10.Aan tafel.

[Inhoud]10.Aan tafel.Siapkăn makânan (sediakăn makânan).Zet het eten klaar.Bâwa makânan.Breng het eten.Makânan sudah sedia, tuan.’t Eten is al klaar, mijnheer.Tukar pinggan ini1: terlâlu kotor.Geef me een ander bord (ruil dit bord): ’t is erg vuil.Pisaw ini tidaq beresih, bâwa lâin.Dit mes is niet schoon, breng een ander.Dâging ini kûrang masaq, angkat, sûruh masaq lâgi.Dit vleesch is niet voldoende gaar, neem ’t weg en laat het gaarder maken (nog meer koken).Kâin-mêja ini kecil âmat, mengâpa engkaw tidaq târoh lâin?Dit tafellaken is al te klein, waarom heb je geen ander neergelegd?Bâwa lâgi sâtu krusi, sâma tuan ini.Breng nog een stoel, voor dezen heer.Kentang2ini sudah busuq: di mâna kaw dapăt?Deze aardappelen zijn al bedorven. Waar heb je ze gehaald (gekregen)?Minta serbèt beresih, ganti yang tuan ’pu-ña.Ik vraag een schoon servet, geef mijnheer een ander (ruil dat van mijnheer).Ganti garpu dan pisaw.Verwissel de vorken en messen.Pisaw ini tumpul sekâli, sûruh âsah sedikit.Dit mes is zeer bot, laat het wat slijpen.Minta garăm, lâda, cuka, sambal, gula, miñaq, sesâwi.Geef me (vraag) zout, peper, azijn, inlandsche toespijs (Spaansche peper enz.), suiker, olie, mosterd.[34]Tuang anggur ke dalăm gelas semua. Bila kaw liat gelas sudah kosong, isi lâgi.Schenk wijn in al de glazen. Als je ziet, dat er een glas leeg is, vul je het weer.Gelas tuan itu tidaq penuh, tambah lâgi.’t Glas van dien heer is niet vol, doe er wat bij.Minta anggur-asăm, anggur-mêrah, anggur-puf (sempâni).Geef me (vraag) Rijn-wijn, rooden wijn, champagne.Anggur ini kûrang sejuq, bâwa âir-bâtu. Angkat bir ini, tuan tidaq suka.Deze wijn is niet koel genoeg, breng ijs (steenwater). Neem dit bier weg, mijnheer houdt er niet van.Jâlankăn nasi, tuan C. belom dapat.Laat de rijst rondgaan (doe de rijst gaan), mijnheer C. heeft nog niet gehad (gekregen).Nasi ini angit. Sûruh masaq lâin.Deze rijst is aangebrand. Laat andere koken.Âpa sebab kaw tidaq datăng lebih dulu? Ñôñah (nônah) itu sudah panggil dua tiga kâli.Waarom kom je niet eerder? Die dame (jonge dame) heeft al twee maal geroepen.Kâlaw ôrang panggil, lekas sâut (jâwab), lâin kâli ingăt.Als er iemand roept, moet je gauw antwoord geven, denk er een anderen keer aan.Di mâna lâin-lâin boy (jongos) semua? Sûruh dia-ôrang menanti di sini, jâga mêja waktu kâmi makan.Waar zijn al de andere bedienden? Laat ze hier wachten, en aan tafel bedienen (passen op de tafel), op den tijd dat wij eten.Tâña sâma tuan, kâlaw suka minum âir kahwa (kopi).Vraag aan mijnheer, of hij koffie wenscht te drinken.Bâwa rokoq. Ambil yang âlus di peti kâlèng kecil.Breng sigaren.Haal de fijne in ’t kleine blikken kistje.Uñjuqkăn sâma tuan-tuan ini semua.Presenteer ze aan al deze heeren.Minta api; gûris-api3; tâli-api.Ik vraag vuur; lucifers; een lont (vuurtouw).Aku mâu minum rokoq lâgi.Ik wil nog meer rooken (sigaren drinken).[35]1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑2In de straitsubiofubi Benggâla.↑3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑

[Inhoud]10.Aan tafel.Siapkăn makânan (sediakăn makânan).Zet het eten klaar.Bâwa makânan.Breng het eten.Makânan sudah sedia, tuan.’t Eten is al klaar, mijnheer.Tukar pinggan ini1: terlâlu kotor.Geef me een ander bord (ruil dit bord): ’t is erg vuil.Pisaw ini tidaq beresih, bâwa lâin.Dit mes is niet schoon, breng een ander.Dâging ini kûrang masaq, angkat, sûruh masaq lâgi.Dit vleesch is niet voldoende gaar, neem ’t weg en laat het gaarder maken (nog meer koken).Kâin-mêja ini kecil âmat, mengâpa engkaw tidaq târoh lâin?Dit tafellaken is al te klein, waarom heb je geen ander neergelegd?Bâwa lâgi sâtu krusi, sâma tuan ini.Breng nog een stoel, voor dezen heer.Kentang2ini sudah busuq: di mâna kaw dapăt?Deze aardappelen zijn al bedorven. Waar heb je ze gehaald (gekregen)?Minta serbèt beresih, ganti yang tuan ’pu-ña.Ik vraag een schoon servet, geef mijnheer een ander (ruil dat van mijnheer).Ganti garpu dan pisaw.Verwissel de vorken en messen.Pisaw ini tumpul sekâli, sûruh âsah sedikit.Dit mes is zeer bot, laat het wat slijpen.Minta garăm, lâda, cuka, sambal, gula, miñaq, sesâwi.Geef me (vraag) zout, peper, azijn, inlandsche toespijs (Spaansche peper enz.), suiker, olie, mosterd.[34]Tuang anggur ke dalăm gelas semua. Bila kaw liat gelas sudah kosong, isi lâgi.Schenk wijn in al de glazen. Als je ziet, dat er een glas leeg is, vul je het weer.Gelas tuan itu tidaq penuh, tambah lâgi.’t Glas van dien heer is niet vol, doe er wat bij.Minta anggur-asăm, anggur-mêrah, anggur-puf (sempâni).Geef me (vraag) Rijn-wijn, rooden wijn, champagne.Anggur ini kûrang sejuq, bâwa âir-bâtu. Angkat bir ini, tuan tidaq suka.Deze wijn is niet koel genoeg, breng ijs (steenwater). Neem dit bier weg, mijnheer houdt er niet van.Jâlankăn nasi, tuan C. belom dapat.Laat de rijst rondgaan (doe de rijst gaan), mijnheer C. heeft nog niet gehad (gekregen).Nasi ini angit. Sûruh masaq lâin.Deze rijst is aangebrand. Laat andere koken.Âpa sebab kaw tidaq datăng lebih dulu? Ñôñah (nônah) itu sudah panggil dua tiga kâli.Waarom kom je niet eerder? Die dame (jonge dame) heeft al twee maal geroepen.Kâlaw ôrang panggil, lekas sâut (jâwab), lâin kâli ingăt.Als er iemand roept, moet je gauw antwoord geven, denk er een anderen keer aan.Di mâna lâin-lâin boy (jongos) semua? Sûruh dia-ôrang menanti di sini, jâga mêja waktu kâmi makan.Waar zijn al de andere bedienden? Laat ze hier wachten, en aan tafel bedienen (passen op de tafel), op den tijd dat wij eten.Tâña sâma tuan, kâlaw suka minum âir kahwa (kopi).Vraag aan mijnheer, of hij koffie wenscht te drinken.Bâwa rokoq. Ambil yang âlus di peti kâlèng kecil.Breng sigaren.Haal de fijne in ’t kleine blikken kistje.Uñjuqkăn sâma tuan-tuan ini semua.Presenteer ze aan al deze heeren.Minta api; gûris-api3; tâli-api.Ik vraag vuur; lucifers; een lont (vuurtouw).Aku mâu minum rokoq lâgi.Ik wil nog meer rooken (sigaren drinken).[35]1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑2In de straitsubiofubi Benggâla.↑3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑

10.Aan tafel.

Siapkăn makânan (sediakăn makânan).Zet het eten klaar.Bâwa makânan.Breng het eten.Makânan sudah sedia, tuan.’t Eten is al klaar, mijnheer.Tukar pinggan ini1: terlâlu kotor.Geef me een ander bord (ruil dit bord): ’t is erg vuil.Pisaw ini tidaq beresih, bâwa lâin.Dit mes is niet schoon, breng een ander.Dâging ini kûrang masaq, angkat, sûruh masaq lâgi.Dit vleesch is niet voldoende gaar, neem ’t weg en laat het gaarder maken (nog meer koken).Kâin-mêja ini kecil âmat, mengâpa engkaw tidaq târoh lâin?Dit tafellaken is al te klein, waarom heb je geen ander neergelegd?Bâwa lâgi sâtu krusi, sâma tuan ini.Breng nog een stoel, voor dezen heer.Kentang2ini sudah busuq: di mâna kaw dapăt?Deze aardappelen zijn al bedorven. Waar heb je ze gehaald (gekregen)?Minta serbèt beresih, ganti yang tuan ’pu-ña.Ik vraag een schoon servet, geef mijnheer een ander (ruil dat van mijnheer).Ganti garpu dan pisaw.Verwissel de vorken en messen.Pisaw ini tumpul sekâli, sûruh âsah sedikit.Dit mes is zeer bot, laat het wat slijpen.Minta garăm, lâda, cuka, sambal, gula, miñaq, sesâwi.Geef me (vraag) zout, peper, azijn, inlandsche toespijs (Spaansche peper enz.), suiker, olie, mosterd.[34]Tuang anggur ke dalăm gelas semua. Bila kaw liat gelas sudah kosong, isi lâgi.Schenk wijn in al de glazen. Als je ziet, dat er een glas leeg is, vul je het weer.Gelas tuan itu tidaq penuh, tambah lâgi.’t Glas van dien heer is niet vol, doe er wat bij.Minta anggur-asăm, anggur-mêrah, anggur-puf (sempâni).Geef me (vraag) Rijn-wijn, rooden wijn, champagne.Anggur ini kûrang sejuq, bâwa âir-bâtu. Angkat bir ini, tuan tidaq suka.Deze wijn is niet koel genoeg, breng ijs (steenwater). Neem dit bier weg, mijnheer houdt er niet van.Jâlankăn nasi, tuan C. belom dapat.Laat de rijst rondgaan (doe de rijst gaan), mijnheer C. heeft nog niet gehad (gekregen).Nasi ini angit. Sûruh masaq lâin.Deze rijst is aangebrand. Laat andere koken.Âpa sebab kaw tidaq datăng lebih dulu? Ñôñah (nônah) itu sudah panggil dua tiga kâli.Waarom kom je niet eerder? Die dame (jonge dame) heeft al twee maal geroepen.Kâlaw ôrang panggil, lekas sâut (jâwab), lâin kâli ingăt.Als er iemand roept, moet je gauw antwoord geven, denk er een anderen keer aan.Di mâna lâin-lâin boy (jongos) semua? Sûruh dia-ôrang menanti di sini, jâga mêja waktu kâmi makan.Waar zijn al de andere bedienden? Laat ze hier wachten, en aan tafel bedienen (passen op de tafel), op den tijd dat wij eten.Tâña sâma tuan, kâlaw suka minum âir kahwa (kopi).Vraag aan mijnheer, of hij koffie wenscht te drinken.Bâwa rokoq. Ambil yang âlus di peti kâlèng kecil.Breng sigaren.Haal de fijne in ’t kleine blikken kistje.Uñjuqkăn sâma tuan-tuan ini semua.Presenteer ze aan al deze heeren.Minta api; gûris-api3; tâli-api.Ik vraag vuur; lucifers; een lont (vuurtouw).Aku mâu minum rokoq lâgi.Ik wil nog meer rooken (sigaren drinken).[35]

Siapkăn makânan (sediakăn makânan).Zet het eten klaar.Bâwa makânan.Breng het eten.Makânan sudah sedia, tuan.’t Eten is al klaar, mijnheer.Tukar pinggan ini1: terlâlu kotor.Geef me een ander bord (ruil dit bord): ’t is erg vuil.Pisaw ini tidaq beresih, bâwa lâin.Dit mes is niet schoon, breng een ander.Dâging ini kûrang masaq, angkat, sûruh masaq lâgi.Dit vleesch is niet voldoende gaar, neem ’t weg en laat het gaarder maken (nog meer koken).Kâin-mêja ini kecil âmat, mengâpa engkaw tidaq târoh lâin?Dit tafellaken is al te klein, waarom heb je geen ander neergelegd?Bâwa lâgi sâtu krusi, sâma tuan ini.Breng nog een stoel, voor dezen heer.Kentang2ini sudah busuq: di mâna kaw dapăt?Deze aardappelen zijn al bedorven. Waar heb je ze gehaald (gekregen)?Minta serbèt beresih, ganti yang tuan ’pu-ña.Ik vraag een schoon servet, geef mijnheer een ander (ruil dat van mijnheer).Ganti garpu dan pisaw.Verwissel de vorken en messen.Pisaw ini tumpul sekâli, sûruh âsah sedikit.Dit mes is zeer bot, laat het wat slijpen.Minta garăm, lâda, cuka, sambal, gula, miñaq, sesâwi.Geef me (vraag) zout, peper, azijn, inlandsche toespijs (Spaansche peper enz.), suiker, olie, mosterd.[34]Tuang anggur ke dalăm gelas semua. Bila kaw liat gelas sudah kosong, isi lâgi.Schenk wijn in al de glazen. Als je ziet, dat er een glas leeg is, vul je het weer.Gelas tuan itu tidaq penuh, tambah lâgi.’t Glas van dien heer is niet vol, doe er wat bij.Minta anggur-asăm, anggur-mêrah, anggur-puf (sempâni).Geef me (vraag) Rijn-wijn, rooden wijn, champagne.Anggur ini kûrang sejuq, bâwa âir-bâtu. Angkat bir ini, tuan tidaq suka.Deze wijn is niet koel genoeg, breng ijs (steenwater). Neem dit bier weg, mijnheer houdt er niet van.Jâlankăn nasi, tuan C. belom dapat.Laat de rijst rondgaan (doe de rijst gaan), mijnheer C. heeft nog niet gehad (gekregen).Nasi ini angit. Sûruh masaq lâin.Deze rijst is aangebrand. Laat andere koken.Âpa sebab kaw tidaq datăng lebih dulu? Ñôñah (nônah) itu sudah panggil dua tiga kâli.Waarom kom je niet eerder? Die dame (jonge dame) heeft al twee maal geroepen.Kâlaw ôrang panggil, lekas sâut (jâwab), lâin kâli ingăt.Als er iemand roept, moet je gauw antwoord geven, denk er een anderen keer aan.Di mâna lâin-lâin boy (jongos) semua? Sûruh dia-ôrang menanti di sini, jâga mêja waktu kâmi makan.Waar zijn al de andere bedienden? Laat ze hier wachten, en aan tafel bedienen (passen op de tafel), op den tijd dat wij eten.Tâña sâma tuan, kâlaw suka minum âir kahwa (kopi).Vraag aan mijnheer, of hij koffie wenscht te drinken.Bâwa rokoq. Ambil yang âlus di peti kâlèng kecil.Breng sigaren.Haal de fijne in ’t kleine blikken kistje.Uñjuqkăn sâma tuan-tuan ini semua.Presenteer ze aan al deze heeren.Minta api; gûris-api3; tâli-api.Ik vraag vuur; lucifers; een lont (vuurtouw).Aku mâu minum rokoq lâgi.Ik wil nog meer rooken (sigaren drinken).

[35]

1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑2In de straitsubiofubi Benggâla.↑3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑

1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑2In de straitsubiofubi Benggâla.↑3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑

1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑

1Op Javapiringwat in zuiver Maleisch schoteltje, klein bordje beteekent.↑

2In de straitsubiofubi Benggâla.↑

2In de straitsubiofubi Benggâla.↑

3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑

3te Batavia:gerètan, te Samarang en Soerabaja:rèq, ’t eerste Soendaneesch, ’t laatste Javaansch.↑


Back to IndexNext