Chapter 6

De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.“Geloof toch,” sprak hij, toen wij alleen waren, “dat zij het wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op logeergasten gerekend; gij treft haarau dépourvu, en dit hindert haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen, die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij, dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen.”“Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?” viel ik in.“Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende, het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen,” en de generaal liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had kunnen gadeslaan. Ik, alshaar representant, meende hem troost te mogen geven.“Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd; dat de edele plant wat in ’t wilde is opgeschoten, maakt haar te frisscher en krachtiger, dat’s beter dan de broeikastplanten die onze gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden....”“Dat’s juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens verdacht hield.”“Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te smeden,” sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon, maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: “dat is tegen onze conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen.”“Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in ’t geen ik zeide, en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke gave is voor iedere vrouw in ’t algemeen en bovenal voor Majoor Frans in ’t bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier een samenzweerder.”Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik, dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood, als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar bleek worden, het gelaat afwenden, en ’t was alleen met een gedwongen lachje, dat zij ten antwoord gaf:“Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting.”“Maar Francis?” viel de generaal in.“Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten, ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen, de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet, en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt, mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft maar muffe en sombere denkbeelden,” en reeds sleepte zij den generaal mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds, het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!”Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.“Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelfgauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan,” gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.“Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op.”De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, “eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt.”Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18deeeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, “en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen,” voegde Francis er bij, “liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd.”Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene “ruïne!” moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.“Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?”Francis lachte luid. “Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat’s nogal sterk!”“Spot niet, kind!” gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: “ik bedoel de zes freules d’Hermaele, die zusters uwer moeder.”“Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden,” viel Francis weer in,met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; “dat’s mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?”“Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eenemesallianceopzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag.”“Tante Sophie!” herhaalde de generaal. “Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?”“Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?”“Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer.”De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.“Zeker niet!” riep zij met hare gewone levendigheid, “want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben.”“Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?”“Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid.”“Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,” sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. “Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnenverkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven.”“Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?” waagde ik aan te merken; “in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden.”“Maar toch zeker niet voor de erfgenamen,” viel de generaal in; “neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo’n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet.”“Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,” viel Francis in, “moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-rancuneheeft begrepen.”“Waartoe verwondert u dat?” vroeg von Zwenken, haar aanziende; “gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?”“Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals ’t mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen.”“Dat lijkt op u,” gromde de generaal, “de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen.”“Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?”“Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld.”“Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren.”“Wat zal ik u zeggen, kind!” hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, “ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja ’t is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben.”“Jammer dat ik dit niet geweten heb,” zei Francis met een luchtig schouderophalen, “want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!”“Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?”“Och, ’t is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft.”“Zij wil ’t nooit weten als zij wat goeds doet!” viel de generaal in.“Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nuen familledejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong erop aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou menen tête à têtebesogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; vanrepartietotrepartieliep het bijkans op een twist uit en....”“Daar heb je ’t al!” riep de generaal; “die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd.”“Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt depointevan mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had demalicegehad van haar eigen naam en persoon in ’t gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug.”“Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,” werd mij toegevoegd.“Integendeel!” viel ik uit, “het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden.” Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.“Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!” viel de generaal in met een hoofdschudden.“Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten.”“Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt,” voegde zij mij toe; “of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?” ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u,” voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; “hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschenboiteux, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaamattraitshebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heenonder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan “ohé! slappe juffrouw!” “ohé!mamsel boiteux!”en “hoed! hoed!” nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken:je nomme un chat, un chat, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best ingaminskon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. “Encore une victoire et mevoilà perdue!” antwoordde ik lachend. “Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!” en hierop scheidden wij. “Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van.”“En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?” vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.“Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen.”De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: “Och van dat wijf kan men alles verwachten.”Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in ’tbelang van Francisennietom zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tothaar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: “Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet.”“Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen.” Toen tot mij: “Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb.” Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.“En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,” sprak de generaal opstaande. “Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!”Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.“Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?”“Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht.”“Zoo! hadt gij een reistasch bij u?” vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.“Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?”“Wel, volstrekt niet, mijn jongen!” viel hij met gulheid uit; “en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je ’t met Francis....”“De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen,” sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.“Dat’s juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop,” en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij heteerst in ’t oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:“Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen....”“O! dat zegt niets, doe maar open.”“Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker.”Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. “Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,” en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl deboiseriesen dedessus de portemede geschilderd en verguld waren, allesstyle Louis XV, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoekstond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zekerà mon intentionwas neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve:Vervallen Grootheid, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroegerde gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d’hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in eentooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: “Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!” Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: “qu’ils sont pris au dépourvu,”en die daarenboven ingèneleven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, “het surrogaat van de primeurs,” zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotelpoulet au riz, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde “dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren.”Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, inwelks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijnaide de campzorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en ’t goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en ’t ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: “Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit eenmelknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om.”“Mits de kommetjes maar niet te klein waren,” vulde Francis aan.“Maar de generaal,” ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te releveeren, “de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat hij liever geenIJquemzou drinken, als hem geschonken werd uit een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden.”Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijnzêlein dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles te nemen op eigenaardige wijze.“Foei, kapitein!” viel zij in, “gij moet dat niet zoo aan de klok hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelderbronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en kostbaar drinkgeschir overbodig zijn.”Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen aanval, viel hij uit: “Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de volmaaktheid wezen, niet waar?” eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.“Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!” gaf Francis ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den boventoon had. “Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou zijn zekere overdaad te besnoeien.”“Le luxe c’est le nécessaire,” verzuchtte von Zwenken. “Mij ten minste, dat wil ik wel erkennen, neef!” ging hij voort, tot mij gewend; “en ongelukkig is Francis dat in ’t geheel niet met mij eens; of ’t al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen heb genomen.”“Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet,” viel Francis in met een pijnlijken glimlach; “alleen....”“Als we onzen commandant in dezen lieten begaan,” hervatte kapitein Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, “dan zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij nieteen actief adjudant had, die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen.”“Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!” hernam Francis, zijne intentie steunende; “ik zeg alleen: men moet met de krijgskas te rade gaan, en dan....”“Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet wordt gezien,” viel de kapitein in; “ik verwed er mijn eerste luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten.”“Zoudt ge ’t waarlijk denken, Rolf?” vroeg de generaal met eene naïeve levendigheid, die ons allen glimlachen deed.“Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een toertje naar Wiesbaden op over zal schieten.”Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.“Nu, kapitein,” ving hij aan, “als gij dat mirakel wist te bewerken....”Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl zij inviel:“Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader is niet meer van den leeftijd om te reizen....”“Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen begeleiden....” plaagde Rolf.“Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over een paar groote kinderen, die niet wijsgenoeg waren om alleen te loopen....” beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:“Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor te stellen dan ik werkelijk ben,” en in één teug ledigde hij zijn glas, dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging: “niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den dienst teruggetrokken!”“Grootpapa!” sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke zelfbeheersching, “ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij alleen waren, maar, wij zijnnietalleen en het is beter dit chapitre maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold.”“En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de gezondheid gedronken hebben van onzen gast....” viel de kapitein in, zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot, die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.De toast, door den kapitein alspare-tonnerrevoorgesteld, bleef toch niet achterwege.Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen, ware ’t ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in te schenken, en achtte zich nu gerechtigdop te staan, daar zij geen deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en trok zich terug in desuite, waar ik haar, juist omdat ik vlak tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders, bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen, een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als onder het snorren der kogels en den kruitdamp van demélée, waarbij Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in ’t verleden lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een hoop “muiters” op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield haar zakdoek voor ’t gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een slachtofferwas te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac, die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten, zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe, terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haaraplomb.“Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt,” voegde zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.“Dat is mijne gewoonte niet tegenover....” dames mocht ik niet zeggen, ik bleef in mijne phrase steken.“Kom! gekheid, zoo’n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet, zij blijven rooken en drinken tot dat....”Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:“Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt gij mij dat?”“Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over mij zitten, dat praat het gemakkelijkst.”Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:“Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast wil hebben?”“Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk maken liefst wilt vermijden.”“Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat’s slim van u, dàt uitgevonden te hebben na ’t geen gij hier reeds hebt bijgewoond!” en de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik niet uitspreken.“Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had, dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam.”“Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat iknietheb gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in dezen daarmee niet in verband staat.”“Niet gestudeerd! ’t is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat verteld hebben?”“Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg te ruimen, wat u tegen is....”“Met de lamp van Aladin in de hand, en hetSésame ouvre toi!als parool, niet waar?” sprak zij met een minachtenden lach, waarin bitterheid school. “Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen, vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping, mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving,” ging zij voort, even den blik naar de eetzaal wendende; “zij zijn op het hoogtepunt van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac; hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee; wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens op,” ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan die van laatdunkende bitterheid,waarmee zij over “die heeren der schepping” gesproken had, “en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt geworden?” Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij, met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht een gesjeesde student te zijn.“Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is....”“Eengoedevader sterft altijd te vroeg voor iedereen,” hernam zij met een licht schouderophalen; “zelfs een slechte, die zich niet om zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?”“Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven, en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken, had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishoudingkonden niet bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt, die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning, niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling, en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij,zonder in eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen, dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten....”“Nu! gij zijt er mij te liever om,” viel zij onbedacht uit; “een man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid; laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden, en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort.”Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan, dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.“Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op een afscheid peinst?” vroeg ik, haar verwijtend aanziende.“Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?”“Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend om er mij terstond door te laten verjagen.”“Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid hebt gepredikt.”“Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken, maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als een ander; ik zal hier wel gewennen,” sprak ik koeltjes, al zag ik dat zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing elegant geschoeid.“Gij houdt van schertsen,” sprak zij, na mij even te hebben aangezien, kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te doen, die de kapiteinparate executienoemde, “maar ik vraag u in vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?”“Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud vleesch tevreden ben.”“Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan zeggen zoude?”“Wat doet dat er toe? Zijtgijhet niet die hier de huishouding bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo’n tyran te wezen.”“Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid, zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt,” viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; “geloof niet dat ik den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier des levens zou gunnen,—zou willen geven met opoffering van al het mijne,—maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein.”“Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw kapitein omspringt; hij zelf noemtu immers zijne gebiedende vrouwe, zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden.”“Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen, en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten; gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn; ’t is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,—eene teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan.”“Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed te verlichten.”“Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken.”Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet, ving zij aan: “Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen, en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken, door smartelijke familieomstandighedenniet het minst, was onze fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser, besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of eenpiquet à deux; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompelieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren; de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze, die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien, zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten, hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de drie wintermaanden.”“En gij?”“Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten ‘Majoor Frans’ te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene invitatiedu bout des lèvres, dat ik niet zou aangenomen hebben, al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in de stadswereld kunnen doorbrengen.”“Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje toilet maken niet overbodig zijn,” viel ik in, de gelegenheid aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens te zienhoezij het opnam.“Och! voor mij komt het er niet meer op aan.”“Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt.”“Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette: ‘du temps que j’étais femme’ had ik zekere eischen voor mijn uiterlijk, dat’s voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor Frans er uitziet.”“Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo’n Amazone zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in ’t volle licht te stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als....”

De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.“Geloof toch,” sprak hij, toen wij alleen waren, “dat zij het wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op logeergasten gerekend; gij treft haarau dépourvu, en dit hindert haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen, die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij, dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen.”“Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?” viel ik in.“Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende, het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen,” en de generaal liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had kunnen gadeslaan. Ik, alshaar representant, meende hem troost te mogen geven.“Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd; dat de edele plant wat in ’t wilde is opgeschoten, maakt haar te frisscher en krachtiger, dat’s beter dan de broeikastplanten die onze gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden....”“Dat’s juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens verdacht hield.”“Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te smeden,” sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon, maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: “dat is tegen onze conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen.”“Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in ’t geen ik zeide, en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke gave is voor iedere vrouw in ’t algemeen en bovenal voor Majoor Frans in ’t bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier een samenzweerder.”Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik, dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood, als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar bleek worden, het gelaat afwenden, en ’t was alleen met een gedwongen lachje, dat zij ten antwoord gaf:“Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting.”“Maar Francis?” viel de generaal in.“Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten, ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen, de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet, en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt, mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft maar muffe en sombere denkbeelden,” en reeds sleepte zij den generaal mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds, het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!”Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.“Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelfgauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan,” gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.“Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op.”De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, “eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt.”Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18deeeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, “en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen,” voegde Francis er bij, “liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd.”Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene “ruïne!” moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.“Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?”Francis lachte luid. “Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat’s nogal sterk!”“Spot niet, kind!” gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: “ik bedoel de zes freules d’Hermaele, die zusters uwer moeder.”“Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden,” viel Francis weer in,met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; “dat’s mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?”“Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eenemesallianceopzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag.”“Tante Sophie!” herhaalde de generaal. “Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?”“Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?”“Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer.”De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.“Zeker niet!” riep zij met hare gewone levendigheid, “want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben.”“Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?”“Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid.”“Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,” sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. “Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnenverkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven.”“Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?” waagde ik aan te merken; “in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden.”“Maar toch zeker niet voor de erfgenamen,” viel de generaal in; “neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo’n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet.”“Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,” viel Francis in, “moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-rancuneheeft begrepen.”“Waartoe verwondert u dat?” vroeg von Zwenken, haar aanziende; “gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?”“Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals ’t mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen.”“Dat lijkt op u,” gromde de generaal, “de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen.”“Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?”“Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld.”“Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren.”“Wat zal ik u zeggen, kind!” hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, “ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja ’t is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben.”“Jammer dat ik dit niet geweten heb,” zei Francis met een luchtig schouderophalen, “want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!”“Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?”“Och, ’t is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft.”“Zij wil ’t nooit weten als zij wat goeds doet!” viel de generaal in.“Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nuen familledejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong erop aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou menen tête à têtebesogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; vanrepartietotrepartieliep het bijkans op een twist uit en....”“Daar heb je ’t al!” riep de generaal; “die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd.”“Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt depointevan mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had demalicegehad van haar eigen naam en persoon in ’t gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug.”“Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,” werd mij toegevoegd.“Integendeel!” viel ik uit, “het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden.” Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.“Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!” viel de generaal in met een hoofdschudden.“Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten.”“Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt,” voegde zij mij toe; “of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?” ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u,” voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; “hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschenboiteux, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaamattraitshebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heenonder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan “ohé! slappe juffrouw!” “ohé!mamsel boiteux!”en “hoed! hoed!” nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken:je nomme un chat, un chat, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best ingaminskon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. “Encore une victoire et mevoilà perdue!” antwoordde ik lachend. “Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!” en hierop scheidden wij. “Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van.”“En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?” vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.“Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen.”De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: “Och van dat wijf kan men alles verwachten.”Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in ’tbelang van Francisennietom zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tothaar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: “Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet.”“Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen.” Toen tot mij: “Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb.” Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.“En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,” sprak de generaal opstaande. “Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!”Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.“Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?”“Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht.”“Zoo! hadt gij een reistasch bij u?” vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.“Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?”“Wel, volstrekt niet, mijn jongen!” viel hij met gulheid uit; “en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je ’t met Francis....”“De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen,” sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.“Dat’s juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop,” en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij heteerst in ’t oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:“Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen....”“O! dat zegt niets, doe maar open.”“Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker.”Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. “Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,” en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl deboiseriesen dedessus de portemede geschilderd en verguld waren, allesstyle Louis XV, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoekstond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zekerà mon intentionwas neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve:Vervallen Grootheid, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroegerde gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d’hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in eentooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: “Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!” Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: “qu’ils sont pris au dépourvu,”en die daarenboven ingèneleven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, “het surrogaat van de primeurs,” zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotelpoulet au riz, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde “dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren.”Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, inwelks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijnaide de campzorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en ’t goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en ’t ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: “Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit eenmelknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om.”“Mits de kommetjes maar niet te klein waren,” vulde Francis aan.“Maar de generaal,” ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te releveeren, “de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat hij liever geenIJquemzou drinken, als hem geschonken werd uit een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden.”Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijnzêlein dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles te nemen op eigenaardige wijze.“Foei, kapitein!” viel zij in, “gij moet dat niet zoo aan de klok hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelderbronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en kostbaar drinkgeschir overbodig zijn.”Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen aanval, viel hij uit: “Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de volmaaktheid wezen, niet waar?” eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.“Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!” gaf Francis ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den boventoon had. “Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou zijn zekere overdaad te besnoeien.”“Le luxe c’est le nécessaire,” verzuchtte von Zwenken. “Mij ten minste, dat wil ik wel erkennen, neef!” ging hij voort, tot mij gewend; “en ongelukkig is Francis dat in ’t geheel niet met mij eens; of ’t al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen heb genomen.”“Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet,” viel Francis in met een pijnlijken glimlach; “alleen....”“Als we onzen commandant in dezen lieten begaan,” hervatte kapitein Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, “dan zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij nieteen actief adjudant had, die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen.”“Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!” hernam Francis, zijne intentie steunende; “ik zeg alleen: men moet met de krijgskas te rade gaan, en dan....”“Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet wordt gezien,” viel de kapitein in; “ik verwed er mijn eerste luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten.”“Zoudt ge ’t waarlijk denken, Rolf?” vroeg de generaal met eene naïeve levendigheid, die ons allen glimlachen deed.“Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een toertje naar Wiesbaden op over zal schieten.”Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.“Nu, kapitein,” ving hij aan, “als gij dat mirakel wist te bewerken....”Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl zij inviel:“Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader is niet meer van den leeftijd om te reizen....”“Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen begeleiden....” plaagde Rolf.“Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over een paar groote kinderen, die niet wijsgenoeg waren om alleen te loopen....” beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:“Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor te stellen dan ik werkelijk ben,” en in één teug ledigde hij zijn glas, dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging: “niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den dienst teruggetrokken!”“Grootpapa!” sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke zelfbeheersching, “ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij alleen waren, maar, wij zijnnietalleen en het is beter dit chapitre maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold.”“En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de gezondheid gedronken hebben van onzen gast....” viel de kapitein in, zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot, die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.De toast, door den kapitein alspare-tonnerrevoorgesteld, bleef toch niet achterwege.Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen, ware ’t ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in te schenken, en achtte zich nu gerechtigdop te staan, daar zij geen deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en trok zich terug in desuite, waar ik haar, juist omdat ik vlak tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders, bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen, een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als onder het snorren der kogels en den kruitdamp van demélée, waarbij Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in ’t verleden lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een hoop “muiters” op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield haar zakdoek voor ’t gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een slachtofferwas te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac, die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten, zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe, terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haaraplomb.“Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt,” voegde zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.“Dat is mijne gewoonte niet tegenover....” dames mocht ik niet zeggen, ik bleef in mijne phrase steken.“Kom! gekheid, zoo’n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet, zij blijven rooken en drinken tot dat....”Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:“Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt gij mij dat?”“Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over mij zitten, dat praat het gemakkelijkst.”Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:“Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast wil hebben?”“Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk maken liefst wilt vermijden.”“Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat’s slim van u, dàt uitgevonden te hebben na ’t geen gij hier reeds hebt bijgewoond!” en de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik niet uitspreken.“Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had, dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam.”“Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat iknietheb gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in dezen daarmee niet in verband staat.”“Niet gestudeerd! ’t is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat verteld hebben?”“Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg te ruimen, wat u tegen is....”“Met de lamp van Aladin in de hand, en hetSésame ouvre toi!als parool, niet waar?” sprak zij met een minachtenden lach, waarin bitterheid school. “Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen, vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping, mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving,” ging zij voort, even den blik naar de eetzaal wendende; “zij zijn op het hoogtepunt van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac; hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee; wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens op,” ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan die van laatdunkende bitterheid,waarmee zij over “die heeren der schepping” gesproken had, “en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt geworden?” Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij, met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht een gesjeesde student te zijn.“Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is....”“Eengoedevader sterft altijd te vroeg voor iedereen,” hernam zij met een licht schouderophalen; “zelfs een slechte, die zich niet om zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?”“Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven, en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken, had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishoudingkonden niet bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt, die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning, niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling, en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij,zonder in eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen, dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten....”“Nu! gij zijt er mij te liever om,” viel zij onbedacht uit; “een man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid; laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden, en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort.”Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan, dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.“Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op een afscheid peinst?” vroeg ik, haar verwijtend aanziende.“Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?”“Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend om er mij terstond door te laten verjagen.”“Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid hebt gepredikt.”“Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken, maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als een ander; ik zal hier wel gewennen,” sprak ik koeltjes, al zag ik dat zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing elegant geschoeid.“Gij houdt van schertsen,” sprak zij, na mij even te hebben aangezien, kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te doen, die de kapiteinparate executienoemde, “maar ik vraag u in vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?”“Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud vleesch tevreden ben.”“Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan zeggen zoude?”“Wat doet dat er toe? Zijtgijhet niet die hier de huishouding bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo’n tyran te wezen.”“Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid, zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt,” viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; “geloof niet dat ik den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier des levens zou gunnen,—zou willen geven met opoffering van al het mijne,—maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein.”“Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw kapitein omspringt; hij zelf noemtu immers zijne gebiedende vrouwe, zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden.”“Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen, en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten; gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn; ’t is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,—eene teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan.”“Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed te verlichten.”“Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken.”Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet, ving zij aan: “Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen, en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken, door smartelijke familieomstandighedenniet het minst, was onze fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser, besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of eenpiquet à deux; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompelieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren; de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze, die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien, zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten, hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de drie wintermaanden.”“En gij?”“Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten ‘Majoor Frans’ te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene invitatiedu bout des lèvres, dat ik niet zou aangenomen hebben, al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in de stadswereld kunnen doorbrengen.”“Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje toilet maken niet overbodig zijn,” viel ik in, de gelegenheid aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens te zienhoezij het opnam.“Och! voor mij komt het er niet meer op aan.”“Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt.”“Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette: ‘du temps que j’étais femme’ had ik zekere eischen voor mijn uiterlijk, dat’s voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor Frans er uitziet.”“Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo’n Amazone zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in ’t volle licht te stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als....”

De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.

“Geloof toch,” sprak hij, toen wij alleen waren, “dat zij het wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op logeergasten gerekend; gij treft haarau dépourvu, en dit hindert haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen, die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij, dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen.”

“Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?” viel ik in.

“Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende, het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen,” en de generaal liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.

Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had kunnen gadeslaan. Ik, alshaar representant, meende hem troost te mogen geven.

“Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd; dat de edele plant wat in ’t wilde is opgeschoten, maakt haar te frisscher en krachtiger, dat’s beter dan de broeikastplanten die onze gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden....”

“Dat’s juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens verdacht hield.”

“Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te smeden,” sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon, maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: “dat is tegen onze conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen.”

“Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in ’t geen ik zeide, en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke gave is voor iedere vrouw in ’t algemeen en bovenal voor Majoor Frans in ’t bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier een samenzweerder.”

Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik, dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood, als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar bleek worden, het gelaat afwenden, en ’t was alleen met een gedwongen lachje, dat zij ten antwoord gaf:

“Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting.”

“Maar Francis?” viel de generaal in.

“Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten, ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen, de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet, en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt, mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft maar muffe en sombere denkbeelden,” en reeds sleepte zij den generaal mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds, het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!”

Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.

“Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelfgauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan,” gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.

“Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op.”

De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, “eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt.”

Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18deeeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, “en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen,” voegde Francis er bij, “liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd.”

Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.

Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.

Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene “ruïne!” moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.

“Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?”

Francis lachte luid. “Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat’s nogal sterk!”

“Spot niet, kind!” gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: “ik bedoel de zes freules d’Hermaele, die zusters uwer moeder.”

“Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden,” viel Francis weer in,met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; “dat’s mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?”

“Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eenemesallianceopzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag.”

“Tante Sophie!” herhaalde de generaal. “Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?”

“Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?”

“Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer.”

De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.

“Zeker niet!” riep zij met hare gewone levendigheid, “want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben.”

“Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?”

“Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid.”

“Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn,” sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. “Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnenverkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven.”

“Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?” waagde ik aan te merken; “in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden.”

“Maar toch zeker niet voor de erfgenamen,” viel de generaal in; “neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo’n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet.”

“Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend,” viel Francis in, “moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-rancuneheeft begrepen.”

“Waartoe verwondert u dat?” vroeg von Zwenken, haar aanziende; “gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?”

“Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals ’t mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen.”

“Dat lijkt op u,” gromde de generaal, “de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen.”

“Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?”

“Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld.”

“Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren.”

“Wat zal ik u zeggen, kind!” hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, “ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja ’t is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben.”

“Jammer dat ik dit niet geweten heb,” zei Francis met een luchtig schouderophalen, “want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!”

“Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?”

“Och, ’t is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft.”

“Zij wil ’t nooit weten als zij wat goeds doet!” viel de generaal in.

“Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nuen familledejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong erop aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou menen tête à têtebesogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; vanrepartietotrepartieliep het bijkans op een twist uit en....”

“Daar heb je ’t al!” riep de generaal; “die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd.”

“Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt depointevan mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had demalicegehad van haar eigen naam en persoon in ’t gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug.”

“Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel,” werd mij toegevoegd.

“Integendeel!” viel ik uit, “het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden.” Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.

“Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!” viel de generaal in met een hoofdschudden.

“Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten.”

“Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt,” voegde zij mij toe; “of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?” ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.

Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u,” voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; “hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschenboiteux, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaamattraitshebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heenonder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan “ohé! slappe juffrouw!” “ohé!mamsel boiteux!”en “hoed! hoed!” nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken:je nomme un chat, un chat, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best ingaminskon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. “Encore une victoire et mevoilà perdue!” antwoordde ik lachend. “Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!” en hierop scheidden wij. “Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van.”

“En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?” vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.

“Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen.”

De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: “Och van dat wijf kan men alles verwachten.”

Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in ’tbelang van Francisennietom zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tothaar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: “Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet.”

“Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen.” Toen tot mij: “Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb.” Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.

“En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken,” sprak de generaal opstaande. “Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!”

Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.

“Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?”

“Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht.”

“Zoo! hadt gij een reistasch bij u?” vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.

“Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?”

“Wel, volstrekt niet, mijn jongen!” viel hij met gulheid uit; “en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je ’t met Francis....”

“De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen,” sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.

“Dat’s juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop,” en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij heteerst in ’t oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.

Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:

“Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen....”

“O! dat zegt niets, doe maar open.”

“Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker.”

Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. “Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam,” en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl deboiseriesen dedessus de portemede geschilderd en verguld waren, allesstyle Louis XV, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoekstond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.

Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zekerà mon intentionwas neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve:Vervallen Grootheid, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroegerde gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.

De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d’hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in eentooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: “Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!” Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: “qu’ils sont pris au dépourvu,”en die daarenboven ingèneleven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.

Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, “het surrogaat van de primeurs,” zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotelpoulet au riz, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde “dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren.”

Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, inwelks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.

De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijnaide de campzorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.

Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en ’t goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en ’t ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: “Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit eenmelknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om.”

“Mits de kommetjes maar niet te klein waren,” vulde Francis aan.

“Maar de generaal,” ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te releveeren, “de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat hij liever geenIJquemzou drinken, als hem geschonken werd uit een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden.”

Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijnzêlein dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.

Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles te nemen op eigenaardige wijze.

“Foei, kapitein!” viel zij in, “gij moet dat niet zoo aan de klok hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelderbronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en kostbaar drinkgeschir overbodig zijn.”

Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen aanval, viel hij uit: “Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de volmaaktheid wezen, niet waar?” eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.

“Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!” gaf Francis ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den boventoon had. “Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou zijn zekere overdaad te besnoeien.”

“Le luxe c’est le nécessaire,” verzuchtte von Zwenken. “Mij ten minste, dat wil ik wel erkennen, neef!” ging hij voort, tot mij gewend; “en ongelukkig is Francis dat in ’t geheel niet met mij eens; of ’t al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen heb genomen.”

“Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet,” viel Francis in met een pijnlijken glimlach; “alleen....”

“Als we onzen commandant in dezen lieten begaan,” hervatte kapitein Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, “dan zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij nieteen actief adjudant had, die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen.”

“Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!” hernam Francis, zijne intentie steunende; “ik zeg alleen: men moet met de krijgskas te rade gaan, en dan....”

“Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet wordt gezien,” viel de kapitein in; “ik verwed er mijn eerste luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten.”

“Zoudt ge ’t waarlijk denken, Rolf?” vroeg de generaal met eene naïeve levendigheid, die ons allen glimlachen deed.

“Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een toertje naar Wiesbaden op over zal schieten.”

Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.

“Nu, kapitein,” ving hij aan, “als gij dat mirakel wist te bewerken....”

Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl zij inviel:

“Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader is niet meer van den leeftijd om te reizen....”

“Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen begeleiden....” plaagde Rolf.

“Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over een paar groote kinderen, die niet wijsgenoeg waren om alleen te loopen....” beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:

“Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor te stellen dan ik werkelijk ben,” en in één teug ledigde hij zijn glas, dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging: “niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den dienst teruggetrokken!”

“Grootpapa!” sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke zelfbeheersching, “ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij alleen waren, maar, wij zijnnietalleen en het is beter dit chapitre maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold.”

“En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de gezondheid gedronken hebben van onzen gast....” viel de kapitein in, zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.

Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot, die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.

De toast, door den kapitein alspare-tonnerrevoorgesteld, bleef toch niet achterwege.

Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen, ware ’t ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in te schenken, en achtte zich nu gerechtigdop te staan, daar zij geen deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en trok zich terug in desuite, waar ik haar, juist omdat ik vlak tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.

Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders, bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen, een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als onder het snorren der kogels en den kruitdamp van demélée, waarbij Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.

Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in ’t verleden lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een hoop “muiters” op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield haar zakdoek voor ’t gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een slachtofferwas te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac, die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten, zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe, terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.

Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haaraplomb.

“Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt,” voegde zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.

“Dat is mijne gewoonte niet tegenover....” dames mocht ik niet zeggen, ik bleef in mijne phrase steken.

“Kom! gekheid, zoo’n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet, zij blijven rooken en drinken tot dat....”

Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:

“Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt gij mij dat?”

“Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over mij zitten, dat praat het gemakkelijkst.”

Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:

“Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast wil hebben?”

“Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk maken liefst wilt vermijden.”

“Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat’s slim van u, dàt uitgevonden te hebben na ’t geen gij hier reeds hebt bijgewoond!” en de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik niet uitspreken.

“Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had, dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam.”

“Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat iknietheb gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in dezen daarmee niet in verband staat.”

“Niet gestudeerd! ’t is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat verteld hebben?”

“Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg te ruimen, wat u tegen is....”

“Met de lamp van Aladin in de hand, en hetSésame ouvre toi!als parool, niet waar?” sprak zij met een minachtenden lach, waarin bitterheid school. “Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen, vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping, mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving,” ging zij voort, even den blik naar de eetzaal wendende; “zij zijn op het hoogtepunt van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac; hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee; wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens op,” ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan die van laatdunkende bitterheid,waarmee zij over “die heeren der schepping” gesproken had, “en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt geworden?” Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij, met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht een gesjeesde student te zijn.

“Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is....”

“Eengoedevader sterft altijd te vroeg voor iedereen,” hernam zij met een licht schouderophalen; “zelfs een slechte, die zich niet om zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?”

“Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven, en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken, had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishoudingkonden niet bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt, die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning, niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling, en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij,zonder in eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen, dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten....”

“Nu! gij zijt er mij te liever om,” viel zij onbedacht uit; “een man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid; laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden, en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort.”

Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan, dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.

“Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op een afscheid peinst?” vroeg ik, haar verwijtend aanziende.

“Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?”

“Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend om er mij terstond door te laten verjagen.”

“Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid hebt gepredikt.”

“Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken, maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als een ander; ik zal hier wel gewennen,” sprak ik koeltjes, al zag ik dat zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing elegant geschoeid.

“Gij houdt van schertsen,” sprak zij, na mij even te hebben aangezien, kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te doen, die de kapiteinparate executienoemde, “maar ik vraag u in vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?”

“Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud vleesch tevreden ben.”

“Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan zeggen zoude?”

“Wat doet dat er toe? Zijtgijhet niet die hier de huishouding bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo’n tyran te wezen.”

“Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid, zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt,” viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; “geloof niet dat ik den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier des levens zou gunnen,—zou willen geven met opoffering van al het mijne,—maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein.”

“Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw kapitein omspringt; hij zelf noemtu immers zijne gebiedende vrouwe, zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden.”

“Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen, en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten; gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn; ’t is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,—eene teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan.”

“Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed te verlichten.”

“Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken.”

Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet, ving zij aan: “Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen, en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken, door smartelijke familieomstandighedenniet het minst, was onze fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser, besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of eenpiquet à deux; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompelieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren; de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze, die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien, zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten, hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de drie wintermaanden.”

“En gij?”

“Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten ‘Majoor Frans’ te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene invitatiedu bout des lèvres, dat ik niet zou aangenomen hebben, al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in de stadswereld kunnen doorbrengen.”

“Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje toilet maken niet overbodig zijn,” viel ik in, de gelegenheid aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens te zienhoezij het opnam.

“Och! voor mij komt het er niet meer op aan.”

“Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt.”

“Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette: ‘du temps que j’étais femme’ had ik zekere eischen voor mijn uiterlijk, dat’s voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor Frans er uitziet.”

“Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo’n Amazone zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in ’t volle licht te stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als....”


Back to IndexNext