

Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.

En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia vooral:

—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij[65]ontsteld tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer op Zanti gebeten is …

De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, hoofdgeknik der anderen.

—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan volstrektwil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet eens met haar was …

De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting voor zijn doorzicht en practische blik …

—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien …

Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.

—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan eigenlijk niet meer dan redelijk?

—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat er staat geschreven:—„Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij een onnoodig sacrament,[66]en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van zegen, die ook alweêr steunt op een tekst … ik weet niet meer welken. Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat gesteld voor het Huis der Standen.

—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! glimlachte Von Fest.

—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!

Von Fest haalde zijn schouders op.

—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat bewijst voor hem.

—Maar … de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de generaal met een vloek.

Weêr haalde Von Fest de schouders op.

—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen … En krijgt hij daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, bijwijze van reactie.

Ducardi zag hem vlak aan.

—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.

Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.

—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen staan … voor later.

De officieren begrepenelkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.

—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.

—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.

De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag[67]met de hertogin getoerd had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de wijde tintellucht van voorjaar.

—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.

Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met vromen klank, als van psalmen.

Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den generaal kleingeestig en, tot Thesbia:

—Vraag of Zanti hier is …

De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig „Zanti”. Goed, hij zoû hem roepen.

De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er al aan, maar voort te gaan …

Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.

—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.[68]

De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de barakken te zien.

—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.

—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.

—Woningen, antwoordde Zanti droog.

Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund had.

—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, innemend.

—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, mij goed.

—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan metgeheeluw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.

Zanti zag hem aan.

—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.

Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden passen.

Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.

—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te lenigen, sprak Othomar.

—De overstrooming is geen ellende.

—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?

—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. De tijden zijn zondig.

De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.

—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! sprak Herman. Want al die barakken …!

—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke[69]woningen. Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.

—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de overstrooming? hield Herman vol.

—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe en ik red ze van den ondergang.

—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?

—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform rondloopt … Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me storen kwam.

—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!

—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.

—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; vee zal ik voor ze koopen.

—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.

—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk …

—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch in een kasteel.

—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woonhier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek … Ze zoû niet kunnen tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal ze niet leven, mijn kind …

Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, aan.[70]

—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar … Maar ze zal niet lang leven … En dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen allen … Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een mensch …

De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de gebouwen, verklaarde ze hun …

—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?

—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is … Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen …

—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.

—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo eenvoudig …

—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, wierp Herman tegen.

Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en driftig, hevig, riep hij uit:

—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me[71]voorstel? Ik niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid heeft lang genoeg geduurd …

Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende dwepersstem, die Othomar huiveren deed:

—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me … aantrekt, meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de tijden zullen komen!

Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; vervolgde:

—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, alsuwvader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u mogen heerschen, ja dan, dan … Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,… al moest ik het ook niet hebben.

Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering af en boos, hoog:[72]

—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uwgasten, meneer Zanti, ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid …

Zanti zag Othomar aan.

—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.

Herman schaterde.

—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!

Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.

De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren honderde boeren bezig.

De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de uniformen na.

De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren bijstaan, maar wel den[73]zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems …

Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar met zulke groote oogen aan te staren …

In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in een grove vuist naar zijn hals toe …

Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat was alles gebeurd in één oogenblik.

Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.

Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:

—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede …!

Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd[74]met de grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken op.

—„Gij zult niet doodslaan …” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen dat nog niet te weten; niemand nog weet het …!

Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag op slag …

De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, schreeuwend.

Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg Ducardi hem ontroerd:

—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?

De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met verwijt.

Maar hij stak de hand uit.

—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.

De kolonel drukte de hand van den prins.

—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.

—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde zijn paard.

Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne[75]uniformknoopen schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende snorbaard, uit:

—Mijn prins, mijn prins, mijn prins …!


Back to IndexNext