XX.

[Inhoud]XX.De doorboorde zakdoek.Meisje met soldaten in bos.Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, begon zij na te denken, ja, na te denken.Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna verstrooid. “Ik geloof wel,” zei ze bij zich zelf, “dat mijn vriend een laatste poging wil wagen.[183]Het is misschien wel een wanhopige poging, maar toch zal hij haar doen!” Zij had gedurende dien langdurigen tocht wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen men liefheeft?Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. “Zocht vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?”Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een reusachtigen zwarten sluier over deze massa’s groen. Dat deed haar denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, toen zij hem voor de eerste maal zag. “Zij was niet ongelukkiger dan ik,” dacht zij, “maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan het hare.”De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.“Hij heeft tegen mij gezegd: ‘Ik zal jespoedigkomen halen,—ik zal je slechtseenige oogenblikkenalleen laten,—verlaat je post niet.’ Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij gauw hier zal zijn.”De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar goeden wil, dat Maroessia bang werd.[184]Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.“Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,” zei ze bij zichzelf. “Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol hinderlagen overrompeld zijn!”En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, voegde zij er bij:“Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot met gelatenheid afwachten!”Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor alles, wat haar dierbaar was.Op het oogenblik, waarop zij zei: “Heer! geef, dat ik hem nog eens terugzie!” meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.“Maroessia,” zei haar groote vriend tegen haar, “zie je dien rooden zakdoek?”“Ja, ik zie hem.”[185]“Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ moet je hem antwoorden: ‘God heeft mij geholpen!’ En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?”Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.“U bent gewond!” zei Maroessia tegen hem. “Ze hebben u geraakt!”“Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer van te zien zijn. Ga m’n kind … vlug!”Hij nam haar bij de hand.“Wat is uw hand koud!” riep het kind uit.“Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ Moed gehouden, Maroessia! Het is voor het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!”De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij[186]richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, wat hij wilde zeggen.Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij bedreigd dacht.“Vrees niets, Maroessia,” zei Tsjetsjewiek tegen haar, “het is een vriend, een beproefde en getrouwe vriend.”Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.“Het is mijn kameraad Peter,” zei Tsjetsjewiek. “Kijk hem maar eens aan! Ook hij is een eik!”“Hij is bijna nog langer dan gij,” zei ze uiterst verwonderd.Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich niet van Tsjetsjewiek af.Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, zei tegen hem:“Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte hinderlaag vallen.”Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.“Je ziet den weg,—het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,—aan het einde van het voetpad is de kleine brug,—de beide kransen moeten op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!…”[187]Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zijeenmaalaan de schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat[188]zij zich afvroeg, of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd zou wezen.Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar voorhoofd aan hem toestak:“Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt.”Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast te houden, zou hij gevallen zijn … Maroessia bemerkte toen, dat er bloed op haar mouw zat.“Dat is uw bloed!” zei zij tegen hem. “Waar bent u gekwetst? Aan uw arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt.”“Wees verstandig, Maroessia,” zei haar groote vriend. “Ik heb tot nu toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan.”“Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch wantrouwen … Zal ik er u terugvinden?”Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den rooden zakdoek om haar hoofd.“Ik zal hier blijven,” gaf haar vriend haar ten antwoord, “en als ik er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets ons kunnen scheiden?”Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk[189]deed het geweervuur zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.“Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen,” zei Peter. “Over vijf minuten kunnen zij hier zijn.”De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.“Komaan!” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Ga! loop! vlieg, als je kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken …”Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was het weer doodstil geworden.Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,[190]evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in zijn vlucht gestuit wordt.De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem vertoond had.Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam[191]op en trekt het een weinig op den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: “Dat God je ter hulpe zij!” waarop het kind niet meer kan antwoorden: “God heeft mij geholpen,” staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief had. Hij neemt dien mede. De roodezakdoeken de kransen zijn ter bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!Bladerkrans liggend tussen het riet.[192]

[Inhoud]XX.De doorboorde zakdoek.Meisje met soldaten in bos.Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, begon zij na te denken, ja, na te denken.Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna verstrooid. “Ik geloof wel,” zei ze bij zich zelf, “dat mijn vriend een laatste poging wil wagen.[183]Het is misschien wel een wanhopige poging, maar toch zal hij haar doen!” Zij had gedurende dien langdurigen tocht wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen men liefheeft?Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. “Zocht vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?”Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een reusachtigen zwarten sluier over deze massa’s groen. Dat deed haar denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, toen zij hem voor de eerste maal zag. “Zij was niet ongelukkiger dan ik,” dacht zij, “maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan het hare.”De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.“Hij heeft tegen mij gezegd: ‘Ik zal jespoedigkomen halen,—ik zal je slechtseenige oogenblikkenalleen laten,—verlaat je post niet.’ Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij gauw hier zal zijn.”De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar goeden wil, dat Maroessia bang werd.[184]Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.“Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,” zei ze bij zichzelf. “Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol hinderlagen overrompeld zijn!”En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, voegde zij er bij:“Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot met gelatenheid afwachten!”Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor alles, wat haar dierbaar was.Op het oogenblik, waarop zij zei: “Heer! geef, dat ik hem nog eens terugzie!” meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.“Maroessia,” zei haar groote vriend tegen haar, “zie je dien rooden zakdoek?”“Ja, ik zie hem.”[185]“Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ moet je hem antwoorden: ‘God heeft mij geholpen!’ En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?”Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.“U bent gewond!” zei Maroessia tegen hem. “Ze hebben u geraakt!”“Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer van te zien zijn. Ga m’n kind … vlug!”Hij nam haar bij de hand.“Wat is uw hand koud!” riep het kind uit.“Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ Moed gehouden, Maroessia! Het is voor het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!”De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij[186]richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, wat hij wilde zeggen.Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij bedreigd dacht.“Vrees niets, Maroessia,” zei Tsjetsjewiek tegen haar, “het is een vriend, een beproefde en getrouwe vriend.”Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.“Het is mijn kameraad Peter,” zei Tsjetsjewiek. “Kijk hem maar eens aan! Ook hij is een eik!”“Hij is bijna nog langer dan gij,” zei ze uiterst verwonderd.Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich niet van Tsjetsjewiek af.Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, zei tegen hem:“Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte hinderlaag vallen.”Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.“Je ziet den weg,—het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,—aan het einde van het voetpad is de kleine brug,—de beide kransen moeten op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!…”[187]Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zijeenmaalaan de schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat[188]zij zich afvroeg, of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd zou wezen.Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar voorhoofd aan hem toestak:“Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt.”Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast te houden, zou hij gevallen zijn … Maroessia bemerkte toen, dat er bloed op haar mouw zat.“Dat is uw bloed!” zei zij tegen hem. “Waar bent u gekwetst? Aan uw arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt.”“Wees verstandig, Maroessia,” zei haar groote vriend. “Ik heb tot nu toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan.”“Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch wantrouwen … Zal ik er u terugvinden?”Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den rooden zakdoek om haar hoofd.“Ik zal hier blijven,” gaf haar vriend haar ten antwoord, “en als ik er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets ons kunnen scheiden?”Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk[189]deed het geweervuur zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.“Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen,” zei Peter. “Over vijf minuten kunnen zij hier zijn.”De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.“Komaan!” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Ga! loop! vlieg, als je kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken …”Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was het weer doodstil geworden.Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,[190]evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in zijn vlucht gestuit wordt.De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem vertoond had.Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam[191]op en trekt het een weinig op den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: “Dat God je ter hulpe zij!” waarop het kind niet meer kan antwoorden: “God heeft mij geholpen,” staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief had. Hij neemt dien mede. De roodezakdoeken de kransen zijn ter bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!Bladerkrans liggend tussen het riet.[192]

XX.De doorboorde zakdoek.

Meisje met soldaten in bos.Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, begon zij na te denken, ja, na te denken.Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna verstrooid. “Ik geloof wel,” zei ze bij zich zelf, “dat mijn vriend een laatste poging wil wagen.[183]Het is misschien wel een wanhopige poging, maar toch zal hij haar doen!” Zij had gedurende dien langdurigen tocht wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen men liefheeft?Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. “Zocht vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?”Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een reusachtigen zwarten sluier over deze massa’s groen. Dat deed haar denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, toen zij hem voor de eerste maal zag. “Zij was niet ongelukkiger dan ik,” dacht zij, “maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan het hare.”De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.“Hij heeft tegen mij gezegd: ‘Ik zal jespoedigkomen halen,—ik zal je slechtseenige oogenblikkenalleen laten,—verlaat je post niet.’ Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij gauw hier zal zijn.”De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar goeden wil, dat Maroessia bang werd.[184]Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.“Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,” zei ze bij zichzelf. “Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol hinderlagen overrompeld zijn!”En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, voegde zij er bij:“Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot met gelatenheid afwachten!”Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor alles, wat haar dierbaar was.Op het oogenblik, waarop zij zei: “Heer! geef, dat ik hem nog eens terugzie!” meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.“Maroessia,” zei haar groote vriend tegen haar, “zie je dien rooden zakdoek?”“Ja, ik zie hem.”[185]“Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ moet je hem antwoorden: ‘God heeft mij geholpen!’ En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?”Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.“U bent gewond!” zei Maroessia tegen hem. “Ze hebben u geraakt!”“Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer van te zien zijn. Ga m’n kind … vlug!”Hij nam haar bij de hand.“Wat is uw hand koud!” riep het kind uit.“Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ Moed gehouden, Maroessia! Het is voor het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!”De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij[186]richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, wat hij wilde zeggen.Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij bedreigd dacht.“Vrees niets, Maroessia,” zei Tsjetsjewiek tegen haar, “het is een vriend, een beproefde en getrouwe vriend.”Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.“Het is mijn kameraad Peter,” zei Tsjetsjewiek. “Kijk hem maar eens aan! Ook hij is een eik!”“Hij is bijna nog langer dan gij,” zei ze uiterst verwonderd.Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich niet van Tsjetsjewiek af.Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, zei tegen hem:“Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte hinderlaag vallen.”Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.“Je ziet den weg,—het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,—aan het einde van het voetpad is de kleine brug,—de beide kransen moeten op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!…”[187]Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zijeenmaalaan de schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat[188]zij zich afvroeg, of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd zou wezen.Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar voorhoofd aan hem toestak:“Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt.”Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast te houden, zou hij gevallen zijn … Maroessia bemerkte toen, dat er bloed op haar mouw zat.“Dat is uw bloed!” zei zij tegen hem. “Waar bent u gekwetst? Aan uw arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt.”“Wees verstandig, Maroessia,” zei haar groote vriend. “Ik heb tot nu toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan.”“Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch wantrouwen … Zal ik er u terugvinden?”Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den rooden zakdoek om haar hoofd.“Ik zal hier blijven,” gaf haar vriend haar ten antwoord, “en als ik er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets ons kunnen scheiden?”Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk[189]deed het geweervuur zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.“Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen,” zei Peter. “Over vijf minuten kunnen zij hier zijn.”De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.“Komaan!” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Ga! loop! vlieg, als je kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken …”Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was het weer doodstil geworden.Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,[190]evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in zijn vlucht gestuit wordt.De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem vertoond had.Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam[191]op en trekt het een weinig op den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: “Dat God je ter hulpe zij!” waarop het kind niet meer kan antwoorden: “God heeft mij geholpen,” staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief had. Hij neemt dien mede. De roodezakdoeken de kransen zijn ter bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!Bladerkrans liggend tussen het riet.[192]

Meisje met soldaten in bos.

Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, begon zij na te denken, ja, na te denken.

Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna verstrooid. “Ik geloof wel,” zei ze bij zich zelf, “dat mijn vriend een laatste poging wil wagen.[183]Het is misschien wel een wanhopige poging, maar toch zal hij haar doen!” Zij had gedurende dien langdurigen tocht wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen men liefheeft?

Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. “Zocht vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?”

Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een reusachtigen zwarten sluier over deze massa’s groen. Dat deed haar denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, toen zij hem voor de eerste maal zag. “Zij was niet ongelukkiger dan ik,” dacht zij, “maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan het hare.”

De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.

“Hij heeft tegen mij gezegd: ‘Ik zal jespoedigkomen halen,—ik zal je slechtseenige oogenblikkenalleen laten,—verlaat je post niet.’ Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij gauw hier zal zijn.”

De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar goeden wil, dat Maroessia bang werd.[184]

Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.

Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.

“Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,” zei ze bij zichzelf. “Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol hinderlagen overrompeld zijn!”

En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, voegde zij er bij:

“Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot met gelatenheid afwachten!”

Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor alles, wat haar dierbaar was.

Op het oogenblik, waarop zij zei: “Heer! geef, dat ik hem nog eens terugzie!” meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.

“Maroessia,” zei haar groote vriend tegen haar, “zie je dien rooden zakdoek?”

“Ja, ik zie hem.”[185]

“Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ moet je hem antwoorden: ‘God heeft mij geholpen!’ En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?”

Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.

“U bent gewond!” zei Maroessia tegen hem. “Ze hebben u geraakt!”

“Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer van te zien zijn. Ga m’n kind … vlug!”

Hij nam haar bij de hand.

“Wat is uw hand koud!” riep het kind uit.

“Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: ‘Dat God je ter hulpe zij!’ Moed gehouden, Maroessia! Het is voor het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!”

De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij[186]richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, wat hij wilde zeggen.

Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij bedreigd dacht.

“Vrees niets, Maroessia,” zei Tsjetsjewiek tegen haar, “het is een vriend, een beproefde en getrouwe vriend.”

Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.

“Het is mijn kameraad Peter,” zei Tsjetsjewiek. “Kijk hem maar eens aan! Ook hij is een eik!”

“Hij is bijna nog langer dan gij,” zei ze uiterst verwonderd.

Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich niet van Tsjetsjewiek af.

Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, zei tegen hem:

“Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte hinderlaag vallen.”

Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.

“Je ziet den weg,—het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,—aan het einde van het voetpad is de kleine brug,—de beide kransen moeten op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!…”[187]

Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.

Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.

Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zijeenmaalaan de schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat[188]zij zich afvroeg, of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd zou wezen.

Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar voorhoofd aan hem toestak:

“Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt.”

Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast te houden, zou hij gevallen zijn … Maroessia bemerkte toen, dat er bloed op haar mouw zat.

“Dat is uw bloed!” zei zij tegen hem. “Waar bent u gekwetst? Aan uw arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt.”

“Wees verstandig, Maroessia,” zei haar groote vriend. “Ik heb tot nu toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan.”

“Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch wantrouwen … Zal ik er u terugvinden?”

Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den rooden zakdoek om haar hoofd.

“Ik zal hier blijven,” gaf haar vriend haar ten antwoord, “en als ik er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets ons kunnen scheiden?”

Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk[189]deed het geweervuur zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.

“Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen,” zei Peter. “Over vijf minuten kunnen zij hier zijn.”

De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.

“Komaan!” zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. “Ga! loop! vlieg, als je kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken …”

Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was het weer doodstil geworden.

Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,[190]evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in zijn vlucht gestuit wordt.

De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.

De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem vertoond had.

Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.

Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.

Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam[191]op en trekt het een weinig op den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: “Dat God je ter hulpe zij!” waarop het kind niet meer kan antwoorden: “God heeft mij geholpen,” staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief had. Hij neemt dien mede. De roodezakdoeken de kransen zijn ter bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!

Bladerkrans liggend tussen het riet.

[192]


Back to IndexNext