Ik bracht eenige kleinigheden thuis, waarmee ik den generaal en Rolf wist pleizier te doen, en had eene eenvoudigeparurevoor Francis gekocht, daar de diamanten die ik haar als bruidstooi wilde aanbieden nog nietde raisonwaren.Ik meende mijn cadeautje te gebruiken als een aanloopje om dat belangrijke onderhoud met haar te hebben, dat mij al zoo lang op het hart lag. Maar ik vond haar dien avond zóó gedrukt en zij zag er zóó bleek uit, dat ik, om een glimlach en een blos op dit strak en droevig gelaat terug te brengen, hetécrinnu maarsans façonsvoor haar neerzette als eene welkomst uit de stad, in ’t bijzijn van den generaal en Rolf; zoo was het eene aardigheidsans conséquence, die zij in geen geval behoefde af te wijzen. De blos kwam werkelijk even, maar de bedruktheid nam dermate toe, dat ik tranen zag blinken toen zij mij de hand drukte. Daarop verliet zij ijlingshet vertrek, en wij zagen haar niet weder terugkeeren; de generaal ging nog vroeg ter ruste, en om niet met Rolf alleen te blijven zitten, volgde ik hem onverwijld; maar ik voelde mij zoo beklemd, of de neerslachtigheid van Francis op mij afgaf. Waarom had zij mijn geschenk niet vroolijk en schertsend opgenomen, zooals zij meest alles opvatte? Zij, die zich zoo kloek en kalm wist te houden onder de meest schokkende omstandigheden! Ik kon niet inslapen van al de waaroms, die bij mij opkwamen, waarop ik geen antwoord wist te geven, en die mijn moed verlamden, mijne hoop deden versagen. Eerst laat in den nacht sliep ik in en had zware bange droomen, waarin Francis onder allerlei gestalten tergend rondom mij zweefde, zonder dat ik haar toespreken of bereiken kon. Vast besloten niet weer zoo’n nacht door te brengen, trad ik de ontbijtkamer binnen. Allen waren reeds bijeen. Ik vond Francis iets meer opgewekt; zij vertelde aan den generaal, dat zij een brief had gekregen uit U, van Dr. D., met het bericht, dat de patiënt waarvoor zij zich interesseerde in beterschap toenam en dat er hoop was op herstel. Al sprekende vouwde zij de beide handen op de borst en hief de oogen ten hemel, als met eene onwillekeurige beweging van dankbare blijdschap; maar haar grootvader was vrij wat minder getroffen.“Het lijkt wel naar u daarover zoo verrukt te zijn,” sprak hij, de schouders ophalend, en om schielijk van ’t apropos af te stappen, vroeg hij aan Rolf, of hij niet uit visschen dacht te gaan en of er kans was op een zoodje waterbaars.Francis was al opgestaan zonder naar het antwoord te luisteren. Ik had haar te veel te zeggen om nu onverschillige woorden met haar te wisselen en liet haar aan ’t geen zij de “menage” noemde, vast besloten haar daarna uit te noodigen om samen eene fiksche wandeling te doen, en daarbij dat onderhoud met haar te voeren, dat beslissend moest zijn. Zij hield van de frissche lucht,en wij waren nergens vrijer en meer zeker ongestoord te blijven dan in het bosch op de gronden rondom het kasteel.Ik verbeeldde mij, dat ik een weinigje toilet moest maken; maar toen ik beneden kwam vernam ik van Frits, dat de freule zich kleedde en uit zou rijden.Werkelijk zag ik den jongen Pauwels met haar gracieus rijpaard voorkomen, en eenige oogenblikken later verscheen zij zelve in amazone, zooals ik haar het eerst had gezien; maar nu droeg zij toch een bevallig rond hoedje met eene donkerblauwe voile, dat haar allerliefst stond.“Offer mij voor ditmaal uw wandelrit op!” vroeg ik haar met die zekere forschheid, waaronder ik mijne zenuwachtige gejaagdheid trachtte te verbergen, zonder daarin goed te slagen.Zij zag mij aan met wat schuchtere verbazing, verbleekte en zweeg, terwijl zij met haar karwatsje speelde.“Gij kunt immers een uurtje later uitrijden,” voegde ik er bij, een weinigje meer dringend.“Neen, want ik heb een verren toer te doen, zoodat ik mij zelfs haasten moet, wil ik dien voor den eten afleggen.”“Dan moet gij dien verren toer uitstellen tot morgen Francis!” sprak ik ernstig, “’t Is voor het eerst dat wij weer eens rustig samen kunnen uitgaan na de ziekte van uw grootvader; weiger mij dit nu niet.” En de blik waarmee ik haar aanzag moet mijns ondanks iets uitgedrukt hebben van de hoop en vrees die mij bezielden, want ik zag haar weifelen, toen zij antwoordde met wat gedwongen spijtigheid:“Gij hebt er altijd pleizier in mijne plannen te derangeeren.”“Niet uit willekeur, Francis, geloof mij; maar ik heb er eene goede reden voor: ik zal het u morgen misschien niet meer kunnen vergen.”“Zoo; dat klinkt dreigend,” hernam ze met een poging om te glimlachen, die haar niet al te goed gelukte. “Welnu, het zij zoo!” En zij wierp haar karwats weg met dien zekeren onwil van een officier die zijn degen aflegt om zich gevangen te geven; “maar dan moet gij wachten tot ik eene andere japon heb aangetrokken, want in amazone wandelen met u dat gaat niet.”Daarop gaf zij order om Tancred op stal te brengen en liep het huis in.Zoo zij bezield werd door de gewone vrouwelijke kwelzucht, liep ik groot gevaar lang te wachten! Eene coquette had zeker niet gemankeerd den onvoorzichtige, die haar in een voornemen dwarsboomde, daarvoor duchtig te laten boeten; maar het bleek wel, dat zij boven die kleingeestige damesmanieren verheven was, want zij kwam heel spoedig terug en had alleen den lastigen sleependen amazonerok verwisseld voor een kort, licht kleedje, dat minder hinderlijk was bij de wandeling. Het hoedje en het jackertje had zij behouden, en zij trad vlug en besloten naar mij toe, terwijl zij vroeg:“En waar gaan wij nu heen?”“Maar.... mij dunkt het bosch in.”“Gij hebt gelijk, het is er nu heerlijk; wij kunnen wandelen tot hetrond-pointen daar rusten.”Zoo gingen wij een eind weg de groote laan door die naar het bosch voerde; zwijgend, juist omdat wij elkaar zooveel te zeggen hadden.Ik was besloten te spreken, maar nog niet met mij zelven eens hoe ik zou aanvangen, toen zij begon:“Ik kan u mijn wandelrit wel opofferen, Leo! maar niet de plichten die er mee in verband staan.”“Geloof van mij, Francis! dat ik u nooit in den weg zal zijn als het de vervulling van plichten geldt; integendeel, gij kunt op mij rekenen om u daarbij te steunen en te sterken.”“Ik heb daartoe geene hulp noodig. Ik heb alleen maar noodig mijn eigen weg te gaan.”“Dat klinkt forsch, Francis! daar ik u ditmaal van uw weg heb afgevoerd. Maar het moest zijn, want ik heb noodig u ongestoord te spreken. Ik kan niet langer hier blijven; allerlei belangen roepen mij naar den Haag terug.”“Ik heb dit zien komen, Leo!”“Spijt het u?”“Ik moest neen zeggen, om die dwaze vraag even dwaas te beantwoorden.”“Maar ik zal weerkeeren, als gij het goed vindt.”“Neen, Leo! dat vind iknietgoed, en ’t ware zelfs beter geweest dat gij heengegaan waart toen ik u dat het eerst heb geraden.”“Dat zie ik niet in. Ben ik u tot overlast geweest?”“Gij weet wel van neen; gij weet wel dat ik u veel heb te danken; maar ’t is juist dáárom. Gij hebt mij in bange dagen ter zijde gestaan; gij hebt allerlei leed en bezwaren met mij gedeeld; wij hebben daarenboven zoo prettig samen gekibbeld, in één woord, gij hebt mij verwend. De eenzaamheid zal mij nu zwaarder drukken dan voorheen.”“Niet lang toch, want ik ga slechts heen om spoedig terug te komen?”Zij antwoordde niet, maar bleef langzaam zwijgend naast mij voortgaan.“Wat wilt gij dat ik uit den Haag voor u mee zal brengen?” vroeg ik, om het onderwerp niet te laten varen.“Gij hebt mij reeds een souvenir geschonken, Leo! en ik ben er dankbaar voor. Gij ziet dat ik het al gebruik; dat is genoeg, ik heb niet anders noodig.”“Ook geen élégant zomertoilet, Francis? Gij hebt mij bekend dat het uwe in den steek gebleven is.”“Ik heb nu geen toilet meer te maken, Leo! dat begrijpt gij wel.”“Nu goed! Als gij mij zoo weinig voorthelpen wilt, dan zal ik zelf weten wat mij te doen staat.”“Wat hebt gij voor? Gij maakt mij waarlijk nieuwsgierig,” sprak zij met zekere gejaagdheid in de stem, die zij niet machtig was te beheerschen.“Ik zal eentrousseauvoor u bestellen.”“Eentrousseau!waarvoor eentrousseau?” riep zij luid lachend. “Het schijnt dat mijn verstandige neef Leopold ook al zijn ure heeft omfolieste zeggen, zoo al niet te doen.”“Of wilt gij liever eenecorbeille de mariage?”“Zijt gij wezenlijk bij uw zinnen, Leo? eenecorbeille de mariage!In ’s hemels naam, voor wie?”“Mij dunkt voor niemand anders dan voor mijne allerliefste weerbarstige nicht, Francis Mordaunt!”“Dat’s geene fijne aardigheid, jonker! gij weet wel dat uwe nicht Francis niet trouwen zal.”“Luister, Francis! Toen gij mij eens bij onze eerste wandeling over de heide diergelijk besluit hebt medegedeeld, had ik geen reden om u daarvan af te brengen. Ik gevoelde niets voor u dan de belangstelling, die mij drong uwe kennis te maken, en ik wist niet genoeg van u, om u met ernst zulk een voornemen te ontraden. Maar nu weet gij zelve wel, dat alles anders is geworden tusschen ons. Ik heb groote vrijmoedigheid gebruikt jegens u, met u te wijzen op zulke gebreken, die ik achtte dat uw edel karakter konden schaden. Gij hebt die opmerkzaamheid genomen voor ’t geen zij was: bewijs van innige belangstelling, en gij hebt die beloond met uw volle vertrouwen. Maar gij begrijpt toch zelve wel, dat ik mij niet veroorloofd zou hebben, zoo lang en op zulke wijze met u om te gaan, als er niet een vast voornemen bij mij bestond om u tot mijne vrouw te vragen!”“Dat klinkt werkelijk als eene declaratieà bout portant, en daar ik zoo’n brusken uitval van u wel niet had kunnen wachten, neem ik die voor ’t geen zij schijnt: eeneraillerie. Ik weet het, gij houdt daarvan, om mij een weinigje te prikkelen en u te amuseeren met mijnereparties, en dat is gelukkig voor u, want anders zoudt gij in gevaar zijn om zoo maar plomp weg een blauwtje te loopen.”Ik begreep dat zij tot de tanden toe geharnast in den strijd was gegaan; zij was koel, scherp en hoog in haar antwoord; maar in de stem, die onverschillig en schertsend wilde zijn, trilde eene ontroering, die zij door het afwenden van het gelaat trachtte te ontveinzen.“Om de waarheid te zeggen, Francis! ik sla volstrekt geen geloof aan uw blauwtje. Gij wilt mij misverstaan, omdat gij in eene kwelzieke luim zijt en besloten om u te weren tot het uiterste tegen de inspraak van uw hart; maar gij hebt u niet zoo kunnen vergissen in het mijne, ofweetdat ik nu spreek in vollen ernst.”“Nu dan, Leo!” viel zij in met een diepen zucht. “Als gij er ernst van maken wilt, moet ik u herinneren aan mijne vroegere waarschuwing om mij van zulke wenschen niet weer te spreken; het kan, het mag niet zijn!”“Waarom toch niet? Heb ik mij zoo vergist, toen ik dacht dat ik u niet geheel onverschillig was? Ik hoopte wat beters van u, ik meende toch dat gij wel iets voor mij gevoeldet.”Zij knikte met afgewend gelaat en zweeg, maar op eens hoorde ik iets als een gesmoorden snik.“Zijt gij dan mogelijk niet meer vrij?” vroeg ik zacht en zelf diep bewogen, hare hand nemende en mij voor haar plaatsend om haar in de oogen te kunnen zien.“Vrij? O, voorzeker ben ik vrij!” riep zij met bitterheid. “Ik heb er wel het mijne toe gedaan om vrij te blijven!”—en zich snel van mij afkeerende:—“maar, ik heb het u immers altijd gezegd. Ik moet mijne onafhankelijkheid bewaren; ikmoethet.”“O, ik versta u, Francis!” sprak ik, mijns ondanks nu ook met wat bitterheid. “Gij hebt zekere illusie nog niet opgegeven, gij wacht op uw lord William; gij hebt het u zelve beloofd en....”“Lord William? Lord William, die mij nooit heeft liefgehad!” riep zij hartstochtelijk, “Lord William, die mij met zijn laatdunkend mededoogen heeft gekrenkt, die mij het hart heeft gebroken, die mij tot woestheid, tot dwaasheid heeft vervoerd door zijnevoorzienige wijsheid; lord William, die nu een brave zestiger zal zijn! Leo, Leo! gij die mij lief hebt, ik weet het, doe gij toch u zelven die nuttelooze kwelling niet aan om jaloersch te zijn van lord William. Zou ik u alles zoo vrij uit hebben opgebiecht als ik daar niet lang overheen was?”“Dan is die tegenzin in het huwelijk, die zucht om vrij te blijven maar een onvrouwelijke gril, een laatste verzet van Majoor Frans, die zich niet gevangen wil geven, en dan stel ik al mijne wilskracht, al mijne volharding tegenover die weerbarstigheid.”“Plaag mij niet met uwe volharding, Leo! want gij zoudt mij slechts pijnigen, zonder mij te verzetten. Al zoudt gij mijn hart breken, en dat kunt gij, ik beken het, mijn weerstand zult gij toch niet overwinnen.”“Dan wil ik die onzichtbare macht kennen, die u tegen mij sterkt!” riep ik, woest van toorn en smart.“Och Leo! gij weet immers wel van welke smartelijke plichten ik de slavin ben. Waartoe u nog verder in te wijden in die diepten van jammer en ellende, waarin ik bijna verzink, waarmee ik levenslang zal te worstelen hebben.”“Ik wil ze kennen, Francis! om ze met u te deelen, om ze met u te dragen. Samen strijdende zullen wij overwinnen, wees er zeker van!” riep ik hartstochtelijk; en door het teederste medegevoel overweldigd, sloeg ik mijn arm om haar heen en sloot haar aan mijne borst. Zij getroostte zich dit zacht geweld zonder verzet; als mat en afgestreden liet zij haar hoofd tegen mijn schouders rusten.“Nou, as de freule vrijt is ’t te begriepen dat ze der kind verzuumt!” hoorden wij plotseling achter onsuitroepen door eene schorre stem, die aan het afschuwelijk dialect niets toegaf.Doodsbleek van schrik maakte Francis zich vrij en trad eenige schreden ter zijde. Ik, als door een bliksemstraal getroffen, liet de armen zinken en weerhield haar niet; ik had eene gewaarwording of ik plotseling onder ijsschotsen was geraakt, ik rilde.De persoon die achter ons aangekomen was, en ons zeker al lang had bespied, trad nu stout vooruit en op Francis toe.Het was eene oude vrouw, die als de heksen in Macbeth daar op eens voor ons oprees. Met hare scherpe zwarte oogen, hare bloote magere armen, rood en dor als kreefteschalen, haar verbrand en gerimpeld gezicht, met een blauw geruiten doek over de witte muts en het stokje waarop de kreupele leunde, zag zij er werkelijk uit als eene tooverkol uit de sprookjes, die men in een vroegere eeuw zou verbrand hebben. Ik wil wel bekennen dat ik haar dergelijk lot toewenschte, toen zij ruw en brutaal tot Francis zeide:“Nou dan, freule! nou weten we waer je het zoo druk mee hebt dat je in gien vayf wieken nee het kinde zijt kuemen umzien.”“Mijn grootvader is ziek geweest, vrouw Jool.”“Ja! grooteluisziekte, deer is gien kwoad bij. Mear die jonker deer, dats wat anders hé! Nou, ik zeg, het hiele dorp spreekt er schande van.”“Waarvan, vrouw Jool?” vroeg Francis, hoog en koel, hoewel ze zeer bleek zag.“Dat je ’t kinde zoo verzuumt um....”“Luister, vrouw Jool!” viel nu Francis in op vasten, kalmen toon. “Het heele dorp, zoomin als gij zelve, heeft in mijne zaken iets te zien, of zich met mijn doen en laten te bemoeien.”“Och, we zullen met pleizier doen of we er nieuwers van merken, freule! maar het kleine jungske lijdt er bij als we te onzent niets van der heuren.”“Ik had vandaag willen komen, maar kreeg verhindering; doch daar behoeft het kind immers niet onder te lijden; daar is geen reden toe sinds het kostgeld trouw wordt betaald.”“Hm! trouw! De maond is uut: we zien de tweede al een weik ien, en ik zeg: als het Trineke verveelt heit de jongen het slecht.”“Morgen zult gij het geld hebben; maar ik zeg je, als het kind slecht bejegend wordt om die ééne week verzuim, zoo slecht, vrouw Jool! dat ‘het heele dorp’ zooals gij zegt er schande van spreekt, dan komt die slechte behandeling van uwe of uws dochters zijde, en dan blijft het kind niet bij u, daar kan je staat op maken. Als ik morgen of overmorgen kom zal ik er naar informeeren, reken daarop!”“Wat! wou je mij en me dochter te schande maken en het jungske van ons wegnemen? Nou, probeer dat eens! We zullen wel zien wie ’t heft in handen houdt!” En ’t booze wijf zette tergend brutaal de handen in de zijde. “Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de bres springt!”“Gij zijt voor niemand in de bres gesprongen, vrouw Jool, dat weet je zelve wel, daar ben je veel te inhalig toe; je hebt alleen geld willen maken van uw dochters ongeluk, ziedaar alles! Maar het doet er niet toe wat gij zijt of niet.”“Wat! zou het er niet toe doen dat ik de grootmoeder ben! En ik kwam nogal waarschuwen dat ie nieuwe kousen en schoenen moet hebben, of hij moet met zijn bloote voetjes in de klompjes loopen net als de boerenkinderen, en deer is hij te fesoenlijk veur zou ’k denken.”“Ik zal in de kousen en schoenen voorzien, vrouw Jool! Maar ’t is nu genoeg, ga uws weegs, ge hadt niet in ’t bosch moeten komen als een spion. Nu ik je ontdekt heb, moet je rechtsomkeer maken, het zandpad langs de vaart om, die leidt naar je dorp.”“Nou, nou! wat zou dat? Is deer zoo’n haast bij?”“’t Is hier de grond van de Werve; je hoort hier niet. Scheer je weg, of....”“He’k van me leven! wat ze een haast het um me weg te kriegen, en dat um.... Nou, nou, ik ga al! anders laat ze me die kostelijke jonker nog voor koddebeier spelen!” riep het wijf eer schreeuwende dan sprekende, terwijl ze zich hinkend uit de voeten maakte en het aangeduide pad nam.Wij waren bij hetrond-pointgenaderd. Ik was eerst blijven staan bij de oude rustique bank, maar ik moest gaan zitten, want ik voelde dat mijne beenen onder mij wankelden; ik moet er akelig bleek en ontdaan hebben uitgezien, want toen Francis, eindelijk van haar kwelgeest bevrijd, zich omkeerde en naar mij toekwam, zij, nog met wangen hooggekleurd van toorn en verontwaardiging, las ik zekere droeve verbazing op hare trekken, toen zij voor mij staan bleef en mij aanzag, terwijl zij sprak:“Welnu! Leo! mij dunkt het toeval dient u op uwe wenken. Dáár is nu de macht, ongelukkig evenmin eene onhoorbare als onzichtbare, die mij berooft van de vrijheid om gelukkig te zijn.”“Ik versta u, Francis! gij zijt te eerlijk en te kiesch om onder zulk een bezwaar een man aan uw lot te verbinden,” sprak ik met eene stem, die ik trachtte vastheid en kalmte te geven; “maar waarom mij niet eerder uw vertrouwen geschonken op dit punt, waarom het op zulke verrassing, op zulke toevallige ontmoeting te laten aankomen? Ik heb u immers gezegd, reeds in de eerste dagen onzer kennismaking, dat ik den moed zoude hebben eene struikelende staande te houden, dat ik niet zou wanen mij te besmetten, zelfs als ik eene gevallene uit de diepte oprichtte; zeg mij alles! ik wil het onmogelijke beproeven om u te redden.”“Maar Leo!” antwoordde zij, de handen ineenslaande van verbazing, en met een hoogen blos op het voorhoofd;“gij ziet bleek als een lijk, uwe oogen staan strak en schril van pijnlijke overspanning, uwe doffe stem verraadt de overwinning zelfs die deze woorden u kosten. Wat moet ik denken van deze heftige ontroering, wat van de zonderlinge gezegden die gij mij toevoegt? Gij zult mij, toch niet van iets onwaardigs verdenken? Gij kunt toch wel begrijpen datmijneeer er niet mee gekwetst is, al heb ik mij zelve veel te verwijten, al klage ik dat ik het recht verloren heb gelukkig te zijn, al lijde ik onder den schrikkelijken nasleep van jammer en ellende waarvan ik de schuldige oorzaak ben!”“Ik luister naar ’t geen gij zegt, Francis!” sprak ik in eene soort van bedwelming; “maar verschoon mij, ik.... ik versta u niet goed, was er niet sprake van een kind.... van een kind waarvoor gij te zorgen hebt.”“Wel zeker! en dat is nog niet eens het ergste, ik heb er de moeder bij voor mijne rekening.”“Francis!” riep ik, opspringende met een kreet van verlichting en onuitsprekelijke blijdschap.“Nu begrijpiku niet,” hervatte zij, mij met een naïeve bevreemding aanziende, “daar is hier waarlijk geene oorzaak voor zulke verrukking. Meent gij dat het eene lichte zaak is voor mij; in omstandigheden als de mijne, om een kind groot te brengen en in de behoeften van eene krankzinnige vrouw te voorzien?”Ik dankte den Hemel uit den grond van mijn hart, dat zij in hare onschuld mij zóó had misverstaan; ik had gelukkig nog genoeg tegenwoordigheid van geest om mij te redden en haar gedachtenloop te vatten; ik begreep dat ik reddeloos verloren moest zijn bij haar, als zij raadde welk vermoeden mij een oogenblik had bezield.“Zeer zeker is dat geene lichte last, Francis; integendeel, het moet bijkans eene ondragelijke zijn voor u alleen; maar ik, die gevreesd had dat er eenige onoverkomelijke hindernis zou liggen tusschen u en mij, ik verblijd mij dat het niets ergers is.”“Och!” sprak zij met zekere ergernis over mijne onbevattelijkheid; “gij mannen wilt nooit bezwaren zien, als gij iets wenscht. Het is eene onoverkomelijke hindernis, ik zeg het u, in onze omstandigheden. Gij weet eigenlijk nog niets en gij praat al voort of gij alles in één oogwenk zoudt kunnen schikken. Ik heb mij nu al die onaangenamescènevan dat oude wijf op den hals gehaald om u, omdat ik met u ben gaan wandelen, in plaats van naar het dorp O. te rijden, om mijn kleinen Harry te zien, en bovenal om het kostgeld te betalen aan de grootmoeder, en wie weet wat al niet bovendien, want zij exploiteeren mij daar, Leo! Zij exploiteeren mij op eene gruwelijke wijze, en ik weet er mij niet tegen te weren, omdat ik mij niet onschuldig kan achten aan den dood van den vader, aan de oneer en de krankzinnigheid der moeder.”Ik begreep dat ik niet beters had te doen dan maar rustig aan te hooren wat zij mij uit zich zelve wilde mededeelen; ik moest er naar trachten haar mijne vroegere opvatting te doen vergeten.“Zij exploiteeren uwe teederheid van consciëntie, Francis!” sprak ik, terwijl ik naast haar plaats nam op de rustieke bank.“Zoo is het Leo! Gij hebt laatst gehoord hoe jammerlijk die arme Harry Blount is omgekomen. Nu dan, bij zijn sterven had ik met smartelijke heftigheid uitgeroepen: ‘Ik, ik heb hem den dood aangedaan!’ Die uitroep van bittere zelfbeschuldiging had getuigen: Vrouw Jool en hare dochter! De laatste wierp zich in wilde vertwijfeling naast den stervende neer.“My bride! my poor bride!” stamelde Harry; en tot mij: “dear miss Francis, pity on her!”Ik deed toen eene belofte, Leopold! en al had ik niets beloofd, ik zou toch alles gedaan hebben wat ik kon.Het ongelukkige meisje was verwilderd van smart en schaamte: zij moest moeder worden!Wij wisten niet eens dat Harry zulk eene betrekking had. Hij had het voor ons verborgen, daar hij geen kans zag om te trouwen zoolang hij in onzen dienst bleef op een lang niet meer schitterend jaargeld, en op het goed van mijns vaders familie geboren, beschouwde hij zich niet als een gewoon bediende, die zijn meester den dienst opzegt als er een betere positie te verkrijgen is. De gedachte om heen te gaan, nu het bij ons op stal altijd schraalder en lediger werd, kon niet in hem opkomen. Het blijkt echter dat vrouw Jool, een laaghartig en baatzuchtig mensch, hem telkens op dat punt het hoofd warm maakte en hare dochter opstookte om hem aan te zetten ons huis te verlaten.Die tweestrijd tusschen zijne trouw aan ons en de rechten van het hart maakte hem in den laatsten tijd norsch en wrevelig. Als ik hem ondervroeg, ontkende hij dat er iets haperde; maar met zulk eene gedrukte houding, dat men wel raden kon dat er iets achter stak. Ik vorschte er naar, maar tevergeefs; de andere bedienden klaagden over hem als over een lastig mensch, die aan vlagen van melancholie leed. Dit maakte dan ook dat ik zijne waarschuwing op dien noodlottigen rijtoer in den wind sloeg, ik schreef het toe aan zijne zwaartillendheid, wat voorzichtigheid en goed beraad hem ingaven.Ik vrees de verdenking uit te spreken, en toch is zij niet uit de lucht gegrepen, dat vrouw Jool zelve heeft medegewerkt tot den val van haar kind. Zij wilde Harry in de verplichting brengen om te trouwen, en meende dat al het verdere wel volgen zou. De rampspoedige dood van haar toekomstigen schoonzoon was voor haar eene misrekening, maar.... nú werd ik hare prooi. Zij stookte hare dochter tegen mij op; zij hitste alles tegen mij aan, wat naar haar luisteren wilde; zij stelde mijn smartelijken uitroep voor als eene bekentenis van moedwilligen doodslag. Het liep zoo hoog, dat wij er iemand van onze kennis, die in de rechtbank zat, bij moesten inroepen om de ergerlijke praatjes van datmensch te doen ophouden. Dit alles nam niet weg, dat ik al het mogelijke deed om het lot van de jonge vrouw te verzachten, die mij dankbaar zou geweest zijn, ik ben er zeker van, zonder hare moeder. Ten laatste kwam het beslissend oogenblik; reeds terstond na de geboorte van het kind deden zich bij de jeugdige moeder verschijnselen van waanzin op; het was niet raadzaam haar zelve te laten zogen, het werd gevaarlijk haar met het kind alleen te laten.Eene andere dochter van vrouw Jool, die te O. met een boerenarbeider getrouwd was en haar jongste kindje verloren had, kon voor min optreden. Men zou gezegd hebben dat eene zuster zulk een dienst uit vrije gunst zou verleend hebben; en dat zou ook zeker het geval zijn geweest, zoo men niet gespeculeerd had op mijne gemoedelijkheid. Ik moest minnegeld betalen, omdat ik voor de luiermand had gezorgd, ik moest voor de arme krankzinnige zorgen, die welhaast niet meer onder de haren kon blijven. Ik deed dit laatste uit vollen vrijen wil, maar het kostte meer dan ik offeren kon; en ik had het moeten opgeven zoo de ontmoeting met tante Roselaer en hare edelmoedigheid mij niet te hulp ware gekomen. Intusschen had vrouw Jool zoozeer op mijne goedwilligheid gerekend, dat ze er hare betrekking van waschvrouw aan gaf en bij hare kinderen ging inwonen, om op het kleinkind te passen, zoo het heette, om mij ieder jaar meer geld af te persen onder allerlei voorwendsel. Het kind is sinds lang gespeend en moest eigenlijk niet langer in hunne handen blijven; maar ik beken het, ik zie op tegen het misbaar, dat al dat volk zal maken als ik het elders plaats. Ik dreig er wel mee; maar tot de uitvoering zal het niet licht komen. Door hunne gemeenheid zijn zij mij te sterk. Voor het kind heb ik alles over; het grootste deel van mijne eigene inkomsten offer ik voor hem en de moeder; maar dien heelen aanhang, waaraan ik niet weet te ontkomen, en mijn grootvader, die het als een nuttelooze verkwistingbeschouwt en die het mij ten kwade duidt dat ik niets meer ten beste geef voor de sier van zijn leven en het mijne; denk het in, Leo! wat er smartelijks en vernederends voor mij ligt in dat alles! en gij zult begrijpen waarom ikalleenmoet lijden, ook zelfs al had ik den man gevonden die mijn hart zou kunnen winnen. Sleept men iemand dien men lief heeft mee in zulk een maalstroom?”“Iemand die uw hart mocht winnen, Francis, en die waard is het te bezitten, laat zich niet meetrekken in een maalstroom, maar zou er u uit redden.”“Dat kan niet zijn; ik zal het kind van Harry Blount nooit in den steek laten.”“Dat zou ook onchristelijk wezen. Hoe oud is dat kind, Francis?”“Het zal nu welhaast drie jaren worden. Hij is geboren kort nadat wij de Werve betrokken.”“Dan heeft hij hoog noodig een voogd, die hem uit dien atmosfeer van gemeenheid wegneemt.”“De grootmoeder is immers voogdes?”“Wij zullen zien wat er aan te doen is. Dat slag van lieden kan men nog wel naar zijn hand stellen, als men eenige behendigheid gebruikt. Meestal vergeten zij de noodigste formaliteiten. Is er een toeziende voogd benoemd?”“Ik weet er niets van....”“Dan moet dat verzuim hersteld worden, en dan zijn wij meester van den toestand; dat kind moet voorloopig bij de Pauwelsen geplaatst worden, dat zijn goede lieden, die u zeker niet zouden afzetten!”“O! als dit zijn kon!.... maar ongelukkig is de jonge Pauwels verliefd geweest op de ongelukkige Gijsje Jool. Zal hij het kind van zijn medeminnaar met goede oogen aanzien?”“Mij dunkt wel met eenig mededoogen....”“Gij, maar zulke lieden denken zoo teer niet.”“Als zij goed zien en een menschelijk hart hebben,kunnen zij ook even fijn voelen als wij, dan doet stand en opvoeding er niets toe. Geeft gij mij vrijheid om in die zaak voor u op te treden, en te zien hoe men het kind uit die handen kan wringen? Zal ik morgen met u naar O. rijden?”“Wat hebt gij er aan, u in dat wespennest te werpen?”“Ik ben niet bang voor een steekje.”“’t Is al erg genoeg dat vrouw Jool ons vandaag samen heeft gezien en bespied.”“Zoo zal zij morgen bemerken dat zij ons niet behoeft te bespieden als wij ons openlijk te zamen vertoonen.”“Neen, neen, Leo! dat kan niet, dat moet niet zijn,” riep zij met zekere heftigheid het hoofd van mij afwendende. “Wie weet wat voor malle praatjes zij al niet rondgebabbeld heeft, na dat samentreffen met ons!”“Als wij eenvoudig de praatjes tot waarheid maken, dan zijn het geen malle praatjes meer!”“Tot waarheid maken! gij weet niet wat gij zegt, Leo!”“Heel goed; zij hield ons voor gelieven; was zij zoover van de waarheid Francis?” vroeg ik zacht maar ernstig, en hare hand vattende, die zij mij liet. “Zij zal wellicht rondstrooien dat wij verloofd zijn, kan dat ons zooveel schaden, als wij bewijzen dat zij zich niet vergiste?”“Hij komt er nog op terug, nòg, schoon hij alles weet!” sprak Francis, halfluid, als in zich zelve.“Wie zou ik zijn, Francis, zoo ik nù kon terugtreden?”“Maar ik zeg u: gij houdt geene rekening met alle lasten en bezwaren die er nog op ons zouden rusten,” riep zij met zeker ongeduld; “de Werve met Rolf dien wij niet op zij kunnen zetten, mijn grootvader met al zijne groote behoeften en zijne onbeduidende inkomsten. Hoe zullen wij dat alles bestrijden? Ik weet wel,” voegde zij er bij met veranderenden toon, “gij gaat nu naar den Haag om u met uw oom den minister te verzoenen, zooals de generaal u geraden heeft, ik begrijpwel waarom.... Maar doe het niet, doe het niet om mij, Leo! want gij zelf hebt het eens eene laagheid genoemd!”“Zoo ik mij ooit met mijn oom verzoen, Francis, zal het zijn omdat vergevingsgezindheid ons past; maar nooit, daar kunt gij staat op maken, om met deze verzoening eere of gunst te bejagen.”“Ik bedank u voor dat woord, Leo! ik dank u voor alles wat gij voor mij geweest zijt. O! ik wist het ook wel dat gij even fier als ferm zijt, maar daarom—laat uw verstand spreken—is het niet beter niet te beginnen wat men toch niet kan volhouden? Blijf mijn vriend zooals gij het tot hiertoe geweest zijt, maar....”“Gij spreekt als eene die zelve geen hartstocht kent, noch dien in anderen begrijpt,” viel ik in. “Ik ben niet als Willibald, ik kan uw vriend niet blijven, als ik uw geliefde niet mag zijn; ik kan niet meer rustig aan uw zijde zitten en mij onthouden die fijne blanke hand te kussen die gij zoo koel en achteloos in de mijne laat (ik voegde de daad bij het woord). Ik heb u lief, Francis! hartstochtlijk lief; ik heb de uitingen van dien hartstocht onderdrukt met eene zelfbeheersching waarvan gij u geen denkbeeld kunt maken; maar nu het uitgesproken is, moet er eene beslissing zijn, ik moet u verlaten voor altijd, of ik moet uw echtgenoot worden, en datwilik, Francis! met eene vastheid van wil die al uwe zwarigheden voor niets acht.”“Leo! Leo!” riep zij opstaande, alsof zij mij wilde ontvlieden; maar toch zonder zich af te keeren, “spreek zoo niet tegen mij, niet op dien toon van wegslepend geweld, niet met dien gloed in ’t oog; niemand heeft ooit zóó tot mij gesproken; niemand heeft mij hartstochtelijk liefgehad; gij brengt mij buiten mij zelve; gij leidt mij in verzoeking; maar ik moet u weerstaan want ik mag uw ongeluk niet kiezen, al zou het mij nòg zooveel kosten;” hare stem sidderde van heftige ontroering, een hoog rood overtoog hare wangen, enhare oogen weerkaatsten iets van dien eigen gloed die de mijnen deed fonkelen.Ik nam beide hare handen in de mijne en sprak met vastheid:“Als de scheiding u iets kost, Francis! scheiden wijniet!”“Het is bedwelmend, Leo! de.... de.... mogelijkheid dat ik.... ik nog gelukkig zou kunnen zijn,” stamelde zij.“Het is genoeg, Francis! gij zijt de mijne. Ik laat u niet meer los. Leg uwe hand in de mijne voor het leven.”“Voor het leven!” herhaalde zij nu vast en besloten, maar met trillende lippen; zij werd bleek, zoo bleek, dat ik opsprong om haar te ondersteunen. Zij was eene bezwijming nabij.“Leo! ik ben de uwe! Ik vertrouw mij aan u, ik heb u lief zooals ik nooit.... nooit heb liefgehad,” stamelde zij, terwijl ik haar in mijne armen hield opgericht.“Eindelijk!” juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op hare lippen.Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan hetluncheondeel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in ’t gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik haar vroeg of zij vermoeid was?“Ik geloof ja!” sprak zij, “ik zou nog wel wat op dat mos onder dien grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds mij tergt en druktnuweer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan zóó nog niet scheiden van mijn geluk!”“Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van ’t geen waar gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!”“Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!”“We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met opgeheven hoofd te keeren.”“Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en die men in ’t oog moet houden....”“Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval....”“En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte uwe dwaasheid bespotten, dat gijMajoor Fransuwe hand durft reiken.”Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.“Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt, Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van ’t sociale leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der consciëntie. Eenverbond voor het leven van zulken ernstigen aard, als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding.”“Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ikuniet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij.”“En nu?” vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van geest en gevoel tintelden.“Nu zie ik daar niet meer tegen op,” antwoordde zij met een zachten glimlach. “Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij; het is eene onwaarheiden actionen zal het meer en meer worden; ik voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik ben niet als de ‘dames,’ die laf en oneerlijk als ze zijn, in haarfor intérieurglimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer in hunfor intérieurbesloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij ’t woord vat, leert zij ’t anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op,de strijd over ’t meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen, en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men zich eindelijk uit afmatting resigneert,alsmen zich resigneert.”“Gij maakt mij haast ongerust, Francis!” viel ik glimlachend in.“Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in ’t onzekere gelaten omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de ‘heeren en dames’ goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren, tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart hem als mijn meerdere heeft erkend.”“En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn.”“Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin kunnen zijn van een man.”“Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van ziel, ontwikkeling en volmaking van ’t karakter in den weg. Ieder onzer moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt:
Ik bracht eenige kleinigheden thuis, waarmee ik den generaal en Rolf wist pleizier te doen, en had eene eenvoudigeparurevoor Francis gekocht, daar de diamanten die ik haar als bruidstooi wilde aanbieden nog nietde raisonwaren.Ik meende mijn cadeautje te gebruiken als een aanloopje om dat belangrijke onderhoud met haar te hebben, dat mij al zoo lang op het hart lag. Maar ik vond haar dien avond zóó gedrukt en zij zag er zóó bleek uit, dat ik, om een glimlach en een blos op dit strak en droevig gelaat terug te brengen, hetécrinnu maarsans façonsvoor haar neerzette als eene welkomst uit de stad, in ’t bijzijn van den generaal en Rolf; zoo was het eene aardigheidsans conséquence, die zij in geen geval behoefde af te wijzen. De blos kwam werkelijk even, maar de bedruktheid nam dermate toe, dat ik tranen zag blinken toen zij mij de hand drukte. Daarop verliet zij ijlingshet vertrek, en wij zagen haar niet weder terugkeeren; de generaal ging nog vroeg ter ruste, en om niet met Rolf alleen te blijven zitten, volgde ik hem onverwijld; maar ik voelde mij zoo beklemd, of de neerslachtigheid van Francis op mij afgaf. Waarom had zij mijn geschenk niet vroolijk en schertsend opgenomen, zooals zij meest alles opvatte? Zij, die zich zoo kloek en kalm wist te houden onder de meest schokkende omstandigheden! Ik kon niet inslapen van al de waaroms, die bij mij opkwamen, waarop ik geen antwoord wist te geven, en die mijn moed verlamden, mijne hoop deden versagen. Eerst laat in den nacht sliep ik in en had zware bange droomen, waarin Francis onder allerlei gestalten tergend rondom mij zweefde, zonder dat ik haar toespreken of bereiken kon. Vast besloten niet weer zoo’n nacht door te brengen, trad ik de ontbijtkamer binnen. Allen waren reeds bijeen. Ik vond Francis iets meer opgewekt; zij vertelde aan den generaal, dat zij een brief had gekregen uit U, van Dr. D., met het bericht, dat de patiënt waarvoor zij zich interesseerde in beterschap toenam en dat er hoop was op herstel. Al sprekende vouwde zij de beide handen op de borst en hief de oogen ten hemel, als met eene onwillekeurige beweging van dankbare blijdschap; maar haar grootvader was vrij wat minder getroffen.“Het lijkt wel naar u daarover zoo verrukt te zijn,” sprak hij, de schouders ophalend, en om schielijk van ’t apropos af te stappen, vroeg hij aan Rolf, of hij niet uit visschen dacht te gaan en of er kans was op een zoodje waterbaars.Francis was al opgestaan zonder naar het antwoord te luisteren. Ik had haar te veel te zeggen om nu onverschillige woorden met haar te wisselen en liet haar aan ’t geen zij de “menage” noemde, vast besloten haar daarna uit te noodigen om samen eene fiksche wandeling te doen, en daarbij dat onderhoud met haar te voeren, dat beslissend moest zijn. Zij hield van de frissche lucht,en wij waren nergens vrijer en meer zeker ongestoord te blijven dan in het bosch op de gronden rondom het kasteel.Ik verbeeldde mij, dat ik een weinigje toilet moest maken; maar toen ik beneden kwam vernam ik van Frits, dat de freule zich kleedde en uit zou rijden.Werkelijk zag ik den jongen Pauwels met haar gracieus rijpaard voorkomen, en eenige oogenblikken later verscheen zij zelve in amazone, zooals ik haar het eerst had gezien; maar nu droeg zij toch een bevallig rond hoedje met eene donkerblauwe voile, dat haar allerliefst stond.“Offer mij voor ditmaal uw wandelrit op!” vroeg ik haar met die zekere forschheid, waaronder ik mijne zenuwachtige gejaagdheid trachtte te verbergen, zonder daarin goed te slagen.Zij zag mij aan met wat schuchtere verbazing, verbleekte en zweeg, terwijl zij met haar karwatsje speelde.“Gij kunt immers een uurtje later uitrijden,” voegde ik er bij, een weinigje meer dringend.“Neen, want ik heb een verren toer te doen, zoodat ik mij zelfs haasten moet, wil ik dien voor den eten afleggen.”“Dan moet gij dien verren toer uitstellen tot morgen Francis!” sprak ik ernstig, “’t Is voor het eerst dat wij weer eens rustig samen kunnen uitgaan na de ziekte van uw grootvader; weiger mij dit nu niet.” En de blik waarmee ik haar aanzag moet mijns ondanks iets uitgedrukt hebben van de hoop en vrees die mij bezielden, want ik zag haar weifelen, toen zij antwoordde met wat gedwongen spijtigheid:“Gij hebt er altijd pleizier in mijne plannen te derangeeren.”“Niet uit willekeur, Francis, geloof mij; maar ik heb er eene goede reden voor: ik zal het u morgen misschien niet meer kunnen vergen.”“Zoo; dat klinkt dreigend,” hernam ze met een poging om te glimlachen, die haar niet al te goed gelukte. “Welnu, het zij zoo!” En zij wierp haar karwats weg met dien zekeren onwil van een officier die zijn degen aflegt om zich gevangen te geven; “maar dan moet gij wachten tot ik eene andere japon heb aangetrokken, want in amazone wandelen met u dat gaat niet.”Daarop gaf zij order om Tancred op stal te brengen en liep het huis in.Zoo zij bezield werd door de gewone vrouwelijke kwelzucht, liep ik groot gevaar lang te wachten! Eene coquette had zeker niet gemankeerd den onvoorzichtige, die haar in een voornemen dwarsboomde, daarvoor duchtig te laten boeten; maar het bleek wel, dat zij boven die kleingeestige damesmanieren verheven was, want zij kwam heel spoedig terug en had alleen den lastigen sleependen amazonerok verwisseld voor een kort, licht kleedje, dat minder hinderlijk was bij de wandeling. Het hoedje en het jackertje had zij behouden, en zij trad vlug en besloten naar mij toe, terwijl zij vroeg:“En waar gaan wij nu heen?”“Maar.... mij dunkt het bosch in.”“Gij hebt gelijk, het is er nu heerlijk; wij kunnen wandelen tot hetrond-pointen daar rusten.”Zoo gingen wij een eind weg de groote laan door die naar het bosch voerde; zwijgend, juist omdat wij elkaar zooveel te zeggen hadden.Ik was besloten te spreken, maar nog niet met mij zelven eens hoe ik zou aanvangen, toen zij begon:“Ik kan u mijn wandelrit wel opofferen, Leo! maar niet de plichten die er mee in verband staan.”“Geloof van mij, Francis! dat ik u nooit in den weg zal zijn als het de vervulling van plichten geldt; integendeel, gij kunt op mij rekenen om u daarbij te steunen en te sterken.”“Ik heb daartoe geene hulp noodig. Ik heb alleen maar noodig mijn eigen weg te gaan.”“Dat klinkt forsch, Francis! daar ik u ditmaal van uw weg heb afgevoerd. Maar het moest zijn, want ik heb noodig u ongestoord te spreken. Ik kan niet langer hier blijven; allerlei belangen roepen mij naar den Haag terug.”“Ik heb dit zien komen, Leo!”“Spijt het u?”“Ik moest neen zeggen, om die dwaze vraag even dwaas te beantwoorden.”“Maar ik zal weerkeeren, als gij het goed vindt.”“Neen, Leo! dat vind iknietgoed, en ’t ware zelfs beter geweest dat gij heengegaan waart toen ik u dat het eerst heb geraden.”“Dat zie ik niet in. Ben ik u tot overlast geweest?”“Gij weet wel van neen; gij weet wel dat ik u veel heb te danken; maar ’t is juist dáárom. Gij hebt mij in bange dagen ter zijde gestaan; gij hebt allerlei leed en bezwaren met mij gedeeld; wij hebben daarenboven zoo prettig samen gekibbeld, in één woord, gij hebt mij verwend. De eenzaamheid zal mij nu zwaarder drukken dan voorheen.”“Niet lang toch, want ik ga slechts heen om spoedig terug te komen?”Zij antwoordde niet, maar bleef langzaam zwijgend naast mij voortgaan.“Wat wilt gij dat ik uit den Haag voor u mee zal brengen?” vroeg ik, om het onderwerp niet te laten varen.“Gij hebt mij reeds een souvenir geschonken, Leo! en ik ben er dankbaar voor. Gij ziet dat ik het al gebruik; dat is genoeg, ik heb niet anders noodig.”“Ook geen élégant zomertoilet, Francis? Gij hebt mij bekend dat het uwe in den steek gebleven is.”“Ik heb nu geen toilet meer te maken, Leo! dat begrijpt gij wel.”“Nu goed! Als gij mij zoo weinig voorthelpen wilt, dan zal ik zelf weten wat mij te doen staat.”“Wat hebt gij voor? Gij maakt mij waarlijk nieuwsgierig,” sprak zij met zekere gejaagdheid in de stem, die zij niet machtig was te beheerschen.“Ik zal eentrousseauvoor u bestellen.”“Eentrousseau!waarvoor eentrousseau?” riep zij luid lachend. “Het schijnt dat mijn verstandige neef Leopold ook al zijn ure heeft omfolieste zeggen, zoo al niet te doen.”“Of wilt gij liever eenecorbeille de mariage?”“Zijt gij wezenlijk bij uw zinnen, Leo? eenecorbeille de mariage!In ’s hemels naam, voor wie?”“Mij dunkt voor niemand anders dan voor mijne allerliefste weerbarstige nicht, Francis Mordaunt!”“Dat’s geene fijne aardigheid, jonker! gij weet wel dat uwe nicht Francis niet trouwen zal.”“Luister, Francis! Toen gij mij eens bij onze eerste wandeling over de heide diergelijk besluit hebt medegedeeld, had ik geen reden om u daarvan af te brengen. Ik gevoelde niets voor u dan de belangstelling, die mij drong uwe kennis te maken, en ik wist niet genoeg van u, om u met ernst zulk een voornemen te ontraden. Maar nu weet gij zelve wel, dat alles anders is geworden tusschen ons. Ik heb groote vrijmoedigheid gebruikt jegens u, met u te wijzen op zulke gebreken, die ik achtte dat uw edel karakter konden schaden. Gij hebt die opmerkzaamheid genomen voor ’t geen zij was: bewijs van innige belangstelling, en gij hebt die beloond met uw volle vertrouwen. Maar gij begrijpt toch zelve wel, dat ik mij niet veroorloofd zou hebben, zoo lang en op zulke wijze met u om te gaan, als er niet een vast voornemen bij mij bestond om u tot mijne vrouw te vragen!”“Dat klinkt werkelijk als eene declaratieà bout portant, en daar ik zoo’n brusken uitval van u wel niet had kunnen wachten, neem ik die voor ’t geen zij schijnt: eeneraillerie. Ik weet het, gij houdt daarvan, om mij een weinigje te prikkelen en u te amuseeren met mijnereparties, en dat is gelukkig voor u, want anders zoudt gij in gevaar zijn om zoo maar plomp weg een blauwtje te loopen.”Ik begreep dat zij tot de tanden toe geharnast in den strijd was gegaan; zij was koel, scherp en hoog in haar antwoord; maar in de stem, die onverschillig en schertsend wilde zijn, trilde eene ontroering, die zij door het afwenden van het gelaat trachtte te ontveinzen.“Om de waarheid te zeggen, Francis! ik sla volstrekt geen geloof aan uw blauwtje. Gij wilt mij misverstaan, omdat gij in eene kwelzieke luim zijt en besloten om u te weren tot het uiterste tegen de inspraak van uw hart; maar gij hebt u niet zoo kunnen vergissen in het mijne, ofweetdat ik nu spreek in vollen ernst.”“Nu dan, Leo!” viel zij in met een diepen zucht. “Als gij er ernst van maken wilt, moet ik u herinneren aan mijne vroegere waarschuwing om mij van zulke wenschen niet weer te spreken; het kan, het mag niet zijn!”“Waarom toch niet? Heb ik mij zoo vergist, toen ik dacht dat ik u niet geheel onverschillig was? Ik hoopte wat beters van u, ik meende toch dat gij wel iets voor mij gevoeldet.”Zij knikte met afgewend gelaat en zweeg, maar op eens hoorde ik iets als een gesmoorden snik.“Zijt gij dan mogelijk niet meer vrij?” vroeg ik zacht en zelf diep bewogen, hare hand nemende en mij voor haar plaatsend om haar in de oogen te kunnen zien.“Vrij? O, voorzeker ben ik vrij!” riep zij met bitterheid. “Ik heb er wel het mijne toe gedaan om vrij te blijven!”—en zich snel van mij afkeerende:—“maar, ik heb het u immers altijd gezegd. Ik moet mijne onafhankelijkheid bewaren; ikmoethet.”“O, ik versta u, Francis!” sprak ik, mijns ondanks nu ook met wat bitterheid. “Gij hebt zekere illusie nog niet opgegeven, gij wacht op uw lord William; gij hebt het u zelve beloofd en....”“Lord William? Lord William, die mij nooit heeft liefgehad!” riep zij hartstochtelijk, “Lord William, die mij met zijn laatdunkend mededoogen heeft gekrenkt, die mij het hart heeft gebroken, die mij tot woestheid, tot dwaasheid heeft vervoerd door zijnevoorzienige wijsheid; lord William, die nu een brave zestiger zal zijn! Leo, Leo! gij die mij lief hebt, ik weet het, doe gij toch u zelven die nuttelooze kwelling niet aan om jaloersch te zijn van lord William. Zou ik u alles zoo vrij uit hebben opgebiecht als ik daar niet lang overheen was?”“Dan is die tegenzin in het huwelijk, die zucht om vrij te blijven maar een onvrouwelijke gril, een laatste verzet van Majoor Frans, die zich niet gevangen wil geven, en dan stel ik al mijne wilskracht, al mijne volharding tegenover die weerbarstigheid.”“Plaag mij niet met uwe volharding, Leo! want gij zoudt mij slechts pijnigen, zonder mij te verzetten. Al zoudt gij mijn hart breken, en dat kunt gij, ik beken het, mijn weerstand zult gij toch niet overwinnen.”“Dan wil ik die onzichtbare macht kennen, die u tegen mij sterkt!” riep ik, woest van toorn en smart.“Och Leo! gij weet immers wel van welke smartelijke plichten ik de slavin ben. Waartoe u nog verder in te wijden in die diepten van jammer en ellende, waarin ik bijna verzink, waarmee ik levenslang zal te worstelen hebben.”“Ik wil ze kennen, Francis! om ze met u te deelen, om ze met u te dragen. Samen strijdende zullen wij overwinnen, wees er zeker van!” riep ik hartstochtelijk; en door het teederste medegevoel overweldigd, sloeg ik mijn arm om haar heen en sloot haar aan mijne borst. Zij getroostte zich dit zacht geweld zonder verzet; als mat en afgestreden liet zij haar hoofd tegen mijn schouders rusten.“Nou, as de freule vrijt is ’t te begriepen dat ze der kind verzuumt!” hoorden wij plotseling achter onsuitroepen door eene schorre stem, die aan het afschuwelijk dialect niets toegaf.Doodsbleek van schrik maakte Francis zich vrij en trad eenige schreden ter zijde. Ik, als door een bliksemstraal getroffen, liet de armen zinken en weerhield haar niet; ik had eene gewaarwording of ik plotseling onder ijsschotsen was geraakt, ik rilde.De persoon die achter ons aangekomen was, en ons zeker al lang had bespied, trad nu stout vooruit en op Francis toe.Het was eene oude vrouw, die als de heksen in Macbeth daar op eens voor ons oprees. Met hare scherpe zwarte oogen, hare bloote magere armen, rood en dor als kreefteschalen, haar verbrand en gerimpeld gezicht, met een blauw geruiten doek over de witte muts en het stokje waarop de kreupele leunde, zag zij er werkelijk uit als eene tooverkol uit de sprookjes, die men in een vroegere eeuw zou verbrand hebben. Ik wil wel bekennen dat ik haar dergelijk lot toewenschte, toen zij ruw en brutaal tot Francis zeide:“Nou dan, freule! nou weten we waer je het zoo druk mee hebt dat je in gien vayf wieken nee het kinde zijt kuemen umzien.”“Mijn grootvader is ziek geweest, vrouw Jool.”“Ja! grooteluisziekte, deer is gien kwoad bij. Mear die jonker deer, dats wat anders hé! Nou, ik zeg, het hiele dorp spreekt er schande van.”“Waarvan, vrouw Jool?” vroeg Francis, hoog en koel, hoewel ze zeer bleek zag.“Dat je ’t kinde zoo verzuumt um....”“Luister, vrouw Jool!” viel nu Francis in op vasten, kalmen toon. “Het heele dorp, zoomin als gij zelve, heeft in mijne zaken iets te zien, of zich met mijn doen en laten te bemoeien.”“Och, we zullen met pleizier doen of we er nieuwers van merken, freule! maar het kleine jungske lijdt er bij als we te onzent niets van der heuren.”“Ik had vandaag willen komen, maar kreeg verhindering; doch daar behoeft het kind immers niet onder te lijden; daar is geen reden toe sinds het kostgeld trouw wordt betaald.”“Hm! trouw! De maond is uut: we zien de tweede al een weik ien, en ik zeg: als het Trineke verveelt heit de jongen het slecht.”“Morgen zult gij het geld hebben; maar ik zeg je, als het kind slecht bejegend wordt om die ééne week verzuim, zoo slecht, vrouw Jool! dat ‘het heele dorp’ zooals gij zegt er schande van spreekt, dan komt die slechte behandeling van uwe of uws dochters zijde, en dan blijft het kind niet bij u, daar kan je staat op maken. Als ik morgen of overmorgen kom zal ik er naar informeeren, reken daarop!”“Wat! wou je mij en me dochter te schande maken en het jungske van ons wegnemen? Nou, probeer dat eens! We zullen wel zien wie ’t heft in handen houdt!” En ’t booze wijf zette tergend brutaal de handen in de zijde. “Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de bres springt!”“Gij zijt voor niemand in de bres gesprongen, vrouw Jool, dat weet je zelve wel, daar ben je veel te inhalig toe; je hebt alleen geld willen maken van uw dochters ongeluk, ziedaar alles! Maar het doet er niet toe wat gij zijt of niet.”“Wat! zou het er niet toe doen dat ik de grootmoeder ben! En ik kwam nogal waarschuwen dat ie nieuwe kousen en schoenen moet hebben, of hij moet met zijn bloote voetjes in de klompjes loopen net als de boerenkinderen, en deer is hij te fesoenlijk veur zou ’k denken.”“Ik zal in de kousen en schoenen voorzien, vrouw Jool! Maar ’t is nu genoeg, ga uws weegs, ge hadt niet in ’t bosch moeten komen als een spion. Nu ik je ontdekt heb, moet je rechtsomkeer maken, het zandpad langs de vaart om, die leidt naar je dorp.”“Nou, nou! wat zou dat? Is deer zoo’n haast bij?”“’t Is hier de grond van de Werve; je hoort hier niet. Scheer je weg, of....”“He’k van me leven! wat ze een haast het um me weg te kriegen, en dat um.... Nou, nou, ik ga al! anders laat ze me die kostelijke jonker nog voor koddebeier spelen!” riep het wijf eer schreeuwende dan sprekende, terwijl ze zich hinkend uit de voeten maakte en het aangeduide pad nam.Wij waren bij hetrond-pointgenaderd. Ik was eerst blijven staan bij de oude rustique bank, maar ik moest gaan zitten, want ik voelde dat mijne beenen onder mij wankelden; ik moet er akelig bleek en ontdaan hebben uitgezien, want toen Francis, eindelijk van haar kwelgeest bevrijd, zich omkeerde en naar mij toekwam, zij, nog met wangen hooggekleurd van toorn en verontwaardiging, las ik zekere droeve verbazing op hare trekken, toen zij voor mij staan bleef en mij aanzag, terwijl zij sprak:“Welnu! Leo! mij dunkt het toeval dient u op uwe wenken. Dáár is nu de macht, ongelukkig evenmin eene onhoorbare als onzichtbare, die mij berooft van de vrijheid om gelukkig te zijn.”“Ik versta u, Francis! gij zijt te eerlijk en te kiesch om onder zulk een bezwaar een man aan uw lot te verbinden,” sprak ik met eene stem, die ik trachtte vastheid en kalmte te geven; “maar waarom mij niet eerder uw vertrouwen geschonken op dit punt, waarom het op zulke verrassing, op zulke toevallige ontmoeting te laten aankomen? Ik heb u immers gezegd, reeds in de eerste dagen onzer kennismaking, dat ik den moed zoude hebben eene struikelende staande te houden, dat ik niet zou wanen mij te besmetten, zelfs als ik eene gevallene uit de diepte oprichtte; zeg mij alles! ik wil het onmogelijke beproeven om u te redden.”“Maar Leo!” antwoordde zij, de handen ineenslaande van verbazing, en met een hoogen blos op het voorhoofd;“gij ziet bleek als een lijk, uwe oogen staan strak en schril van pijnlijke overspanning, uwe doffe stem verraadt de overwinning zelfs die deze woorden u kosten. Wat moet ik denken van deze heftige ontroering, wat van de zonderlinge gezegden die gij mij toevoegt? Gij zult mij, toch niet van iets onwaardigs verdenken? Gij kunt toch wel begrijpen datmijneeer er niet mee gekwetst is, al heb ik mij zelve veel te verwijten, al klage ik dat ik het recht verloren heb gelukkig te zijn, al lijde ik onder den schrikkelijken nasleep van jammer en ellende waarvan ik de schuldige oorzaak ben!”“Ik luister naar ’t geen gij zegt, Francis!” sprak ik in eene soort van bedwelming; “maar verschoon mij, ik.... ik versta u niet goed, was er niet sprake van een kind.... van een kind waarvoor gij te zorgen hebt.”“Wel zeker! en dat is nog niet eens het ergste, ik heb er de moeder bij voor mijne rekening.”“Francis!” riep ik, opspringende met een kreet van verlichting en onuitsprekelijke blijdschap.“Nu begrijpiku niet,” hervatte zij, mij met een naïeve bevreemding aanziende, “daar is hier waarlijk geene oorzaak voor zulke verrukking. Meent gij dat het eene lichte zaak is voor mij; in omstandigheden als de mijne, om een kind groot te brengen en in de behoeften van eene krankzinnige vrouw te voorzien?”Ik dankte den Hemel uit den grond van mijn hart, dat zij in hare onschuld mij zóó had misverstaan; ik had gelukkig nog genoeg tegenwoordigheid van geest om mij te redden en haar gedachtenloop te vatten; ik begreep dat ik reddeloos verloren moest zijn bij haar, als zij raadde welk vermoeden mij een oogenblik had bezield.“Zeer zeker is dat geene lichte last, Francis; integendeel, het moet bijkans eene ondragelijke zijn voor u alleen; maar ik, die gevreesd had dat er eenige onoverkomelijke hindernis zou liggen tusschen u en mij, ik verblijd mij dat het niets ergers is.”“Och!” sprak zij met zekere ergernis over mijne onbevattelijkheid; “gij mannen wilt nooit bezwaren zien, als gij iets wenscht. Het is eene onoverkomelijke hindernis, ik zeg het u, in onze omstandigheden. Gij weet eigenlijk nog niets en gij praat al voort of gij alles in één oogwenk zoudt kunnen schikken. Ik heb mij nu al die onaangenamescènevan dat oude wijf op den hals gehaald om u, omdat ik met u ben gaan wandelen, in plaats van naar het dorp O. te rijden, om mijn kleinen Harry te zien, en bovenal om het kostgeld te betalen aan de grootmoeder, en wie weet wat al niet bovendien, want zij exploiteeren mij daar, Leo! Zij exploiteeren mij op eene gruwelijke wijze, en ik weet er mij niet tegen te weren, omdat ik mij niet onschuldig kan achten aan den dood van den vader, aan de oneer en de krankzinnigheid der moeder.”Ik begreep dat ik niet beters had te doen dan maar rustig aan te hooren wat zij mij uit zich zelve wilde mededeelen; ik moest er naar trachten haar mijne vroegere opvatting te doen vergeten.“Zij exploiteeren uwe teederheid van consciëntie, Francis!” sprak ik, terwijl ik naast haar plaats nam op de rustieke bank.“Zoo is het Leo! Gij hebt laatst gehoord hoe jammerlijk die arme Harry Blount is omgekomen. Nu dan, bij zijn sterven had ik met smartelijke heftigheid uitgeroepen: ‘Ik, ik heb hem den dood aangedaan!’ Die uitroep van bittere zelfbeschuldiging had getuigen: Vrouw Jool en hare dochter! De laatste wierp zich in wilde vertwijfeling naast den stervende neer.“My bride! my poor bride!” stamelde Harry; en tot mij: “dear miss Francis, pity on her!”Ik deed toen eene belofte, Leopold! en al had ik niets beloofd, ik zou toch alles gedaan hebben wat ik kon.Het ongelukkige meisje was verwilderd van smart en schaamte: zij moest moeder worden!Wij wisten niet eens dat Harry zulk eene betrekking had. Hij had het voor ons verborgen, daar hij geen kans zag om te trouwen zoolang hij in onzen dienst bleef op een lang niet meer schitterend jaargeld, en op het goed van mijns vaders familie geboren, beschouwde hij zich niet als een gewoon bediende, die zijn meester den dienst opzegt als er een betere positie te verkrijgen is. De gedachte om heen te gaan, nu het bij ons op stal altijd schraalder en lediger werd, kon niet in hem opkomen. Het blijkt echter dat vrouw Jool, een laaghartig en baatzuchtig mensch, hem telkens op dat punt het hoofd warm maakte en hare dochter opstookte om hem aan te zetten ons huis te verlaten.Die tweestrijd tusschen zijne trouw aan ons en de rechten van het hart maakte hem in den laatsten tijd norsch en wrevelig. Als ik hem ondervroeg, ontkende hij dat er iets haperde; maar met zulk eene gedrukte houding, dat men wel raden kon dat er iets achter stak. Ik vorschte er naar, maar tevergeefs; de andere bedienden klaagden over hem als over een lastig mensch, die aan vlagen van melancholie leed. Dit maakte dan ook dat ik zijne waarschuwing op dien noodlottigen rijtoer in den wind sloeg, ik schreef het toe aan zijne zwaartillendheid, wat voorzichtigheid en goed beraad hem ingaven.Ik vrees de verdenking uit te spreken, en toch is zij niet uit de lucht gegrepen, dat vrouw Jool zelve heeft medegewerkt tot den val van haar kind. Zij wilde Harry in de verplichting brengen om te trouwen, en meende dat al het verdere wel volgen zou. De rampspoedige dood van haar toekomstigen schoonzoon was voor haar eene misrekening, maar.... nú werd ik hare prooi. Zij stookte hare dochter tegen mij op; zij hitste alles tegen mij aan, wat naar haar luisteren wilde; zij stelde mijn smartelijken uitroep voor als eene bekentenis van moedwilligen doodslag. Het liep zoo hoog, dat wij er iemand van onze kennis, die in de rechtbank zat, bij moesten inroepen om de ergerlijke praatjes van datmensch te doen ophouden. Dit alles nam niet weg, dat ik al het mogelijke deed om het lot van de jonge vrouw te verzachten, die mij dankbaar zou geweest zijn, ik ben er zeker van, zonder hare moeder. Ten laatste kwam het beslissend oogenblik; reeds terstond na de geboorte van het kind deden zich bij de jeugdige moeder verschijnselen van waanzin op; het was niet raadzaam haar zelve te laten zogen, het werd gevaarlijk haar met het kind alleen te laten.Eene andere dochter van vrouw Jool, die te O. met een boerenarbeider getrouwd was en haar jongste kindje verloren had, kon voor min optreden. Men zou gezegd hebben dat eene zuster zulk een dienst uit vrije gunst zou verleend hebben; en dat zou ook zeker het geval zijn geweest, zoo men niet gespeculeerd had op mijne gemoedelijkheid. Ik moest minnegeld betalen, omdat ik voor de luiermand had gezorgd, ik moest voor de arme krankzinnige zorgen, die welhaast niet meer onder de haren kon blijven. Ik deed dit laatste uit vollen vrijen wil, maar het kostte meer dan ik offeren kon; en ik had het moeten opgeven zoo de ontmoeting met tante Roselaer en hare edelmoedigheid mij niet te hulp ware gekomen. Intusschen had vrouw Jool zoozeer op mijne goedwilligheid gerekend, dat ze er hare betrekking van waschvrouw aan gaf en bij hare kinderen ging inwonen, om op het kleinkind te passen, zoo het heette, om mij ieder jaar meer geld af te persen onder allerlei voorwendsel. Het kind is sinds lang gespeend en moest eigenlijk niet langer in hunne handen blijven; maar ik beken het, ik zie op tegen het misbaar, dat al dat volk zal maken als ik het elders plaats. Ik dreig er wel mee; maar tot de uitvoering zal het niet licht komen. Door hunne gemeenheid zijn zij mij te sterk. Voor het kind heb ik alles over; het grootste deel van mijne eigene inkomsten offer ik voor hem en de moeder; maar dien heelen aanhang, waaraan ik niet weet te ontkomen, en mijn grootvader, die het als een nuttelooze verkwistingbeschouwt en die het mij ten kwade duidt dat ik niets meer ten beste geef voor de sier van zijn leven en het mijne; denk het in, Leo! wat er smartelijks en vernederends voor mij ligt in dat alles! en gij zult begrijpen waarom ikalleenmoet lijden, ook zelfs al had ik den man gevonden die mijn hart zou kunnen winnen. Sleept men iemand dien men lief heeft mee in zulk een maalstroom?”“Iemand die uw hart mocht winnen, Francis, en die waard is het te bezitten, laat zich niet meetrekken in een maalstroom, maar zou er u uit redden.”“Dat kan niet zijn; ik zal het kind van Harry Blount nooit in den steek laten.”“Dat zou ook onchristelijk wezen. Hoe oud is dat kind, Francis?”“Het zal nu welhaast drie jaren worden. Hij is geboren kort nadat wij de Werve betrokken.”“Dan heeft hij hoog noodig een voogd, die hem uit dien atmosfeer van gemeenheid wegneemt.”“De grootmoeder is immers voogdes?”“Wij zullen zien wat er aan te doen is. Dat slag van lieden kan men nog wel naar zijn hand stellen, als men eenige behendigheid gebruikt. Meestal vergeten zij de noodigste formaliteiten. Is er een toeziende voogd benoemd?”“Ik weet er niets van....”“Dan moet dat verzuim hersteld worden, en dan zijn wij meester van den toestand; dat kind moet voorloopig bij de Pauwelsen geplaatst worden, dat zijn goede lieden, die u zeker niet zouden afzetten!”“O! als dit zijn kon!.... maar ongelukkig is de jonge Pauwels verliefd geweest op de ongelukkige Gijsje Jool. Zal hij het kind van zijn medeminnaar met goede oogen aanzien?”“Mij dunkt wel met eenig mededoogen....”“Gij, maar zulke lieden denken zoo teer niet.”“Als zij goed zien en een menschelijk hart hebben,kunnen zij ook even fijn voelen als wij, dan doet stand en opvoeding er niets toe. Geeft gij mij vrijheid om in die zaak voor u op te treden, en te zien hoe men het kind uit die handen kan wringen? Zal ik morgen met u naar O. rijden?”“Wat hebt gij er aan, u in dat wespennest te werpen?”“Ik ben niet bang voor een steekje.”“’t Is al erg genoeg dat vrouw Jool ons vandaag samen heeft gezien en bespied.”“Zoo zal zij morgen bemerken dat zij ons niet behoeft te bespieden als wij ons openlijk te zamen vertoonen.”“Neen, neen, Leo! dat kan niet, dat moet niet zijn,” riep zij met zekere heftigheid het hoofd van mij afwendende. “Wie weet wat voor malle praatjes zij al niet rondgebabbeld heeft, na dat samentreffen met ons!”“Als wij eenvoudig de praatjes tot waarheid maken, dan zijn het geen malle praatjes meer!”“Tot waarheid maken! gij weet niet wat gij zegt, Leo!”“Heel goed; zij hield ons voor gelieven; was zij zoover van de waarheid Francis?” vroeg ik zacht maar ernstig, en hare hand vattende, die zij mij liet. “Zij zal wellicht rondstrooien dat wij verloofd zijn, kan dat ons zooveel schaden, als wij bewijzen dat zij zich niet vergiste?”“Hij komt er nog op terug, nòg, schoon hij alles weet!” sprak Francis, halfluid, als in zich zelve.“Wie zou ik zijn, Francis, zoo ik nù kon terugtreden?”“Maar ik zeg u: gij houdt geene rekening met alle lasten en bezwaren die er nog op ons zouden rusten,” riep zij met zeker ongeduld; “de Werve met Rolf dien wij niet op zij kunnen zetten, mijn grootvader met al zijne groote behoeften en zijne onbeduidende inkomsten. Hoe zullen wij dat alles bestrijden? Ik weet wel,” voegde zij er bij met veranderenden toon, “gij gaat nu naar den Haag om u met uw oom den minister te verzoenen, zooals de generaal u geraden heeft, ik begrijpwel waarom.... Maar doe het niet, doe het niet om mij, Leo! want gij zelf hebt het eens eene laagheid genoemd!”“Zoo ik mij ooit met mijn oom verzoen, Francis, zal het zijn omdat vergevingsgezindheid ons past; maar nooit, daar kunt gij staat op maken, om met deze verzoening eere of gunst te bejagen.”“Ik bedank u voor dat woord, Leo! ik dank u voor alles wat gij voor mij geweest zijt. O! ik wist het ook wel dat gij even fier als ferm zijt, maar daarom—laat uw verstand spreken—is het niet beter niet te beginnen wat men toch niet kan volhouden? Blijf mijn vriend zooals gij het tot hiertoe geweest zijt, maar....”“Gij spreekt als eene die zelve geen hartstocht kent, noch dien in anderen begrijpt,” viel ik in. “Ik ben niet als Willibald, ik kan uw vriend niet blijven, als ik uw geliefde niet mag zijn; ik kan niet meer rustig aan uw zijde zitten en mij onthouden die fijne blanke hand te kussen die gij zoo koel en achteloos in de mijne laat (ik voegde de daad bij het woord). Ik heb u lief, Francis! hartstochtlijk lief; ik heb de uitingen van dien hartstocht onderdrukt met eene zelfbeheersching waarvan gij u geen denkbeeld kunt maken; maar nu het uitgesproken is, moet er eene beslissing zijn, ik moet u verlaten voor altijd, of ik moet uw echtgenoot worden, en datwilik, Francis! met eene vastheid van wil die al uwe zwarigheden voor niets acht.”“Leo! Leo!” riep zij opstaande, alsof zij mij wilde ontvlieden; maar toch zonder zich af te keeren, “spreek zoo niet tegen mij, niet op dien toon van wegslepend geweld, niet met dien gloed in ’t oog; niemand heeft ooit zóó tot mij gesproken; niemand heeft mij hartstochtelijk liefgehad; gij brengt mij buiten mij zelve; gij leidt mij in verzoeking; maar ik moet u weerstaan want ik mag uw ongeluk niet kiezen, al zou het mij nòg zooveel kosten;” hare stem sidderde van heftige ontroering, een hoog rood overtoog hare wangen, enhare oogen weerkaatsten iets van dien eigen gloed die de mijnen deed fonkelen.Ik nam beide hare handen in de mijne en sprak met vastheid:“Als de scheiding u iets kost, Francis! scheiden wijniet!”“Het is bedwelmend, Leo! de.... de.... mogelijkheid dat ik.... ik nog gelukkig zou kunnen zijn,” stamelde zij.“Het is genoeg, Francis! gij zijt de mijne. Ik laat u niet meer los. Leg uwe hand in de mijne voor het leven.”“Voor het leven!” herhaalde zij nu vast en besloten, maar met trillende lippen; zij werd bleek, zoo bleek, dat ik opsprong om haar te ondersteunen. Zij was eene bezwijming nabij.“Leo! ik ben de uwe! Ik vertrouw mij aan u, ik heb u lief zooals ik nooit.... nooit heb liefgehad,” stamelde zij, terwijl ik haar in mijne armen hield opgericht.“Eindelijk!” juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op hare lippen.Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan hetluncheondeel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in ’t gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik haar vroeg of zij vermoeid was?“Ik geloof ja!” sprak zij, “ik zou nog wel wat op dat mos onder dien grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds mij tergt en druktnuweer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan zóó nog niet scheiden van mijn geluk!”“Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van ’t geen waar gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!”“Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!”“We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met opgeheven hoofd te keeren.”“Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en die men in ’t oog moet houden....”“Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval....”“En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte uwe dwaasheid bespotten, dat gijMajoor Fransuwe hand durft reiken.”Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.“Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt, Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van ’t sociale leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der consciëntie. Eenverbond voor het leven van zulken ernstigen aard, als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding.”“Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ikuniet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij.”“En nu?” vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van geest en gevoel tintelden.“Nu zie ik daar niet meer tegen op,” antwoordde zij met een zachten glimlach. “Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij; het is eene onwaarheiden actionen zal het meer en meer worden; ik voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik ben niet als de ‘dames,’ die laf en oneerlijk als ze zijn, in haarfor intérieurglimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer in hunfor intérieurbesloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij ’t woord vat, leert zij ’t anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op,de strijd over ’t meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen, en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men zich eindelijk uit afmatting resigneert,alsmen zich resigneert.”“Gij maakt mij haast ongerust, Francis!” viel ik glimlachend in.“Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in ’t onzekere gelaten omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de ‘heeren en dames’ goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren, tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart hem als mijn meerdere heeft erkend.”“En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn.”“Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin kunnen zijn van een man.”“Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van ziel, ontwikkeling en volmaking van ’t karakter in den weg. Ieder onzer moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt:
Ik bracht eenige kleinigheden thuis, waarmee ik den generaal en Rolf wist pleizier te doen, en had eene eenvoudigeparurevoor Francis gekocht, daar de diamanten die ik haar als bruidstooi wilde aanbieden nog nietde raisonwaren.
Ik meende mijn cadeautje te gebruiken als een aanloopje om dat belangrijke onderhoud met haar te hebben, dat mij al zoo lang op het hart lag. Maar ik vond haar dien avond zóó gedrukt en zij zag er zóó bleek uit, dat ik, om een glimlach en een blos op dit strak en droevig gelaat terug te brengen, hetécrinnu maarsans façonsvoor haar neerzette als eene welkomst uit de stad, in ’t bijzijn van den generaal en Rolf; zoo was het eene aardigheidsans conséquence, die zij in geen geval behoefde af te wijzen. De blos kwam werkelijk even, maar de bedruktheid nam dermate toe, dat ik tranen zag blinken toen zij mij de hand drukte. Daarop verliet zij ijlingshet vertrek, en wij zagen haar niet weder terugkeeren; de generaal ging nog vroeg ter ruste, en om niet met Rolf alleen te blijven zitten, volgde ik hem onverwijld; maar ik voelde mij zoo beklemd, of de neerslachtigheid van Francis op mij afgaf. Waarom had zij mijn geschenk niet vroolijk en schertsend opgenomen, zooals zij meest alles opvatte? Zij, die zich zoo kloek en kalm wist te houden onder de meest schokkende omstandigheden! Ik kon niet inslapen van al de waaroms, die bij mij opkwamen, waarop ik geen antwoord wist te geven, en die mijn moed verlamden, mijne hoop deden versagen. Eerst laat in den nacht sliep ik in en had zware bange droomen, waarin Francis onder allerlei gestalten tergend rondom mij zweefde, zonder dat ik haar toespreken of bereiken kon. Vast besloten niet weer zoo’n nacht door te brengen, trad ik de ontbijtkamer binnen. Allen waren reeds bijeen. Ik vond Francis iets meer opgewekt; zij vertelde aan den generaal, dat zij een brief had gekregen uit U, van Dr. D., met het bericht, dat de patiënt waarvoor zij zich interesseerde in beterschap toenam en dat er hoop was op herstel. Al sprekende vouwde zij de beide handen op de borst en hief de oogen ten hemel, als met eene onwillekeurige beweging van dankbare blijdschap; maar haar grootvader was vrij wat minder getroffen.
“Het lijkt wel naar u daarover zoo verrukt te zijn,” sprak hij, de schouders ophalend, en om schielijk van ’t apropos af te stappen, vroeg hij aan Rolf, of hij niet uit visschen dacht te gaan en of er kans was op een zoodje waterbaars.
Francis was al opgestaan zonder naar het antwoord te luisteren. Ik had haar te veel te zeggen om nu onverschillige woorden met haar te wisselen en liet haar aan ’t geen zij de “menage” noemde, vast besloten haar daarna uit te noodigen om samen eene fiksche wandeling te doen, en daarbij dat onderhoud met haar te voeren, dat beslissend moest zijn. Zij hield van de frissche lucht,en wij waren nergens vrijer en meer zeker ongestoord te blijven dan in het bosch op de gronden rondom het kasteel.
Ik verbeeldde mij, dat ik een weinigje toilet moest maken; maar toen ik beneden kwam vernam ik van Frits, dat de freule zich kleedde en uit zou rijden.
Werkelijk zag ik den jongen Pauwels met haar gracieus rijpaard voorkomen, en eenige oogenblikken later verscheen zij zelve in amazone, zooals ik haar het eerst had gezien; maar nu droeg zij toch een bevallig rond hoedje met eene donkerblauwe voile, dat haar allerliefst stond.
“Offer mij voor ditmaal uw wandelrit op!” vroeg ik haar met die zekere forschheid, waaronder ik mijne zenuwachtige gejaagdheid trachtte te verbergen, zonder daarin goed te slagen.
Zij zag mij aan met wat schuchtere verbazing, verbleekte en zweeg, terwijl zij met haar karwatsje speelde.
“Gij kunt immers een uurtje later uitrijden,” voegde ik er bij, een weinigje meer dringend.
“Neen, want ik heb een verren toer te doen, zoodat ik mij zelfs haasten moet, wil ik dien voor den eten afleggen.”
“Dan moet gij dien verren toer uitstellen tot morgen Francis!” sprak ik ernstig, “’t Is voor het eerst dat wij weer eens rustig samen kunnen uitgaan na de ziekte van uw grootvader; weiger mij dit nu niet.” En de blik waarmee ik haar aanzag moet mijns ondanks iets uitgedrukt hebben van de hoop en vrees die mij bezielden, want ik zag haar weifelen, toen zij antwoordde met wat gedwongen spijtigheid:
“Gij hebt er altijd pleizier in mijne plannen te derangeeren.”
“Niet uit willekeur, Francis, geloof mij; maar ik heb er eene goede reden voor: ik zal het u morgen misschien niet meer kunnen vergen.”
“Zoo; dat klinkt dreigend,” hernam ze met een poging om te glimlachen, die haar niet al te goed gelukte. “Welnu, het zij zoo!” En zij wierp haar karwats weg met dien zekeren onwil van een officier die zijn degen aflegt om zich gevangen te geven; “maar dan moet gij wachten tot ik eene andere japon heb aangetrokken, want in amazone wandelen met u dat gaat niet.”
Daarop gaf zij order om Tancred op stal te brengen en liep het huis in.
Zoo zij bezield werd door de gewone vrouwelijke kwelzucht, liep ik groot gevaar lang te wachten! Eene coquette had zeker niet gemankeerd den onvoorzichtige, die haar in een voornemen dwarsboomde, daarvoor duchtig te laten boeten; maar het bleek wel, dat zij boven die kleingeestige damesmanieren verheven was, want zij kwam heel spoedig terug en had alleen den lastigen sleependen amazonerok verwisseld voor een kort, licht kleedje, dat minder hinderlijk was bij de wandeling. Het hoedje en het jackertje had zij behouden, en zij trad vlug en besloten naar mij toe, terwijl zij vroeg:
“En waar gaan wij nu heen?”
“Maar.... mij dunkt het bosch in.”
“Gij hebt gelijk, het is er nu heerlijk; wij kunnen wandelen tot hetrond-pointen daar rusten.”
Zoo gingen wij een eind weg de groote laan door die naar het bosch voerde; zwijgend, juist omdat wij elkaar zooveel te zeggen hadden.
Ik was besloten te spreken, maar nog niet met mij zelven eens hoe ik zou aanvangen, toen zij begon:
“Ik kan u mijn wandelrit wel opofferen, Leo! maar niet de plichten die er mee in verband staan.”
“Geloof van mij, Francis! dat ik u nooit in den weg zal zijn als het de vervulling van plichten geldt; integendeel, gij kunt op mij rekenen om u daarbij te steunen en te sterken.”
“Ik heb daartoe geene hulp noodig. Ik heb alleen maar noodig mijn eigen weg te gaan.”
“Dat klinkt forsch, Francis! daar ik u ditmaal van uw weg heb afgevoerd. Maar het moest zijn, want ik heb noodig u ongestoord te spreken. Ik kan niet langer hier blijven; allerlei belangen roepen mij naar den Haag terug.”
“Ik heb dit zien komen, Leo!”
“Spijt het u?”
“Ik moest neen zeggen, om die dwaze vraag even dwaas te beantwoorden.”
“Maar ik zal weerkeeren, als gij het goed vindt.”
“Neen, Leo! dat vind iknietgoed, en ’t ware zelfs beter geweest dat gij heengegaan waart toen ik u dat het eerst heb geraden.”
“Dat zie ik niet in. Ben ik u tot overlast geweest?”
“Gij weet wel van neen; gij weet wel dat ik u veel heb te danken; maar ’t is juist dáárom. Gij hebt mij in bange dagen ter zijde gestaan; gij hebt allerlei leed en bezwaren met mij gedeeld; wij hebben daarenboven zoo prettig samen gekibbeld, in één woord, gij hebt mij verwend. De eenzaamheid zal mij nu zwaarder drukken dan voorheen.”
“Niet lang toch, want ik ga slechts heen om spoedig terug te komen?”
Zij antwoordde niet, maar bleef langzaam zwijgend naast mij voortgaan.
“Wat wilt gij dat ik uit den Haag voor u mee zal brengen?” vroeg ik, om het onderwerp niet te laten varen.
“Gij hebt mij reeds een souvenir geschonken, Leo! en ik ben er dankbaar voor. Gij ziet dat ik het al gebruik; dat is genoeg, ik heb niet anders noodig.”
“Ook geen élégant zomertoilet, Francis? Gij hebt mij bekend dat het uwe in den steek gebleven is.”
“Ik heb nu geen toilet meer te maken, Leo! dat begrijpt gij wel.”
“Nu goed! Als gij mij zoo weinig voorthelpen wilt, dan zal ik zelf weten wat mij te doen staat.”
“Wat hebt gij voor? Gij maakt mij waarlijk nieuwsgierig,” sprak zij met zekere gejaagdheid in de stem, die zij niet machtig was te beheerschen.
“Ik zal eentrousseauvoor u bestellen.”
“Eentrousseau!waarvoor eentrousseau?” riep zij luid lachend. “Het schijnt dat mijn verstandige neef Leopold ook al zijn ure heeft omfolieste zeggen, zoo al niet te doen.”
“Of wilt gij liever eenecorbeille de mariage?”
“Zijt gij wezenlijk bij uw zinnen, Leo? eenecorbeille de mariage!In ’s hemels naam, voor wie?”
“Mij dunkt voor niemand anders dan voor mijne allerliefste weerbarstige nicht, Francis Mordaunt!”
“Dat’s geene fijne aardigheid, jonker! gij weet wel dat uwe nicht Francis niet trouwen zal.”
“Luister, Francis! Toen gij mij eens bij onze eerste wandeling over de heide diergelijk besluit hebt medegedeeld, had ik geen reden om u daarvan af te brengen. Ik gevoelde niets voor u dan de belangstelling, die mij drong uwe kennis te maken, en ik wist niet genoeg van u, om u met ernst zulk een voornemen te ontraden. Maar nu weet gij zelve wel, dat alles anders is geworden tusschen ons. Ik heb groote vrijmoedigheid gebruikt jegens u, met u te wijzen op zulke gebreken, die ik achtte dat uw edel karakter konden schaden. Gij hebt die opmerkzaamheid genomen voor ’t geen zij was: bewijs van innige belangstelling, en gij hebt die beloond met uw volle vertrouwen. Maar gij begrijpt toch zelve wel, dat ik mij niet veroorloofd zou hebben, zoo lang en op zulke wijze met u om te gaan, als er niet een vast voornemen bij mij bestond om u tot mijne vrouw te vragen!”
“Dat klinkt werkelijk als eene declaratieà bout portant, en daar ik zoo’n brusken uitval van u wel niet had kunnen wachten, neem ik die voor ’t geen zij schijnt: eeneraillerie. Ik weet het, gij houdt daarvan, om mij een weinigje te prikkelen en u te amuseeren met mijnereparties, en dat is gelukkig voor u, want anders zoudt gij in gevaar zijn om zoo maar plomp weg een blauwtje te loopen.”
Ik begreep dat zij tot de tanden toe geharnast in den strijd was gegaan; zij was koel, scherp en hoog in haar antwoord; maar in de stem, die onverschillig en schertsend wilde zijn, trilde eene ontroering, die zij door het afwenden van het gelaat trachtte te ontveinzen.
“Om de waarheid te zeggen, Francis! ik sla volstrekt geen geloof aan uw blauwtje. Gij wilt mij misverstaan, omdat gij in eene kwelzieke luim zijt en besloten om u te weren tot het uiterste tegen de inspraak van uw hart; maar gij hebt u niet zoo kunnen vergissen in het mijne, ofweetdat ik nu spreek in vollen ernst.”
“Nu dan, Leo!” viel zij in met een diepen zucht. “Als gij er ernst van maken wilt, moet ik u herinneren aan mijne vroegere waarschuwing om mij van zulke wenschen niet weer te spreken; het kan, het mag niet zijn!”
“Waarom toch niet? Heb ik mij zoo vergist, toen ik dacht dat ik u niet geheel onverschillig was? Ik hoopte wat beters van u, ik meende toch dat gij wel iets voor mij gevoeldet.”
Zij knikte met afgewend gelaat en zweeg, maar op eens hoorde ik iets als een gesmoorden snik.
“Zijt gij dan mogelijk niet meer vrij?” vroeg ik zacht en zelf diep bewogen, hare hand nemende en mij voor haar plaatsend om haar in de oogen te kunnen zien.
“Vrij? O, voorzeker ben ik vrij!” riep zij met bitterheid. “Ik heb er wel het mijne toe gedaan om vrij te blijven!”—en zich snel van mij afkeerende:—“maar, ik heb het u immers altijd gezegd. Ik moet mijne onafhankelijkheid bewaren; ikmoethet.”
“O, ik versta u, Francis!” sprak ik, mijns ondanks nu ook met wat bitterheid. “Gij hebt zekere illusie nog niet opgegeven, gij wacht op uw lord William; gij hebt het u zelve beloofd en....”
“Lord William? Lord William, die mij nooit heeft liefgehad!” riep zij hartstochtelijk, “Lord William, die mij met zijn laatdunkend mededoogen heeft gekrenkt, die mij het hart heeft gebroken, die mij tot woestheid, tot dwaasheid heeft vervoerd door zijnevoorzienige wijsheid; lord William, die nu een brave zestiger zal zijn! Leo, Leo! gij die mij lief hebt, ik weet het, doe gij toch u zelven die nuttelooze kwelling niet aan om jaloersch te zijn van lord William. Zou ik u alles zoo vrij uit hebben opgebiecht als ik daar niet lang overheen was?”
“Dan is die tegenzin in het huwelijk, die zucht om vrij te blijven maar een onvrouwelijke gril, een laatste verzet van Majoor Frans, die zich niet gevangen wil geven, en dan stel ik al mijne wilskracht, al mijne volharding tegenover die weerbarstigheid.”
“Plaag mij niet met uwe volharding, Leo! want gij zoudt mij slechts pijnigen, zonder mij te verzetten. Al zoudt gij mijn hart breken, en dat kunt gij, ik beken het, mijn weerstand zult gij toch niet overwinnen.”
“Dan wil ik die onzichtbare macht kennen, die u tegen mij sterkt!” riep ik, woest van toorn en smart.
“Och Leo! gij weet immers wel van welke smartelijke plichten ik de slavin ben. Waartoe u nog verder in te wijden in die diepten van jammer en ellende, waarin ik bijna verzink, waarmee ik levenslang zal te worstelen hebben.”
“Ik wil ze kennen, Francis! om ze met u te deelen, om ze met u te dragen. Samen strijdende zullen wij overwinnen, wees er zeker van!” riep ik hartstochtelijk; en door het teederste medegevoel overweldigd, sloeg ik mijn arm om haar heen en sloot haar aan mijne borst. Zij getroostte zich dit zacht geweld zonder verzet; als mat en afgestreden liet zij haar hoofd tegen mijn schouders rusten.
“Nou, as de freule vrijt is ’t te begriepen dat ze der kind verzuumt!” hoorden wij plotseling achter onsuitroepen door eene schorre stem, die aan het afschuwelijk dialect niets toegaf.
Doodsbleek van schrik maakte Francis zich vrij en trad eenige schreden ter zijde. Ik, als door een bliksemstraal getroffen, liet de armen zinken en weerhield haar niet; ik had eene gewaarwording of ik plotseling onder ijsschotsen was geraakt, ik rilde.
De persoon die achter ons aangekomen was, en ons zeker al lang had bespied, trad nu stout vooruit en op Francis toe.
Het was eene oude vrouw, die als de heksen in Macbeth daar op eens voor ons oprees. Met hare scherpe zwarte oogen, hare bloote magere armen, rood en dor als kreefteschalen, haar verbrand en gerimpeld gezicht, met een blauw geruiten doek over de witte muts en het stokje waarop de kreupele leunde, zag zij er werkelijk uit als eene tooverkol uit de sprookjes, die men in een vroegere eeuw zou verbrand hebben. Ik wil wel bekennen dat ik haar dergelijk lot toewenschte, toen zij ruw en brutaal tot Francis zeide:
“Nou dan, freule! nou weten we waer je het zoo druk mee hebt dat je in gien vayf wieken nee het kinde zijt kuemen umzien.”
“Mijn grootvader is ziek geweest, vrouw Jool.”
“Ja! grooteluisziekte, deer is gien kwoad bij. Mear die jonker deer, dats wat anders hé! Nou, ik zeg, het hiele dorp spreekt er schande van.”
“Waarvan, vrouw Jool?” vroeg Francis, hoog en koel, hoewel ze zeer bleek zag.
“Dat je ’t kinde zoo verzuumt um....”
“Luister, vrouw Jool!” viel nu Francis in op vasten, kalmen toon. “Het heele dorp, zoomin als gij zelve, heeft in mijne zaken iets te zien, of zich met mijn doen en laten te bemoeien.”
“Och, we zullen met pleizier doen of we er nieuwers van merken, freule! maar het kleine jungske lijdt er bij als we te onzent niets van der heuren.”
“Ik had vandaag willen komen, maar kreeg verhindering; doch daar behoeft het kind immers niet onder te lijden; daar is geen reden toe sinds het kostgeld trouw wordt betaald.”
“Hm! trouw! De maond is uut: we zien de tweede al een weik ien, en ik zeg: als het Trineke verveelt heit de jongen het slecht.”
“Morgen zult gij het geld hebben; maar ik zeg je, als het kind slecht bejegend wordt om die ééne week verzuim, zoo slecht, vrouw Jool! dat ‘het heele dorp’ zooals gij zegt er schande van spreekt, dan komt die slechte behandeling van uwe of uws dochters zijde, en dan blijft het kind niet bij u, daar kan je staat op maken. Als ik morgen of overmorgen kom zal ik er naar informeeren, reken daarop!”
“Wat! wou je mij en me dochter te schande maken en het jungske van ons wegnemen? Nou, probeer dat eens! We zullen wel zien wie ’t heft in handen houdt!” En ’t booze wijf zette tergend brutaal de handen in de zijde. “Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de bres springt!”
“Gij zijt voor niemand in de bres gesprongen, vrouw Jool, dat weet je zelve wel, daar ben je veel te inhalig toe; je hebt alleen geld willen maken van uw dochters ongeluk, ziedaar alles! Maar het doet er niet toe wat gij zijt of niet.”
“Wat! zou het er niet toe doen dat ik de grootmoeder ben! En ik kwam nogal waarschuwen dat ie nieuwe kousen en schoenen moet hebben, of hij moet met zijn bloote voetjes in de klompjes loopen net als de boerenkinderen, en deer is hij te fesoenlijk veur zou ’k denken.”
“Ik zal in de kousen en schoenen voorzien, vrouw Jool! Maar ’t is nu genoeg, ga uws weegs, ge hadt niet in ’t bosch moeten komen als een spion. Nu ik je ontdekt heb, moet je rechtsomkeer maken, het zandpad langs de vaart om, die leidt naar je dorp.”
“Nou, nou! wat zou dat? Is deer zoo’n haast bij?”
“’t Is hier de grond van de Werve; je hoort hier niet. Scheer je weg, of....”
“He’k van me leven! wat ze een haast het um me weg te kriegen, en dat um.... Nou, nou, ik ga al! anders laat ze me die kostelijke jonker nog voor koddebeier spelen!” riep het wijf eer schreeuwende dan sprekende, terwijl ze zich hinkend uit de voeten maakte en het aangeduide pad nam.
Wij waren bij hetrond-pointgenaderd. Ik was eerst blijven staan bij de oude rustique bank, maar ik moest gaan zitten, want ik voelde dat mijne beenen onder mij wankelden; ik moet er akelig bleek en ontdaan hebben uitgezien, want toen Francis, eindelijk van haar kwelgeest bevrijd, zich omkeerde en naar mij toekwam, zij, nog met wangen hooggekleurd van toorn en verontwaardiging, las ik zekere droeve verbazing op hare trekken, toen zij voor mij staan bleef en mij aanzag, terwijl zij sprak:
“Welnu! Leo! mij dunkt het toeval dient u op uwe wenken. Dáár is nu de macht, ongelukkig evenmin eene onhoorbare als onzichtbare, die mij berooft van de vrijheid om gelukkig te zijn.”
“Ik versta u, Francis! gij zijt te eerlijk en te kiesch om onder zulk een bezwaar een man aan uw lot te verbinden,” sprak ik met eene stem, die ik trachtte vastheid en kalmte te geven; “maar waarom mij niet eerder uw vertrouwen geschonken op dit punt, waarom het op zulke verrassing, op zulke toevallige ontmoeting te laten aankomen? Ik heb u immers gezegd, reeds in de eerste dagen onzer kennismaking, dat ik den moed zoude hebben eene struikelende staande te houden, dat ik niet zou wanen mij te besmetten, zelfs als ik eene gevallene uit de diepte oprichtte; zeg mij alles! ik wil het onmogelijke beproeven om u te redden.”
“Maar Leo!” antwoordde zij, de handen ineenslaande van verbazing, en met een hoogen blos op het voorhoofd;“gij ziet bleek als een lijk, uwe oogen staan strak en schril van pijnlijke overspanning, uwe doffe stem verraadt de overwinning zelfs die deze woorden u kosten. Wat moet ik denken van deze heftige ontroering, wat van de zonderlinge gezegden die gij mij toevoegt? Gij zult mij, toch niet van iets onwaardigs verdenken? Gij kunt toch wel begrijpen datmijneeer er niet mee gekwetst is, al heb ik mij zelve veel te verwijten, al klage ik dat ik het recht verloren heb gelukkig te zijn, al lijde ik onder den schrikkelijken nasleep van jammer en ellende waarvan ik de schuldige oorzaak ben!”
“Ik luister naar ’t geen gij zegt, Francis!” sprak ik in eene soort van bedwelming; “maar verschoon mij, ik.... ik versta u niet goed, was er niet sprake van een kind.... van een kind waarvoor gij te zorgen hebt.”
“Wel zeker! en dat is nog niet eens het ergste, ik heb er de moeder bij voor mijne rekening.”
“Francis!” riep ik, opspringende met een kreet van verlichting en onuitsprekelijke blijdschap.
“Nu begrijpiku niet,” hervatte zij, mij met een naïeve bevreemding aanziende, “daar is hier waarlijk geene oorzaak voor zulke verrukking. Meent gij dat het eene lichte zaak is voor mij; in omstandigheden als de mijne, om een kind groot te brengen en in de behoeften van eene krankzinnige vrouw te voorzien?”
Ik dankte den Hemel uit den grond van mijn hart, dat zij in hare onschuld mij zóó had misverstaan; ik had gelukkig nog genoeg tegenwoordigheid van geest om mij te redden en haar gedachtenloop te vatten; ik begreep dat ik reddeloos verloren moest zijn bij haar, als zij raadde welk vermoeden mij een oogenblik had bezield.
“Zeer zeker is dat geene lichte last, Francis; integendeel, het moet bijkans eene ondragelijke zijn voor u alleen; maar ik, die gevreesd had dat er eenige onoverkomelijke hindernis zou liggen tusschen u en mij, ik verblijd mij dat het niets ergers is.”
“Och!” sprak zij met zekere ergernis over mijne onbevattelijkheid; “gij mannen wilt nooit bezwaren zien, als gij iets wenscht. Het is eene onoverkomelijke hindernis, ik zeg het u, in onze omstandigheden. Gij weet eigenlijk nog niets en gij praat al voort of gij alles in één oogwenk zoudt kunnen schikken. Ik heb mij nu al die onaangenamescènevan dat oude wijf op den hals gehaald om u, omdat ik met u ben gaan wandelen, in plaats van naar het dorp O. te rijden, om mijn kleinen Harry te zien, en bovenal om het kostgeld te betalen aan de grootmoeder, en wie weet wat al niet bovendien, want zij exploiteeren mij daar, Leo! Zij exploiteeren mij op eene gruwelijke wijze, en ik weet er mij niet tegen te weren, omdat ik mij niet onschuldig kan achten aan den dood van den vader, aan de oneer en de krankzinnigheid der moeder.”
Ik begreep dat ik niet beters had te doen dan maar rustig aan te hooren wat zij mij uit zich zelve wilde mededeelen; ik moest er naar trachten haar mijne vroegere opvatting te doen vergeten.
“Zij exploiteeren uwe teederheid van consciëntie, Francis!” sprak ik, terwijl ik naast haar plaats nam op de rustieke bank.
“Zoo is het Leo! Gij hebt laatst gehoord hoe jammerlijk die arme Harry Blount is omgekomen. Nu dan, bij zijn sterven had ik met smartelijke heftigheid uitgeroepen: ‘Ik, ik heb hem den dood aangedaan!’ Die uitroep van bittere zelfbeschuldiging had getuigen: Vrouw Jool en hare dochter! De laatste wierp zich in wilde vertwijfeling naast den stervende neer.
“My bride! my poor bride!” stamelde Harry; en tot mij: “dear miss Francis, pity on her!”
Ik deed toen eene belofte, Leopold! en al had ik niets beloofd, ik zou toch alles gedaan hebben wat ik kon.
Het ongelukkige meisje was verwilderd van smart en schaamte: zij moest moeder worden!
Wij wisten niet eens dat Harry zulk eene betrekking had. Hij had het voor ons verborgen, daar hij geen kans zag om te trouwen zoolang hij in onzen dienst bleef op een lang niet meer schitterend jaargeld, en op het goed van mijns vaders familie geboren, beschouwde hij zich niet als een gewoon bediende, die zijn meester den dienst opzegt als er een betere positie te verkrijgen is. De gedachte om heen te gaan, nu het bij ons op stal altijd schraalder en lediger werd, kon niet in hem opkomen. Het blijkt echter dat vrouw Jool, een laaghartig en baatzuchtig mensch, hem telkens op dat punt het hoofd warm maakte en hare dochter opstookte om hem aan te zetten ons huis te verlaten.
Die tweestrijd tusschen zijne trouw aan ons en de rechten van het hart maakte hem in den laatsten tijd norsch en wrevelig. Als ik hem ondervroeg, ontkende hij dat er iets haperde; maar met zulk eene gedrukte houding, dat men wel raden kon dat er iets achter stak. Ik vorschte er naar, maar tevergeefs; de andere bedienden klaagden over hem als over een lastig mensch, die aan vlagen van melancholie leed. Dit maakte dan ook dat ik zijne waarschuwing op dien noodlottigen rijtoer in den wind sloeg, ik schreef het toe aan zijne zwaartillendheid, wat voorzichtigheid en goed beraad hem ingaven.
Ik vrees de verdenking uit te spreken, en toch is zij niet uit de lucht gegrepen, dat vrouw Jool zelve heeft medegewerkt tot den val van haar kind. Zij wilde Harry in de verplichting brengen om te trouwen, en meende dat al het verdere wel volgen zou. De rampspoedige dood van haar toekomstigen schoonzoon was voor haar eene misrekening, maar.... nú werd ik hare prooi. Zij stookte hare dochter tegen mij op; zij hitste alles tegen mij aan, wat naar haar luisteren wilde; zij stelde mijn smartelijken uitroep voor als eene bekentenis van moedwilligen doodslag. Het liep zoo hoog, dat wij er iemand van onze kennis, die in de rechtbank zat, bij moesten inroepen om de ergerlijke praatjes van datmensch te doen ophouden. Dit alles nam niet weg, dat ik al het mogelijke deed om het lot van de jonge vrouw te verzachten, die mij dankbaar zou geweest zijn, ik ben er zeker van, zonder hare moeder. Ten laatste kwam het beslissend oogenblik; reeds terstond na de geboorte van het kind deden zich bij de jeugdige moeder verschijnselen van waanzin op; het was niet raadzaam haar zelve te laten zogen, het werd gevaarlijk haar met het kind alleen te laten.
Eene andere dochter van vrouw Jool, die te O. met een boerenarbeider getrouwd was en haar jongste kindje verloren had, kon voor min optreden. Men zou gezegd hebben dat eene zuster zulk een dienst uit vrije gunst zou verleend hebben; en dat zou ook zeker het geval zijn geweest, zoo men niet gespeculeerd had op mijne gemoedelijkheid. Ik moest minnegeld betalen, omdat ik voor de luiermand had gezorgd, ik moest voor de arme krankzinnige zorgen, die welhaast niet meer onder de haren kon blijven. Ik deed dit laatste uit vollen vrijen wil, maar het kostte meer dan ik offeren kon; en ik had het moeten opgeven zoo de ontmoeting met tante Roselaer en hare edelmoedigheid mij niet te hulp ware gekomen. Intusschen had vrouw Jool zoozeer op mijne goedwilligheid gerekend, dat ze er hare betrekking van waschvrouw aan gaf en bij hare kinderen ging inwonen, om op het kleinkind te passen, zoo het heette, om mij ieder jaar meer geld af te persen onder allerlei voorwendsel. Het kind is sinds lang gespeend en moest eigenlijk niet langer in hunne handen blijven; maar ik beken het, ik zie op tegen het misbaar, dat al dat volk zal maken als ik het elders plaats. Ik dreig er wel mee; maar tot de uitvoering zal het niet licht komen. Door hunne gemeenheid zijn zij mij te sterk. Voor het kind heb ik alles over; het grootste deel van mijne eigene inkomsten offer ik voor hem en de moeder; maar dien heelen aanhang, waaraan ik niet weet te ontkomen, en mijn grootvader, die het als een nuttelooze verkwistingbeschouwt en die het mij ten kwade duidt dat ik niets meer ten beste geef voor de sier van zijn leven en het mijne; denk het in, Leo! wat er smartelijks en vernederends voor mij ligt in dat alles! en gij zult begrijpen waarom ikalleenmoet lijden, ook zelfs al had ik den man gevonden die mijn hart zou kunnen winnen. Sleept men iemand dien men lief heeft mee in zulk een maalstroom?”
“Iemand die uw hart mocht winnen, Francis, en die waard is het te bezitten, laat zich niet meetrekken in een maalstroom, maar zou er u uit redden.”
“Dat kan niet zijn; ik zal het kind van Harry Blount nooit in den steek laten.”
“Dat zou ook onchristelijk wezen. Hoe oud is dat kind, Francis?”
“Het zal nu welhaast drie jaren worden. Hij is geboren kort nadat wij de Werve betrokken.”
“Dan heeft hij hoog noodig een voogd, die hem uit dien atmosfeer van gemeenheid wegneemt.”
“De grootmoeder is immers voogdes?”
“Wij zullen zien wat er aan te doen is. Dat slag van lieden kan men nog wel naar zijn hand stellen, als men eenige behendigheid gebruikt. Meestal vergeten zij de noodigste formaliteiten. Is er een toeziende voogd benoemd?”
“Ik weet er niets van....”
“Dan moet dat verzuim hersteld worden, en dan zijn wij meester van den toestand; dat kind moet voorloopig bij de Pauwelsen geplaatst worden, dat zijn goede lieden, die u zeker niet zouden afzetten!”
“O! als dit zijn kon!.... maar ongelukkig is de jonge Pauwels verliefd geweest op de ongelukkige Gijsje Jool. Zal hij het kind van zijn medeminnaar met goede oogen aanzien?”
“Mij dunkt wel met eenig mededoogen....”
“Gij, maar zulke lieden denken zoo teer niet.”
“Als zij goed zien en een menschelijk hart hebben,kunnen zij ook even fijn voelen als wij, dan doet stand en opvoeding er niets toe. Geeft gij mij vrijheid om in die zaak voor u op te treden, en te zien hoe men het kind uit die handen kan wringen? Zal ik morgen met u naar O. rijden?”
“Wat hebt gij er aan, u in dat wespennest te werpen?”
“Ik ben niet bang voor een steekje.”
“’t Is al erg genoeg dat vrouw Jool ons vandaag samen heeft gezien en bespied.”
“Zoo zal zij morgen bemerken dat zij ons niet behoeft te bespieden als wij ons openlijk te zamen vertoonen.”
“Neen, neen, Leo! dat kan niet, dat moet niet zijn,” riep zij met zekere heftigheid het hoofd van mij afwendende. “Wie weet wat voor malle praatjes zij al niet rondgebabbeld heeft, na dat samentreffen met ons!”
“Als wij eenvoudig de praatjes tot waarheid maken, dan zijn het geen malle praatjes meer!”
“Tot waarheid maken! gij weet niet wat gij zegt, Leo!”
“Heel goed; zij hield ons voor gelieven; was zij zoover van de waarheid Francis?” vroeg ik zacht maar ernstig, en hare hand vattende, die zij mij liet. “Zij zal wellicht rondstrooien dat wij verloofd zijn, kan dat ons zooveel schaden, als wij bewijzen dat zij zich niet vergiste?”
“Hij komt er nog op terug, nòg, schoon hij alles weet!” sprak Francis, halfluid, als in zich zelve.
“Wie zou ik zijn, Francis, zoo ik nù kon terugtreden?”
“Maar ik zeg u: gij houdt geene rekening met alle lasten en bezwaren die er nog op ons zouden rusten,” riep zij met zeker ongeduld; “de Werve met Rolf dien wij niet op zij kunnen zetten, mijn grootvader met al zijne groote behoeften en zijne onbeduidende inkomsten. Hoe zullen wij dat alles bestrijden? Ik weet wel,” voegde zij er bij met veranderenden toon, “gij gaat nu naar den Haag om u met uw oom den minister te verzoenen, zooals de generaal u geraden heeft, ik begrijpwel waarom.... Maar doe het niet, doe het niet om mij, Leo! want gij zelf hebt het eens eene laagheid genoemd!”
“Zoo ik mij ooit met mijn oom verzoen, Francis, zal het zijn omdat vergevingsgezindheid ons past; maar nooit, daar kunt gij staat op maken, om met deze verzoening eere of gunst te bejagen.”
“Ik bedank u voor dat woord, Leo! ik dank u voor alles wat gij voor mij geweest zijt. O! ik wist het ook wel dat gij even fier als ferm zijt, maar daarom—laat uw verstand spreken—is het niet beter niet te beginnen wat men toch niet kan volhouden? Blijf mijn vriend zooals gij het tot hiertoe geweest zijt, maar....”
“Gij spreekt als eene die zelve geen hartstocht kent, noch dien in anderen begrijpt,” viel ik in. “Ik ben niet als Willibald, ik kan uw vriend niet blijven, als ik uw geliefde niet mag zijn; ik kan niet meer rustig aan uw zijde zitten en mij onthouden die fijne blanke hand te kussen die gij zoo koel en achteloos in de mijne laat (ik voegde de daad bij het woord). Ik heb u lief, Francis! hartstochtlijk lief; ik heb de uitingen van dien hartstocht onderdrukt met eene zelfbeheersching waarvan gij u geen denkbeeld kunt maken; maar nu het uitgesproken is, moet er eene beslissing zijn, ik moet u verlaten voor altijd, of ik moet uw echtgenoot worden, en datwilik, Francis! met eene vastheid van wil die al uwe zwarigheden voor niets acht.”
“Leo! Leo!” riep zij opstaande, alsof zij mij wilde ontvlieden; maar toch zonder zich af te keeren, “spreek zoo niet tegen mij, niet op dien toon van wegslepend geweld, niet met dien gloed in ’t oog; niemand heeft ooit zóó tot mij gesproken; niemand heeft mij hartstochtelijk liefgehad; gij brengt mij buiten mij zelve; gij leidt mij in verzoeking; maar ik moet u weerstaan want ik mag uw ongeluk niet kiezen, al zou het mij nòg zooveel kosten;” hare stem sidderde van heftige ontroering, een hoog rood overtoog hare wangen, enhare oogen weerkaatsten iets van dien eigen gloed die de mijnen deed fonkelen.
Ik nam beide hare handen in de mijne en sprak met vastheid:
“Als de scheiding u iets kost, Francis! scheiden wijniet!”
“Het is bedwelmend, Leo! de.... de.... mogelijkheid dat ik.... ik nog gelukkig zou kunnen zijn,” stamelde zij.
“Het is genoeg, Francis! gij zijt de mijne. Ik laat u niet meer los. Leg uwe hand in de mijne voor het leven.”
“Voor het leven!” herhaalde zij nu vast en besloten, maar met trillende lippen; zij werd bleek, zoo bleek, dat ik opsprong om haar te ondersteunen. Zij was eene bezwijming nabij.
“Leo! ik ben de uwe! Ik vertrouw mij aan u, ik heb u lief zooals ik nooit.... nooit heb liefgehad,” stamelde zij, terwijl ik haar in mijne armen hield opgericht.
“Eindelijk!” juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op hare lippen.
Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan hetluncheondeel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.
Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in ’t gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik haar vroeg of zij vermoeid was?
“Ik geloof ja!” sprak zij, “ik zou nog wel wat op dat mos onder dien grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds mij tergt en druktnuweer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan zóó nog niet scheiden van mijn geluk!”
“Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van ’t geen waar gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!”
“Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!”
“We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met opgeheven hoofd te keeren.”
“Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en die men in ’t oog moet houden....”
“Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval....”
“En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte uwe dwaasheid bespotten, dat gijMajoor Fransuwe hand durft reiken.”
Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.
Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.
“Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt, Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van ’t sociale leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der consciëntie. Eenverbond voor het leven van zulken ernstigen aard, als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding.”
“Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ikuniet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij.”
“En nu?” vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van geest en gevoel tintelden.
“Nu zie ik daar niet meer tegen op,” antwoordde zij met een zachten glimlach. “Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij; het is eene onwaarheiden actionen zal het meer en meer worden; ik voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik ben niet als de ‘dames,’ die laf en oneerlijk als ze zijn, in haarfor intérieurglimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer in hunfor intérieurbesloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij ’t woord vat, leert zij ’t anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op,de strijd over ’t meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen, en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men zich eindelijk uit afmatting resigneert,alsmen zich resigneert.”
“Gij maakt mij haast ongerust, Francis!” viel ik glimlachend in.
“Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in ’t onzekere gelaten omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de ‘heeren en dames’ goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren, tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart hem als mijn meerdere heeft erkend.”
“En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn.”
“Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin kunnen zijn van een man.”
“Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van ziel, ontwikkeling en volmaking van ’t karakter in den weg. Ieder onzer moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt: