[Inhoud]XV.Op het water.Twee mannen in boot met paard op de oever.Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:“Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?”“Alles zal beter afloopen dan je denkt,” antwoordde de landbouwer. “De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand …”“Dat zou gekker zijn,” viel de groote vriend hem in de rede. “Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe.”“Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?” liet Kniesj hierop volgen.[136]“Die,” hernam Tsjetsjewiek, “die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,—hij is niet volmaakt,—maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie.”“Nu,” zei Kniesj, “dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben.”“Hij moest het wel doen,” zei Tsjetsjewiek.“Dan,” hernam Kniesj, “kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien.”“Wij zullen het wel met hem klaar spelen,” merkte Tsjetsjewiek op.Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.“Ik vergat, mijn kind te laten slapen,” zei hij.“Ik wil niet slapen,” zei het meisje.“Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen,” zei de groote vriend op vastberaden toon. “Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen.”In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.“Daarginds, aan dien kant,” zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, “zien jullie daar niets?”“Het kind heeft gelijk,” zei Kniesj, “daar zijn ze.”“Stil!” beval de groote vriend.De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende[137]Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het[138]waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:“Goed geluk en gezondheid!”“Goed geluk en gezondheid!” antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.“Maroessia,” zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, “dat moest ik je geven van je moeder.”Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:“Gaat het met allen goed?”“Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten.”“En,” zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, “hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?”“Wat een huishoudster!” zei Andry. “Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als ’t een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden.”“Welke tijdingen brengen jullie,” vroeg Tsjetsjewiek, “in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?”“Velen zijn tevreden,” antwoordde Vorosjilo. “Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen …”“Anderen,” zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, “anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z’n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben.”En zich tot Maroessia wendend zei hij:“Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen … Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga.”En hij begon zijn sprookje aldus:[139]De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”“Begrijp je ’t, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?”Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.Vorosjilo klopte hem op den schouder.“Word wakker,” zei hij tegen hem, “en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!”Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:“Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is.”De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.“Neem Maroessia achter u,” zei hij tegen Tsjetsjewiek, “en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden.”[142]De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.[143]
[Inhoud]XV.Op het water.Twee mannen in boot met paard op de oever.Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:“Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?”“Alles zal beter afloopen dan je denkt,” antwoordde de landbouwer. “De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand …”“Dat zou gekker zijn,” viel de groote vriend hem in de rede. “Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe.”“Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?” liet Kniesj hierop volgen.[136]“Die,” hernam Tsjetsjewiek, “die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,—hij is niet volmaakt,—maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie.”“Nu,” zei Kniesj, “dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben.”“Hij moest het wel doen,” zei Tsjetsjewiek.“Dan,” hernam Kniesj, “kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien.”“Wij zullen het wel met hem klaar spelen,” merkte Tsjetsjewiek op.Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.“Ik vergat, mijn kind te laten slapen,” zei hij.“Ik wil niet slapen,” zei het meisje.“Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen,” zei de groote vriend op vastberaden toon. “Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen.”In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.“Daarginds, aan dien kant,” zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, “zien jullie daar niets?”“Het kind heeft gelijk,” zei Kniesj, “daar zijn ze.”“Stil!” beval de groote vriend.De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende[137]Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het[138]waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:“Goed geluk en gezondheid!”“Goed geluk en gezondheid!” antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.“Maroessia,” zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, “dat moest ik je geven van je moeder.”Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:“Gaat het met allen goed?”“Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten.”“En,” zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, “hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?”“Wat een huishoudster!” zei Andry. “Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als ’t een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden.”“Welke tijdingen brengen jullie,” vroeg Tsjetsjewiek, “in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?”“Velen zijn tevreden,” antwoordde Vorosjilo. “Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen …”“Anderen,” zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, “anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z’n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben.”En zich tot Maroessia wendend zei hij:“Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen … Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga.”En hij begon zijn sprookje aldus:[139]De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”“Begrijp je ’t, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?”Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.Vorosjilo klopte hem op den schouder.“Word wakker,” zei hij tegen hem, “en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!”Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:“Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is.”De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.“Neem Maroessia achter u,” zei hij tegen Tsjetsjewiek, “en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden.”[142]De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.[143]
XV.Op het water.
Twee mannen in boot met paard op de oever.Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:“Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?”“Alles zal beter afloopen dan je denkt,” antwoordde de landbouwer. “De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand …”“Dat zou gekker zijn,” viel de groote vriend hem in de rede. “Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe.”“Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?” liet Kniesj hierop volgen.[136]“Die,” hernam Tsjetsjewiek, “die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,—hij is niet volmaakt,—maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie.”“Nu,” zei Kniesj, “dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben.”“Hij moest het wel doen,” zei Tsjetsjewiek.“Dan,” hernam Kniesj, “kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien.”“Wij zullen het wel met hem klaar spelen,” merkte Tsjetsjewiek op.Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.“Ik vergat, mijn kind te laten slapen,” zei hij.“Ik wil niet slapen,” zei het meisje.“Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen,” zei de groote vriend op vastberaden toon. “Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen.”In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.“Daarginds, aan dien kant,” zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, “zien jullie daar niets?”“Het kind heeft gelijk,” zei Kniesj, “daar zijn ze.”“Stil!” beval de groote vriend.De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende[137]Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het[138]waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:“Goed geluk en gezondheid!”“Goed geluk en gezondheid!” antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.“Maroessia,” zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, “dat moest ik je geven van je moeder.”Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:“Gaat het met allen goed?”“Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten.”“En,” zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, “hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?”“Wat een huishoudster!” zei Andry. “Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als ’t een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden.”“Welke tijdingen brengen jullie,” vroeg Tsjetsjewiek, “in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?”“Velen zijn tevreden,” antwoordde Vorosjilo. “Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen …”“Anderen,” zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, “anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z’n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben.”En zich tot Maroessia wendend zei hij:“Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen … Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga.”En hij begon zijn sprookje aldus:[139]De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”“Begrijp je ’t, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?”Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.Vorosjilo klopte hem op den schouder.“Word wakker,” zei hij tegen hem, “en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!”Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:“Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is.”De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.“Neem Maroessia achter u,” zei hij tegen Tsjetsjewiek, “en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden.”[142]De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.[143]
Twee mannen in boot met paard op de oever.
Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:
“Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?”
“Alles zal beter afloopen dan je denkt,” antwoordde de landbouwer. “De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand …”
“Dat zou gekker zijn,” viel de groote vriend hem in de rede. “Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe.”
“Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?” liet Kniesj hierop volgen.[136]
“Die,” hernam Tsjetsjewiek, “die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,—hij is niet volmaakt,—maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie.”
“Nu,” zei Kniesj, “dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben.”
“Hij moest het wel doen,” zei Tsjetsjewiek.
“Dan,” hernam Kniesj, “kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien.”
“Wij zullen het wel met hem klaar spelen,” merkte Tsjetsjewiek op.
Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.
“Ik vergat, mijn kind te laten slapen,” zei hij.
“Ik wil niet slapen,” zei het meisje.
“Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen,” zei de groote vriend op vastberaden toon. “Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen.”
In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.
“Daarginds, aan dien kant,” zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, “zien jullie daar niets?”
“Het kind heeft gelijk,” zei Kniesj, “daar zijn ze.”
“Stil!” beval de groote vriend.
De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende[137]Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het[138]waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.
Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.
Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.
De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:
“Goed geluk en gezondheid!”
“Goed geluk en gezondheid!” antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.
“Maroessia,” zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, “dat moest ik je geven van je moeder.”
Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:
“Gaat het met allen goed?”
“Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten.”
“En,” zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, “hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?”
“Wat een huishoudster!” zei Andry. “Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als ’t een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden.”
“Welke tijdingen brengen jullie,” vroeg Tsjetsjewiek, “in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?”
“Velen zijn tevreden,” antwoordde Vorosjilo. “Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen …”
“Anderen,” zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, “anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z’n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben.”
En zich tot Maroessia wendend zei hij:
“Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen … Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga.”
En hij begon zijn sprookje aldus:[139]
De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
De geschiedenis van den kreeft.“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
De geschiedenis van den kreeft.
“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.
Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?
De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.
Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.
“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.
Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.
“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.
Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen[140]minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.
Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.
“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”
Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.
Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.
Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.
“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”
Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.
“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”[141]
“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
“Begrijp je ’t, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?”
Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.
Vorosjilo klopte hem op den schouder.
“Word wakker,” zei hij tegen hem, “en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!”
Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:
“Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is.”
De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.
De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.
Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.
“Neem Maroessia achter u,” zei hij tegen Tsjetsjewiek, “en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden.”[142]
De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.[143]