[Inhoud]X.Het weerzien.Twee mannen, waarvan een met luit, en meisje liggend op de grond.Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen kelder doorgedrongen.Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de onderste trede.Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen door een gang, waarin het een tijdlang donker[99]bleef. Bij een kromming drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam geworden, wachtte hij hen op.“Maroessia, mijn kleine raadgeefster!” zei hij, terwijl hij zich naar het kind vooroverboog, “wat ben ik gelukkig, je weer te zien.”Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in zijn groote hand.“Ach!” zei ze toen, “wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid van dezen kelder struikelde!”“Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,” antwoordde de afgezant, “maar ik was bang voor mijn geleidster.”“Laat ons een beetje verder gaan,” viel Kniesj hem in de rede, “wij zullen daar nog veiliger zijn.”Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er op het voorplein en in den tuin voorviel.“Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd,” zei Kniesj tegen dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.“Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn,” gaf deze hem ten antwoord.“Kies dan maar!” zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van wapenen en van kleeren, dat de vrouw[100]van den struikroover in het onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.“Dat,” zei hij opgeruimd, “is juist goed voor mij. Laat ons nu eens iets zoeken, dat het best voor Maroessia is.”“Zal Maroessia u dan vergezellen?” vroeg Kniesj, terwijl hij een ouden mantel in z’n handen nam.Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin verontwaardiging en toorn te lezen stonden.“Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel van zeggen” (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), “als ik mijn taak slechts half volbracht?”“Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?” hernam Kniesj; “weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?”“Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?”“Je bent een dapper meisje!” riep Kniesj uit … “Laat mij je eens omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!”“Als Taras van mijn leeftijd was,” zei Maroessia, “dan zou hij precies hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?”[101]“Dat is waar,” zei Kniesj. “Hij denkt nu al aan niets anders dan dat.”De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,—het was er om te doen, Maroessia te vermommen;—niets beviel hem echter, hij wierp alles weer op den grond.“De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!… Dit is afschuwelijk,” zei hij, “en dat is nog afschuwelijker.”Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden gepast hebben, en legde ze ter zijde.“Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet,” zei hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.“Ik moet er wel als een bedelares uitzien,” zei zij. “Het zal misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij.”Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares gekleed, terug.Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.“Wat een knappe grijsaard!” zei Kniesj. “Het is je grootvader, Maroessia.”“Het is de vriend van de Ukraine,” zei het kind. “Kom, laat ons vertrekken!”De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.“De meeningen zijn nog al uiteenloopend,” zei hij; “overal[102]heerscht verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de menschen. De eigenliefde is er bij in ’t spel. De vrouwen zijn eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden om goed te doen. ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,’ dat zeggen onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze ontketende hartstochten weet te bedwingen!”“Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?”“Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, schoone kleuren.”“En de ander?”“Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken.”“Is niemand der onzen bij hem?”“Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, zoo’n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, die misschien een engel is … en die zeker op den een of anderen dag als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken.”“Dus,” zei Tsjetsjewiek, “zou onze hetman ontmoedigd zijn?”“Dat is zoo.”“Wie zijn z’n raadslieden?”[103]“Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend.”“Dat doet er niet toe,” zei de oude muzikant, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. “Ik moet dat alles van nabij zien. Ik zal er zelf naar toe gaan.”Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken blik op hem sloeg:Meisje dat trap afloopt in richting van man met snor.“Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen.”“Spreek op, beste meid.”Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders uitbrengen dan:“Zult u aan mijn vader … zult u aan mijn lieve moeder zeggen …”[104]De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.Eindelijk hernam zij met vaste stem:“Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,—aan haar broertjes ook,—aan hen en aan de Ukraine.”“Beste meid,” zei de oude boer, “ik hoop dat ik die droeve boodschap nooit hoef over te brengen. Houd moed m’n kind.”Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.“Komaan, het is tijd om te vertrekken,” zei hij. “Ik zal jullie een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis terugkeeren.”Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op zoo’n zware proef gesteld had.Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, die elkaar niets meer te zeggen hebben.Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen te letten dan op het stof van den weg.Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen had. Hij zong met een zachte[105]stem een eentonig lied, een soort van avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn gezang in slaap was[106]gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit viertal woorden uit: “Alles voor het vaderland!”Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.[107]
[Inhoud]X.Het weerzien.Twee mannen, waarvan een met luit, en meisje liggend op de grond.Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen kelder doorgedrongen.Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de onderste trede.Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen door een gang, waarin het een tijdlang donker[99]bleef. Bij een kromming drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam geworden, wachtte hij hen op.“Maroessia, mijn kleine raadgeefster!” zei hij, terwijl hij zich naar het kind vooroverboog, “wat ben ik gelukkig, je weer te zien.”Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in zijn groote hand.“Ach!” zei ze toen, “wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid van dezen kelder struikelde!”“Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,” antwoordde de afgezant, “maar ik was bang voor mijn geleidster.”“Laat ons een beetje verder gaan,” viel Kniesj hem in de rede, “wij zullen daar nog veiliger zijn.”Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er op het voorplein en in den tuin voorviel.“Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd,” zei Kniesj tegen dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.“Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn,” gaf deze hem ten antwoord.“Kies dan maar!” zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van wapenen en van kleeren, dat de vrouw[100]van den struikroover in het onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.“Dat,” zei hij opgeruimd, “is juist goed voor mij. Laat ons nu eens iets zoeken, dat het best voor Maroessia is.”“Zal Maroessia u dan vergezellen?” vroeg Kniesj, terwijl hij een ouden mantel in z’n handen nam.Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin verontwaardiging en toorn te lezen stonden.“Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel van zeggen” (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), “als ik mijn taak slechts half volbracht?”“Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?” hernam Kniesj; “weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?”“Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?”“Je bent een dapper meisje!” riep Kniesj uit … “Laat mij je eens omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!”“Als Taras van mijn leeftijd was,” zei Maroessia, “dan zou hij precies hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?”[101]“Dat is waar,” zei Kniesj. “Hij denkt nu al aan niets anders dan dat.”De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,—het was er om te doen, Maroessia te vermommen;—niets beviel hem echter, hij wierp alles weer op den grond.“De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!… Dit is afschuwelijk,” zei hij, “en dat is nog afschuwelijker.”Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden gepast hebben, en legde ze ter zijde.“Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet,” zei hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.“Ik moet er wel als een bedelares uitzien,” zei zij. “Het zal misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij.”Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares gekleed, terug.Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.“Wat een knappe grijsaard!” zei Kniesj. “Het is je grootvader, Maroessia.”“Het is de vriend van de Ukraine,” zei het kind. “Kom, laat ons vertrekken!”De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.“De meeningen zijn nog al uiteenloopend,” zei hij; “overal[102]heerscht verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de menschen. De eigenliefde is er bij in ’t spel. De vrouwen zijn eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden om goed te doen. ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,’ dat zeggen onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze ontketende hartstochten weet te bedwingen!”“Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?”“Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, schoone kleuren.”“En de ander?”“Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken.”“Is niemand der onzen bij hem?”“Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, zoo’n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, die misschien een engel is … en die zeker op den een of anderen dag als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken.”“Dus,” zei Tsjetsjewiek, “zou onze hetman ontmoedigd zijn?”“Dat is zoo.”“Wie zijn z’n raadslieden?”[103]“Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend.”“Dat doet er niet toe,” zei de oude muzikant, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. “Ik moet dat alles van nabij zien. Ik zal er zelf naar toe gaan.”Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken blik op hem sloeg:Meisje dat trap afloopt in richting van man met snor.“Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen.”“Spreek op, beste meid.”Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders uitbrengen dan:“Zult u aan mijn vader … zult u aan mijn lieve moeder zeggen …”[104]De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.Eindelijk hernam zij met vaste stem:“Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,—aan haar broertjes ook,—aan hen en aan de Ukraine.”“Beste meid,” zei de oude boer, “ik hoop dat ik die droeve boodschap nooit hoef over te brengen. Houd moed m’n kind.”Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.“Komaan, het is tijd om te vertrekken,” zei hij. “Ik zal jullie een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis terugkeeren.”Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op zoo’n zware proef gesteld had.Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, die elkaar niets meer te zeggen hebben.Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen te letten dan op het stof van den weg.Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen had. Hij zong met een zachte[105]stem een eentonig lied, een soort van avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn gezang in slaap was[106]gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit viertal woorden uit: “Alles voor het vaderland!”Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.[107]
X.Het weerzien.
Twee mannen, waarvan een met luit, en meisje liggend op de grond.Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen kelder doorgedrongen.Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de onderste trede.Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen door een gang, waarin het een tijdlang donker[99]bleef. Bij een kromming drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam geworden, wachtte hij hen op.“Maroessia, mijn kleine raadgeefster!” zei hij, terwijl hij zich naar het kind vooroverboog, “wat ben ik gelukkig, je weer te zien.”Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in zijn groote hand.“Ach!” zei ze toen, “wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid van dezen kelder struikelde!”“Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,” antwoordde de afgezant, “maar ik was bang voor mijn geleidster.”“Laat ons een beetje verder gaan,” viel Kniesj hem in de rede, “wij zullen daar nog veiliger zijn.”Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er op het voorplein en in den tuin voorviel.“Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd,” zei Kniesj tegen dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.“Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn,” gaf deze hem ten antwoord.“Kies dan maar!” zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van wapenen en van kleeren, dat de vrouw[100]van den struikroover in het onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.“Dat,” zei hij opgeruimd, “is juist goed voor mij. Laat ons nu eens iets zoeken, dat het best voor Maroessia is.”“Zal Maroessia u dan vergezellen?” vroeg Kniesj, terwijl hij een ouden mantel in z’n handen nam.Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin verontwaardiging en toorn te lezen stonden.“Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel van zeggen” (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), “als ik mijn taak slechts half volbracht?”“Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?” hernam Kniesj; “weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?”“Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?”“Je bent een dapper meisje!” riep Kniesj uit … “Laat mij je eens omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!”“Als Taras van mijn leeftijd was,” zei Maroessia, “dan zou hij precies hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?”[101]“Dat is waar,” zei Kniesj. “Hij denkt nu al aan niets anders dan dat.”De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,—het was er om te doen, Maroessia te vermommen;—niets beviel hem echter, hij wierp alles weer op den grond.“De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!… Dit is afschuwelijk,” zei hij, “en dat is nog afschuwelijker.”Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden gepast hebben, en legde ze ter zijde.“Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet,” zei hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.“Ik moet er wel als een bedelares uitzien,” zei zij. “Het zal misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij.”Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares gekleed, terug.Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.“Wat een knappe grijsaard!” zei Kniesj. “Het is je grootvader, Maroessia.”“Het is de vriend van de Ukraine,” zei het kind. “Kom, laat ons vertrekken!”De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.“De meeningen zijn nog al uiteenloopend,” zei hij; “overal[102]heerscht verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de menschen. De eigenliefde is er bij in ’t spel. De vrouwen zijn eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden om goed te doen. ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,’ dat zeggen onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze ontketende hartstochten weet te bedwingen!”“Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?”“Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, schoone kleuren.”“En de ander?”“Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken.”“Is niemand der onzen bij hem?”“Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, zoo’n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, die misschien een engel is … en die zeker op den een of anderen dag als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken.”“Dus,” zei Tsjetsjewiek, “zou onze hetman ontmoedigd zijn?”“Dat is zoo.”“Wie zijn z’n raadslieden?”[103]“Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend.”“Dat doet er niet toe,” zei de oude muzikant, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. “Ik moet dat alles van nabij zien. Ik zal er zelf naar toe gaan.”Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken blik op hem sloeg:Meisje dat trap afloopt in richting van man met snor.“Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen.”“Spreek op, beste meid.”Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders uitbrengen dan:“Zult u aan mijn vader … zult u aan mijn lieve moeder zeggen …”[104]De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.Eindelijk hernam zij met vaste stem:“Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,—aan haar broertjes ook,—aan hen en aan de Ukraine.”“Beste meid,” zei de oude boer, “ik hoop dat ik die droeve boodschap nooit hoef over te brengen. Houd moed m’n kind.”Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.“Komaan, het is tijd om te vertrekken,” zei hij. “Ik zal jullie een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis terugkeeren.”Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op zoo’n zware proef gesteld had.Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, die elkaar niets meer te zeggen hebben.Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen te letten dan op het stof van den weg.Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen had. Hij zong met een zachte[105]stem een eentonig lied, een soort van avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn gezang in slaap was[106]gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit viertal woorden uit: “Alles voor het vaderland!”Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.[107]
Twee mannen, waarvan een met luit, en meisje liggend op de grond.
Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.
Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen kelder doorgedrongen.
Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de onderste trede.
Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen door een gang, waarin het een tijdlang donker[99]bleef. Bij een kromming drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam geworden, wachtte hij hen op.
“Maroessia, mijn kleine raadgeefster!” zei hij, terwijl hij zich naar het kind vooroverboog, “wat ben ik gelukkig, je weer te zien.”
Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in zijn groote hand.
“Ach!” zei ze toen, “wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid van dezen kelder struikelde!”
“Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,” antwoordde de afgezant, “maar ik was bang voor mijn geleidster.”
“Laat ons een beetje verder gaan,” viel Kniesj hem in de rede, “wij zullen daar nog veiliger zijn.”
Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er op het voorplein en in den tuin voorviel.
“Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd,” zei Kniesj tegen dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.
“Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn,” gaf deze hem ten antwoord.
“Kies dan maar!” zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van wapenen en van kleeren, dat de vrouw[100]van den struikroover in het onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.
Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.
“Dat,” zei hij opgeruimd, “is juist goed voor mij. Laat ons nu eens iets zoeken, dat het best voor Maroessia is.”
“Zal Maroessia u dan vergezellen?” vroeg Kniesj, terwijl hij een ouden mantel in z’n handen nam.
Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin verontwaardiging en toorn te lezen stonden.
“Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel van zeggen” (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), “als ik mijn taak slechts half volbracht?”
“Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?” hernam Kniesj; “weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?”
“Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?”
“Je bent een dapper meisje!” riep Kniesj uit … “Laat mij je eens omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!”
“Als Taras van mijn leeftijd was,” zei Maroessia, “dan zou hij precies hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?”[101]
“Dat is waar,” zei Kniesj. “Hij denkt nu al aan niets anders dan dat.”
De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,—het was er om te doen, Maroessia te vermommen;—niets beviel hem echter, hij wierp alles weer op den grond.
“De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!… Dit is afschuwelijk,” zei hij, “en dat is nog afschuwelijker.”
Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden gepast hebben, en legde ze ter zijde.
“Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet,” zei hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.
“Ik moet er wel als een bedelares uitzien,” zei zij. “Het zal misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij.”
Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares gekleed, terug.
Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.
“Wat een knappe grijsaard!” zei Kniesj. “Het is je grootvader, Maroessia.”
“Het is de vriend van de Ukraine,” zei het kind. “Kom, laat ons vertrekken!”
De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.
Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.
“De meeningen zijn nog al uiteenloopend,” zei hij; “overal[102]heerscht verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de menschen. De eigenliefde is er bij in ’t spel. De vrouwen zijn eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden om goed te doen. ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,’ dat zeggen onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze ontketende hartstochten weet te bedwingen!”
“Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?”
“Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, schoone kleuren.”
“En de ander?”
“Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken.”
“Is niemand der onzen bij hem?”
“Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, zoo’n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, die misschien een engel is … en die zeker op den een of anderen dag als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken.”
“Dus,” zei Tsjetsjewiek, “zou onze hetman ontmoedigd zijn?”
“Dat is zoo.”
“Wie zijn z’n raadslieden?”[103]
“Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend.”
“Dat doet er niet toe,” zei de oude muzikant, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. “Ik moet dat alles van nabij zien. Ik zal er zelf naar toe gaan.”
Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken blik op hem sloeg:
Meisje dat trap afloopt in richting van man met snor.
“Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen.”
“Spreek op, beste meid.”
Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders uitbrengen dan:
“Zult u aan mijn vader … zult u aan mijn lieve moeder zeggen …”[104]
De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.
De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.
Eindelijk hernam zij met vaste stem:
“Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,—aan haar broertjes ook,—aan hen en aan de Ukraine.”
“Beste meid,” zei de oude boer, “ik hoop dat ik die droeve boodschap nooit hoef over te brengen. Houd moed m’n kind.”
Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.
“Komaan, het is tijd om te vertrekken,” zei hij. “Ik zal jullie een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis terugkeeren.”
Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.
Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op zoo’n zware proef gesteld had.
Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, die elkaar niets meer te zeggen hebben.
Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen te letten dan op het stof van den weg.
Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen had. Hij zong met een zachte[105]stem een eentonig lied, een soort van avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn gezang in slaap was[106]gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.
“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.
“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven?” blz 111.
Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit viertal woorden uit: “Alles voor het vaderland!”
Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.[107]