IV.Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd ’s meisjes gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld, dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem gelukken zou aanzijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes- en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen, verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder, ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een buiteling maakte en zichden neus aan bloed viel, liep hij met een boos gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten, waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen, rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter, alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje, gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.Den liefsten indruk van Demetria had Simonontvangen toen hij haar, in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had, zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was,had haar vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben, want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten, waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze, gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde zich thans zoo gezond als nooit voorheen.Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op den duur zouden doenontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen, dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig, tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne, doorschijnende,Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen, evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden: «Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het ueindelijk behagen deze vrucht met mij te deelen?»—daarbij doelend op de Atheensche gewoonte dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend, weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde, als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden, gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Atheneren buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan, Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat ’s jongelings vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?» zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoordeik mij te wenden tot uw buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn, bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gediertezelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?» vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.» Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar weldra werd hij weder afgeleiddoor een aardig tooneeltje tusschen een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht, ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer; zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippideskon dit alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert, terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe; die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.V.Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij, dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria’s beide broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder had zijn eigen haan vooraf metknoflookgevoederd, ten einde hem des testrijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen, had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij was de eenige van Helena’s zwagers, die nooit een hard woord tegen haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking,toenhij eene breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg, waaraan die tewijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.» «Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos, in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen, een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in staat geoordeeld. Het was dus niet teverwonderen, dat de knapen bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen, hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken niet te verklappen.Dienzelfden middag had de maaltijd van Pheidippides plaats waarop Simon, Kynaigeiros en Straton genoodigd waren. Zij verschenen ter bestemder ure, de vijfentwintigjarige Kynaigeiros, een jongere broeder van Aischylos, van athletische gestalte en verbazende spierkracht, een trouw bezoeker van het gymnasion; en Straton, vijf jaren jonger, tenger en fijn besneden als Pheidippides, diens trouwe gezel bij allerlei soort van vermaak. Men ontdeed zich van de sandalen en besteeg de divans waarop men twee aan twee aanlag en die, even hoog als de tafel, met behulp eener voetbank beklommen werden. De slaven goten water over de handen der gasten en nadat men den Paian ter eere van Apollon gezongen had, nam het feest een aanvang. In den beginne ging alles rustig toe; onder den eigenlijken maaltijd werd geen wijn gedronken,zoodat de gesprekken zich vooralsnog door geen bijzondere luidruchtigheid onderscheidden. Men redeneerde druk over den te verwachten oorlog met Perzië, thans boven allen twijfel verheven; Hippias, de verjaagde Atheensche tiran, de zoon van Peisistratos, die nu reeds negentien jaren lang de Perzische gastvrijheid genoot, zou in persoon het invasieleger vergezellen ten einde de vernedering zijns vaderlands te kunnen aanschouwen en de verloren heerschappij weder te aanvaarden. De groote man was hier Kynaigeiros, die zich had opgehouden in den Thrakischen Chersonesos; de Athener Miltiades had daar als tiran geheerscht en Kynaigeiros’ vader, Euphorion, was een zijner legerhoofden geweest. Hij had toen als achtjarige knaap den inval van Dareios in Thrakië bijgewoond, die een onvergetelijken indruk op hem gemaakt had. «Ik herinner mij alles nog levendig,» verhaalde hij; «dagen achtereen liepen wij jongens naar den heirweg om het Perzische leger te zien voorbij trekken; er kwam geen eind aan. Het was een prachtig gezicht, al die schitterendeoostersche kleederdrachten; zeven- of achthonderdduizend man waren het wel. Maar de ouderen vonden het minder mooi; er bleef niets heel op hun weg en wat ze niet noodig hadden voor onderhoud werd uit brooddronkenheid vernield en verbrand door de half wilde stammen, die met hen mee trokken.» «En zagen ze er zoo verschrikkelijk uit als men zegt?» vroeg Simon. «Ze maakten indruk genoeg,» was het antwoord. «Doch mijn vader heb ik wel eens hooren zeggen, dat hij meer uit zou voeren met duizend Hellenen dan met tienduizend Perzen. Zulk een leger, zeide hij, is wel een groote massa maar geen eenheid en de Perzische krijgslieden vechten alleen werktuigelijk, zonder hooger beginsel en kennen alleen hun koning, geen vaderland, zoodat ze dan ook vaak met zweepslagen in het gevecht moeten gebracht worden.» «Men behoorde,» meende Pheidippides, «Miltiades tot strateeg te kiezen; hij kent de vechtwijze der Perzen beter dan iemand anders.» «Miltiades strateeg!» viel Straton in. «Daarvoor mogen ons de goden behoeden. Een man die twintigjaar lang als tiran in den Chersonesos heeft geheerscht en als vreemdeling in Athene terug is gekeerd, omdat de Chersonesos te dicht bij Perzië lag! Herinnert ge u hoe hij terugkwam, met zijn eigen oorlogsschepen, zijn eigen lijfwacht en zijn eigen schatten en hoe hij aan wal stapte, trotsch als een koning, met zijn vrouw, een Thrakische prinses, even fier als hijzelf? En wat heeft hij sedert gedaan om de toegenegenheid der Atheners te verwerven? Hij leeft teruggetrokken en ongenaakbaar en ziet uit de hoogte op de burgers neder.» «Het is waar,» zeide Kynaigeiros, «en toch zullen wij, als de ure daar is, Miltiades niet kunnen ontberen. Bij zulk een man behoort men sommige uiterlijkheden over het hoofd te zien en alleen te letten op zijn groote verdiensten en buitengewone talenten. Zijt ge vergeten op hoe schitterende wijze hij zich kort na zijn terugkeer tegen de aanklacht van tyrannis verdedigde, door er op te wijzen hoe hij het vruchtbare en volkrijke schiereiland aan den Hellespont, waar zijn oom en broeder zelfstandig geheerscht hadden, van een familiebezittot een eigendom van het Atheensche volk gemaakt heeft; hoe hij het was, die tijdens den Ionischen opstand het omvangrijke en gewichtige Lemnos voor Athene veroverde; hoe hij alleen van alle Hellenen tegen Dareios is opgetreden en reeds aan den Istros den belager van Hellas aan den rand des verderfs heeft gebracht? Bovendien zou ik gaarne Miltiades tot strateeg gekozen zien omdat hij zulk een schoon man is en het aanschouwen der schoonheid de menschen ongetwijfeld in alle opzichten voortreffelijker en dus ook onversaagder maakt.» «Althans wanneer schoonheid met jeugd gepaard gaat,» meende Straton, «hetgeen bij Miltiades niet het geval is.» «Waartoe dat?» vroeg Kynaigeiros. «Iedere leeftijd bezit zijn eigenaardige schoonheid, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat men voor twijgdragers bij de Panathenaien de schoonste grijsaards pleegt te kiezen, als om te kennen te geven dat de schoonheid door geene jaren gebonden is.» «En toch,» zeide Straton, «doet het mij leed dat Miltiades van de aanklacht van tyrannis vrijgesproken is enhoop ik dat hij althans niet tot strateeg zal gekozen worden. Ik acht het gevaarlijk, nu Athene eerst zoo kort geleden zijn eigen tirannen gedood of verjaagd heeft, een voormalig tiran van den Chersonesos dusdanige macht in handen te geven en vrees dat de met zooveel moeite bevochten vrijheid daardoor wel eens groot gevaar zou kunnen loopen.» «Ik deel uwe vrees niet,» merkte Simon op. «Op zichzelf toch is iedere regeeringsvorm rechtvaardig, hetzij democratie of oligarchie of tyrannis; het is alleen de vraag op welke wijze de algemeene belangen het best bevorderd worden. Athene nu is, naar onze voorvaderen terecht gemeend hebben, het best gediend door de democratie en die democratie werd door Kleisthenes, den goden zij dank! op zóó hechte grondslagen gevestigd, dat men zich omtrent de vastheid van haar bestaan niet bevreesd behoeft te maken.» Pheidippides was het met hem eens en voegde er nog een aardig verhaal bij om te bewijzen, hoe de overdreven vrees voor de tyrannis den Atheners nog in merg en been zat. «Onlangs op de vischmarktzijnde, drentelde ik voorbij een tweetal kraampjes; in het eene werd de goedkoope en onaanzienlijke sprot, in het tweede de dure en voorname thonijn verkocht. Een goedgekleed Athener was bezig zich in het eerste kraampje te voorzien, hetgeen den argwaan opwekte van twee waterdragers, die elkander aanstootend opmerkten: «Die rijkaard dáár koopt armeluisvisch om zich populair te maken; die staat zeker naar de tyrannis.» Een oogenblik later zag ik een anderen goedgekleeden Athener, die in het tweede kraampje thonijn en veel thonijn kocht. «Kijk eens!» mompelde een tweetal ezeldrijvers in zijne nabijheid, «al die thonijn is zeker bestemd voor een tirannenmaal, waar men zal beramen op welke wijze het Atheensche volk weder tot slavernij zal kunnen worden gebracht.»»Men lachte hartelijk om het verhaal en behalve Straton waren allen het eens, dat Miltiades ondanks zijn eigenaardigheden de man was, die bij den aanstaanden oorlog de hoofdrol behoorde te spelen, om zijn veldheerstalenten, zijn kennis van Perzischemilitaire toestanden en zijn ontzag inboezemend optreden, te onmisbaarder waar zich in Athene, als in de meeste Helleensche steden, eene niet te verachten Perzischgezinde partij bevond, die slechts een gunstig oogenblik wachtte om het masker af te werpen. Allen lieten zich onderwijl de verschillende gerechten goed smaken, nu en dan de handen afdrogend aan groote sneden brood, die vervolgens aan des gastheers grooten hond werden toegeworpen en gretig verzwolgen. De Kopaïsche paling vooral wekte de algemeene bewondering op en bracht zelfs door zijne schoonheid Straton in een tragische geestvervoering; hij verhief zich halverwege van zijn zetel, zette den krans op het hoofd recht en declameerde met parodieering van eenige verzen uit een treurspel tot den gebakken visch:Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche,Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd,Kom aan mijn boezem!Maar de maaltijd liep ten einde; men waschte op nieuw de handen, het nagerecht werd opgedragen en het drinkgelag ving aan. Vooraf behoorde een symposiarch, die de leidingdaarvan op zich nam, gekozen te worden en het lot wees den zoon van Panaitios daartoe aan. «Een dronk op den goeden geest,» aldus begon hij en allen ledigden een beker ongemengden wijn op Dionysos, den schenker des wijnstoks, waarop drie plengingen plaats hadden ter eere van de Olympische goden, de heroën en den reddenden Zeus. Daarna werd met drie deelen water vermengde wijn door de slaven rondgediend en luid geprezen. «Hij houdt zijn drie deelen goed,» zeide Straton, «en het honigdeeg dat hem zijn geur verleent, is op het juiste oogenblik onder het gisten met den wijn vermengd.» «Deze wijn,» liet Pheidippides volgen, «dank ik aan mijn vader, die mij steeds op voldoende wijze van dit vocht voorziet. Maar overigens is hij lang zoo vrijgevig niet meer als vroeger en het kost mij in den laatsten tijd genoeg moeite mijzelf nu en dan eene gepaste ontspanning te verschaffen.» Hij achtte het onkiesch den gasten mede te deelen dat zij zooeven zijn laatsten harddraver in hunne maag hadden doen verdwijnen, doch maakte er geen geheim vandat hij zijn voorlaatsten van de hand had gedaan, teneinde de gunsten der bevallige Antheia deelachtig te worden. En Straton gaf hem daarin ten volle gelijk; deze schoone toch, een lieveling der Chariten, was de grootste opofferingen waard, want niemand verstond het beter dan zij den rozenkrans der vreugde om het voorhoofd harer aanbidders te strengelen. Simon echter kwam met kracht tegen deze beschouwing op; hij was nog ten volle den goeden, strengen, ouden begrippen toegedaan en ergerde zich voortdurend over het steeds toenemend aantal hetairen. «Ouden van dagen,» zeide hij, «kunnen zich nog herinneren hoe er vijftig jaar geleden geen enkele in Athene te zien was. Toen zijn zij langzamerhand gekomen, in het gevolg van Peisistratos, steeds meer en meer en tegenwoordig ontmoet men ze overal.» Simon had geen woorden genoeg om zijne verachting voor haar uit te drukken. Hij wees op haar domheid, hebzucht, valschheid en trouweloosheid en prees de dagen van voorheen, waarin elk jonkman zich reeds vroegtijdig eene gade koos en zich met wezensals Antheia en hare zusteren niet bemoeide. «Zij zijn Echidna’s,» eindigde hij, «Skylla’s, Chimaira’s, Sphinxen, Hydra’s...» «Een lam! brengt dadelijk een zwart lam!» riep Straton in comische vertwijfeling den slaven toe, als gold het bij Simons heftigen uitval met dit gebruikelijk offer een opkomenden orkaan te bezweren. En hij betoogde dat de Atheensche vrouwen wat geestesontwikkeling betrof toch voorzeker niet boven de hetairen te stellen waren. «Ik noem haar,» zeide hij, «onbekwaam tot deelneming aan hoogere belangen en alleen geschikt om als opgepronkte poppen tentoongesteld te worden of wel zich met huishoudelijke zaken bezig te houden, wanneer de man althans niet gedwongen is wegens haar snoep- en drankzucht den sleutel der provisiekast in eigen beheer te nemen. Wat hare trouw betreft, ken ik voorbeelden van mannen, die verplicht waren hun vrouwen het haar af te scheren ten einde ze te beletten zich op straat te begeven en haar minnaars te bezoeken.» En toen Simon hiertegen opmerkte dat al die rampen gewoonlijk de schuld der mannen zelfwaren, die, met een zeer jong meisje huwend, verzuimden als leidsman en leeraar op te treden, antwoordde Pheidippides dat hij wat zijne zuster betrof geen ander leeraar en leidsman zou wenschen dan Simon, doch zelf voor dergelijke bemoeiingen al zeer weinig geneigdheid bezat, weshalve hij de voorkeur gaf aan het gezelschap van vrouwen, die geen leidsman of leeraar meer noodig hadden en op eigen beenen konden staan. «In den aanvang,» voegde hij er bij, «heeft Zeus alleen menschen geschapen zonder geslacht, met vier armen en beenen, die zich als een rad voortbewogen. Zeus was echter bevreesd dat zij in die gedaante te groot en te machtig zouden worden en heeft ze daarom doorgesneden. Sedert dien dag zoekt ieder menschelijk wezen het deel dat oorspronkelijk zijne wederhelft uitmaakte en men behoort een ieder vrijheid te geven het te zoeken, waar hij meent het te kunnen vinden. Huis niet in mijnen geest; ge hebt immers zelf een huis?» eindigde hij, met eene vaak gebezigde spreekwijze.De bekers werden op Simons bevel wederomgevuld en het gezelschap ging op voorstel van zijn symposiarch over tot eene zeer geliefkoosde uitspanning: het opgeven van raadsels. Kynaigeiros ving aan door het stellen der vragen: wat is het oudste, het wijste, het sterkste, het schoonste, het minste? Pheidippides, tot wien hij deze vragen richtte, loste ze op de volgende wijze op: het oudste, de tijd; het wijste, de waarheid; het sterkste, het geluk; het schoonste, het licht; het minste, de dood. Maar Simon, hoezeer de twee andere gasten deze oplossing ten zeerste toejuichten, kon zich met haar in geenen deele vereenigen. «Hoe nu?» zeide hij, «de tijd, die deels verleden, deels tegenwoordig, deels toekomstig is, zou het oudste zijn? En de waarheid noemt men het wijste? Dat is alsof iemand zeide: oogen en licht zijn hetzelfde. Ware voorts het geluk het sterkste, dan zou het niet zoo broos en wisselvallig zijn, als wij dagelijks kunnen waarnemen. Wanneer ge het licht het schoonste noemt, waarom dan niet, mag ik vragen, de zon als zoodanig geprezen? Ten slotte kan ik niet toegeven dat de dood het minste zouwezen; immers hij heeft met de menschelijke zaken niets gemeen.» «Op welke wijze zoudt ge dan zelf,» vroeg Pheidippides eenigszins teleurgesteld, «de gedane vragen beantwoorden?» «Aldus: het oudste is de godheid, want zij heeft geen begin. Het wijste, de tijd, want hij heeft reeds veel dingen bedacht en zal er nog meer bedenken. Het sterkste, de noodzakelijkheid, want zij overwint alles. Het schoonste, de wereld, want alles wat schoon heet, is daarvan een deel. En het minste is ongetwijfeld de hoop, want wie niets het zijne mag noemen, bezit haar nog.» De overigen moesten de meerdere juistheid van deze oplossingen toegeven en men ging over tot minder diepzinnige vraagstukken, tot raadsels in verzen, bv. aldus:’k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke;Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.Straton, wien dit raadsel door Pheidippides werd voorgelegd, vermocht niet het op te lossen en moest tot boete een beker ongemengdenwijn ledigen. Kynaigeiros was gelukkiger door terstond «de schaduw» te noemen; hij ontving een stuk gebak als belooning en, zich tot Simon wendend, vroeg hij:Wie nog ziet, ziet mij niet; slechts hij kan mij zien, die niet ziet meer.«De slaap,» zeide Simon en werd beloond met een verschen bloemkrans om het hoofd, te welkomer nu de slapen, onder den invloed van den Chiër, die zijn drie deelen water zoo goed hield, allengs begonnen te gloeien. Vooral Straton, die het zwakst was in het oplossen van raadsels en derhalve menigen beker ongemengden wijn had moeten naar binnen slaan, begon druk en rumoerig te worden. Hij had al drie of vier keer aan den gastheer gevraagd of deze wel gezorgd had voor fluitspeelsters en danseressen, telkens vergetend dat hij het al gevraagd en een bevestigend antwoord ontvangen had. Plotseling herinnerde hij zich een zeer ingewikkeld raadsel, dat hij opgaf, overtuigd dat niemand het zou kunnen raden:Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonenKinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.En hij genoot dan ook de voldoening dat Simon zijn onvermogen erkende en gestraft werd. Doch Kynaigeiros, die toen aan de beurt kwam, was gelukkiger; de wijn oefende op zijn reusachtig lichaam voorloopig geen merkbaren invloed uit en, zich op den rechterarm steunend, terwijl hij de linkerhand naar het voorhoofd bracht, zeide hij na eenig bedenken: «Mij dunkt dat met den vader het jaar bedoeld is; met de twaalf zonen de twaalf maanden des jaars; met de tweemaal dertig kinderen, onderscheiden van uiterlijk, voor de helft wit en voor de helft zwart, de dagen en de nachten.» Men schonk den broeder van Aischylos luiden bijval, hoewel de teleurgestelde Straton, die een achterdochtigen dronk had, hem verdacht van raadsel en oplossing reeds vroeger gehoord en slechts geveinsd te hebben de laatste door eigen nadenken te vinden.Nog eenigen tijd ging men op dezelfde wijs voort, terwijl Straton telkens blikken naar de deur wierp, verlangend de danseressen en fluitspeelsters te zien verschijnen.Maar Simon meende dat het tijd werd voor afwisseling te zorgen en men ging over tot het voordragen van skoliën, geïmproviseerde liederen, beurt om beurt ten beste gegeven. De symposiarch begon; hij nam de lyra, hem door een der slaven ter hand gesteld en hief aan:Dat ge toch, o blinde Ploutos!Menschenkweller, noch in ’t zeenat,Noch op ’t vasteland verwijldet,Maar den Tartaros bewoondetEn den Acheron. Van u tochKomt den stervling alle kwaad.Hij reikte de lyra aan Straton, die een lied ter eere der liefde stemde, beginnende met de woorden:Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!waarop de beurt aan Pheidippides en Kynaigeiros kwam. Men had langzamerhand, ook geprikkeld door het gebruik van met zoutbestrooid gebak, veel gedronken en, hoezeer de zware Chiër door den lichteren wijn van Zakynthos vervangen was, begonnen de tongen verward te worden. Simon, die in zijne hoedanigheid van symposiarch den beker op bescheidener wijze behandeld had dan de overigen, achtte het oogenblik gekomen om het ernstiger onderhoud te doen staken. Doch vóór hij daartoe overging, nam hij nog eenmaal de lyra ter hand en begon:Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze den tiran ontlijfden enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijdden.De uitdrukking op het gelaat der aanliggenden veranderde. Het lied, waarvan Simon den aanhef had gegeven, was gedicht ter eere van Harmodios en Aristogeiton, die voor drie-en-twintig jaar op het feest der Panathenaien den tiran Hipparchos, den zoon van Peisistratos en broeder van Hippias, vermoord en bij die gelegenheid het zwaard bevorens in een mirtekrans verborgen hadden. Het was een stuk geschiedenis, in dat lied vervat; heteerste sein tot de zoo moeizaam verworven, zoo naijverig bewaakte vrijheid; eene herinnering, des te heiliger, waar de verdediging van diezelfde vrijheid over luttele maanden wederom het zwaard uit de schede zou roepen. Een hooge, eene religieuse stemming beving dan ook de pretmakende drinkebroers van zooeven en met een vaste stem ging Pheidippides voort, de hem toegereikte lyra tokkelend:Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;Ge zijt, naar ’k verneem, in der zaligen eiland,Waar ook snelvoetige Achilleus verblijftEn Diomedes, Tydeus’ zone.De beurt was aan Straton:Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze op het heilige AthenafeestHipparchos den tiran vermoordden.Ten slotte klonk het uit Kynaigeiros’ mond:Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,Dierbre Harmodios en Aristogeiton,Daar ge den tiran ontlijfdet enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijddet.Juist was het lied ten einde en het naspel der lyra deed zich nog hooren, toen de deurwerd geopend en eenige fraai uitgedoste fluitspeelsters en danseressen binnentraden, die door muziek en mimische dansen de gasten vermaakten. Van dat oogenblik was het met den ernst en de ingetogenheid der meesten gedaan. Straton, wiens vurigst verlangen eindelijk vervuld was, had zich al spoedig met een bekoorlijk meisje in een hoek van het vertrek teruggetrokken en betuigde haar zijn bewondering door zijn skolion van daar straks eindeloos te herhalen:Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!steeds weder beginnend, niet verder komend dan den eersten regel. Pheidippides en Kynaigeiros hielden zich nog eenigen tijd bezig met het vermakelijk kottabosspel, daarin bestaande, dat men eene met water gevulde schaal op eenigen afstand vóór zich plaatste en door middel van een straal wijn, uit den mond of een beker geworpen, de daarin drijvende schoteltjes zocht te doen zinken. Hij, wien het gelukte, ontving het getroffen schoteltje ten geschenke. Kynaigeiros beweerde in dit spel bijzonder bedreven te zijn; hij bezat naarzijn zeggen tehuis eene heele verzameling van die schoteltjes, achtereenvolgens veroverd. Maar heden wilde het niet gelukken; de meeste stralen troffen niet eens de schaal en vielen er voor of achter op den grond. Pheidippides was gelukkiger en trad met een drietal zegeteekenen uit den wedstrijd. Weldra zochten ook zij het gezelschap der meisjes op en mochten het geluk smaken, ieder de wederhelft te vinden, met wie zij in vroeger tijden, toen de menschen nog vier armen en vier beenen bezaten, waarschijnlijk verbonden waren geweest. Simon, die allengs eveneens den invloed des wijns was gaan gevoelen, doch een ernstiger dronk had, hield beschouwingen over den besten regeeringsvorm en over de beteekenis van den Helleen als lid van het staatsverband, beschouwingen, die door de overigen met te meer bewondering werden aangehoord, naarmate zij er minder van begrepen.Niemand herinnerde zich later duidelijk, hoe het feest was afgeloopen. Men had het gebruikelijke plengoffer aan Hermes gewijd en was toen naar buiten gegaan. Maar veel verderstrekten de herinneringen niet. Wel wisten de feestvierenden dat men, in gezelschap van de danseressen en fluitspeelsters, was aangeland bij andere feestvierenden, óók met danseressen en fluitspeelsters en daar het festijn gezamenlijk nog eenigen tijd had voortgezet, met uitzondering van Straton, die met een der meisjes op geheimzinnige wijze was verdwenen. Wie die anderen echter geweest waren, bleek nimmer. Men bezat nog eene flauwe voorstelling, hoe de athletische Kynaigeiros gymnastische toeren had uitgevoerd met eene danseres onder iederen arm. Pheidippides was tehuis gekomen, ondersteund door eene fluitspeelster aan den rechter- en door Simon aan den linkerkant. Voor de deur was hij gestruikeld over het zuiltje, ter eere van Apollon haguieus aldaar aangebracht. En toen hij den volgenden morgen met een zwaar hoofd ontwaakte, bemerkte hij bij het weggaan de breede sandalen van Kynaigeiros in plaats van de zijne te hebben aangetrokken. Maar allen hadden zich kostelijk vermaakt, daarover was men het eens, al was er heel wat polei noodig, om de magen weer in orde te brengen.VI.Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering, bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven, was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria’s eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen, dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed, temeer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo is het ookmet den staat en even waar als het is dat het geheel hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag, dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat, die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen, die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheidkan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die, waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen niet voor denveld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst, waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden; men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen, door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield, afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars deed herleven, was in nietgeringe mate geschikt om Athenes weerbare mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange dagen, die te wachten stonden.Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van Pheidippides’ broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet, als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op devoorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen, opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd, uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne gemeenschappelijkewoning zou voeren, door de straten. De verloofden hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes, wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera, die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter, die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden, als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen, waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos’ woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een maaltijd gehouden, waarbij als uitzonderingook vrouwelijke gasten, zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond, onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop vanden maaltijd was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos, die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen, welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:Bruiloft vierden op deze wijsZeus, die van zijn hoogen troonHeerscht over de goden enHera, die zijn rijksstoel deelt.Als thans klonk er het bruidslied:Waarop allen invielen:Hymen! o Hymenaios!Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:Goudvleugelige Eros was ’tDie als bruidsknaap, bloeiend schoon,Zeus en Hera zat ter zijEn de bruidskarosse metRozenvingeren stuurde.En wederom besloot het koor:Hymen! o Hymenaios!De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere, klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:Volgt den bruidsstoet op zijn pad;Volgt hem naar des bruigoms huis;Strooit hun bloemen waar ze gaan;Volgt hen, kransen om het hoofd;Leidt hen op naar het bruidsbed,Hymen! o Hymenaios!Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was het dat Simon op zekeren morgen meteen ernstig gelaat tot haar zeide: «Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus, dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen, tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meertot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders dan gebaat zou kunnen worden.«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden, zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en man behoorengelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren, maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?» «In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht enwelgemeend waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn, tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven bevolken.» NaarmateDemetria deze verschillende bezigheden opsomde, bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage; zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij gaan hechten.»Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde, evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had gevonden; hij streek met de hand overhaar rosbruin hoofdje waarop de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde: «Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat, geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria, eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken, wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos, veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?» «Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw de volmaaktheid schonken, hebben gewild datbeiden in wederzijdsche afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge, waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde, die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was, gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun leven had gedaan.
IV.Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd ’s meisjes gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld, dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem gelukken zou aanzijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes- en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen, verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder, ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een buiteling maakte en zichden neus aan bloed viel, liep hij met een boos gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten, waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen, rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter, alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje, gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.Den liefsten indruk van Demetria had Simonontvangen toen hij haar, in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had, zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was,had haar vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben, want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten, waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze, gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde zich thans zoo gezond als nooit voorheen.Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op den duur zouden doenontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen, dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig, tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne, doorschijnende,Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen, evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden: «Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het ueindelijk behagen deze vrucht met mij te deelen?»—daarbij doelend op de Atheensche gewoonte dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend, weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde, als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden, gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Atheneren buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan, Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat ’s jongelings vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?» zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoordeik mij te wenden tot uw buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn, bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gediertezelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?» vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.» Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar weldra werd hij weder afgeleiddoor een aardig tooneeltje tusschen een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht, ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer; zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippideskon dit alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert, terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe; die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.
Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd ’s meisjes gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld, dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem gelukken zou aanzijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes- en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen, verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder, ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een buiteling maakte en zichden neus aan bloed viel, liep hij met een boos gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten, waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen, rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter, alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje, gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.
Den liefsten indruk van Demetria had Simonontvangen toen hij haar, in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had, zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was,had haar vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben, want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten, waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze, gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde zich thans zoo gezond als nooit voorheen.
Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op den duur zouden doenontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen, dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.
Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig, tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne, doorschijnende,Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen, evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden: «Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het ueindelijk behagen deze vrucht met mij te deelen?»—daarbij doelend op de Atheensche gewoonte dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend, weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde, als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden, gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.
Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Atheneren buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan, Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat ’s jongelings vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?» zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoordeik mij te wenden tot uw buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn, bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gediertezelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?» vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.» Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar weldra werd hij weder afgeleiddoor een aardig tooneeltje tusschen een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht, ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer; zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippideskon dit alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert, terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe; die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.
V.Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij, dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria’s beide broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder had zijn eigen haan vooraf metknoflookgevoederd, ten einde hem des testrijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen, had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij was de eenige van Helena’s zwagers, die nooit een hard woord tegen haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking,toenhij eene breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg, waaraan die tewijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.» «Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos, in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen, een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in staat geoordeeld. Het was dus niet teverwonderen, dat de knapen bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen, hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken niet te verklappen.Dienzelfden middag had de maaltijd van Pheidippides plaats waarop Simon, Kynaigeiros en Straton genoodigd waren. Zij verschenen ter bestemder ure, de vijfentwintigjarige Kynaigeiros, een jongere broeder van Aischylos, van athletische gestalte en verbazende spierkracht, een trouw bezoeker van het gymnasion; en Straton, vijf jaren jonger, tenger en fijn besneden als Pheidippides, diens trouwe gezel bij allerlei soort van vermaak. Men ontdeed zich van de sandalen en besteeg de divans waarop men twee aan twee aanlag en die, even hoog als de tafel, met behulp eener voetbank beklommen werden. De slaven goten water over de handen der gasten en nadat men den Paian ter eere van Apollon gezongen had, nam het feest een aanvang. In den beginne ging alles rustig toe; onder den eigenlijken maaltijd werd geen wijn gedronken,zoodat de gesprekken zich vooralsnog door geen bijzondere luidruchtigheid onderscheidden. Men redeneerde druk over den te verwachten oorlog met Perzië, thans boven allen twijfel verheven; Hippias, de verjaagde Atheensche tiran, de zoon van Peisistratos, die nu reeds negentien jaren lang de Perzische gastvrijheid genoot, zou in persoon het invasieleger vergezellen ten einde de vernedering zijns vaderlands te kunnen aanschouwen en de verloren heerschappij weder te aanvaarden. De groote man was hier Kynaigeiros, die zich had opgehouden in den Thrakischen Chersonesos; de Athener Miltiades had daar als tiran geheerscht en Kynaigeiros’ vader, Euphorion, was een zijner legerhoofden geweest. Hij had toen als achtjarige knaap den inval van Dareios in Thrakië bijgewoond, die een onvergetelijken indruk op hem gemaakt had. «Ik herinner mij alles nog levendig,» verhaalde hij; «dagen achtereen liepen wij jongens naar den heirweg om het Perzische leger te zien voorbij trekken; er kwam geen eind aan. Het was een prachtig gezicht, al die schitterendeoostersche kleederdrachten; zeven- of achthonderdduizend man waren het wel. Maar de ouderen vonden het minder mooi; er bleef niets heel op hun weg en wat ze niet noodig hadden voor onderhoud werd uit brooddronkenheid vernield en verbrand door de half wilde stammen, die met hen mee trokken.» «En zagen ze er zoo verschrikkelijk uit als men zegt?» vroeg Simon. «Ze maakten indruk genoeg,» was het antwoord. «Doch mijn vader heb ik wel eens hooren zeggen, dat hij meer uit zou voeren met duizend Hellenen dan met tienduizend Perzen. Zulk een leger, zeide hij, is wel een groote massa maar geen eenheid en de Perzische krijgslieden vechten alleen werktuigelijk, zonder hooger beginsel en kennen alleen hun koning, geen vaderland, zoodat ze dan ook vaak met zweepslagen in het gevecht moeten gebracht worden.» «Men behoorde,» meende Pheidippides, «Miltiades tot strateeg te kiezen; hij kent de vechtwijze der Perzen beter dan iemand anders.» «Miltiades strateeg!» viel Straton in. «Daarvoor mogen ons de goden behoeden. Een man die twintigjaar lang als tiran in den Chersonesos heeft geheerscht en als vreemdeling in Athene terug is gekeerd, omdat de Chersonesos te dicht bij Perzië lag! Herinnert ge u hoe hij terugkwam, met zijn eigen oorlogsschepen, zijn eigen lijfwacht en zijn eigen schatten en hoe hij aan wal stapte, trotsch als een koning, met zijn vrouw, een Thrakische prinses, even fier als hijzelf? En wat heeft hij sedert gedaan om de toegenegenheid der Atheners te verwerven? Hij leeft teruggetrokken en ongenaakbaar en ziet uit de hoogte op de burgers neder.» «Het is waar,» zeide Kynaigeiros, «en toch zullen wij, als de ure daar is, Miltiades niet kunnen ontberen. Bij zulk een man behoort men sommige uiterlijkheden over het hoofd te zien en alleen te letten op zijn groote verdiensten en buitengewone talenten. Zijt ge vergeten op hoe schitterende wijze hij zich kort na zijn terugkeer tegen de aanklacht van tyrannis verdedigde, door er op te wijzen hoe hij het vruchtbare en volkrijke schiereiland aan den Hellespont, waar zijn oom en broeder zelfstandig geheerscht hadden, van een familiebezittot een eigendom van het Atheensche volk gemaakt heeft; hoe hij het was, die tijdens den Ionischen opstand het omvangrijke en gewichtige Lemnos voor Athene veroverde; hoe hij alleen van alle Hellenen tegen Dareios is opgetreden en reeds aan den Istros den belager van Hellas aan den rand des verderfs heeft gebracht? Bovendien zou ik gaarne Miltiades tot strateeg gekozen zien omdat hij zulk een schoon man is en het aanschouwen der schoonheid de menschen ongetwijfeld in alle opzichten voortreffelijker en dus ook onversaagder maakt.» «Althans wanneer schoonheid met jeugd gepaard gaat,» meende Straton, «hetgeen bij Miltiades niet het geval is.» «Waartoe dat?» vroeg Kynaigeiros. «Iedere leeftijd bezit zijn eigenaardige schoonheid, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat men voor twijgdragers bij de Panathenaien de schoonste grijsaards pleegt te kiezen, als om te kennen te geven dat de schoonheid door geene jaren gebonden is.» «En toch,» zeide Straton, «doet het mij leed dat Miltiades van de aanklacht van tyrannis vrijgesproken is enhoop ik dat hij althans niet tot strateeg zal gekozen worden. Ik acht het gevaarlijk, nu Athene eerst zoo kort geleden zijn eigen tirannen gedood of verjaagd heeft, een voormalig tiran van den Chersonesos dusdanige macht in handen te geven en vrees dat de met zooveel moeite bevochten vrijheid daardoor wel eens groot gevaar zou kunnen loopen.» «Ik deel uwe vrees niet,» merkte Simon op. «Op zichzelf toch is iedere regeeringsvorm rechtvaardig, hetzij democratie of oligarchie of tyrannis; het is alleen de vraag op welke wijze de algemeene belangen het best bevorderd worden. Athene nu is, naar onze voorvaderen terecht gemeend hebben, het best gediend door de democratie en die democratie werd door Kleisthenes, den goden zij dank! op zóó hechte grondslagen gevestigd, dat men zich omtrent de vastheid van haar bestaan niet bevreesd behoeft te maken.» Pheidippides was het met hem eens en voegde er nog een aardig verhaal bij om te bewijzen, hoe de overdreven vrees voor de tyrannis den Atheners nog in merg en been zat. «Onlangs op de vischmarktzijnde, drentelde ik voorbij een tweetal kraampjes; in het eene werd de goedkoope en onaanzienlijke sprot, in het tweede de dure en voorname thonijn verkocht. Een goedgekleed Athener was bezig zich in het eerste kraampje te voorzien, hetgeen den argwaan opwekte van twee waterdragers, die elkander aanstootend opmerkten: «Die rijkaard dáár koopt armeluisvisch om zich populair te maken; die staat zeker naar de tyrannis.» Een oogenblik later zag ik een anderen goedgekleeden Athener, die in het tweede kraampje thonijn en veel thonijn kocht. «Kijk eens!» mompelde een tweetal ezeldrijvers in zijne nabijheid, «al die thonijn is zeker bestemd voor een tirannenmaal, waar men zal beramen op welke wijze het Atheensche volk weder tot slavernij zal kunnen worden gebracht.»»Men lachte hartelijk om het verhaal en behalve Straton waren allen het eens, dat Miltiades ondanks zijn eigenaardigheden de man was, die bij den aanstaanden oorlog de hoofdrol behoorde te spelen, om zijn veldheerstalenten, zijn kennis van Perzischemilitaire toestanden en zijn ontzag inboezemend optreden, te onmisbaarder waar zich in Athene, als in de meeste Helleensche steden, eene niet te verachten Perzischgezinde partij bevond, die slechts een gunstig oogenblik wachtte om het masker af te werpen. Allen lieten zich onderwijl de verschillende gerechten goed smaken, nu en dan de handen afdrogend aan groote sneden brood, die vervolgens aan des gastheers grooten hond werden toegeworpen en gretig verzwolgen. De Kopaïsche paling vooral wekte de algemeene bewondering op en bracht zelfs door zijne schoonheid Straton in een tragische geestvervoering; hij verhief zich halverwege van zijn zetel, zette den krans op het hoofd recht en declameerde met parodieering van eenige verzen uit een treurspel tot den gebakken visch:Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche,Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd,Kom aan mijn boezem!Maar de maaltijd liep ten einde; men waschte op nieuw de handen, het nagerecht werd opgedragen en het drinkgelag ving aan. Vooraf behoorde een symposiarch, die de leidingdaarvan op zich nam, gekozen te worden en het lot wees den zoon van Panaitios daartoe aan. «Een dronk op den goeden geest,» aldus begon hij en allen ledigden een beker ongemengden wijn op Dionysos, den schenker des wijnstoks, waarop drie plengingen plaats hadden ter eere van de Olympische goden, de heroën en den reddenden Zeus. Daarna werd met drie deelen water vermengde wijn door de slaven rondgediend en luid geprezen. «Hij houdt zijn drie deelen goed,» zeide Straton, «en het honigdeeg dat hem zijn geur verleent, is op het juiste oogenblik onder het gisten met den wijn vermengd.» «Deze wijn,» liet Pheidippides volgen, «dank ik aan mijn vader, die mij steeds op voldoende wijze van dit vocht voorziet. Maar overigens is hij lang zoo vrijgevig niet meer als vroeger en het kost mij in den laatsten tijd genoeg moeite mijzelf nu en dan eene gepaste ontspanning te verschaffen.» Hij achtte het onkiesch den gasten mede te deelen dat zij zooeven zijn laatsten harddraver in hunne maag hadden doen verdwijnen, doch maakte er geen geheim vandat hij zijn voorlaatsten van de hand had gedaan, teneinde de gunsten der bevallige Antheia deelachtig te worden. En Straton gaf hem daarin ten volle gelijk; deze schoone toch, een lieveling der Chariten, was de grootste opofferingen waard, want niemand verstond het beter dan zij den rozenkrans der vreugde om het voorhoofd harer aanbidders te strengelen. Simon echter kwam met kracht tegen deze beschouwing op; hij was nog ten volle den goeden, strengen, ouden begrippen toegedaan en ergerde zich voortdurend over het steeds toenemend aantal hetairen. «Ouden van dagen,» zeide hij, «kunnen zich nog herinneren hoe er vijftig jaar geleden geen enkele in Athene te zien was. Toen zijn zij langzamerhand gekomen, in het gevolg van Peisistratos, steeds meer en meer en tegenwoordig ontmoet men ze overal.» Simon had geen woorden genoeg om zijne verachting voor haar uit te drukken. Hij wees op haar domheid, hebzucht, valschheid en trouweloosheid en prees de dagen van voorheen, waarin elk jonkman zich reeds vroegtijdig eene gade koos en zich met wezensals Antheia en hare zusteren niet bemoeide. «Zij zijn Echidna’s,» eindigde hij, «Skylla’s, Chimaira’s, Sphinxen, Hydra’s...» «Een lam! brengt dadelijk een zwart lam!» riep Straton in comische vertwijfeling den slaven toe, als gold het bij Simons heftigen uitval met dit gebruikelijk offer een opkomenden orkaan te bezweren. En hij betoogde dat de Atheensche vrouwen wat geestesontwikkeling betrof toch voorzeker niet boven de hetairen te stellen waren. «Ik noem haar,» zeide hij, «onbekwaam tot deelneming aan hoogere belangen en alleen geschikt om als opgepronkte poppen tentoongesteld te worden of wel zich met huishoudelijke zaken bezig te houden, wanneer de man althans niet gedwongen is wegens haar snoep- en drankzucht den sleutel der provisiekast in eigen beheer te nemen. Wat hare trouw betreft, ken ik voorbeelden van mannen, die verplicht waren hun vrouwen het haar af te scheren ten einde ze te beletten zich op straat te begeven en haar minnaars te bezoeken.» En toen Simon hiertegen opmerkte dat al die rampen gewoonlijk de schuld der mannen zelfwaren, die, met een zeer jong meisje huwend, verzuimden als leidsman en leeraar op te treden, antwoordde Pheidippides dat hij wat zijne zuster betrof geen ander leeraar en leidsman zou wenschen dan Simon, doch zelf voor dergelijke bemoeiingen al zeer weinig geneigdheid bezat, weshalve hij de voorkeur gaf aan het gezelschap van vrouwen, die geen leidsman of leeraar meer noodig hadden en op eigen beenen konden staan. «In den aanvang,» voegde hij er bij, «heeft Zeus alleen menschen geschapen zonder geslacht, met vier armen en beenen, die zich als een rad voortbewogen. Zeus was echter bevreesd dat zij in die gedaante te groot en te machtig zouden worden en heeft ze daarom doorgesneden. Sedert dien dag zoekt ieder menschelijk wezen het deel dat oorspronkelijk zijne wederhelft uitmaakte en men behoort een ieder vrijheid te geven het te zoeken, waar hij meent het te kunnen vinden. Huis niet in mijnen geest; ge hebt immers zelf een huis?» eindigde hij, met eene vaak gebezigde spreekwijze.De bekers werden op Simons bevel wederomgevuld en het gezelschap ging op voorstel van zijn symposiarch over tot eene zeer geliefkoosde uitspanning: het opgeven van raadsels. Kynaigeiros ving aan door het stellen der vragen: wat is het oudste, het wijste, het sterkste, het schoonste, het minste? Pheidippides, tot wien hij deze vragen richtte, loste ze op de volgende wijze op: het oudste, de tijd; het wijste, de waarheid; het sterkste, het geluk; het schoonste, het licht; het minste, de dood. Maar Simon, hoezeer de twee andere gasten deze oplossing ten zeerste toejuichten, kon zich met haar in geenen deele vereenigen. «Hoe nu?» zeide hij, «de tijd, die deels verleden, deels tegenwoordig, deels toekomstig is, zou het oudste zijn? En de waarheid noemt men het wijste? Dat is alsof iemand zeide: oogen en licht zijn hetzelfde. Ware voorts het geluk het sterkste, dan zou het niet zoo broos en wisselvallig zijn, als wij dagelijks kunnen waarnemen. Wanneer ge het licht het schoonste noemt, waarom dan niet, mag ik vragen, de zon als zoodanig geprezen? Ten slotte kan ik niet toegeven dat de dood het minste zouwezen; immers hij heeft met de menschelijke zaken niets gemeen.» «Op welke wijze zoudt ge dan zelf,» vroeg Pheidippides eenigszins teleurgesteld, «de gedane vragen beantwoorden?» «Aldus: het oudste is de godheid, want zij heeft geen begin. Het wijste, de tijd, want hij heeft reeds veel dingen bedacht en zal er nog meer bedenken. Het sterkste, de noodzakelijkheid, want zij overwint alles. Het schoonste, de wereld, want alles wat schoon heet, is daarvan een deel. En het minste is ongetwijfeld de hoop, want wie niets het zijne mag noemen, bezit haar nog.» De overigen moesten de meerdere juistheid van deze oplossingen toegeven en men ging over tot minder diepzinnige vraagstukken, tot raadsels in verzen, bv. aldus:’k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke;Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.Straton, wien dit raadsel door Pheidippides werd voorgelegd, vermocht niet het op te lossen en moest tot boete een beker ongemengdenwijn ledigen. Kynaigeiros was gelukkiger door terstond «de schaduw» te noemen; hij ontving een stuk gebak als belooning en, zich tot Simon wendend, vroeg hij:Wie nog ziet, ziet mij niet; slechts hij kan mij zien, die niet ziet meer.«De slaap,» zeide Simon en werd beloond met een verschen bloemkrans om het hoofd, te welkomer nu de slapen, onder den invloed van den Chiër, die zijn drie deelen water zoo goed hield, allengs begonnen te gloeien. Vooral Straton, die het zwakst was in het oplossen van raadsels en derhalve menigen beker ongemengden wijn had moeten naar binnen slaan, begon druk en rumoerig te worden. Hij had al drie of vier keer aan den gastheer gevraagd of deze wel gezorgd had voor fluitspeelsters en danseressen, telkens vergetend dat hij het al gevraagd en een bevestigend antwoord ontvangen had. Plotseling herinnerde hij zich een zeer ingewikkeld raadsel, dat hij opgaf, overtuigd dat niemand het zou kunnen raden:Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonenKinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.En hij genoot dan ook de voldoening dat Simon zijn onvermogen erkende en gestraft werd. Doch Kynaigeiros, die toen aan de beurt kwam, was gelukkiger; de wijn oefende op zijn reusachtig lichaam voorloopig geen merkbaren invloed uit en, zich op den rechterarm steunend, terwijl hij de linkerhand naar het voorhoofd bracht, zeide hij na eenig bedenken: «Mij dunkt dat met den vader het jaar bedoeld is; met de twaalf zonen de twaalf maanden des jaars; met de tweemaal dertig kinderen, onderscheiden van uiterlijk, voor de helft wit en voor de helft zwart, de dagen en de nachten.» Men schonk den broeder van Aischylos luiden bijval, hoewel de teleurgestelde Straton, die een achterdochtigen dronk had, hem verdacht van raadsel en oplossing reeds vroeger gehoord en slechts geveinsd te hebben de laatste door eigen nadenken te vinden.Nog eenigen tijd ging men op dezelfde wijs voort, terwijl Straton telkens blikken naar de deur wierp, verlangend de danseressen en fluitspeelsters te zien verschijnen.Maar Simon meende dat het tijd werd voor afwisseling te zorgen en men ging over tot het voordragen van skoliën, geïmproviseerde liederen, beurt om beurt ten beste gegeven. De symposiarch begon; hij nam de lyra, hem door een der slaven ter hand gesteld en hief aan:Dat ge toch, o blinde Ploutos!Menschenkweller, noch in ’t zeenat,Noch op ’t vasteland verwijldet,Maar den Tartaros bewoondetEn den Acheron. Van u tochKomt den stervling alle kwaad.Hij reikte de lyra aan Straton, die een lied ter eere der liefde stemde, beginnende met de woorden:Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!waarop de beurt aan Pheidippides en Kynaigeiros kwam. Men had langzamerhand, ook geprikkeld door het gebruik van met zoutbestrooid gebak, veel gedronken en, hoezeer de zware Chiër door den lichteren wijn van Zakynthos vervangen was, begonnen de tongen verward te worden. Simon, die in zijne hoedanigheid van symposiarch den beker op bescheidener wijze behandeld had dan de overigen, achtte het oogenblik gekomen om het ernstiger onderhoud te doen staken. Doch vóór hij daartoe overging, nam hij nog eenmaal de lyra ter hand en begon:Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze den tiran ontlijfden enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijdden.De uitdrukking op het gelaat der aanliggenden veranderde. Het lied, waarvan Simon den aanhef had gegeven, was gedicht ter eere van Harmodios en Aristogeiton, die voor drie-en-twintig jaar op het feest der Panathenaien den tiran Hipparchos, den zoon van Peisistratos en broeder van Hippias, vermoord en bij die gelegenheid het zwaard bevorens in een mirtekrans verborgen hadden. Het was een stuk geschiedenis, in dat lied vervat; heteerste sein tot de zoo moeizaam verworven, zoo naijverig bewaakte vrijheid; eene herinnering, des te heiliger, waar de verdediging van diezelfde vrijheid over luttele maanden wederom het zwaard uit de schede zou roepen. Een hooge, eene religieuse stemming beving dan ook de pretmakende drinkebroers van zooeven en met een vaste stem ging Pheidippides voort, de hem toegereikte lyra tokkelend:Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;Ge zijt, naar ’k verneem, in der zaligen eiland,Waar ook snelvoetige Achilleus verblijftEn Diomedes, Tydeus’ zone.De beurt was aan Straton:Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze op het heilige AthenafeestHipparchos den tiran vermoordden.Ten slotte klonk het uit Kynaigeiros’ mond:Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,Dierbre Harmodios en Aristogeiton,Daar ge den tiran ontlijfdet enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijddet.Juist was het lied ten einde en het naspel der lyra deed zich nog hooren, toen de deurwerd geopend en eenige fraai uitgedoste fluitspeelsters en danseressen binnentraden, die door muziek en mimische dansen de gasten vermaakten. Van dat oogenblik was het met den ernst en de ingetogenheid der meesten gedaan. Straton, wiens vurigst verlangen eindelijk vervuld was, had zich al spoedig met een bekoorlijk meisje in een hoek van het vertrek teruggetrokken en betuigde haar zijn bewondering door zijn skolion van daar straks eindeloos te herhalen:Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!steeds weder beginnend, niet verder komend dan den eersten regel. Pheidippides en Kynaigeiros hielden zich nog eenigen tijd bezig met het vermakelijk kottabosspel, daarin bestaande, dat men eene met water gevulde schaal op eenigen afstand vóór zich plaatste en door middel van een straal wijn, uit den mond of een beker geworpen, de daarin drijvende schoteltjes zocht te doen zinken. Hij, wien het gelukte, ontving het getroffen schoteltje ten geschenke. Kynaigeiros beweerde in dit spel bijzonder bedreven te zijn; hij bezat naarzijn zeggen tehuis eene heele verzameling van die schoteltjes, achtereenvolgens veroverd. Maar heden wilde het niet gelukken; de meeste stralen troffen niet eens de schaal en vielen er voor of achter op den grond. Pheidippides was gelukkiger en trad met een drietal zegeteekenen uit den wedstrijd. Weldra zochten ook zij het gezelschap der meisjes op en mochten het geluk smaken, ieder de wederhelft te vinden, met wie zij in vroeger tijden, toen de menschen nog vier armen en vier beenen bezaten, waarschijnlijk verbonden waren geweest. Simon, die allengs eveneens den invloed des wijns was gaan gevoelen, doch een ernstiger dronk had, hield beschouwingen over den besten regeeringsvorm en over de beteekenis van den Helleen als lid van het staatsverband, beschouwingen, die door de overigen met te meer bewondering werden aangehoord, naarmate zij er minder van begrepen.Niemand herinnerde zich later duidelijk, hoe het feest was afgeloopen. Men had het gebruikelijke plengoffer aan Hermes gewijd en was toen naar buiten gegaan. Maar veel verderstrekten de herinneringen niet. Wel wisten de feestvierenden dat men, in gezelschap van de danseressen en fluitspeelsters, was aangeland bij andere feestvierenden, óók met danseressen en fluitspeelsters en daar het festijn gezamenlijk nog eenigen tijd had voortgezet, met uitzondering van Straton, die met een der meisjes op geheimzinnige wijze was verdwenen. Wie die anderen echter geweest waren, bleek nimmer. Men bezat nog eene flauwe voorstelling, hoe de athletische Kynaigeiros gymnastische toeren had uitgevoerd met eene danseres onder iederen arm. Pheidippides was tehuis gekomen, ondersteund door eene fluitspeelster aan den rechter- en door Simon aan den linkerkant. Voor de deur was hij gestruikeld over het zuiltje, ter eere van Apollon haguieus aldaar aangebracht. En toen hij den volgenden morgen met een zwaar hoofd ontwaakte, bemerkte hij bij het weggaan de breede sandalen van Kynaigeiros in plaats van de zijne te hebben aangetrokken. Maar allen hadden zich kostelijk vermaakt, daarover was men het eens, al was er heel wat polei noodig, om de magen weer in orde te brengen.
Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij, dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria’s beide broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder had zijn eigen haan vooraf metknoflookgevoederd, ten einde hem des testrijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen, had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.
De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij was de eenige van Helena’s zwagers, die nooit een hard woord tegen haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking,toenhij eene breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg, waaraan die tewijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.» «Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos, in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen, een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in staat geoordeeld. Het was dus niet teverwonderen, dat de knapen bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen, hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken niet te verklappen.
Dienzelfden middag had de maaltijd van Pheidippides plaats waarop Simon, Kynaigeiros en Straton genoodigd waren. Zij verschenen ter bestemder ure, de vijfentwintigjarige Kynaigeiros, een jongere broeder van Aischylos, van athletische gestalte en verbazende spierkracht, een trouw bezoeker van het gymnasion; en Straton, vijf jaren jonger, tenger en fijn besneden als Pheidippides, diens trouwe gezel bij allerlei soort van vermaak. Men ontdeed zich van de sandalen en besteeg de divans waarop men twee aan twee aanlag en die, even hoog als de tafel, met behulp eener voetbank beklommen werden. De slaven goten water over de handen der gasten en nadat men den Paian ter eere van Apollon gezongen had, nam het feest een aanvang. In den beginne ging alles rustig toe; onder den eigenlijken maaltijd werd geen wijn gedronken,zoodat de gesprekken zich vooralsnog door geen bijzondere luidruchtigheid onderscheidden. Men redeneerde druk over den te verwachten oorlog met Perzië, thans boven allen twijfel verheven; Hippias, de verjaagde Atheensche tiran, de zoon van Peisistratos, die nu reeds negentien jaren lang de Perzische gastvrijheid genoot, zou in persoon het invasieleger vergezellen ten einde de vernedering zijns vaderlands te kunnen aanschouwen en de verloren heerschappij weder te aanvaarden. De groote man was hier Kynaigeiros, die zich had opgehouden in den Thrakischen Chersonesos; de Athener Miltiades had daar als tiran geheerscht en Kynaigeiros’ vader, Euphorion, was een zijner legerhoofden geweest. Hij had toen als achtjarige knaap den inval van Dareios in Thrakië bijgewoond, die een onvergetelijken indruk op hem gemaakt had. «Ik herinner mij alles nog levendig,» verhaalde hij; «dagen achtereen liepen wij jongens naar den heirweg om het Perzische leger te zien voorbij trekken; er kwam geen eind aan. Het was een prachtig gezicht, al die schitterendeoostersche kleederdrachten; zeven- of achthonderdduizend man waren het wel. Maar de ouderen vonden het minder mooi; er bleef niets heel op hun weg en wat ze niet noodig hadden voor onderhoud werd uit brooddronkenheid vernield en verbrand door de half wilde stammen, die met hen mee trokken.» «En zagen ze er zoo verschrikkelijk uit als men zegt?» vroeg Simon. «Ze maakten indruk genoeg,» was het antwoord. «Doch mijn vader heb ik wel eens hooren zeggen, dat hij meer uit zou voeren met duizend Hellenen dan met tienduizend Perzen. Zulk een leger, zeide hij, is wel een groote massa maar geen eenheid en de Perzische krijgslieden vechten alleen werktuigelijk, zonder hooger beginsel en kennen alleen hun koning, geen vaderland, zoodat ze dan ook vaak met zweepslagen in het gevecht moeten gebracht worden.» «Men behoorde,» meende Pheidippides, «Miltiades tot strateeg te kiezen; hij kent de vechtwijze der Perzen beter dan iemand anders.» «Miltiades strateeg!» viel Straton in. «Daarvoor mogen ons de goden behoeden. Een man die twintigjaar lang als tiran in den Chersonesos heeft geheerscht en als vreemdeling in Athene terug is gekeerd, omdat de Chersonesos te dicht bij Perzië lag! Herinnert ge u hoe hij terugkwam, met zijn eigen oorlogsschepen, zijn eigen lijfwacht en zijn eigen schatten en hoe hij aan wal stapte, trotsch als een koning, met zijn vrouw, een Thrakische prinses, even fier als hijzelf? En wat heeft hij sedert gedaan om de toegenegenheid der Atheners te verwerven? Hij leeft teruggetrokken en ongenaakbaar en ziet uit de hoogte op de burgers neder.» «Het is waar,» zeide Kynaigeiros, «en toch zullen wij, als de ure daar is, Miltiades niet kunnen ontberen. Bij zulk een man behoort men sommige uiterlijkheden over het hoofd te zien en alleen te letten op zijn groote verdiensten en buitengewone talenten. Zijt ge vergeten op hoe schitterende wijze hij zich kort na zijn terugkeer tegen de aanklacht van tyrannis verdedigde, door er op te wijzen hoe hij het vruchtbare en volkrijke schiereiland aan den Hellespont, waar zijn oom en broeder zelfstandig geheerscht hadden, van een familiebezittot een eigendom van het Atheensche volk gemaakt heeft; hoe hij het was, die tijdens den Ionischen opstand het omvangrijke en gewichtige Lemnos voor Athene veroverde; hoe hij alleen van alle Hellenen tegen Dareios is opgetreden en reeds aan den Istros den belager van Hellas aan den rand des verderfs heeft gebracht? Bovendien zou ik gaarne Miltiades tot strateeg gekozen zien omdat hij zulk een schoon man is en het aanschouwen der schoonheid de menschen ongetwijfeld in alle opzichten voortreffelijker en dus ook onversaagder maakt.» «Althans wanneer schoonheid met jeugd gepaard gaat,» meende Straton, «hetgeen bij Miltiades niet het geval is.» «Waartoe dat?» vroeg Kynaigeiros. «Iedere leeftijd bezit zijn eigenaardige schoonheid, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat men voor twijgdragers bij de Panathenaien de schoonste grijsaards pleegt te kiezen, als om te kennen te geven dat de schoonheid door geene jaren gebonden is.» «En toch,» zeide Straton, «doet het mij leed dat Miltiades van de aanklacht van tyrannis vrijgesproken is enhoop ik dat hij althans niet tot strateeg zal gekozen worden. Ik acht het gevaarlijk, nu Athene eerst zoo kort geleden zijn eigen tirannen gedood of verjaagd heeft, een voormalig tiran van den Chersonesos dusdanige macht in handen te geven en vrees dat de met zooveel moeite bevochten vrijheid daardoor wel eens groot gevaar zou kunnen loopen.» «Ik deel uwe vrees niet,» merkte Simon op. «Op zichzelf toch is iedere regeeringsvorm rechtvaardig, hetzij democratie of oligarchie of tyrannis; het is alleen de vraag op welke wijze de algemeene belangen het best bevorderd worden. Athene nu is, naar onze voorvaderen terecht gemeend hebben, het best gediend door de democratie en die democratie werd door Kleisthenes, den goden zij dank! op zóó hechte grondslagen gevestigd, dat men zich omtrent de vastheid van haar bestaan niet bevreesd behoeft te maken.» Pheidippides was het met hem eens en voegde er nog een aardig verhaal bij om te bewijzen, hoe de overdreven vrees voor de tyrannis den Atheners nog in merg en been zat. «Onlangs op de vischmarktzijnde, drentelde ik voorbij een tweetal kraampjes; in het eene werd de goedkoope en onaanzienlijke sprot, in het tweede de dure en voorname thonijn verkocht. Een goedgekleed Athener was bezig zich in het eerste kraampje te voorzien, hetgeen den argwaan opwekte van twee waterdragers, die elkander aanstootend opmerkten: «Die rijkaard dáár koopt armeluisvisch om zich populair te maken; die staat zeker naar de tyrannis.» Een oogenblik later zag ik een anderen goedgekleeden Athener, die in het tweede kraampje thonijn en veel thonijn kocht. «Kijk eens!» mompelde een tweetal ezeldrijvers in zijne nabijheid, «al die thonijn is zeker bestemd voor een tirannenmaal, waar men zal beramen op welke wijze het Atheensche volk weder tot slavernij zal kunnen worden gebracht.»»
Men lachte hartelijk om het verhaal en behalve Straton waren allen het eens, dat Miltiades ondanks zijn eigenaardigheden de man was, die bij den aanstaanden oorlog de hoofdrol behoorde te spelen, om zijn veldheerstalenten, zijn kennis van Perzischemilitaire toestanden en zijn ontzag inboezemend optreden, te onmisbaarder waar zich in Athene, als in de meeste Helleensche steden, eene niet te verachten Perzischgezinde partij bevond, die slechts een gunstig oogenblik wachtte om het masker af te werpen. Allen lieten zich onderwijl de verschillende gerechten goed smaken, nu en dan de handen afdrogend aan groote sneden brood, die vervolgens aan des gastheers grooten hond werden toegeworpen en gretig verzwolgen. De Kopaïsche paling vooral wekte de algemeene bewondering op en bracht zelfs door zijne schoonheid Straton in een tragische geestvervoering; hij verhief zich halverwege van zijn zetel, zette den krans op het hoofd recht en declameerde met parodieering van eenige verzen uit een treurspel tot den gebakken visch:
Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche,Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd,Kom aan mijn boezem!
Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche,
Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd,
Kom aan mijn boezem!
Maar de maaltijd liep ten einde; men waschte op nieuw de handen, het nagerecht werd opgedragen en het drinkgelag ving aan. Vooraf behoorde een symposiarch, die de leidingdaarvan op zich nam, gekozen te worden en het lot wees den zoon van Panaitios daartoe aan. «Een dronk op den goeden geest,» aldus begon hij en allen ledigden een beker ongemengden wijn op Dionysos, den schenker des wijnstoks, waarop drie plengingen plaats hadden ter eere van de Olympische goden, de heroën en den reddenden Zeus. Daarna werd met drie deelen water vermengde wijn door de slaven rondgediend en luid geprezen. «Hij houdt zijn drie deelen goed,» zeide Straton, «en het honigdeeg dat hem zijn geur verleent, is op het juiste oogenblik onder het gisten met den wijn vermengd.» «Deze wijn,» liet Pheidippides volgen, «dank ik aan mijn vader, die mij steeds op voldoende wijze van dit vocht voorziet. Maar overigens is hij lang zoo vrijgevig niet meer als vroeger en het kost mij in den laatsten tijd genoeg moeite mijzelf nu en dan eene gepaste ontspanning te verschaffen.» Hij achtte het onkiesch den gasten mede te deelen dat zij zooeven zijn laatsten harddraver in hunne maag hadden doen verdwijnen, doch maakte er geen geheim vandat hij zijn voorlaatsten van de hand had gedaan, teneinde de gunsten der bevallige Antheia deelachtig te worden. En Straton gaf hem daarin ten volle gelijk; deze schoone toch, een lieveling der Chariten, was de grootste opofferingen waard, want niemand verstond het beter dan zij den rozenkrans der vreugde om het voorhoofd harer aanbidders te strengelen. Simon echter kwam met kracht tegen deze beschouwing op; hij was nog ten volle den goeden, strengen, ouden begrippen toegedaan en ergerde zich voortdurend over het steeds toenemend aantal hetairen. «Ouden van dagen,» zeide hij, «kunnen zich nog herinneren hoe er vijftig jaar geleden geen enkele in Athene te zien was. Toen zijn zij langzamerhand gekomen, in het gevolg van Peisistratos, steeds meer en meer en tegenwoordig ontmoet men ze overal.» Simon had geen woorden genoeg om zijne verachting voor haar uit te drukken. Hij wees op haar domheid, hebzucht, valschheid en trouweloosheid en prees de dagen van voorheen, waarin elk jonkman zich reeds vroegtijdig eene gade koos en zich met wezensals Antheia en hare zusteren niet bemoeide. «Zij zijn Echidna’s,» eindigde hij, «Skylla’s, Chimaira’s, Sphinxen, Hydra’s...» «Een lam! brengt dadelijk een zwart lam!» riep Straton in comische vertwijfeling den slaven toe, als gold het bij Simons heftigen uitval met dit gebruikelijk offer een opkomenden orkaan te bezweren. En hij betoogde dat de Atheensche vrouwen wat geestesontwikkeling betrof toch voorzeker niet boven de hetairen te stellen waren. «Ik noem haar,» zeide hij, «onbekwaam tot deelneming aan hoogere belangen en alleen geschikt om als opgepronkte poppen tentoongesteld te worden of wel zich met huishoudelijke zaken bezig te houden, wanneer de man althans niet gedwongen is wegens haar snoep- en drankzucht den sleutel der provisiekast in eigen beheer te nemen. Wat hare trouw betreft, ken ik voorbeelden van mannen, die verplicht waren hun vrouwen het haar af te scheren ten einde ze te beletten zich op straat te begeven en haar minnaars te bezoeken.» En toen Simon hiertegen opmerkte dat al die rampen gewoonlijk de schuld der mannen zelfwaren, die, met een zeer jong meisje huwend, verzuimden als leidsman en leeraar op te treden, antwoordde Pheidippides dat hij wat zijne zuster betrof geen ander leeraar en leidsman zou wenschen dan Simon, doch zelf voor dergelijke bemoeiingen al zeer weinig geneigdheid bezat, weshalve hij de voorkeur gaf aan het gezelschap van vrouwen, die geen leidsman of leeraar meer noodig hadden en op eigen beenen konden staan. «In den aanvang,» voegde hij er bij, «heeft Zeus alleen menschen geschapen zonder geslacht, met vier armen en beenen, die zich als een rad voortbewogen. Zeus was echter bevreesd dat zij in die gedaante te groot en te machtig zouden worden en heeft ze daarom doorgesneden. Sedert dien dag zoekt ieder menschelijk wezen het deel dat oorspronkelijk zijne wederhelft uitmaakte en men behoort een ieder vrijheid te geven het te zoeken, waar hij meent het te kunnen vinden. Huis niet in mijnen geest; ge hebt immers zelf een huis?» eindigde hij, met eene vaak gebezigde spreekwijze.
De bekers werden op Simons bevel wederomgevuld en het gezelschap ging op voorstel van zijn symposiarch over tot eene zeer geliefkoosde uitspanning: het opgeven van raadsels. Kynaigeiros ving aan door het stellen der vragen: wat is het oudste, het wijste, het sterkste, het schoonste, het minste? Pheidippides, tot wien hij deze vragen richtte, loste ze op de volgende wijze op: het oudste, de tijd; het wijste, de waarheid; het sterkste, het geluk; het schoonste, het licht; het minste, de dood. Maar Simon, hoezeer de twee andere gasten deze oplossing ten zeerste toejuichten, kon zich met haar in geenen deele vereenigen. «Hoe nu?» zeide hij, «de tijd, die deels verleden, deels tegenwoordig, deels toekomstig is, zou het oudste zijn? En de waarheid noemt men het wijste? Dat is alsof iemand zeide: oogen en licht zijn hetzelfde. Ware voorts het geluk het sterkste, dan zou het niet zoo broos en wisselvallig zijn, als wij dagelijks kunnen waarnemen. Wanneer ge het licht het schoonste noemt, waarom dan niet, mag ik vragen, de zon als zoodanig geprezen? Ten slotte kan ik niet toegeven dat de dood het minste zouwezen; immers hij heeft met de menschelijke zaken niets gemeen.» «Op welke wijze zoudt ge dan zelf,» vroeg Pheidippides eenigszins teleurgesteld, «de gedane vragen beantwoorden?» «Aldus: het oudste is de godheid, want zij heeft geen begin. Het wijste, de tijd, want hij heeft reeds veel dingen bedacht en zal er nog meer bedenken. Het sterkste, de noodzakelijkheid, want zij overwint alles. Het schoonste, de wereld, want alles wat schoon heet, is daarvan een deel. En het minste is ongetwijfeld de hoop, want wie niets het zijne mag noemen, bezit haar nog.» De overigen moesten de meerdere juistheid van deze oplossingen toegeven en men ging over tot minder diepzinnige vraagstukken, tot raadsels in verzen, bv. aldus:
’k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke;Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.
’k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke;
Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.
Straton, wien dit raadsel door Pheidippides werd voorgelegd, vermocht niet het op te lossen en moest tot boete een beker ongemengdenwijn ledigen. Kynaigeiros was gelukkiger door terstond «de schaduw» te noemen; hij ontving een stuk gebak als belooning en, zich tot Simon wendend, vroeg hij:
Wie nog ziet, ziet mij niet; slechts hij kan mij zien, die niet ziet meer.
Wie nog ziet, ziet mij niet; slechts hij kan mij zien, die niet ziet meer.
«De slaap,» zeide Simon en werd beloond met een verschen bloemkrans om het hoofd, te welkomer nu de slapen, onder den invloed van den Chiër, die zijn drie deelen water zoo goed hield, allengs begonnen te gloeien. Vooral Straton, die het zwakst was in het oplossen van raadsels en derhalve menigen beker ongemengden wijn had moeten naar binnen slaan, begon druk en rumoerig te worden. Hij had al drie of vier keer aan den gastheer gevraagd of deze wel gezorgd had voor fluitspeelsters en danseressen, telkens vergetend dat hij het al gevraagd en een bevestigend antwoord ontvangen had. Plotseling herinnerde hij zich een zeer ingewikkeld raadsel, dat hij opgaf, overtuigd dat niemand het zou kunnen raden:
Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonenKinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.
Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonen
Kinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?
Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;
Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.
En hij genoot dan ook de voldoening dat Simon zijn onvermogen erkende en gestraft werd. Doch Kynaigeiros, die toen aan de beurt kwam, was gelukkiger; de wijn oefende op zijn reusachtig lichaam voorloopig geen merkbaren invloed uit en, zich op den rechterarm steunend, terwijl hij de linkerhand naar het voorhoofd bracht, zeide hij na eenig bedenken: «Mij dunkt dat met den vader het jaar bedoeld is; met de twaalf zonen de twaalf maanden des jaars; met de tweemaal dertig kinderen, onderscheiden van uiterlijk, voor de helft wit en voor de helft zwart, de dagen en de nachten.» Men schonk den broeder van Aischylos luiden bijval, hoewel de teleurgestelde Straton, die een achterdochtigen dronk had, hem verdacht van raadsel en oplossing reeds vroeger gehoord en slechts geveinsd te hebben de laatste door eigen nadenken te vinden.Nog eenigen tijd ging men op dezelfde wijs voort, terwijl Straton telkens blikken naar de deur wierp, verlangend de danseressen en fluitspeelsters te zien verschijnen.
Maar Simon meende dat het tijd werd voor afwisseling te zorgen en men ging over tot het voordragen van skoliën, geïmproviseerde liederen, beurt om beurt ten beste gegeven. De symposiarch begon; hij nam de lyra, hem door een der slaven ter hand gesteld en hief aan:
Dat ge toch, o blinde Ploutos!Menschenkweller, noch in ’t zeenat,Noch op ’t vasteland verwijldet,Maar den Tartaros bewoondetEn den Acheron. Van u tochKomt den stervling alle kwaad.
Dat ge toch, o blinde Ploutos!
Menschenkweller, noch in ’t zeenat,
Noch op ’t vasteland verwijldet,
Maar den Tartaros bewoondet
En den Acheron. Van u toch
Komt den stervling alle kwaad.
Hij reikte de lyra aan Straton, die een lied ter eere der liefde stemde, beginnende met de woorden:
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
waarop de beurt aan Pheidippides en Kynaigeiros kwam. Men had langzamerhand, ook geprikkeld door het gebruik van met zoutbestrooid gebak, veel gedronken en, hoezeer de zware Chiër door den lichteren wijn van Zakynthos vervangen was, begonnen de tongen verward te worden. Simon, die in zijne hoedanigheid van symposiarch den beker op bescheidener wijze behandeld had dan de overigen, achtte het oogenblik gekomen om het ernstiger onderhoud te doen staken. Doch vóór hij daartoe overging, nam hij nog eenmaal de lyra ter hand en begon:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze den tiran ontlijfden enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijdden.
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze den tiran ontlijfden en
Van ’t haatlijkst juk Atheen bevrijdden.
De uitdrukking op het gelaat der aanliggenden veranderde. Het lied, waarvan Simon den aanhef had gegeven, was gedicht ter eere van Harmodios en Aristogeiton, die voor drie-en-twintig jaar op het feest der Panathenaien den tiran Hipparchos, den zoon van Peisistratos en broeder van Hippias, vermoord en bij die gelegenheid het zwaard bevorens in een mirtekrans verborgen hadden. Het was een stuk geschiedenis, in dat lied vervat; heteerste sein tot de zoo moeizaam verworven, zoo naijverig bewaakte vrijheid; eene herinnering, des te heiliger, waar de verdediging van diezelfde vrijheid over luttele maanden wederom het zwaard uit de schede zou roepen. Een hooge, eene religieuse stemming beving dan ook de pretmakende drinkebroers van zooeven en met een vaste stem ging Pheidippides voort, de hem toegereikte lyra tokkelend:
Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;Ge zijt, naar ’k verneem, in der zaligen eiland,Waar ook snelvoetige Achilleus verblijftEn Diomedes, Tydeus’ zone.
Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;
Ge zijt, naar ’k verneem, in der zaligen eiland,
Waar ook snelvoetige Achilleus verblijft
En Diomedes, Tydeus’ zone.
De beurt was aan Straton:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,Als Harmodios en Aristogeiton,Toen ze op het heilige AthenafeestHipparchos den tiran vermoordden.
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze op het heilige Athenafeest
Hipparchos den tiran vermoordden.
Ten slotte klonk het uit Kynaigeiros’ mond:
Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,Dierbre Harmodios en Aristogeiton,Daar ge den tiran ontlijfdet enVan ’t haatlijkst juk Atheen bevrijddet.
Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,
Dierbre Harmodios en Aristogeiton,
Daar ge den tiran ontlijfdet en
Van ’t haatlijkst juk Atheen bevrijddet.
Juist was het lied ten einde en het naspel der lyra deed zich nog hooren, toen de deurwerd geopend en eenige fraai uitgedoste fluitspeelsters en danseressen binnentraden, die door muziek en mimische dansen de gasten vermaakten. Van dat oogenblik was het met den ernst en de ingetogenheid der meesten gedaan. Straton, wiens vurigst verlangen eindelijk vervuld was, had zich al spoedig met een bekoorlijk meisje in een hoek van het vertrek teruggetrokken en betuigde haar zijn bewondering door zijn skolion van daar straks eindeloos te herhalen:
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
Hoe schoon glanst Eros’ licht op purperroode wang!
steeds weder beginnend, niet verder komend dan den eersten regel. Pheidippides en Kynaigeiros hielden zich nog eenigen tijd bezig met het vermakelijk kottabosspel, daarin bestaande, dat men eene met water gevulde schaal op eenigen afstand vóór zich plaatste en door middel van een straal wijn, uit den mond of een beker geworpen, de daarin drijvende schoteltjes zocht te doen zinken. Hij, wien het gelukte, ontving het getroffen schoteltje ten geschenke. Kynaigeiros beweerde in dit spel bijzonder bedreven te zijn; hij bezat naarzijn zeggen tehuis eene heele verzameling van die schoteltjes, achtereenvolgens veroverd. Maar heden wilde het niet gelukken; de meeste stralen troffen niet eens de schaal en vielen er voor of achter op den grond. Pheidippides was gelukkiger en trad met een drietal zegeteekenen uit den wedstrijd. Weldra zochten ook zij het gezelschap der meisjes op en mochten het geluk smaken, ieder de wederhelft te vinden, met wie zij in vroeger tijden, toen de menschen nog vier armen en vier beenen bezaten, waarschijnlijk verbonden waren geweest. Simon, die allengs eveneens den invloed des wijns was gaan gevoelen, doch een ernstiger dronk had, hield beschouwingen over den besten regeeringsvorm en over de beteekenis van den Helleen als lid van het staatsverband, beschouwingen, die door de overigen met te meer bewondering werden aangehoord, naarmate zij er minder van begrepen.
Niemand herinnerde zich later duidelijk, hoe het feest was afgeloopen. Men had het gebruikelijke plengoffer aan Hermes gewijd en was toen naar buiten gegaan. Maar veel verderstrekten de herinneringen niet. Wel wisten de feestvierenden dat men, in gezelschap van de danseressen en fluitspeelsters, was aangeland bij andere feestvierenden, óók met danseressen en fluitspeelsters en daar het festijn gezamenlijk nog eenigen tijd had voortgezet, met uitzondering van Straton, die met een der meisjes op geheimzinnige wijze was verdwenen. Wie die anderen echter geweest waren, bleek nimmer. Men bezat nog eene flauwe voorstelling, hoe de athletische Kynaigeiros gymnastische toeren had uitgevoerd met eene danseres onder iederen arm. Pheidippides was tehuis gekomen, ondersteund door eene fluitspeelster aan den rechter- en door Simon aan den linkerkant. Voor de deur was hij gestruikeld over het zuiltje, ter eere van Apollon haguieus aldaar aangebracht. En toen hij den volgenden morgen met een zwaar hoofd ontwaakte, bemerkte hij bij het weggaan de breede sandalen van Kynaigeiros in plaats van de zijne te hebben aangetrokken. Maar allen hadden zich kostelijk vermaakt, daarover was men het eens, al was er heel wat polei noodig, om de magen weer in orde te brengen.
VI.Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering, bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven, was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria’s eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen, dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed, temeer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo is het ookmet den staat en even waar als het is dat het geheel hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag, dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat, die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen, die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheidkan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die, waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen niet voor denveld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst, waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden; men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen, door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield, afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars deed herleven, was in nietgeringe mate geschikt om Athenes weerbare mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange dagen, die te wachten stonden.Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van Pheidippides’ broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet, als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op devoorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen, opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd, uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne gemeenschappelijkewoning zou voeren, door de straten. De verloofden hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes, wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera, die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter, die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden, als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen, waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos’ woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een maaltijd gehouden, waarbij als uitzonderingook vrouwelijke gasten, zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond, onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop vanden maaltijd was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos, die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen, welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:Bruiloft vierden op deze wijsZeus, die van zijn hoogen troonHeerscht over de goden enHera, die zijn rijksstoel deelt.Als thans klonk er het bruidslied:Waarop allen invielen:Hymen! o Hymenaios!Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:Goudvleugelige Eros was ’tDie als bruidsknaap, bloeiend schoon,Zeus en Hera zat ter zijEn de bruidskarosse metRozenvingeren stuurde.En wederom besloot het koor:Hymen! o Hymenaios!De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere, klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:Volgt den bruidsstoet op zijn pad;Volgt hem naar des bruigoms huis;Strooit hun bloemen waar ze gaan;Volgt hen, kransen om het hoofd;Leidt hen op naar het bruidsbed,Hymen! o Hymenaios!Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was het dat Simon op zekeren morgen meteen ernstig gelaat tot haar zeide: «Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus, dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen, tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meertot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders dan gebaat zou kunnen worden.«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden, zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en man behoorengelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren, maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?» «In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht enwelgemeend waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn, tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven bevolken.» NaarmateDemetria deze verschillende bezigheden opsomde, bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage; zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij gaan hechten.»Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde, evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had gevonden; hij streek met de hand overhaar rosbruin hoofdje waarop de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde: «Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat, geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria, eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken, wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos, veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?» «Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw de volmaaktheid schonken, hebben gewild datbeiden in wederzijdsche afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge, waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde, die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was, gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun leven had gedaan.
Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering, bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven, was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria’s eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen, dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed, temeer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo is het ookmet den staat en even waar als het is dat het geheel hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»
In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag, dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat, die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen, die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheidkan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die, waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»
Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen niet voor denveld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst, waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden; men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen, door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield, afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars deed herleven, was in nietgeringe mate geschikt om Athenes weerbare mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange dagen, die te wachten stonden.
Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van Pheidippides’ broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet, als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op devoorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen, opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd, uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.
In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne gemeenschappelijkewoning zou voeren, door de straten. De verloofden hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes, wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera, die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter, die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden, als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen, waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos’ woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een maaltijd gehouden, waarbij als uitzonderingook vrouwelijke gasten, zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond, onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop vanden maaltijd was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos, die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen, welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:
Bruiloft vierden op deze wijsZeus, die van zijn hoogen troonHeerscht over de goden enHera, die zijn rijksstoel deelt.Als thans klonk er het bruidslied:
Bruiloft vierden op deze wijs
Zeus, die van zijn hoogen troon
Heerscht over de goden en
Hera, die zijn rijksstoel deelt.
Als thans klonk er het bruidslied:
Waarop allen invielen:
Hymen! o Hymenaios!
Hymen! o Hymenaios!
Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:
Goudvleugelige Eros was ’tDie als bruidsknaap, bloeiend schoon,Zeus en Hera zat ter zijEn de bruidskarosse metRozenvingeren stuurde.
Goudvleugelige Eros was ’t
Die als bruidsknaap, bloeiend schoon,
Zeus en Hera zat ter zij
En de bruidskarosse met
Rozenvingeren stuurde.
En wederom besloot het koor:
Hymen! o Hymenaios!
Hymen! o Hymenaios!
De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere, klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:
Volgt den bruidsstoet op zijn pad;Volgt hem naar des bruigoms huis;Strooit hun bloemen waar ze gaan;Volgt hen, kransen om het hoofd;Leidt hen op naar het bruidsbed,Hymen! o Hymenaios!
Volgt den bruidsstoet op zijn pad;
Volgt hem naar des bruigoms huis;
Strooit hun bloemen waar ze gaan;
Volgt hen, kransen om het hoofd;
Leidt hen op naar het bruidsbed,
Hymen! o Hymenaios!
Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was het dat Simon op zekeren morgen meteen ernstig gelaat tot haar zeide: «Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus, dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen, tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meertot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders dan gebaat zou kunnen worden.
«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden, zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en man behoorengelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren, maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?» «In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»
Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht enwelgemeend waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn, tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven bevolken.» NaarmateDemetria deze verschillende bezigheden opsomde, bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage; zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij gaan hechten.»
Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde, evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had gevonden; hij streek met de hand overhaar rosbruin hoofdje waarop de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde: «Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat, geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria, eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken, wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos, veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?» «Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw de volmaaktheid schonken, hebben gewild datbeiden in wederzijdsche afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge, waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde, die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»
Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was, gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun leven had gedaan.