[Inhoud]XIII.De hetman zwicht.Oude man met meisje spreekt met duistere figuur.Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, van soldaten, oorlog en haar vaderland.Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig rond.Zij sliepen niet!Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid van een slag, die hem[125]met de meeste juistheid toegebracht was, hem als versteend had.Eindelijk sprak hij:“Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan.”“Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig bestuur?” antwoordde Tsjetsjewiek kalm. “Men moet in eendracht macht zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding.”De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover Tsjetsjewiek neer.“Als ik je wel begrijp,” zei hij, “reken je er op, dat ik, omdat ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol heeft geleerd, vraag je van mij zoo’n daad van zelfverloochening.”“En dat is,” zei Tsjetsjewiek, “om het hem onmogelijk te maken, zijn Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere[126]reden, ieder voorwendsel te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; ‘omdat wij weten, dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, u een tijdlang op den achtergrond te stellen.’”“Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?”“Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet kosten, er toe te besluiten.”“En als de ellendeling ons toch eens verkocht?…”“Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had,” zei Tsjetsjewiek bedaard. “Iemand houdt hem in het oog, die niet zou toelaten, dat hij zich geheel onteerde.”Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, dat zij gerust kon zijn.De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.“Ziedaar!” zei hij tegen hem, “ben je nu tevreden?”Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:“Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult meer dan een hunner hebben[127]verricht, u zult afstand van uw macht gedaan hebben om haar te redden,—zonder er zelfs zeker van te zijn, te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons het spel kan doen winnen.”Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.Man met snor schrijvend met ganzeveer.“Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?” vroeg de hetman. “Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij zelf niet in staat is te geven?”“Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen.[128]En als alles niet naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was.”Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar namen zij afscheid.Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis achter en begaven zich naar de poort der stad.De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel eener rivier.Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden blik.“ZouhijTsjigirine kunnen verdedigen?” vroeg zij aan haar vriend.“Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel wat anders doen dan onze steden in te nemen.”“Maaralsmen er eens een aanval op deed?”“Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven.”Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles nauwkeurig kon gadeslaan.Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen,[129]versperde een reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen opgekomen te zijn, hun den weg.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.[130]“Welken weg wil je inslaan?” vroeg hij.“Dien der eerlijke lieden,” luidde het antwoord.“Waar ga je naar toe?”“Naar eerlijke lieden.”“Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet.”“Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven.”“Welnu,”hernam de kozak—“als je er op staat dan kun je voor mijn part weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent.”Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden om voldaan op te merken: “Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des te beter.”[131]
[Inhoud]XIII.De hetman zwicht.Oude man met meisje spreekt met duistere figuur.Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, van soldaten, oorlog en haar vaderland.Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig rond.Zij sliepen niet!Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid van een slag, die hem[125]met de meeste juistheid toegebracht was, hem als versteend had.Eindelijk sprak hij:“Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan.”“Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig bestuur?” antwoordde Tsjetsjewiek kalm. “Men moet in eendracht macht zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding.”De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover Tsjetsjewiek neer.“Als ik je wel begrijp,” zei hij, “reken je er op, dat ik, omdat ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol heeft geleerd, vraag je van mij zoo’n daad van zelfverloochening.”“En dat is,” zei Tsjetsjewiek, “om het hem onmogelijk te maken, zijn Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere[126]reden, ieder voorwendsel te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; ‘omdat wij weten, dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, u een tijdlang op den achtergrond te stellen.’”“Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?”“Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet kosten, er toe te besluiten.”“En als de ellendeling ons toch eens verkocht?…”“Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had,” zei Tsjetsjewiek bedaard. “Iemand houdt hem in het oog, die niet zou toelaten, dat hij zich geheel onteerde.”Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, dat zij gerust kon zijn.De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.“Ziedaar!” zei hij tegen hem, “ben je nu tevreden?”Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:“Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult meer dan een hunner hebben[127]verricht, u zult afstand van uw macht gedaan hebben om haar te redden,—zonder er zelfs zeker van te zijn, te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons het spel kan doen winnen.”Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.Man met snor schrijvend met ganzeveer.“Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?” vroeg de hetman. “Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij zelf niet in staat is te geven?”“Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen.[128]En als alles niet naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was.”Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar namen zij afscheid.Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis achter en begaven zich naar de poort der stad.De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel eener rivier.Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden blik.“ZouhijTsjigirine kunnen verdedigen?” vroeg zij aan haar vriend.“Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel wat anders doen dan onze steden in te nemen.”“Maaralsmen er eens een aanval op deed?”“Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven.”Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles nauwkeurig kon gadeslaan.Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen,[129]versperde een reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen opgekomen te zijn, hun den weg.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.[130]“Welken weg wil je inslaan?” vroeg hij.“Dien der eerlijke lieden,” luidde het antwoord.“Waar ga je naar toe?”“Naar eerlijke lieden.”“Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet.”“Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven.”“Welnu,”hernam de kozak—“als je er op staat dan kun je voor mijn part weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent.”Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden om voldaan op te merken: “Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des te beter.”[131]
XIII.De hetman zwicht.
Oude man met meisje spreekt met duistere figuur.Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, van soldaten, oorlog en haar vaderland.Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig rond.Zij sliepen niet!Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid van een slag, die hem[125]met de meeste juistheid toegebracht was, hem als versteend had.Eindelijk sprak hij:“Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan.”“Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig bestuur?” antwoordde Tsjetsjewiek kalm. “Men moet in eendracht macht zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding.”De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover Tsjetsjewiek neer.“Als ik je wel begrijp,” zei hij, “reken je er op, dat ik, omdat ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol heeft geleerd, vraag je van mij zoo’n daad van zelfverloochening.”“En dat is,” zei Tsjetsjewiek, “om het hem onmogelijk te maken, zijn Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere[126]reden, ieder voorwendsel te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; ‘omdat wij weten, dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, u een tijdlang op den achtergrond te stellen.’”“Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?”“Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet kosten, er toe te besluiten.”“En als de ellendeling ons toch eens verkocht?…”“Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had,” zei Tsjetsjewiek bedaard. “Iemand houdt hem in het oog, die niet zou toelaten, dat hij zich geheel onteerde.”Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, dat zij gerust kon zijn.De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.“Ziedaar!” zei hij tegen hem, “ben je nu tevreden?”Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:“Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult meer dan een hunner hebben[127]verricht, u zult afstand van uw macht gedaan hebben om haar te redden,—zonder er zelfs zeker van te zijn, te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons het spel kan doen winnen.”Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.Man met snor schrijvend met ganzeveer.“Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?” vroeg de hetman. “Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij zelf niet in staat is te geven?”“Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen.[128]En als alles niet naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was.”Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar namen zij afscheid.Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis achter en begaven zich naar de poort der stad.De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel eener rivier.Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden blik.“ZouhijTsjigirine kunnen verdedigen?” vroeg zij aan haar vriend.“Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel wat anders doen dan onze steden in te nemen.”“Maaralsmen er eens een aanval op deed?”“Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven.”Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles nauwkeurig kon gadeslaan.Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen,[129]versperde een reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen opgekomen te zijn, hun den weg.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.[130]“Welken weg wil je inslaan?” vroeg hij.“Dien der eerlijke lieden,” luidde het antwoord.“Waar ga je naar toe?”“Naar eerlijke lieden.”“Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet.”“Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven.”“Welnu,”hernam de kozak—“als je er op staat dan kun je voor mijn part weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent.”Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden om voldaan op te merken: “Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des te beter.”[131]
Oude man met meisje spreekt met duistere figuur.
Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, van soldaten, oorlog en haar vaderland.
Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig rond.
Zij sliepen niet!
Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid van een slag, die hem[125]met de meeste juistheid toegebracht was, hem als versteend had.
Eindelijk sprak hij:
“Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan.”
“Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig bestuur?” antwoordde Tsjetsjewiek kalm. “Men moet in eendracht macht zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding.”
De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.
Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.
Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover Tsjetsjewiek neer.
“Als ik je wel begrijp,” zei hij, “reken je er op, dat ik, omdat ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol heeft geleerd, vraag je van mij zoo’n daad van zelfverloochening.”
“En dat is,” zei Tsjetsjewiek, “om het hem onmogelijk te maken, zijn Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere[126]reden, ieder voorwendsel te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; ‘omdat wij weten, dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, u een tijdlang op den achtergrond te stellen.’”
“Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?”
“Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet kosten, er toe te besluiten.”
“En als de ellendeling ons toch eens verkocht?…”
“Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had,” zei Tsjetsjewiek bedaard. “Iemand houdt hem in het oog, die niet zou toelaten, dat hij zich geheel onteerde.”
Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?
Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, dat zij gerust kon zijn.
De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.
Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.
“Ziedaar!” zei hij tegen hem, “ben je nu tevreden?”
Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:
“Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult meer dan een hunner hebben[127]verricht, u zult afstand van uw macht gedaan hebben om haar te redden,—zonder er zelfs zeker van te zijn, te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons het spel kan doen winnen.”
Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.
Man met snor schrijvend met ganzeveer.
“Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?” vroeg de hetman. “Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij zelf niet in staat is te geven?”
“Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen.[128]En als alles niet naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was.”
Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.
De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar namen zij afscheid.
Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis achter en begaven zich naar de poort der stad.
De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel eener rivier.
Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.
Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden blik.
“ZouhijTsjigirine kunnen verdedigen?” vroeg zij aan haar vriend.
“Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel wat anders doen dan onze steden in te nemen.”
“Maaralsmen er eens een aanval op deed?”
“Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven.”
Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.
Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles nauwkeurig kon gadeslaan.
Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen,[129]versperde een reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen opgekomen te zijn, hun den weg.
Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.
Plotseling kwam er een boot uit het hooge riet. Blz. 132.
[130]
“Welken weg wil je inslaan?” vroeg hij.
“Dien der eerlijke lieden,” luidde het antwoord.
“Waar ga je naar toe?”
“Naar eerlijke lieden.”
“Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet.”
“Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven.”
“Welnu,”hernam de kozak—“als je er op staat dan kun je voor mijn part weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent.”
Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden om voldaan op te merken: “Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des te beter.”[131]