Chapter 5

“Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt,” zei ze lachend. “Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op.” Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquettejaponvoor den dag kwam, met keurigeplissésof geborduurde strooken, zooals onze dames niet ongaarne laten zien,maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.“Dankje wel, neef!” zei ze wat bits. “Ik kan best alleen loopen, zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden.”“Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?”“Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert.”“Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen:une fois ne fait pas loi; het is allermeest voor de gezelligheid.”“Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren.”“Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later.”“Ook goed,” zei ze droogjes. “Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide.”“Ik ben ’t met u eens,” antwoordde ik op denzelfden toon, “dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen.”“Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen,” merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.“Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt.”“De kennis maken, de kennis maken,” herhaalde zijbijna grommend; “men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven.”“Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte.”“Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval.”Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid: “Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoo’n pleizier in als ik een van de zich genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen.”“Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd, Francis!” sprak ik ernstig. “Maar ’t geen mij leed doet om uwentwil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan dieSchadenfreudeover mijn misavontuur slechts de uiting was.”“Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kanwinden, als men maar de moeite neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken.”“Dat’s een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen.”“Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is die heereninde kaart te maken.”“Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst, dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen en.... te licht bevonden?”“Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zichnietaan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief, dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht wat niet op zich zelf kan staan, terwijl deserviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware.”“Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen.”“Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan, om suprematie te erkennen.”“Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen.”“Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt.”“Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!”“Mijn aanstaande echtgenoot!” Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. “Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen.”“Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen samenloopen, dat....”“Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren,” viel zij in met sprekende verontwaardiging. “Luister, Leo! gij weet niets van mij; en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! eenmariage de raison, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijnevrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven.”“Vrijvrouwe van de Werve!” Arme Francis! ik had maar één woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigszins op het doel afging.“Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis,” sprak ik, “en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op de zich roemende ‘vrije vrouw’ wetten laster en logen hunne pijlen...”“En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!” riep zij met heftigheid. “Neen, Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen, en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer,” eindigde zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken;reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: “maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt ‘geëtablisseerd’ zien vóór zijn dood; de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast.”Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht, en zij was geen nufje van negentien jaar dat “neen” zegt, als ze “ja” meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken.Un homme averti en vaut deux; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit datvaste besluitlos te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: “En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?”“Wat meent gij daarmee?” vroeg zij met gefronste wenkbrauw; “een voorstel! welk een voorstel?”“Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen.”“Een huwelijksvoorstel, en door u?” vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, “dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is,” riep zij met heftigheid.“Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?”“Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen; ziedaar mijn antwoord.” En als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weer bij haar.“Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan,” hernam ik; “maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan ditdétailniet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou ’t niet opgeven, al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik) te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen.”“Welnu, zoo ’t geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid waar noch geest noch vinding aan is.”Dat was meer dan eencoup d’éventail: dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: “wat recht ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?”“Gij zijt lastig,” hernam zij, “met dat uitvragen,” halfverlegen, half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had: de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe; moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lachend, half knorrend: “Gij zijt galant, dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is;” en vlug als de wind zelf ving zij aan, haarflambardna te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden, die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken, in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst wel aannemen. “Mag ik?” vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. “Ik moet het wel toestaan!” antwoordde zij met een knorrig gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zijmijnehulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en knorde zij voort.“Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mijgebracht heeft, ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo’n kostelijken dienst bewijst.”“Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan,” sprak ik in blijden triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan: zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:“Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt.”“Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?”“Gij hebt mijnietuitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het u heb gedaan om het uwe.”“U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt.”“Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belachelijk tezijn en bespot te worden. ’t Is waar,” ging zij voort met een minachtend schouderophalen, “daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt.”“Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden.”“O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd,” hervatte zij met zekere luchthartigheid, “want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten derraillerie, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan.”“Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie te braveeren.”“Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van ’t heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen.”“Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter vergeven danbizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch, het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders, en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet....”“Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?” riep zij opstuivend. “Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie, ziedaar alles.”“Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?”“Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard.Àvrai dire, niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest,” eindigde zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.“Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil, blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft haar op.”“Aan hervormen heb ik in ’t geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten.”“Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen.Bataille de damesis een allerliefst blijspel.”“Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen.”“Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald doorecht vrouwelijke middelen: niet met alles te braveeren met eenair de matamoreaan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!”“Advocaat!” sprak zij hoofdschuddend, “en nog wel voor eene zaak die niet aan de orde is!”“Hoe meent gij dit?”“Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar ’t is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten.”Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. “Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede is van uw bezoek aan den generaal!”“Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder.”“En als die kennismaking niet meevalt?”“Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot.... verzoening....”“Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u,” hernam zij met zekere goelijkheid, “als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen....”“Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken.”“Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officieren retraite, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem.”“En gij dan?”“Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd, uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk: ‘wat zullen wij eten?’ na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder.”“En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?”“Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal ’s jaars, en de burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; ’t is al erg genoeg als zij mij ’s Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed,” eindigde zij met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.“Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee gij sympathiseert?”“Dat zou er nog aan mankeeren—dames! logées hier binnen te halen!” sprak zij met bitterheid; “en wat vriendinnen aangaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is.”“Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?”“Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nogal scherp zie, en ’t geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties; en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbareuitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft....”“Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,” sprak ik zacht maar met nadruk; “gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen.”“Hoe meent gij dat?” vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.“Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?”Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijne innigste gedachten wilde peilen: “Gij schijnt een ernstig man te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. ’t Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú, dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door; gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden.” Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo’n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende ringmuur, was al niet meer aan de poortverbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte daten rotondegebouwd was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het “halve garnizoen,” zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militairzou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:—het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,—zijne rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkeren knevel, lang en puntigà la Napoléonen stijf uitstaandeà forcevan cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond, waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde:“Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of krijgen we inkwartiering?”“Een bezoek aan den Generaal, kapitein,” hernam Francis, voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen.“Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting,” bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:“En dat alles, omdatuw Majoor,” zij drukte zonderling op den titel, “het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, brengt het dan maar op het rapport.”Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein, die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijnesiësta.Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbarenpourfendeur, die oud-tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunnebleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid; zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen en weer schoof onder het spreken.Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.“Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de familie!”“Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,” antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch, hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.“Neem toch plaats, Jonker,” sprak hij, naar een stoel wijzende, waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had mij dien te betwisten.“Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van hetdéjeunerheeft overgelaten.... Is er nog gedekt, Frits?” vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders wachtend was blijven staan.“’t Is bij half twee, freule!” antwoordde deze, met zekere verlegenheid de schouders ophalend.“Gij hebt gelijk, Frits, ’t is de regel van het huis: wie niet op het appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch....”“En een glas port voor de heeren,” voegde de kapitein er bij.Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:“Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat bijzonders zijn.”Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:“Kapitein!” er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van den grijsaard, “er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nunietonder ons zijn, en dat gij Freule Mordaunt mankeert....”“Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij parten spelen.”“Het komt er niet op aan, grootpa!” viel Francis in, “op zijn leeftijd zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities heeft geleerd. Maar als gij naar ’t consigne van den dag vraagt, kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die, naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik u mijn woord op, niet van ’t humeur is om met zich te laten spotten.”Ik boog tegen Francis, ’t geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong, zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: “de gezondheid van onzen waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! ’t Is van harte gemeend; geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je staat op maken.”Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien deze opmerking bij haar zou teweegbrengen—maar zij had zich van mij afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van ’t geen Rolf zeide dan van ’t gebrom eener vlieg.Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van ’t geen hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het onbeleefdden generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan, wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken, en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:“Een woordje onder ons, Jonker! als ’t u belieft.”Ik boog mij.“Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig hardhoorig.”Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:“Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter hebt ontmoet?”“Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel gelukkig voor mij.” Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht naar de Werve.“Nu! dat verheugt me,” sprak de grijsaard met een zucht van verlichting. “Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend, al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed te maken, zooals dat haar meer gebeurt.”“De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft toegezegd, moet ik te meer waardeeren,sinds zij niet de gewoonte heeft uit banale hoffelijkheid te handelen.”“Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen,” hervatte de grijsaard met een zacht hoofdschudden, “doch wat u betreft, wees verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was geparenteerd, maar ’t is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet meer weet hoe dat in elkander zit!”“Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!”“Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis.”“De baron d’Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!”“Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan, uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door, omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den baron d’Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I, vernam ik van derden, dat de baron d’Hermaele in hooge gunst was geraakt bij den Koning.”“Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen opstand, ’t geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen, en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en verbrandde en hem zelven, die zichkloekmoedig tegen die baldadigen verzette, op gruwelijke wijze vermoordde.”“Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring, die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen, maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd; dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er van de weduwe en hare kinderen geworden?”“Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon.”“Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!”“Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom....”“Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?” vroeg hij in zichtbare onrust.“Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename moeten zijn?”“Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten, op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen, en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën.”“Ik wil het gelooven, beste oom! maar....”“Maar uwe moeder was al eene d’Hermaele, dat stelt mij gerust; doch zoo ’t anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen, dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij; ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar het haar zoolang het haargespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden; alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen.”“Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag gedaan, met de goede bedoeling om uzelfmogelijke onaangenaamheid te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn, nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door de Roselaers geslagen.”“Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!” hernam von Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, “maar toch, reeds de wensch is prijzenswaardig.” Na een oogenblik peinzens hervatte hij: “De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn, zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de specialiteit die menla noblesse besoigneusenoemt. Waardige lieden, maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven.”“Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch geene exceptie; daarbij was hijzooals ik gezegd heb, getrouwd met eene dier zeven freules d’Hermaele, die bij den Belgischen opstand alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging.”“En deed de Koning niets voor de freules?”“Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen, maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?”“Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat brengt in dieper vernedering dan de armoede?”“Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst den adel toe om hier op hetnoblesse obligete letten en zich zelf niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en allesafwachtwat dezeoplegt,dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat menjuist om zijne digniteit te handhaven, niet met de hand op te houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld.”“Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten, naar den een of anderen post hebt gestaan?” vroeg von Zwenken wat verdrietelijk.“Tot hiertoe niet.”“Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er eenvan Zonshoven minister van buitenlandsche zaken,” hervatte de generaal; “dat moet, indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad zijt ge met hem verwant?”“Hij is mijn oom.”“Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties komt men dan licht verder.”“Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand en zijn naam.”“Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?” eindigde hij vragenderwijze.“Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen te maken voor hem ter verzoening.”De generaal schudde het hoofd. “Nog altijd wat bloed van de Roselaers.”“Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen, ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren, die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben ik nu vrij man gebleven tot hiertoe,en, om u mijne volle meening te zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom.”“Bravo! Bravissimo!” Het was de diepe volle altstem van Francis, die zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij, die zoo geheelde premier mouvementwas, zich niet kunnen onthouden.“Gij ziet het, jonker!” sprak de generaal wat verdrietelijk met gefronste wenkbrauw, “met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare illusie niets of niemand noodig te hebben.”“Niet mijne illusie, grootpapa! Mijnbeginselis het: liever vrij en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk, Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil en kloekheid van daad betreft, op punten als deze—daar behoort eene vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij daarin de meesten uwer vóór zijn.”Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer op en sprak tot Francis: “Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen, u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft enzulke harde slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille getroost, wat gij niet behoordet te dragen.”“Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel mijne instemming heeft als Leo’s uitspraak van daareven, dat is te veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen.”“Dat’s wel ongelukkig,” viel de generaal in, niet zonder wat bitterheid; “want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?”“Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een voorrecht.”“Hm! dat’s een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als gij hier wat lang blijft,” viel nu de kapitein in, die weer binnen was gekomen; “onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat; hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven, en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van den krijgsraad.”Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben.“Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen, anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen,” zei Francis schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan van vroolijke luim.“Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht wat ik van u verduur.”“Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en die mishandelingen,” spotte Francis.“Kapitein!” sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren, niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, “kapitein! ik had u meen ik mijn wensch te kennen gegeven omen famillete blijven.”“En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhouden famillezooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet.”“Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap van mijn neef te profiteeren.”“En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op het propos was van zijneLebensbekentnisse, die mij groot belang inboezemen,” beet Francis hem toe. “Gij zoudt veel beter doen met eens rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren heb—aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik haar nog.”“’t Is geen lichte corvée, zoo’n ding weer te vinden in het zand,” bromde Rolf.“Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar weerbrengt.... doet gij mij pleizier.”“Nu!daarik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik het probeeren....”“Malicieuse despoot!” kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen, haar met den vinger dreigend.Zij kleurde even en glimlachte.“Och Jonker! dat is nog zoo erg niet,” zuchtte de deemoedige vazal; “toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden gehad.”“Precies!” zei Francis, “toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet.”“Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben,” sprak hij deemoedig.“Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop.”Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:“Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof ik, nog beter ik—dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?”Ik aarzelde met mijn antwoord, in ’t ongewisse of mijn wensch om zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:“Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen, ’t is jammer voorle cher cousin, maar....”“Le cher cousin, als gij mij daarmee bedoelt,” viel ik in, dit punt van overleg aangrijpende, “zou ik niets liever wenschen dan den dag hier te mogen doorbrengen;alleen, hij maakt niet de minste aanspraak op een fijndiner.”“Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold,à la fortune du pot,” sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien, die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.“Het kan niet anders!” sprak zij eindelijk besloten, “wie komt er voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden niemand aan onze tafel te nooden....”“De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt, Francis,” viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu tobde. “Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud maal doen....”“Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord zal vatten.”“Heusch, Francis, ik....”“Als gij het meent zijt gij een phenomeen,” riep zij lachend, “maar genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat door het bosch rijdt.”“Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?”“Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en....”“Als gij mij voor zoobêtehoudt, rijd ik niet weg vóór midden in den nacht....”“Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure het rijtuig, kapitein!” sprak Francis met gezag.“Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit,” viel de generaal in, “is ’t niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?”“Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn wij waarlijk niet op ingericht.”“Nota bene!” riep de kapitein met een luiden lach, “wij zouden eene halve compagnie kunnen herbergen.”“Uwe compagnie zeker!” viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig tegenover den man, die als 1steluitenant was gepensionneerd.... Het bleek wel dat hij ontzaghad voor zijn Majoor, want hij werd bleek van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking niet weer goed te maken: “ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest; terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon...”“Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een burgerhuis,” repliceerde ik. “Luister, Freule Francis! als gij Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg, dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras de beste die gij ergens laat neerleggen.”“Ik schaam mij voor u, Francis,” sprak de generaal met zachte verlegene stem; “dat is weer een van die caprices....”“Als gij dan volstrekt blijven wilt,” sprak Francis, mij aanziende met een koel en verdrietelijk gezicht, “zal ik trachten eene slaapkamer uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt gij verschoond; vandaag fungeert gij alsmaréchal de logis;” en haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen, verliet zij met hem het vertrek.

“Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt,” zei ze lachend. “Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op.” Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquettejaponvoor den dag kwam, met keurigeplissésof geborduurde strooken, zooals onze dames niet ongaarne laten zien,maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.“Dankje wel, neef!” zei ze wat bits. “Ik kan best alleen loopen, zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden.”“Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?”“Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert.”“Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen:une fois ne fait pas loi; het is allermeest voor de gezelligheid.”“Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren.”“Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later.”“Ook goed,” zei ze droogjes. “Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide.”“Ik ben ’t met u eens,” antwoordde ik op denzelfden toon, “dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen.”“Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen,” merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.“Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt.”“De kennis maken, de kennis maken,” herhaalde zijbijna grommend; “men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven.”“Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte.”“Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval.”Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid: “Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoo’n pleizier in als ik een van de zich genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen.”“Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd, Francis!” sprak ik ernstig. “Maar ’t geen mij leed doet om uwentwil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan dieSchadenfreudeover mijn misavontuur slechts de uiting was.”“Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kanwinden, als men maar de moeite neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken.”“Dat’s een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen.”“Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is die heereninde kaart te maken.”“Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst, dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen en.... te licht bevonden?”“Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zichnietaan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief, dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht wat niet op zich zelf kan staan, terwijl deserviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware.”“Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen.”“Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan, om suprematie te erkennen.”“Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen.”“Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt.”“Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!”“Mijn aanstaande echtgenoot!” Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. “Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen.”“Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen samenloopen, dat....”“Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren,” viel zij in met sprekende verontwaardiging. “Luister, Leo! gij weet niets van mij; en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! eenmariage de raison, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijnevrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven.”“Vrijvrouwe van de Werve!” Arme Francis! ik had maar één woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigszins op het doel afging.“Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis,” sprak ik, “en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op de zich roemende ‘vrije vrouw’ wetten laster en logen hunne pijlen...”“En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!” riep zij met heftigheid. “Neen, Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen, en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer,” eindigde zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken;reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: “maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt ‘geëtablisseerd’ zien vóór zijn dood; de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast.”Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht, en zij was geen nufje van negentien jaar dat “neen” zegt, als ze “ja” meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken.Un homme averti en vaut deux; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit datvaste besluitlos te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: “En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?”“Wat meent gij daarmee?” vroeg zij met gefronste wenkbrauw; “een voorstel! welk een voorstel?”“Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen.”“Een huwelijksvoorstel, en door u?” vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, “dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is,” riep zij met heftigheid.“Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?”“Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen; ziedaar mijn antwoord.” En als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weer bij haar.“Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan,” hernam ik; “maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan ditdétailniet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou ’t niet opgeven, al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik) te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen.”“Welnu, zoo ’t geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid waar noch geest noch vinding aan is.”Dat was meer dan eencoup d’éventail: dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: “wat recht ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?”“Gij zijt lastig,” hernam zij, “met dat uitvragen,” halfverlegen, half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had: de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe; moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lachend, half knorrend: “Gij zijt galant, dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is;” en vlug als de wind zelf ving zij aan, haarflambardna te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden, die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken, in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst wel aannemen. “Mag ik?” vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. “Ik moet het wel toestaan!” antwoordde zij met een knorrig gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zijmijnehulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en knorde zij voort.“Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mijgebracht heeft, ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo’n kostelijken dienst bewijst.”“Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan,” sprak ik in blijden triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan: zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:“Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt.”“Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?”“Gij hebt mijnietuitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het u heb gedaan om het uwe.”“U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt.”“Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belachelijk tezijn en bespot te worden. ’t Is waar,” ging zij voort met een minachtend schouderophalen, “daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt.”“Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden.”“O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd,” hervatte zij met zekere luchthartigheid, “want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten derraillerie, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan.”“Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie te braveeren.”“Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van ’t heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen.”“Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter vergeven danbizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch, het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders, en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet....”“Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?” riep zij opstuivend. “Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie, ziedaar alles.”“Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?”“Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard.Àvrai dire, niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest,” eindigde zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.“Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil, blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft haar op.”“Aan hervormen heb ik in ’t geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten.”“Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen.Bataille de damesis een allerliefst blijspel.”“Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen.”“Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald doorecht vrouwelijke middelen: niet met alles te braveeren met eenair de matamoreaan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!”“Advocaat!” sprak zij hoofdschuddend, “en nog wel voor eene zaak die niet aan de orde is!”“Hoe meent gij dit?”“Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar ’t is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten.”Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. “Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede is van uw bezoek aan den generaal!”“Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder.”“En als die kennismaking niet meevalt?”“Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot.... verzoening....”“Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u,” hernam zij met zekere goelijkheid, “als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen....”“Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken.”“Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officieren retraite, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem.”“En gij dan?”“Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd, uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk: ‘wat zullen wij eten?’ na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder.”“En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?”“Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal ’s jaars, en de burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; ’t is al erg genoeg als zij mij ’s Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed,” eindigde zij met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.“Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee gij sympathiseert?”“Dat zou er nog aan mankeeren—dames! logées hier binnen te halen!” sprak zij met bitterheid; “en wat vriendinnen aangaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is.”“Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?”“Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nogal scherp zie, en ’t geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties; en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbareuitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft....”“Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,” sprak ik zacht maar met nadruk; “gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen.”“Hoe meent gij dat?” vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.“Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?”Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijne innigste gedachten wilde peilen: “Gij schijnt een ernstig man te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. ’t Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú, dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door; gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden.” Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo’n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende ringmuur, was al niet meer aan de poortverbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte daten rotondegebouwd was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het “halve garnizoen,” zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militairzou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:—het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,—zijne rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkeren knevel, lang en puntigà la Napoléonen stijf uitstaandeà forcevan cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond, waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde:“Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of krijgen we inkwartiering?”“Een bezoek aan den Generaal, kapitein,” hernam Francis, voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen.“Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting,” bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:“En dat alles, omdatuw Majoor,” zij drukte zonderling op den titel, “het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, brengt het dan maar op het rapport.”Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein, die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijnesiësta.Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbarenpourfendeur, die oud-tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunnebleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid; zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen en weer schoof onder het spreken.Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.“Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de familie!”“Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,” antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch, hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.“Neem toch plaats, Jonker,” sprak hij, naar een stoel wijzende, waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had mij dien te betwisten.“Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van hetdéjeunerheeft overgelaten.... Is er nog gedekt, Frits?” vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders wachtend was blijven staan.“’t Is bij half twee, freule!” antwoordde deze, met zekere verlegenheid de schouders ophalend.“Gij hebt gelijk, Frits, ’t is de regel van het huis: wie niet op het appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch....”“En een glas port voor de heeren,” voegde de kapitein er bij.Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:“Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat bijzonders zijn.”Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:“Kapitein!” er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van den grijsaard, “er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nunietonder ons zijn, en dat gij Freule Mordaunt mankeert....”“Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij parten spelen.”“Het komt er niet op aan, grootpa!” viel Francis in, “op zijn leeftijd zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities heeft geleerd. Maar als gij naar ’t consigne van den dag vraagt, kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die, naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik u mijn woord op, niet van ’t humeur is om met zich te laten spotten.”Ik boog tegen Francis, ’t geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong, zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: “de gezondheid van onzen waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! ’t Is van harte gemeend; geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je staat op maken.”Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien deze opmerking bij haar zou teweegbrengen—maar zij had zich van mij afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van ’t geen Rolf zeide dan van ’t gebrom eener vlieg.Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van ’t geen hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het onbeleefdden generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan, wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken, en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:“Een woordje onder ons, Jonker! als ’t u belieft.”Ik boog mij.“Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig hardhoorig.”Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:“Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter hebt ontmoet?”“Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel gelukkig voor mij.” Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht naar de Werve.“Nu! dat verheugt me,” sprak de grijsaard met een zucht van verlichting. “Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend, al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed te maken, zooals dat haar meer gebeurt.”“De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft toegezegd, moet ik te meer waardeeren,sinds zij niet de gewoonte heeft uit banale hoffelijkheid te handelen.”“Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen,” hervatte de grijsaard met een zacht hoofdschudden, “doch wat u betreft, wees verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was geparenteerd, maar ’t is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet meer weet hoe dat in elkander zit!”“Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!”“Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis.”“De baron d’Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!”“Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan, uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door, omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den baron d’Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I, vernam ik van derden, dat de baron d’Hermaele in hooge gunst was geraakt bij den Koning.”“Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen opstand, ’t geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen, en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en verbrandde en hem zelven, die zichkloekmoedig tegen die baldadigen verzette, op gruwelijke wijze vermoordde.”“Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring, die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen, maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd; dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er van de weduwe en hare kinderen geworden?”“Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon.”“Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!”“Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom....”“Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?” vroeg hij in zichtbare onrust.“Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename moeten zijn?”“Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten, op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen, en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën.”“Ik wil het gelooven, beste oom! maar....”“Maar uwe moeder was al eene d’Hermaele, dat stelt mij gerust; doch zoo ’t anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen, dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij; ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar het haar zoolang het haargespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden; alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen.”“Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag gedaan, met de goede bedoeling om uzelfmogelijke onaangenaamheid te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn, nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door de Roselaers geslagen.”“Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!” hernam von Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, “maar toch, reeds de wensch is prijzenswaardig.” Na een oogenblik peinzens hervatte hij: “De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn, zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de specialiteit die menla noblesse besoigneusenoemt. Waardige lieden, maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven.”“Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch geene exceptie; daarbij was hijzooals ik gezegd heb, getrouwd met eene dier zeven freules d’Hermaele, die bij den Belgischen opstand alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging.”“En deed de Koning niets voor de freules?”“Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen, maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?”“Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat brengt in dieper vernedering dan de armoede?”“Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst den adel toe om hier op hetnoblesse obligete letten en zich zelf niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en allesafwachtwat dezeoplegt,dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat menjuist om zijne digniteit te handhaven, niet met de hand op te houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld.”“Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten, naar den een of anderen post hebt gestaan?” vroeg von Zwenken wat verdrietelijk.“Tot hiertoe niet.”“Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er eenvan Zonshoven minister van buitenlandsche zaken,” hervatte de generaal; “dat moet, indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad zijt ge met hem verwant?”“Hij is mijn oom.”“Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties komt men dan licht verder.”“Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand en zijn naam.”“Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?” eindigde hij vragenderwijze.“Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen te maken voor hem ter verzoening.”De generaal schudde het hoofd. “Nog altijd wat bloed van de Roselaers.”“Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen, ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren, die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben ik nu vrij man gebleven tot hiertoe,en, om u mijne volle meening te zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom.”“Bravo! Bravissimo!” Het was de diepe volle altstem van Francis, die zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij, die zoo geheelde premier mouvementwas, zich niet kunnen onthouden.“Gij ziet het, jonker!” sprak de generaal wat verdrietelijk met gefronste wenkbrauw, “met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare illusie niets of niemand noodig te hebben.”“Niet mijne illusie, grootpapa! Mijnbeginselis het: liever vrij en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk, Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil en kloekheid van daad betreft, op punten als deze—daar behoort eene vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij daarin de meesten uwer vóór zijn.”Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer op en sprak tot Francis: “Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen, u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft enzulke harde slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille getroost, wat gij niet behoordet te dragen.”“Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel mijne instemming heeft als Leo’s uitspraak van daareven, dat is te veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen.”“Dat’s wel ongelukkig,” viel de generaal in, niet zonder wat bitterheid; “want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?”“Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een voorrecht.”“Hm! dat’s een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als gij hier wat lang blijft,” viel nu de kapitein in, die weer binnen was gekomen; “onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat; hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven, en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van den krijgsraad.”Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben.“Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen, anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen,” zei Francis schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan van vroolijke luim.“Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht wat ik van u verduur.”“Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en die mishandelingen,” spotte Francis.“Kapitein!” sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren, niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, “kapitein! ik had u meen ik mijn wensch te kennen gegeven omen famillete blijven.”“En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhouden famillezooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet.”“Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap van mijn neef te profiteeren.”“En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op het propos was van zijneLebensbekentnisse, die mij groot belang inboezemen,” beet Francis hem toe. “Gij zoudt veel beter doen met eens rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren heb—aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik haar nog.”“’t Is geen lichte corvée, zoo’n ding weer te vinden in het zand,” bromde Rolf.“Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar weerbrengt.... doet gij mij pleizier.”“Nu!daarik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik het probeeren....”“Malicieuse despoot!” kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen, haar met den vinger dreigend.Zij kleurde even en glimlachte.“Och Jonker! dat is nog zoo erg niet,” zuchtte de deemoedige vazal; “toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden gehad.”“Precies!” zei Francis, “toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet.”“Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben,” sprak hij deemoedig.“Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop.”Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:“Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof ik, nog beter ik—dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?”Ik aarzelde met mijn antwoord, in ’t ongewisse of mijn wensch om zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:“Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen, ’t is jammer voorle cher cousin, maar....”“Le cher cousin, als gij mij daarmee bedoelt,” viel ik in, dit punt van overleg aangrijpende, “zou ik niets liever wenschen dan den dag hier te mogen doorbrengen;alleen, hij maakt niet de minste aanspraak op een fijndiner.”“Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold,à la fortune du pot,” sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien, die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.“Het kan niet anders!” sprak zij eindelijk besloten, “wie komt er voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden niemand aan onze tafel te nooden....”“De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt, Francis,” viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu tobde. “Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud maal doen....”“Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord zal vatten.”“Heusch, Francis, ik....”“Als gij het meent zijt gij een phenomeen,” riep zij lachend, “maar genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat door het bosch rijdt.”“Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?”“Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en....”“Als gij mij voor zoobêtehoudt, rijd ik niet weg vóór midden in den nacht....”“Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure het rijtuig, kapitein!” sprak Francis met gezag.“Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit,” viel de generaal in, “is ’t niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?”“Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn wij waarlijk niet op ingericht.”“Nota bene!” riep de kapitein met een luiden lach, “wij zouden eene halve compagnie kunnen herbergen.”“Uwe compagnie zeker!” viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig tegenover den man, die als 1steluitenant was gepensionneerd.... Het bleek wel dat hij ontzaghad voor zijn Majoor, want hij werd bleek van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking niet weer goed te maken: “ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest; terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon...”“Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een burgerhuis,” repliceerde ik. “Luister, Freule Francis! als gij Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg, dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras de beste die gij ergens laat neerleggen.”“Ik schaam mij voor u, Francis,” sprak de generaal met zachte verlegene stem; “dat is weer een van die caprices....”“Als gij dan volstrekt blijven wilt,” sprak Francis, mij aanziende met een koel en verdrietelijk gezicht, “zal ik trachten eene slaapkamer uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt gij verschoond; vandaag fungeert gij alsmaréchal de logis;” en haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen, verliet zij met hem het vertrek.

“Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt,” zei ze lachend. “Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op.” Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquettejaponvoor den dag kwam, met keurigeplissésof geborduurde strooken, zooals onze dames niet ongaarne laten zien,maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.

Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.

“Dankje wel, neef!” zei ze wat bits. “Ik kan best alleen loopen, zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden.”

“Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?”

“Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert.”

“Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen:une fois ne fait pas loi; het is allermeest voor de gezelligheid.”

“Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren.”

“Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later.”

“Ook goed,” zei ze droogjes. “Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide.”

“Ik ben ’t met u eens,” antwoordde ik op denzelfden toon, “dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen.”

“Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen,” merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.

“Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt.”

“De kennis maken, de kennis maken,” herhaalde zijbijna grommend; “men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven.”

“Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte.”

“Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval.”

Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.

Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid: “Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoo’n pleizier in als ik een van de zich genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen.”

“Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd, Francis!” sprak ik ernstig. “Maar ’t geen mij leed doet om uwentwil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan dieSchadenfreudeover mijn misavontuur slechts de uiting was.”

“Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kanwinden, als men maar de moeite neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken.”

“Dat’s een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen.”

“Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is die heereninde kaart te maken.”

“Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst, dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen en.... te licht bevonden?”

“Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zichnietaan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief, dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht wat niet op zich zelf kan staan, terwijl deserviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware.”

“Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen.”

“Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan, om suprematie te erkennen.”

“Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen.”

“Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt.”

“Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!”

“Mijn aanstaande echtgenoot!” Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. “Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen.”

“Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen samenloopen, dat....”

“Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren,” viel zij in met sprekende verontwaardiging. “Luister, Leo! gij weet niets van mij; en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! eenmariage de raison, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijnevrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven.”

“Vrijvrouwe van de Werve!” Arme Francis! ik had maar één woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigszins op het doel afging.

“Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis,” sprak ik, “en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op de zich roemende ‘vrije vrouw’ wetten laster en logen hunne pijlen...”

“En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!” riep zij met heftigheid. “Neen, Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen, en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer,” eindigde zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken;reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: “maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt ‘geëtablisseerd’ zien vóór zijn dood; de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast.”

Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht, en zij was geen nufje van negentien jaar dat “neen” zegt, als ze “ja” meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken.Un homme averti en vaut deux; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit datvaste besluitlos te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: “En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?”

“Wat meent gij daarmee?” vroeg zij met gefronste wenkbrauw; “een voorstel! welk een voorstel?”

“Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen.”

“Een huwelijksvoorstel, en door u?” vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, “dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is,” riep zij met heftigheid.

“Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?”

“Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen; ziedaar mijn antwoord.” En als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weer bij haar.

“Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan,” hernam ik; “maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan ditdétailniet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou ’t niet opgeven, al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik) te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen.”

“Welnu, zoo ’t geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid waar noch geest noch vinding aan is.”

Dat was meer dan eencoup d’éventail: dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: “wat recht ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?”

“Gij zijt lastig,” hernam zij, “met dat uitvragen,” halfverlegen, half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had: de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe; moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.

Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lachend, half knorrend: “Gij zijt galant, dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is;” en vlug als de wind zelf ving zij aan, haarflambardna te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.

Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.

Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden, die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken, in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst wel aannemen. “Mag ik?” vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. “Ik moet het wel toestaan!” antwoordde zij met een knorrig gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zijmijnehulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en knorde zij voort.

“Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mijgebracht heeft, ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo’n kostelijken dienst bewijst.”

“Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan,” sprak ik in blijden triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan: zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.

Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:

“Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt.”

“Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?”

“Gij hebt mijnietuitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het u heb gedaan om het uwe.”

“U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt.”

“Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belachelijk tezijn en bespot te worden. ’t Is waar,” ging zij voort met een minachtend schouderophalen, “daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt.”

“Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden.”

“O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd,” hervatte zij met zekere luchthartigheid, “want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten derraillerie, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan.”

“Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie te braveeren.”

“Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van ’t heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen.”

“Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter vergeven danbizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch, het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders, en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet....”

“Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?” riep zij opstuivend. “Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie, ziedaar alles.”

“Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?”

“Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard.Àvrai dire, niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest,” eindigde zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.

“Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil, blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft haar op.”

“Aan hervormen heb ik in ’t geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten.”

“Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen.Bataille de damesis een allerliefst blijspel.”

“Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen.”

“Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald doorecht vrouwelijke middelen: niet met alles te braveeren met eenair de matamoreaan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!”

“Advocaat!” sprak zij hoofdschuddend, “en nog wel voor eene zaak die niet aan de orde is!”

“Hoe meent gij dit?”

“Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar ’t is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten.”

Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. “Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede is van uw bezoek aan den generaal!”

“Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder.”

“En als die kennismaking niet meevalt?”

“Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot.... verzoening....”

“Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u,” hernam zij met zekere goelijkheid, “als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen....”

“Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken.”

“Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officieren retraite, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem.”

“En gij dan?”

“Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd, uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk: ‘wat zullen wij eten?’ na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder.”

“En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?”

“Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal ’s jaars, en de burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; ’t is al erg genoeg als zij mij ’s Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed,” eindigde zij met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.

“Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee gij sympathiseert?”

“Dat zou er nog aan mankeeren—dames! logées hier binnen te halen!” sprak zij met bitterheid; “en wat vriendinnen aangaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is.”

“Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?”

“Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nogal scherp zie, en ’t geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties; en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbareuitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft....”

“Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,” sprak ik zacht maar met nadruk; “gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen.”

“Hoe meent gij dat?” vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.

“Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?”

Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijne innigste gedachten wilde peilen: “Gij schijnt een ernstig man te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. ’t Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú, dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door; gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden.” Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo’n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende ringmuur, was al niet meer aan de poortverbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte daten rotondegebouwd was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!

Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het “halve garnizoen,” zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militairzou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:—het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,—zijne rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkeren knevel, lang en puntigà la Napoléonen stijf uitstaandeà forcevan cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.

Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond, waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde:

“Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of krijgen we inkwartiering?”

“Een bezoek aan den Generaal, kapitein,” hernam Francis, voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen.

“Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting,” bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:

“En dat alles, omdatuw Majoor,” zij drukte zonderling op den titel, “het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, brengt het dan maar op het rapport.”

Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein, die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijnesiësta.

Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbarenpourfendeur, die oud-tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunnebleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid; zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen en weer schoof onder het spreken.

Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.

Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.

“Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de familie!”

“Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,” antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch, hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.

“Neem toch plaats, Jonker,” sprak hij, naar een stoel wijzende, waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had mij dien te betwisten.

“Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van hetdéjeunerheeft overgelaten.... Is er nog gedekt, Frits?” vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders wachtend was blijven staan.

“’t Is bij half twee, freule!” antwoordde deze, met zekere verlegenheid de schouders ophalend.

“Gij hebt gelijk, Frits, ’t is de regel van het huis: wie niet op het appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch....”

“En een glas port voor de heeren,” voegde de kapitein er bij.

Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:

“Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat bijzonders zijn.”

Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:

“Kapitein!” er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van den grijsaard, “er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nunietonder ons zijn, en dat gij Freule Mordaunt mankeert....”

“Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij parten spelen.”

“Het komt er niet op aan, grootpa!” viel Francis in, “op zijn leeftijd zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities heeft geleerd. Maar als gij naar ’t consigne van den dag vraagt, kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die, naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik u mijn woord op, niet van ’t humeur is om met zich te laten spotten.”

Ik boog tegen Francis, ’t geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong, zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.

Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: “de gezondheid van onzen waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! ’t Is van harte gemeend; geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je staat op maken.”

Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien deze opmerking bij haar zou teweegbrengen—maar zij had zich van mij afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van ’t geen Rolf zeide dan van ’t gebrom eener vlieg.

Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van ’t geen hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het onbeleefdden generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan, wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken, en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.

Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:

“Een woordje onder ons, Jonker! als ’t u belieft.”

Ik boog mij.

“Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig hardhoorig.”

Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:

“Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter hebt ontmoet?”

“Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel gelukkig voor mij.” Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht naar de Werve.

“Nu! dat verheugt me,” sprak de grijsaard met een zucht van verlichting. “Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend, al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed te maken, zooals dat haar meer gebeurt.”

“De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft toegezegd, moet ik te meer waardeeren,sinds zij niet de gewoonte heeft uit banale hoffelijkheid te handelen.”

“Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen,” hervatte de grijsaard met een zacht hoofdschudden, “doch wat u betreft, wees verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was geparenteerd, maar ’t is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet meer weet hoe dat in elkander zit!”

“Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!”

“Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis.”

“De baron d’Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!”

“Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan, uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door, omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den baron d’Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I, vernam ik van derden, dat de baron d’Hermaele in hooge gunst was geraakt bij den Koning.”

“Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen opstand, ’t geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen, en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en verbrandde en hem zelven, die zichkloekmoedig tegen die baldadigen verzette, op gruwelijke wijze vermoordde.”

“Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring, die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen, maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd; dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er van de weduwe en hare kinderen geworden?”

“Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon.”

“Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!”

“Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom....”

“Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?” vroeg hij in zichtbare onrust.

“Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename moeten zijn?”

“Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten, op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen, en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën.”

“Ik wil het gelooven, beste oom! maar....”

“Maar uwe moeder was al eene d’Hermaele, dat stelt mij gerust; doch zoo ’t anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen, dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij; ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar het haar zoolang het haargespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden; alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen.”

“Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag gedaan, met de goede bedoeling om uzelfmogelijke onaangenaamheid te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn, nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door de Roselaers geslagen.”

“Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!” hernam von Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, “maar toch, reeds de wensch is prijzenswaardig.” Na een oogenblik peinzens hervatte hij: “De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn, zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de specialiteit die menla noblesse besoigneusenoemt. Waardige lieden, maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven.”

“Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch geene exceptie; daarbij was hijzooals ik gezegd heb, getrouwd met eene dier zeven freules d’Hermaele, die bij den Belgischen opstand alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging.”

“En deed de Koning niets voor de freules?”

“Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen, maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?”

“Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat brengt in dieper vernedering dan de armoede?”

“Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst den adel toe om hier op hetnoblesse obligete letten en zich zelf niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en allesafwachtwat dezeoplegt,dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat menjuist om zijne digniteit te handhaven, niet met de hand op te houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld.”

“Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten, naar den een of anderen post hebt gestaan?” vroeg von Zwenken wat verdrietelijk.

“Tot hiertoe niet.”

“Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er eenvan Zonshoven minister van buitenlandsche zaken,” hervatte de generaal; “dat moet, indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad zijt ge met hem verwant?”

“Hij is mijn oom.”

“Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties komt men dan licht verder.”

“Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand en zijn naam.”

“Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?” eindigde hij vragenderwijze.

“Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen te maken voor hem ter verzoening.”

De generaal schudde het hoofd. “Nog altijd wat bloed van de Roselaers.”

“Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen, ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren, die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben ik nu vrij man gebleven tot hiertoe,en, om u mijne volle meening te zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom.”

“Bravo! Bravissimo!” Het was de diepe volle altstem van Francis, die zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij, die zoo geheelde premier mouvementwas, zich niet kunnen onthouden.

“Gij ziet het, jonker!” sprak de generaal wat verdrietelijk met gefronste wenkbrauw, “met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare illusie niets of niemand noodig te hebben.”

“Niet mijne illusie, grootpapa! Mijnbeginselis het: liever vrij en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk, Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil en kloekheid van daad betreft, op punten als deze—daar behoort eene vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij daarin de meesten uwer vóór zijn.”

Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer op en sprak tot Francis: “Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen, u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft enzulke harde slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille getroost, wat gij niet behoordet te dragen.”

“Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel mijne instemming heeft als Leo’s uitspraak van daareven, dat is te veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen.”

“Dat’s wel ongelukkig,” viel de generaal in, niet zonder wat bitterheid; “want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?”

“Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een voorrecht.”

“Hm! dat’s een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als gij hier wat lang blijft,” viel nu de kapitein in, die weer binnen was gekomen; “onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat; hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven, en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van den krijgsraad.”

Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben.

“Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen, anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen,” zei Francis schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan van vroolijke luim.

“Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht wat ik van u verduur.”

“Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en die mishandelingen,” spotte Francis.

“Kapitein!” sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren, niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, “kapitein! ik had u meen ik mijn wensch te kennen gegeven omen famillete blijven.”

“En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhouden famillezooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet.”

“Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap van mijn neef te profiteeren.”

“En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op het propos was van zijneLebensbekentnisse, die mij groot belang inboezemen,” beet Francis hem toe. “Gij zoudt veel beter doen met eens rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren heb—aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik haar nog.”

“’t Is geen lichte corvée, zoo’n ding weer te vinden in het zand,” bromde Rolf.

“Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar weerbrengt.... doet gij mij pleizier.”

“Nu!daarik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik het probeeren....”

“Malicieuse despoot!” kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen, haar met den vinger dreigend.

Zij kleurde even en glimlachte.

“Och Jonker! dat is nog zoo erg niet,” zuchtte de deemoedige vazal; “toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden gehad.”

“Precies!” zei Francis, “toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet.”

“Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben,” sprak hij deemoedig.

“Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop.”

Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:

“Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof ik, nog beter ik—dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?”

Ik aarzelde met mijn antwoord, in ’t ongewisse of mijn wensch om zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:

“Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen, ’t is jammer voorle cher cousin, maar....”

“Le cher cousin, als gij mij daarmee bedoelt,” viel ik in, dit punt van overleg aangrijpende, “zou ik niets liever wenschen dan den dag hier te mogen doorbrengen;alleen, hij maakt niet de minste aanspraak op een fijndiner.”

“Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold,à la fortune du pot,” sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien, die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.

“Het kan niet anders!” sprak zij eindelijk besloten, “wie komt er voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden niemand aan onze tafel te nooden....”

“De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt, Francis,” viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu tobde. “Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud maal doen....”

“Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord zal vatten.”

“Heusch, Francis, ik....”

“Als gij het meent zijt gij een phenomeen,” riep zij lachend, “maar genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat door het bosch rijdt.”

“Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?”

“Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en....”

“Als gij mij voor zoobêtehoudt, rijd ik niet weg vóór midden in den nacht....”

“Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure het rijtuig, kapitein!” sprak Francis met gezag.

“Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit,” viel de generaal in, “is ’t niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?”

“Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn wij waarlijk niet op ingericht.”

“Nota bene!” riep de kapitein met een luiden lach, “wij zouden eene halve compagnie kunnen herbergen.”

“Uwe compagnie zeker!” viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig tegenover den man, die als 1steluitenant was gepensionneerd.... Het bleek wel dat hij ontzaghad voor zijn Majoor, want hij werd bleek van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking niet weer goed te maken: “ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest; terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon...”

“Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een burgerhuis,” repliceerde ik. “Luister, Freule Francis! als gij Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg, dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras de beste die gij ergens laat neerleggen.”

“Ik schaam mij voor u, Francis,” sprak de generaal met zachte verlegene stem; “dat is weer een van die caprices....”

“Als gij dan volstrekt blijven wilt,” sprak Francis, mij aanziende met een koel en verdrietelijk gezicht, “zal ik trachten eene slaapkamer uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt gij verschoond; vandaag fungeert gij alsmaréchal de logis;” en haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen, verliet zij met hem het vertrek.


Back to IndexNext