[Inhoud]V.Een ontmoeting.Soldaten te paard.Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij liepen toch niet harder.Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij zoo gemakkelijk beefde. Wat[57]haarzelf betrof, was zij onverschrokken, maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:[58]“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Verschuil u goed! Daar komen menschen!”Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een afdeeling Russische ruiters den wagen.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?” riepen verscheidene barsche stemmen.“Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane,” antwoordde Maroessia.“Laat je ossen dan stilstaan!” riep een officier haar toe.Maroessia liet de ossen stilstaan.“Waar kom je vandaan?”“Van ons vandaan.”“Wat bedoel je daarmee?”“Niet ver van dien kant af.”“En waar ga je naar toe?”“Ik ga naar baas Kniesj toe.”“Wie is Kniesj?”“Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, en ik breng den wagen naar hem toe.”“Wat heb ik je gezegd, beste vriend?” zei een andere officier. “Het is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders en ontsnapte gevangenen.”“Wat zullen wij met onze vangst doen?… Beste meid! wil je je bij het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen.”“Dit hooi,” antwoordde de eerste officier, “is toch niet te versmaden.” En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:“Is het huis van dien Kniesj nog veraf?”“Nog al …”“Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen loopen, in één uur of in twee kunnen komen?”“In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie.”“Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het huis van dien man vergezelden; en als hij op dit[59]hooi gesteld is, dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?”“Hij heeft een grooten tuin en veel appelen.”“Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen … Maar komaan! laat ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn.”De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad volgde hem, terwijl hij bromde:“Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?”“Voorwaarts, meisje!” zeiden de soldaten tegen Maroessia. “Voorwaarts!”De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. “Hoevelen van de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?” vroeg het kind bij zichzelf. “Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten van enkelen zijn somber … Misschien hebben zij niet allemaal een hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden geen medelijden hebben!”Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door de frissche morgenkoelte. De paarden[60]van de ruiterafdeeling liepen met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als …Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel met wantrouwen.Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren was. Maar zij zeibijzich zelf:“Ik moet zijn—zooals hij!”En zij vatte weder moed.De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, waarmee zij reden, slaperig te worden.Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?“Ik zal hem ook aankijken,” besloot Maroessia bij zich zelf.En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar blikken op hem.De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander gezicht had.Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:“Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo’n zware taak kunnen kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo onveilig zijn?”[61]“Leven je vader en je moeder nog, beste meid?” vroeg hij haar eindelijk.Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine gesproken wordt.Soldaat met bontmuts en grote snor.“Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?”“Ja, Goddank!” antwoordde Maroessia.“Allebei?”“Allebei.”Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen,[62]waarvan hij de oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de oogen. Maar zij moest zijn—zooals hij.Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, maar toch met een glimlach om de lippen:“En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?”Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen voldoende was om hem zacht te stemmen?“Ja, ik heb een dochtertje,” antwoordde hij eindelijk.“En is dat dochtertje al groot?” vroeg Maroessia.Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.“Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot,” antwoordde hij.Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan den gezichteinder. Een klein vogeltje deed[63]een zacht gepiep hooren dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars vaders stond.Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.“Wie is dat schepseltje daar?” vroeg deze soldaat aan een van zijn kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.“Ze is niet grooter dan een notedop,” antwoordde een ander soldaat.“Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren.”“Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels vreest!” vervolgde de eerste.“Daar heeft zij gelijk in,” voegde de derde er bij. “Welke kogel zou voor zoo’n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?”“Ik ken de Ukrainiërs,” hernam de eerstgenoemde; “men kan niet zeggen, dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe zij in staat zijn: het[64]kanon buldert, het geweervuur knettert, het bloed vloeit bij stroomen … zij komen op het slagveld, zij loopen er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een tuin wandelden en daar rozen plukten!”“Zij sterven dan ook bij duizenden!” zei een ander.“Och! wij sterven allen op de een of andere manier,” antwoordde iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter twee reusachtige soldaten verscholen was. “Ja, op de een of andere manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar wie kent dat meisje?”Een paar geweerschoten verbraken de stilte …Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden blik naar den horizon.De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de oorzaak ervan eens was.“Het is van onzen kant!” riep de jonge officier uit. “Er is geen twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren.”“Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!”Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van het hooi in orde te brengen.“Vooruit maar, kleine meid!” zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn pijp opstak.[65]“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.[66]“Kom, schiet een beetje op!” herhaalde hij op een strengeren toon.Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn pijp rookte en voor zich keek.Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel verwoest waren.Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen begraven liggen.Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen drong door de frissche morgenlucht heen.Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een[67]in brand gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en schoffels.Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.[68]
[Inhoud]V.Een ontmoeting.Soldaten te paard.Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij liepen toch niet harder.Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij zoo gemakkelijk beefde. Wat[57]haarzelf betrof, was zij onverschrokken, maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:[58]“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Verschuil u goed! Daar komen menschen!”Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een afdeeling Russische ruiters den wagen.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?” riepen verscheidene barsche stemmen.“Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane,” antwoordde Maroessia.“Laat je ossen dan stilstaan!” riep een officier haar toe.Maroessia liet de ossen stilstaan.“Waar kom je vandaan?”“Van ons vandaan.”“Wat bedoel je daarmee?”“Niet ver van dien kant af.”“En waar ga je naar toe?”“Ik ga naar baas Kniesj toe.”“Wie is Kniesj?”“Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, en ik breng den wagen naar hem toe.”“Wat heb ik je gezegd, beste vriend?” zei een andere officier. “Het is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders en ontsnapte gevangenen.”“Wat zullen wij met onze vangst doen?… Beste meid! wil je je bij het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen.”“Dit hooi,” antwoordde de eerste officier, “is toch niet te versmaden.” En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:“Is het huis van dien Kniesj nog veraf?”“Nog al …”“Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen loopen, in één uur of in twee kunnen komen?”“In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie.”“Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het huis van dien man vergezelden; en als hij op dit[59]hooi gesteld is, dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?”“Hij heeft een grooten tuin en veel appelen.”“Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen … Maar komaan! laat ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn.”De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad volgde hem, terwijl hij bromde:“Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?”“Voorwaarts, meisje!” zeiden de soldaten tegen Maroessia. “Voorwaarts!”De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. “Hoevelen van de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?” vroeg het kind bij zichzelf. “Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten van enkelen zijn somber … Misschien hebben zij niet allemaal een hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden geen medelijden hebben!”Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door de frissche morgenkoelte. De paarden[60]van de ruiterafdeeling liepen met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als …Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel met wantrouwen.Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren was. Maar zij zeibijzich zelf:“Ik moet zijn—zooals hij!”En zij vatte weder moed.De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, waarmee zij reden, slaperig te worden.Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?“Ik zal hem ook aankijken,” besloot Maroessia bij zich zelf.En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar blikken op hem.De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander gezicht had.Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:“Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo’n zware taak kunnen kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo onveilig zijn?”[61]“Leven je vader en je moeder nog, beste meid?” vroeg hij haar eindelijk.Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine gesproken wordt.Soldaat met bontmuts en grote snor.“Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?”“Ja, Goddank!” antwoordde Maroessia.“Allebei?”“Allebei.”Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen,[62]waarvan hij de oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de oogen. Maar zij moest zijn—zooals hij.Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, maar toch met een glimlach om de lippen:“En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?”Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen voldoende was om hem zacht te stemmen?“Ja, ik heb een dochtertje,” antwoordde hij eindelijk.“En is dat dochtertje al groot?” vroeg Maroessia.Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.“Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot,” antwoordde hij.Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan den gezichteinder. Een klein vogeltje deed[63]een zacht gepiep hooren dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars vaders stond.Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.“Wie is dat schepseltje daar?” vroeg deze soldaat aan een van zijn kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.“Ze is niet grooter dan een notedop,” antwoordde een ander soldaat.“Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren.”“Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels vreest!” vervolgde de eerste.“Daar heeft zij gelijk in,” voegde de derde er bij. “Welke kogel zou voor zoo’n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?”“Ik ken de Ukrainiërs,” hernam de eerstgenoemde; “men kan niet zeggen, dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe zij in staat zijn: het[64]kanon buldert, het geweervuur knettert, het bloed vloeit bij stroomen … zij komen op het slagveld, zij loopen er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een tuin wandelden en daar rozen plukten!”“Zij sterven dan ook bij duizenden!” zei een ander.“Och! wij sterven allen op de een of andere manier,” antwoordde iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter twee reusachtige soldaten verscholen was. “Ja, op de een of andere manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar wie kent dat meisje?”Een paar geweerschoten verbraken de stilte …Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden blik naar den horizon.De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de oorzaak ervan eens was.“Het is van onzen kant!” riep de jonge officier uit. “Er is geen twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren.”“Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!”Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van het hooi in orde te brengen.“Vooruit maar, kleine meid!” zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn pijp opstak.[65]“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.[66]“Kom, schiet een beetje op!” herhaalde hij op een strengeren toon.Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn pijp rookte en voor zich keek.Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel verwoest waren.Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen begraven liggen.Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen drong door de frissche morgenlucht heen.Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een[67]in brand gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en schoffels.Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.[68]
V.Een ontmoeting.
Soldaten te paard.Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij liepen toch niet harder.Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij zoo gemakkelijk beefde. Wat[57]haarzelf betrof, was zij onverschrokken, maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:[58]“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Verschuil u goed! Daar komen menschen!”Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een afdeeling Russische ruiters den wagen.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?” riepen verscheidene barsche stemmen.“Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane,” antwoordde Maroessia.“Laat je ossen dan stilstaan!” riep een officier haar toe.Maroessia liet de ossen stilstaan.“Waar kom je vandaan?”“Van ons vandaan.”“Wat bedoel je daarmee?”“Niet ver van dien kant af.”“En waar ga je naar toe?”“Ik ga naar baas Kniesj toe.”“Wie is Kniesj?”“Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, en ik breng den wagen naar hem toe.”“Wat heb ik je gezegd, beste vriend?” zei een andere officier. “Het is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders en ontsnapte gevangenen.”“Wat zullen wij met onze vangst doen?… Beste meid! wil je je bij het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen.”“Dit hooi,” antwoordde de eerste officier, “is toch niet te versmaden.” En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:“Is het huis van dien Kniesj nog veraf?”“Nog al …”“Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen loopen, in één uur of in twee kunnen komen?”“In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie.”“Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het huis van dien man vergezelden; en als hij op dit[59]hooi gesteld is, dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?”“Hij heeft een grooten tuin en veel appelen.”“Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen … Maar komaan! laat ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn.”De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad volgde hem, terwijl hij bromde:“Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?”“Voorwaarts, meisje!” zeiden de soldaten tegen Maroessia. “Voorwaarts!”De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. “Hoevelen van de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?” vroeg het kind bij zichzelf. “Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten van enkelen zijn somber … Misschien hebben zij niet allemaal een hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden geen medelijden hebben!”Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door de frissche morgenkoelte. De paarden[60]van de ruiterafdeeling liepen met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als …Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel met wantrouwen.Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren was. Maar zij zeibijzich zelf:“Ik moet zijn—zooals hij!”En zij vatte weder moed.De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, waarmee zij reden, slaperig te worden.Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?“Ik zal hem ook aankijken,” besloot Maroessia bij zich zelf.En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar blikken op hem.De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander gezicht had.Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:“Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo’n zware taak kunnen kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo onveilig zijn?”[61]“Leven je vader en je moeder nog, beste meid?” vroeg hij haar eindelijk.Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine gesproken wordt.Soldaat met bontmuts en grote snor.“Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?”“Ja, Goddank!” antwoordde Maroessia.“Allebei?”“Allebei.”Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen,[62]waarvan hij de oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de oogen. Maar zij moest zijn—zooals hij.Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, maar toch met een glimlach om de lippen:“En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?”Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen voldoende was om hem zacht te stemmen?“Ja, ik heb een dochtertje,” antwoordde hij eindelijk.“En is dat dochtertje al groot?” vroeg Maroessia.Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.“Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot,” antwoordde hij.Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan den gezichteinder. Een klein vogeltje deed[63]een zacht gepiep hooren dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars vaders stond.Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.“Wie is dat schepseltje daar?” vroeg deze soldaat aan een van zijn kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.“Ze is niet grooter dan een notedop,” antwoordde een ander soldaat.“Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren.”“Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels vreest!” vervolgde de eerste.“Daar heeft zij gelijk in,” voegde de derde er bij. “Welke kogel zou voor zoo’n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?”“Ik ken de Ukrainiërs,” hernam de eerstgenoemde; “men kan niet zeggen, dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe zij in staat zijn: het[64]kanon buldert, het geweervuur knettert, het bloed vloeit bij stroomen … zij komen op het slagveld, zij loopen er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een tuin wandelden en daar rozen plukten!”“Zij sterven dan ook bij duizenden!” zei een ander.“Och! wij sterven allen op de een of andere manier,” antwoordde iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter twee reusachtige soldaten verscholen was. “Ja, op de een of andere manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar wie kent dat meisje?”Een paar geweerschoten verbraken de stilte …Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden blik naar den horizon.De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de oorzaak ervan eens was.“Het is van onzen kant!” riep de jonge officier uit. “Er is geen twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren.”“Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!”Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van het hooi in orde te brengen.“Vooruit maar, kleine meid!” zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn pijp opstak.[65]“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.[66]“Kom, schiet een beetje op!” herhaalde hij op een strengeren toon.Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn pijp rookte en voor zich keek.Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel verwoest waren.Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen begraven liggen.Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen drong door de frissche morgenlucht heen.Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een[67]in brand gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en schoffels.Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.[68]
Soldaten te paard.
Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij liepen toch niet harder.
Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.
Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij zoo gemakkelijk beefde. Wat[57]
haarzelf betrof, was zij onverschrokken, maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:[58]
“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.
“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.
“Verschuil u goed! Daar komen menschen!”
Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een afdeeling Russische ruiters den wagen.
“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?” riepen verscheidene barsche stemmen.
“Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane,” antwoordde Maroessia.
“Laat je ossen dan stilstaan!” riep een officier haar toe.
Maroessia liet de ossen stilstaan.
“Waar kom je vandaan?”
“Van ons vandaan.”
“Wat bedoel je daarmee?”
“Niet ver van dien kant af.”
“En waar ga je naar toe?”
“Ik ga naar baas Kniesj toe.”
“Wie is Kniesj?”
“Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, en ik breng den wagen naar hem toe.”
“Wat heb ik je gezegd, beste vriend?” zei een andere officier. “Het is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders en ontsnapte gevangenen.”
“Wat zullen wij met onze vangst doen?… Beste meid! wil je je bij het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen.”
“Dit hooi,” antwoordde de eerste officier, “is toch niet te versmaden.” En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:
“Is het huis van dien Kniesj nog veraf?”
“Nog al …”
“Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen loopen, in één uur of in twee kunnen komen?”
“In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie.”
“Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het huis van dien man vergezelden; en als hij op dit[59]hooi gesteld is, dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?”
“Hij heeft een grooten tuin en veel appelen.”
“Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen … Maar komaan! laat ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn.”
De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad volgde hem, terwijl hij bromde:
“Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?”
“Voorwaarts, meisje!” zeiden de soldaten tegen Maroessia. “Voorwaarts!”
De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.
Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.
Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. “Hoevelen van de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?” vroeg het kind bij zichzelf. “Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten van enkelen zijn somber … Misschien hebben zij niet allemaal een hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden geen medelijden hebben!”
Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door de frissche morgenkoelte. De paarden[60]van de ruiterafdeeling liepen met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als …
Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel met wantrouwen.
Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren was. Maar zij zeibijzich zelf:
“Ik moet zijn—zooals hij!”
En zij vatte weder moed.
De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, waarmee zij reden, slaperig te worden.
Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?
“Ik zal hem ook aankijken,” besloot Maroessia bij zich zelf.
En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar blikken op hem.
De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander gezicht had.
Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:
“Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo’n zware taak kunnen kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo onveilig zijn?”[61]
“Leven je vader en je moeder nog, beste meid?” vroeg hij haar eindelijk.
Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine gesproken wordt.
Soldaat met bontmuts en grote snor.
“Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?”
“Ja, Goddank!” antwoordde Maroessia.
“Allebei?”
“Allebei.”
Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen,[62]waarvan hij de oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.
Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de oogen. Maar zij moest zijn—zooals hij.
Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, maar toch met een glimlach om de lippen:
“En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?”
Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.
Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen voldoende was om hem zacht te stemmen?
“Ja, ik heb een dochtertje,” antwoordde hij eindelijk.
“En is dat dochtertje al groot?” vroeg Maroessia.
Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.
“Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot,” antwoordde hij.
Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.
Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan den gezichteinder. Een klein vogeltje deed[63]een zacht gepiep hooren dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.
Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars vaders stond.
Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.
Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.
“Wie is dat schepseltje daar?” vroeg deze soldaat aan een van zijn kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.
“Ze is niet grooter dan een notedop,” antwoordde een ander soldaat.
“Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren.”
“Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels vreest!” vervolgde de eerste.
“Daar heeft zij gelijk in,” voegde de derde er bij. “Welke kogel zou voor zoo’n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?”
“Ik ken de Ukrainiërs,” hernam de eerstgenoemde; “men kan niet zeggen, dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe zij in staat zijn: het[64]kanon buldert, het geweervuur knettert, het bloed vloeit bij stroomen … zij komen op het slagveld, zij loopen er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een tuin wandelden en daar rozen plukten!”
“Zij sterven dan ook bij duizenden!” zei een ander.
“Och! wij sterven allen op de een of andere manier,” antwoordde iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter twee reusachtige soldaten verscholen was. “Ja, op de een of andere manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar wie kent dat meisje?”
Een paar geweerschoten verbraken de stilte …
Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden blik naar den horizon.
De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de oorzaak ervan eens was.
“Het is van onzen kant!” riep de jonge officier uit. “Er is geen twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren.”
“Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!”
Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.
Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van het hooi in orde te brengen.
“Vooruit maar, kleine meid!” zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn pijp opstak.[65]
“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.
“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.
Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.[66]
“Kom, schiet een beetje op!” herhaalde hij op een strengeren toon.
Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.
De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn pijp rookte en voor zich keek.
Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel verwoest waren.
Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.
De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen begraven liggen.
Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.
Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen drong door de frissche morgenlucht heen.
Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een[67]in brand gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.
Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.
Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.
Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.
De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en schoffels.
Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.[68]