[Inhoud]9.Op jacht.Sâya endaq pegi menémbaq.Ik wil gaan jagen (schieten).Tuan ’naq menémbaq âpa?Waar wil u op jagen?Naqmenémbaq bûrung.Ik wil vogels schieten.Bûrung macăm âpa?Wat voor soort vogels?Bûrung-berkèq, puyuh, bûrung-belibis, itik-âir, undan, âpa-âpa macăm yang âda.Snippen, kwartels, talingen, wilde eenden, wilde ganzen, al wat er maar is (welke soorten, die er zijn).Bûrung-kuang yang susah sekâli mendapăt-ña.De argus-fazant is ’t lastigst te krijgen.[30]Dia inggăp di âtas pokoq dalăm rimba besar-besar. Kâlaw ôrang sudahdekăt, terbang lah dia.Hij zit op boomen in groote wouden. Als men hem nadert (reeds nabij is), vliegt hij weg.Tuan pakay senâpang-kôpaq?Gebruikt u een achterlader?Ia, senâpang-kôpaq dua mâtâ-ña; senâpang kembar.Ja, een dubbelloops-achterlader; een dubbelloops-geweer.Bâwa petrum yang isi penâbur âlus itu.Breng patronen met fijnen hagel erin.Tidaq âda lâgi, tuan: sudah âbis semua, tinggal nomor lima sâja.Die zijn er niet meer, mijnheer: die zijn alle op, er is alleen nog maar no. 5 (blijft no. 5 slechts).Kâlaw menémbaq punay éloq lah nomor lima.Als men op wilde duiven schiet, is no. 5 uitstekend (mooi).Bâwa petrum-pelûru dua tiga butir, bârang-kâli jumpa bâbi-utan âtaw buâya.Breng twee of drie hagelpatronen mee, misschien treffen we een wild zwijn of een krokodil.Sabelah sini, tuan, âda dua tiga ékor bûrung inggap di rumput sâna, tepi pâya.Dezen kant uit, mijnheer, er zitten twee of drie vogels daar in ’t gras, aan den kant van ’t moeras.Itu dia!Daar zijn ze!Kenâ kah tidaq?Zijn ze geraakt of niet?Kenâ, tuan.Ze zijn geraakt, mijnheer.Pegi lah mengambil-ña.Ga ze halen.Kenâ sedikit, tuan. Belom mati, sudah meñelăm.Ze zijn maar even (een beetje) geraakt, ze zijn nog niet dood, ze zijn al ondergedoken.Panday sekâli sembuñi bûrung-belibis itu, melâinkăn mati-langsung, susah meñcâri-ña.Die talingen kunnen zich heel goed verschuilen (zeer bekwaam zich te verschuilen); tenzij ze morsdood zijn, is ’t lastig ze te zoeken.Bûrung bâñaq, tuan; tetapi pâya dalam, mâu pakay prâu.Er zijn veel vogels, mijnheer; maar ’t moeras is diep, we moeten een boot gebruiken.Rumput sudah pañjang, susah beprâu.’t Gras is al hoog (lang), ’t is lastig te varen.Bôleh juga kita berjâlan pelâhan-pelâhan. Berdâyung ta bôleh, mâu bergâlah.We kunnen ook heel langzaam loopen. Roeien gaat niet, we moeten boomen.[31]Tuan duduq di tengah prâu, di âluan, sâya nanti bergâlah deri belâkang.Ga u in ’t midden van de boot, aan den voorsteven zitten, dan zal ik van achter boomen.Luas sekâli pâya ini.Âpa nâma tampat-ña?Dit moeras is zeer uitgestrekt. Hoe heet deze plaats?Bendang-kering, tuan.Bendang-kering (droog rijstveld) mijnheer.Bûrung sudah jâtoh, kenâ sâyap-ña, nanti dia lâri, ambat lekas.De vogel is gevallen, hij is in zijn vleugel getroffen, straks loopt hij weg, ga hem gauw achterna.Dapăt, tuan, kenâ di dâda, mati-langsung.Ik heb ’m (gekregen), mijnheer, hij is in de borst getroffen, hij is morsdood.Mâna-mâna yang belom mati, semlèhkăn dia, bôleh ôrang Selam mâkan-ña.Alle, die nog niet dood zijn moet je slachten (op Mohammedaansche wijze), dan kunnen de Moslims ze eten.Lemaq sekâli dâging-ña.’t Vleesch is erg machtig (vet).Bûrung berkèq yang sedăp deri semua.Snippen zijn ’t lekkerst van alle.Tuan suka kah bebûru rusa?Houdt u er van herten te jagen?Kâlaw âda añjing, suka juga.Als er honden zijn, houd ik er wel van.Râja-râja Pâhang yang panday bebûru.De vorsten van Pâhang zijn goede jagers (bekwaam in ’t jagen).Âpa bangsa añjing dia pakay(dipakay-ña)?Wat voor soort (ras) honden gebruiken ze?Añjing ôrang Sakay.Honden van de Sakay’s(oorspr. bewoners van Malaka).Cari ôrang Sakay, yang panday mengikut binâtang liar, bôleh kita pegi menémbaq.Zoek een Sakay, die wilde dieren kan opsporen, dan kunnen we die gaan jagen (schieten).Âda sa ôrang pâwang di sini, tuan.Hier is een „pâwang” (soort dierenbezweerder, die wilde dieren opspoort), mijnheer.Binâtang macăm âpa bôleh dapăt? (Âpa macăm binâtang bôleh dapăt?)Wat voor soort dieren kan je vinden?[32]Gâjah, bâdaq, selâdang, tenuq, rusa1, kijang, pelanduq2dan lâin-lâin-ña.Olifanten, neushorens, wilde runderen (op Javabantèng), herten, reeën, dwerghertjes enz. (en andere).Kâlaw bôleh dapăt selâdang sa ékor, gemăr lah ati-ku.Als je een wilde koe (stier) kunt krijgen, zou ik ’t heerlijk vinden (is mijn hart begeerig).Kâlaw untung, bôleh juga kita dapăt, tuan.Als we gelukkig zijn, kunnen we er wel een krijgen, mijnheer.Aku arăp bagitu.Dat hoop ik (ik hoop zoo).Jangan bâwa bâñaq ôrang, sa ôrang dua ôrang sâja, jâdi lah. Tuan jâlan pelâhan sekâli, ta bôleh cakăp-cakăp.U moet niet veel menschen meenemen, twee man maar, dat ’s voldoende. U moet heel langzaam loopen, en u mag niet praten.Tempat mâna yang dia suka?Van welke plaatsen houden ze?Utan-buluh dekăt dăngăn âir angăt, itu lah yang dia suka sangăt.Bamboe-bosch dicht bij een warme bron (lauw water), daar houden ze veel van.Bôleh kah dekăt dăngăn dia?Kan men ze naderen?Bôleh juga, kâlaw ôrang panday mengikut binâtang.Jawel (kan wel), als men bekwaam is in ’t opsporen van dieren (volgen van dieren).Kâlaw jantăn, tanduq-ña besar-pañjang. Betina pun bertanduq juga, tetapi kecil lâgi.’t Mannetje heeft dikke lange horens(lett.: als ’t mannetje, zijn horens groot lang). ’t Wijfje heeft ook horens, maar die zijn kleiner.Kulit-ña ităm, bulu pèndèq, kaki-ña kecil, bulu-betis-ña mêrah.De huid is zwart, de haren zijn kort, de pooten klein, ’t haar op de huid is rood.Gârang sekâli-binâtang itu, kâlaw dia langgar, endaq lah kita jâga bâik-bâik.Die dieren zijn erg kwaadaardig, als ze aanvallen, moeten we voorzichtig zijn.Dia terekam dăngăn tanduq-ña.Ze vallen met hun horens aan.[33]Kâlaw luka ta mati, bârang-kâli gârang, kâlaw ta kenâ lâri lah dia.Als ze gewond en niet doodzijn, zijn ze wellicht gevaarlijk (woest), als ze niet getroffen zijn, loopen ze weg.1Op Javameñjangan(Jav.)↑2Op Javakañcil(Jav.)↑
[Inhoud]9.Op jacht.Sâya endaq pegi menémbaq.Ik wil gaan jagen (schieten).Tuan ’naq menémbaq âpa?Waar wil u op jagen?Naqmenémbaq bûrung.Ik wil vogels schieten.Bûrung macăm âpa?Wat voor soort vogels?Bûrung-berkèq, puyuh, bûrung-belibis, itik-âir, undan, âpa-âpa macăm yang âda.Snippen, kwartels, talingen, wilde eenden, wilde ganzen, al wat er maar is (welke soorten, die er zijn).Bûrung-kuang yang susah sekâli mendapăt-ña.De argus-fazant is ’t lastigst te krijgen.[30]Dia inggăp di âtas pokoq dalăm rimba besar-besar. Kâlaw ôrang sudahdekăt, terbang lah dia.Hij zit op boomen in groote wouden. Als men hem nadert (reeds nabij is), vliegt hij weg.Tuan pakay senâpang-kôpaq?Gebruikt u een achterlader?Ia, senâpang-kôpaq dua mâtâ-ña; senâpang kembar.Ja, een dubbelloops-achterlader; een dubbelloops-geweer.Bâwa petrum yang isi penâbur âlus itu.Breng patronen met fijnen hagel erin.Tidaq âda lâgi, tuan: sudah âbis semua, tinggal nomor lima sâja.Die zijn er niet meer, mijnheer: die zijn alle op, er is alleen nog maar no. 5 (blijft no. 5 slechts).Kâlaw menémbaq punay éloq lah nomor lima.Als men op wilde duiven schiet, is no. 5 uitstekend (mooi).Bâwa petrum-pelûru dua tiga butir, bârang-kâli jumpa bâbi-utan âtaw buâya.Breng twee of drie hagelpatronen mee, misschien treffen we een wild zwijn of een krokodil.Sabelah sini, tuan, âda dua tiga ékor bûrung inggap di rumput sâna, tepi pâya.Dezen kant uit, mijnheer, er zitten twee of drie vogels daar in ’t gras, aan den kant van ’t moeras.Itu dia!Daar zijn ze!Kenâ kah tidaq?Zijn ze geraakt of niet?Kenâ, tuan.Ze zijn geraakt, mijnheer.Pegi lah mengambil-ña.Ga ze halen.Kenâ sedikit, tuan. Belom mati, sudah meñelăm.Ze zijn maar even (een beetje) geraakt, ze zijn nog niet dood, ze zijn al ondergedoken.Panday sekâli sembuñi bûrung-belibis itu, melâinkăn mati-langsung, susah meñcâri-ña.Die talingen kunnen zich heel goed verschuilen (zeer bekwaam zich te verschuilen); tenzij ze morsdood zijn, is ’t lastig ze te zoeken.Bûrung bâñaq, tuan; tetapi pâya dalam, mâu pakay prâu.Er zijn veel vogels, mijnheer; maar ’t moeras is diep, we moeten een boot gebruiken.Rumput sudah pañjang, susah beprâu.’t Gras is al hoog (lang), ’t is lastig te varen.Bôleh juga kita berjâlan pelâhan-pelâhan. Berdâyung ta bôleh, mâu bergâlah.We kunnen ook heel langzaam loopen. Roeien gaat niet, we moeten boomen.[31]Tuan duduq di tengah prâu, di âluan, sâya nanti bergâlah deri belâkang.Ga u in ’t midden van de boot, aan den voorsteven zitten, dan zal ik van achter boomen.Luas sekâli pâya ini.Âpa nâma tampat-ña?Dit moeras is zeer uitgestrekt. Hoe heet deze plaats?Bendang-kering, tuan.Bendang-kering (droog rijstveld) mijnheer.Bûrung sudah jâtoh, kenâ sâyap-ña, nanti dia lâri, ambat lekas.De vogel is gevallen, hij is in zijn vleugel getroffen, straks loopt hij weg, ga hem gauw achterna.Dapăt, tuan, kenâ di dâda, mati-langsung.Ik heb ’m (gekregen), mijnheer, hij is in de borst getroffen, hij is morsdood.Mâna-mâna yang belom mati, semlèhkăn dia, bôleh ôrang Selam mâkan-ña.Alle, die nog niet dood zijn moet je slachten (op Mohammedaansche wijze), dan kunnen de Moslims ze eten.Lemaq sekâli dâging-ña.’t Vleesch is erg machtig (vet).Bûrung berkèq yang sedăp deri semua.Snippen zijn ’t lekkerst van alle.Tuan suka kah bebûru rusa?Houdt u er van herten te jagen?Kâlaw âda añjing, suka juga.Als er honden zijn, houd ik er wel van.Râja-râja Pâhang yang panday bebûru.De vorsten van Pâhang zijn goede jagers (bekwaam in ’t jagen).Âpa bangsa añjing dia pakay(dipakay-ña)?Wat voor soort (ras) honden gebruiken ze?Añjing ôrang Sakay.Honden van de Sakay’s(oorspr. bewoners van Malaka).Cari ôrang Sakay, yang panday mengikut binâtang liar, bôleh kita pegi menémbaq.Zoek een Sakay, die wilde dieren kan opsporen, dan kunnen we die gaan jagen (schieten).Âda sa ôrang pâwang di sini, tuan.Hier is een „pâwang” (soort dierenbezweerder, die wilde dieren opspoort), mijnheer.Binâtang macăm âpa bôleh dapăt? (Âpa macăm binâtang bôleh dapăt?)Wat voor soort dieren kan je vinden?[32]Gâjah, bâdaq, selâdang, tenuq, rusa1, kijang, pelanduq2dan lâin-lâin-ña.Olifanten, neushorens, wilde runderen (op Javabantèng), herten, reeën, dwerghertjes enz. (en andere).Kâlaw bôleh dapăt selâdang sa ékor, gemăr lah ati-ku.Als je een wilde koe (stier) kunt krijgen, zou ik ’t heerlijk vinden (is mijn hart begeerig).Kâlaw untung, bôleh juga kita dapăt, tuan.Als we gelukkig zijn, kunnen we er wel een krijgen, mijnheer.Aku arăp bagitu.Dat hoop ik (ik hoop zoo).Jangan bâwa bâñaq ôrang, sa ôrang dua ôrang sâja, jâdi lah. Tuan jâlan pelâhan sekâli, ta bôleh cakăp-cakăp.U moet niet veel menschen meenemen, twee man maar, dat ’s voldoende. U moet heel langzaam loopen, en u mag niet praten.Tempat mâna yang dia suka?Van welke plaatsen houden ze?Utan-buluh dekăt dăngăn âir angăt, itu lah yang dia suka sangăt.Bamboe-bosch dicht bij een warme bron (lauw water), daar houden ze veel van.Bôleh kah dekăt dăngăn dia?Kan men ze naderen?Bôleh juga, kâlaw ôrang panday mengikut binâtang.Jawel (kan wel), als men bekwaam is in ’t opsporen van dieren (volgen van dieren).Kâlaw jantăn, tanduq-ña besar-pañjang. Betina pun bertanduq juga, tetapi kecil lâgi.’t Mannetje heeft dikke lange horens(lett.: als ’t mannetje, zijn horens groot lang). ’t Wijfje heeft ook horens, maar die zijn kleiner.Kulit-ña ităm, bulu pèndèq, kaki-ña kecil, bulu-betis-ña mêrah.De huid is zwart, de haren zijn kort, de pooten klein, ’t haar op de huid is rood.Gârang sekâli-binâtang itu, kâlaw dia langgar, endaq lah kita jâga bâik-bâik.Die dieren zijn erg kwaadaardig, als ze aanvallen, moeten we voorzichtig zijn.Dia terekam dăngăn tanduq-ña.Ze vallen met hun horens aan.[33]Kâlaw luka ta mati, bârang-kâli gârang, kâlaw ta kenâ lâri lah dia.Als ze gewond en niet doodzijn, zijn ze wellicht gevaarlijk (woest), als ze niet getroffen zijn, loopen ze weg.1Op Javameñjangan(Jav.)↑2Op Javakañcil(Jav.)↑
9.Op jacht.
Sâya endaq pegi menémbaq.Ik wil gaan jagen (schieten).Tuan ’naq menémbaq âpa?Waar wil u op jagen?Naqmenémbaq bûrung.Ik wil vogels schieten.Bûrung macăm âpa?Wat voor soort vogels?Bûrung-berkèq, puyuh, bûrung-belibis, itik-âir, undan, âpa-âpa macăm yang âda.Snippen, kwartels, talingen, wilde eenden, wilde ganzen, al wat er maar is (welke soorten, die er zijn).Bûrung-kuang yang susah sekâli mendapăt-ña.De argus-fazant is ’t lastigst te krijgen.[30]Dia inggăp di âtas pokoq dalăm rimba besar-besar. Kâlaw ôrang sudahdekăt, terbang lah dia.Hij zit op boomen in groote wouden. Als men hem nadert (reeds nabij is), vliegt hij weg.Tuan pakay senâpang-kôpaq?Gebruikt u een achterlader?Ia, senâpang-kôpaq dua mâtâ-ña; senâpang kembar.Ja, een dubbelloops-achterlader; een dubbelloops-geweer.Bâwa petrum yang isi penâbur âlus itu.Breng patronen met fijnen hagel erin.Tidaq âda lâgi, tuan: sudah âbis semua, tinggal nomor lima sâja.Die zijn er niet meer, mijnheer: die zijn alle op, er is alleen nog maar no. 5 (blijft no. 5 slechts).Kâlaw menémbaq punay éloq lah nomor lima.Als men op wilde duiven schiet, is no. 5 uitstekend (mooi).Bâwa petrum-pelûru dua tiga butir, bârang-kâli jumpa bâbi-utan âtaw buâya.Breng twee of drie hagelpatronen mee, misschien treffen we een wild zwijn of een krokodil.Sabelah sini, tuan, âda dua tiga ékor bûrung inggap di rumput sâna, tepi pâya.Dezen kant uit, mijnheer, er zitten twee of drie vogels daar in ’t gras, aan den kant van ’t moeras.Itu dia!Daar zijn ze!Kenâ kah tidaq?Zijn ze geraakt of niet?Kenâ, tuan.Ze zijn geraakt, mijnheer.Pegi lah mengambil-ña.Ga ze halen.Kenâ sedikit, tuan. Belom mati, sudah meñelăm.Ze zijn maar even (een beetje) geraakt, ze zijn nog niet dood, ze zijn al ondergedoken.Panday sekâli sembuñi bûrung-belibis itu, melâinkăn mati-langsung, susah meñcâri-ña.Die talingen kunnen zich heel goed verschuilen (zeer bekwaam zich te verschuilen); tenzij ze morsdood zijn, is ’t lastig ze te zoeken.Bûrung bâñaq, tuan; tetapi pâya dalam, mâu pakay prâu.Er zijn veel vogels, mijnheer; maar ’t moeras is diep, we moeten een boot gebruiken.Rumput sudah pañjang, susah beprâu.’t Gras is al hoog (lang), ’t is lastig te varen.Bôleh juga kita berjâlan pelâhan-pelâhan. Berdâyung ta bôleh, mâu bergâlah.We kunnen ook heel langzaam loopen. Roeien gaat niet, we moeten boomen.[31]Tuan duduq di tengah prâu, di âluan, sâya nanti bergâlah deri belâkang.Ga u in ’t midden van de boot, aan den voorsteven zitten, dan zal ik van achter boomen.Luas sekâli pâya ini.Âpa nâma tampat-ña?Dit moeras is zeer uitgestrekt. Hoe heet deze plaats?Bendang-kering, tuan.Bendang-kering (droog rijstveld) mijnheer.Bûrung sudah jâtoh, kenâ sâyap-ña, nanti dia lâri, ambat lekas.De vogel is gevallen, hij is in zijn vleugel getroffen, straks loopt hij weg, ga hem gauw achterna.Dapăt, tuan, kenâ di dâda, mati-langsung.Ik heb ’m (gekregen), mijnheer, hij is in de borst getroffen, hij is morsdood.Mâna-mâna yang belom mati, semlèhkăn dia, bôleh ôrang Selam mâkan-ña.Alle, die nog niet dood zijn moet je slachten (op Mohammedaansche wijze), dan kunnen de Moslims ze eten.Lemaq sekâli dâging-ña.’t Vleesch is erg machtig (vet).Bûrung berkèq yang sedăp deri semua.Snippen zijn ’t lekkerst van alle.Tuan suka kah bebûru rusa?Houdt u er van herten te jagen?Kâlaw âda añjing, suka juga.Als er honden zijn, houd ik er wel van.Râja-râja Pâhang yang panday bebûru.De vorsten van Pâhang zijn goede jagers (bekwaam in ’t jagen).Âpa bangsa añjing dia pakay(dipakay-ña)?Wat voor soort (ras) honden gebruiken ze?Añjing ôrang Sakay.Honden van de Sakay’s(oorspr. bewoners van Malaka).Cari ôrang Sakay, yang panday mengikut binâtang liar, bôleh kita pegi menémbaq.Zoek een Sakay, die wilde dieren kan opsporen, dan kunnen we die gaan jagen (schieten).Âda sa ôrang pâwang di sini, tuan.Hier is een „pâwang” (soort dierenbezweerder, die wilde dieren opspoort), mijnheer.Binâtang macăm âpa bôleh dapăt? (Âpa macăm binâtang bôleh dapăt?)Wat voor soort dieren kan je vinden?[32]Gâjah, bâdaq, selâdang, tenuq, rusa1, kijang, pelanduq2dan lâin-lâin-ña.Olifanten, neushorens, wilde runderen (op Javabantèng), herten, reeën, dwerghertjes enz. (en andere).Kâlaw bôleh dapăt selâdang sa ékor, gemăr lah ati-ku.Als je een wilde koe (stier) kunt krijgen, zou ik ’t heerlijk vinden (is mijn hart begeerig).Kâlaw untung, bôleh juga kita dapăt, tuan.Als we gelukkig zijn, kunnen we er wel een krijgen, mijnheer.Aku arăp bagitu.Dat hoop ik (ik hoop zoo).Jangan bâwa bâñaq ôrang, sa ôrang dua ôrang sâja, jâdi lah. Tuan jâlan pelâhan sekâli, ta bôleh cakăp-cakăp.U moet niet veel menschen meenemen, twee man maar, dat ’s voldoende. U moet heel langzaam loopen, en u mag niet praten.Tempat mâna yang dia suka?Van welke plaatsen houden ze?Utan-buluh dekăt dăngăn âir angăt, itu lah yang dia suka sangăt.Bamboe-bosch dicht bij een warme bron (lauw water), daar houden ze veel van.Bôleh kah dekăt dăngăn dia?Kan men ze naderen?Bôleh juga, kâlaw ôrang panday mengikut binâtang.Jawel (kan wel), als men bekwaam is in ’t opsporen van dieren (volgen van dieren).Kâlaw jantăn, tanduq-ña besar-pañjang. Betina pun bertanduq juga, tetapi kecil lâgi.’t Mannetje heeft dikke lange horens(lett.: als ’t mannetje, zijn horens groot lang). ’t Wijfje heeft ook horens, maar die zijn kleiner.Kulit-ña ităm, bulu pèndèq, kaki-ña kecil, bulu-betis-ña mêrah.De huid is zwart, de haren zijn kort, de pooten klein, ’t haar op de huid is rood.Gârang sekâli-binâtang itu, kâlaw dia langgar, endaq lah kita jâga bâik-bâik.Die dieren zijn erg kwaadaardig, als ze aanvallen, moeten we voorzichtig zijn.Dia terekam dăngăn tanduq-ña.Ze vallen met hun horens aan.[33]Kâlaw luka ta mati, bârang-kâli gârang, kâlaw ta kenâ lâri lah dia.Als ze gewond en niet doodzijn, zijn ze wellicht gevaarlijk (woest), als ze niet getroffen zijn, loopen ze weg.
Sâya endaq pegi menémbaq.Ik wil gaan jagen (schieten).Tuan ’naq menémbaq âpa?Waar wil u op jagen?Naqmenémbaq bûrung.Ik wil vogels schieten.Bûrung macăm âpa?Wat voor soort vogels?Bûrung-berkèq, puyuh, bûrung-belibis, itik-âir, undan, âpa-âpa macăm yang âda.Snippen, kwartels, talingen, wilde eenden, wilde ganzen, al wat er maar is (welke soorten, die er zijn).Bûrung-kuang yang susah sekâli mendapăt-ña.De argus-fazant is ’t lastigst te krijgen.[30]Dia inggăp di âtas pokoq dalăm rimba besar-besar. Kâlaw ôrang sudahdekăt, terbang lah dia.Hij zit op boomen in groote wouden. Als men hem nadert (reeds nabij is), vliegt hij weg.Tuan pakay senâpang-kôpaq?Gebruikt u een achterlader?Ia, senâpang-kôpaq dua mâtâ-ña; senâpang kembar.Ja, een dubbelloops-achterlader; een dubbelloops-geweer.Bâwa petrum yang isi penâbur âlus itu.Breng patronen met fijnen hagel erin.Tidaq âda lâgi, tuan: sudah âbis semua, tinggal nomor lima sâja.Die zijn er niet meer, mijnheer: die zijn alle op, er is alleen nog maar no. 5 (blijft no. 5 slechts).Kâlaw menémbaq punay éloq lah nomor lima.Als men op wilde duiven schiet, is no. 5 uitstekend (mooi).Bâwa petrum-pelûru dua tiga butir, bârang-kâli jumpa bâbi-utan âtaw buâya.Breng twee of drie hagelpatronen mee, misschien treffen we een wild zwijn of een krokodil.Sabelah sini, tuan, âda dua tiga ékor bûrung inggap di rumput sâna, tepi pâya.Dezen kant uit, mijnheer, er zitten twee of drie vogels daar in ’t gras, aan den kant van ’t moeras.Itu dia!Daar zijn ze!Kenâ kah tidaq?Zijn ze geraakt of niet?Kenâ, tuan.Ze zijn geraakt, mijnheer.Pegi lah mengambil-ña.Ga ze halen.Kenâ sedikit, tuan. Belom mati, sudah meñelăm.Ze zijn maar even (een beetje) geraakt, ze zijn nog niet dood, ze zijn al ondergedoken.Panday sekâli sembuñi bûrung-belibis itu, melâinkăn mati-langsung, susah meñcâri-ña.Die talingen kunnen zich heel goed verschuilen (zeer bekwaam zich te verschuilen); tenzij ze morsdood zijn, is ’t lastig ze te zoeken.Bûrung bâñaq, tuan; tetapi pâya dalam, mâu pakay prâu.Er zijn veel vogels, mijnheer; maar ’t moeras is diep, we moeten een boot gebruiken.Rumput sudah pañjang, susah beprâu.’t Gras is al hoog (lang), ’t is lastig te varen.Bôleh juga kita berjâlan pelâhan-pelâhan. Berdâyung ta bôleh, mâu bergâlah.We kunnen ook heel langzaam loopen. Roeien gaat niet, we moeten boomen.[31]Tuan duduq di tengah prâu, di âluan, sâya nanti bergâlah deri belâkang.Ga u in ’t midden van de boot, aan den voorsteven zitten, dan zal ik van achter boomen.Luas sekâli pâya ini.Âpa nâma tampat-ña?Dit moeras is zeer uitgestrekt. Hoe heet deze plaats?Bendang-kering, tuan.Bendang-kering (droog rijstveld) mijnheer.Bûrung sudah jâtoh, kenâ sâyap-ña, nanti dia lâri, ambat lekas.De vogel is gevallen, hij is in zijn vleugel getroffen, straks loopt hij weg, ga hem gauw achterna.Dapăt, tuan, kenâ di dâda, mati-langsung.Ik heb ’m (gekregen), mijnheer, hij is in de borst getroffen, hij is morsdood.Mâna-mâna yang belom mati, semlèhkăn dia, bôleh ôrang Selam mâkan-ña.Alle, die nog niet dood zijn moet je slachten (op Mohammedaansche wijze), dan kunnen de Moslims ze eten.Lemaq sekâli dâging-ña.’t Vleesch is erg machtig (vet).Bûrung berkèq yang sedăp deri semua.Snippen zijn ’t lekkerst van alle.Tuan suka kah bebûru rusa?Houdt u er van herten te jagen?Kâlaw âda añjing, suka juga.Als er honden zijn, houd ik er wel van.Râja-râja Pâhang yang panday bebûru.De vorsten van Pâhang zijn goede jagers (bekwaam in ’t jagen).Âpa bangsa añjing dia pakay(dipakay-ña)?Wat voor soort (ras) honden gebruiken ze?Añjing ôrang Sakay.Honden van de Sakay’s(oorspr. bewoners van Malaka).Cari ôrang Sakay, yang panday mengikut binâtang liar, bôleh kita pegi menémbaq.Zoek een Sakay, die wilde dieren kan opsporen, dan kunnen we die gaan jagen (schieten).Âda sa ôrang pâwang di sini, tuan.Hier is een „pâwang” (soort dierenbezweerder, die wilde dieren opspoort), mijnheer.Binâtang macăm âpa bôleh dapăt? (Âpa macăm binâtang bôleh dapăt?)Wat voor soort dieren kan je vinden?[32]Gâjah, bâdaq, selâdang, tenuq, rusa1, kijang, pelanduq2dan lâin-lâin-ña.Olifanten, neushorens, wilde runderen (op Javabantèng), herten, reeën, dwerghertjes enz. (en andere).Kâlaw bôleh dapăt selâdang sa ékor, gemăr lah ati-ku.Als je een wilde koe (stier) kunt krijgen, zou ik ’t heerlijk vinden (is mijn hart begeerig).Kâlaw untung, bôleh juga kita dapăt, tuan.Als we gelukkig zijn, kunnen we er wel een krijgen, mijnheer.Aku arăp bagitu.Dat hoop ik (ik hoop zoo).Jangan bâwa bâñaq ôrang, sa ôrang dua ôrang sâja, jâdi lah. Tuan jâlan pelâhan sekâli, ta bôleh cakăp-cakăp.U moet niet veel menschen meenemen, twee man maar, dat ’s voldoende. U moet heel langzaam loopen, en u mag niet praten.Tempat mâna yang dia suka?Van welke plaatsen houden ze?Utan-buluh dekăt dăngăn âir angăt, itu lah yang dia suka sangăt.Bamboe-bosch dicht bij een warme bron (lauw water), daar houden ze veel van.Bôleh kah dekăt dăngăn dia?Kan men ze naderen?Bôleh juga, kâlaw ôrang panday mengikut binâtang.Jawel (kan wel), als men bekwaam is in ’t opsporen van dieren (volgen van dieren).Kâlaw jantăn, tanduq-ña besar-pañjang. Betina pun bertanduq juga, tetapi kecil lâgi.’t Mannetje heeft dikke lange horens(lett.: als ’t mannetje, zijn horens groot lang). ’t Wijfje heeft ook horens, maar die zijn kleiner.Kulit-ña ităm, bulu pèndèq, kaki-ña kecil, bulu-betis-ña mêrah.De huid is zwart, de haren zijn kort, de pooten klein, ’t haar op de huid is rood.Gârang sekâli-binâtang itu, kâlaw dia langgar, endaq lah kita jâga bâik-bâik.Die dieren zijn erg kwaadaardig, als ze aanvallen, moeten we voorzichtig zijn.Dia terekam dăngăn tanduq-ña.Ze vallen met hun horens aan.[33]Kâlaw luka ta mati, bârang-kâli gârang, kâlaw ta kenâ lâri lah dia.Als ze gewond en niet doodzijn, zijn ze wellicht gevaarlijk (woest), als ze niet getroffen zijn, loopen ze weg.
1Op Javameñjangan(Jav.)↑2Op Javakañcil(Jav.)↑
1Op Javameñjangan(Jav.)↑2Op Javakañcil(Jav.)↑
1Op Javameñjangan(Jav.)↑
1Op Javameñjangan(Jav.)↑
2Op Javakañcil(Jav.)↑
2Op Javakañcil(Jav.)↑