[Inhoud]XIX.Laatste kransen.Zittende oude man met meisje.Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!“Hebben wij nog ver te loopen?” vroeg Maroessia.“Je bent zeker erg vermoeid, liefste?” vroeg haar groote vriend aan haar.“Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog een groot stuk af te leggen hebben.”“Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?”“Neen, neen … Heusch niet.”“Je zegt, dat je niet vermoeid bent,” hernam haar groote vriend glimlachende. “Ben je daar wel zeker van? Ach, m’n kind, ik zie het aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen.”[174]En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.“Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!” riep het kleine meisje uit. “U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet …”En bij zich zelf zeide zij: “Als een soldaat, die den oorlog zoolang meegemaakt heeft,” (die soldaat was zij), “die overwinnaar en zelfs overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens gekwetst is, dat is schandelijk!”Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,—er waren dien kant uit nog eenige velden, die niet verwoest waren,—dan weer door kleine boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver van daar, een bloedbad hadden beschenen.Zij gingen nu langs een korenveld. “Wat een hoop korenbloemen!” zei de groote vriend; “kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel en zulke mooie gezien.”“Hoor eens, Maroessia,” ging hij voort, “ik geloof, dat wij hier eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van korenbloemen voor mij vlechten.”Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl[175]hij zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, die er binnen zijn bereik waren.“Pluk de stelen niet te kort af,” zei Maroessia tegen hem, “dan zal het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten.”Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.“Dat moet u niet doen,” zei Maroessia tegen hem, “dat is jammer voor hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!”De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.“Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend,” zei hij. “Ik ben als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat hij tegen de steenen aanstiet.”“Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!” riep Maroessia hem toe. “Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna onder bedolven, ’t Is genoeg om honderd kransen te vlechten.”En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend te brengen.“Zeg het mij maar ronduit,” zei haar groote vriend. “Wil je er nog meer hebben?”“Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga nu ook wat uitrusten.”Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was zij zooeven nog vroolijk, thans[176]was zij plotseling ernstig geworden.“Waar denkt mijn kind aan?” zei hij tegen Maroessia.Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:“Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, toen ik ook nog klein was.”“Dat was in den gelukkigen tijd,” zei Tsjetsjewiek, “toen de kinderen zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen geluk voor je geweest, en evenmin voor hen.”Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.“Zwijg!” zei ze zacht. “Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf mij heeft bevolen,—den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de vrije Ukraine?”Tsjetsjewiek viel haar in de rede.“Ja, waar is Mefodijewna?”Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht meer aan spreken.Het kind was opgestaan.Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde er heen.“Zie je dit dorp, Maroessia?” zei de groote vriend tegen haar.“Ja, ik zie het,” antwoordde zij.“Het is een groot dorp, niet waar?”“Ja, het schijnt mij groot toe.”“Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine[177]is, des te meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden zich daarin; want langs dezen weg en[178]langs andere zijn mannen, zonen, broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?”Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190“Of ik het begrijp!” riep zij uit.Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere bladeren der berken.“Wij zijn er in,” zei haar groote vriend, terwijl hij de takken wegboog en in het kreupelhout doordrong. “Wij zullen zoo aanstonds aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden.”Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, dat hij wenschte te ontdekken.Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.“Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had gegeven, dat het goud de slechtste[179]der afgoden is. Ga onder dezen eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren.”Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: “De bijl heeft nooit dien boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het waar, dat de dingen zich zelf opwekken.”Het kind luisterde verwonderd naar hem.“Hij is somber,” zei zij bij zich zelf,“en daar heeft hij wel reden voor.”Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien op den schoot van Maroessia.“Die twee zijn juist een paar,” zei hij. “Deze krans zegt ons, dat wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, en onze voorhoede is vooruitgegaan.”Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het althans aan Maroessia toescheen.[180]“Het is zonder twijfel een jongmensch,” zei haar groote vriend. “Zijn stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan.”Man met snor draagt meisje.En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar zijn lippen had gebracht, zoo’n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.[181]“Je moet je niet ongerust maken,” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet.”“Ik zal hier blijven,” antwoordde Maroessia.En zij dacht: “Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen.”Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.“Vooral geen sombere gedachten!” zei hij tegen haar. “Laat niets je terneerslaan, noch vandaag, noch ooit.”“Neen, ik zal niet somber wezen,” antwoordde Maroessia. “Ik zal standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, zelfs om te sterven.”Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in het dichte bosch.[182]
[Inhoud]XIX.Laatste kransen.Zittende oude man met meisje.Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!“Hebben wij nog ver te loopen?” vroeg Maroessia.“Je bent zeker erg vermoeid, liefste?” vroeg haar groote vriend aan haar.“Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog een groot stuk af te leggen hebben.”“Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?”“Neen, neen … Heusch niet.”“Je zegt, dat je niet vermoeid bent,” hernam haar groote vriend glimlachende. “Ben je daar wel zeker van? Ach, m’n kind, ik zie het aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen.”[174]En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.“Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!” riep het kleine meisje uit. “U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet …”En bij zich zelf zeide zij: “Als een soldaat, die den oorlog zoolang meegemaakt heeft,” (die soldaat was zij), “die overwinnaar en zelfs overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens gekwetst is, dat is schandelijk!”Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,—er waren dien kant uit nog eenige velden, die niet verwoest waren,—dan weer door kleine boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver van daar, een bloedbad hadden beschenen.Zij gingen nu langs een korenveld. “Wat een hoop korenbloemen!” zei de groote vriend; “kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel en zulke mooie gezien.”“Hoor eens, Maroessia,” ging hij voort, “ik geloof, dat wij hier eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van korenbloemen voor mij vlechten.”Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl[175]hij zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, die er binnen zijn bereik waren.“Pluk de stelen niet te kort af,” zei Maroessia tegen hem, “dan zal het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten.”Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.“Dat moet u niet doen,” zei Maroessia tegen hem, “dat is jammer voor hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!”De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.“Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend,” zei hij. “Ik ben als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat hij tegen de steenen aanstiet.”“Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!” riep Maroessia hem toe. “Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna onder bedolven, ’t Is genoeg om honderd kransen te vlechten.”En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend te brengen.“Zeg het mij maar ronduit,” zei haar groote vriend. “Wil je er nog meer hebben?”“Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga nu ook wat uitrusten.”Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was zij zooeven nog vroolijk, thans[176]was zij plotseling ernstig geworden.“Waar denkt mijn kind aan?” zei hij tegen Maroessia.Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:“Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, toen ik ook nog klein was.”“Dat was in den gelukkigen tijd,” zei Tsjetsjewiek, “toen de kinderen zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen geluk voor je geweest, en evenmin voor hen.”Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.“Zwijg!” zei ze zacht. “Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf mij heeft bevolen,—den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de vrije Ukraine?”Tsjetsjewiek viel haar in de rede.“Ja, waar is Mefodijewna?”Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht meer aan spreken.Het kind was opgestaan.Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde er heen.“Zie je dit dorp, Maroessia?” zei de groote vriend tegen haar.“Ja, ik zie het,” antwoordde zij.“Het is een groot dorp, niet waar?”“Ja, het schijnt mij groot toe.”“Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine[177]is, des te meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden zich daarin; want langs dezen weg en[178]langs andere zijn mannen, zonen, broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?”Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190“Of ik het begrijp!” riep zij uit.Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere bladeren der berken.“Wij zijn er in,” zei haar groote vriend, terwijl hij de takken wegboog en in het kreupelhout doordrong. “Wij zullen zoo aanstonds aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden.”Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, dat hij wenschte te ontdekken.Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.“Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had gegeven, dat het goud de slechtste[179]der afgoden is. Ga onder dezen eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren.”Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: “De bijl heeft nooit dien boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het waar, dat de dingen zich zelf opwekken.”Het kind luisterde verwonderd naar hem.“Hij is somber,” zei zij bij zich zelf,“en daar heeft hij wel reden voor.”Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien op den schoot van Maroessia.“Die twee zijn juist een paar,” zei hij. “Deze krans zegt ons, dat wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, en onze voorhoede is vooruitgegaan.”Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het althans aan Maroessia toescheen.[180]“Het is zonder twijfel een jongmensch,” zei haar groote vriend. “Zijn stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan.”Man met snor draagt meisje.En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar zijn lippen had gebracht, zoo’n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.[181]“Je moet je niet ongerust maken,” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet.”“Ik zal hier blijven,” antwoordde Maroessia.En zij dacht: “Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen.”Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.“Vooral geen sombere gedachten!” zei hij tegen haar. “Laat niets je terneerslaan, noch vandaag, noch ooit.”“Neen, ik zal niet somber wezen,” antwoordde Maroessia. “Ik zal standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, zelfs om te sterven.”Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in het dichte bosch.[182]
XIX.Laatste kransen.
Zittende oude man met meisje.Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!“Hebben wij nog ver te loopen?” vroeg Maroessia.“Je bent zeker erg vermoeid, liefste?” vroeg haar groote vriend aan haar.“Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog een groot stuk af te leggen hebben.”“Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?”“Neen, neen … Heusch niet.”“Je zegt, dat je niet vermoeid bent,” hernam haar groote vriend glimlachende. “Ben je daar wel zeker van? Ach, m’n kind, ik zie het aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen.”[174]En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.“Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!” riep het kleine meisje uit. “U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet …”En bij zich zelf zeide zij: “Als een soldaat, die den oorlog zoolang meegemaakt heeft,” (die soldaat was zij), “die overwinnaar en zelfs overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens gekwetst is, dat is schandelijk!”Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,—er waren dien kant uit nog eenige velden, die niet verwoest waren,—dan weer door kleine boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver van daar, een bloedbad hadden beschenen.Zij gingen nu langs een korenveld. “Wat een hoop korenbloemen!” zei de groote vriend; “kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel en zulke mooie gezien.”“Hoor eens, Maroessia,” ging hij voort, “ik geloof, dat wij hier eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van korenbloemen voor mij vlechten.”Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl[175]hij zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, die er binnen zijn bereik waren.“Pluk de stelen niet te kort af,” zei Maroessia tegen hem, “dan zal het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten.”Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.“Dat moet u niet doen,” zei Maroessia tegen hem, “dat is jammer voor hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!”De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.“Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend,” zei hij. “Ik ben als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat hij tegen de steenen aanstiet.”“Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!” riep Maroessia hem toe. “Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna onder bedolven, ’t Is genoeg om honderd kransen te vlechten.”En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend te brengen.“Zeg het mij maar ronduit,” zei haar groote vriend. “Wil je er nog meer hebben?”“Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga nu ook wat uitrusten.”Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was zij zooeven nog vroolijk, thans[176]was zij plotseling ernstig geworden.“Waar denkt mijn kind aan?” zei hij tegen Maroessia.Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:“Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, toen ik ook nog klein was.”“Dat was in den gelukkigen tijd,” zei Tsjetsjewiek, “toen de kinderen zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen geluk voor je geweest, en evenmin voor hen.”Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.“Zwijg!” zei ze zacht. “Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf mij heeft bevolen,—den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de vrije Ukraine?”Tsjetsjewiek viel haar in de rede.“Ja, waar is Mefodijewna?”Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht meer aan spreken.Het kind was opgestaan.Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde er heen.“Zie je dit dorp, Maroessia?” zei de groote vriend tegen haar.“Ja, ik zie het,” antwoordde zij.“Het is een groot dorp, niet waar?”“Ja, het schijnt mij groot toe.”“Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine[177]is, des te meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden zich daarin; want langs dezen weg en[178]langs andere zijn mannen, zonen, broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?”Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190“Of ik het begrijp!” riep zij uit.Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere bladeren der berken.“Wij zijn er in,” zei haar groote vriend, terwijl hij de takken wegboog en in het kreupelhout doordrong. “Wij zullen zoo aanstonds aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden.”Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, dat hij wenschte te ontdekken.Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.“Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had gegeven, dat het goud de slechtste[179]der afgoden is. Ga onder dezen eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren.”Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: “De bijl heeft nooit dien boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het waar, dat de dingen zich zelf opwekken.”Het kind luisterde verwonderd naar hem.“Hij is somber,” zei zij bij zich zelf,“en daar heeft hij wel reden voor.”Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien op den schoot van Maroessia.“Die twee zijn juist een paar,” zei hij. “Deze krans zegt ons, dat wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, en onze voorhoede is vooruitgegaan.”Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het althans aan Maroessia toescheen.[180]“Het is zonder twijfel een jongmensch,” zei haar groote vriend. “Zijn stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan.”Man met snor draagt meisje.En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar zijn lippen had gebracht, zoo’n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.[181]“Je moet je niet ongerust maken,” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet.”“Ik zal hier blijven,” antwoordde Maroessia.En zij dacht: “Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen.”Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.“Vooral geen sombere gedachten!” zei hij tegen haar. “Laat niets je terneerslaan, noch vandaag, noch ooit.”“Neen, ik zal niet somber wezen,” antwoordde Maroessia. “Ik zal standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, zelfs om te sterven.”Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in het dichte bosch.[182]
Zittende oude man met meisje.
Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!
“Hebben wij nog ver te loopen?” vroeg Maroessia.
“Je bent zeker erg vermoeid, liefste?” vroeg haar groote vriend aan haar.
“Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog een groot stuk af te leggen hebben.”
“Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?”
“Neen, neen … Heusch niet.”
“Je zegt, dat je niet vermoeid bent,” hernam haar groote vriend glimlachende. “Ben je daar wel zeker van? Ach, m’n kind, ik zie het aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen.”[174]
En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.
“Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!” riep het kleine meisje uit. “U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet …”
En bij zich zelf zeide zij: “Als een soldaat, die den oorlog zoolang meegemaakt heeft,” (die soldaat was zij), “die overwinnaar en zelfs overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens gekwetst is, dat is schandelijk!”
Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.
De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,—er waren dien kant uit nog eenige velden, die niet verwoest waren,—dan weer door kleine boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver van daar, een bloedbad hadden beschenen.
Zij gingen nu langs een korenveld. “Wat een hoop korenbloemen!” zei de groote vriend; “kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel en zulke mooie gezien.”
“Hoor eens, Maroessia,” ging hij voort, “ik geloof, dat wij hier eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van korenbloemen voor mij vlechten.”
Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl[175]hij zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, die er binnen zijn bereik waren.
“Pluk de stelen niet te kort af,” zei Maroessia tegen hem, “dan zal het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten.”
Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.
“Dat moet u niet doen,” zei Maroessia tegen hem, “dat is jammer voor hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!”
De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.
“Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend,” zei hij. “Ik ben als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat hij tegen de steenen aanstiet.”
“Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!” riep Maroessia hem toe. “Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna onder bedolven, ’t Is genoeg om honderd kransen te vlechten.”
En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend te brengen.
“Zeg het mij maar ronduit,” zei haar groote vriend. “Wil je er nog meer hebben?”
“Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga nu ook wat uitrusten.”
Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was zij zooeven nog vroolijk, thans[176]was zij plotseling ernstig geworden.
“Waar denkt mijn kind aan?” zei hij tegen Maroessia.
Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:
“Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, toen ik ook nog klein was.”
“Dat was in den gelukkigen tijd,” zei Tsjetsjewiek, “toen de kinderen zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen geluk voor je geweest, en evenmin voor hen.”
Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.
“Zwijg!” zei ze zacht. “Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf mij heeft bevolen,—den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de vrije Ukraine?”
Tsjetsjewiek viel haar in de rede.
“Ja, waar is Mefodijewna?”
Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht meer aan spreken.
Het kind was opgestaan.
Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde er heen.
“Zie je dit dorp, Maroessia?” zei de groote vriend tegen haar.
“Ja, ik zie het,” antwoordde zij.
“Het is een groot dorp, niet waar?”
“Ja, het schijnt mij groot toe.”
“Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine[177]is, des te meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden zich daarin; want langs dezen weg en[178]langs andere zijn mannen, zonen, broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?”
Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190
Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was. Blz. 190
“Of ik het begrijp!” riep zij uit.
Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.
Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere bladeren der berken.
“Wij zijn er in,” zei haar groote vriend, terwijl hij de takken wegboog en in het kreupelhout doordrong. “Wij zullen zoo aanstonds aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden.”
Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.
De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, dat hij wenschte te ontdekken.
Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.
“Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had gegeven, dat het goud de slechtste[179]der afgoden is. Ga onder dezen eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren.”
Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: “De bijl heeft nooit dien boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het waar, dat de dingen zich zelf opwekken.”
Het kind luisterde verwonderd naar hem.
“Hij is somber,” zei zij bij zich zelf,“en daar heeft hij wel reden voor.”
Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.
De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien op den schoot van Maroessia.
“Die twee zijn juist een paar,” zei hij. “Deze krans zegt ons, dat wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, en onze voorhoede is vooruitgegaan.”
Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het althans aan Maroessia toescheen.[180]
“Het is zonder twijfel een jongmensch,” zei haar groote vriend. “Zijn stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan.”
Man met snor draagt meisje.
En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar zijn lippen had gebracht, zoo’n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.[181]
“Je moet je niet ongerust maken,” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet.”
“Ik zal hier blijven,” antwoordde Maroessia.
En zij dacht: “Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen.”
Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.
“Vooral geen sombere gedachten!” zei hij tegen haar. “Laat niets je terneerslaan, noch vandaag, noch ooit.”
“Neen, ik zal niet somber wezen,” antwoordde Maroessia. “Ik zal standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, zelfs om te sterven.”
Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in het dichte bosch.[182]