VIII.

[Inhoud]VIII.Het ontwaken van Iwan.Man te paard, kijkend naar brandende steppe.Het was bijna middag.Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig, dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. “Als ik mijn oogen opendoe,” zei hij half slapende bij zich zelf, “als ik op een andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid, dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!”Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang[85]brandend heet. Hij hield er z’n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich gebrand had.Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid greep hem aan.Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.“Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?”Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich achter het dichte geboomte en luisterden.Toen Iwan zweeg, hoorde men niets … het bleef doodstil.Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:“Waar ben je, oude schurk?”Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel, terwijl hij z’n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand, die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.“De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!” riep de soldaat eindelijk woedend uit.Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een boom aankwam, als iemand, die iets[86]wil hebben, om er zijn woede op te koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den kelder lag,—dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,—maar hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt, vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd razende en tierende.Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj, die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een persoon van gewicht heeft laten wachten.“Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom,” zei hij met goedhartigheid en vriendelijkheid; “ik ben geheel tot uw orders.”Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.“Waar ben je?” riep hij hem toe.“Ik ben hier,” antwoordde de stem van den ouden Kniesj.“Hier? Waar dan?” brulde de soldaat.“Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?”Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk toelachte.“Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?” vroeg de oude Kniesj, terwijl hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord trachtte te lezen.“Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten.”“Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!” antwoordde Mijnheer Iwan. “Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij wat vroeger wakker gemaakt hadden.”Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben, gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.“Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde de oude Kniesj.[87]En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:“Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan verdedigen tegen deze ellende …”“Welke ellende?” vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom ontwaakte.“Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig of het een generaal, een boer of een taart is … dan vraagt men zich wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient.”Mijnheer Iwan viel hem in de rede:“Ik heb een geduchte pijn in m’n hoofd. In plaats van zoo te babbelen, zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht.”“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen,” riep de oude Kniesj uit. “Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen, Mijnheer Iwan, wat een geluk!…”Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan nog eens een dienst te kunnen bewijzen.Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde hem.De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.“Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten,” zei de oude man. “Ik zal dadelijk een glas voor u inschenken … Neem plaats, neem plaats …”[88]“Ik heb geen tijd om te gaan zitten,” antwoordde Mijnheer Iwan, ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. “Geef maar gauw op; ik zal het wel staande leegdrinken … Heb je het geld al klaar? Ik heb haast, ik moet vertrekken …”“Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u zeggen, Mijnheer Iwan …”“Heb je het geld klaar?”“Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor zulke arme menschen als wij …”De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.“Waartoe moeten al die praatjes dienen?” antwoordde Mijnheer Iwan hem, terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had, leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de tafel neerlegde.“Hoor eens! Kan je tot drie tellen?” vroeg de soldaat aan den boer.Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan, maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken, en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde hij met een guitig gezicht:“Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens hooren!”[89]“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan,” antwoordde Kniesj. “Vijf, zes … Dat is volgens mij de beste manier om te tellen …[90]zeven, acht … Wijlen mijn vader telde altijd zoo … negen, tien … en hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden bedriegen … elf, twaalf.”Slapende man met grote snor.Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid voor zaken.Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de geldbuidel leeg.Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn[91]uiterlijk aan Kniesj nog woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel toeriep. Hij bekommerde zich over ’t geheel weinig om de beleefdheden van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.“Goede reis!” mompelde de oude Kniesj, “ik hoop dat ik je nooit meer terugzie.”[92]

[Inhoud]VIII.Het ontwaken van Iwan.Man te paard, kijkend naar brandende steppe.Het was bijna middag.Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig, dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. “Als ik mijn oogen opendoe,” zei hij half slapende bij zich zelf, “als ik op een andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid, dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!”Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang[85]brandend heet. Hij hield er z’n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich gebrand had.Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid greep hem aan.Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.“Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?”Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich achter het dichte geboomte en luisterden.Toen Iwan zweeg, hoorde men niets … het bleef doodstil.Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:“Waar ben je, oude schurk?”Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel, terwijl hij z’n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand, die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.“De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!” riep de soldaat eindelijk woedend uit.Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een boom aankwam, als iemand, die iets[86]wil hebben, om er zijn woede op te koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den kelder lag,—dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,—maar hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt, vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd razende en tierende.Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj, die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een persoon van gewicht heeft laten wachten.“Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom,” zei hij met goedhartigheid en vriendelijkheid; “ik ben geheel tot uw orders.”Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.“Waar ben je?” riep hij hem toe.“Ik ben hier,” antwoordde de stem van den ouden Kniesj.“Hier? Waar dan?” brulde de soldaat.“Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?”Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk toelachte.“Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?” vroeg de oude Kniesj, terwijl hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord trachtte te lezen.“Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten.”“Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!” antwoordde Mijnheer Iwan. “Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij wat vroeger wakker gemaakt hadden.”Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben, gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.“Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde de oude Kniesj.[87]En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:“Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan verdedigen tegen deze ellende …”“Welke ellende?” vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom ontwaakte.“Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig of het een generaal, een boer of een taart is … dan vraagt men zich wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient.”Mijnheer Iwan viel hem in de rede:“Ik heb een geduchte pijn in m’n hoofd. In plaats van zoo te babbelen, zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht.”“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen,” riep de oude Kniesj uit. “Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen, Mijnheer Iwan, wat een geluk!…”Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan nog eens een dienst te kunnen bewijzen.Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde hem.De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.“Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten,” zei de oude man. “Ik zal dadelijk een glas voor u inschenken … Neem plaats, neem plaats …”[88]“Ik heb geen tijd om te gaan zitten,” antwoordde Mijnheer Iwan, ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. “Geef maar gauw op; ik zal het wel staande leegdrinken … Heb je het geld al klaar? Ik heb haast, ik moet vertrekken …”“Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u zeggen, Mijnheer Iwan …”“Heb je het geld klaar?”“Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor zulke arme menschen als wij …”De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.“Waartoe moeten al die praatjes dienen?” antwoordde Mijnheer Iwan hem, terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had, leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de tafel neerlegde.“Hoor eens! Kan je tot drie tellen?” vroeg de soldaat aan den boer.Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan, maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken, en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde hij met een guitig gezicht:“Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens hooren!”[89]“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan,” antwoordde Kniesj. “Vijf, zes … Dat is volgens mij de beste manier om te tellen …[90]zeven, acht … Wijlen mijn vader telde altijd zoo … negen, tien … en hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden bedriegen … elf, twaalf.”Slapende man met grote snor.Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid voor zaken.Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de geldbuidel leeg.Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn[91]uiterlijk aan Kniesj nog woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel toeriep. Hij bekommerde zich over ’t geheel weinig om de beleefdheden van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.“Goede reis!” mompelde de oude Kniesj, “ik hoop dat ik je nooit meer terugzie.”[92]

VIII.Het ontwaken van Iwan.

Man te paard, kijkend naar brandende steppe.Het was bijna middag.Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig, dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. “Als ik mijn oogen opendoe,” zei hij half slapende bij zich zelf, “als ik op een andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid, dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!”Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang[85]brandend heet. Hij hield er z’n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich gebrand had.Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid greep hem aan.Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.“Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?”Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich achter het dichte geboomte en luisterden.Toen Iwan zweeg, hoorde men niets … het bleef doodstil.Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:“Waar ben je, oude schurk?”Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel, terwijl hij z’n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand, die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.“De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!” riep de soldaat eindelijk woedend uit.Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een boom aankwam, als iemand, die iets[86]wil hebben, om er zijn woede op te koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den kelder lag,—dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,—maar hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt, vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd razende en tierende.Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj, die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een persoon van gewicht heeft laten wachten.“Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom,” zei hij met goedhartigheid en vriendelijkheid; “ik ben geheel tot uw orders.”Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.“Waar ben je?” riep hij hem toe.“Ik ben hier,” antwoordde de stem van den ouden Kniesj.“Hier? Waar dan?” brulde de soldaat.“Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?”Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk toelachte.“Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?” vroeg de oude Kniesj, terwijl hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord trachtte te lezen.“Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten.”“Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!” antwoordde Mijnheer Iwan. “Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij wat vroeger wakker gemaakt hadden.”Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben, gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.“Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde de oude Kniesj.[87]En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:“Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan verdedigen tegen deze ellende …”“Welke ellende?” vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom ontwaakte.“Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig of het een generaal, een boer of een taart is … dan vraagt men zich wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient.”Mijnheer Iwan viel hem in de rede:“Ik heb een geduchte pijn in m’n hoofd. In plaats van zoo te babbelen, zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht.”“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen,” riep de oude Kniesj uit. “Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen, Mijnheer Iwan, wat een geluk!…”Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan nog eens een dienst te kunnen bewijzen.Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde hem.De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.“Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten,” zei de oude man. “Ik zal dadelijk een glas voor u inschenken … Neem plaats, neem plaats …”[88]“Ik heb geen tijd om te gaan zitten,” antwoordde Mijnheer Iwan, ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. “Geef maar gauw op; ik zal het wel staande leegdrinken … Heb je het geld al klaar? Ik heb haast, ik moet vertrekken …”“Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u zeggen, Mijnheer Iwan …”“Heb je het geld klaar?”“Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor zulke arme menschen als wij …”De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.“Waartoe moeten al die praatjes dienen?” antwoordde Mijnheer Iwan hem, terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had, leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de tafel neerlegde.“Hoor eens! Kan je tot drie tellen?” vroeg de soldaat aan den boer.Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan, maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken, en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde hij met een guitig gezicht:“Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens hooren!”[89]“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan,” antwoordde Kniesj. “Vijf, zes … Dat is volgens mij de beste manier om te tellen …[90]zeven, acht … Wijlen mijn vader telde altijd zoo … negen, tien … en hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden bedriegen … elf, twaalf.”Slapende man met grote snor.Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid voor zaken.Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de geldbuidel leeg.Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn[91]uiterlijk aan Kniesj nog woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel toeriep. Hij bekommerde zich over ’t geheel weinig om de beleefdheden van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.“Goede reis!” mompelde de oude Kniesj, “ik hoop dat ik je nooit meer terugzie.”[92]

Man te paard, kijkend naar brandende steppe.

Het was bijna middag.

Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig, dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. “Als ik mijn oogen opendoe,” zei hij half slapende bij zich zelf, “als ik op een andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid, dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!”

Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang[85]brandend heet. Hij hield er z’n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich gebrand had.

Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.

Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.

Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid greep hem aan.

Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.

“Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?”

Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich achter het dichte geboomte en luisterden.

Toen Iwan zweeg, hoorde men niets … het bleef doodstil.

Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:

“Waar ben je, oude schurk?”

Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel, terwijl hij z’n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand, die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.

“De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!” riep de soldaat eindelijk woedend uit.

Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een boom aankwam, als iemand, die iets[86]wil hebben, om er zijn woede op te koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den kelder lag,—dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,—maar hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt, vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd razende en tierende.

Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj, die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een persoon van gewicht heeft laten wachten.

“Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom,” zei hij met goedhartigheid en vriendelijkheid; “ik ben geheel tot uw orders.”

Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.

“Waar ben je?” riep hij hem toe.

“Ik ben hier,” antwoordde de stem van den ouden Kniesj.

“Hier? Waar dan?” brulde de soldaat.

“Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?”

Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk toelachte.

“Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?” vroeg de oude Kniesj, terwijl hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord trachtte te lezen.

“Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten.”

“Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!” antwoordde Mijnheer Iwan. “Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij wat vroeger wakker gemaakt hadden.”

Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben, gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.

“Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde de oude Kniesj.[87]

En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:

“Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan verdedigen tegen deze ellende …”

“Welke ellende?” vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom ontwaakte.

“Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig of het een generaal, een boer of een taart is … dan vraagt men zich wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient.”

Mijnheer Iwan viel hem in de rede:

“Ik heb een geduchte pijn in m’n hoofd. In plaats van zoo te babbelen, zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht.”

“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen,” riep de oude Kniesj uit. “Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen, Mijnheer Iwan, wat een geluk!…”

Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan nog eens een dienst te kunnen bewijzen.

Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde hem.

De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.

“Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten,” zei de oude man. “Ik zal dadelijk een glas voor u inschenken … Neem plaats, neem plaats …”[88]

“Ik heb geen tijd om te gaan zitten,” antwoordde Mijnheer Iwan, ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. “Geef maar gauw op; ik zal het wel staande leegdrinken … Heb je het geld al klaar? Ik heb haast, ik moet vertrekken …”

“Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u zeggen, Mijnheer Iwan …”

“Heb je het geld klaar?”

“Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor zulke arme menschen als wij …”

De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.

“Waartoe moeten al die praatjes dienen?” antwoordde Mijnheer Iwan hem, terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had, leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.

De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de tafel neerlegde.

“Hoor eens! Kan je tot drie tellen?” vroeg de soldaat aan den boer.

Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan, maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken, en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde hij met een guitig gezicht:

“Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens hooren!”[89]

“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.

“Kijk goed waar je je voeten neerzet.” Blz. 96.

“Met alle genoegen, Mijnheer Iwan,” antwoordde Kniesj. “Vijf, zes … Dat is volgens mij de beste manier om te tellen …[90]zeven, acht … Wijlen mijn vader telde altijd zoo … negen, tien … en hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden bedriegen … elf, twaalf.”

Slapende man met grote snor.

Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid voor zaken.

Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de geldbuidel leeg.

Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn[91]uiterlijk aan Kniesj nog woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel toeriep. Hij bekommerde zich over ’t geheel weinig om de beleefdheden van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.

“Goede reis!” mompelde de oude Kniesj, “ik hoop dat ik je nooit meer terugzie.”[92]


Back to IndexNext