IV.

[Inhoud]IV.De vlucht.Wagen in het donker.Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet aan den oever boog zich voor den wind.“Wij moeten nu linksaf,” zei Maroessia.Twee minuten daarna betraden zij de steppe.Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna altijd beschermd door de boomen.Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen de frissche lucht van deze vlakte in.“Kijk dien kant eens uit!” zei Maroessia. “Dat zwarte[51]stipje daarginds is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens linksaf: daar zullen wij de ossen vinden.”“Laat ons dan nog eens linksaf slaan,” zei de afgezant.De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen het gezicht.De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets te zien was.“Blijf daar niet staan!” riep Maroessia hem toe; “u bent zoo lang, men zou u van verre zien.”Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.“’t Lijkt wel of jij vleugels hebt,” zei de afgezant tegen haar.“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje,” antwoordde het kind met een zekeren trots.Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, waar het huis van haar ouders stond.“Ziet u daar ginds wel?” zei ze. “Kijk eens voor mij; want mijn oogen zien op dit oogenblik niet goed,—het schijnt mij evenwel toe, dat alles er rustig is.”“Ja, ja,” zei de afgezant, “alles schijnt te zeggen: rust.”Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een kleine vallei omgaf.“Hier is het!” zei Maroessia. “Help mij nu, den boom van de deur te lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?”“Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!”De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van het kind.“Stil, stil,” zei Maroessia haastig. “Je moet mij heel bedaard volgen! Gauw maar!”[52]Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden haar gedwee.“Zij zijn veel grooter dan ik,” zei Maroessia lachend, “en toch zijn we even oud.”De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.De ossen waren er al spoedig voor gespannen.“Haast u!” zei Maroessia. “Waarom kijkt u mij zoo aan?”“Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!” zei de afgezant, “zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!”De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den grooten wagen, naast dezen reus van een man.“O, wat zou ik graag groot willen zijn!” zuchtte Maroessia. “Kijk! hier is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk mij maar eens aan!”Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik wilde of kon hij niets zeggen.Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.“Weet je den weg wel, Maroessia?” vroeg hij.“Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als je daar eenmaal bent, is ’t niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: ‘Het moet al een domoor zijn, die dezen weg niet weet te vinden.’ ”[53]“Ken je Kniesj?”“Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons.”“Zal hij je goed ontvangen?”“Dat weet ik niet … ik denk het wel?”“En als hij je eens slecht ontving?”“Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een vriend … O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn.”“Weet je wel, Maroessia!” vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine meisje strak aankeek, “weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?…”“Ja,” antwoordde Maroessia, “ik weet dat alles.”“Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn … Weet je dat wel?”“O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te woord staan: ik ben niet bang!”“Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!”“Nee,” zei Maroessia, “wij zullen eerst later sterven. U moet eerst in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als het zoo wezen moet!… maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!…”De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes “m’n lieve kind” noemde.“Maroessia!” zei hij toen, “wij zullen zeer zeker noodlottige ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm[54]houden, dan zou je toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, niet waar?”“Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn … ik moet zijn … zooals u. Ik zal ook zoo wezen.”Oude man en meisje in het donker.“Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?”“Ja, ik versta het.”“Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze[55]ons zeker op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?”“Ja.”“Dan moet je tegen hem zeggen: ‘Wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is.’ Dat is heel lang, beste meid! Maar je kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?”“O ja,” antwoordde Maroessia. “Luister maar, ik zal ze eens herhalen!”Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.“Je bent een kleine schat!” zei de afgezant. “Maar laat ons nu voortmaken!”Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg zich daarin.Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in ’t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam in beweging.De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen …[56]

[Inhoud]IV.De vlucht.Wagen in het donker.Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet aan den oever boog zich voor den wind.“Wij moeten nu linksaf,” zei Maroessia.Twee minuten daarna betraden zij de steppe.Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna altijd beschermd door de boomen.Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen de frissche lucht van deze vlakte in.“Kijk dien kant eens uit!” zei Maroessia. “Dat zwarte[51]stipje daarginds is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens linksaf: daar zullen wij de ossen vinden.”“Laat ons dan nog eens linksaf slaan,” zei de afgezant.De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen het gezicht.De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets te zien was.“Blijf daar niet staan!” riep Maroessia hem toe; “u bent zoo lang, men zou u van verre zien.”Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.“’t Lijkt wel of jij vleugels hebt,” zei de afgezant tegen haar.“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje,” antwoordde het kind met een zekeren trots.Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, waar het huis van haar ouders stond.“Ziet u daar ginds wel?” zei ze. “Kijk eens voor mij; want mijn oogen zien op dit oogenblik niet goed,—het schijnt mij evenwel toe, dat alles er rustig is.”“Ja, ja,” zei de afgezant, “alles schijnt te zeggen: rust.”Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een kleine vallei omgaf.“Hier is het!” zei Maroessia. “Help mij nu, den boom van de deur te lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?”“Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!”De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van het kind.“Stil, stil,” zei Maroessia haastig. “Je moet mij heel bedaard volgen! Gauw maar!”[52]Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden haar gedwee.“Zij zijn veel grooter dan ik,” zei Maroessia lachend, “en toch zijn we even oud.”De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.De ossen waren er al spoedig voor gespannen.“Haast u!” zei Maroessia. “Waarom kijkt u mij zoo aan?”“Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!” zei de afgezant, “zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!”De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den grooten wagen, naast dezen reus van een man.“O, wat zou ik graag groot willen zijn!” zuchtte Maroessia. “Kijk! hier is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk mij maar eens aan!”Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik wilde of kon hij niets zeggen.Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.“Weet je den weg wel, Maroessia?” vroeg hij.“Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als je daar eenmaal bent, is ’t niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: ‘Het moet al een domoor zijn, die dezen weg niet weet te vinden.’ ”[53]“Ken je Kniesj?”“Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons.”“Zal hij je goed ontvangen?”“Dat weet ik niet … ik denk het wel?”“En als hij je eens slecht ontving?”“Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een vriend … O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn.”“Weet je wel, Maroessia!” vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine meisje strak aankeek, “weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?…”“Ja,” antwoordde Maroessia, “ik weet dat alles.”“Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn … Weet je dat wel?”“O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te woord staan: ik ben niet bang!”“Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!”“Nee,” zei Maroessia, “wij zullen eerst later sterven. U moet eerst in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als het zoo wezen moet!… maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!…”De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes “m’n lieve kind” noemde.“Maroessia!” zei hij toen, “wij zullen zeer zeker noodlottige ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm[54]houden, dan zou je toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, niet waar?”“Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn … ik moet zijn … zooals u. Ik zal ook zoo wezen.”Oude man en meisje in het donker.“Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?”“Ja, ik versta het.”“Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze[55]ons zeker op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?”“Ja.”“Dan moet je tegen hem zeggen: ‘Wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is.’ Dat is heel lang, beste meid! Maar je kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?”“O ja,” antwoordde Maroessia. “Luister maar, ik zal ze eens herhalen!”Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.“Je bent een kleine schat!” zei de afgezant. “Maar laat ons nu voortmaken!”Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg zich daarin.Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in ’t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam in beweging.De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen …[56]

IV.De vlucht.

Wagen in het donker.Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet aan den oever boog zich voor den wind.“Wij moeten nu linksaf,” zei Maroessia.Twee minuten daarna betraden zij de steppe.Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna altijd beschermd door de boomen.Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen de frissche lucht van deze vlakte in.“Kijk dien kant eens uit!” zei Maroessia. “Dat zwarte[51]stipje daarginds is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens linksaf: daar zullen wij de ossen vinden.”“Laat ons dan nog eens linksaf slaan,” zei de afgezant.De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen het gezicht.De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets te zien was.“Blijf daar niet staan!” riep Maroessia hem toe; “u bent zoo lang, men zou u van verre zien.”Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.“’t Lijkt wel of jij vleugels hebt,” zei de afgezant tegen haar.“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje,” antwoordde het kind met een zekeren trots.Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, waar het huis van haar ouders stond.“Ziet u daar ginds wel?” zei ze. “Kijk eens voor mij; want mijn oogen zien op dit oogenblik niet goed,—het schijnt mij evenwel toe, dat alles er rustig is.”“Ja, ja,” zei de afgezant, “alles schijnt te zeggen: rust.”Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een kleine vallei omgaf.“Hier is het!” zei Maroessia. “Help mij nu, den boom van de deur te lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?”“Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!”De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van het kind.“Stil, stil,” zei Maroessia haastig. “Je moet mij heel bedaard volgen! Gauw maar!”[52]Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden haar gedwee.“Zij zijn veel grooter dan ik,” zei Maroessia lachend, “en toch zijn we even oud.”De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.De ossen waren er al spoedig voor gespannen.“Haast u!” zei Maroessia. “Waarom kijkt u mij zoo aan?”“Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!” zei de afgezant, “zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!”De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den grooten wagen, naast dezen reus van een man.“O, wat zou ik graag groot willen zijn!” zuchtte Maroessia. “Kijk! hier is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk mij maar eens aan!”Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik wilde of kon hij niets zeggen.Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.“Weet je den weg wel, Maroessia?” vroeg hij.“Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als je daar eenmaal bent, is ’t niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: ‘Het moet al een domoor zijn, die dezen weg niet weet te vinden.’ ”[53]“Ken je Kniesj?”“Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons.”“Zal hij je goed ontvangen?”“Dat weet ik niet … ik denk het wel?”“En als hij je eens slecht ontving?”“Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een vriend … O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn.”“Weet je wel, Maroessia!” vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine meisje strak aankeek, “weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?…”“Ja,” antwoordde Maroessia, “ik weet dat alles.”“Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn … Weet je dat wel?”“O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te woord staan: ik ben niet bang!”“Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!”“Nee,” zei Maroessia, “wij zullen eerst later sterven. U moet eerst in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als het zoo wezen moet!… maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!…”De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes “m’n lieve kind” noemde.“Maroessia!” zei hij toen, “wij zullen zeer zeker noodlottige ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm[54]houden, dan zou je toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, niet waar?”“Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn … ik moet zijn … zooals u. Ik zal ook zoo wezen.”Oude man en meisje in het donker.“Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?”“Ja, ik versta het.”“Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze[55]ons zeker op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?”“Ja.”“Dan moet je tegen hem zeggen: ‘Wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is.’ Dat is heel lang, beste meid! Maar je kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?”“O ja,” antwoordde Maroessia. “Luister maar, ik zal ze eens herhalen!”Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.“Je bent een kleine schat!” zei de afgezant. “Maar laat ons nu voortmaken!”Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg zich daarin.Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in ’t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam in beweging.De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen …[56]

Wagen in het donker.

Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet aan den oever boog zich voor den wind.

“Wij moeten nu linksaf,” zei Maroessia.

Twee minuten daarna betraden zij de steppe.

Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna altijd beschermd door de boomen.

Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen de frissche lucht van deze vlakte in.

“Kijk dien kant eens uit!” zei Maroessia. “Dat zwarte[51]stipje daarginds is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens linksaf: daar zullen wij de ossen vinden.”

“Laat ons dan nog eens linksaf slaan,” zei de afgezant.

De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen het gezicht.

De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets te zien was.

“Blijf daar niet staan!” riep Maroessia hem toe; “u bent zoo lang, men zou u van verre zien.”

Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.

“’t Lijkt wel of jij vleugels hebt,” zei de afgezant tegen haar.

“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje,” antwoordde het kind met een zekeren trots.

Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, waar het huis van haar ouders stond.

“Ziet u daar ginds wel?” zei ze. “Kijk eens voor mij; want mijn oogen zien op dit oogenblik niet goed,—het schijnt mij evenwel toe, dat alles er rustig is.”

“Ja, ja,” zei de afgezant, “alles schijnt te zeggen: rust.”

Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een kleine vallei omgaf.

“Hier is het!” zei Maroessia. “Help mij nu, den boom van de deur te lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?”

“Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!”

De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van het kind.

“Stil, stil,” zei Maroessia haastig. “Je moet mij heel bedaard volgen! Gauw maar!”[52]

Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden haar gedwee.

“Zij zijn veel grooter dan ik,” zei Maroessia lachend, “en toch zijn we even oud.”

De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.

De ossen waren er al spoedig voor gespannen.

“Haast u!” zei Maroessia. “Waarom kijkt u mij zoo aan?”

“Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!” zei de afgezant, “zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!”

De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den grooten wagen, naast dezen reus van een man.

“O, wat zou ik graag groot willen zijn!” zuchtte Maroessia. “Kijk! hier is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk mij maar eens aan!”

Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.

De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik wilde of kon hij niets zeggen.

Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.

“Weet je den weg wel, Maroessia?” vroeg hij.

“Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als je daar eenmaal bent, is ’t niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: ‘Het moet al een domoor zijn, die dezen weg niet weet te vinden.’ ”[53]

“Ken je Kniesj?”

“Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons.”

“Zal hij je goed ontvangen?”

“Dat weet ik niet … ik denk het wel?”

“En als hij je eens slecht ontving?”

“Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een vriend … O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn.”

“Weet je wel, Maroessia!” vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine meisje strak aankeek, “weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?…”

“Ja,” antwoordde Maroessia, “ik weet dat alles.”

“Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn … Weet je dat wel?”

“O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te woord staan: ik ben niet bang!”

“Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!”

“Nee,” zei Maroessia, “wij zullen eerst later sterven. U moet eerst in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als het zoo wezen moet!… maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!…”

De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes “m’n lieve kind” noemde.

“Maroessia!” zei hij toen, “wij zullen zeer zeker noodlottige ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm[54]houden, dan zou je toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, niet waar?”

“Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn … ik moet zijn … zooals u. Ik zal ook zoo wezen.”

Oude man en meisje in het donker.

“Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?”

“Ja, ik versta het.”

“Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze[55]ons zeker op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?”

“Ja.”

“Dan moet je tegen hem zeggen: ‘Wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is.’ Dat is heel lang, beste meid! Maar je kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?”

“O ja,” antwoordde Maroessia. “Luister maar, ik zal ze eens herhalen!”

Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.

“Je bent een kleine schat!” zei de afgezant. “Maar laat ons nu voortmaken!”

Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg zich daarin.

Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in ’t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam in beweging.

De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen …[56]


Back to IndexNext