[Inhoud]VII.Op dezelfde plaats.Meisje op bospad.Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den wagen af en gaf dit aan de ossen.Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin, bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die zich in de verte uitstrekten.[78]“Wat nu te doen?” vroeg zij zich af. “Wat zal er van hem worden? Hoe hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog …”Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat niemand haar gadesloeg. “Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,” zei ze bij zich zelf, “zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen, dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken.”Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee, hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem, die zij goed kende, en die tegen haar zei:“Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed.”Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw, dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld, waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er overheen gegroeid waren.“Heb ik goed gehoord?” vroeg de kleine Maroessia zich af.Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam, liet zich ten tweeden male hooren.“Beste meid,” zei deze stem. “Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken, hoop ik!”Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon alles nu weer stil geworden was.Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen, waren even zoovele tooverwoorden, die haar[79]laatste vrees geheel wegnamen.Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood, haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps voor het meisje bleef staan.Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had, keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.“Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets lekkers gegeven hebben!” dacht hij. “Maar wat? Zou het peperkoek zijn of noten?”Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:“Willen wij eens naar den tuin gaan?”“Dat wil ik wel,” antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand, die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen, als hij zijn toestemming geeft. “Maar zeg mij eerst eens, wat heeft grootvader je gegeven?”“Aan wien heeft hij wat gegeven?”“Wel, aan jou immers!”“Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het al hadt. Wat heeft hij je beloofd?”“Hij heeft mij niets beloofd.”Taras keek haar wantrouwig aan.“Waarom kijk je dan zoo blij?” vroeg hij.“Ik?”“Ja, jij.”Zij wilde zeggen: “Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;” maar zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak, en zei alleen maar:“Laat ons naar den tuin gaan.”“Ik ga mee,” antwoordde Taras met een schalksch gezicht.“Zullen wij er veel aardbeien vinden?” vroeg Maroessia.“Ik vind ze wel, als ik ze zoek,” antwoordde Taras eenigszins trotsch.“Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal vinden?”“Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt[80]meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen, dan zou het een heel andere zaak wezen.”En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.“De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!” voegde hij er bij. “De jongens …”“O! De jongens zijn heel moedig!” zei Maroessia, ziende, dat haar kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste der jongens naar waarde kon uitdrukken.“Juist zoo!” antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij zich zelf: “Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!”.“De jongens kunnen paardrijden!” vervolgde hij. “Zij kunnen de wildste paarden temmen!”“Ja zeker, dat kunnen zij,” antwoordde Maroessia glimlachende.“Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst, toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor de Tartaren.”“Die arme vrouwen!” zei Maroessia.“Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen,” zei hij met een opwelling van edelmoedigheid.“Ik dank je!” zei Maroessia.“Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag komen,—misschien al gauw,—waarop ik al de vijanden van onze Ukraine in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier, aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?”“Nee, vertel het eens!”“Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen … Wat zeg je daar wel van?”[81]“Waar ben je, oude schurk?”“Waar ben je, oude schurk?”“Dat zou schitterend zijn,” antwoordde Maroessia ernstig. “Schitterend, niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje[82]geweest, dat alle vijanden daaruit verdreven heeft.”“O!” zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, “wat zal zij gelukkig geweest zijn!”“Men heeft haar verbrand,” hernam Taras.“Dat geeft niet,” vond Maroessia, “toch is zij de gelukkigste van alle vrouwen.”“Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d’Arc.”“Jeanne d’Arc,” zei Maroessia met de oogen vol tranen, “Jeanne d’Arc! Gelukkig meisje!”Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden al die “schitterende” plannen naar wensch, in zijn verbeelding tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht, ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was geweest.Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.“In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds,” zei Taras bij zich zelf. “Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil leeren … Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink meisje … En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken …”Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:“Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken, als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid[83]zag liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer.”Jongen en meisje bij omgevallen bomen.[84]
[Inhoud]VII.Op dezelfde plaats.Meisje op bospad.Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den wagen af en gaf dit aan de ossen.Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin, bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die zich in de verte uitstrekten.[78]“Wat nu te doen?” vroeg zij zich af. “Wat zal er van hem worden? Hoe hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog …”Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat niemand haar gadesloeg. “Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,” zei ze bij zich zelf, “zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen, dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken.”Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee, hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem, die zij goed kende, en die tegen haar zei:“Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed.”Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw, dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld, waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er overheen gegroeid waren.“Heb ik goed gehoord?” vroeg de kleine Maroessia zich af.Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam, liet zich ten tweeden male hooren.“Beste meid,” zei deze stem. “Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken, hoop ik!”Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon alles nu weer stil geworden was.Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen, waren even zoovele tooverwoorden, die haar[79]laatste vrees geheel wegnamen.Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood, haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps voor het meisje bleef staan.Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had, keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.“Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets lekkers gegeven hebben!” dacht hij. “Maar wat? Zou het peperkoek zijn of noten?”Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:“Willen wij eens naar den tuin gaan?”“Dat wil ik wel,” antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand, die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen, als hij zijn toestemming geeft. “Maar zeg mij eerst eens, wat heeft grootvader je gegeven?”“Aan wien heeft hij wat gegeven?”“Wel, aan jou immers!”“Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het al hadt. Wat heeft hij je beloofd?”“Hij heeft mij niets beloofd.”Taras keek haar wantrouwig aan.“Waarom kijk je dan zoo blij?” vroeg hij.“Ik?”“Ja, jij.”Zij wilde zeggen: “Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;” maar zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak, en zei alleen maar:“Laat ons naar den tuin gaan.”“Ik ga mee,” antwoordde Taras met een schalksch gezicht.“Zullen wij er veel aardbeien vinden?” vroeg Maroessia.“Ik vind ze wel, als ik ze zoek,” antwoordde Taras eenigszins trotsch.“Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal vinden?”“Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt[80]meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen, dan zou het een heel andere zaak wezen.”En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.“De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!” voegde hij er bij. “De jongens …”“O! De jongens zijn heel moedig!” zei Maroessia, ziende, dat haar kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste der jongens naar waarde kon uitdrukken.“Juist zoo!” antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij zich zelf: “Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!”.“De jongens kunnen paardrijden!” vervolgde hij. “Zij kunnen de wildste paarden temmen!”“Ja zeker, dat kunnen zij,” antwoordde Maroessia glimlachende.“Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst, toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor de Tartaren.”“Die arme vrouwen!” zei Maroessia.“Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen,” zei hij met een opwelling van edelmoedigheid.“Ik dank je!” zei Maroessia.“Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag komen,—misschien al gauw,—waarop ik al de vijanden van onze Ukraine in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier, aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?”“Nee, vertel het eens!”“Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen … Wat zeg je daar wel van?”[81]“Waar ben je, oude schurk?”“Waar ben je, oude schurk?”“Dat zou schitterend zijn,” antwoordde Maroessia ernstig. “Schitterend, niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje[82]geweest, dat alle vijanden daaruit verdreven heeft.”“O!” zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, “wat zal zij gelukkig geweest zijn!”“Men heeft haar verbrand,” hernam Taras.“Dat geeft niet,” vond Maroessia, “toch is zij de gelukkigste van alle vrouwen.”“Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d’Arc.”“Jeanne d’Arc,” zei Maroessia met de oogen vol tranen, “Jeanne d’Arc! Gelukkig meisje!”Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden al die “schitterende” plannen naar wensch, in zijn verbeelding tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht, ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was geweest.Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.“In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds,” zei Taras bij zich zelf. “Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil leeren … Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink meisje … En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken …”Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:“Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken, als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid[83]zag liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer.”Jongen en meisje bij omgevallen bomen.[84]
VII.Op dezelfde plaats.
Meisje op bospad.Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den wagen af en gaf dit aan de ossen.Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin, bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die zich in de verte uitstrekten.[78]“Wat nu te doen?” vroeg zij zich af. “Wat zal er van hem worden? Hoe hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog …”Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat niemand haar gadesloeg. “Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,” zei ze bij zich zelf, “zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen, dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken.”Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee, hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem, die zij goed kende, en die tegen haar zei:“Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed.”Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw, dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld, waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er overheen gegroeid waren.“Heb ik goed gehoord?” vroeg de kleine Maroessia zich af.Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam, liet zich ten tweeden male hooren.“Beste meid,” zei deze stem. “Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken, hoop ik!”Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon alles nu weer stil geworden was.Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen, waren even zoovele tooverwoorden, die haar[79]laatste vrees geheel wegnamen.Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood, haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps voor het meisje bleef staan.Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had, keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.“Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets lekkers gegeven hebben!” dacht hij. “Maar wat? Zou het peperkoek zijn of noten?”Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:“Willen wij eens naar den tuin gaan?”“Dat wil ik wel,” antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand, die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen, als hij zijn toestemming geeft. “Maar zeg mij eerst eens, wat heeft grootvader je gegeven?”“Aan wien heeft hij wat gegeven?”“Wel, aan jou immers!”“Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het al hadt. Wat heeft hij je beloofd?”“Hij heeft mij niets beloofd.”Taras keek haar wantrouwig aan.“Waarom kijk je dan zoo blij?” vroeg hij.“Ik?”“Ja, jij.”Zij wilde zeggen: “Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;” maar zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak, en zei alleen maar:“Laat ons naar den tuin gaan.”“Ik ga mee,” antwoordde Taras met een schalksch gezicht.“Zullen wij er veel aardbeien vinden?” vroeg Maroessia.“Ik vind ze wel, als ik ze zoek,” antwoordde Taras eenigszins trotsch.“Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal vinden?”“Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt[80]meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen, dan zou het een heel andere zaak wezen.”En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.“De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!” voegde hij er bij. “De jongens …”“O! De jongens zijn heel moedig!” zei Maroessia, ziende, dat haar kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste der jongens naar waarde kon uitdrukken.“Juist zoo!” antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij zich zelf: “Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!”.“De jongens kunnen paardrijden!” vervolgde hij. “Zij kunnen de wildste paarden temmen!”“Ja zeker, dat kunnen zij,” antwoordde Maroessia glimlachende.“Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst, toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor de Tartaren.”“Die arme vrouwen!” zei Maroessia.“Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen,” zei hij met een opwelling van edelmoedigheid.“Ik dank je!” zei Maroessia.“Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag komen,—misschien al gauw,—waarop ik al de vijanden van onze Ukraine in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier, aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?”“Nee, vertel het eens!”“Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen … Wat zeg je daar wel van?”[81]“Waar ben je, oude schurk?”“Waar ben je, oude schurk?”“Dat zou schitterend zijn,” antwoordde Maroessia ernstig. “Schitterend, niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje[82]geweest, dat alle vijanden daaruit verdreven heeft.”“O!” zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, “wat zal zij gelukkig geweest zijn!”“Men heeft haar verbrand,” hernam Taras.“Dat geeft niet,” vond Maroessia, “toch is zij de gelukkigste van alle vrouwen.”“Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d’Arc.”“Jeanne d’Arc,” zei Maroessia met de oogen vol tranen, “Jeanne d’Arc! Gelukkig meisje!”Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden al die “schitterende” plannen naar wensch, in zijn verbeelding tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht, ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was geweest.Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.“In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds,” zei Taras bij zich zelf. “Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil leeren … Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink meisje … En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken …”Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:“Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken, als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid[83]zag liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer.”Jongen en meisje bij omgevallen bomen.[84]
Meisje op bospad.
Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den wagen af en gaf dit aan de ossen.
Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.
Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.
Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin, bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die zich in de verte uitstrekten.[78]
“Wat nu te doen?” vroeg zij zich af. “Wat zal er van hem worden? Hoe hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog …”
Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat niemand haar gadesloeg. “Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,” zei ze bij zich zelf, “zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen, dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken.”
Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee, hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem, die zij goed kende, en die tegen haar zei:
“Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed.”
Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.
De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw, dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld, waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er overheen gegroeid waren.
“Heb ik goed gehoord?” vroeg de kleine Maroessia zich af.
Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam, liet zich ten tweeden male hooren.
“Beste meid,” zei deze stem. “Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken, hoop ik!”
Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon alles nu weer stil geworden was.
Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen, waren even zoovele tooverwoorden, die haar[79]laatste vrees geheel wegnamen.
Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood, haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps voor het meisje bleef staan.
Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had, keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.
“Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets lekkers gegeven hebben!” dacht hij. “Maar wat? Zou het peperkoek zijn of noten?”
Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:
“Willen wij eens naar den tuin gaan?”
“Dat wil ik wel,” antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand, die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen, als hij zijn toestemming geeft. “Maar zeg mij eerst eens, wat heeft grootvader je gegeven?”
“Aan wien heeft hij wat gegeven?”
“Wel, aan jou immers!”
“Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het al hadt. Wat heeft hij je beloofd?”
“Hij heeft mij niets beloofd.”
Taras keek haar wantrouwig aan.
“Waarom kijk je dan zoo blij?” vroeg hij.
“Ik?”
“Ja, jij.”
Zij wilde zeggen: “Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;” maar zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak, en zei alleen maar:
“Laat ons naar den tuin gaan.”
“Ik ga mee,” antwoordde Taras met een schalksch gezicht.
“Zullen wij er veel aardbeien vinden?” vroeg Maroessia.
“Ik vind ze wel, als ik ze zoek,” antwoordde Taras eenigszins trotsch.
“Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal vinden?”
“Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt[80]meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen, dan zou het een heel andere zaak wezen.”
En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.
“De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!” voegde hij er bij. “De jongens …”
“O! De jongens zijn heel moedig!” zei Maroessia, ziende, dat haar kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste der jongens naar waarde kon uitdrukken.
“Juist zoo!” antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij zich zelf: “Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!”.
“De jongens kunnen paardrijden!” vervolgde hij. “Zij kunnen de wildste paarden temmen!”
“Ja zeker, dat kunnen zij,” antwoordde Maroessia glimlachende.
“Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst, toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor de Tartaren.”
“Die arme vrouwen!” zei Maroessia.
“Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen,” zei hij met een opwelling van edelmoedigheid.
“Ik dank je!” zei Maroessia.
“Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag komen,—misschien al gauw,—waarop ik al de vijanden van onze Ukraine in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier, aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?”
“Nee, vertel het eens!”
“Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen … Wat zeg je daar wel van?”[81]
“Waar ben je, oude schurk?”“Waar ben je, oude schurk?”
“Waar ben je, oude schurk?”
“Dat zou schitterend zijn,” antwoordde Maroessia ernstig. “Schitterend, niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje[82]geweest, dat alle vijanden daaruit verdreven heeft.”
“O!” zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, “wat zal zij gelukkig geweest zijn!”
“Men heeft haar verbrand,” hernam Taras.
“Dat geeft niet,” vond Maroessia, “toch is zij de gelukkigste van alle vrouwen.”
“Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d’Arc.”
“Jeanne d’Arc,” zei Maroessia met de oogen vol tranen, “Jeanne d’Arc! Gelukkig meisje!”
Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden al die “schitterende” plannen naar wensch, in zijn verbeelding tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht, ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was geweest.
Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.
“In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds,” zei Taras bij zich zelf. “Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil leeren … Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink meisje … En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken …”
Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:
“Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken, als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid[83]zag liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer.”
Jongen en meisje bij omgevallen bomen.
[84]