XI.

[Inhoud]XI.Woorden en muziek.Oude man en meisje voor tentenkamp in het donker.Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen tot aan de rivier uitstrekten.De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen langzaam[108]de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten lach, een brokstuk uit een gesprek.Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het “Werda?” dat men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het legerkamp toe.Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en zelfs iets voor hen zong.Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van het gewone leven af te leiden en deze ver[109]van de werkelijkheid weg te voeren.Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald om hem dit aan te bieden.“Kom eens naderbij, kleine tooverheks!” riep een ruwe officier uit.En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:“Dat is voor je vader: kom het maar halen!”Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij zoo goed kon zingen?“Zal je ook komen?” riep een ander haar toe.Eenigen begonnen boos te worden.“Je moet die goede heeren bedanken, beste meid,” zei de grijsaard. “Ga naar hen toe en strek je hand naar hen uit.”Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit geld van den vijand brandde haar in de hand.“Dat meisje is niet leelijk,” zei er een.[110]“Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,” voegde een ander er bij.“Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!”“Dat blijft afgesproken, niet waar?” zei een derde.Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer te luisteren.Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, uit zijn tent gekomen.Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij had dit geheel vergeten.Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij liet zich een weinig smeeken.“Ik ben bang,” zei hij, “dat het u niet zal bevallen, naar datgene te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber.”“Ga je gang maar,” zei een lang en mager officier met een norsch en streng gezicht. “Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter rechter tijd gekomen.”“Wilt u het?” zei de grijsaard. “Welnu, luistert dan!”En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:“Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders hadden het vruchtbaar[111]gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze naburen tegen elkander: ‘Dat land is gelukkig, het is rijk, het is bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.’ En het kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, geheele steden verdwenen.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het was goed om ingepalmd te worden.“Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?“En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?”Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was alles duidelijk.Er ontstond een levendig gesprek.“Drommels! drommels!” zei de officier, die er zich zooeven over beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. “Dit oude lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt.”[112]“Hoor eens!” zei de jonge officier. “Die zanger heeft toch eigenlijk geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, wij moeten dus oprukken.”“Waarover hebben zij zich te beklagen?” zei een ander. “ ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs!’ Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een gedeelte van een groot rijk uit te maken?”“Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen,” zei de jonge, blonde officier. “Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer aan zullen denken;—voor hen, die over honderd jaren zullen leven, is dit zeker waar;—maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk.”“Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot stand te brengen.”“Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet verwerpelijk geacht worden.”“De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor de kleine niet slecht zijn,” zei een jonge kapitein.“Je hebt des te meer gelijk,” gaf de oude officier hierop ten antwoord, “omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms wel eens bang over al onze grootheid.”Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte baant zich overal een weg.[113]“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van den morgen terug.[114]“Die boeren vechten als helden,” zei er een.“Als duivels uit de hel,” antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in een doek had hangen. “Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen.”Drie soldaten, waarvan er twee zitten en een ligt.“Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,” zei een ander. “Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat hij zoo aan zijn eind zou komen? ‘Ach! zelfs geen lansstoot!’ riep hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo’n oorlog! Wat een leelijke wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn wolven, echte,[115]woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, maar ’t mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen wij het veld moeten ruimen.”“Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!” zei een oude officier.“Zij zouden zoo vechten,” zei een gekwetste soldaat, “als zij hun vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden.”Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, hij was dood.Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had laten hooren?Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden met den zanger in. “Wat een prachtige zanger!” zei men.“Het is een prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?”De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.“Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal zijn de moeite wel waard,[116]dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen.”Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.“Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!” zei hij lachende.En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.“Luister eens!” zei Maroessia tegen hem, “ik heb drie officieren hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op Tsjigirine te doen.”[117]

[Inhoud]XI.Woorden en muziek.Oude man en meisje voor tentenkamp in het donker.Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen tot aan de rivier uitstrekten.De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen langzaam[108]de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten lach, een brokstuk uit een gesprek.Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het “Werda?” dat men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het legerkamp toe.Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en zelfs iets voor hen zong.Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van het gewone leven af te leiden en deze ver[109]van de werkelijkheid weg te voeren.Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald om hem dit aan te bieden.“Kom eens naderbij, kleine tooverheks!” riep een ruwe officier uit.En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:“Dat is voor je vader: kom het maar halen!”Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij zoo goed kon zingen?“Zal je ook komen?” riep een ander haar toe.Eenigen begonnen boos te worden.“Je moet die goede heeren bedanken, beste meid,” zei de grijsaard. “Ga naar hen toe en strek je hand naar hen uit.”Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit geld van den vijand brandde haar in de hand.“Dat meisje is niet leelijk,” zei er een.[110]“Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,” voegde een ander er bij.“Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!”“Dat blijft afgesproken, niet waar?” zei een derde.Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer te luisteren.Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, uit zijn tent gekomen.Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij had dit geheel vergeten.Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij liet zich een weinig smeeken.“Ik ben bang,” zei hij, “dat het u niet zal bevallen, naar datgene te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber.”“Ga je gang maar,” zei een lang en mager officier met een norsch en streng gezicht. “Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter rechter tijd gekomen.”“Wilt u het?” zei de grijsaard. “Welnu, luistert dan!”En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:“Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders hadden het vruchtbaar[111]gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze naburen tegen elkander: ‘Dat land is gelukkig, het is rijk, het is bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.’ En het kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, geheele steden verdwenen.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het was goed om ingepalmd te worden.“Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?“En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?”Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was alles duidelijk.Er ontstond een levendig gesprek.“Drommels! drommels!” zei de officier, die er zich zooeven over beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. “Dit oude lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt.”[112]“Hoor eens!” zei de jonge officier. “Die zanger heeft toch eigenlijk geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, wij moeten dus oprukken.”“Waarover hebben zij zich te beklagen?” zei een ander. “ ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs!’ Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een gedeelte van een groot rijk uit te maken?”“Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen,” zei de jonge, blonde officier. “Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer aan zullen denken;—voor hen, die over honderd jaren zullen leven, is dit zeker waar;—maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk.”“Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot stand te brengen.”“Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet verwerpelijk geacht worden.”“De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor de kleine niet slecht zijn,” zei een jonge kapitein.“Je hebt des te meer gelijk,” gaf de oude officier hierop ten antwoord, “omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms wel eens bang over al onze grootheid.”Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte baant zich overal een weg.[113]“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van den morgen terug.[114]“Die boeren vechten als helden,” zei er een.“Als duivels uit de hel,” antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in een doek had hangen. “Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen.”Drie soldaten, waarvan er twee zitten en een ligt.“Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,” zei een ander. “Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat hij zoo aan zijn eind zou komen? ‘Ach! zelfs geen lansstoot!’ riep hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo’n oorlog! Wat een leelijke wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn wolven, echte,[115]woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, maar ’t mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen wij het veld moeten ruimen.”“Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!” zei een oude officier.“Zij zouden zoo vechten,” zei een gekwetste soldaat, “als zij hun vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden.”Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, hij was dood.Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had laten hooren?Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden met den zanger in. “Wat een prachtige zanger!” zei men.“Het is een prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?”De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.“Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal zijn de moeite wel waard,[116]dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen.”Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.“Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!” zei hij lachende.En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.“Luister eens!” zei Maroessia tegen hem, “ik heb drie officieren hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op Tsjigirine te doen.”[117]

XI.Woorden en muziek.

Oude man en meisje voor tentenkamp in het donker.Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen tot aan de rivier uitstrekten.De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen langzaam[108]de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten lach, een brokstuk uit een gesprek.Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het “Werda?” dat men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het legerkamp toe.Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en zelfs iets voor hen zong.Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van het gewone leven af te leiden en deze ver[109]van de werkelijkheid weg te voeren.Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald om hem dit aan te bieden.“Kom eens naderbij, kleine tooverheks!” riep een ruwe officier uit.En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:“Dat is voor je vader: kom het maar halen!”Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij zoo goed kon zingen?“Zal je ook komen?” riep een ander haar toe.Eenigen begonnen boos te worden.“Je moet die goede heeren bedanken, beste meid,” zei de grijsaard. “Ga naar hen toe en strek je hand naar hen uit.”Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit geld van den vijand brandde haar in de hand.“Dat meisje is niet leelijk,” zei er een.[110]“Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,” voegde een ander er bij.“Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!”“Dat blijft afgesproken, niet waar?” zei een derde.Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer te luisteren.Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, uit zijn tent gekomen.Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij had dit geheel vergeten.Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij liet zich een weinig smeeken.“Ik ben bang,” zei hij, “dat het u niet zal bevallen, naar datgene te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber.”“Ga je gang maar,” zei een lang en mager officier met een norsch en streng gezicht. “Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter rechter tijd gekomen.”“Wilt u het?” zei de grijsaard. “Welnu, luistert dan!”En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:“Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders hadden het vruchtbaar[111]gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze naburen tegen elkander: ‘Dat land is gelukkig, het is rijk, het is bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.’ En het kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, geheele steden verdwenen.“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het was goed om ingepalmd te worden.“Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?“En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?”Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was alles duidelijk.Er ontstond een levendig gesprek.“Drommels! drommels!” zei de officier, die er zich zooeven over beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. “Dit oude lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt.”[112]“Hoor eens!” zei de jonge officier. “Die zanger heeft toch eigenlijk geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, wij moeten dus oprukken.”“Waarover hebben zij zich te beklagen?” zei een ander. “ ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs!’ Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een gedeelte van een groot rijk uit te maken?”“Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen,” zei de jonge, blonde officier. “Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer aan zullen denken;—voor hen, die over honderd jaren zullen leven, is dit zeker waar;—maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk.”“Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot stand te brengen.”“Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet verwerpelijk geacht worden.”“De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor de kleine niet slecht zijn,” zei een jonge kapitein.“Je hebt des te meer gelijk,” gaf de oude officier hierop ten antwoord, “omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms wel eens bang over al onze grootheid.”Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte baant zich overal een weg.[113]“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van den morgen terug.[114]“Die boeren vechten als helden,” zei er een.“Als duivels uit de hel,” antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in een doek had hangen. “Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen.”Drie soldaten, waarvan er twee zitten en een ligt.“Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,” zei een ander. “Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat hij zoo aan zijn eind zou komen? ‘Ach! zelfs geen lansstoot!’ riep hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo’n oorlog! Wat een leelijke wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn wolven, echte,[115]woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, maar ’t mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen wij het veld moeten ruimen.”“Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!” zei een oude officier.“Zij zouden zoo vechten,” zei een gekwetste soldaat, “als zij hun vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden.”Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, hij was dood.Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had laten hooren?Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden met den zanger in. “Wat een prachtige zanger!” zei men.“Het is een prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?”De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.“Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal zijn de moeite wel waard,[116]dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen.”Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.“Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!” zei hij lachende.En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.“Luister eens!” zei Maroessia tegen hem, “ik heb drie officieren hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op Tsjigirine te doen.”[117]

Oude man en meisje voor tentenkamp in het donker.

Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen tot aan de rivier uitstrekten.

De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.

In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen langzaam[108]de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.

Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten lach, een brokstuk uit een gesprek.

Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het “Werda?” dat men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het legerkamp toe.

Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en zelfs iets voor hen zong.

Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.

Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van het gewone leven af te leiden en deze ver[109]van de werkelijkheid weg te voeren.

Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.

Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald om hem dit aan te bieden.

“Kom eens naderbij, kleine tooverheks!” riep een ruwe officier uit.

En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:

“Dat is voor je vader: kom het maar halen!”

Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij zoo goed kon zingen?

“Zal je ook komen?” riep een ander haar toe.

Eenigen begonnen boos te worden.

“Je moet die goede heeren bedanken, beste meid,” zei de grijsaard. “Ga naar hen toe en strek je hand naar hen uit.”

Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit geld van den vijand brandde haar in de hand.

“Dat meisje is niet leelijk,” zei er een.[110]

“Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,” voegde een ander er bij.

“Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!”

“Dat blijft afgesproken, niet waar?” zei een derde.

Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer te luisteren.

Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, uit zijn tent gekomen.

Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij had dit geheel vergeten.

Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij liet zich een weinig smeeken.

“Ik ben bang,” zei hij, “dat het u niet zal bevallen, naar datgene te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber.”

“Ga je gang maar,” zei een lang en mager officier met een norsch en streng gezicht. “Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter rechter tijd gekomen.”

“Wilt u het?” zei de grijsaard. “Welnu, luistert dan!”

En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:

“Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders hadden het vruchtbaar[111]gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze naburen tegen elkander: ‘Dat land is gelukkig, het is rijk, het is bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.’ En het kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, geheele steden verdwenen.

“Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het was goed om ingepalmd te worden.

“Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?

“En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?”

Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was alles duidelijk.

Er ontstond een levendig gesprek.

“Drommels! drommels!” zei de officier, die er zich zooeven over beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. “Dit oude lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt.”[112]

“Hoor eens!” zei de jonge officier. “Die zanger heeft toch eigenlijk geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, wij moeten dus oprukken.”

“Waarover hebben zij zich te beklagen?” zei een ander. “ ‘De Ukraine aan de Ukrainiërs!’ Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een gedeelte van een groot rijk uit te maken?”

“Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen,” zei de jonge, blonde officier. “Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer aan zullen denken;—voor hen, die over honderd jaren zullen leven, is dit zeker waar;—maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk.”

“Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot stand te brengen.”

“Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet verwerpelijk geacht worden.”

“De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor de kleine niet slecht zijn,” zei een jonge kapitein.

“Je hebt des te meer gelijk,” gaf de oude officier hierop ten antwoord, “omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms wel eens bang over al onze grootheid.”

Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte baant zich overal een weg.[113]

“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.

“Ik buig mij voor den grooten hetman neer.” Blz 120.

Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van den morgen terug.[114]

“Die boeren vechten als helden,” zei er een.

“Als duivels uit de hel,” antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in een doek had hangen. “Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen.”

Drie soldaten, waarvan er twee zitten en een ligt.

“Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,” zei een ander. “Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat hij zoo aan zijn eind zou komen? ‘Ach! zelfs geen lansstoot!’ riep hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo’n oorlog! Wat een leelijke wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn wolven, echte,[115]woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, maar ’t mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen wij het veld moeten ruimen.”

“Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!” zei een oude officier.

“Zij zouden zoo vechten,” zei een gekwetste soldaat, “als zij hun vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden.”

Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, hij was dood.

Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had laten hooren?

Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.

Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden met den zanger in. “Wat een prachtige zanger!” zei men.“Het is een prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?”

De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.

“Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal zijn de moeite wel waard,[116]dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen.”

Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.

“Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!” zei hij lachende.

En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.

“Luister eens!” zei Maroessia tegen hem, “ik heb drie officieren hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op Tsjigirine te doen.”[117]


Back to IndexNext