III.

[Inhoud]III.Een roovergeschiedenis.Vrouw in bos.“Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,” antwoordde het meisje. “Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen.”“Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is ’t niet Maroessia?”“Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?”“Heel graag,” antwoordde hij. “Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?”“Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken,[31]en ik heb hem begrepen,” zei het kind. “Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons.”“Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen.”Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:“Ik luister al, maar ik hoor niets.”“O!” antwoordde zij, “ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen.”“En waarom niet, beste meid?”“Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij … Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen.”“Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!”Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.“Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen.”Maroessia begon:“Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf.”“Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was,” viel de vreemdeling in de rede.Maroessia schudde ’t hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:“Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.[32]“Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.“Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo’n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: ‘Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!’ en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg.”“Dat was heel leelijk van hem,” zei de afgezant.“Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z’n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.“Zij zei bij zich zelve: ‘Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan …’“Maar het spreekwoord zegt terecht: ‘Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.’ Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:“ ‘Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.’“En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. ‘Sterven,’ dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, ‘dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven …’“Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: ‘Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!’“Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:[33]“ ‘Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.’“Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.“ ‘Nee,’ dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, ‘deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.’”Op dat oogenblik hield de afgezant z’n hand voor Maroessia’s mond.“Wacht even!” zei hij zachtjes.“Hebt u iets gehoord?” vroeg het kind.De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.Toen hij weder opstond, zei hij:“Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is.”“Goddank!”Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.“De jonge vrouw,” zei hij, “liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: ‘Laat ons nog eens zoeken!’ ”“Juist zoo,” hernam Maroessia, “dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.“Wacht!” zei zij bij zich zelf, “de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van.”“Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan.”“Juist,” viel de vreemdeling in de rede, “daarin herken ik de vrouwen.”[34]“Wat wilt u daarmee zeggen?” vroeg Maroessia verwonderd.“Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?”“Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In ’t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. ‘Deze kamer kan het einddoel niet zijn,’ dacht zij; ‘zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.’”“Dat was eene stijfhoofdige vrouw,” zei de afgezant.“Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: ‘Mijn man kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid dan niet zal afkeuren!’ Maar toch zette zij haar nasporingen voort.”“Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den voet tegen een ijzeren ring stiet …“Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.“Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan was geweest.“Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding wil, gelukt het bijna altijd, het te doen.[35]En na veel vergeefsche pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.“Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en wilde dien voortzetten.“En zij daalde er naar beneden.”“Zij was wel moedig,” vond de vreemdeling.“Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.“De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.“Zij zei huiverend bij zich zelf: ‘Mijn man is het opperhoofd van een rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.’ En dat veroorzaakte haar een groot verdriet.”“Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!” zei de afgezant, “het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker wordt.”“Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel.” En ze vervolgde:“De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten.”[36]“ ‘Wat te doen?’ dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? ‘Wat te doen? Wat te doen?’ herhaalde zij bij zich zelve.“ ‘Al moest ik onderweg sterven,’ zei ze eindelijk, ‘ik moet vluchten, en ik zal vluchten.’ ”De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, en het deed haar genoegen.“Dat geeft hem wat afleiding,” dacht zij.Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.Zij hervatte dus:“De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.“Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door een tooverslag uit dezeomheiningvan groen te voorschijn kwamen.”“Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.[37]“Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.“Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn en ging voor hem staan.“ ‘Je ziet erg bleek,’ zei hij tegen haar, ‘en men zou zeggen, dat je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier voortaan niet meer.’“Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:“ ‘Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.’“Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine zon schitterde.“ ‘Wil je dien hebben?’“Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.“ ‘Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,’ zei zij bij zich zelve, ‘als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.’“Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:“ ‘Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!’“ ‘Op de jacht?’“Tegelijkertijd dacht zij: ‘Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.’ Zij voegde er dus bij: ‘De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over zoo’n zonderlinge jacht hooren spreken.’“ ‘Minder zonderling, dan je wel denkt,’ zei hij, ‘maar zeker vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal ik je wel eens op zoo’n jacht meenemen, en ik denk wel, dat ’t in je smaak zal vallen.’“Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden.[38]Zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel de eenige in het kasteel, die niet sliep.“Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze haar man zoo plotseling had zien verschijnen.“Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, dat zij omver viel.”“Juist zoo!” zei de afgezant, “dat was de ingang waardoor de bandieten binnenkwamen …”“Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den blauwen hemel te zien was.“Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.“Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die de rots verborg, was zoo[39]ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu begon zij te loopen, telkens weer harder.“Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.“Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.“Ik hoor iets, dat ons volgt,” zei Maroessia ineens, haar verhaal afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.“Ach!” zei Maroessia, “het is een groote hond!”Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo’n plotselingen sprong, dat Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had kunnen doodslaan.De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, lag het dier levenloos aan zijn voeten.“Het was een wolf,” zeide hij bedaard tegen het kind, “hij moet wel honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is.”“O!” zeide Maroessia tegen haar vriend, “u bent ook voor niets bang.”“Wel zeker,” zei de afgezant, “ik ben bang voor alles, wat je geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek gevonden.”“Ja,” zei Maroessia.“Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.[40]“ ‘Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,’ zei ze bij zich zelf, ‘en als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet dien weg kiezen.’“Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. ‘Zij zullen dit lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen heb.’ Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, niet waar?”“Het was zeer goed bedacht,” zei de afgezant.“Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of een koepeldak van bladeren was.“ ‘Laat ik maar aldoor voortloopen,’ dacht zij bij zich zelf, toen zij zich vermoeid voelde. ‘God, die mij tot hiertoe geleid heeft, zal mij niet verlaten.’ Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.“Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was meer boven haar, zij was op een groote open plek!”“Zoo, des te beter!” zei de afgezant, “dat doet mij voor haar pleizier.”In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het hoofd en drukte zijn hand nog steviger.“Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens[41][42]heel duidelijk stemmen, geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.“Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde zijn, als naar het kasteel terug te keeren.“Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.“ ‘Welnu?’ riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die aankwamen rijden.“ ‘Niets,’ antwoordde er een. ‘Ik heb niets anders gevonden dan dit,’ en hij hield een rood lint omhoog.“Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn vrouw er ooit zoo een had bezeten?“ ‘Ik heb niemand gezien,’ antwoordde een tweede.“ ‘Geen spoor,’ zeide een derde.“En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.“ ‘Laat ons nog eens zoeken!’ riep de echtgenoot uit. ‘Wij moeten haar dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.’“Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn aandacht getrokken.“In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij aandachtig bekeek.“ ‘Een zakdoek!’ riep hij aan de anderen toe, ‘een vrouwenzakdoek! Zij, die wij zoeken, is niet veraf.’“Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met hun sabels en hun pieken; sommigen[43]verpletterden de jonge boompjes onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge zich daartusschen niet verscholen had.“Zij vonden hoegenaamd niets.“Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den grooten dichtgebladerden eik.“ ‘De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,’ zei hij bij zich zelf; ‘al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven in zit?’“Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans te doorboren.”“Die arme vrouw!” zei de afgezant, “nu is het met haar gedaan.”“Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan te trekken!” hernam Maroessia. “Dank zij deze donkere kleur, bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig met de armen omklemd.“Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren.”“Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!”Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:“De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, zei toen tegen zijn kapitein:“ ‘De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver verwijderd. Als wij hier een kwartier langer[44]blijven, zal uw vrouw er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.’“Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.“ ‘Te paard!’ riep hij uit, ‘te paard en rijdt, alsof het uw leven gold!’“Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.“Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val te doen.”Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.“Hoort u dat?” zei zij.“Een geweerschot,” antwoordde de afgezant kalm, “dat is al het derde sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader.”“Bent u daar zeker van?” vroeg zij.“Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!”“De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren zij daar bewusteloos bleef liggen,” zei Maroessia. “Toen zij weer tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij had reeds veel bloed verloren.“Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;[45]haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.“Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.“Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,—luister goed naar mij!—reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een lied zong.“Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en den voerman in te halen.“ ‘Help mij,’ zei ze tegen den grijsaard. ‘Heb medelijden met mij! Ik heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!’“Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.“ ‘Ik ben verloren,’ zei zij tegen den grijsaard. ‘Die menschen, die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.’“ ‘Verberg u in het hooi,’ zei de grijsaard tegen haar, ‘en houd u doodstil. Gauw maar!’“Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.“ ‘Heidaar!’ riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, ‘heb je onderweg ook een jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?’“ ‘Een jonge vrouw?’ herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten te verzamelen.[46]“ ‘Ja zeker, een jonge vrouw!’“ ‘Zoo! Een jonge vrouw …’“ ‘Wil je ook antwoorden?’“ ‘Waarom niet?’“ ‘Antwoord dan!’“ ‘Ik heb geen jonge vrouw gezien.’“ ‘Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen als jij …’“ ‘Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: men wordt oud, men leeft niet eeuwig.’“ ‘Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,’ zei de luitenant. ‘Hij drijft den spot met ons.’“ ‘Weet je wel, wien je voorhebt?’ vroeg het opperhoofd hem.“ ‘Hoe zou ik dat weten?’ antwoordde de grijsaard. ‘Het is de eerste maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op de wereld bezit?’“ ‘Je bezit toch je leven,’ zei de luitenant.“ ‘Mijn leven?’ antwoordde de boer. ‘Wat is het leven mij waard, als ik alle dagen hard moet werken?’“ ‘Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi zullen wij je ontnemen.’“ ‘Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo’n berg hooi heb. Als u mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van hem dan wel van u krijg.’“ ‘Oude gek!’ antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te lachen. ‘Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze paarden te geven.’[47]“ ‘Als dat moet, dan moet het!’ zei de grijsaard, ‘maar laat mij het u dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.’“‘Hebt u zoo genoeg?’ vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol van zijn wagen genomen te hebben. ‘Als ik nog meer nam zou er een leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer het hooi ten minste niet naweegt.’“De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,—en de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:“ ‘Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.’“ ‘Ik weet een geheim te bewaren,’ antwoordde de oude boer met een onnoozel gezicht. ‘Ik zal uw raad opvolgen.’“En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden te geven.“Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was eindelijk in ’t geheel niet meer te hooren.“ ‘Zij zijn het bosch weer ingegaan,’ zei de grijsaard alsof hij in zich zelf sprak, ‘maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.’“De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam het dorp,—het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad heeten,—in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.[48]“ ‘Ziezoo!’ zei de grijsaard, ‘God heeft het zoo gewild: het is nu gedaan.’“Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk gered.Vrouwenhand.“Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen aangaan, haar kwam terughalen.“Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, toen de justitie kwam. Toen zij het[49]gevaar inzagen, ontdekt te worden, hadden zij er niet durven blijven.”“Dat was jammer,” zei de afgezant. “Maar de vrouw was gered, en dat was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie sprookjes verkorten den weg.”“De reden, waarom ik u dit verteld heb,” zei Maroessia, “bestaat hierin, dat het ons van nut kan zijn.”“Ik heb het begrepen, m’n kind,” zei de afgezant, “heel goed begrepen. O, wij verstaan elkaar wel.”“Toch,” voegde hij er bij, “heeft de geschiedenis van de blanke hand met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten eik mij doen huiveren.”[50]

[Inhoud]III.Een roovergeschiedenis.Vrouw in bos.“Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,” antwoordde het meisje. “Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen.”“Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is ’t niet Maroessia?”“Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?”“Heel graag,” antwoordde hij. “Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?”“Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken,[31]en ik heb hem begrepen,” zei het kind. “Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons.”“Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen.”Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:“Ik luister al, maar ik hoor niets.”“O!” antwoordde zij, “ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen.”“En waarom niet, beste meid?”“Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij … Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen.”“Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!”Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.“Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen.”Maroessia begon:“Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf.”“Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was,” viel de vreemdeling in de rede.Maroessia schudde ’t hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:“Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.[32]“Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.“Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo’n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: ‘Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!’ en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg.”“Dat was heel leelijk van hem,” zei de afgezant.“Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z’n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.“Zij zei bij zich zelve: ‘Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan …’“Maar het spreekwoord zegt terecht: ‘Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.’ Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:“ ‘Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.’“En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. ‘Sterven,’ dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, ‘dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven …’“Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: ‘Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!’“Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:[33]“ ‘Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.’“Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.“ ‘Nee,’ dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, ‘deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.’”Op dat oogenblik hield de afgezant z’n hand voor Maroessia’s mond.“Wacht even!” zei hij zachtjes.“Hebt u iets gehoord?” vroeg het kind.De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.Toen hij weder opstond, zei hij:“Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is.”“Goddank!”Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.“De jonge vrouw,” zei hij, “liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: ‘Laat ons nog eens zoeken!’ ”“Juist zoo,” hernam Maroessia, “dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.“Wacht!” zei zij bij zich zelf, “de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van.”“Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan.”“Juist,” viel de vreemdeling in de rede, “daarin herken ik de vrouwen.”[34]“Wat wilt u daarmee zeggen?” vroeg Maroessia verwonderd.“Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?”“Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In ’t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. ‘Deze kamer kan het einddoel niet zijn,’ dacht zij; ‘zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.’”“Dat was eene stijfhoofdige vrouw,” zei de afgezant.“Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: ‘Mijn man kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid dan niet zal afkeuren!’ Maar toch zette zij haar nasporingen voort.”“Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den voet tegen een ijzeren ring stiet …“Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.“Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan was geweest.“Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding wil, gelukt het bijna altijd, het te doen.[35]En na veel vergeefsche pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.“Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en wilde dien voortzetten.“En zij daalde er naar beneden.”“Zij was wel moedig,” vond de vreemdeling.“Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.“De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.“Zij zei huiverend bij zich zelf: ‘Mijn man is het opperhoofd van een rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.’ En dat veroorzaakte haar een groot verdriet.”“Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!” zei de afgezant, “het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker wordt.”“Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel.” En ze vervolgde:“De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten.”[36]“ ‘Wat te doen?’ dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? ‘Wat te doen? Wat te doen?’ herhaalde zij bij zich zelve.“ ‘Al moest ik onderweg sterven,’ zei ze eindelijk, ‘ik moet vluchten, en ik zal vluchten.’ ”De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, en het deed haar genoegen.“Dat geeft hem wat afleiding,” dacht zij.Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.Zij hervatte dus:“De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.“Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door een tooverslag uit dezeomheiningvan groen te voorschijn kwamen.”“Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.[37]“Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.“Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn en ging voor hem staan.“ ‘Je ziet erg bleek,’ zei hij tegen haar, ‘en men zou zeggen, dat je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier voortaan niet meer.’“Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:“ ‘Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.’“Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine zon schitterde.“ ‘Wil je dien hebben?’“Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.“ ‘Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,’ zei zij bij zich zelve, ‘als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.’“Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:“ ‘Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!’“ ‘Op de jacht?’“Tegelijkertijd dacht zij: ‘Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.’ Zij voegde er dus bij: ‘De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over zoo’n zonderlinge jacht hooren spreken.’“ ‘Minder zonderling, dan je wel denkt,’ zei hij, ‘maar zeker vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal ik je wel eens op zoo’n jacht meenemen, en ik denk wel, dat ’t in je smaak zal vallen.’“Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden.[38]Zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel de eenige in het kasteel, die niet sliep.“Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze haar man zoo plotseling had zien verschijnen.“Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, dat zij omver viel.”“Juist zoo!” zei de afgezant, “dat was de ingang waardoor de bandieten binnenkwamen …”“Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den blauwen hemel te zien was.“Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.“Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die de rots verborg, was zoo[39]ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu begon zij te loopen, telkens weer harder.“Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.“Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.“Ik hoor iets, dat ons volgt,” zei Maroessia ineens, haar verhaal afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.“Ach!” zei Maroessia, “het is een groote hond!”Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo’n plotselingen sprong, dat Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had kunnen doodslaan.De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, lag het dier levenloos aan zijn voeten.“Het was een wolf,” zeide hij bedaard tegen het kind, “hij moet wel honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is.”“O!” zeide Maroessia tegen haar vriend, “u bent ook voor niets bang.”“Wel zeker,” zei de afgezant, “ik ben bang voor alles, wat je geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek gevonden.”“Ja,” zei Maroessia.“Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.[40]“ ‘Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,’ zei ze bij zich zelf, ‘en als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet dien weg kiezen.’“Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. ‘Zij zullen dit lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen heb.’ Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, niet waar?”“Het was zeer goed bedacht,” zei de afgezant.“Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of een koepeldak van bladeren was.“ ‘Laat ik maar aldoor voortloopen,’ dacht zij bij zich zelf, toen zij zich vermoeid voelde. ‘God, die mij tot hiertoe geleid heeft, zal mij niet verlaten.’ Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.“Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was meer boven haar, zij was op een groote open plek!”“Zoo, des te beter!” zei de afgezant, “dat doet mij voor haar pleizier.”In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het hoofd en drukte zijn hand nog steviger.“Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens[41][42]heel duidelijk stemmen, geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.“Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde zijn, als naar het kasteel terug te keeren.“Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.“ ‘Welnu?’ riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die aankwamen rijden.“ ‘Niets,’ antwoordde er een. ‘Ik heb niets anders gevonden dan dit,’ en hij hield een rood lint omhoog.“Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn vrouw er ooit zoo een had bezeten?“ ‘Ik heb niemand gezien,’ antwoordde een tweede.“ ‘Geen spoor,’ zeide een derde.“En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.“ ‘Laat ons nog eens zoeken!’ riep de echtgenoot uit. ‘Wij moeten haar dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.’“Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn aandacht getrokken.“In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij aandachtig bekeek.“ ‘Een zakdoek!’ riep hij aan de anderen toe, ‘een vrouwenzakdoek! Zij, die wij zoeken, is niet veraf.’“Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met hun sabels en hun pieken; sommigen[43]verpletterden de jonge boompjes onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge zich daartusschen niet verscholen had.“Zij vonden hoegenaamd niets.“Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den grooten dichtgebladerden eik.“ ‘De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,’ zei hij bij zich zelf; ‘al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven in zit?’“Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans te doorboren.”“Die arme vrouw!” zei de afgezant, “nu is het met haar gedaan.”“Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan te trekken!” hernam Maroessia. “Dank zij deze donkere kleur, bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig met de armen omklemd.“Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren.”“Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!”Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:“De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, zei toen tegen zijn kapitein:“ ‘De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver verwijderd. Als wij hier een kwartier langer[44]blijven, zal uw vrouw er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.’“Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.“ ‘Te paard!’ riep hij uit, ‘te paard en rijdt, alsof het uw leven gold!’“Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.“Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val te doen.”Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.“Hoort u dat?” zei zij.“Een geweerschot,” antwoordde de afgezant kalm, “dat is al het derde sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader.”“Bent u daar zeker van?” vroeg zij.“Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!”“De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren zij daar bewusteloos bleef liggen,” zei Maroessia. “Toen zij weer tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij had reeds veel bloed verloren.“Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;[45]haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.“Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.“Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,—luister goed naar mij!—reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een lied zong.“Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en den voerman in te halen.“ ‘Help mij,’ zei ze tegen den grijsaard. ‘Heb medelijden met mij! Ik heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!’“Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.“ ‘Ik ben verloren,’ zei zij tegen den grijsaard. ‘Die menschen, die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.’“ ‘Verberg u in het hooi,’ zei de grijsaard tegen haar, ‘en houd u doodstil. Gauw maar!’“Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.“ ‘Heidaar!’ riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, ‘heb je onderweg ook een jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?’“ ‘Een jonge vrouw?’ herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten te verzamelen.[46]“ ‘Ja zeker, een jonge vrouw!’“ ‘Zoo! Een jonge vrouw …’“ ‘Wil je ook antwoorden?’“ ‘Waarom niet?’“ ‘Antwoord dan!’“ ‘Ik heb geen jonge vrouw gezien.’“ ‘Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen als jij …’“ ‘Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: men wordt oud, men leeft niet eeuwig.’“ ‘Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,’ zei de luitenant. ‘Hij drijft den spot met ons.’“ ‘Weet je wel, wien je voorhebt?’ vroeg het opperhoofd hem.“ ‘Hoe zou ik dat weten?’ antwoordde de grijsaard. ‘Het is de eerste maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op de wereld bezit?’“ ‘Je bezit toch je leven,’ zei de luitenant.“ ‘Mijn leven?’ antwoordde de boer. ‘Wat is het leven mij waard, als ik alle dagen hard moet werken?’“ ‘Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi zullen wij je ontnemen.’“ ‘Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo’n berg hooi heb. Als u mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van hem dan wel van u krijg.’“ ‘Oude gek!’ antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te lachen. ‘Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze paarden te geven.’[47]“ ‘Als dat moet, dan moet het!’ zei de grijsaard, ‘maar laat mij het u dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.’“‘Hebt u zoo genoeg?’ vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol van zijn wagen genomen te hebben. ‘Als ik nog meer nam zou er een leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer het hooi ten minste niet naweegt.’“De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,—en de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:“ ‘Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.’“ ‘Ik weet een geheim te bewaren,’ antwoordde de oude boer met een onnoozel gezicht. ‘Ik zal uw raad opvolgen.’“En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden te geven.“Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was eindelijk in ’t geheel niet meer te hooren.“ ‘Zij zijn het bosch weer ingegaan,’ zei de grijsaard alsof hij in zich zelf sprak, ‘maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.’“De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam het dorp,—het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad heeten,—in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.[48]“ ‘Ziezoo!’ zei de grijsaard, ‘God heeft het zoo gewild: het is nu gedaan.’“Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk gered.Vrouwenhand.“Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen aangaan, haar kwam terughalen.“Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, toen de justitie kwam. Toen zij het[49]gevaar inzagen, ontdekt te worden, hadden zij er niet durven blijven.”“Dat was jammer,” zei de afgezant. “Maar de vrouw was gered, en dat was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie sprookjes verkorten den weg.”“De reden, waarom ik u dit verteld heb,” zei Maroessia, “bestaat hierin, dat het ons van nut kan zijn.”“Ik heb het begrepen, m’n kind,” zei de afgezant, “heel goed begrepen. O, wij verstaan elkaar wel.”“Toch,” voegde hij er bij, “heeft de geschiedenis van de blanke hand met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten eik mij doen huiveren.”[50]

III.Een roovergeschiedenis.

Vrouw in bos.“Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,” antwoordde het meisje. “Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen.”“Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is ’t niet Maroessia?”“Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?”“Heel graag,” antwoordde hij. “Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?”“Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken,[31]en ik heb hem begrepen,” zei het kind. “Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons.”“Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen.”Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:“Ik luister al, maar ik hoor niets.”“O!” antwoordde zij, “ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen.”“En waarom niet, beste meid?”“Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij … Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen.”“Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!”Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.“Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen.”Maroessia begon:“Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf.”“Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was,” viel de vreemdeling in de rede.Maroessia schudde ’t hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:“Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.[32]“Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.“Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo’n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: ‘Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!’ en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg.”“Dat was heel leelijk van hem,” zei de afgezant.“Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z’n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.“Zij zei bij zich zelve: ‘Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan …’“Maar het spreekwoord zegt terecht: ‘Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.’ Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:“ ‘Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.’“En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. ‘Sterven,’ dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, ‘dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven …’“Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: ‘Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!’“Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:[33]“ ‘Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.’“Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.“ ‘Nee,’ dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, ‘deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.’”Op dat oogenblik hield de afgezant z’n hand voor Maroessia’s mond.“Wacht even!” zei hij zachtjes.“Hebt u iets gehoord?” vroeg het kind.De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.Toen hij weder opstond, zei hij:“Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is.”“Goddank!”Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.“De jonge vrouw,” zei hij, “liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: ‘Laat ons nog eens zoeken!’ ”“Juist zoo,” hernam Maroessia, “dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.“Wacht!” zei zij bij zich zelf, “de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van.”“Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan.”“Juist,” viel de vreemdeling in de rede, “daarin herken ik de vrouwen.”[34]“Wat wilt u daarmee zeggen?” vroeg Maroessia verwonderd.“Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?”“Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In ’t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. ‘Deze kamer kan het einddoel niet zijn,’ dacht zij; ‘zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.’”“Dat was eene stijfhoofdige vrouw,” zei de afgezant.“Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: ‘Mijn man kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid dan niet zal afkeuren!’ Maar toch zette zij haar nasporingen voort.”“Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den voet tegen een ijzeren ring stiet …“Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.“Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan was geweest.“Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding wil, gelukt het bijna altijd, het te doen.[35]En na veel vergeefsche pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.“Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en wilde dien voortzetten.“En zij daalde er naar beneden.”“Zij was wel moedig,” vond de vreemdeling.“Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.“De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.“Zij zei huiverend bij zich zelf: ‘Mijn man is het opperhoofd van een rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.’ En dat veroorzaakte haar een groot verdriet.”“Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!” zei de afgezant, “het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker wordt.”“Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel.” En ze vervolgde:“De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten.”[36]“ ‘Wat te doen?’ dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? ‘Wat te doen? Wat te doen?’ herhaalde zij bij zich zelve.“ ‘Al moest ik onderweg sterven,’ zei ze eindelijk, ‘ik moet vluchten, en ik zal vluchten.’ ”De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, en het deed haar genoegen.“Dat geeft hem wat afleiding,” dacht zij.Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.Zij hervatte dus:“De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.“Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door een tooverslag uit dezeomheiningvan groen te voorschijn kwamen.”“Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.[37]“Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.“Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn en ging voor hem staan.“ ‘Je ziet erg bleek,’ zei hij tegen haar, ‘en men zou zeggen, dat je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier voortaan niet meer.’“Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:“ ‘Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.’“Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine zon schitterde.“ ‘Wil je dien hebben?’“Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.“ ‘Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,’ zei zij bij zich zelve, ‘als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.’“Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:“ ‘Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!’“ ‘Op de jacht?’“Tegelijkertijd dacht zij: ‘Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.’ Zij voegde er dus bij: ‘De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over zoo’n zonderlinge jacht hooren spreken.’“ ‘Minder zonderling, dan je wel denkt,’ zei hij, ‘maar zeker vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal ik je wel eens op zoo’n jacht meenemen, en ik denk wel, dat ’t in je smaak zal vallen.’“Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden.[38]Zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel de eenige in het kasteel, die niet sliep.“Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze haar man zoo plotseling had zien verschijnen.“Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, dat zij omver viel.”“Juist zoo!” zei de afgezant, “dat was de ingang waardoor de bandieten binnenkwamen …”“Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den blauwen hemel te zien was.“Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.“Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die de rots verborg, was zoo[39]ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu begon zij te loopen, telkens weer harder.“Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.“Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.“Ik hoor iets, dat ons volgt,” zei Maroessia ineens, haar verhaal afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.“Ach!” zei Maroessia, “het is een groote hond!”Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo’n plotselingen sprong, dat Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had kunnen doodslaan.De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, lag het dier levenloos aan zijn voeten.“Het was een wolf,” zeide hij bedaard tegen het kind, “hij moet wel honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is.”“O!” zeide Maroessia tegen haar vriend, “u bent ook voor niets bang.”“Wel zeker,” zei de afgezant, “ik ben bang voor alles, wat je geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek gevonden.”“Ja,” zei Maroessia.“Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.[40]“ ‘Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,’ zei ze bij zich zelf, ‘en als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet dien weg kiezen.’“Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. ‘Zij zullen dit lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen heb.’ Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, niet waar?”“Het was zeer goed bedacht,” zei de afgezant.“Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of een koepeldak van bladeren was.“ ‘Laat ik maar aldoor voortloopen,’ dacht zij bij zich zelf, toen zij zich vermoeid voelde. ‘God, die mij tot hiertoe geleid heeft, zal mij niet verlaten.’ Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.“Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was meer boven haar, zij was op een groote open plek!”“Zoo, des te beter!” zei de afgezant, “dat doet mij voor haar pleizier.”In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het hoofd en drukte zijn hand nog steviger.“Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens[41][42]heel duidelijk stemmen, geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.“Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde zijn, als naar het kasteel terug te keeren.“Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.“ ‘Welnu?’ riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die aankwamen rijden.“ ‘Niets,’ antwoordde er een. ‘Ik heb niets anders gevonden dan dit,’ en hij hield een rood lint omhoog.“Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn vrouw er ooit zoo een had bezeten?“ ‘Ik heb niemand gezien,’ antwoordde een tweede.“ ‘Geen spoor,’ zeide een derde.“En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.“ ‘Laat ons nog eens zoeken!’ riep de echtgenoot uit. ‘Wij moeten haar dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.’“Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn aandacht getrokken.“In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij aandachtig bekeek.“ ‘Een zakdoek!’ riep hij aan de anderen toe, ‘een vrouwenzakdoek! Zij, die wij zoeken, is niet veraf.’“Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met hun sabels en hun pieken; sommigen[43]verpletterden de jonge boompjes onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge zich daartusschen niet verscholen had.“Zij vonden hoegenaamd niets.“Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den grooten dichtgebladerden eik.“ ‘De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,’ zei hij bij zich zelf; ‘al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven in zit?’“Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans te doorboren.”“Die arme vrouw!” zei de afgezant, “nu is het met haar gedaan.”“Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan te trekken!” hernam Maroessia. “Dank zij deze donkere kleur, bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig met de armen omklemd.“Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren.”“Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!”Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:“De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, zei toen tegen zijn kapitein:“ ‘De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver verwijderd. Als wij hier een kwartier langer[44]blijven, zal uw vrouw er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.’“Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.“ ‘Te paard!’ riep hij uit, ‘te paard en rijdt, alsof het uw leven gold!’“Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.“Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val te doen.”Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.“Hoort u dat?” zei zij.“Een geweerschot,” antwoordde de afgezant kalm, “dat is al het derde sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader.”“Bent u daar zeker van?” vroeg zij.“Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!”“De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren zij daar bewusteloos bleef liggen,” zei Maroessia. “Toen zij weer tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij had reeds veel bloed verloren.“Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;[45]haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.“Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.“Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,—luister goed naar mij!—reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een lied zong.“Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en den voerman in te halen.“ ‘Help mij,’ zei ze tegen den grijsaard. ‘Heb medelijden met mij! Ik heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!’“Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.“ ‘Ik ben verloren,’ zei zij tegen den grijsaard. ‘Die menschen, die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.’“ ‘Verberg u in het hooi,’ zei de grijsaard tegen haar, ‘en houd u doodstil. Gauw maar!’“Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.“ ‘Heidaar!’ riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, ‘heb je onderweg ook een jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?’“ ‘Een jonge vrouw?’ herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten te verzamelen.[46]“ ‘Ja zeker, een jonge vrouw!’“ ‘Zoo! Een jonge vrouw …’“ ‘Wil je ook antwoorden?’“ ‘Waarom niet?’“ ‘Antwoord dan!’“ ‘Ik heb geen jonge vrouw gezien.’“ ‘Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen als jij …’“ ‘Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: men wordt oud, men leeft niet eeuwig.’“ ‘Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,’ zei de luitenant. ‘Hij drijft den spot met ons.’“ ‘Weet je wel, wien je voorhebt?’ vroeg het opperhoofd hem.“ ‘Hoe zou ik dat weten?’ antwoordde de grijsaard. ‘Het is de eerste maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op de wereld bezit?’“ ‘Je bezit toch je leven,’ zei de luitenant.“ ‘Mijn leven?’ antwoordde de boer. ‘Wat is het leven mij waard, als ik alle dagen hard moet werken?’“ ‘Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi zullen wij je ontnemen.’“ ‘Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo’n berg hooi heb. Als u mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van hem dan wel van u krijg.’“ ‘Oude gek!’ antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te lachen. ‘Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze paarden te geven.’[47]“ ‘Als dat moet, dan moet het!’ zei de grijsaard, ‘maar laat mij het u dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.’“‘Hebt u zoo genoeg?’ vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol van zijn wagen genomen te hebben. ‘Als ik nog meer nam zou er een leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer het hooi ten minste niet naweegt.’“De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,—en de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:“ ‘Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.’“ ‘Ik weet een geheim te bewaren,’ antwoordde de oude boer met een onnoozel gezicht. ‘Ik zal uw raad opvolgen.’“En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden te geven.“Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was eindelijk in ’t geheel niet meer te hooren.“ ‘Zij zijn het bosch weer ingegaan,’ zei de grijsaard alsof hij in zich zelf sprak, ‘maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.’“De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam het dorp,—het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad heeten,—in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.[48]“ ‘Ziezoo!’ zei de grijsaard, ‘God heeft het zoo gewild: het is nu gedaan.’“Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk gered.Vrouwenhand.“Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen aangaan, haar kwam terughalen.“Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, toen de justitie kwam. Toen zij het[49]gevaar inzagen, ontdekt te worden, hadden zij er niet durven blijven.”“Dat was jammer,” zei de afgezant. “Maar de vrouw was gered, en dat was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie sprookjes verkorten den weg.”“De reden, waarom ik u dit verteld heb,” zei Maroessia, “bestaat hierin, dat het ons van nut kan zijn.”“Ik heb het begrepen, m’n kind,” zei de afgezant, “heel goed begrepen. O, wij verstaan elkaar wel.”“Toch,” voegde hij er bij, “heeft de geschiedenis van de blanke hand met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten eik mij doen huiveren.”[50]

Vrouw in bos.

“Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,” antwoordde het meisje. “Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen.”

“Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is ’t niet Maroessia?”

“Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?”

“Heel graag,” antwoordde hij. “Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?”

“Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken,[31]en ik heb hem begrepen,” zei het kind. “Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons.”

“Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen.”

Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:

“Ik luister al, maar ik hoor niets.”

“O!” antwoordde zij, “ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen.”

“En waarom niet, beste meid?”

“Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij … Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen.”

“Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!”

Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.

“Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen.”

Maroessia begon:

“Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf.”

“Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was,” viel de vreemdeling in de rede.

Maroessia schudde ’t hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:

“Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.[32]

“Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.

“Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo’n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: ‘Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!’ en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg.”

“Dat was heel leelijk van hem,” zei de afgezant.

“Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z’n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.

“Zij zei bij zich zelve: ‘Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan …’

“Maar het spreekwoord zegt terecht: ‘Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.’ Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:

“ ‘Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.’

“En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. ‘Sterven,’ dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, ‘dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven …’

“Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: ‘Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!’

“Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:[33]

“ ‘Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.’

“Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.

“ ‘Nee,’ dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, ‘deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.’”

Op dat oogenblik hield de afgezant z’n hand voor Maroessia’s mond.

“Wacht even!” zei hij zachtjes.

“Hebt u iets gehoord?” vroeg het kind.

De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.

Toen hij weder opstond, zei hij:

“Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is.”

“Goddank!”

Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.

De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.

“De jonge vrouw,” zei hij, “liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: ‘Laat ons nog eens zoeken!’ ”

“Juist zoo,” hernam Maroessia, “dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.

“Wacht!” zei zij bij zich zelf, “de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van.”

“Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan.”

“Juist,” viel de vreemdeling in de rede, “daarin herken ik de vrouwen.”[34]

“Wat wilt u daarmee zeggen?” vroeg Maroessia verwonderd.

“Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?”

“Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In ’t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. ‘Deze kamer kan het einddoel niet zijn,’ dacht zij; ‘zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.’”

“Dat was eene stijfhoofdige vrouw,” zei de afgezant.

“Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: ‘Mijn man kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid dan niet zal afkeuren!’ Maar toch zette zij haar nasporingen voort.”

“Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den voet tegen een ijzeren ring stiet …

“Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.

“Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan was geweest.

“Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding wil, gelukt het bijna altijd, het te doen.[35]En na veel vergeefsche pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.

“Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en wilde dien voortzetten.

“En zij daalde er naar beneden.”

“Zij was wel moedig,” vond de vreemdeling.

“Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.

“De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.

“Zij zei huiverend bij zich zelf: ‘Mijn man is het opperhoofd van een rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.’ En dat veroorzaakte haar een groot verdriet.”

“Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!” zei de afgezant, “het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker wordt.”

“Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel.” En ze vervolgde:

“De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten.”[36]

“ ‘Wat te doen?’ dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? ‘Wat te doen? Wat te doen?’ herhaalde zij bij zich zelve.

“ ‘Al moest ik onderweg sterven,’ zei ze eindelijk, ‘ik moet vluchten, en ik zal vluchten.’ ”

De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, en het deed haar genoegen.

“Dat geeft hem wat afleiding,” dacht zij.

Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.

Zij hervatte dus:

“De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.

“Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door een tooverslag uit dezeomheiningvan groen te voorschijn kwamen.”

“Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.[37]

“Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.

“Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn en ging voor hem staan.

“ ‘Je ziet erg bleek,’ zei hij tegen haar, ‘en men zou zeggen, dat je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier voortaan niet meer.’

“Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:

“ ‘Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.’

“Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine zon schitterde.

“ ‘Wil je dien hebben?’

“Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.

“ ‘Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,’ zei zij bij zich zelve, ‘als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.’

“Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:

“ ‘Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!’

“ ‘Op de jacht?’

“Tegelijkertijd dacht zij: ‘Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.’ Zij voegde er dus bij: ‘De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over zoo’n zonderlinge jacht hooren spreken.’

“ ‘Minder zonderling, dan je wel denkt,’ zei hij, ‘maar zeker vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal ik je wel eens op zoo’n jacht meenemen, en ik denk wel, dat ’t in je smaak zal vallen.’

“Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden.[38]Zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel de eenige in het kasteel, die niet sliep.

“Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze haar man zoo plotseling had zien verschijnen.

“Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, dat zij omver viel.”

“Juist zoo!” zei de afgezant, “dat was de ingang waardoor de bandieten binnenkwamen …”

“Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den blauwen hemel te zien was.

“Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.

“Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die de rots verborg, was zoo[39]ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu begon zij te loopen, telkens weer harder.

“Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.

“Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.

“Ik hoor iets, dat ons volgt,” zei Maroessia ineens, haar verhaal afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.

“Ach!” zei Maroessia, “het is een groote hond!”

Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo’n plotselingen sprong, dat Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had kunnen doodslaan.

De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, lag het dier levenloos aan zijn voeten.

“Het was een wolf,” zeide hij bedaard tegen het kind, “hij moet wel honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is.”

“O!” zeide Maroessia tegen haar vriend, “u bent ook voor niets bang.”

“Wel zeker,” zei de afgezant, “ik ben bang voor alles, wat je geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek gevonden.”

“Ja,” zei Maroessia.

“Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.[40]

“ ‘Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,’ zei ze bij zich zelf, ‘en als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet dien weg kiezen.’

“Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. ‘Zij zullen dit lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen heb.’ Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, niet waar?”

“Het was zeer goed bedacht,” zei de afgezant.

“Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of een koepeldak van bladeren was.

“ ‘Laat ik maar aldoor voortloopen,’ dacht zij bij zich zelf, toen zij zich vermoeid voelde. ‘God, die mij tot hiertoe geleid heeft, zal mij niet verlaten.’ Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.

“Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was meer boven haar, zij was op een groote open plek!”

“Zoo, des te beter!” zei de afgezant, “dat doet mij voor haar pleizier.”

In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het hoofd en drukte zijn hand nog steviger.

“Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens[41][42]heel duidelijk stemmen, geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.

Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.

Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.

“Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde zijn, als naar het kasteel terug te keeren.

“Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.

“ ‘Welnu?’ riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die aankwamen rijden.

“ ‘Niets,’ antwoordde er een. ‘Ik heb niets anders gevonden dan dit,’ en hij hield een rood lint omhoog.

“Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn vrouw er ooit zoo een had bezeten?

“ ‘Ik heb niemand gezien,’ antwoordde een tweede.

“ ‘Geen spoor,’ zeide een derde.

“En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.

“ ‘Laat ons nog eens zoeken!’ riep de echtgenoot uit. ‘Wij moeten haar dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.’

“Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn aandacht getrokken.

“In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij aandachtig bekeek.

“ ‘Een zakdoek!’ riep hij aan de anderen toe, ‘een vrouwenzakdoek! Zij, die wij zoeken, is niet veraf.’

“Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met hun sabels en hun pieken; sommigen[43]verpletterden de jonge boompjes onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge zich daartusschen niet verscholen had.

“Zij vonden hoegenaamd niets.

“Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den grooten dichtgebladerden eik.

“ ‘De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,’ zei hij bij zich zelf; ‘al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven in zit?’

“Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans te doorboren.”

“Die arme vrouw!” zei de afgezant, “nu is het met haar gedaan.”

“Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan te trekken!” hernam Maroessia. “Dank zij deze donkere kleur, bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig met de armen omklemd.

“Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren.”

“Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!”

Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:

“De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, zei toen tegen zijn kapitein:

“ ‘De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver verwijderd. Als wij hier een kwartier langer[44]blijven, zal uw vrouw er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.’

“Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.

“ ‘Te paard!’ riep hij uit, ‘te paard en rijdt, alsof het uw leven gold!’

“Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.

“Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val te doen.”

Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.

“Hoort u dat?” zei zij.

“Een geweerschot,” antwoordde de afgezant kalm, “dat is al het derde sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader.”

“Bent u daar zeker van?” vroeg zij.

“Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!”

“De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren zij daar bewusteloos bleef liggen,” zei Maroessia. “Toen zij weer tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij had reeds veel bloed verloren.

“Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;[45]haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.

“Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.

“Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,—luister goed naar mij!—reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een lied zong.

“Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en den voerman in te halen.

“ ‘Help mij,’ zei ze tegen den grijsaard. ‘Heb medelijden met mij! Ik heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!’

“Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.

“ ‘Ik ben verloren,’ zei zij tegen den grijsaard. ‘Die menschen, die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.’

“ ‘Verberg u in het hooi,’ zei de grijsaard tegen haar, ‘en houd u doodstil. Gauw maar!’

“Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.

“ ‘Heidaar!’ riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, ‘heb je onderweg ook een jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?’

“ ‘Een jonge vrouw?’ herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten te verzamelen.[46]

“ ‘Ja zeker, een jonge vrouw!’

“ ‘Zoo! Een jonge vrouw …’

“ ‘Wil je ook antwoorden?’

“ ‘Waarom niet?’

“ ‘Antwoord dan!’

“ ‘Ik heb geen jonge vrouw gezien.’

“ ‘Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen als jij …’

“ ‘Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: men wordt oud, men leeft niet eeuwig.’

“ ‘Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,’ zei de luitenant. ‘Hij drijft den spot met ons.’

“ ‘Weet je wel, wien je voorhebt?’ vroeg het opperhoofd hem.

“ ‘Hoe zou ik dat weten?’ antwoordde de grijsaard. ‘Het is de eerste maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op de wereld bezit?’

“ ‘Je bezit toch je leven,’ zei de luitenant.

“ ‘Mijn leven?’ antwoordde de boer. ‘Wat is het leven mij waard, als ik alle dagen hard moet werken?’

“ ‘Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi zullen wij je ontnemen.’

“ ‘Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo’n berg hooi heb. Als u mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van hem dan wel van u krijg.’

“ ‘Oude gek!’ antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te lachen. ‘Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze paarden te geven.’[47]

“ ‘Als dat moet, dan moet het!’ zei de grijsaard, ‘maar laat mij het u dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.’

“‘Hebt u zoo genoeg?’ vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol van zijn wagen genomen te hebben. ‘Als ik nog meer nam zou er een leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer het hooi ten minste niet naweegt.’

“De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,—en de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:

“ ‘Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.’

“ ‘Ik weet een geheim te bewaren,’ antwoordde de oude boer met een onnoozel gezicht. ‘Ik zal uw raad opvolgen.’

“En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden te geven.

“Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was eindelijk in ’t geheel niet meer te hooren.

“ ‘Zij zijn het bosch weer ingegaan,’ zei de grijsaard alsof hij in zich zelf sprak, ‘maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.’

“De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam het dorp,—het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad heeten,—in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.[48]

“ ‘Ziezoo!’ zei de grijsaard, ‘God heeft het zoo gewild: het is nu gedaan.’

“Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk gered.

Vrouwenhand.

“Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen aangaan, haar kwam terughalen.

“Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, toen de justitie kwam. Toen zij het[49]gevaar inzagen, ontdekt te worden, hadden zij er niet durven blijven.”

“Dat was jammer,” zei de afgezant. “Maar de vrouw was gered, en dat was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie sprookjes verkorten den weg.”

“De reden, waarom ik u dit verteld heb,” zei Maroessia, “bestaat hierin, dat het ons van nut kan zijn.”

“Ik heb het begrepen, m’n kind,” zei de afgezant, “heel goed begrepen. O, wij verstaan elkaar wel.”

“Toch,” voegde hij er bij, “heeft de geschiedenis van de blanke hand met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten eik mij doen huiveren.”[50]


Back to IndexNext