VII.De groote Dionysosfeesten, die in het voorjaar, de maand Elaphebolion, gevierdwerden, naderden allengs en verschaften aan Simon heel wat drukte. Hij was volgens zijn wensch tot Aischylos’ choreeg benoemd en behoorde derhalve zorg te dragen voor betaling, kostumeering, huisvesting en onderhoud van de koristen voor de trilogie Prometheus, die overeenkomstig des dichters voornemen in de afgeloopen maanden was voltooid en welker drie deelen de namen droegen van Prometheus vuurbrenger, Prometheus geboeid en Prometheus verlost. Twee andere treurspeldichters, Phrynichos en Choirilos, zouden met Aischylos in het strijdperk treden. Simon spaarde naar zijne belofte moeite noch kosten voor de waardige uitrusting van het stuk; hij voorzag dat de uitgaven voor het koor wel drie duizend drachmen zouden beloopen doch betreurde die som niet; immers de opvoering van een treurspel was eene religieuse handeling en de Helleen, die gedurende de Dionysosfeesten eene tooneelvoorstelling bijwoonde, gevoelde zich met de godheid door een nauwen band vereenigd.Terwijl de schilder Agatharchos zich met devervaardiging der benoodigde decoratiën onledig hield, hadden de repetitiën van den Prometheus plaats in een groot, daartoe gehuurd lokaal. Men zou juist aanvangen met het tweede stuk der trilogie, den Prometheus geboeid, waarin de dichter zelf de rollen van Hephaistos en Prometheus vervulde, terwijl in die van Kracht, Okeanos, Io en Hermes, de tweede tooneelspeler Kleandros optrad. Aischylos was het vertrek binnengetreden waar Simon verdiept was in de beschouwing van een groot aantal op proef gezonden maskers; Kleandros, op den rug liggend, deed zijne stem ter oefening beurtelings tusschen de laagste en de hoogste tonen opklimmen en afdalen. De dichter trad op Simon toe en bezag met hem de maskers: grijsaardskoppen met glad geschoren gelaat en wit, sluik haar; andere grijsaardstypen met golvend haar en vollen baard; blonde, zwaar behaarde en gebaarde koppen, voor heldenrollen; baardelooze met dik, zwart haar, degrandes utilitésder verzameling. «Ziehier het juiste masker voor Prometheus,» zeide Aischylos, er een te voorschijn halenddat een donkeren man, in de kracht van het leven, met vollen, korten baard en kroeshaar, voorstelde. Hij bond het zich om het hoofd en declameerde:Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet;En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheirGelijk ....Geweldig, met bovenaardsch geluid, klonk de stem door de zware, gewelfde lippen van des maskers geopenden mond. «Ik deel in uw gevoelen, Aischylos,» zeide Simon; «dit voegt het best bij Prometheus’ persoonlijkheid, beter dan het donkerbruine dat wij gisteren kozen. Daarop was wel is waar de ernstige en weemoedige, maar niet de fiere trek aangebracht, die den lijdenden Titan behoort te kenmerken.» Het masker werd ter zijde gelegd en de beide mannen gingen voort met het onderzoeken van andere, toen plotseling de nog steeds op den rug liggende Kleandros eene chromatische gamma deed hooren, die in een niet geheel zuiveren toon eindigde en Aischylos dan ook onthutst deed omzien. «Neem u in acht, Kleandros,» merkte hij op; «het schijnt datge uwe stem in den laatsten tijd verwaarloosd hebt; ook bij de vorige repetitiën scheen zij mij minder zeker dan voorheen.» «Ik mijne stem verwaarloosd!» gaf Kleandros verbolgen ten antwoord, terwijl hij zich halverwege oprichtte, «sedert weken doe ik niets anders dan dieet houden, wandelen, mij volgens de regelen der kunst zalven en, wat het ergste is, standvastig spenen van het genot der liefde, ten einde mijn kostbaar orgaan geheel tot mijn dienst te hebben. Doch waartoe zouden de repetitiën strekken indien het niet ware om fouten te kunnen begaan, die bij de opvoering zelve vermeden behooren te worden? Gij beiden hebt het voorbeeld gegeven door gisteren, zooals ge zelf zeidet, voor den Prometheus geboeid een niet passend masker te kiezen.» Aischylos en Simon konden zich niet weerhouden om deze juiste opmerking te glimlachen, terwijl Kleandros, voldaan over zijn antwoord, zich wederom op den rug neervlijde en zijne zangoefeningen voortzette.Simon had een bezwaar dat hij, alvorens de repetitie een aanvang nam, aan Aischyloswenschte mede te deelen. Hij had de trilogie met aandacht gelezen en herlezen van de papyrosbladen, waarop zij naar de wastafeltjes uit des dichters hand was overgebracht. En hoezeer hij, naarmate hij verder las, steeds meer onder den indruk was geraakt van den grootschen eenvoud en de ontzagwekkende majesteit der trilogie, van de prachtige verzen, waarin zij vervat was, en de verheven gedachten, die zij inhield, zoo was het hem toch voorgekomen dat althans het tweede harer deelen, de Prometheus geboeid, uit het oogpunt der handeling te wenschen zou overlaten. «De tragedie, Aischylos,» merkte hij op, «beoogt, naar ge mij zelf meermalen hebt medegedeeld, de nabootsing eener beteekenisvolle, geheel voleindigde, binnen bepaalde grenzen besloten handeling. Beantwoordt nu, zoo vroeg ik mij zelf gedurende de lezing meermalen af, de Prometheus geboeid aan deze vereischten? Kan men van handeling spreken waar de hoofdpersoon reeds terstond aan eene rots wordt geklonken en in den aanvang zelfs geheel sprakeloos blijft, om tenslotte met die rots te verzinken? Gaarne zag ik deze vraag, die mij gedurende de laatste dagen voortdurend heeft bezig gehouden, door u opgelost.»Aischylos antwoordde: «Wanneer men onder handeling verstaat een onophoudelijk en rusteloos bezig zijn met de organen des lichaams, dan zou voorzeker, Simon, gezegd kunnen worden dat Prometheus in het tweede deel der trilogie niet handelend optreedt. En van dat standpunt uitgaande zou de dichter, die een aantal als mieren door elkander krioelende menschen op het tooneel bracht, het voortreffelijkst aan dezen eisch der tragedie voldoen. Doch naast die des lichaams bestaat er eene handeling des geestes, een in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; eene handeling, voorzeker niet minder des dichters aandacht waardig dan de andere. Heeft uw eigen geest niet vaak gehandeld terwijl het lichaam bewegingloos ter neer zat? En handelt Prometheus’ geest niet, verricht die geest gedurende den loop van het stuk geen reuzenarbeid, zwaarder dan die der Titanen, aanwier zijde hij niet heeft willen strijden? De vraag is dus uitsluitend of de dichter, die aan een treurspel Prometheus’ naam schonk, er al dan niet in geslaagd is die handeling zijns geestes aanschouwelijk voor te stellen. En daarover zult ge kunnen oordeelen wanneer ge, wat u tot nog toe de papyrosrol deed kennen, uit den mond der spelers in verband met de tooneelschikking zult hebben gehoord.»Simon zweeg, niet overtuigd, doch erkennend dat de proefsteen van een dramatisch werk in de opvoering gelegen is. Hij wist bovendien dat het langdurige en hardnekkige zwijgen van Aischylos’ helden en heldinnen reeds meer tegen hun schepper was aangevoerd; al zijne stukken, zoo zeiden sommigen, vangen daarmede aan, dat de hoofdpersoon sprakeloos op eene tombe of urn zit te staren, een heelen tijd achtereen; de toeschouwers zitten in afwachting of zij iets zullen hooren en het stuk is intusschen een goed eind opgeschoten. Hij herinnerde zich tevens, dat hij zelf die methode des dichters steeds verdedigd had, er bijvoegend, dat de sprakeloosheidvan Aischylos’ personen hem meer boeide dan de woordenrijkheid van vele andere tooneelhelden. Maar nu er nog een volslagen bewegingloosheid bij kwam, het gansche stuk door, vreesde hij toch dat ditmaal de grens overschreden was.Een andere twijfel van Simon was daarentegen door de kennisneming der trilogie opgeheven. In zijn gesprek, met Aischylos op den voorlaatsten dag der Panathenaien ten vorigen jare gehouden, had hij het vermoeden uitgesproken, dat de wijze, waarop in den Prometheus Zeus’ wereldbestuur was voorgesteld, wellicht niet zou strooken met den eerbied voor de goden waarop de Atheners zich steeds hadden laten voorstaan. Dit evenwel was hem gebleken niet het geval te zijn, althans wanneer men van de trilogie in haar geheel kennis nam. De Prometheus vuurbrenger loste het vraagstuk niet op. De Prometheus geboeid scheen Simons eerste opvatting te bevestigen, waar dat stuk den oppergod schilderde, uitsluitend heerschend krachtens het recht van den sterkste en alle verzet tegenzijne regeering, ook waar het strekt tot heil der door hem misdeelde stervelingen, met grimmig geweld ten onder brengend. Doch zijn religieus gemoed was gerustgesteld toen hij de lezing van den Prometheus verlost had voltooid; hij bespeurde met voldoening dat de woorden: «Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten,» bij diezelfde gelegenheid door den dichter gesproken, in laatstgenoemd stuk volkomen tot hun recht kwamen. Niet Prometheus maar Zeus overwon ten slotte en toonde daarbij, een oneindig hooger en edeler wezen te bezitten dan de onbuigzame Titan; hij was het, die alles ten goede schikt, die Io’s lijden verzacht door haar aan te wijzen tot stammoeder van Herakles, wiens moeitevolle aardsche werkzaamheid op hare beurt zal vergoed worden door zijne opneming in der zaligen woning aan de zijde van Hebe. «Mijn vrees was ijdel,» moest de choreeg bekennen. «Neen, Aischylos, gij zijt niet afgeweken van het geloof der vaderen. Ook bij uis Zeus gebleven de geweldige, de eenige, doch tevens de rechtvaardige heerscher. Prometheus is hier de godsvijand, de zelfgenoegzame, die de wereldorde verstoort, den menschen ten gevalle, der godheid ten trots. Het was kortzichtigheid toen de Titan den stervelingen een dienst bewees en daardoor in den weg trad aan de plannen van Zeus, die de menschen wilde verdelgen niet uit haat, maar wegens hun eigen onvolmaaktheid, en een slechte dienst werd hun bewezen toen Zeus’ voornemen, een voortreffelijker geslacht voor hen in de plaats te stellen, met roekelooze, zij het ook welmeenende hand werd verijdeld. En Prometheus, die in het tweede stuk den raad van Okeanos, om zich voor de godheid te verootmoedigen, hooghartig versmaadt, hij is ten slotte verplicht den trotschen nek te buigen en aan Zeus’ voeten de boete neder te leggen, die hij eens hoopte den god te ontwringen.»Zóó was Titan Prometheus door den dichter opgevat en Simon kon niet genoeg bewonderen de geheel eenige zelfstandigheid waarmedede figuur in de drie verschillende stukken was voorgesteld. In het eerste de welwillende menschenvriend, tevens vriend van Zeus, onbewust van de verschrikkelijke gevolgen zijner ondoordachte daad en vreugdevol zijn bruiloft vierend met de Okeanide Hesione; in het tweede de fiere godsbekamper, onwrikbaar het hoofd verheffend te midden van duldelooze smart, van smeekbeden en bedreigingen; in het derde de eindelijk gebroken strijder, maar gebroken tot eigen bestwil, want op het oogenblik waarop hij zich neder buigt voor Zeus’ majesteit, doodt Herakles’ pijl den gier, die hem met wreeden snavel de telkens weder aangroeiende lever, den zetel der hartstochten, afknaagt, en vallen hem de boeien van het lichaam. Aldus vermocht het slechts de dichter door gods genade, wien, toen hij als knaap den wijngaard zijns vaders bewaakte, Dionysos zelf verschenen was om hem den weg te wijzen dien hij volgen moest en steeds volgen zou, vol heiligen eerbied vervuld voor de oude sagen, toch deze niet slaafs overnemend maar ze adelend doorde wijze waarop hij ze opvatte en weergaf.Intusschen was het koor binnengetreden, twaalf personen, goede zangers en meest alle van flinke gestalte. Een paar minder bedeelden zouden in het midden geplaatst worden wanneer het koor, in drie rijen van vier man, van ter zijde optrad; overigens kon het gebrekkige der gestalte door masker, kostuum en kothurnen grootendeels verholpen worden. Zij waren vergezeld van een fluitspeler, die met een dubbele fluit de koorzangen te begeleiden en met een bijzonder daarvoor vervaardigd schoeisel de maat aan te geven had, terwijl het recitatief werd gesteund door akkoorden der lyra. Men repeteerde voorloopig alleen met het masker, doch ongekostumeerd en zonder decoratief; een der wanden van het vertrek werd verondersteld de rotsige streek, met de zee ter zijde, voor te stellen, waar Prometheus zou worden vastgeklonken. Aischylos, als Hephaistos gemaskerd, trad op, begeleid door Kleandros als de verpersoonlijking der kracht, terwijl de stomme rol van zijn tweeden metgezel, Geweld, door eenfigurant werd vertolkt. Zij heetten, als bij de opvoering zou plaats hebben, met zich te voeren een ledepop, Prometheus voorstellend, die door hen tegen de rots zou geklonken worden en door wier gapenden mond, met eene opening in de decoratie verband houdend, Aischylos, na als Hephaistos afgetreden te zijn, zou spreken. Kracht en Geweld plaatsten zich voor den wand met eene nagel in de eene, een moker in de andere hand en de eerste hief aan:Het onverbidlijk scherp van harde nagelpuntLaat ik hem dringen door de borst met volle macht.«Laat vallen uw mokers!» riep Aischylos den beiden toe en twee hamerslagen, onmiddellijk op elkander volgend, weerklonken. En, in zijn Hephaistosrol terugkeerend, galmde de dichter met klagende stem:Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om ’t geen ge lijdt.Zoo ging het geruimen tijd voort, telkens een tweetal verzen waarin het leedvermaak der willige beulen sprak, gevolgd door eene smartelijke verzuchting van Hephaistos, schier bezwijkend onder de onwelkome taak, hemdoor de godheid opgelegd. Daartusschen bonsden telkenmale met gelijke tusschenruimten de hamerslagen van het ijzingwekkend gemaskerde tweetal. En Simon bespeurde hoe hij zich wederom vergist had toen hij veronderstelde, dat het in dit gedeelte der trilogie, in den aanvang althans, aan handeling zou ontbreken. Hij liet zijne verbeelding werken ten einde bij het ontbreken der decoratie de tooneelspelers in eene passende omgeving te plaatsen en die verbeelding schiep hem denzelfden achtergrond, in Aischylos’ gezelschap ten vorigen jare van de akropolis aanschouwd, den rotsigen Lykabettos, door de ondergaande zon rozig gekleurd. Dáár had de marteling plaats; dáár werd hij vastgeklonken, hulpeloos en verlaten, in angstverwekkende eenzaamheid. En nauwelijks waren de eerste verzen gesproken of Simon gevoelde dat tusschen dien sprakeloozen lijder en hemzelf een keten gespannen werd, onverbreekbaar, zoolang het den dichter niet zou behagen haar los te maken. Elke mokerslag, die Prometheus trof, drong ook in Simons ziel en hij gevoeldewat die god in dat oogenblik moest gevoeld hebben, inniger en dieper, dan wanneer deze het in stroomende verzen had uitgestort. Ja! dat was de handeling waarvan Aischylos gesproken had, de handeling niet van de organen des lichaams maar van den geest; het in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; een arbeid niet minder geweldig dan die der godenbestrijdende Titanen. Hij gevoelde dat er een bewegingloos zwijgen kan zijn, welsprekender en dramatischer dan de meest welbespraakte bewegelijkheid, wanneer slechts de dichter er in slaagt ons te doen mede lijden wat de zwijgende lijdt.Prometheus had zijn eersten monoloog gehouden; wat straks zijn zwijgen vertolkte, had thans zijn mond geuit:Dewijl ’k den menschen heilTe brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.Daar verneemt hij geruisch in de lucht als van vogelen der wildernis. Hij meent, het zijn nieuwsgierigen, die zijne marteling komen aangapen. Maar hij vergist zich; het zijn de dochters van Okeanos, de zusters zijner gemalinHesione, die op het gebeuk der felle mokerslagen tot hem zijn geijld. Op een gevleugelden wagen, die echter evenals de decoratie bij deze repetitie nog ontbrak, naderen zij. De koristen met hun leider, den koryphaios, in de middelste rij, zetten zich door den fluitspeler voorafgegaan in beweging, traden naar Aischylos, die in de rol van Prometheus zich tegen den wand geplaatst had en werden geacht zich rondom de thymele, het altaar in het midden der orchestra, te scharen. Doch hierin voldeden ze den dichter geenszins.«Ge treedt veel te langzaam en te zwaarwichtig op,» riep hij ontevreden uit. «Het maakt den indruk als zag men eene afdeeling Spartaansche hopliten marcheeren. Bedenkt dat ge zeenimfen voorstelt die, een vreemd geluid hoorend, zich reppen naar de plaats vanwaar het komt. Herhaalt uwen parodos.»Het koor gehoorzaamde, ditmaal vlugger, volgens door Aischylos zelf aangegeven dansbewegingen en hief aan:Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.Doch het duurde nog geruimen tijd eer koryphaios, koor en fluitspeler het Aischylos naar den zin gemaakt hadden. Telkens moest òf eene beweging gewijzigd, òf een stand veranderd, òf eene muziekwijs herhaald worden en Simon, wiens eer als choreeg bij het welslagen van het koor ten zeerste betrokken was, gevoelde zich niets op zijn gemak toen Aischylos hem ter zijde nam en zich ernstig over den koryphaios beklaagde. «De man gesticuleert bijna uitsluitend met het hoofd,» merkte de dichter op, «en vergeet, dat de bewegingen met de handen bijna even uitdrukkingsvol behooren te zijn als de woorden. Ik had gehoopt dat de archon mij Marpsias als koryphaios zou toebedeeld hebben, bij wien de handen niet minder dan de mond spreken, terwijl ze bij dezen houterig neerhangen, als ware hij gelijk Philemon in een lindeboom herschapen.» «Ook ik,» antwoordde Simon, «ben met dezen koryphaios niet bijster ingenomen. Maar hij is sedert den aanvang der repetitiën toch reeds vooruit gegaan en met herhaalde oefeningen geloof ik, dat wij tevreden over hem zullen zijn. WatMarpsias betreft, deze is als koryphaios aan Phrynichos toebedeeld en ik meen, dat wij geene reden hebben om hem te betreuren. Immers hij gaat zich naar ik hoor in den laatsten tijd aan den wijn te buiten, zoodat hij dan ook telkens stoornis teweeg brengt in de voorbereiding der treurspelen, waaraan hij is toebedeeld. Ik geloof dus, dat wij ons over het gemis van den vroeger zoo voortreffelijken Marpsias niet hebben te beklagen.»Deze mededeeling verzoende Aischylos eenigszins met zijn koryphaios en de repetitie werd voortgezet. Kleandros trad op in de rol van Okeanos, den vader der nimfen en trachtte, doch even vergeefs als zijne dochters, Prometheus’ stuggen zin te buigen. Ook hier had de dichter het een en ander aan te merken. «Gij vergeet, Kleandros,» zeide hij, «dat het niet geoorloofd is de hand boven de oogen te heffen of beneden de borst te laten zinken. Ook spreekt ge alle regels met evenveel nadruk uit, hetgeen ongewenscht is; men behoort sommige slechts even te doen hooren ten einde de volgende des te meer indruk te doen maken.Straks zag ik u, zij het slechts even, op den rechtervoet steunen, hetgeen een komisch, geen tragisch gebaar is.»Kleandros gehoorzaamde, schoon aarzelend. Hij bezat van zichzelf als dienaar van Dionysos geen gering denkbeeld en voegde zich niet dan onwillig naar de wenken des dichters. Bereidvaardiger was de fluitspeler, wien in den daarop volgenden koorzang de dichter er op wees hoe de riem, welken hij om den mond droeg, niet geheel passend was, zoodat het doel, het niet doorlaten van bijtonen, verijdeld werd. De rampzalige Io, voorheen de beminde van Zeus, evenals Prometheus zijn vriend, verscheen daarop ten tooneele en de beide ongelukkigen twistten er over wie hunner wel de ellendigste moest genoemd worden: zij, half waanzinnig van smart; hij, onder het zwaarste lijden zijn zinnen zoo meester. Dan voorspelde Prometheus wat haar te wachten stond, omzwervingen zonder tal, tot ze de stammoeder zou worden van een knaapje, wiens heldendaden heel het aardrijk zou verkonden. Hij voegde er bij, dat de trots van Zeus zicheenmaal diep vernederen zou, wanneer hem een zoon geboren was die, machtiger dan de vader zelf, den onrechtvaardigen oppergod van den troon zou stooten. En als straks Hermes verschijnt om den gefolterden Titan te dwingen den naam van dien zoon te noemen, weigert hij en slingert een laatsten vloek op den Olympischen dwingeland, in wilde anapaesten die op het schokkende slot voorbereiden en het als het ware te voorschijn roepen, tot eindelijk te midden van aardbevingen en donderslagen Prometheus met de rots in den afgrond verzinkt.De repetitie was afgeloopen. Men verpoosde zich van den inspannenden arbeid, nog velerlei besprekend wat gedurende de instudeering gebleken was wijziging of verbetering te behoeven. De fluitspeler, een jongmensch en revolutionair op muzikaal gebied, kwam aan met eene nieuwe theorie; hij bepleitte namelijk de wenschelijkheid in de koorzangen op sommige lettergrepen meer dan één noot aan te brengen, hetgeen zijns inziens een hoogst streelenden indruk op het gemoed der hoorders zou teweeg brengen. Doch deze afwijking vanden strengen eenvoud, tot dusver bij de dramatische toonzetting in gebruik, werd door allen zóó nadrukkelijk afgekeurd, dat de fluitspeler zijne nieuwe denkbeelden ijlings terugnam. Aan Simon werd door Aischylos opgedragen, bijzondere zorg te besteden aan de kostumen van een tweetal koristen, door de natuur niet bovenmatig fraai bedacht. Den tengeren Kleandros, wiens gestalte zich uitstekend voor de rol van Io leende, werd ingescherpt zich als Okeanos vooral van een geschikt prosternidion en progastridion te voorzien, ten einde, door het verbreeden der borst en het verzwaren van den buik, als een waardige oude zeegod op te treden.«Wat is de reden, Kleandros,» aldus richtte Simon zich tot den tooneelspeler, «dat u bij het vertolken eener tragische rol de tranen over het gelaat vlieten, ook nadat ge reeds het tooneel hebt verlaten? Toen ik u zoo straks als Io hoorde, bewonderde ik de door tranen gedempte stem, die zich uit uw masker hooren deed, doch toen ge u daarvan ontdaan hadt, bespeurde ik tot mijne verwondering, dat diestem niet geheel kunstmatig was maar ge wel degelijk, terwijl ge Io voorsteldet, geweend hadt en nog weendet.» «Gaarne beantwoord ik uwe vraag, Simon,» zeide Kleandros. «Zoodra ik eene tragische rol vervul, ben ik niet meer de Athener Kleandros, de zoon van Moschos, maar Io of Memnon of Bellerophon en men zou mijne verbazing in hooge mate opwekken wanneer men mij gedurende die oogenblikken mededeelde, dat zulks niet het geval is. Vandaar dan ook dat de aandoeningen der helden en heldinnen, welke ik vertolk, mij zoo machtig aangrijpen, dat de tranen mij onwillekeurig over het gelaat rollen. Ja zelfs, ik ga verder en verricht handelingen, in het stuk gansch en al niet aangegeven doch alleenlijk voortvloeiend uit de gemoedsstemming waarin ik door de bestudeering ervan gebracht ben. Ten vorigen jare was ik, als Atreus in de tragedie van Phrynichos, gedurende de repetitiën neder gezeten, toen een der koristen mij onverhoeds voorbijtrad. Ik gevoelde mij, geheel in mijne rol, zoozeer van moordgedachten vervuld, dat ik nauwelijks den niets kwaads vermoedenden man bespeurdeof ik sprong in razernij van mijn zetel omhoog en bracht hem met mijn schepter een hevigen slag op het hoofd toe. Gelukkig was dat lichaamsdeel met een lederen kap bedekt, zoodat hij met eene lichte duizeling vrij kwam.» «Ikzelf heb een ernstiger geval vernomen,» liet Aischylos hierop volgen. «Bij de repetitiën van Choirilos’ Ajas, voor een tweetal jaren, ontstak de acteur Olympos, die Ajas voorstelde, na de uitspraak welke aan Odysseus Achilleus’ wapenen toekent, zoozeer in woede, dat hij met des fluitspelers instrument zijn bevoorrechten mededinger doodelijk wondde.» Ieder der aanwezigen bracht zijne persoonlijke herinneringen aan; zoo vernam men van een tooneelspeler, die als Elektra de gewaande asch van Orestes ontvangend, zich eene urn deed reiken met de asch zijns eigen zoons gevuld, ten einde maar recht in eene droeve stemming te geraken. Men scheidde ten slotte met de beste verwachtingen voor de toekomst en met het vaste voornemen eene uitvoering tot stand te brengen, het meesterstuk dat zij gold ten volle waardig.VIII.De verwachting werd niet teleurgesteld; Aischylos’ dichtwerk behaalde den eersten prijs. Doch ernstiger gebeurtenissen hadden intusschen haar beslag gekregen.De krijgstoerustingen der Perzen waren voltooid. Een leger van honderdduizend voetknechten en tienduizend ruiters was bijeengebracht. Zeshonderd galeien en tal van transportschepen voor het overbrengen der paarden lagen in de Cilicische havens tot vertrek gereed. De veldtocht gold in de eerste plaats Athene, dat voor korte jaren den Ionischen opstand gesteund en Sardes in de asch gelegd, dat geweigerd had den verbannen Hippias op des grooten konings bevel weder op te nemen. Doch het gold meer dan eene expeditie tegen Athene alleen; het was Azië, dat tegen Europa, het Oosten, dat tegen het Westen werd opgejaagd met onweerstaanbaar geweld, zooals in tegenovergestelde richting voor eeuwen Agamemnon zijne vloten had gevoerd en, anderhalve eeuw later, Alexander zijn legerscharen wederomzou leiden. Het gold geheel Hellas, verdeeld in eigen boezem, gewest tegen gewest, partij tegen partij; Athene slechts noode de hegemonie van Sparta erkennend door zijne hulp in te roepen tegen Aigina; Thebe en Aigina vereenigd tegen Athene en dit zelf eene minderheid huisvestend, die reikhalzend naar Perzië en Hippias uitzag. Alvorens dan ook in zee te steken, hadden de Perzische bevelhebbers, Datis en Artaphernes, gezanten naar de verschillende Helleensche staten afgevaardigd, ten einde te trachten zonder de oorlogskans te wagen de wenschen van Perzië te doen inwilligen.Ook te Athene waren de Perzische boden verschenen en het volk was ter vergadering opgeroepen om hunne voorstellen te hooren. Vier dagen van te voren was naar gewoonte op de agora het onderwerp dat in de bijeenkomst ter sprake zou komen schriftelijk bekend gemaakt en in breede scharen hadden de Atheners zich naar de Pnyx begeven om de woorden der vreemdelingen te hooren. De heuvel, met zijn steenen tegen den rotswand aangebracht spreekgestoelte, met zijn eveneens steenen,gedeeltelijk in de rots uitgehouwen zitplaatsen, was gevuld met eene tallooze menigte. Levendige gesprekken, met niet minder levendige gebaren gepaard, werden alom gevoerd, in één geest, den geest van verzet, want de vertegenwoordigers der Perzische partij, voor zoover zij hadden durven verschijnen, hoedden zich wel hunne ware gevoelens te doen blijken. De ouderen verhaalden van de verdrukking waaronder Athene gezucht had gedurende de laatste jaren van Hippias’ bewind, na de vermoording zijns broeders; sommigen wisten te vertellen dat de gezanten pogingen tot omkooping van Atheensche burgers hadden in het werk gesteld; allen waren het eens dat, al zou Hippias de voortreffelijkste vorst ter wereld geweest zijn, men hem in geen geval uit de handen eener vreemde mogendheid wilde aanvaarden. Maar het gewoel verstomde toen, nadat de vereischte godsdienstige plechtigheden waren verricht, de Perzen, door de commissie der prytanen begeleid en vergezeld van een tolk, binnentraden: twee waardige gestalten, in het lange nationale gewaad, met zwartenbaard en zwarte oogen. Van alle zijden richtten zich de vijandige blikken der Atheners op hen, doch rustig en waardig verdroegen zij die, in het vertrouwen op hunne volkenrechtelijke onschendbaarheid. Eindelijk weerklonk het «Stilte!» van den gerechtsdienaar en de vergadering nam een aanvang.Een der prytanen verhief zich en las aan het volk voor waartoe het bijeengeroepen was, met de mededeeling, dat de gezanten des grooten konings zelve diens voorstellen zouden uiteenzetten. En een hunner nam het woord; hij betrad het spreekgestoelte en begon eene rede, langzaam en doordacht, zijne woorden zorgvuldig kiezend ten einde ’s konings eischen klem bij te zetten en toch het zoo prikkelbare gemoed der Atheners niet te ontstemmen. Naarmate hij sprak, werden zijne woorden door den tolk aan de vergadering in de Helleensche taal overgebracht. Hij verhaalde van de vriendschap, die in vroeger eeuwen tusschen Athene en Perzië bestaan had en nog bestaan zou, wanneer eerstgenoemde staat zich niet te kwader ure in den Ionischen opstand gemengdhad, een opstand, die trouwens spoedig was bedwongen en de onmetelijke macht van Perzië opnieuw in een helder licht had gesteld. Het was daarom dat de groote koning waarborgen verlangde, dat de vroegere vriendschappelijke verhouding hersteld en bewaard zou worden; waarborgen, welke hij alleen meende te kunnen verkrijgen wanneer Athene er in toestemde wederom aan zijn hoofd te plaatsen den telg uit het geslacht van Peisistratos, met welk geslacht de Perzische koningen steeds in vrede en goede verstandhouding hadden geleefd. In welgekozen bewoordingen schilderde de gezant alles wat Athene aan Peisistratos en diens zonen te danken had: de oprichting van tempels en praalgebouwen, de instelling eener openbare bibliotheek, de rangschikking der verstrooide gedichten van Homeros. Indien Hippias’ bestuur in de latere jaren strenger was geweest dan voorheen, moest zulks uitsluitend geweten worden aan den verraderlijken moord, op zijn broeder Hipparchos gepleegd. Athene zou dus wèl doen aan zijn hoofd wederom een vorst te stellen, die getoond hadde belangen des staats zoo uitmuntend te kunnen behartigen, terwijl een éénhoofdig bestuur buitendien verre te verkiezen was boven de democratie, welke het volk blootstelt aan de baatzuchtige inzichten van telkens wisselende leiders. En opdat blijken mocht dat Athene zijne fouten erkende en berouw gevoelde over zijn in de laatste jaren tegenover Perzië gevolgd gedrag, eischte Dareios, dat hem de hulde van aarde en water zou gebracht worden, als symbool van onderwerping en boete. Mocht het Atheensche volk weigerachtig blijken, dan zou de koning niet aarzelen het onverwijld aan te tasten met de geweldige vloot en het ontzagwekkende leger, die in de havens van Klein-Azië slechts op een wenk wachtten om te vertrekken.Met moeite had de Pers zijne rede kunnen voltooien. Telkens, zoo vaak de tolk eene zinsnede in het Helleensch had herhaald, steeg een langgerekte kreet ten hemel, een kreet, die langzamerhand van aard veranderde en, in den aanvang verbazing en afkeuring te kennen gevend, weldra in eene uiting van toorn enverbolgenheid overging. «Weg met de mannen, die zulke voorstellen durven doen!» «Jaagt ze ter vergadering uit!» «Wie is de schurk, die het waagt dergelijke woorden te vertolken? Een Athener toch niet?» En de vijandige gezindheid waarmede de gezanten ontvangen waren, werd uitgebreid tot den tolk, in wien sommigen een Athener herkenden, die na tal van niet zeer eervolle avonturen gedwongen was geweest de stad te verlaten en sedert in verschillende streken had rondgezworven. De man zelf, de geaardheid zijner landgenooten kennend en wetend waartoe zij in oogenblikken van overprikkeling in staat konden zijn, ving aan benauwde blikken om zich heen te werpen en wisselde eenige fluisterende woorden met de Perzen, die kalm en deftig rondzagen, vertrouwend op hunne onschendbaarheid.Maar wederom gebood de gerechtsdienaar stilte en vroeg wie der aanwezigen naar aanleiding van het gesprokene het woord verlangde. Toen verhief zich van zijn steenen zetel een bedaard, ernstig man van middelbaren leeftijd, Aristeides, de zoon van Lysimachos, vriend vanKleisthenes, den grondlegger der Atheensche democratie, doch zelf tot de aristocratische partij behoorend. Men kende hem alom als een man van onkreukbare trouw, die bij al zijne handelingen slechts het heil van het vaderland, geenszins het eigen belang op het oog had, met een buitengewoon ontwikkelden zin voor orde en recht en een aangeboren afkeer van onwaarheid en onredelijkheid. Hij was geen buitengewoon redenaar en gebruikte weinig woorden, doch het volk wist, dat het hem geheel en ten volle kon vertrouwen en dat achter geen enkel woord, door hem gesproken, eene andere beteekenis moest gezocht worden dan het in aller ooren had. Aristeides dan, na een krans op het hoofd geplaatst te hebben, betrad het steenen gestoelte en sprak aldus het verzamelde volk toe:«Zoo gij, Atheners, heden ter vergadering zijt opgeroepen, is het niet om aan te nemen wat den koning het best zal behagen, maar om te besluiten wat aan Athene het meest baat zal brengen. En dan schijnt het mij toe, dat de voorstellen van den Perzischen gezant niet behooren te worden goedgekeurd. Atheneheeft Hippias verjaagd omdat het den druk der tyrannis niet langer wenschte te dragen en vrij wilde zijn. Het heeft den Ionischen opstand gesteund om den oorlog af te wenden, die het toen reeds van de zijde van Perzië dreigde. Wat betreft de hulde van aarde en water, die ten teeken van onderwerping geeischt wordt, Athene heeft geenszins zoo kort geleden een juk afgeworpen om zich gewillig te buigen voor den eerste, die het een ander aanbiedt. Wanneer men de vrije keus bezit, is het voorzeker onzinnig den oorlog te kiezen, maar als men dien slechts vermijden kan door zich voor eene vreemde natie te vernederen, verdient hij blaam, die het gevaar ontvliedt, niet hij, die het zonder vrees aanvaardt. Dit is naar het mij toeschijnt het antwoord, dat op de Perzische voorstellen dient gegeven te worden; het eenige dat Athene waardig is.»De aanwezigen juichten den spreker luide toe. Aristeides had zonder omhaal en oratorisch vertoon het gevoelen van schier de geheele vergadering kort en duidelijk weergegeven. Eigenlijk had de beraadslaging hiermedegeëindigdkunnen wezen, doch, de bijvalsbetuigingen vernemend, die Aristeides ten deel vielen, stond een ander op, eenige jaren jonger dan de vorige spreker, met een geestig gelaat en levendige trekken, onrustig en bewegelijk. Themistokles heette hij, de zoon van Neokles, vurig democraat, in talenten en vindingrijkheid Aristeides’ meerdere, in rechtschapenheid bij hem achter staande. Ook hij beoogde het heil des vaderlands, niet echter in de eerste plaats omdat het vaderland daar wel bij voer, maar omdat het hem persoonlijk aanzien verschafte. Men wist dan ook dat men veel van hem te wachten, niet daarentegen of men meer van hem te hopen dan te vreezen had, al kon hij reeds met zelfvoldoening wijzen op den aanleg van den Peiraios, de grootsche haven waarvan het plan door hem was opgevat en uitgevoerd. Maar bij al zijne handelingen gaf de eerzucht steeds den doorslag en niemand kon voorspellen waartoe die hem nog zou voeren.Den krans der redenaars op het hoofd ving Themistokles met radde tong aan:«Wat dunkt u, mannen, van de verwatenheiddes konings, die meent aan Athene te kunnen voorschrijven wat het te doen, wat het te laten hebbe? En wanneer wij mochten weigeren dan dreigt ons eene kastijding, als waren wij kinderen, die door den vader gestraft worden! Wij zouden Hippias weder in ons midden ontvangen! Herinnert ge u,» ging hij voort, met groote vaardigheid een paar Atheners uit de lagere klasse in het oog vattend, «herinnert ge u, Charondas en gij, Drakyllos, hoe wij als knapen voor vier-en-twintig jaren getuigen waren van Hipparchos’ dood? Juist!» vervolgde hij, toen de beide aangesprokenen hem met fonkelende blikken toeknikten, «wij zagen hem vallen en wij zagen ook Harmodios vallen en hoorden later dat Aristogeiton gevangen genomen en ook gedood was. Ziet ge, Drakyllos en Charondas, dat aanschouwden en dat hoorden wij en nu vragen die twee mannen dáár, dat we dat alles vergeten en den broeder van Hipparchos, al dien tijd van wraakgierige gedachten vervuld, wederom als tiran zullen aanvaarden. Onze democratie zou achterstaan bij een eenhoofdig bestuur! Ik heb wel eenshooren verhalen dat de Perzen, wanneer hun koning verschijnt, zich op het aangezicht werpen, als konden ze den glans, die van hem uitstraalt, niet verdragen. Welaan, Atheners, schijnt zulk een regeeringsvorm u fraaier toe dan de democratie, waarin de geringste man tot de aanzienlijkste ambten kan geroepen worden? En wilt ge dat ik u nog iets zegge? Er bevinden zich hier in de stad een zeker aantal slechte lieden—ik geloof niet eens dat ze Atheners zijn, al nemen zij er ook den schijn van aan. Welnu, die lieden—ze kunnen geen Atheners zijn!—zouden Hippias wel gaarne terugzien en waarom, denkt ge? Omdat alsdan de brave en fatsoenlijke mannen, die thans archon en rechter en strateeg en prytaan zijn, zouden afgezet worden en zij zelve in hunne plaats komen! Zoo is het en tot wie denkt ge dat de Perzische gezanten, toen zij voor eenige dagen binnen Athene kwamen, het eerst zijn gegaan? Tot die slechte menschen, die Hippias terug willen hebben, en zij hebben hun geld gegeven om te maken dat zij in de volksvergadering vóór hunne voorstellen zouden stemmen.» Hierzag ieder der aanwezigen wantrouwend zijn buurman aan, vreezende dat wellicht zulk een slechte kerel, met Perzisch geld in den buidel, naast hem stond. «Maar nu hebben zij zich, den goden zij dank! een paar malen vergist en zich vervoegd bij goede burgers, meenende dat ze óók met vrienden van Hippias te doen hadden. En die goede burgers hebben zich gehouden of zij dat ook waren en het geld ontvangen—spreek ik de waarheid, Euboulides en Charikles?» Wederom richtte zijn levendig oog zich op een paar onaanzienlijke Atheners, die aanstonds zich beijverden zijne woorden door een herhaald hoofdknikken te bevestigen. «Ge ziet het, Atheners!—maar Charikles en Euboulides, die brave burgers zijn, geen vrienden van den koning en van Hippias, zooals die anderen, zijn gisteren tot mij gekomen en hebben gezegd: «Themistokles, wij zijn eenvoudige burgers, kleine kramers, niet gewoon in de volksvertegenwoordiging het woord te voeren. En daarom komen wij u vragen, of gij morgen aan de Atheners zoudt willen mededeelen wat die Perzen tot ons gezegd hebben en wat zijons hebben geschonken.» Dat hebben die brave burgers tot mij gezegd, Atheners, en dat deel ik u thans mede, want zij zelve zijn eenvoudige lieden, niet welbespraakt, en beschroomd om het woord te voeren.»De bedoelde brave burgers, Euboulides en Charikles, knikten maar steeds voort, met een verbazenden ijver. Misschien bevonden er zich onder de aanwezigen, die den indruk kregen dat zij al te ijverig waren en die, in verband met de bekende geringe schroomvalligheid van Themistokles waar het gold middelen te kiezen om een groot doel te bereiken, eenigen twijfel begonnen te koesteren omtrent de algeheele geloofwaardigheid van het door hem medegedeelde. Maar hoe het ook zij, het doel werd bereikt en wellicht overtroffen ook in het oog van Themistokles zelf, mocht dan ook de Helleen het beginsel huldigen: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Woeste kreten van gramschap en verontwaardiging weerklonken uit de opeengehoopte menschenmassa. Dreigende vuisten verhieven zich inde lucht; hier en daar werd een stok met onheilspellend gebaar omhoog geheven en wraakzuchtig drong men op de beide Perzen, die in statige houding naast elkander stonden, onbewust van het naderend gevaar. Van Themistokles’ rede hadden zij geen woord verstaan; immers de tolk, bij den aanvang dier rede voorziende hoe de zaken loopen zouden, had zich op handige wijze bij tijds onder de menigte geschoven en uit de voeten gemaakt. Nu zagen zij de wilde, onstuimige bende op zich aandringen, de voorsten aarzelend, terugdeinzend voor hetgeen zij voorzagen dat te gebeuren stond wanneer men de Perzen zou bereikt hebben, doch niet ongaarne voortgestuwd door de volgenden, die begrepen dat het bloed, mocht het vergoten worden, niet op hun hoofd zou neerkomen. En de beide bleeke, zwartgebaarde mannen staarden met hunne donkere oogen dat alles verwonderd aan, steeds overtuigd dat hun, den gezanten, geen haar zou gedeerd worden; toch langzamerhand vervuld van een vagen angst, zich heel verlaten voelend op die vreemde plaats,met al die onbekende, razende menschen, die hen als wilde dieren aanstaarden, zonder dat zij begrepen waarom.Prytanen, gerechtsdienaars, lexiarchen en boogschutters der politie, die het volk, zij het dan ook wellicht met weinig overtuiging, trachtten terug te houden, werden op zij gedrongen. Instinctmatig hadden de Perzen zich, toen zij eindelijk zagen dat het hun leven gold, tegen elkander gedrukt en de hand op het gevest hunner kromme sabels gelegd. Doch, gelijk een tot den rand gevulde beker slechts dan zijn vocht niet uitstort wanneer alles rondom volkomen onbewegelijk blijft, en overloopt zoodra die onbewegelijkheid in het minst wordt verstoord, zoo ook was deze beweging het sein tot de slachting. Het is later nooit gebleken wie den eersten slag toebracht. Maar toen die gevallen was, gevoelde een ieder zich ontslagen van wat hem nog aan zelfbedwang beteugelde en allen wilden den rampzaligen met beestachtige verscheuringswoede te lijf. In een omzien waren de mannen vaneen gescheiden en gaf op twee plaatsen eeneverwarde opeenhooping van over en op elkander liggende menschelijke lichamen te kennen, waar de gruwel werd volvoerd. Geen geluid kwam meer voort uit de kelen, die zoo even gilden en brulden; nu de ziedende wraakzucht zich kon uiten in daden, had men aan kreten niet langer behoefte. En zij, die te verwijderd waren om een werkdadig aandeel te nemen in den moord, drongen in radelooze teleurstelling op om ten minste te mogen aanschouwen hoe die twee ellendigen daar werden afgemaakt met vuisten en voeten en knuppels, terwijl hun gelaat nog eene uitdrukking van pijnlijke verbazing vertoonde, daar ze niet wisten wat ze hadden misdaan.Maar eene stem riep: «Naar het barathron!» En het brullen en gillen ving aan op nieuw, nu men bespeurde dat er eigenlijk niet meer te slaan en te schoppen viel, dat men reeds geruimen tijd bezig was te beuken en te trappen op doode lichamen. Met een ijzingwekkend gejuil werden de beide lijken bij de beenen gegrepen en voortgesleept. Nu kregen de anderen ook wat te zien; het grauw weekuit om den doortocht vrij te laten en zij, die niet mede hadden mogen slachten, konden nu naast de dooden voortdraven en genieten hoe ze gehotst werden over den grond, van de Pnyx naar beneden en verder en verder, in hun lange gewaden, die onder het sleuren de beenen vrijlieten, borst en gelaat bedekkend. Zoo ging het voort in een wilde jacht, nu en dan een oogenblik ophoudend als het voorste gedeelte van den stoet een nauwer straatje insloeg en dan grijnzend en prettig zich nog eens buigend over de mishandelde lijken, elkander opdringend en wegduwend en op zij stootend. Dan weer verder, steeds wassend in aantal, een afschuwelijke tocht onder den gloeienden, zonnigen hemel, stofwolken omhoog jagend, hijgend en heesch.Men was aangekomen in een armoedige buitenwijk. Daar bevond zich het barathron, de boevenkuil, een rotskloof waarin ter dood gebrachte misdadigers geworpen werden. Daarin werd ook gesmeten wat van de Perzische gezanten over was en de menigte keerde huiswaarts, tevreden en ontspannen.
VII.De groote Dionysosfeesten, die in het voorjaar, de maand Elaphebolion, gevierdwerden, naderden allengs en verschaften aan Simon heel wat drukte. Hij was volgens zijn wensch tot Aischylos’ choreeg benoemd en behoorde derhalve zorg te dragen voor betaling, kostumeering, huisvesting en onderhoud van de koristen voor de trilogie Prometheus, die overeenkomstig des dichters voornemen in de afgeloopen maanden was voltooid en welker drie deelen de namen droegen van Prometheus vuurbrenger, Prometheus geboeid en Prometheus verlost. Twee andere treurspeldichters, Phrynichos en Choirilos, zouden met Aischylos in het strijdperk treden. Simon spaarde naar zijne belofte moeite noch kosten voor de waardige uitrusting van het stuk; hij voorzag dat de uitgaven voor het koor wel drie duizend drachmen zouden beloopen doch betreurde die som niet; immers de opvoering van een treurspel was eene religieuse handeling en de Helleen, die gedurende de Dionysosfeesten eene tooneelvoorstelling bijwoonde, gevoelde zich met de godheid door een nauwen band vereenigd.Terwijl de schilder Agatharchos zich met devervaardiging der benoodigde decoratiën onledig hield, hadden de repetitiën van den Prometheus plaats in een groot, daartoe gehuurd lokaal. Men zou juist aanvangen met het tweede stuk der trilogie, den Prometheus geboeid, waarin de dichter zelf de rollen van Hephaistos en Prometheus vervulde, terwijl in die van Kracht, Okeanos, Io en Hermes, de tweede tooneelspeler Kleandros optrad. Aischylos was het vertrek binnengetreden waar Simon verdiept was in de beschouwing van een groot aantal op proef gezonden maskers; Kleandros, op den rug liggend, deed zijne stem ter oefening beurtelings tusschen de laagste en de hoogste tonen opklimmen en afdalen. De dichter trad op Simon toe en bezag met hem de maskers: grijsaardskoppen met glad geschoren gelaat en wit, sluik haar; andere grijsaardstypen met golvend haar en vollen baard; blonde, zwaar behaarde en gebaarde koppen, voor heldenrollen; baardelooze met dik, zwart haar, degrandes utilitésder verzameling. «Ziehier het juiste masker voor Prometheus,» zeide Aischylos, er een te voorschijn halenddat een donkeren man, in de kracht van het leven, met vollen, korten baard en kroeshaar, voorstelde. Hij bond het zich om het hoofd en declameerde:Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet;En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheirGelijk ....Geweldig, met bovenaardsch geluid, klonk de stem door de zware, gewelfde lippen van des maskers geopenden mond. «Ik deel in uw gevoelen, Aischylos,» zeide Simon; «dit voegt het best bij Prometheus’ persoonlijkheid, beter dan het donkerbruine dat wij gisteren kozen. Daarop was wel is waar de ernstige en weemoedige, maar niet de fiere trek aangebracht, die den lijdenden Titan behoort te kenmerken.» Het masker werd ter zijde gelegd en de beide mannen gingen voort met het onderzoeken van andere, toen plotseling de nog steeds op den rug liggende Kleandros eene chromatische gamma deed hooren, die in een niet geheel zuiveren toon eindigde en Aischylos dan ook onthutst deed omzien. «Neem u in acht, Kleandros,» merkte hij op; «het schijnt datge uwe stem in den laatsten tijd verwaarloosd hebt; ook bij de vorige repetitiën scheen zij mij minder zeker dan voorheen.» «Ik mijne stem verwaarloosd!» gaf Kleandros verbolgen ten antwoord, terwijl hij zich halverwege oprichtte, «sedert weken doe ik niets anders dan dieet houden, wandelen, mij volgens de regelen der kunst zalven en, wat het ergste is, standvastig spenen van het genot der liefde, ten einde mijn kostbaar orgaan geheel tot mijn dienst te hebben. Doch waartoe zouden de repetitiën strekken indien het niet ware om fouten te kunnen begaan, die bij de opvoering zelve vermeden behooren te worden? Gij beiden hebt het voorbeeld gegeven door gisteren, zooals ge zelf zeidet, voor den Prometheus geboeid een niet passend masker te kiezen.» Aischylos en Simon konden zich niet weerhouden om deze juiste opmerking te glimlachen, terwijl Kleandros, voldaan over zijn antwoord, zich wederom op den rug neervlijde en zijne zangoefeningen voortzette.Simon had een bezwaar dat hij, alvorens de repetitie een aanvang nam, aan Aischyloswenschte mede te deelen. Hij had de trilogie met aandacht gelezen en herlezen van de papyrosbladen, waarop zij naar de wastafeltjes uit des dichters hand was overgebracht. En hoezeer hij, naarmate hij verder las, steeds meer onder den indruk was geraakt van den grootschen eenvoud en de ontzagwekkende majesteit der trilogie, van de prachtige verzen, waarin zij vervat was, en de verheven gedachten, die zij inhield, zoo was het hem toch voorgekomen dat althans het tweede harer deelen, de Prometheus geboeid, uit het oogpunt der handeling te wenschen zou overlaten. «De tragedie, Aischylos,» merkte hij op, «beoogt, naar ge mij zelf meermalen hebt medegedeeld, de nabootsing eener beteekenisvolle, geheel voleindigde, binnen bepaalde grenzen besloten handeling. Beantwoordt nu, zoo vroeg ik mij zelf gedurende de lezing meermalen af, de Prometheus geboeid aan deze vereischten? Kan men van handeling spreken waar de hoofdpersoon reeds terstond aan eene rots wordt geklonken en in den aanvang zelfs geheel sprakeloos blijft, om tenslotte met die rots te verzinken? Gaarne zag ik deze vraag, die mij gedurende de laatste dagen voortdurend heeft bezig gehouden, door u opgelost.»Aischylos antwoordde: «Wanneer men onder handeling verstaat een onophoudelijk en rusteloos bezig zijn met de organen des lichaams, dan zou voorzeker, Simon, gezegd kunnen worden dat Prometheus in het tweede deel der trilogie niet handelend optreedt. En van dat standpunt uitgaande zou de dichter, die een aantal als mieren door elkander krioelende menschen op het tooneel bracht, het voortreffelijkst aan dezen eisch der tragedie voldoen. Doch naast die des lichaams bestaat er eene handeling des geestes, een in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; eene handeling, voorzeker niet minder des dichters aandacht waardig dan de andere. Heeft uw eigen geest niet vaak gehandeld terwijl het lichaam bewegingloos ter neer zat? En handelt Prometheus’ geest niet, verricht die geest gedurende den loop van het stuk geen reuzenarbeid, zwaarder dan die der Titanen, aanwier zijde hij niet heeft willen strijden? De vraag is dus uitsluitend of de dichter, die aan een treurspel Prometheus’ naam schonk, er al dan niet in geslaagd is die handeling zijns geestes aanschouwelijk voor te stellen. En daarover zult ge kunnen oordeelen wanneer ge, wat u tot nog toe de papyrosrol deed kennen, uit den mond der spelers in verband met de tooneelschikking zult hebben gehoord.»Simon zweeg, niet overtuigd, doch erkennend dat de proefsteen van een dramatisch werk in de opvoering gelegen is. Hij wist bovendien dat het langdurige en hardnekkige zwijgen van Aischylos’ helden en heldinnen reeds meer tegen hun schepper was aangevoerd; al zijne stukken, zoo zeiden sommigen, vangen daarmede aan, dat de hoofdpersoon sprakeloos op eene tombe of urn zit te staren, een heelen tijd achtereen; de toeschouwers zitten in afwachting of zij iets zullen hooren en het stuk is intusschen een goed eind opgeschoten. Hij herinnerde zich tevens, dat hij zelf die methode des dichters steeds verdedigd had, er bijvoegend, dat de sprakeloosheidvan Aischylos’ personen hem meer boeide dan de woordenrijkheid van vele andere tooneelhelden. Maar nu er nog een volslagen bewegingloosheid bij kwam, het gansche stuk door, vreesde hij toch dat ditmaal de grens overschreden was.Een andere twijfel van Simon was daarentegen door de kennisneming der trilogie opgeheven. In zijn gesprek, met Aischylos op den voorlaatsten dag der Panathenaien ten vorigen jare gehouden, had hij het vermoeden uitgesproken, dat de wijze, waarop in den Prometheus Zeus’ wereldbestuur was voorgesteld, wellicht niet zou strooken met den eerbied voor de goden waarop de Atheners zich steeds hadden laten voorstaan. Dit evenwel was hem gebleken niet het geval te zijn, althans wanneer men van de trilogie in haar geheel kennis nam. De Prometheus vuurbrenger loste het vraagstuk niet op. De Prometheus geboeid scheen Simons eerste opvatting te bevestigen, waar dat stuk den oppergod schilderde, uitsluitend heerschend krachtens het recht van den sterkste en alle verzet tegenzijne regeering, ook waar het strekt tot heil der door hem misdeelde stervelingen, met grimmig geweld ten onder brengend. Doch zijn religieus gemoed was gerustgesteld toen hij de lezing van den Prometheus verlost had voltooid; hij bespeurde met voldoening dat de woorden: «Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten,» bij diezelfde gelegenheid door den dichter gesproken, in laatstgenoemd stuk volkomen tot hun recht kwamen. Niet Prometheus maar Zeus overwon ten slotte en toonde daarbij, een oneindig hooger en edeler wezen te bezitten dan de onbuigzame Titan; hij was het, die alles ten goede schikt, die Io’s lijden verzacht door haar aan te wijzen tot stammoeder van Herakles, wiens moeitevolle aardsche werkzaamheid op hare beurt zal vergoed worden door zijne opneming in der zaligen woning aan de zijde van Hebe. «Mijn vrees was ijdel,» moest de choreeg bekennen. «Neen, Aischylos, gij zijt niet afgeweken van het geloof der vaderen. Ook bij uis Zeus gebleven de geweldige, de eenige, doch tevens de rechtvaardige heerscher. Prometheus is hier de godsvijand, de zelfgenoegzame, die de wereldorde verstoort, den menschen ten gevalle, der godheid ten trots. Het was kortzichtigheid toen de Titan den stervelingen een dienst bewees en daardoor in den weg trad aan de plannen van Zeus, die de menschen wilde verdelgen niet uit haat, maar wegens hun eigen onvolmaaktheid, en een slechte dienst werd hun bewezen toen Zeus’ voornemen, een voortreffelijker geslacht voor hen in de plaats te stellen, met roekelooze, zij het ook welmeenende hand werd verijdeld. En Prometheus, die in het tweede stuk den raad van Okeanos, om zich voor de godheid te verootmoedigen, hooghartig versmaadt, hij is ten slotte verplicht den trotschen nek te buigen en aan Zeus’ voeten de boete neder te leggen, die hij eens hoopte den god te ontwringen.»Zóó was Titan Prometheus door den dichter opgevat en Simon kon niet genoeg bewonderen de geheel eenige zelfstandigheid waarmedede figuur in de drie verschillende stukken was voorgesteld. In het eerste de welwillende menschenvriend, tevens vriend van Zeus, onbewust van de verschrikkelijke gevolgen zijner ondoordachte daad en vreugdevol zijn bruiloft vierend met de Okeanide Hesione; in het tweede de fiere godsbekamper, onwrikbaar het hoofd verheffend te midden van duldelooze smart, van smeekbeden en bedreigingen; in het derde de eindelijk gebroken strijder, maar gebroken tot eigen bestwil, want op het oogenblik waarop hij zich neder buigt voor Zeus’ majesteit, doodt Herakles’ pijl den gier, die hem met wreeden snavel de telkens weder aangroeiende lever, den zetel der hartstochten, afknaagt, en vallen hem de boeien van het lichaam. Aldus vermocht het slechts de dichter door gods genade, wien, toen hij als knaap den wijngaard zijns vaders bewaakte, Dionysos zelf verschenen was om hem den weg te wijzen dien hij volgen moest en steeds volgen zou, vol heiligen eerbied vervuld voor de oude sagen, toch deze niet slaafs overnemend maar ze adelend doorde wijze waarop hij ze opvatte en weergaf.Intusschen was het koor binnengetreden, twaalf personen, goede zangers en meest alle van flinke gestalte. Een paar minder bedeelden zouden in het midden geplaatst worden wanneer het koor, in drie rijen van vier man, van ter zijde optrad; overigens kon het gebrekkige der gestalte door masker, kostuum en kothurnen grootendeels verholpen worden. Zij waren vergezeld van een fluitspeler, die met een dubbele fluit de koorzangen te begeleiden en met een bijzonder daarvoor vervaardigd schoeisel de maat aan te geven had, terwijl het recitatief werd gesteund door akkoorden der lyra. Men repeteerde voorloopig alleen met het masker, doch ongekostumeerd en zonder decoratief; een der wanden van het vertrek werd verondersteld de rotsige streek, met de zee ter zijde, voor te stellen, waar Prometheus zou worden vastgeklonken. Aischylos, als Hephaistos gemaskerd, trad op, begeleid door Kleandros als de verpersoonlijking der kracht, terwijl de stomme rol van zijn tweeden metgezel, Geweld, door eenfigurant werd vertolkt. Zij heetten, als bij de opvoering zou plaats hebben, met zich te voeren een ledepop, Prometheus voorstellend, die door hen tegen de rots zou geklonken worden en door wier gapenden mond, met eene opening in de decoratie verband houdend, Aischylos, na als Hephaistos afgetreden te zijn, zou spreken. Kracht en Geweld plaatsten zich voor den wand met eene nagel in de eene, een moker in de andere hand en de eerste hief aan:Het onverbidlijk scherp van harde nagelpuntLaat ik hem dringen door de borst met volle macht.«Laat vallen uw mokers!» riep Aischylos den beiden toe en twee hamerslagen, onmiddellijk op elkander volgend, weerklonken. En, in zijn Hephaistosrol terugkeerend, galmde de dichter met klagende stem:Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om ’t geen ge lijdt.Zoo ging het geruimen tijd voort, telkens een tweetal verzen waarin het leedvermaak der willige beulen sprak, gevolgd door eene smartelijke verzuchting van Hephaistos, schier bezwijkend onder de onwelkome taak, hemdoor de godheid opgelegd. Daartusschen bonsden telkenmale met gelijke tusschenruimten de hamerslagen van het ijzingwekkend gemaskerde tweetal. En Simon bespeurde hoe hij zich wederom vergist had toen hij veronderstelde, dat het in dit gedeelte der trilogie, in den aanvang althans, aan handeling zou ontbreken. Hij liet zijne verbeelding werken ten einde bij het ontbreken der decoratie de tooneelspelers in eene passende omgeving te plaatsen en die verbeelding schiep hem denzelfden achtergrond, in Aischylos’ gezelschap ten vorigen jare van de akropolis aanschouwd, den rotsigen Lykabettos, door de ondergaande zon rozig gekleurd. Dáár had de marteling plaats; dáár werd hij vastgeklonken, hulpeloos en verlaten, in angstverwekkende eenzaamheid. En nauwelijks waren de eerste verzen gesproken of Simon gevoelde dat tusschen dien sprakeloozen lijder en hemzelf een keten gespannen werd, onverbreekbaar, zoolang het den dichter niet zou behagen haar los te maken. Elke mokerslag, die Prometheus trof, drong ook in Simons ziel en hij gevoeldewat die god in dat oogenblik moest gevoeld hebben, inniger en dieper, dan wanneer deze het in stroomende verzen had uitgestort. Ja! dat was de handeling waarvan Aischylos gesproken had, de handeling niet van de organen des lichaams maar van den geest; het in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; een arbeid niet minder geweldig dan die der godenbestrijdende Titanen. Hij gevoelde dat er een bewegingloos zwijgen kan zijn, welsprekender en dramatischer dan de meest welbespraakte bewegelijkheid, wanneer slechts de dichter er in slaagt ons te doen mede lijden wat de zwijgende lijdt.Prometheus had zijn eersten monoloog gehouden; wat straks zijn zwijgen vertolkte, had thans zijn mond geuit:Dewijl ’k den menschen heilTe brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.Daar verneemt hij geruisch in de lucht als van vogelen der wildernis. Hij meent, het zijn nieuwsgierigen, die zijne marteling komen aangapen. Maar hij vergist zich; het zijn de dochters van Okeanos, de zusters zijner gemalinHesione, die op het gebeuk der felle mokerslagen tot hem zijn geijld. Op een gevleugelden wagen, die echter evenals de decoratie bij deze repetitie nog ontbrak, naderen zij. De koristen met hun leider, den koryphaios, in de middelste rij, zetten zich door den fluitspeler voorafgegaan in beweging, traden naar Aischylos, die in de rol van Prometheus zich tegen den wand geplaatst had en werden geacht zich rondom de thymele, het altaar in het midden der orchestra, te scharen. Doch hierin voldeden ze den dichter geenszins.«Ge treedt veel te langzaam en te zwaarwichtig op,» riep hij ontevreden uit. «Het maakt den indruk als zag men eene afdeeling Spartaansche hopliten marcheeren. Bedenkt dat ge zeenimfen voorstelt die, een vreemd geluid hoorend, zich reppen naar de plaats vanwaar het komt. Herhaalt uwen parodos.»Het koor gehoorzaamde, ditmaal vlugger, volgens door Aischylos zelf aangegeven dansbewegingen en hief aan:Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.Doch het duurde nog geruimen tijd eer koryphaios, koor en fluitspeler het Aischylos naar den zin gemaakt hadden. Telkens moest òf eene beweging gewijzigd, òf een stand veranderd, òf eene muziekwijs herhaald worden en Simon, wiens eer als choreeg bij het welslagen van het koor ten zeerste betrokken was, gevoelde zich niets op zijn gemak toen Aischylos hem ter zijde nam en zich ernstig over den koryphaios beklaagde. «De man gesticuleert bijna uitsluitend met het hoofd,» merkte de dichter op, «en vergeet, dat de bewegingen met de handen bijna even uitdrukkingsvol behooren te zijn als de woorden. Ik had gehoopt dat de archon mij Marpsias als koryphaios zou toebedeeld hebben, bij wien de handen niet minder dan de mond spreken, terwijl ze bij dezen houterig neerhangen, als ware hij gelijk Philemon in een lindeboom herschapen.» «Ook ik,» antwoordde Simon, «ben met dezen koryphaios niet bijster ingenomen. Maar hij is sedert den aanvang der repetitiën toch reeds vooruit gegaan en met herhaalde oefeningen geloof ik, dat wij tevreden over hem zullen zijn. WatMarpsias betreft, deze is als koryphaios aan Phrynichos toebedeeld en ik meen, dat wij geene reden hebben om hem te betreuren. Immers hij gaat zich naar ik hoor in den laatsten tijd aan den wijn te buiten, zoodat hij dan ook telkens stoornis teweeg brengt in de voorbereiding der treurspelen, waaraan hij is toebedeeld. Ik geloof dus, dat wij ons over het gemis van den vroeger zoo voortreffelijken Marpsias niet hebben te beklagen.»Deze mededeeling verzoende Aischylos eenigszins met zijn koryphaios en de repetitie werd voortgezet. Kleandros trad op in de rol van Okeanos, den vader der nimfen en trachtte, doch even vergeefs als zijne dochters, Prometheus’ stuggen zin te buigen. Ook hier had de dichter het een en ander aan te merken. «Gij vergeet, Kleandros,» zeide hij, «dat het niet geoorloofd is de hand boven de oogen te heffen of beneden de borst te laten zinken. Ook spreekt ge alle regels met evenveel nadruk uit, hetgeen ongewenscht is; men behoort sommige slechts even te doen hooren ten einde de volgende des te meer indruk te doen maken.Straks zag ik u, zij het slechts even, op den rechtervoet steunen, hetgeen een komisch, geen tragisch gebaar is.»Kleandros gehoorzaamde, schoon aarzelend. Hij bezat van zichzelf als dienaar van Dionysos geen gering denkbeeld en voegde zich niet dan onwillig naar de wenken des dichters. Bereidvaardiger was de fluitspeler, wien in den daarop volgenden koorzang de dichter er op wees hoe de riem, welken hij om den mond droeg, niet geheel passend was, zoodat het doel, het niet doorlaten van bijtonen, verijdeld werd. De rampzalige Io, voorheen de beminde van Zeus, evenals Prometheus zijn vriend, verscheen daarop ten tooneele en de beide ongelukkigen twistten er over wie hunner wel de ellendigste moest genoemd worden: zij, half waanzinnig van smart; hij, onder het zwaarste lijden zijn zinnen zoo meester. Dan voorspelde Prometheus wat haar te wachten stond, omzwervingen zonder tal, tot ze de stammoeder zou worden van een knaapje, wiens heldendaden heel het aardrijk zou verkonden. Hij voegde er bij, dat de trots van Zeus zicheenmaal diep vernederen zou, wanneer hem een zoon geboren was die, machtiger dan de vader zelf, den onrechtvaardigen oppergod van den troon zou stooten. En als straks Hermes verschijnt om den gefolterden Titan te dwingen den naam van dien zoon te noemen, weigert hij en slingert een laatsten vloek op den Olympischen dwingeland, in wilde anapaesten die op het schokkende slot voorbereiden en het als het ware te voorschijn roepen, tot eindelijk te midden van aardbevingen en donderslagen Prometheus met de rots in den afgrond verzinkt.De repetitie was afgeloopen. Men verpoosde zich van den inspannenden arbeid, nog velerlei besprekend wat gedurende de instudeering gebleken was wijziging of verbetering te behoeven. De fluitspeler, een jongmensch en revolutionair op muzikaal gebied, kwam aan met eene nieuwe theorie; hij bepleitte namelijk de wenschelijkheid in de koorzangen op sommige lettergrepen meer dan één noot aan te brengen, hetgeen zijns inziens een hoogst streelenden indruk op het gemoed der hoorders zou teweeg brengen. Doch deze afwijking vanden strengen eenvoud, tot dusver bij de dramatische toonzetting in gebruik, werd door allen zóó nadrukkelijk afgekeurd, dat de fluitspeler zijne nieuwe denkbeelden ijlings terugnam. Aan Simon werd door Aischylos opgedragen, bijzondere zorg te besteden aan de kostumen van een tweetal koristen, door de natuur niet bovenmatig fraai bedacht. Den tengeren Kleandros, wiens gestalte zich uitstekend voor de rol van Io leende, werd ingescherpt zich als Okeanos vooral van een geschikt prosternidion en progastridion te voorzien, ten einde, door het verbreeden der borst en het verzwaren van den buik, als een waardige oude zeegod op te treden.«Wat is de reden, Kleandros,» aldus richtte Simon zich tot den tooneelspeler, «dat u bij het vertolken eener tragische rol de tranen over het gelaat vlieten, ook nadat ge reeds het tooneel hebt verlaten? Toen ik u zoo straks als Io hoorde, bewonderde ik de door tranen gedempte stem, die zich uit uw masker hooren deed, doch toen ge u daarvan ontdaan hadt, bespeurde ik tot mijne verwondering, dat diestem niet geheel kunstmatig was maar ge wel degelijk, terwijl ge Io voorsteldet, geweend hadt en nog weendet.» «Gaarne beantwoord ik uwe vraag, Simon,» zeide Kleandros. «Zoodra ik eene tragische rol vervul, ben ik niet meer de Athener Kleandros, de zoon van Moschos, maar Io of Memnon of Bellerophon en men zou mijne verbazing in hooge mate opwekken wanneer men mij gedurende die oogenblikken mededeelde, dat zulks niet het geval is. Vandaar dan ook dat de aandoeningen der helden en heldinnen, welke ik vertolk, mij zoo machtig aangrijpen, dat de tranen mij onwillekeurig over het gelaat rollen. Ja zelfs, ik ga verder en verricht handelingen, in het stuk gansch en al niet aangegeven doch alleenlijk voortvloeiend uit de gemoedsstemming waarin ik door de bestudeering ervan gebracht ben. Ten vorigen jare was ik, als Atreus in de tragedie van Phrynichos, gedurende de repetitiën neder gezeten, toen een der koristen mij onverhoeds voorbijtrad. Ik gevoelde mij, geheel in mijne rol, zoozeer van moordgedachten vervuld, dat ik nauwelijks den niets kwaads vermoedenden man bespeurdeof ik sprong in razernij van mijn zetel omhoog en bracht hem met mijn schepter een hevigen slag op het hoofd toe. Gelukkig was dat lichaamsdeel met een lederen kap bedekt, zoodat hij met eene lichte duizeling vrij kwam.» «Ikzelf heb een ernstiger geval vernomen,» liet Aischylos hierop volgen. «Bij de repetitiën van Choirilos’ Ajas, voor een tweetal jaren, ontstak de acteur Olympos, die Ajas voorstelde, na de uitspraak welke aan Odysseus Achilleus’ wapenen toekent, zoozeer in woede, dat hij met des fluitspelers instrument zijn bevoorrechten mededinger doodelijk wondde.» Ieder der aanwezigen bracht zijne persoonlijke herinneringen aan; zoo vernam men van een tooneelspeler, die als Elektra de gewaande asch van Orestes ontvangend, zich eene urn deed reiken met de asch zijns eigen zoons gevuld, ten einde maar recht in eene droeve stemming te geraken. Men scheidde ten slotte met de beste verwachtingen voor de toekomst en met het vaste voornemen eene uitvoering tot stand te brengen, het meesterstuk dat zij gold ten volle waardig.
De groote Dionysosfeesten, die in het voorjaar, de maand Elaphebolion, gevierdwerden, naderden allengs en verschaften aan Simon heel wat drukte. Hij was volgens zijn wensch tot Aischylos’ choreeg benoemd en behoorde derhalve zorg te dragen voor betaling, kostumeering, huisvesting en onderhoud van de koristen voor de trilogie Prometheus, die overeenkomstig des dichters voornemen in de afgeloopen maanden was voltooid en welker drie deelen de namen droegen van Prometheus vuurbrenger, Prometheus geboeid en Prometheus verlost. Twee andere treurspeldichters, Phrynichos en Choirilos, zouden met Aischylos in het strijdperk treden. Simon spaarde naar zijne belofte moeite noch kosten voor de waardige uitrusting van het stuk; hij voorzag dat de uitgaven voor het koor wel drie duizend drachmen zouden beloopen doch betreurde die som niet; immers de opvoering van een treurspel was eene religieuse handeling en de Helleen, die gedurende de Dionysosfeesten eene tooneelvoorstelling bijwoonde, gevoelde zich met de godheid door een nauwen band vereenigd.
Terwijl de schilder Agatharchos zich met devervaardiging der benoodigde decoratiën onledig hield, hadden de repetitiën van den Prometheus plaats in een groot, daartoe gehuurd lokaal. Men zou juist aanvangen met het tweede stuk der trilogie, den Prometheus geboeid, waarin de dichter zelf de rollen van Hephaistos en Prometheus vervulde, terwijl in die van Kracht, Okeanos, Io en Hermes, de tweede tooneelspeler Kleandros optrad. Aischylos was het vertrek binnengetreden waar Simon verdiept was in de beschouwing van een groot aantal op proef gezonden maskers; Kleandros, op den rug liggend, deed zijne stem ter oefening beurtelings tusschen de laagste en de hoogste tonen opklimmen en afdalen. De dichter trad op Simon toe en bezag met hem de maskers: grijsaardskoppen met glad geschoren gelaat en wit, sluik haar; andere grijsaardstypen met golvend haar en vollen baard; blonde, zwaar behaarde en gebaarde koppen, voor heldenrollen; baardelooze met dik, zwart haar, degrandes utilitésder verzameling. «Ziehier het juiste masker voor Prometheus,» zeide Aischylos, er een te voorschijn halenddat een donkeren man, in de kracht van het leven, met vollen, korten baard en kroeshaar, voorstelde. Hij bond het zich om het hoofd en declameerde:
Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet;En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheirGelijk ....
Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet;
En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheir
Gelijk ....
Geweldig, met bovenaardsch geluid, klonk de stem door de zware, gewelfde lippen van des maskers geopenden mond. «Ik deel in uw gevoelen, Aischylos,» zeide Simon; «dit voegt het best bij Prometheus’ persoonlijkheid, beter dan het donkerbruine dat wij gisteren kozen. Daarop was wel is waar de ernstige en weemoedige, maar niet de fiere trek aangebracht, die den lijdenden Titan behoort te kenmerken.» Het masker werd ter zijde gelegd en de beide mannen gingen voort met het onderzoeken van andere, toen plotseling de nog steeds op den rug liggende Kleandros eene chromatische gamma deed hooren, die in een niet geheel zuiveren toon eindigde en Aischylos dan ook onthutst deed omzien. «Neem u in acht, Kleandros,» merkte hij op; «het schijnt datge uwe stem in den laatsten tijd verwaarloosd hebt; ook bij de vorige repetitiën scheen zij mij minder zeker dan voorheen.» «Ik mijne stem verwaarloosd!» gaf Kleandros verbolgen ten antwoord, terwijl hij zich halverwege oprichtte, «sedert weken doe ik niets anders dan dieet houden, wandelen, mij volgens de regelen der kunst zalven en, wat het ergste is, standvastig spenen van het genot der liefde, ten einde mijn kostbaar orgaan geheel tot mijn dienst te hebben. Doch waartoe zouden de repetitiën strekken indien het niet ware om fouten te kunnen begaan, die bij de opvoering zelve vermeden behooren te worden? Gij beiden hebt het voorbeeld gegeven door gisteren, zooals ge zelf zeidet, voor den Prometheus geboeid een niet passend masker te kiezen.» Aischylos en Simon konden zich niet weerhouden om deze juiste opmerking te glimlachen, terwijl Kleandros, voldaan over zijn antwoord, zich wederom op den rug neervlijde en zijne zangoefeningen voortzette.
Simon had een bezwaar dat hij, alvorens de repetitie een aanvang nam, aan Aischyloswenschte mede te deelen. Hij had de trilogie met aandacht gelezen en herlezen van de papyrosbladen, waarop zij naar de wastafeltjes uit des dichters hand was overgebracht. En hoezeer hij, naarmate hij verder las, steeds meer onder den indruk was geraakt van den grootschen eenvoud en de ontzagwekkende majesteit der trilogie, van de prachtige verzen, waarin zij vervat was, en de verheven gedachten, die zij inhield, zoo was het hem toch voorgekomen dat althans het tweede harer deelen, de Prometheus geboeid, uit het oogpunt der handeling te wenschen zou overlaten. «De tragedie, Aischylos,» merkte hij op, «beoogt, naar ge mij zelf meermalen hebt medegedeeld, de nabootsing eener beteekenisvolle, geheel voleindigde, binnen bepaalde grenzen besloten handeling. Beantwoordt nu, zoo vroeg ik mij zelf gedurende de lezing meermalen af, de Prometheus geboeid aan deze vereischten? Kan men van handeling spreken waar de hoofdpersoon reeds terstond aan eene rots wordt geklonken en in den aanvang zelfs geheel sprakeloos blijft, om tenslotte met die rots te verzinken? Gaarne zag ik deze vraag, die mij gedurende de laatste dagen voortdurend heeft bezig gehouden, door u opgelost.»
Aischylos antwoordde: «Wanneer men onder handeling verstaat een onophoudelijk en rusteloos bezig zijn met de organen des lichaams, dan zou voorzeker, Simon, gezegd kunnen worden dat Prometheus in het tweede deel der trilogie niet handelend optreedt. En van dat standpunt uitgaande zou de dichter, die een aantal als mieren door elkander krioelende menschen op het tooneel bracht, het voortreffelijkst aan dezen eisch der tragedie voldoen. Doch naast die des lichaams bestaat er eene handeling des geestes, een in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; eene handeling, voorzeker niet minder des dichters aandacht waardig dan de andere. Heeft uw eigen geest niet vaak gehandeld terwijl het lichaam bewegingloos ter neer zat? En handelt Prometheus’ geest niet, verricht die geest gedurende den loop van het stuk geen reuzenarbeid, zwaarder dan die der Titanen, aanwier zijde hij niet heeft willen strijden? De vraag is dus uitsluitend of de dichter, die aan een treurspel Prometheus’ naam schonk, er al dan niet in geslaagd is die handeling zijns geestes aanschouwelijk voor te stellen. En daarover zult ge kunnen oordeelen wanneer ge, wat u tot nog toe de papyrosrol deed kennen, uit den mond der spelers in verband met de tooneelschikking zult hebben gehoord.»
Simon zweeg, niet overtuigd, doch erkennend dat de proefsteen van een dramatisch werk in de opvoering gelegen is. Hij wist bovendien dat het langdurige en hardnekkige zwijgen van Aischylos’ helden en heldinnen reeds meer tegen hun schepper was aangevoerd; al zijne stukken, zoo zeiden sommigen, vangen daarmede aan, dat de hoofdpersoon sprakeloos op eene tombe of urn zit te staren, een heelen tijd achtereen; de toeschouwers zitten in afwachting of zij iets zullen hooren en het stuk is intusschen een goed eind opgeschoten. Hij herinnerde zich tevens, dat hij zelf die methode des dichters steeds verdedigd had, er bijvoegend, dat de sprakeloosheidvan Aischylos’ personen hem meer boeide dan de woordenrijkheid van vele andere tooneelhelden. Maar nu er nog een volslagen bewegingloosheid bij kwam, het gansche stuk door, vreesde hij toch dat ditmaal de grens overschreden was.
Een andere twijfel van Simon was daarentegen door de kennisneming der trilogie opgeheven. In zijn gesprek, met Aischylos op den voorlaatsten dag der Panathenaien ten vorigen jare gehouden, had hij het vermoeden uitgesproken, dat de wijze, waarop in den Prometheus Zeus’ wereldbestuur was voorgesteld, wellicht niet zou strooken met den eerbied voor de goden waarop de Atheners zich steeds hadden laten voorstaan. Dit evenwel was hem gebleken niet het geval te zijn, althans wanneer men van de trilogie in haar geheel kennis nam. De Prometheus vuurbrenger loste het vraagstuk niet op. De Prometheus geboeid scheen Simons eerste opvatting te bevestigen, waar dat stuk den oppergod schilderde, uitsluitend heerschend krachtens het recht van den sterkste en alle verzet tegenzijne regeering, ook waar het strekt tot heil der door hem misdeelde stervelingen, met grimmig geweld ten onder brengend. Doch zijn religieus gemoed was gerustgesteld toen hij de lezing van den Prometheus verlost had voltooid; hij bespeurde met voldoening dat de woorden: «Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten,» bij diezelfde gelegenheid door den dichter gesproken, in laatstgenoemd stuk volkomen tot hun recht kwamen. Niet Prometheus maar Zeus overwon ten slotte en toonde daarbij, een oneindig hooger en edeler wezen te bezitten dan de onbuigzame Titan; hij was het, die alles ten goede schikt, die Io’s lijden verzacht door haar aan te wijzen tot stammoeder van Herakles, wiens moeitevolle aardsche werkzaamheid op hare beurt zal vergoed worden door zijne opneming in der zaligen woning aan de zijde van Hebe. «Mijn vrees was ijdel,» moest de choreeg bekennen. «Neen, Aischylos, gij zijt niet afgeweken van het geloof der vaderen. Ook bij uis Zeus gebleven de geweldige, de eenige, doch tevens de rechtvaardige heerscher. Prometheus is hier de godsvijand, de zelfgenoegzame, die de wereldorde verstoort, den menschen ten gevalle, der godheid ten trots. Het was kortzichtigheid toen de Titan den stervelingen een dienst bewees en daardoor in den weg trad aan de plannen van Zeus, die de menschen wilde verdelgen niet uit haat, maar wegens hun eigen onvolmaaktheid, en een slechte dienst werd hun bewezen toen Zeus’ voornemen, een voortreffelijker geslacht voor hen in de plaats te stellen, met roekelooze, zij het ook welmeenende hand werd verijdeld. En Prometheus, die in het tweede stuk den raad van Okeanos, om zich voor de godheid te verootmoedigen, hooghartig versmaadt, hij is ten slotte verplicht den trotschen nek te buigen en aan Zeus’ voeten de boete neder te leggen, die hij eens hoopte den god te ontwringen.»
Zóó was Titan Prometheus door den dichter opgevat en Simon kon niet genoeg bewonderen de geheel eenige zelfstandigheid waarmedede figuur in de drie verschillende stukken was voorgesteld. In het eerste de welwillende menschenvriend, tevens vriend van Zeus, onbewust van de verschrikkelijke gevolgen zijner ondoordachte daad en vreugdevol zijn bruiloft vierend met de Okeanide Hesione; in het tweede de fiere godsbekamper, onwrikbaar het hoofd verheffend te midden van duldelooze smart, van smeekbeden en bedreigingen; in het derde de eindelijk gebroken strijder, maar gebroken tot eigen bestwil, want op het oogenblik waarop hij zich neder buigt voor Zeus’ majesteit, doodt Herakles’ pijl den gier, die hem met wreeden snavel de telkens weder aangroeiende lever, den zetel der hartstochten, afknaagt, en vallen hem de boeien van het lichaam. Aldus vermocht het slechts de dichter door gods genade, wien, toen hij als knaap den wijngaard zijns vaders bewaakte, Dionysos zelf verschenen was om hem den weg te wijzen dien hij volgen moest en steeds volgen zou, vol heiligen eerbied vervuld voor de oude sagen, toch deze niet slaafs overnemend maar ze adelend doorde wijze waarop hij ze opvatte en weergaf.
Intusschen was het koor binnengetreden, twaalf personen, goede zangers en meest alle van flinke gestalte. Een paar minder bedeelden zouden in het midden geplaatst worden wanneer het koor, in drie rijen van vier man, van ter zijde optrad; overigens kon het gebrekkige der gestalte door masker, kostuum en kothurnen grootendeels verholpen worden. Zij waren vergezeld van een fluitspeler, die met een dubbele fluit de koorzangen te begeleiden en met een bijzonder daarvoor vervaardigd schoeisel de maat aan te geven had, terwijl het recitatief werd gesteund door akkoorden der lyra. Men repeteerde voorloopig alleen met het masker, doch ongekostumeerd en zonder decoratief; een der wanden van het vertrek werd verondersteld de rotsige streek, met de zee ter zijde, voor te stellen, waar Prometheus zou worden vastgeklonken. Aischylos, als Hephaistos gemaskerd, trad op, begeleid door Kleandros als de verpersoonlijking der kracht, terwijl de stomme rol van zijn tweeden metgezel, Geweld, door eenfigurant werd vertolkt. Zij heetten, als bij de opvoering zou plaats hebben, met zich te voeren een ledepop, Prometheus voorstellend, die door hen tegen de rots zou geklonken worden en door wier gapenden mond, met eene opening in de decoratie verband houdend, Aischylos, na als Hephaistos afgetreden te zijn, zou spreken. Kracht en Geweld plaatsten zich voor den wand met eene nagel in de eene, een moker in de andere hand en de eerste hief aan:
Het onverbidlijk scherp van harde nagelpuntLaat ik hem dringen door de borst met volle macht.
Het onverbidlijk scherp van harde nagelpunt
Laat ik hem dringen door de borst met volle macht.
«Laat vallen uw mokers!» riep Aischylos den beiden toe en twee hamerslagen, onmiddellijk op elkander volgend, weerklonken. En, in zijn Hephaistosrol terugkeerend, galmde de dichter met klagende stem:
Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om ’t geen ge lijdt.
Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om ’t geen ge lijdt.
Zoo ging het geruimen tijd voort, telkens een tweetal verzen waarin het leedvermaak der willige beulen sprak, gevolgd door eene smartelijke verzuchting van Hephaistos, schier bezwijkend onder de onwelkome taak, hemdoor de godheid opgelegd. Daartusschen bonsden telkenmale met gelijke tusschenruimten de hamerslagen van het ijzingwekkend gemaskerde tweetal. En Simon bespeurde hoe hij zich wederom vergist had toen hij veronderstelde, dat het in dit gedeelte der trilogie, in den aanvang althans, aan handeling zou ontbreken. Hij liet zijne verbeelding werken ten einde bij het ontbreken der decoratie de tooneelspelers in eene passende omgeving te plaatsen en die verbeelding schiep hem denzelfden achtergrond, in Aischylos’ gezelschap ten vorigen jare van de akropolis aanschouwd, den rotsigen Lykabettos, door de ondergaande zon rozig gekleurd. Dáár had de marteling plaats; dáár werd hij vastgeklonken, hulpeloos en verlaten, in angstverwekkende eenzaamheid. En nauwelijks waren de eerste verzen gesproken of Simon gevoelde dat tusschen dien sprakeloozen lijder en hemzelf een keten gespannen werd, onverbreekbaar, zoolang het den dichter niet zou behagen haar los te maken. Elke mokerslag, die Prometheus trof, drong ook in Simons ziel en hij gevoeldewat die god in dat oogenblik moest gevoeld hebben, inniger en dieper, dan wanneer deze het in stroomende verzen had uitgestort. Ja! dat was de handeling waarvan Aischylos gesproken had, de handeling niet van de organen des lichaams maar van den geest; het in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; een arbeid niet minder geweldig dan die der godenbestrijdende Titanen. Hij gevoelde dat er een bewegingloos zwijgen kan zijn, welsprekender en dramatischer dan de meest welbespraakte bewegelijkheid, wanneer slechts de dichter er in slaagt ons te doen mede lijden wat de zwijgende lijdt.
Prometheus had zijn eersten monoloog gehouden; wat straks zijn zwijgen vertolkte, had thans zijn mond geuit:
Dewijl ’k den menschen heilTe brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.
Dewijl ’k den menschen heil
Te brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.
Daar verneemt hij geruisch in de lucht als van vogelen der wildernis. Hij meent, het zijn nieuwsgierigen, die zijne marteling komen aangapen. Maar hij vergist zich; het zijn de dochters van Okeanos, de zusters zijner gemalinHesione, die op het gebeuk der felle mokerslagen tot hem zijn geijld. Op een gevleugelden wagen, die echter evenals de decoratie bij deze repetitie nog ontbrak, naderen zij. De koristen met hun leider, den koryphaios, in de middelste rij, zetten zich door den fluitspeler voorafgegaan in beweging, traden naar Aischylos, die in de rol van Prometheus zich tegen den wand geplaatst had en werden geacht zich rondom de thymele, het altaar in het midden der orchestra, te scharen. Doch hierin voldeden ze den dichter geenszins.
«Ge treedt veel te langzaam en te zwaarwichtig op,» riep hij ontevreden uit. «Het maakt den indruk als zag men eene afdeeling Spartaansche hopliten marcheeren. Bedenkt dat ge zeenimfen voorstelt die, een vreemd geluid hoorend, zich reppen naar de plaats vanwaar het komt. Herhaalt uwen parodos.»
Het koor gehoorzaamde, ditmaal vlugger, volgens door Aischylos zelf aangegeven dansbewegingen en hief aan:
Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.
Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.
Doch het duurde nog geruimen tijd eer koryphaios, koor en fluitspeler het Aischylos naar den zin gemaakt hadden. Telkens moest òf eene beweging gewijzigd, òf een stand veranderd, òf eene muziekwijs herhaald worden en Simon, wiens eer als choreeg bij het welslagen van het koor ten zeerste betrokken was, gevoelde zich niets op zijn gemak toen Aischylos hem ter zijde nam en zich ernstig over den koryphaios beklaagde. «De man gesticuleert bijna uitsluitend met het hoofd,» merkte de dichter op, «en vergeet, dat de bewegingen met de handen bijna even uitdrukkingsvol behooren te zijn als de woorden. Ik had gehoopt dat de archon mij Marpsias als koryphaios zou toebedeeld hebben, bij wien de handen niet minder dan de mond spreken, terwijl ze bij dezen houterig neerhangen, als ware hij gelijk Philemon in een lindeboom herschapen.» «Ook ik,» antwoordde Simon, «ben met dezen koryphaios niet bijster ingenomen. Maar hij is sedert den aanvang der repetitiën toch reeds vooruit gegaan en met herhaalde oefeningen geloof ik, dat wij tevreden over hem zullen zijn. WatMarpsias betreft, deze is als koryphaios aan Phrynichos toebedeeld en ik meen, dat wij geene reden hebben om hem te betreuren. Immers hij gaat zich naar ik hoor in den laatsten tijd aan den wijn te buiten, zoodat hij dan ook telkens stoornis teweeg brengt in de voorbereiding der treurspelen, waaraan hij is toebedeeld. Ik geloof dus, dat wij ons over het gemis van den vroeger zoo voortreffelijken Marpsias niet hebben te beklagen.»
Deze mededeeling verzoende Aischylos eenigszins met zijn koryphaios en de repetitie werd voortgezet. Kleandros trad op in de rol van Okeanos, den vader der nimfen en trachtte, doch even vergeefs als zijne dochters, Prometheus’ stuggen zin te buigen. Ook hier had de dichter het een en ander aan te merken. «Gij vergeet, Kleandros,» zeide hij, «dat het niet geoorloofd is de hand boven de oogen te heffen of beneden de borst te laten zinken. Ook spreekt ge alle regels met evenveel nadruk uit, hetgeen ongewenscht is; men behoort sommige slechts even te doen hooren ten einde de volgende des te meer indruk te doen maken.Straks zag ik u, zij het slechts even, op den rechtervoet steunen, hetgeen een komisch, geen tragisch gebaar is.»
Kleandros gehoorzaamde, schoon aarzelend. Hij bezat van zichzelf als dienaar van Dionysos geen gering denkbeeld en voegde zich niet dan onwillig naar de wenken des dichters. Bereidvaardiger was de fluitspeler, wien in den daarop volgenden koorzang de dichter er op wees hoe de riem, welken hij om den mond droeg, niet geheel passend was, zoodat het doel, het niet doorlaten van bijtonen, verijdeld werd. De rampzalige Io, voorheen de beminde van Zeus, evenals Prometheus zijn vriend, verscheen daarop ten tooneele en de beide ongelukkigen twistten er over wie hunner wel de ellendigste moest genoemd worden: zij, half waanzinnig van smart; hij, onder het zwaarste lijden zijn zinnen zoo meester. Dan voorspelde Prometheus wat haar te wachten stond, omzwervingen zonder tal, tot ze de stammoeder zou worden van een knaapje, wiens heldendaden heel het aardrijk zou verkonden. Hij voegde er bij, dat de trots van Zeus zicheenmaal diep vernederen zou, wanneer hem een zoon geboren was die, machtiger dan de vader zelf, den onrechtvaardigen oppergod van den troon zou stooten. En als straks Hermes verschijnt om den gefolterden Titan te dwingen den naam van dien zoon te noemen, weigert hij en slingert een laatsten vloek op den Olympischen dwingeland, in wilde anapaesten die op het schokkende slot voorbereiden en het als het ware te voorschijn roepen, tot eindelijk te midden van aardbevingen en donderslagen Prometheus met de rots in den afgrond verzinkt.
De repetitie was afgeloopen. Men verpoosde zich van den inspannenden arbeid, nog velerlei besprekend wat gedurende de instudeering gebleken was wijziging of verbetering te behoeven. De fluitspeler, een jongmensch en revolutionair op muzikaal gebied, kwam aan met eene nieuwe theorie; hij bepleitte namelijk de wenschelijkheid in de koorzangen op sommige lettergrepen meer dan één noot aan te brengen, hetgeen zijns inziens een hoogst streelenden indruk op het gemoed der hoorders zou teweeg brengen. Doch deze afwijking vanden strengen eenvoud, tot dusver bij de dramatische toonzetting in gebruik, werd door allen zóó nadrukkelijk afgekeurd, dat de fluitspeler zijne nieuwe denkbeelden ijlings terugnam. Aan Simon werd door Aischylos opgedragen, bijzondere zorg te besteden aan de kostumen van een tweetal koristen, door de natuur niet bovenmatig fraai bedacht. Den tengeren Kleandros, wiens gestalte zich uitstekend voor de rol van Io leende, werd ingescherpt zich als Okeanos vooral van een geschikt prosternidion en progastridion te voorzien, ten einde, door het verbreeden der borst en het verzwaren van den buik, als een waardige oude zeegod op te treden.
«Wat is de reden, Kleandros,» aldus richtte Simon zich tot den tooneelspeler, «dat u bij het vertolken eener tragische rol de tranen over het gelaat vlieten, ook nadat ge reeds het tooneel hebt verlaten? Toen ik u zoo straks als Io hoorde, bewonderde ik de door tranen gedempte stem, die zich uit uw masker hooren deed, doch toen ge u daarvan ontdaan hadt, bespeurde ik tot mijne verwondering, dat diestem niet geheel kunstmatig was maar ge wel degelijk, terwijl ge Io voorsteldet, geweend hadt en nog weendet.» «Gaarne beantwoord ik uwe vraag, Simon,» zeide Kleandros. «Zoodra ik eene tragische rol vervul, ben ik niet meer de Athener Kleandros, de zoon van Moschos, maar Io of Memnon of Bellerophon en men zou mijne verbazing in hooge mate opwekken wanneer men mij gedurende die oogenblikken mededeelde, dat zulks niet het geval is. Vandaar dan ook dat de aandoeningen der helden en heldinnen, welke ik vertolk, mij zoo machtig aangrijpen, dat de tranen mij onwillekeurig over het gelaat rollen. Ja zelfs, ik ga verder en verricht handelingen, in het stuk gansch en al niet aangegeven doch alleenlijk voortvloeiend uit de gemoedsstemming waarin ik door de bestudeering ervan gebracht ben. Ten vorigen jare was ik, als Atreus in de tragedie van Phrynichos, gedurende de repetitiën neder gezeten, toen een der koristen mij onverhoeds voorbijtrad. Ik gevoelde mij, geheel in mijne rol, zoozeer van moordgedachten vervuld, dat ik nauwelijks den niets kwaads vermoedenden man bespeurdeof ik sprong in razernij van mijn zetel omhoog en bracht hem met mijn schepter een hevigen slag op het hoofd toe. Gelukkig was dat lichaamsdeel met een lederen kap bedekt, zoodat hij met eene lichte duizeling vrij kwam.» «Ikzelf heb een ernstiger geval vernomen,» liet Aischylos hierop volgen. «Bij de repetitiën van Choirilos’ Ajas, voor een tweetal jaren, ontstak de acteur Olympos, die Ajas voorstelde, na de uitspraak welke aan Odysseus Achilleus’ wapenen toekent, zoozeer in woede, dat hij met des fluitspelers instrument zijn bevoorrechten mededinger doodelijk wondde.» Ieder der aanwezigen bracht zijne persoonlijke herinneringen aan; zoo vernam men van een tooneelspeler, die als Elektra de gewaande asch van Orestes ontvangend, zich eene urn deed reiken met de asch zijns eigen zoons gevuld, ten einde maar recht in eene droeve stemming te geraken. Men scheidde ten slotte met de beste verwachtingen voor de toekomst en met het vaste voornemen eene uitvoering tot stand te brengen, het meesterstuk dat zij gold ten volle waardig.
VIII.De verwachting werd niet teleurgesteld; Aischylos’ dichtwerk behaalde den eersten prijs. Doch ernstiger gebeurtenissen hadden intusschen haar beslag gekregen.De krijgstoerustingen der Perzen waren voltooid. Een leger van honderdduizend voetknechten en tienduizend ruiters was bijeengebracht. Zeshonderd galeien en tal van transportschepen voor het overbrengen der paarden lagen in de Cilicische havens tot vertrek gereed. De veldtocht gold in de eerste plaats Athene, dat voor korte jaren den Ionischen opstand gesteund en Sardes in de asch gelegd, dat geweigerd had den verbannen Hippias op des grooten konings bevel weder op te nemen. Doch het gold meer dan eene expeditie tegen Athene alleen; het was Azië, dat tegen Europa, het Oosten, dat tegen het Westen werd opgejaagd met onweerstaanbaar geweld, zooals in tegenovergestelde richting voor eeuwen Agamemnon zijne vloten had gevoerd en, anderhalve eeuw later, Alexander zijn legerscharen wederomzou leiden. Het gold geheel Hellas, verdeeld in eigen boezem, gewest tegen gewest, partij tegen partij; Athene slechts noode de hegemonie van Sparta erkennend door zijne hulp in te roepen tegen Aigina; Thebe en Aigina vereenigd tegen Athene en dit zelf eene minderheid huisvestend, die reikhalzend naar Perzië en Hippias uitzag. Alvorens dan ook in zee te steken, hadden de Perzische bevelhebbers, Datis en Artaphernes, gezanten naar de verschillende Helleensche staten afgevaardigd, ten einde te trachten zonder de oorlogskans te wagen de wenschen van Perzië te doen inwilligen.Ook te Athene waren de Perzische boden verschenen en het volk was ter vergadering opgeroepen om hunne voorstellen te hooren. Vier dagen van te voren was naar gewoonte op de agora het onderwerp dat in de bijeenkomst ter sprake zou komen schriftelijk bekend gemaakt en in breede scharen hadden de Atheners zich naar de Pnyx begeven om de woorden der vreemdelingen te hooren. De heuvel, met zijn steenen tegen den rotswand aangebracht spreekgestoelte, met zijn eveneens steenen,gedeeltelijk in de rots uitgehouwen zitplaatsen, was gevuld met eene tallooze menigte. Levendige gesprekken, met niet minder levendige gebaren gepaard, werden alom gevoerd, in één geest, den geest van verzet, want de vertegenwoordigers der Perzische partij, voor zoover zij hadden durven verschijnen, hoedden zich wel hunne ware gevoelens te doen blijken. De ouderen verhaalden van de verdrukking waaronder Athene gezucht had gedurende de laatste jaren van Hippias’ bewind, na de vermoording zijns broeders; sommigen wisten te vertellen dat de gezanten pogingen tot omkooping van Atheensche burgers hadden in het werk gesteld; allen waren het eens dat, al zou Hippias de voortreffelijkste vorst ter wereld geweest zijn, men hem in geen geval uit de handen eener vreemde mogendheid wilde aanvaarden. Maar het gewoel verstomde toen, nadat de vereischte godsdienstige plechtigheden waren verricht, de Perzen, door de commissie der prytanen begeleid en vergezeld van een tolk, binnentraden: twee waardige gestalten, in het lange nationale gewaad, met zwartenbaard en zwarte oogen. Van alle zijden richtten zich de vijandige blikken der Atheners op hen, doch rustig en waardig verdroegen zij die, in het vertrouwen op hunne volkenrechtelijke onschendbaarheid. Eindelijk weerklonk het «Stilte!» van den gerechtsdienaar en de vergadering nam een aanvang.Een der prytanen verhief zich en las aan het volk voor waartoe het bijeengeroepen was, met de mededeeling, dat de gezanten des grooten konings zelve diens voorstellen zouden uiteenzetten. En een hunner nam het woord; hij betrad het spreekgestoelte en begon eene rede, langzaam en doordacht, zijne woorden zorgvuldig kiezend ten einde ’s konings eischen klem bij te zetten en toch het zoo prikkelbare gemoed der Atheners niet te ontstemmen. Naarmate hij sprak, werden zijne woorden door den tolk aan de vergadering in de Helleensche taal overgebracht. Hij verhaalde van de vriendschap, die in vroeger eeuwen tusschen Athene en Perzië bestaan had en nog bestaan zou, wanneer eerstgenoemde staat zich niet te kwader ure in den Ionischen opstand gemengdhad, een opstand, die trouwens spoedig was bedwongen en de onmetelijke macht van Perzië opnieuw in een helder licht had gesteld. Het was daarom dat de groote koning waarborgen verlangde, dat de vroegere vriendschappelijke verhouding hersteld en bewaard zou worden; waarborgen, welke hij alleen meende te kunnen verkrijgen wanneer Athene er in toestemde wederom aan zijn hoofd te plaatsen den telg uit het geslacht van Peisistratos, met welk geslacht de Perzische koningen steeds in vrede en goede verstandhouding hadden geleefd. In welgekozen bewoordingen schilderde de gezant alles wat Athene aan Peisistratos en diens zonen te danken had: de oprichting van tempels en praalgebouwen, de instelling eener openbare bibliotheek, de rangschikking der verstrooide gedichten van Homeros. Indien Hippias’ bestuur in de latere jaren strenger was geweest dan voorheen, moest zulks uitsluitend geweten worden aan den verraderlijken moord, op zijn broeder Hipparchos gepleegd. Athene zou dus wèl doen aan zijn hoofd wederom een vorst te stellen, die getoond hadde belangen des staats zoo uitmuntend te kunnen behartigen, terwijl een éénhoofdig bestuur buitendien verre te verkiezen was boven de democratie, welke het volk blootstelt aan de baatzuchtige inzichten van telkens wisselende leiders. En opdat blijken mocht dat Athene zijne fouten erkende en berouw gevoelde over zijn in de laatste jaren tegenover Perzië gevolgd gedrag, eischte Dareios, dat hem de hulde van aarde en water zou gebracht worden, als symbool van onderwerping en boete. Mocht het Atheensche volk weigerachtig blijken, dan zou de koning niet aarzelen het onverwijld aan te tasten met de geweldige vloot en het ontzagwekkende leger, die in de havens van Klein-Azië slechts op een wenk wachtten om te vertrekken.Met moeite had de Pers zijne rede kunnen voltooien. Telkens, zoo vaak de tolk eene zinsnede in het Helleensch had herhaald, steeg een langgerekte kreet ten hemel, een kreet, die langzamerhand van aard veranderde en, in den aanvang verbazing en afkeuring te kennen gevend, weldra in eene uiting van toorn enverbolgenheid overging. «Weg met de mannen, die zulke voorstellen durven doen!» «Jaagt ze ter vergadering uit!» «Wie is de schurk, die het waagt dergelijke woorden te vertolken? Een Athener toch niet?» En de vijandige gezindheid waarmede de gezanten ontvangen waren, werd uitgebreid tot den tolk, in wien sommigen een Athener herkenden, die na tal van niet zeer eervolle avonturen gedwongen was geweest de stad te verlaten en sedert in verschillende streken had rondgezworven. De man zelf, de geaardheid zijner landgenooten kennend en wetend waartoe zij in oogenblikken van overprikkeling in staat konden zijn, ving aan benauwde blikken om zich heen te werpen en wisselde eenige fluisterende woorden met de Perzen, die kalm en deftig rondzagen, vertrouwend op hunne onschendbaarheid.Maar wederom gebood de gerechtsdienaar stilte en vroeg wie der aanwezigen naar aanleiding van het gesprokene het woord verlangde. Toen verhief zich van zijn steenen zetel een bedaard, ernstig man van middelbaren leeftijd, Aristeides, de zoon van Lysimachos, vriend vanKleisthenes, den grondlegger der Atheensche democratie, doch zelf tot de aristocratische partij behoorend. Men kende hem alom als een man van onkreukbare trouw, die bij al zijne handelingen slechts het heil van het vaderland, geenszins het eigen belang op het oog had, met een buitengewoon ontwikkelden zin voor orde en recht en een aangeboren afkeer van onwaarheid en onredelijkheid. Hij was geen buitengewoon redenaar en gebruikte weinig woorden, doch het volk wist, dat het hem geheel en ten volle kon vertrouwen en dat achter geen enkel woord, door hem gesproken, eene andere beteekenis moest gezocht worden dan het in aller ooren had. Aristeides dan, na een krans op het hoofd geplaatst te hebben, betrad het steenen gestoelte en sprak aldus het verzamelde volk toe:«Zoo gij, Atheners, heden ter vergadering zijt opgeroepen, is het niet om aan te nemen wat den koning het best zal behagen, maar om te besluiten wat aan Athene het meest baat zal brengen. En dan schijnt het mij toe, dat de voorstellen van den Perzischen gezant niet behooren te worden goedgekeurd. Atheneheeft Hippias verjaagd omdat het den druk der tyrannis niet langer wenschte te dragen en vrij wilde zijn. Het heeft den Ionischen opstand gesteund om den oorlog af te wenden, die het toen reeds van de zijde van Perzië dreigde. Wat betreft de hulde van aarde en water, die ten teeken van onderwerping geeischt wordt, Athene heeft geenszins zoo kort geleden een juk afgeworpen om zich gewillig te buigen voor den eerste, die het een ander aanbiedt. Wanneer men de vrije keus bezit, is het voorzeker onzinnig den oorlog te kiezen, maar als men dien slechts vermijden kan door zich voor eene vreemde natie te vernederen, verdient hij blaam, die het gevaar ontvliedt, niet hij, die het zonder vrees aanvaardt. Dit is naar het mij toeschijnt het antwoord, dat op de Perzische voorstellen dient gegeven te worden; het eenige dat Athene waardig is.»De aanwezigen juichten den spreker luide toe. Aristeides had zonder omhaal en oratorisch vertoon het gevoelen van schier de geheele vergadering kort en duidelijk weergegeven. Eigenlijk had de beraadslaging hiermedegeëindigdkunnen wezen, doch, de bijvalsbetuigingen vernemend, die Aristeides ten deel vielen, stond een ander op, eenige jaren jonger dan de vorige spreker, met een geestig gelaat en levendige trekken, onrustig en bewegelijk. Themistokles heette hij, de zoon van Neokles, vurig democraat, in talenten en vindingrijkheid Aristeides’ meerdere, in rechtschapenheid bij hem achter staande. Ook hij beoogde het heil des vaderlands, niet echter in de eerste plaats omdat het vaderland daar wel bij voer, maar omdat het hem persoonlijk aanzien verschafte. Men wist dan ook dat men veel van hem te wachten, niet daarentegen of men meer van hem te hopen dan te vreezen had, al kon hij reeds met zelfvoldoening wijzen op den aanleg van den Peiraios, de grootsche haven waarvan het plan door hem was opgevat en uitgevoerd. Maar bij al zijne handelingen gaf de eerzucht steeds den doorslag en niemand kon voorspellen waartoe die hem nog zou voeren.Den krans der redenaars op het hoofd ving Themistokles met radde tong aan:«Wat dunkt u, mannen, van de verwatenheiddes konings, die meent aan Athene te kunnen voorschrijven wat het te doen, wat het te laten hebbe? En wanneer wij mochten weigeren dan dreigt ons eene kastijding, als waren wij kinderen, die door den vader gestraft worden! Wij zouden Hippias weder in ons midden ontvangen! Herinnert ge u,» ging hij voort, met groote vaardigheid een paar Atheners uit de lagere klasse in het oog vattend, «herinnert ge u, Charondas en gij, Drakyllos, hoe wij als knapen voor vier-en-twintig jaren getuigen waren van Hipparchos’ dood? Juist!» vervolgde hij, toen de beide aangesprokenen hem met fonkelende blikken toeknikten, «wij zagen hem vallen en wij zagen ook Harmodios vallen en hoorden later dat Aristogeiton gevangen genomen en ook gedood was. Ziet ge, Drakyllos en Charondas, dat aanschouwden en dat hoorden wij en nu vragen die twee mannen dáár, dat we dat alles vergeten en den broeder van Hipparchos, al dien tijd van wraakgierige gedachten vervuld, wederom als tiran zullen aanvaarden. Onze democratie zou achterstaan bij een eenhoofdig bestuur! Ik heb wel eenshooren verhalen dat de Perzen, wanneer hun koning verschijnt, zich op het aangezicht werpen, als konden ze den glans, die van hem uitstraalt, niet verdragen. Welaan, Atheners, schijnt zulk een regeeringsvorm u fraaier toe dan de democratie, waarin de geringste man tot de aanzienlijkste ambten kan geroepen worden? En wilt ge dat ik u nog iets zegge? Er bevinden zich hier in de stad een zeker aantal slechte lieden—ik geloof niet eens dat ze Atheners zijn, al nemen zij er ook den schijn van aan. Welnu, die lieden—ze kunnen geen Atheners zijn!—zouden Hippias wel gaarne terugzien en waarom, denkt ge? Omdat alsdan de brave en fatsoenlijke mannen, die thans archon en rechter en strateeg en prytaan zijn, zouden afgezet worden en zij zelve in hunne plaats komen! Zoo is het en tot wie denkt ge dat de Perzische gezanten, toen zij voor eenige dagen binnen Athene kwamen, het eerst zijn gegaan? Tot die slechte menschen, die Hippias terug willen hebben, en zij hebben hun geld gegeven om te maken dat zij in de volksvergadering vóór hunne voorstellen zouden stemmen.» Hierzag ieder der aanwezigen wantrouwend zijn buurman aan, vreezende dat wellicht zulk een slechte kerel, met Perzisch geld in den buidel, naast hem stond. «Maar nu hebben zij zich, den goden zij dank! een paar malen vergist en zich vervoegd bij goede burgers, meenende dat ze óók met vrienden van Hippias te doen hadden. En die goede burgers hebben zich gehouden of zij dat ook waren en het geld ontvangen—spreek ik de waarheid, Euboulides en Charikles?» Wederom richtte zijn levendig oog zich op een paar onaanzienlijke Atheners, die aanstonds zich beijverden zijne woorden door een herhaald hoofdknikken te bevestigen. «Ge ziet het, Atheners!—maar Charikles en Euboulides, die brave burgers zijn, geen vrienden van den koning en van Hippias, zooals die anderen, zijn gisteren tot mij gekomen en hebben gezegd: «Themistokles, wij zijn eenvoudige burgers, kleine kramers, niet gewoon in de volksvertegenwoordiging het woord te voeren. En daarom komen wij u vragen, of gij morgen aan de Atheners zoudt willen mededeelen wat die Perzen tot ons gezegd hebben en wat zijons hebben geschonken.» Dat hebben die brave burgers tot mij gezegd, Atheners, en dat deel ik u thans mede, want zij zelve zijn eenvoudige lieden, niet welbespraakt, en beschroomd om het woord te voeren.»De bedoelde brave burgers, Euboulides en Charikles, knikten maar steeds voort, met een verbazenden ijver. Misschien bevonden er zich onder de aanwezigen, die den indruk kregen dat zij al te ijverig waren en die, in verband met de bekende geringe schroomvalligheid van Themistokles waar het gold middelen te kiezen om een groot doel te bereiken, eenigen twijfel begonnen te koesteren omtrent de algeheele geloofwaardigheid van het door hem medegedeelde. Maar hoe het ook zij, het doel werd bereikt en wellicht overtroffen ook in het oog van Themistokles zelf, mocht dan ook de Helleen het beginsel huldigen: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Woeste kreten van gramschap en verontwaardiging weerklonken uit de opeengehoopte menschenmassa. Dreigende vuisten verhieven zich inde lucht; hier en daar werd een stok met onheilspellend gebaar omhoog geheven en wraakzuchtig drong men op de beide Perzen, die in statige houding naast elkander stonden, onbewust van het naderend gevaar. Van Themistokles’ rede hadden zij geen woord verstaan; immers de tolk, bij den aanvang dier rede voorziende hoe de zaken loopen zouden, had zich op handige wijze bij tijds onder de menigte geschoven en uit de voeten gemaakt. Nu zagen zij de wilde, onstuimige bende op zich aandringen, de voorsten aarzelend, terugdeinzend voor hetgeen zij voorzagen dat te gebeuren stond wanneer men de Perzen zou bereikt hebben, doch niet ongaarne voortgestuwd door de volgenden, die begrepen dat het bloed, mocht het vergoten worden, niet op hun hoofd zou neerkomen. En de beide bleeke, zwartgebaarde mannen staarden met hunne donkere oogen dat alles verwonderd aan, steeds overtuigd dat hun, den gezanten, geen haar zou gedeerd worden; toch langzamerhand vervuld van een vagen angst, zich heel verlaten voelend op die vreemde plaats,met al die onbekende, razende menschen, die hen als wilde dieren aanstaarden, zonder dat zij begrepen waarom.Prytanen, gerechtsdienaars, lexiarchen en boogschutters der politie, die het volk, zij het dan ook wellicht met weinig overtuiging, trachtten terug te houden, werden op zij gedrongen. Instinctmatig hadden de Perzen zich, toen zij eindelijk zagen dat het hun leven gold, tegen elkander gedrukt en de hand op het gevest hunner kromme sabels gelegd. Doch, gelijk een tot den rand gevulde beker slechts dan zijn vocht niet uitstort wanneer alles rondom volkomen onbewegelijk blijft, en overloopt zoodra die onbewegelijkheid in het minst wordt verstoord, zoo ook was deze beweging het sein tot de slachting. Het is later nooit gebleken wie den eersten slag toebracht. Maar toen die gevallen was, gevoelde een ieder zich ontslagen van wat hem nog aan zelfbedwang beteugelde en allen wilden den rampzaligen met beestachtige verscheuringswoede te lijf. In een omzien waren de mannen vaneen gescheiden en gaf op twee plaatsen eeneverwarde opeenhooping van over en op elkander liggende menschelijke lichamen te kennen, waar de gruwel werd volvoerd. Geen geluid kwam meer voort uit de kelen, die zoo even gilden en brulden; nu de ziedende wraakzucht zich kon uiten in daden, had men aan kreten niet langer behoefte. En zij, die te verwijderd waren om een werkdadig aandeel te nemen in den moord, drongen in radelooze teleurstelling op om ten minste te mogen aanschouwen hoe die twee ellendigen daar werden afgemaakt met vuisten en voeten en knuppels, terwijl hun gelaat nog eene uitdrukking van pijnlijke verbazing vertoonde, daar ze niet wisten wat ze hadden misdaan.Maar eene stem riep: «Naar het barathron!» En het brullen en gillen ving aan op nieuw, nu men bespeurde dat er eigenlijk niet meer te slaan en te schoppen viel, dat men reeds geruimen tijd bezig was te beuken en te trappen op doode lichamen. Met een ijzingwekkend gejuil werden de beide lijken bij de beenen gegrepen en voortgesleept. Nu kregen de anderen ook wat te zien; het grauw weekuit om den doortocht vrij te laten en zij, die niet mede hadden mogen slachten, konden nu naast de dooden voortdraven en genieten hoe ze gehotst werden over den grond, van de Pnyx naar beneden en verder en verder, in hun lange gewaden, die onder het sleuren de beenen vrijlieten, borst en gelaat bedekkend. Zoo ging het voort in een wilde jacht, nu en dan een oogenblik ophoudend als het voorste gedeelte van den stoet een nauwer straatje insloeg en dan grijnzend en prettig zich nog eens buigend over de mishandelde lijken, elkander opdringend en wegduwend en op zij stootend. Dan weer verder, steeds wassend in aantal, een afschuwelijke tocht onder den gloeienden, zonnigen hemel, stofwolken omhoog jagend, hijgend en heesch.Men was aangekomen in een armoedige buitenwijk. Daar bevond zich het barathron, de boevenkuil, een rotskloof waarin ter dood gebrachte misdadigers geworpen werden. Daarin werd ook gesmeten wat van de Perzische gezanten over was en de menigte keerde huiswaarts, tevreden en ontspannen.
De verwachting werd niet teleurgesteld; Aischylos’ dichtwerk behaalde den eersten prijs. Doch ernstiger gebeurtenissen hadden intusschen haar beslag gekregen.
De krijgstoerustingen der Perzen waren voltooid. Een leger van honderdduizend voetknechten en tienduizend ruiters was bijeengebracht. Zeshonderd galeien en tal van transportschepen voor het overbrengen der paarden lagen in de Cilicische havens tot vertrek gereed. De veldtocht gold in de eerste plaats Athene, dat voor korte jaren den Ionischen opstand gesteund en Sardes in de asch gelegd, dat geweigerd had den verbannen Hippias op des grooten konings bevel weder op te nemen. Doch het gold meer dan eene expeditie tegen Athene alleen; het was Azië, dat tegen Europa, het Oosten, dat tegen het Westen werd opgejaagd met onweerstaanbaar geweld, zooals in tegenovergestelde richting voor eeuwen Agamemnon zijne vloten had gevoerd en, anderhalve eeuw later, Alexander zijn legerscharen wederomzou leiden. Het gold geheel Hellas, verdeeld in eigen boezem, gewest tegen gewest, partij tegen partij; Athene slechts noode de hegemonie van Sparta erkennend door zijne hulp in te roepen tegen Aigina; Thebe en Aigina vereenigd tegen Athene en dit zelf eene minderheid huisvestend, die reikhalzend naar Perzië en Hippias uitzag. Alvorens dan ook in zee te steken, hadden de Perzische bevelhebbers, Datis en Artaphernes, gezanten naar de verschillende Helleensche staten afgevaardigd, ten einde te trachten zonder de oorlogskans te wagen de wenschen van Perzië te doen inwilligen.
Ook te Athene waren de Perzische boden verschenen en het volk was ter vergadering opgeroepen om hunne voorstellen te hooren. Vier dagen van te voren was naar gewoonte op de agora het onderwerp dat in de bijeenkomst ter sprake zou komen schriftelijk bekend gemaakt en in breede scharen hadden de Atheners zich naar de Pnyx begeven om de woorden der vreemdelingen te hooren. De heuvel, met zijn steenen tegen den rotswand aangebracht spreekgestoelte, met zijn eveneens steenen,gedeeltelijk in de rots uitgehouwen zitplaatsen, was gevuld met eene tallooze menigte. Levendige gesprekken, met niet minder levendige gebaren gepaard, werden alom gevoerd, in één geest, den geest van verzet, want de vertegenwoordigers der Perzische partij, voor zoover zij hadden durven verschijnen, hoedden zich wel hunne ware gevoelens te doen blijken. De ouderen verhaalden van de verdrukking waaronder Athene gezucht had gedurende de laatste jaren van Hippias’ bewind, na de vermoording zijns broeders; sommigen wisten te vertellen dat de gezanten pogingen tot omkooping van Atheensche burgers hadden in het werk gesteld; allen waren het eens dat, al zou Hippias de voortreffelijkste vorst ter wereld geweest zijn, men hem in geen geval uit de handen eener vreemde mogendheid wilde aanvaarden. Maar het gewoel verstomde toen, nadat de vereischte godsdienstige plechtigheden waren verricht, de Perzen, door de commissie der prytanen begeleid en vergezeld van een tolk, binnentraden: twee waardige gestalten, in het lange nationale gewaad, met zwartenbaard en zwarte oogen. Van alle zijden richtten zich de vijandige blikken der Atheners op hen, doch rustig en waardig verdroegen zij die, in het vertrouwen op hunne volkenrechtelijke onschendbaarheid. Eindelijk weerklonk het «Stilte!» van den gerechtsdienaar en de vergadering nam een aanvang.
Een der prytanen verhief zich en las aan het volk voor waartoe het bijeengeroepen was, met de mededeeling, dat de gezanten des grooten konings zelve diens voorstellen zouden uiteenzetten. En een hunner nam het woord; hij betrad het spreekgestoelte en begon eene rede, langzaam en doordacht, zijne woorden zorgvuldig kiezend ten einde ’s konings eischen klem bij te zetten en toch het zoo prikkelbare gemoed der Atheners niet te ontstemmen. Naarmate hij sprak, werden zijne woorden door den tolk aan de vergadering in de Helleensche taal overgebracht. Hij verhaalde van de vriendschap, die in vroeger eeuwen tusschen Athene en Perzië bestaan had en nog bestaan zou, wanneer eerstgenoemde staat zich niet te kwader ure in den Ionischen opstand gemengdhad, een opstand, die trouwens spoedig was bedwongen en de onmetelijke macht van Perzië opnieuw in een helder licht had gesteld. Het was daarom dat de groote koning waarborgen verlangde, dat de vroegere vriendschappelijke verhouding hersteld en bewaard zou worden; waarborgen, welke hij alleen meende te kunnen verkrijgen wanneer Athene er in toestemde wederom aan zijn hoofd te plaatsen den telg uit het geslacht van Peisistratos, met welk geslacht de Perzische koningen steeds in vrede en goede verstandhouding hadden geleefd. In welgekozen bewoordingen schilderde de gezant alles wat Athene aan Peisistratos en diens zonen te danken had: de oprichting van tempels en praalgebouwen, de instelling eener openbare bibliotheek, de rangschikking der verstrooide gedichten van Homeros. Indien Hippias’ bestuur in de latere jaren strenger was geweest dan voorheen, moest zulks uitsluitend geweten worden aan den verraderlijken moord, op zijn broeder Hipparchos gepleegd. Athene zou dus wèl doen aan zijn hoofd wederom een vorst te stellen, die getoond hadde belangen des staats zoo uitmuntend te kunnen behartigen, terwijl een éénhoofdig bestuur buitendien verre te verkiezen was boven de democratie, welke het volk blootstelt aan de baatzuchtige inzichten van telkens wisselende leiders. En opdat blijken mocht dat Athene zijne fouten erkende en berouw gevoelde over zijn in de laatste jaren tegenover Perzië gevolgd gedrag, eischte Dareios, dat hem de hulde van aarde en water zou gebracht worden, als symbool van onderwerping en boete. Mocht het Atheensche volk weigerachtig blijken, dan zou de koning niet aarzelen het onverwijld aan te tasten met de geweldige vloot en het ontzagwekkende leger, die in de havens van Klein-Azië slechts op een wenk wachtten om te vertrekken.
Met moeite had de Pers zijne rede kunnen voltooien. Telkens, zoo vaak de tolk eene zinsnede in het Helleensch had herhaald, steeg een langgerekte kreet ten hemel, een kreet, die langzamerhand van aard veranderde en, in den aanvang verbazing en afkeuring te kennen gevend, weldra in eene uiting van toorn enverbolgenheid overging. «Weg met de mannen, die zulke voorstellen durven doen!» «Jaagt ze ter vergadering uit!» «Wie is de schurk, die het waagt dergelijke woorden te vertolken? Een Athener toch niet?» En de vijandige gezindheid waarmede de gezanten ontvangen waren, werd uitgebreid tot den tolk, in wien sommigen een Athener herkenden, die na tal van niet zeer eervolle avonturen gedwongen was geweest de stad te verlaten en sedert in verschillende streken had rondgezworven. De man zelf, de geaardheid zijner landgenooten kennend en wetend waartoe zij in oogenblikken van overprikkeling in staat konden zijn, ving aan benauwde blikken om zich heen te werpen en wisselde eenige fluisterende woorden met de Perzen, die kalm en deftig rondzagen, vertrouwend op hunne onschendbaarheid.
Maar wederom gebood de gerechtsdienaar stilte en vroeg wie der aanwezigen naar aanleiding van het gesprokene het woord verlangde. Toen verhief zich van zijn steenen zetel een bedaard, ernstig man van middelbaren leeftijd, Aristeides, de zoon van Lysimachos, vriend vanKleisthenes, den grondlegger der Atheensche democratie, doch zelf tot de aristocratische partij behoorend. Men kende hem alom als een man van onkreukbare trouw, die bij al zijne handelingen slechts het heil van het vaderland, geenszins het eigen belang op het oog had, met een buitengewoon ontwikkelden zin voor orde en recht en een aangeboren afkeer van onwaarheid en onredelijkheid. Hij was geen buitengewoon redenaar en gebruikte weinig woorden, doch het volk wist, dat het hem geheel en ten volle kon vertrouwen en dat achter geen enkel woord, door hem gesproken, eene andere beteekenis moest gezocht worden dan het in aller ooren had. Aristeides dan, na een krans op het hoofd geplaatst te hebben, betrad het steenen gestoelte en sprak aldus het verzamelde volk toe:
«Zoo gij, Atheners, heden ter vergadering zijt opgeroepen, is het niet om aan te nemen wat den koning het best zal behagen, maar om te besluiten wat aan Athene het meest baat zal brengen. En dan schijnt het mij toe, dat de voorstellen van den Perzischen gezant niet behooren te worden goedgekeurd. Atheneheeft Hippias verjaagd omdat het den druk der tyrannis niet langer wenschte te dragen en vrij wilde zijn. Het heeft den Ionischen opstand gesteund om den oorlog af te wenden, die het toen reeds van de zijde van Perzië dreigde. Wat betreft de hulde van aarde en water, die ten teeken van onderwerping geeischt wordt, Athene heeft geenszins zoo kort geleden een juk afgeworpen om zich gewillig te buigen voor den eerste, die het een ander aanbiedt. Wanneer men de vrije keus bezit, is het voorzeker onzinnig den oorlog te kiezen, maar als men dien slechts vermijden kan door zich voor eene vreemde natie te vernederen, verdient hij blaam, die het gevaar ontvliedt, niet hij, die het zonder vrees aanvaardt. Dit is naar het mij toeschijnt het antwoord, dat op de Perzische voorstellen dient gegeven te worden; het eenige dat Athene waardig is.»
De aanwezigen juichten den spreker luide toe. Aristeides had zonder omhaal en oratorisch vertoon het gevoelen van schier de geheele vergadering kort en duidelijk weergegeven. Eigenlijk had de beraadslaging hiermedegeëindigdkunnen wezen, doch, de bijvalsbetuigingen vernemend, die Aristeides ten deel vielen, stond een ander op, eenige jaren jonger dan de vorige spreker, met een geestig gelaat en levendige trekken, onrustig en bewegelijk. Themistokles heette hij, de zoon van Neokles, vurig democraat, in talenten en vindingrijkheid Aristeides’ meerdere, in rechtschapenheid bij hem achter staande. Ook hij beoogde het heil des vaderlands, niet echter in de eerste plaats omdat het vaderland daar wel bij voer, maar omdat het hem persoonlijk aanzien verschafte. Men wist dan ook dat men veel van hem te wachten, niet daarentegen of men meer van hem te hopen dan te vreezen had, al kon hij reeds met zelfvoldoening wijzen op den aanleg van den Peiraios, de grootsche haven waarvan het plan door hem was opgevat en uitgevoerd. Maar bij al zijne handelingen gaf de eerzucht steeds den doorslag en niemand kon voorspellen waartoe die hem nog zou voeren.
Den krans der redenaars op het hoofd ving Themistokles met radde tong aan:
«Wat dunkt u, mannen, van de verwatenheiddes konings, die meent aan Athene te kunnen voorschrijven wat het te doen, wat het te laten hebbe? En wanneer wij mochten weigeren dan dreigt ons eene kastijding, als waren wij kinderen, die door den vader gestraft worden! Wij zouden Hippias weder in ons midden ontvangen! Herinnert ge u,» ging hij voort, met groote vaardigheid een paar Atheners uit de lagere klasse in het oog vattend, «herinnert ge u, Charondas en gij, Drakyllos, hoe wij als knapen voor vier-en-twintig jaren getuigen waren van Hipparchos’ dood? Juist!» vervolgde hij, toen de beide aangesprokenen hem met fonkelende blikken toeknikten, «wij zagen hem vallen en wij zagen ook Harmodios vallen en hoorden later dat Aristogeiton gevangen genomen en ook gedood was. Ziet ge, Drakyllos en Charondas, dat aanschouwden en dat hoorden wij en nu vragen die twee mannen dáár, dat we dat alles vergeten en den broeder van Hipparchos, al dien tijd van wraakgierige gedachten vervuld, wederom als tiran zullen aanvaarden. Onze democratie zou achterstaan bij een eenhoofdig bestuur! Ik heb wel eenshooren verhalen dat de Perzen, wanneer hun koning verschijnt, zich op het aangezicht werpen, als konden ze den glans, die van hem uitstraalt, niet verdragen. Welaan, Atheners, schijnt zulk een regeeringsvorm u fraaier toe dan de democratie, waarin de geringste man tot de aanzienlijkste ambten kan geroepen worden? En wilt ge dat ik u nog iets zegge? Er bevinden zich hier in de stad een zeker aantal slechte lieden—ik geloof niet eens dat ze Atheners zijn, al nemen zij er ook den schijn van aan. Welnu, die lieden—ze kunnen geen Atheners zijn!—zouden Hippias wel gaarne terugzien en waarom, denkt ge? Omdat alsdan de brave en fatsoenlijke mannen, die thans archon en rechter en strateeg en prytaan zijn, zouden afgezet worden en zij zelve in hunne plaats komen! Zoo is het en tot wie denkt ge dat de Perzische gezanten, toen zij voor eenige dagen binnen Athene kwamen, het eerst zijn gegaan? Tot die slechte menschen, die Hippias terug willen hebben, en zij hebben hun geld gegeven om te maken dat zij in de volksvergadering vóór hunne voorstellen zouden stemmen.» Hierzag ieder der aanwezigen wantrouwend zijn buurman aan, vreezende dat wellicht zulk een slechte kerel, met Perzisch geld in den buidel, naast hem stond. «Maar nu hebben zij zich, den goden zij dank! een paar malen vergist en zich vervoegd bij goede burgers, meenende dat ze óók met vrienden van Hippias te doen hadden. En die goede burgers hebben zich gehouden of zij dat ook waren en het geld ontvangen—spreek ik de waarheid, Euboulides en Charikles?» Wederom richtte zijn levendig oog zich op een paar onaanzienlijke Atheners, die aanstonds zich beijverden zijne woorden door een herhaald hoofdknikken te bevestigen. «Ge ziet het, Atheners!—maar Charikles en Euboulides, die brave burgers zijn, geen vrienden van den koning en van Hippias, zooals die anderen, zijn gisteren tot mij gekomen en hebben gezegd: «Themistokles, wij zijn eenvoudige burgers, kleine kramers, niet gewoon in de volksvertegenwoordiging het woord te voeren. En daarom komen wij u vragen, of gij morgen aan de Atheners zoudt willen mededeelen wat die Perzen tot ons gezegd hebben en wat zijons hebben geschonken.» Dat hebben die brave burgers tot mij gezegd, Atheners, en dat deel ik u thans mede, want zij zelve zijn eenvoudige lieden, niet welbespraakt, en beschroomd om het woord te voeren.»
De bedoelde brave burgers, Euboulides en Charikles, knikten maar steeds voort, met een verbazenden ijver. Misschien bevonden er zich onder de aanwezigen, die den indruk kregen dat zij al te ijverig waren en die, in verband met de bekende geringe schroomvalligheid van Themistokles waar het gold middelen te kiezen om een groot doel te bereiken, eenigen twijfel begonnen te koesteren omtrent de algeheele geloofwaardigheid van het door hem medegedeelde. Maar hoe het ook zij, het doel werd bereikt en wellicht overtroffen ook in het oog van Themistokles zelf, mocht dan ook de Helleen het beginsel huldigen: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts kunt. Woeste kreten van gramschap en verontwaardiging weerklonken uit de opeengehoopte menschenmassa. Dreigende vuisten verhieven zich inde lucht; hier en daar werd een stok met onheilspellend gebaar omhoog geheven en wraakzuchtig drong men op de beide Perzen, die in statige houding naast elkander stonden, onbewust van het naderend gevaar. Van Themistokles’ rede hadden zij geen woord verstaan; immers de tolk, bij den aanvang dier rede voorziende hoe de zaken loopen zouden, had zich op handige wijze bij tijds onder de menigte geschoven en uit de voeten gemaakt. Nu zagen zij de wilde, onstuimige bende op zich aandringen, de voorsten aarzelend, terugdeinzend voor hetgeen zij voorzagen dat te gebeuren stond wanneer men de Perzen zou bereikt hebben, doch niet ongaarne voortgestuwd door de volgenden, die begrepen dat het bloed, mocht het vergoten worden, niet op hun hoofd zou neerkomen. En de beide bleeke, zwartgebaarde mannen staarden met hunne donkere oogen dat alles verwonderd aan, steeds overtuigd dat hun, den gezanten, geen haar zou gedeerd worden; toch langzamerhand vervuld van een vagen angst, zich heel verlaten voelend op die vreemde plaats,met al die onbekende, razende menschen, die hen als wilde dieren aanstaarden, zonder dat zij begrepen waarom.
Prytanen, gerechtsdienaars, lexiarchen en boogschutters der politie, die het volk, zij het dan ook wellicht met weinig overtuiging, trachtten terug te houden, werden op zij gedrongen. Instinctmatig hadden de Perzen zich, toen zij eindelijk zagen dat het hun leven gold, tegen elkander gedrukt en de hand op het gevest hunner kromme sabels gelegd. Doch, gelijk een tot den rand gevulde beker slechts dan zijn vocht niet uitstort wanneer alles rondom volkomen onbewegelijk blijft, en overloopt zoodra die onbewegelijkheid in het minst wordt verstoord, zoo ook was deze beweging het sein tot de slachting. Het is later nooit gebleken wie den eersten slag toebracht. Maar toen die gevallen was, gevoelde een ieder zich ontslagen van wat hem nog aan zelfbedwang beteugelde en allen wilden den rampzaligen met beestachtige verscheuringswoede te lijf. In een omzien waren de mannen vaneen gescheiden en gaf op twee plaatsen eeneverwarde opeenhooping van over en op elkander liggende menschelijke lichamen te kennen, waar de gruwel werd volvoerd. Geen geluid kwam meer voort uit de kelen, die zoo even gilden en brulden; nu de ziedende wraakzucht zich kon uiten in daden, had men aan kreten niet langer behoefte. En zij, die te verwijderd waren om een werkdadig aandeel te nemen in den moord, drongen in radelooze teleurstelling op om ten minste te mogen aanschouwen hoe die twee ellendigen daar werden afgemaakt met vuisten en voeten en knuppels, terwijl hun gelaat nog eene uitdrukking van pijnlijke verbazing vertoonde, daar ze niet wisten wat ze hadden misdaan.
Maar eene stem riep: «Naar het barathron!» En het brullen en gillen ving aan op nieuw, nu men bespeurde dat er eigenlijk niet meer te slaan en te schoppen viel, dat men reeds geruimen tijd bezig was te beuken en te trappen op doode lichamen. Met een ijzingwekkend gejuil werden de beide lijken bij de beenen gegrepen en voortgesleept. Nu kregen de anderen ook wat te zien; het grauw weekuit om den doortocht vrij te laten en zij, die niet mede hadden mogen slachten, konden nu naast de dooden voortdraven en genieten hoe ze gehotst werden over den grond, van de Pnyx naar beneden en verder en verder, in hun lange gewaden, die onder het sleuren de beenen vrijlieten, borst en gelaat bedekkend. Zoo ging het voort in een wilde jacht, nu en dan een oogenblik ophoudend als het voorste gedeelte van den stoet een nauwer straatje insloeg en dan grijnzend en prettig zich nog eens buigend over de mishandelde lijken, elkander opdringend en wegduwend en op zij stootend. Dan weer verder, steeds wassend in aantal, een afschuwelijke tocht onder den gloeienden, zonnigen hemel, stofwolken omhoog jagend, hijgend en heesch.
Men was aangekomen in een armoedige buitenwijk. Daar bevond zich het barathron, de boevenkuil, een rotskloof waarin ter dood gebrachte misdadigers geworpen werden. Daarin werd ook gesmeten wat van de Perzische gezanten over was en de menigte keerde huiswaarts, tevreden en ontspannen.