XIV.

[Inhoud]XIV.Ontmoetingen.Twee mannen met meisje in roeiboot.Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, hun voeten stukgeloopen.Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, die hen tegenkwamen en die ternauwernood[132]een woord en soms slechts een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.“Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het graf van Nadneprowka zijn,” zei Tsjetsjewiek tegen het kind.Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de struiken en het hooge gras, die “het graf” bedekten, waren als in een vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit mooie natuurtafreel.Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen aan den oever der rivier in het riet te zitten.De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, dat ’t al dichterbij gekomen was.Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw[133]van de meeuw zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf van Nadneprowka bevond.Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht vervaardigd was.Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind meegevoerd wordt.“Het is tijd om naar den oever te gaan,” Maroessia, zei de groote vriend.Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,—men zou in deze woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,—liepen zij met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk aan den oever, dicht bij de rivier.“Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!” zei een welbekende stem.De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, de oude Kniesj.“Gezondheid en goed geluk!” antwoordde hem de groote vriend.“Hoe gaat het, beste meid?” vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen op Maroessia gevestigd hield.“Heel goed!” gaf Maroessia ten antwoord. “En Taras?”“Taras heeft Maroessia niet vergeten.”[134]Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar vermoeienissen vergeten waren.Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg met een blik haar grooten vriend.“Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed,” zei hij. “U kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij hebben toevertrouwd.”“Maar komaan,” ging hij voort, “het is kalm op het water. Er is geen enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan.”Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, die den baard van den goeden landbouwer vormden.Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.“Hoor je wel, Maroessia?” zei Tsjetsjewiek, “het mannetje antwoordt daarop.”“Ik begrijp het, ik begrijp het,” zei het meisje. “De meeuwen aan den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels hebben.”Kniesj had zijn boot in het water geduwd.“Ga jij hier maar zitten, beste meid,” zei hij, terwijl hij z’n hand aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide oevers van den Dnjéper voort.[135]

[Inhoud]XIV.Ontmoetingen.Twee mannen met meisje in roeiboot.Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, hun voeten stukgeloopen.Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, die hen tegenkwamen en die ternauwernood[132]een woord en soms slechts een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.“Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het graf van Nadneprowka zijn,” zei Tsjetsjewiek tegen het kind.Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de struiken en het hooge gras, die “het graf” bedekten, waren als in een vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit mooie natuurtafreel.Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen aan den oever der rivier in het riet te zitten.De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, dat ’t al dichterbij gekomen was.Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw[133]van de meeuw zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf van Nadneprowka bevond.Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht vervaardigd was.Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind meegevoerd wordt.“Het is tijd om naar den oever te gaan,” Maroessia, zei de groote vriend.Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,—men zou in deze woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,—liepen zij met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk aan den oever, dicht bij de rivier.“Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!” zei een welbekende stem.De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, de oude Kniesj.“Gezondheid en goed geluk!” antwoordde hem de groote vriend.“Hoe gaat het, beste meid?” vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen op Maroessia gevestigd hield.“Heel goed!” gaf Maroessia ten antwoord. “En Taras?”“Taras heeft Maroessia niet vergeten.”[134]Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar vermoeienissen vergeten waren.Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg met een blik haar grooten vriend.“Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed,” zei hij. “U kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij hebben toevertrouwd.”“Maar komaan,” ging hij voort, “het is kalm op het water. Er is geen enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan.”Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, die den baard van den goeden landbouwer vormden.Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.“Hoor je wel, Maroessia?” zei Tsjetsjewiek, “het mannetje antwoordt daarop.”“Ik begrijp het, ik begrijp het,” zei het meisje. “De meeuwen aan den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels hebben.”Kniesj had zijn boot in het water geduwd.“Ga jij hier maar zitten, beste meid,” zei hij, terwijl hij z’n hand aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide oevers van den Dnjéper voort.[135]

XIV.Ontmoetingen.

Twee mannen met meisje in roeiboot.Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, hun voeten stukgeloopen.Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, die hen tegenkwamen en die ternauwernood[132]een woord en soms slechts een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.“Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het graf van Nadneprowka zijn,” zei Tsjetsjewiek tegen het kind.Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de struiken en het hooge gras, die “het graf” bedekten, waren als in een vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit mooie natuurtafreel.Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen aan den oever der rivier in het riet te zitten.De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, dat ’t al dichterbij gekomen was.Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw[133]van de meeuw zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf van Nadneprowka bevond.Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht vervaardigd was.Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind meegevoerd wordt.“Het is tijd om naar den oever te gaan,” Maroessia, zei de groote vriend.Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,—men zou in deze woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,—liepen zij met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk aan den oever, dicht bij de rivier.“Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!” zei een welbekende stem.De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, de oude Kniesj.“Gezondheid en goed geluk!” antwoordde hem de groote vriend.“Hoe gaat het, beste meid?” vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen op Maroessia gevestigd hield.“Heel goed!” gaf Maroessia ten antwoord. “En Taras?”“Taras heeft Maroessia niet vergeten.”[134]Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar vermoeienissen vergeten waren.Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg met een blik haar grooten vriend.“Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed,” zei hij. “U kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij hebben toevertrouwd.”“Maar komaan,” ging hij voort, “het is kalm op het water. Er is geen enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan.”Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, die den baard van den goeden landbouwer vormden.Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.“Hoor je wel, Maroessia?” zei Tsjetsjewiek, “het mannetje antwoordt daarop.”“Ik begrijp het, ik begrijp het,” zei het meisje. “De meeuwen aan den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels hebben.”Kniesj had zijn boot in het water geduwd.“Ga jij hier maar zitten, beste meid,” zei hij, terwijl hij z’n hand aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide oevers van den Dnjéper voort.[135]

Twee mannen met meisje in roeiboot.

Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.

Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, hun voeten stukgeloopen.

Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.

Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, die hen tegenkwamen en die ternauwernood[132]een woord en soms slechts een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.

Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.

“Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het graf van Nadneprowka zijn,” zei Tsjetsjewiek tegen het kind.

Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.

De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.

De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de struiken en het hooge gras, die “het graf” bedekten, waren als in een vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.

Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit mooie natuurtafreel.

Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen aan den oever der rivier in het riet te zitten.

De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.

Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, dat ’t al dichterbij gekomen was.

Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw[133]van de meeuw zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf van Nadneprowka bevond.

Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht vervaardigd was.

Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.

Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind meegevoerd wordt.

“Het is tijd om naar den oever te gaan,” Maroessia, zei de groote vriend.

Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,—men zou in deze woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,—liepen zij met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk aan den oever, dicht bij de rivier.

“Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!” zei een welbekende stem.

De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, de oude Kniesj.

“Gezondheid en goed geluk!” antwoordde hem de groote vriend.

“Hoe gaat het, beste meid?” vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen op Maroessia gevestigd hield.

“Heel goed!” gaf Maroessia ten antwoord. “En Taras?”

“Taras heeft Maroessia niet vergeten.”[134]

Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar vermoeienissen vergeten waren.

Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg met een blik haar grooten vriend.

“Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed,” zei hij. “U kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij hebben toevertrouwd.”

“Maar komaan,” ging hij voort, “het is kalm op het water. Er is geen enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan.”

Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, die den baard van den goeden landbouwer vormden.

Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.

“Hoor je wel, Maroessia?” zei Tsjetsjewiek, “het mannetje antwoordt daarop.”

“Ik begrijp het, ik begrijp het,” zei het meisje. “De meeuwen aan den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels hebben.”

Kniesj had zijn boot in het water geduwd.

“Ga jij hier maar zitten, beste meid,” zei hij, terwijl hij z’n hand aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide oevers van den Dnjéper voort.[135]


Back to IndexNext