[Inhoud]VI.Bij den ouden Kniesj.Soldaat liggend op bank.Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen in z’n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.“Is pane1Kniesj thuis?” vroeg Maroessia.“Ben je dan om grootvader gekomen?” zei de knaap, vragende in plaats van te antwoorden.“Ja, om je grootvader. Is hij thuis?”“Hij is thuis.”“Waar is hij dan?”“Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of op het land is.”“Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!”[69]“En haast je wat!” voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer opstak.Maar de grootvader kwam reeds aan.Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,—een hemd en een broek van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij waarschijnlijk zelf gevlochten had.Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de meest gewone zaak van de wereld was.“Zoo, beste meid!” zei hij, “hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote.”Iwan had dit woord “taartjes” in het voorbijgaan opgevangen.“Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent,” zei hij met een stem, die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op “de groote taartjes” al wat verzacht was.“Gelukkig wel!” antwoordde de oude boer. “Kom binnen, kom binnen, als je honger hebt.”Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude Kniesj!“Kom binnen!” herhaalde hij. “Wat een genoegen! wat een aangename verrassing! Ik houd van alle soldaten … Kom binnen, Mijnheer de soldaat!…”De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen uitrekkende, in één woord,[70]gebruik makende van het gelukkige toeval, dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou later wel ter sprake komen.Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.“Pane Kniesj,” zei Maroessia toen, “wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is!”“God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!” gaf de oude Kniesj hierop ten antwoord.De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen, zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien hij den vreemdeling zou aanbieden.“Heeft hij het begrepen?” vroeg Maroessia zich af. “Nee, hij heeft het niet begrepen! En toch …” en haar hart kromp ineen, “als hij het eens niet begrepen had!”Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!“Ik moet zijn, zooals hij,” zeide zij eindelijk bij zich zelve, “ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten.”Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien Iwan, dien hij gemakkelijk had[71]kunnen verslaan, en door er nog op te blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken, achter hem het huis in.Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een frisschen geur verspreidden.In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout, en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.“Ik mag de ververschingen niet vergeten,” zei hij. “Dat zal spoedig gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn …”En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen, schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden, hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo’n gastmaal, dat hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd, hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten, kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.“Hoor eens, barien!2geef je zooveel moeite niet,” zei hij van tijd tot tijd. “Ik zal met weinig tevreden zijn … dat is te zeggen, ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds[72]zie … Ja, ik zal er mee tevreden zijn.”“Nee, nee,” antwoordde de oude Kniesj, “sta me toe dat ik u eens iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!… Mag ik ook uw naam weten?”“Ik heet Iwan,” antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.“Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten proeven … en van mijn hammen ook … en dan van mijn kaas … U zult wel zien, wat ik u zal voorzetten.”“Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden,” zei Iwan.“Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten … Ja, ja, geloof mij!”Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk te oordeelen was zij kalm en bedaard.Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten, waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem het doel van zijn tocht had doen bereiken?…De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.[73]“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort van woede te verslinden. Zijn geduld was dan[74]ook al te lang op de proef gesteld.Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach om zijn lippen.De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.“Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken … Wacht, wacht! Dat zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens zeggen, hoe u het vindt.”Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!”“Wel, Taras, wat doe je daar?” vroeg de oude Kniesj, na weer een flesch voor zijn gast neergezet te hebben. “Is het nu de tijd om daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken, of het tijd is om hooi aan de ossen te geven.”“Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!” voegde de grijsaard er bij, “dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet dom is en ook niet lui.”Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:“Ik zal met Taras meegaan.”“Doe dat, beste meid!” antwoordde de grijsaard.[75]En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar zachtjes over haar lokken.Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich ineens veel minder angstig.Oude man met dienblad.“Beste barien!” zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten te verzamelen, “dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!… Begrijp je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er echter[76]op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs voor geven.… Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben … En dat zou ik je als het beste aanraden!”“U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!” antwoordde de oude Kniesj. “U kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!”“Heel goed! dat is heel goed!” antwoordde Iwan. “Uitstekend goed!”[77]1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑
[Inhoud]VI.Bij den ouden Kniesj.Soldaat liggend op bank.Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen in z’n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.“Is pane1Kniesj thuis?” vroeg Maroessia.“Ben je dan om grootvader gekomen?” zei de knaap, vragende in plaats van te antwoorden.“Ja, om je grootvader. Is hij thuis?”“Hij is thuis.”“Waar is hij dan?”“Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of op het land is.”“Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!”[69]“En haast je wat!” voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer opstak.Maar de grootvader kwam reeds aan.Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,—een hemd en een broek van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij waarschijnlijk zelf gevlochten had.Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de meest gewone zaak van de wereld was.“Zoo, beste meid!” zei hij, “hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote.”Iwan had dit woord “taartjes” in het voorbijgaan opgevangen.“Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent,” zei hij met een stem, die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op “de groote taartjes” al wat verzacht was.“Gelukkig wel!” antwoordde de oude boer. “Kom binnen, kom binnen, als je honger hebt.”Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude Kniesj!“Kom binnen!” herhaalde hij. “Wat een genoegen! wat een aangename verrassing! Ik houd van alle soldaten … Kom binnen, Mijnheer de soldaat!…”De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen uitrekkende, in één woord,[70]gebruik makende van het gelukkige toeval, dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou later wel ter sprake komen.Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.“Pane Kniesj,” zei Maroessia toen, “wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is!”“God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!” gaf de oude Kniesj hierop ten antwoord.De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen, zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien hij den vreemdeling zou aanbieden.“Heeft hij het begrepen?” vroeg Maroessia zich af. “Nee, hij heeft het niet begrepen! En toch …” en haar hart kromp ineen, “als hij het eens niet begrepen had!”Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!“Ik moet zijn, zooals hij,” zeide zij eindelijk bij zich zelve, “ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten.”Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien Iwan, dien hij gemakkelijk had[71]kunnen verslaan, en door er nog op te blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken, achter hem het huis in.Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een frisschen geur verspreidden.In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout, en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.“Ik mag de ververschingen niet vergeten,” zei hij. “Dat zal spoedig gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn …”En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen, schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden, hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo’n gastmaal, dat hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd, hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten, kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.“Hoor eens, barien!2geef je zooveel moeite niet,” zei hij van tijd tot tijd. “Ik zal met weinig tevreden zijn … dat is te zeggen, ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds[72]zie … Ja, ik zal er mee tevreden zijn.”“Nee, nee,” antwoordde de oude Kniesj, “sta me toe dat ik u eens iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!… Mag ik ook uw naam weten?”“Ik heet Iwan,” antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.“Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten proeven … en van mijn hammen ook … en dan van mijn kaas … U zult wel zien, wat ik u zal voorzetten.”“Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden,” zei Iwan.“Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten … Ja, ja, geloof mij!”Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk te oordeelen was zij kalm en bedaard.Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten, waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem het doel van zijn tocht had doen bereiken?…De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.[73]“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort van woede te verslinden. Zijn geduld was dan[74]ook al te lang op de proef gesteld.Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach om zijn lippen.De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.“Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken … Wacht, wacht! Dat zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens zeggen, hoe u het vindt.”Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!”“Wel, Taras, wat doe je daar?” vroeg de oude Kniesj, na weer een flesch voor zijn gast neergezet te hebben. “Is het nu de tijd om daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken, of het tijd is om hooi aan de ossen te geven.”“Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!” voegde de grijsaard er bij, “dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet dom is en ook niet lui.”Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:“Ik zal met Taras meegaan.”“Doe dat, beste meid!” antwoordde de grijsaard.[75]En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar zachtjes over haar lokken.Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich ineens veel minder angstig.Oude man met dienblad.“Beste barien!” zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten te verzamelen, “dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!… Begrijp je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er echter[76]op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs voor geven.… Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben … En dat zou ik je als het beste aanraden!”“U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!” antwoordde de oude Kniesj. “U kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!”“Heel goed! dat is heel goed!” antwoordde Iwan. “Uitstekend goed!”[77]1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑
VI.Bij den ouden Kniesj.
Soldaat liggend op bank.Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen in z’n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.“Is pane1Kniesj thuis?” vroeg Maroessia.“Ben je dan om grootvader gekomen?” zei de knaap, vragende in plaats van te antwoorden.“Ja, om je grootvader. Is hij thuis?”“Hij is thuis.”“Waar is hij dan?”“Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of op het land is.”“Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!”[69]“En haast je wat!” voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer opstak.Maar de grootvader kwam reeds aan.Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,—een hemd en een broek van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij waarschijnlijk zelf gevlochten had.Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de meest gewone zaak van de wereld was.“Zoo, beste meid!” zei hij, “hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote.”Iwan had dit woord “taartjes” in het voorbijgaan opgevangen.“Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent,” zei hij met een stem, die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op “de groote taartjes” al wat verzacht was.“Gelukkig wel!” antwoordde de oude boer. “Kom binnen, kom binnen, als je honger hebt.”Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude Kniesj!“Kom binnen!” herhaalde hij. “Wat een genoegen! wat een aangename verrassing! Ik houd van alle soldaten … Kom binnen, Mijnheer de soldaat!…”De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen uitrekkende, in één woord,[70]gebruik makende van het gelukkige toeval, dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou later wel ter sprake komen.Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.“Pane Kniesj,” zei Maroessia toen, “wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is!”“God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!” gaf de oude Kniesj hierop ten antwoord.De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen, zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien hij den vreemdeling zou aanbieden.“Heeft hij het begrepen?” vroeg Maroessia zich af. “Nee, hij heeft het niet begrepen! En toch …” en haar hart kromp ineen, “als hij het eens niet begrepen had!”Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!“Ik moet zijn, zooals hij,” zeide zij eindelijk bij zich zelve, “ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten.”Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien Iwan, dien hij gemakkelijk had[71]kunnen verslaan, en door er nog op te blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken, achter hem het huis in.Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een frisschen geur verspreidden.In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout, en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.“Ik mag de ververschingen niet vergeten,” zei hij. “Dat zal spoedig gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn …”En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen, schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden, hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo’n gastmaal, dat hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd, hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten, kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.“Hoor eens, barien!2geef je zooveel moeite niet,” zei hij van tijd tot tijd. “Ik zal met weinig tevreden zijn … dat is te zeggen, ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds[72]zie … Ja, ik zal er mee tevreden zijn.”“Nee, nee,” antwoordde de oude Kniesj, “sta me toe dat ik u eens iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!… Mag ik ook uw naam weten?”“Ik heet Iwan,” antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.“Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten proeven … en van mijn hammen ook … en dan van mijn kaas … U zult wel zien, wat ik u zal voorzetten.”“Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden,” zei Iwan.“Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten … Ja, ja, geloof mij!”Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk te oordeelen was zij kalm en bedaard.Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten, waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem het doel van zijn tocht had doen bereiken?…De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.[73]“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort van woede te verslinden. Zijn geduld was dan[74]ook al te lang op de proef gesteld.Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach om zijn lippen.De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.“Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken … Wacht, wacht! Dat zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens zeggen, hoe u het vindt.”Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!”“Wel, Taras, wat doe je daar?” vroeg de oude Kniesj, na weer een flesch voor zijn gast neergezet te hebben. “Is het nu de tijd om daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken, of het tijd is om hooi aan de ossen te geven.”“Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!” voegde de grijsaard er bij, “dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet dom is en ook niet lui.”Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:“Ik zal met Taras meegaan.”“Doe dat, beste meid!” antwoordde de grijsaard.[75]En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar zachtjes over haar lokken.Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich ineens veel minder angstig.Oude man met dienblad.“Beste barien!” zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten te verzamelen, “dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!… Begrijp je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er echter[76]op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs voor geven.… Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben … En dat zou ik je als het beste aanraden!”“U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!” antwoordde de oude Kniesj. “U kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!”“Heel goed! dat is heel goed!” antwoordde Iwan. “Uitstekend goed!”[77]
Soldaat liggend op bank.
Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen in z’n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.
“Is pane1Kniesj thuis?” vroeg Maroessia.
“Ben je dan om grootvader gekomen?” zei de knaap, vragende in plaats van te antwoorden.
“Ja, om je grootvader. Is hij thuis?”
“Hij is thuis.”
“Waar is hij dan?”
“Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of op het land is.”
“Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!”[69]
“En haast je wat!” voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer opstak.
Maar de grootvader kwam reeds aan.
Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,—een hemd en een broek van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij waarschijnlijk zelf gevlochten had.
Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de meest gewone zaak van de wereld was.
“Zoo, beste meid!” zei hij, “hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote.”
Iwan had dit woord “taartjes” in het voorbijgaan opgevangen.
“Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent,” zei hij met een stem, die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op “de groote taartjes” al wat verzacht was.
“Gelukkig wel!” antwoordde de oude boer. “Kom binnen, kom binnen, als je honger hebt.”
Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude Kniesj!
“Kom binnen!” herhaalde hij. “Wat een genoegen! wat een aangename verrassing! Ik houd van alle soldaten … Kom binnen, Mijnheer de soldaat!…”
De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen uitrekkende, in één woord,[70]gebruik makende van het gelukkige toeval, dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.
Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou later wel ter sprake komen.
Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.
“Pane Kniesj,” zei Maroessia toen, “wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is!”
“God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!” gaf de oude Kniesj hierop ten antwoord.
De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen, zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien hij den vreemdeling zou aanbieden.
“Heeft hij het begrepen?” vroeg Maroessia zich af. “Nee, hij heeft het niet begrepen! En toch …” en haar hart kromp ineen, “als hij het eens niet begrepen had!”
Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!
“Ik moet zijn, zooals hij,” zeide zij eindelijk bij zich zelve, “ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten.”
Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien Iwan, dien hij gemakkelijk had[71]kunnen verslaan, en door er nog op te blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken, achter hem het huis in.
Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een frisschen geur verspreidden.
In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout, en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.
De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.
“Ik mag de ververschingen niet vergeten,” zei hij. “Dat zal spoedig gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn …”
En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen, schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.
Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden, hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo’n gastmaal, dat hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd, hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten, kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.
“Hoor eens, barien!2geef je zooveel moeite niet,” zei hij van tijd tot tijd. “Ik zal met weinig tevreden zijn … dat is te zeggen, ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds[72]zie … Ja, ik zal er mee tevreden zijn.”
“Nee, nee,” antwoordde de oude Kniesj, “sta me toe dat ik u eens iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!… Mag ik ook uw naam weten?”
“Ik heet Iwan,” antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.
“Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten proeven … en van mijn hammen ook … en dan van mijn kaas … U zult wel zien, wat ik u zal voorzetten.”
“Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden,” zei Iwan.
“Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten … Ja, ja, geloof mij!”
Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk te oordeelen was zij kalm en bedaard.
Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten, waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem het doel van zijn tocht had doen bereiken?…
De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.[73]
“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.
“Wees maar gerust, alles gaat goed.” Blz. 78.
Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort van woede te verslinden. Zijn geduld was dan[74]ook al te lang op de proef gesteld.
Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach om zijn lippen.
De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.
“Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken … Wacht, wacht! Dat zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens zeggen, hoe u het vindt.”
Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:
“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!”
“Wel, Taras, wat doe je daar?” vroeg de oude Kniesj, na weer een flesch voor zijn gast neergezet te hebben. “Is het nu de tijd om daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken, of het tijd is om hooi aan de ossen te geven.”
“Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!” voegde de grijsaard er bij, “dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet dom is en ook niet lui.”
Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.
Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:
“Ik zal met Taras meegaan.”
“Doe dat, beste meid!” antwoordde de grijsaard.[75]
En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar zachtjes over haar lokken.
Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich ineens veel minder angstig.
Oude man met dienblad.
“Beste barien!” zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten te verzamelen, “dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!… Begrijp je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er echter[76]op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs voor geven.… Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben … En dat zou ik je als het beste aanraden!”
“U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!” antwoordde de oude Kniesj. “U kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!”
“Heel goed! dat is heel goed!” antwoordde Iwan. “Uitstekend goed!”[77]
1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑
1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑
1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑
1Pane, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.↑
2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑
2Barien, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.↑