11.In een hotel.

[Inhoud]11.In een hotel.S’p’âda (samentrekking vansiâpa-âda)!Hei daar, is er iemand?Sâya, tuan!Jawel, mijnheer!Minta kâmar.Ik vraag een kamer.Tuan mâu kâmar yang lima rupiah sa âri kah âtaw yang enăm rupiah?Wil u een kamer van vijf gulden daags of een van zes?Minta yang lima rupiah sâja.Geef me maar een van vijf (vraag die van vijf gulden).Sila kan ikut sâya, tuan. Nanti sâya tuñjuqkăn.Wees zoo goed mij te volgen, mijnheer. Ik zal er u een wijzen.Kâmar ini terlâlu kecil.Deze kamer is te klein (erg klein).Semua bagitu, tuan.Ze zijn alle zoo, mijnheer.Yang di sabelah situ bagitu juga?Die aan gindschen kant ook?Tidaq tuan, itu yang enăm rupiah sa âri. Lebih besar deri ini. Tuan mâu liat?Neen, mijnheer, die zijn vanzesgulden daags. Ze zijn grooter dan deze. Wil u ze zien?Sudah. Ta usah. Biar lah aku ambil kâmar ini sâja.Och, neen, ’t hoeft niet. (Afgedaan, ’t hoeft niet). Laat me deze kamer maar nemen.Nanti pukul berâpa ôrang makan di sini?Hoe laat eet men hier (straks)?Pukul sâtu, tuan. Nanti malăm pukul delâpan.Om een uur, mijnheer. Van avond om acht uur.Mâna kâmar-mandi?Waar is de badkamer?Minta tuâla dan sâbun. (voortuâlaop Javaanduq, verb. Holl. handdoek).Ik vraag een handdoek en zeep.Sûruh boy (jongos) bâwa sikat-gigi dan sisir. Lâgi âda dalăm kopor di kâmar.Laat mijn jongen mijn tandenborstel en mijn kam brengen. Ze zijn nog in de koffer in mijn kamer.Âda kah cermin di kâmar-mandi? (Op Java voor cerminkâca).Is er een spiegel in de badkamer?Âda, tuan.Jawel, mijnheer (er is, mijnheer).[36]Berâpa âri tuan mâu tinggal di rumah-makan ini?Hoeveel dagen wil u in dit logement blijven?Itu lah mandor datăng, tuan. Dia minta masuqkan nâma dan pekerjâan tuan ke dalăm daftar (buku).Daar komt de mandoer (soort opperkellner), mijnheer. Hij verzoekt u uw naam en betrekking in ’t register te schrijven (in te brengen).Nanti malăm tuan suka pakay krêta kah?Wenscht u van avond een rijtuig te hebben (gebruiken)?Berâpa sêwâ-ña sa jam?Hoeveel is ’t per uur (de huur)?Tiga rupiah, tuan.Drie gulden, mijnheer.Bâik lah. Sûruh pasang pukul sa tengah tujuh.Goed, laat om half zeven inspannen.

[Inhoud]11.In een hotel.S’p’âda (samentrekking vansiâpa-âda)!Hei daar, is er iemand?Sâya, tuan!Jawel, mijnheer!Minta kâmar.Ik vraag een kamer.Tuan mâu kâmar yang lima rupiah sa âri kah âtaw yang enăm rupiah?Wil u een kamer van vijf gulden daags of een van zes?Minta yang lima rupiah sâja.Geef me maar een van vijf (vraag die van vijf gulden).Sila kan ikut sâya, tuan. Nanti sâya tuñjuqkăn.Wees zoo goed mij te volgen, mijnheer. Ik zal er u een wijzen.Kâmar ini terlâlu kecil.Deze kamer is te klein (erg klein).Semua bagitu, tuan.Ze zijn alle zoo, mijnheer.Yang di sabelah situ bagitu juga?Die aan gindschen kant ook?Tidaq tuan, itu yang enăm rupiah sa âri. Lebih besar deri ini. Tuan mâu liat?Neen, mijnheer, die zijn vanzesgulden daags. Ze zijn grooter dan deze. Wil u ze zien?Sudah. Ta usah. Biar lah aku ambil kâmar ini sâja.Och, neen, ’t hoeft niet. (Afgedaan, ’t hoeft niet). Laat me deze kamer maar nemen.Nanti pukul berâpa ôrang makan di sini?Hoe laat eet men hier (straks)?Pukul sâtu, tuan. Nanti malăm pukul delâpan.Om een uur, mijnheer. Van avond om acht uur.Mâna kâmar-mandi?Waar is de badkamer?Minta tuâla dan sâbun. (voortuâlaop Javaanduq, verb. Holl. handdoek).Ik vraag een handdoek en zeep.Sûruh boy (jongos) bâwa sikat-gigi dan sisir. Lâgi âda dalăm kopor di kâmar.Laat mijn jongen mijn tandenborstel en mijn kam brengen. Ze zijn nog in de koffer in mijn kamer.Âda kah cermin di kâmar-mandi? (Op Java voor cerminkâca).Is er een spiegel in de badkamer?Âda, tuan.Jawel, mijnheer (er is, mijnheer).[36]Berâpa âri tuan mâu tinggal di rumah-makan ini?Hoeveel dagen wil u in dit logement blijven?Itu lah mandor datăng, tuan. Dia minta masuqkan nâma dan pekerjâan tuan ke dalăm daftar (buku).Daar komt de mandoer (soort opperkellner), mijnheer. Hij verzoekt u uw naam en betrekking in ’t register te schrijven (in te brengen).Nanti malăm tuan suka pakay krêta kah?Wenscht u van avond een rijtuig te hebben (gebruiken)?Berâpa sêwâ-ña sa jam?Hoeveel is ’t per uur (de huur)?Tiga rupiah, tuan.Drie gulden, mijnheer.Bâik lah. Sûruh pasang pukul sa tengah tujuh.Goed, laat om half zeven inspannen.

11.In een hotel.

S’p’âda (samentrekking vansiâpa-âda)!Hei daar, is er iemand?Sâya, tuan!Jawel, mijnheer!Minta kâmar.Ik vraag een kamer.Tuan mâu kâmar yang lima rupiah sa âri kah âtaw yang enăm rupiah?Wil u een kamer van vijf gulden daags of een van zes?Minta yang lima rupiah sâja.Geef me maar een van vijf (vraag die van vijf gulden).Sila kan ikut sâya, tuan. Nanti sâya tuñjuqkăn.Wees zoo goed mij te volgen, mijnheer. Ik zal er u een wijzen.Kâmar ini terlâlu kecil.Deze kamer is te klein (erg klein).Semua bagitu, tuan.Ze zijn alle zoo, mijnheer.Yang di sabelah situ bagitu juga?Die aan gindschen kant ook?Tidaq tuan, itu yang enăm rupiah sa âri. Lebih besar deri ini. Tuan mâu liat?Neen, mijnheer, die zijn vanzesgulden daags. Ze zijn grooter dan deze. Wil u ze zien?Sudah. Ta usah. Biar lah aku ambil kâmar ini sâja.Och, neen, ’t hoeft niet. (Afgedaan, ’t hoeft niet). Laat me deze kamer maar nemen.Nanti pukul berâpa ôrang makan di sini?Hoe laat eet men hier (straks)?Pukul sâtu, tuan. Nanti malăm pukul delâpan.Om een uur, mijnheer. Van avond om acht uur.Mâna kâmar-mandi?Waar is de badkamer?Minta tuâla dan sâbun. (voortuâlaop Javaanduq, verb. Holl. handdoek).Ik vraag een handdoek en zeep.Sûruh boy (jongos) bâwa sikat-gigi dan sisir. Lâgi âda dalăm kopor di kâmar.Laat mijn jongen mijn tandenborstel en mijn kam brengen. Ze zijn nog in de koffer in mijn kamer.Âda kah cermin di kâmar-mandi? (Op Java voor cerminkâca).Is er een spiegel in de badkamer?Âda, tuan.Jawel, mijnheer (er is, mijnheer).[36]Berâpa âri tuan mâu tinggal di rumah-makan ini?Hoeveel dagen wil u in dit logement blijven?Itu lah mandor datăng, tuan. Dia minta masuqkan nâma dan pekerjâan tuan ke dalăm daftar (buku).Daar komt de mandoer (soort opperkellner), mijnheer. Hij verzoekt u uw naam en betrekking in ’t register te schrijven (in te brengen).Nanti malăm tuan suka pakay krêta kah?Wenscht u van avond een rijtuig te hebben (gebruiken)?Berâpa sêwâ-ña sa jam?Hoeveel is ’t per uur (de huur)?Tiga rupiah, tuan.Drie gulden, mijnheer.Bâik lah. Sûruh pasang pukul sa tengah tujuh.Goed, laat om half zeven inspannen.

S’p’âda (samentrekking vansiâpa-âda)!Hei daar, is er iemand?Sâya, tuan!Jawel, mijnheer!Minta kâmar.Ik vraag een kamer.Tuan mâu kâmar yang lima rupiah sa âri kah âtaw yang enăm rupiah?Wil u een kamer van vijf gulden daags of een van zes?Minta yang lima rupiah sâja.Geef me maar een van vijf (vraag die van vijf gulden).Sila kan ikut sâya, tuan. Nanti sâya tuñjuqkăn.Wees zoo goed mij te volgen, mijnheer. Ik zal er u een wijzen.Kâmar ini terlâlu kecil.Deze kamer is te klein (erg klein).Semua bagitu, tuan.Ze zijn alle zoo, mijnheer.Yang di sabelah situ bagitu juga?Die aan gindschen kant ook?Tidaq tuan, itu yang enăm rupiah sa âri. Lebih besar deri ini. Tuan mâu liat?Neen, mijnheer, die zijn vanzesgulden daags. Ze zijn grooter dan deze. Wil u ze zien?Sudah. Ta usah. Biar lah aku ambil kâmar ini sâja.Och, neen, ’t hoeft niet. (Afgedaan, ’t hoeft niet). Laat me deze kamer maar nemen.Nanti pukul berâpa ôrang makan di sini?Hoe laat eet men hier (straks)?Pukul sâtu, tuan. Nanti malăm pukul delâpan.Om een uur, mijnheer. Van avond om acht uur.Mâna kâmar-mandi?Waar is de badkamer?Minta tuâla dan sâbun. (voortuâlaop Javaanduq, verb. Holl. handdoek).Ik vraag een handdoek en zeep.Sûruh boy (jongos) bâwa sikat-gigi dan sisir. Lâgi âda dalăm kopor di kâmar.Laat mijn jongen mijn tandenborstel en mijn kam brengen. Ze zijn nog in de koffer in mijn kamer.Âda kah cermin di kâmar-mandi? (Op Java voor cerminkâca).Is er een spiegel in de badkamer?Âda, tuan.Jawel, mijnheer (er is, mijnheer).[36]Berâpa âri tuan mâu tinggal di rumah-makan ini?Hoeveel dagen wil u in dit logement blijven?Itu lah mandor datăng, tuan. Dia minta masuqkan nâma dan pekerjâan tuan ke dalăm daftar (buku).Daar komt de mandoer (soort opperkellner), mijnheer. Hij verzoekt u uw naam en betrekking in ’t register te schrijven (in te brengen).Nanti malăm tuan suka pakay krêta kah?Wenscht u van avond een rijtuig te hebben (gebruiken)?Berâpa sêwâ-ña sa jam?Hoeveel is ’t per uur (de huur)?Tiga rupiah, tuan.Drie gulden, mijnheer.Bâik lah. Sûruh pasang pukul sa tengah tujuh.Goed, laat om half zeven inspannen.


Back to IndexNext