XII.

[Inhoud]XII.Men nadert.Ukrainse stad in het donker.Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook wilde dragen.“Ik ben niet moe,” antwoordde zij dan.De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing[118]af van hetgeen Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren hemel af.Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.“Zeg, jongeman,” zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij tegen het hek van een tuin zag aanleunen, “waar woont onze hetman?”De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:[119]“Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman.”Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:“Het schijnt dat onze hetman nog op is.”Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele maal bewoog.“Het is een schildwacht!” dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, als was hij in diepe gedachten verzonken.Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam zat, op en ging opendoen.De voetstappen, die men hoorde, hielden op.“De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten,” zei Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag dergelijke bezoekers ontving,—rondreizende muzikanten, die tijdingen van verre vrienden brachten.[120]“Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?” vroeg Tsjetsjewiek.Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op den drempel.Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:“Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?”Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer,” zei Tsjetsjewiek, terwijl hij een diepe buiging maakte.Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette insgelijks.“Je bent beiden welkom,” antwoordde de groote hetman. “Welk lied zal je voor mij zingen?”De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, zijn meening te zeggen of te verdedigen.“Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren.”De groote hetman antwoordde eerst niet.“Waar kom je vandaan?” vroeg hij eindelijk.“Van Zaporogië,” antwoordde Tsjetsjewiek. “De dapperen van Zaparogië bieden den grooten hetman hun groeten aan.”“In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te ontvangen,” antwoordde de hetman. “Kom in mijn kamer!”Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren[121]waren gewit, en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning aantreft.Zij sliepen niet! Blz. 124.Zij sliepen niet! Blz. 124.[122]Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken schitterden aan de muren.Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.Diverse wapens.Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.“Ik verzoek je, plaats te nemen,” zei de groote hetman.Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden[123]zich beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.“Waarom heb je dat kind bij je?” zei hij.“Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap.”De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot de voeten instopte.“Doofstom!” had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap en werd nu inderdaad doof en stom.[124]

[Inhoud]XII.Men nadert.Ukrainse stad in het donker.Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook wilde dragen.“Ik ben niet moe,” antwoordde zij dan.De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing[118]af van hetgeen Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren hemel af.Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.“Zeg, jongeman,” zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij tegen het hek van een tuin zag aanleunen, “waar woont onze hetman?”De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:[119]“Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman.”Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:“Het schijnt dat onze hetman nog op is.”Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele maal bewoog.“Het is een schildwacht!” dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, als was hij in diepe gedachten verzonken.Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam zat, op en ging opendoen.De voetstappen, die men hoorde, hielden op.“De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten,” zei Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag dergelijke bezoekers ontving,—rondreizende muzikanten, die tijdingen van verre vrienden brachten.[120]“Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?” vroeg Tsjetsjewiek.Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op den drempel.Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:“Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?”Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer,” zei Tsjetsjewiek, terwijl hij een diepe buiging maakte.Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette insgelijks.“Je bent beiden welkom,” antwoordde de groote hetman. “Welk lied zal je voor mij zingen?”De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, zijn meening te zeggen of te verdedigen.“Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren.”De groote hetman antwoordde eerst niet.“Waar kom je vandaan?” vroeg hij eindelijk.“Van Zaporogië,” antwoordde Tsjetsjewiek. “De dapperen van Zaparogië bieden den grooten hetman hun groeten aan.”“In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te ontvangen,” antwoordde de hetman. “Kom in mijn kamer!”Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren[121]waren gewit, en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning aantreft.Zij sliepen niet! Blz. 124.Zij sliepen niet! Blz. 124.[122]Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken schitterden aan de muren.Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.Diverse wapens.Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.“Ik verzoek je, plaats te nemen,” zei de groote hetman.Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden[123]zich beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.“Waarom heb je dat kind bij je?” zei hij.“Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap.”De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot de voeten instopte.“Doofstom!” had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap en werd nu inderdaad doof en stom.[124]

XII.Men nadert.

Ukrainse stad in het donker.Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook wilde dragen.“Ik ben niet moe,” antwoordde zij dan.De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing[118]af van hetgeen Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren hemel af.Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.“Zeg, jongeman,” zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij tegen het hek van een tuin zag aanleunen, “waar woont onze hetman?”De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:[119]“Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman.”Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:“Het schijnt dat onze hetman nog op is.”Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele maal bewoog.“Het is een schildwacht!” dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, als was hij in diepe gedachten verzonken.Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam zat, op en ging opendoen.De voetstappen, die men hoorde, hielden op.“De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten,” zei Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag dergelijke bezoekers ontving,—rondreizende muzikanten, die tijdingen van verre vrienden brachten.[120]“Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?” vroeg Tsjetsjewiek.Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op den drempel.Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:“Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?”Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.“Ik buig mij voor den grooten hetman neer,” zei Tsjetsjewiek, terwijl hij een diepe buiging maakte.Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette insgelijks.“Je bent beiden welkom,” antwoordde de groote hetman. “Welk lied zal je voor mij zingen?”De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, zijn meening te zeggen of te verdedigen.“Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren.”De groote hetman antwoordde eerst niet.“Waar kom je vandaan?” vroeg hij eindelijk.“Van Zaporogië,” antwoordde Tsjetsjewiek. “De dapperen van Zaparogië bieden den grooten hetman hun groeten aan.”“In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te ontvangen,” antwoordde de hetman. “Kom in mijn kamer!”Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren[121]waren gewit, en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning aantreft.Zij sliepen niet! Blz. 124.Zij sliepen niet! Blz. 124.[122]Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken schitterden aan de muren.Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.Diverse wapens.Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.“Ik verzoek je, plaats te nemen,” zei de groote hetman.Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden[123]zich beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.“Waarom heb je dat kind bij je?” zei hij.“Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap.”De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot de voeten instopte.“Doofstom!” had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap en werd nu inderdaad doof en stom.[124]

Ukrainse stad in het donker.

Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook wilde dragen.

“Ik ben niet moe,” antwoordde zij dan.

De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing[118]af van hetgeen Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.

Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren hemel af.

Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.

De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.

Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.

Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.

“Zeg, jongeman,” zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij tegen het hek van een tuin zag aanleunen, “waar woont onze hetman?”

De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:[119]

“Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman.”

Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.

Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:

“Het schijnt dat onze hetman nog op is.”

Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele maal bewoog.

“Het is een schildwacht!” dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.

De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, als was hij in diepe gedachten verzonken.

Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.

De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.

Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam zat, op en ging opendoen.

De voetstappen, die men hoorde, hielden op.

“De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten,” zei Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.

Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag dergelijke bezoekers ontving,—rondreizende muzikanten, die tijdingen van verre vrienden brachten.[120]

“Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?” vroeg Tsjetsjewiek.

Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op den drempel.

Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:

“Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?”

Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.

“Ik buig mij voor den grooten hetman neer,” zei Tsjetsjewiek, terwijl hij een diepe buiging maakte.

Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette insgelijks.

“Je bent beiden welkom,” antwoordde de groote hetman. “Welk lied zal je voor mij zingen?”

De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, zijn meening te zeggen of te verdedigen.

“Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren.”

De groote hetman antwoordde eerst niet.

“Waar kom je vandaan?” vroeg hij eindelijk.

“Van Zaporogië,” antwoordde Tsjetsjewiek. “De dapperen van Zaparogië bieden den grooten hetman hun groeten aan.”

“In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te ontvangen,” antwoordde de hetman. “Kom in mijn kamer!”

Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.

Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren[121]waren gewit, en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning aantreft.

Zij sliepen niet! Blz. 124.Zij sliepen niet! Blz. 124.

Zij sliepen niet! Blz. 124.

[122]

Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken schitterden aan de muren.

Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.

Diverse wapens.

Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.

“Ik verzoek je, plaats te nemen,” zei de groote hetman.

Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden[123]zich beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.

“Waarom heb je dat kind bij je?” zei hij.

“Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap.”

De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot de voeten instopte.

“Doofstom!” had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.

Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.

Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.

Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap en werd nu inderdaad doof en stom.[124]


Back to IndexNext