XVIII.

[Inhoud]XVIII.Het gelukkige jaar.Soldaten die aan het vechten zijn.Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, de[165]leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd der beweging gesteld.Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d’Arc in een land, waar de naam van Jeanne d’Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging der vrijheid niet onthouden.O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de kleine of groote volkeren, die het[166]recht hebben, hunGloria victis!1te zingen.De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het meest vertoont,—al ware het ook slechts voor een oogenblik,—dat is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos doorgebrachte minuten.[Inhoud]Kerstmis.Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.[Inhoud]En daarna …Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!Meisje op een paard.Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]1Eere zij den overwonnenen!↑2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑

[Inhoud]XVIII.Het gelukkige jaar.Soldaten die aan het vechten zijn.Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, de[165]leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd der beweging gesteld.Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d’Arc in een land, waar de naam van Jeanne d’Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging der vrijheid niet onthouden.O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de kleine of groote volkeren, die het[166]recht hebben, hunGloria victis!1te zingen.De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het meest vertoont,—al ware het ook slechts voor een oogenblik,—dat is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos doorgebrachte minuten.[Inhoud]Kerstmis.Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.[Inhoud]En daarna …Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!Meisje op een paard.Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]1Eere zij den overwonnenen!↑2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑

XVIII.Het gelukkige jaar.

Soldaten die aan het vechten zijn.Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, de[165]leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd der beweging gesteld.Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d’Arc in een land, waar de naam van Jeanne d’Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging der vrijheid niet onthouden.O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de kleine of groote volkeren, die het[166]recht hebben, hunGloria victis!1te zingen.De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het meest vertoont,—al ware het ook slechts voor een oogenblik,—dat is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos doorgebrachte minuten.[Inhoud]Kerstmis.Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.[Inhoud]En daarna …Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!Meisje op een paard.Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]

Soldaten die aan het vechten zijn.

Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, de[165]leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd der beweging gesteld.

Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d’Arc in een land, waar de naam van Jeanne d’Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging der vrijheid niet onthouden.

O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de kleine of groote volkeren, die het[166]recht hebben, hunGloria victis!1te zingen.

De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het meest vertoont,—al ware het ook slechts voor een oogenblik,—dat is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos doorgebrachte minuten.

[Inhoud]Kerstmis.Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.

Kerstmis.

Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.

Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden[167]scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.

Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.

Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.

“Zie je hem niet?” zei hij. “Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.

“Om u weer mee te nemen …” zei het kind diep bewogen.

“Om mij mee te nemen, ja,” antwoordde haar groote vriend. “Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken.”

“Zeker iemand?” zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; “zeker iemand?” En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: “Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is …[168]laat mij dan alleen!” Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.

“Er is van mij geen sprake,” zei Mefodijewna glimlachende. “Neen.Ikmoet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik.”

“Om goed te slagen,” hernam haar groote vriend, “zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,—weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,—hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan.”

Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.

“O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!”

En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.

De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard[169]gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte[170]Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.

“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.

“Vooral geen sombere gedachten!” Blz. 181.

Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,—Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.

[Inhoud]En daarna …Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!Meisje op een paard.Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]

En daarna …

Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!Meisje op een paard.Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]

Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?

De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde.[171]Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!

Meisje op een paard.

Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus2om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem[172]hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,—dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.

Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,—daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.

De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.[173]

1Eere zij den overwonnenen!↑2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑

1Eere zij den overwonnenen!↑2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑

1Eere zij den overwonnenen!↑

1Eere zij den overwonnenen!↑

2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑

2Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.↑


Back to IndexNext