IX.

[Inhoud]IX.De ware Kniesj.Oude man met meisje en hond.Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van Maroessia zich naar den ouden boer.Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen de brandende stralen der zon te beschutten.Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep[93]heel zachtjes, zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis mocht gekomen zijn, wil herstellen.“Grootvader!” zei Taras, die achter hem liep, “zeg eens, waar de vijand gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar …”“Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?” zei de oude boer vriendelijk, terwijl hij bleef staan en goedaardig met z’n hoofd schudde:“Heb je veel pleizier in den tuin gehad?” vervolgde hij. “Zijn jullie moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee.”En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van den ouden kozak afwenden.“Grootvader! luister eens naar mij!” zei Taras, toen hij zijn honger gestild had. “Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd is. Niet waar, grootvader?”[94]“Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook,” antwoordde de vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals een stuk pastei gaf. “Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?”“Ik heb die netten heelemaal vergeten!” riep Taras uit, “geen oogenblik heb ik er aan gedacht!”“Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!” zei Kniesj glimlachende.“Ik ga er dadelijk naar toe!” besloot Taras plotseling; en nadat hij de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo’n zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.“Maroessia!” zei hij tegen haar. “Je vriend wenscht je te zien.[95]Hij is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?”De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk gegeven om hem te volgen.Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn schrandere oogen op den boer gevestigd hield.“Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?” zei Kniesj tegen den trouwen bewaker van zijn huis.Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk zeide: “Wees maar gerust!” En ten bewijze, dat alles in de omstreken inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, die den toegang tot een provisiekamer verleende.Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in flesschen, appelen, peren, de stapels[96]eieren, de flesschen, die voor de ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.Oude man met hond voor hooiwagen.Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen onmogelijk om zich een doortocht te banen.“Sla linksaf!” zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch gewelf scheen te voeren.“Loop zachtjes, beste meid,” zei Kniesj, “kijk goed waar je je voeten neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig.”[97]“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.[98]

[Inhoud]IX.De ware Kniesj.Oude man met meisje en hond.Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van Maroessia zich naar den ouden boer.Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen de brandende stralen der zon te beschutten.Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep[93]heel zachtjes, zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis mocht gekomen zijn, wil herstellen.“Grootvader!” zei Taras, die achter hem liep, “zeg eens, waar de vijand gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar …”“Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?” zei de oude boer vriendelijk, terwijl hij bleef staan en goedaardig met z’n hoofd schudde:“Heb je veel pleizier in den tuin gehad?” vervolgde hij. “Zijn jullie moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee.”En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van den ouden kozak afwenden.“Grootvader! luister eens naar mij!” zei Taras, toen hij zijn honger gestild had. “Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd is. Niet waar, grootvader?”[94]“Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook,” antwoordde de vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals een stuk pastei gaf. “Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?”“Ik heb die netten heelemaal vergeten!” riep Taras uit, “geen oogenblik heb ik er aan gedacht!”“Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!” zei Kniesj glimlachende.“Ik ga er dadelijk naar toe!” besloot Taras plotseling; en nadat hij de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo’n zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.“Maroessia!” zei hij tegen haar. “Je vriend wenscht je te zien.[95]Hij is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?”De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk gegeven om hem te volgen.Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn schrandere oogen op den boer gevestigd hield.“Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?” zei Kniesj tegen den trouwen bewaker van zijn huis.Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk zeide: “Wees maar gerust!” En ten bewijze, dat alles in de omstreken inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, die den toegang tot een provisiekamer verleende.Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in flesschen, appelen, peren, de stapels[96]eieren, de flesschen, die voor de ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.Oude man met hond voor hooiwagen.Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen onmogelijk om zich een doortocht te banen.“Sla linksaf!” zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch gewelf scheen te voeren.“Loop zachtjes, beste meid,” zei Kniesj, “kijk goed waar je je voeten neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig.”[97]“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.[98]

IX.De ware Kniesj.

Oude man met meisje en hond.Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van Maroessia zich naar den ouden boer.Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen de brandende stralen der zon te beschutten.Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep[93]heel zachtjes, zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis mocht gekomen zijn, wil herstellen.“Grootvader!” zei Taras, die achter hem liep, “zeg eens, waar de vijand gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar …”“Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?” zei de oude boer vriendelijk, terwijl hij bleef staan en goedaardig met z’n hoofd schudde:“Heb je veel pleizier in den tuin gehad?” vervolgde hij. “Zijn jullie moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee.”En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van den ouden kozak afwenden.“Grootvader! luister eens naar mij!” zei Taras, toen hij zijn honger gestild had. “Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd is. Niet waar, grootvader?”[94]“Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook,” antwoordde de vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals een stuk pastei gaf. “Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?”“Ik heb die netten heelemaal vergeten!” riep Taras uit, “geen oogenblik heb ik er aan gedacht!”“Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!” zei Kniesj glimlachende.“Ik ga er dadelijk naar toe!” besloot Taras plotseling; en nadat hij de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo’n zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.“Maroessia!” zei hij tegen haar. “Je vriend wenscht je te zien.[95]Hij is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?”De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk gegeven om hem te volgen.Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn schrandere oogen op den boer gevestigd hield.“Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?” zei Kniesj tegen den trouwen bewaker van zijn huis.Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk zeide: “Wees maar gerust!” En ten bewijze, dat alles in de omstreken inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, die den toegang tot een provisiekamer verleende.Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in flesschen, appelen, peren, de stapels[96]eieren, de flesschen, die voor de ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.Oude man met hond voor hooiwagen.Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen onmogelijk om zich een doortocht te banen.“Sla linksaf!” zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch gewelf scheen te voeren.“Loop zachtjes, beste meid,” zei Kniesj, “kijk goed waar je je voeten neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig.”[97]“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.[98]

Oude man met meisje en hond.

Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van Maroessia zich naar den ouden boer.

Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen de brandende stralen der zon te beschutten.

Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep[93]heel zachtjes, zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis mocht gekomen zijn, wil herstellen.

“Grootvader!” zei Taras, die achter hem liep, “zeg eens, waar de vijand gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar …”

“Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?” zei de oude boer vriendelijk, terwijl hij bleef staan en goedaardig met z’n hoofd schudde:

“Heb je veel pleizier in den tuin gehad?” vervolgde hij. “Zijn jullie moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee.”

En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.

Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!

Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van den ouden kozak afwenden.

“Grootvader! luister eens naar mij!” zei Taras, toen hij zijn honger gestild had. “Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd is. Niet waar, grootvader?”[94]

“Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook,” antwoordde de vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals een stuk pastei gaf. “Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?”

“Ik heb die netten heelemaal vergeten!” riep Taras uit, “geen oogenblik heb ik er aan gedacht!”

“Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!” zei Kniesj glimlachende.

“Ik ga er dadelijk naar toe!” besloot Taras plotseling; en nadat hij de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.

Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo’n zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.

In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.

Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.

“Maroessia!” zei hij tegen haar. “Je vriend wenscht je te zien.[95]Hij is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?”

De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk gegeven om hem te volgen.

Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.

Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn schrandere oogen op den boer gevestigd hield.

“Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?” zei Kniesj tegen den trouwen bewaker van zijn huis.

Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk zeide: “Wees maar gerust!” En ten bewijze, dat alles in de omstreken inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, die den toegang tot een provisiekamer verleende.

Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.

De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in flesschen, appelen, peren, de stapels[96]eieren, de flesschen, die voor de ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.

Oude man met hond voor hooiwagen.

Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen onmogelijk om zich een doortocht te banen.

“Sla linksaf!” zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch gewelf scheen te voeren.

“Loop zachtjes, beste meid,” zei Kniesj, “kijk goed waar je je voeten neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig.”[97]

“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.

“Alles voor het vaderland!” Blz. 106.

[98]


Back to IndexNext