Aan de Russische officieren.Mijne Heeren,Alweêr menschenlevens ten offer gevallen. Gisteren, 20 Juli,1zijn te Warschau, tot ieders ontzetting, zonder reden of voorwendsel, vier gevangenen onverwacht uit hun kerker te voorschijn gehaald, voor uwe militaire rechtbanken gevoerd, veroordeeld en door stokslagen doodgeranseld.Geen enkel te voren gesmeed komplot verklaart deze wreede strafoefening. Het waren gevangenen, die reeds lang, om staatkundige reden opgesloten zaten. Hun bloedverwanten meenden, dat de komst van den keizer,2de aanstaande viering van den vijf-en-twintigsten jaardag zijner troonsbeklimming, hen genade zou doen krijgen.Nu, begenadigd zijn ze!Zijt gij het wel, mijne heeren, gij, vervuld van den geest van Frankrijk, door dezen en zijn denkbeelden gevoed: gij, meer Franschen dan Russen, die tot zulke barbaarsche, zulke vernederende straffen bevel kunt geven?Ons is de geweldige angst niet onbekend gebleven, die u terneder drukt. Een ijzeren vuist dwingt u totzulke afschuwelijke vonnissen, en doet ze u onderteekenen. Meer dan één onder u zou zeker zijn degen stuk breken, als hij daardoor slechts zijn leven op ’t spel zette.Wij kennen u, wij weten dat, als ge onttrokken zijt aan ieders blikken, gij het waagt menschelijk te zijn. Ik zou kunnen zeggen wáár en in welk opzicht; maar ik zal u niet verraden. Het is waarschijnlijk, dat ge op den 20sten Juli het aantal slachtoffers, dat men u vroeg, hebt beperkt. Van de vier-en-dertig, die ge moest oordeelen, zullen dertig in ’t leven blijven: zij gaan naar Siberië!Welke misdaad hebben die Polen bedreven?Dat zij juist zoo denken als gij.Wie verafschuwt, vervloekt méér dan gij het barbaarsche bewind van de bastaard-Duitschers,3die Rusland’s ondergang bewerken? Wat zou men bij de meesten uwer vinden, mijne heeren, wanneer uw hart werd blootgelegd? Immers de revolutie, het geloof aan den 14den December, het niet-uitteblusschen vuur van Pestel en Rylejew?4Droevig noodlot, door heel Europa heen te moeten trekken, en de deelgenooten uwer denkbeelden, de martelaren van uw overtuiging te bestrijden of te veroordeelen—hen, wier dood gij benijdt!Gij hebt de Hongaren bewonderd, wier opstand slechts door de Russische tusschenkomst van 1849 gebroken werd. De straffen, die volgden, de afgrijselijke beleedigingen, welke heldhaftige vrouwen hebben moeten verduren, gij voelt ze na, evenals wij.Gij hebt de helden van de Poolsche omwenteling bewonderd, die het in 1837 waagden, door een daad van ongeloofelijke stoutmoedigheid, hun Siberisch verbanningsoord te wapen te brengen: gij waart nog méérlijk dan zij, den dag toen zij onder de stokslagen neêrvielen van uw soldaten, zelven in tranen en vol wanhoop.Uw hart moet als door een dolk doorboord zijn geworden, toen Wisniowski,5in 1847, van de galg af, dit verheven woord verkondigde: “Hebt elkander lief en vergeeft.”Diegenen onder u, die in 1831 dienden, zullen altijd voor oogen en in ’t hart houden een droevig beeld, dat hun steeds zuchten en nachtwaken zal kosten. Zij herinneren zich Kroonstad, het plechtig martelaarschap van het Poolsche leger in die drukbezochte haven, ten aanzien van de verontwaardigde zeelieden van de heele wereld. Verscheiden honderdtallen van dapperen, krijgsgevangenen, en wel bij capitulatie, weigerden hun vaderland af te zweren en Russen te worden. Geslagen, genezen, opnieuw geslagen toen hun wonden zich sloten, volhardden zij als onverwinlijken, totdat de karren hen wegvoerden, aan flarden geranseld, vormelooze, afzichtelijke massa’s vleesch, waaraan niets meer den mensch deed herkennen.Welke zijn uw ongeopenbaarde gevoelens bij dergelijke verschrikkelijke beproevingen? Ze zijn voor ons geen geheim.Het zij mij vergund een feit te noemen:In een oorlog van jongen datum werd een uwer jeugdige officieren, bij zijn komst in een stad van het overweldigd land, ingekwartierd bij een dame uit de groote wereld, die, vol van wrok tegen de Russen en Rusland, hem door haar bedienden liet ontvangen en weigerde hem te zien. Niet dan met groote moeite slaagde hij erin tot haar door te dringen en sprak hij aanvankelijk op hoogen toon. Zij, onwrikbaar, heldhaftig, antwoordde zooals het Vaderland-zelf den vijand zou te woord gestaan hebben... Het hart van den jongen man verdroeg dit niet, en, van bewondering aangegrepen,zich aan haar voeten werpende, zei hij onder tranen: “Mevrouw, wij zijn ongelukkiger dan u...; van mijn geheele familie ben ik alléén over; ze zijn allen in Siberië.”Dus, gij treedt naar voren, zwijgend, bleek, den degen in de hand, om, tegen uw overtuiging in, het vonnis uit te voeren, dat een vijandig noodlot heeft geveld. Gij treedt naar voren, met gebogen hoofd, zonder achter u noch vóór u uit te zien.Achter u ligt Siberië, bevolkt door den Russischen adel, en de Kaukasus, of de algemeene slachtplaats, waar men u laat ombrengen. Niettemin gaat gij voorwaarts.—Achter u is de revolutie, waarmeê ge sympathiseert, Frankrijk en de Fransche gedachte-wereld, uw geheelezijnvertegenwoordigend. En niettemin gaat gij voorwaarts.Hebt medelijden met u-zelf... Welk gevaar loopt gij ten slotte, tenzij te sterven?Maar sterft ge dan niet reeds? Is uw leven niet de dood?Velen, in dezen droevigen toestand, trachten zich zelven te bedriegen. Zij doen zich geweld aan om volijverig te zijn voor de grootheid van Rusland.Laat ons onderscheiden, mijne heeren. Dit woord heeft twee zeer verschillende beteekenissen: het rijk en het volk. Welnu, het rijk heeft geen stap gedaan—ik maak mij sterk het te bewijzen—die niet tevens een schrede was naar de vernietiging van uw nationalen geest, de uitwissching van het Slavisch karakter, dat u kenmerkt. De eenige goede omschrijving van de schrikkelijke regeering, waaronder gij gebukt gaat, is:de ondergang van Rusland.Anderen, die zich zelven niet wat trachten wijs te maken, sluiten de oogen, geven zich over aan het noodlot; zij zetten zich neêr, enkel in twijfel gevangen; nemen plaats boven den afgrond: “Wie weet waar de oorzaak schuilt?” zeggen zij. “Wij zijn verdorven, dat is zoo. Maar het Westen is ’t niet minder... Laat ons genieten, en dan sterven.”Ja, de Westersche wereld is verdorven, doch in de opperste lagen, de eenige die ge kent, veel meer dan in de onderste. Frankrijk bezit bovendien dit vóórdeel, dat het, meer of minder verdorven, steeds in zich zelf het vermogen behoudt tot zedelijke vernieuwing door de kracht der denkbeelden. Frankrijk leeft van den geest, en het vindt daarin een onuitputtelijke opwekking, kracht tot ommekeer en wedergeboorte. Zijn aanvallen van zwakte zijn niet gering. De wereld roept dan uit: “Het is dood.” Men riep ’t bij Rosbach.6En toch hernam het, juist door deze nederlaag en opgewekt door een flauwen lichtstraal, zijn vorige kracht en gloed, bemoedigde hen, die vreesden dat zijn levenszon uitgedoofd was, en, door zijn geest een herschepping ondergaande, werd het ’t licht der wereld.Dit herscheppingsvermogen, het ligt in de gedachte die zich telkens hernieuwt. Wat zou er van een volk worden, dat, na zijn oorspronkelijkheid ingeboet te hebben, afgehouden werd van den omgang met elk ander, aan zich zelf overgelaten, buiten het verkeer met menschen gesloten, als men de vrije toestrooming van versche lucht tegenhield?Dit is het geval met het Russische volk.Zijn leven lag in de gemeenschap, een kleine patriarchale maatschappij, die den grond onder haar leden verdeelt en er hun de afwisselende bebouwing van overlaat. Een machtige onderlinge band. Tegenwoordig is de bewoner losgerukt van den bodem en van de gemeenschap. Vroeger bezitter van dien grond; sedert, gedurende twee eeuwen, als lijfeigene eraan vastgehecht, troostte hij zich met de voorstelling, dat het juist andersom was.—Het is nu zoover gekomen, dat hij er niets meer van is dan een verplaatsbaar aanhangsel, een stuk gereedschap, dat men aan de mijnen, aan de fabrieken verkoopt.Een aandoenlijke toestand, die tot tranen toe ontroert.Deze tot de lijfeigenschap gedoemde bevolking had zich met het hart erop toegelegd haar in overeenstemming te brengen met de natuurlijke menschelijke gevoelens; de lijfeigene noemde zijn meestervader. Hij was het kind van zijn heer, en de heer de zoon van den czaar. Heel deze wereld had zich vereenzelvigd met het denkbeeld vanvaderschap. Daarin zat het geloof en het gansche hart van den Rus... En gij hebt dat hart gebroken!Den lijfeigene aan uw agenten overleverende, die hem tot wanhoop brengen, hebt gij de keizerlijke politie tegen zijn oproerigheden moeten te hulp roepen, haar verbreiding moeten aanvragen over het geheele rijk, in ieder dorp den bleeken, kwaadwilligen man doen komen, die den boer bedreigt en den meester verraadt. Vroeger ongetwijfeld zeer afhankelijk in uw verhouding tot den czaar, hadt ge ten minste dit geluk, dat de punten van aanraking zeldzaam waren; oppermachtig thuis, van het oogenblik af dat de winter alle gemeenschapsmiddelen verbrak, hield de dwangheerschappij voor u op. Acht maanden per jaar waart gij koningen. Met den herfst sloot gij uw deur, en niemand kwam u verontrusten. Tegenwoordig ontmoet ge op uw goederen overal den onheilspellenden man, met het gluipend, ter-zij-uitziend oog, door wien de czaar van Sint-Petersburg uit u aanziet.Een mijner vrienden bevond zich eens in een Russisch paleis, in het hart van ’t rijk, ver van alle wegen verwijderd, en nam deel aan een grooten maaltijd, welken de vrouw des huizes gaf aan den talrijken adel uit de buurt. De eetzaal zag op een uitgestrekt park uit, waarvan de voornaamste laan vlak naar het midden venster voerde en de plaats, welke de dame aan tafel innam. Plotseling houdt zij op te spreken, blijft roerloos zitten, de oogen naar buiten gericht... daarop verbleekt zij; ziet als een doode, siddert... zij klappertandt... Zij is op het punt in onmacht te vallen. Een militair-uitziend persoon treedt de zaal binnen; het was de generaal der keizerlijke gendarmerie, dien ze hadzien aankomen. Ze dacht niet anders of ze was verloren. Gelukkig stelt hij haar gerust. Een ongeval, hem met zijn rijtuig overkomen, had hem opgehouden, en hij had daarom een anderen weg ingeslagen, om haar een bezoek te brengen.Zoo leeft gij nu. Gedwongen te kiezen tusschen twee verschrikkingen, van onderen de muiters vreezende, van boven den verpletterenden afgod, die iederen dag zwaarder drukt, zoekt gij uw toevlucht onder de bescherming van den laatste. Gij vlucht, waarheen? Ongelukkigen! Naar het bloedig altaar van Moloch.7Wat déze verschrikkelijke god verslindt, zijn echter niet alleen menschen; het is ook het talent, de innerlijke kracht, de levensvatbaarheid van Rusland.Van 1812 tot 1825 hebt gij een proef genomen op de nationale veerkracht. Het zachtzinnige vaderschap van Alexander8werd de vertrouwde van uwe menschlievendheid. De gebeurtenis van den 14en December verschrikte, beklemde de harten, drong ze weêr terug naar de eigenbaat.De letterkundige werkzaamheid duurde nog voort, bij gebreke van die van den staat; zelfs in dezen onschuldigen kring werd het Russische zieleleven vervolgd, de poëzie gedood mèt de dichters... Lermontow gedood. Gribojedew gedood. Puschkin gedood. En welk een tragische dood!9Kort na 1840 eindigt uw letterkunde. Diep stilzwijgen, gij laat u niet meer hooren. Gelooft gij, dat men u kwijtschelding geeft? Neen, een nieuw jachtveld voor vervolgingen wordt geopend, uitgestrekter, verschrikkelijker. Het despotisme, tot dusver uitwendig, materiëel,wil nu tot de zielen doordringen, en maakt zich ongerust over het geloof.“Gij gehoorzaamt; goed. Als Polen en als Rusland zijt gij gebroken; best... Toch ontbreekt er iets, zonder ’twelk de rest mij niets waard is: gij moet mij erkennen als richtsnoer van uw denken, als beslisser in uw geloofszaken; in mij moet gij vereeren de vereeniging der twee machten, zonder welke niets bestaat. Als beide mij toebehooren, ben ik een gehéél, ben ik God.”Zoo spreekt Nebukadnezar;10hij heeft het doen verkondigen door een van zijn slaven (Januari 1850); hij heeft verklaard, dat Rome uitgediend had, dat de Latijnsche kerk vereenigd moest worden met de Grieksche, de eenig katholieke, d.i. de algemeene, en dat de Czaar de Opperpriester van de geheele wereld was.Grootvorst Michaël had het reeds gezegd, twintig jaar vroeger, bij gelegenheid van een bezoek aan de Sint-Pieter te Rome, toen de paus juist den kerkdienst waarnam: “Dit is alles wel mooi, wel verheven; maar wat zal het schoon zijn als wij hier eens den dienst verrichten!”De keizer heeft meer gedaan, dan een woord te spreken. Sedert 1833 heeft hij gehandeld als paus, door de wreede vervolging der Uniaten (Grieken, vereenigd met Latijnen). Polen, staatkundig reeds verpletterd, heeft ook nog de slachtoffers geleverd voor deze verschrikkelijke godsdienstige strafoefening.Wat wil de nieuwe God anders doen, dan Rusland mishandelen en de aanhangers der tallooze secten, die er zich, totdusver onder de bescherming der heeren, verborgen? Reeds deze ongelukkigen alleen verschaffen, gemiddeld per jaar, vijfhonderd ballingen aan Siberië.Zóó slaat deze macht met den dood, verbrijzelt, verslindt. Als zij niets had om tusschen haar moordendekaken te nemen, zou zij zich-zelve verscheuren.—Staatkundig leven? Verslonden. Letterkundig leven? Verslonden. Nu heeft zij ’t gemunt op het godsdienstig leven, in Rusland en in Europa. Zij nadert, met open muil. Waarom is de revolutie haar onuitstaanbaar? Het orgaan van den czaar heeft het met buitengewone openhartigheid gezegd:omdat de Fransche revolutie een godsdienst is.Frankrijk en de revolutie zijn volstrekt niet ongerust en vreezen niets.—Wie moet vreezen? Gij vooral, mijne heeren. Het werktuig, waardoor deze macht de wereld aangrijpt, kiest zijn steunpunt op u, het drukt u neêr en verplettert u. Het verricht niets naar buiten, zonder het eerst naar binnen te hebben gedaan.Het is niet maar een mensch, merk dit wel op, het is een werktuig. De dood van een menschelijk wezen (ofschoon de kracht van zijn persoonlijkheid de drukking vermeerdert), zijn dood, zeg ik, kan niet volstaan om het zoo verbazend gespannen mechaniek te verminderen.Wie kan het losser maken, meneeren? Gij, meer dan iemand anders. Zelfs de czaar vermag niets zonder u.Indien hij de machine door bovenmatige krachtsoefening, zoo natuurlijk bij de oppermacht, met behulp van vreemdelingen, die den Russischen aard niet kennen, haar hoogste spankracht heeft doen bereiken,—dan hebt gij die er niet minder aan gegeven, door het lot van den lijfeigene te verzwaren, door overal, om de oproerigen in toom te houden, de tusschenkomst van de keizerlijke macht noodzakelijk te maken. Gij hebt aan den troon van den czaar dit nieuwe, verschrikkelijke overwicht geschonken, waaronder Rusland kraakt.De stelling, die gij inneemt, is nog sterk; uw macht, ten goede en ten kwade, ontzaglijk. Het volk, tusschen u en den czaar geplaatst, zou aan u de voorkeur geven. Vrijgemaakt, is het aan erger dienstbaarheid overgeleverd: die der omgekochte bureaucraten, zonder hart of eergevoel. Wat het vraagt is, dat gij het, door u aante sluiten bij het echt-Russisch element, de gemeenschap, zoowel tegen de regeering als tegen uw eigen zaakwaarnemers beschermt. De gemeenschap zou, onder uw bescherming, zich oefenen in de vrijheid. Luistert naar de mannen van den ouden stempel, en naar de ouden van dagen, eerbiedigt zeden en gewoonten; legt uwen intendant het zwijgen op tegenover den starost11en de plaatselijke patriarchen. Verwijdert de zakenmenschen. Zorgt, dat de grondpachten matig, billijk worden; dat deobrok(de vaste belasting), ongelukkigerwijs tegenwoordig in Groot-Rusland minder verbreid, algemeen worde, de aan verandering onderhevige heerendiensten vervange en uit vrijen wil worde toegestaan.Wanneer de plaatselijke regeering aldus van haar banden wordt bevrijd, zal het centraal bewind voor u een minder noodzakelijke beschermer zijn. Het zal voelen, dat gij sterk zijt door de liefde der uwen, en het zal u ontzien. Alles zal trapsgewijze milder worden, juist zooals het in de natuur gaat.Rusland heeft voor zijn grootheid niet noodig een tegennatuurlijke wereld te blijven.“Keert tot de natuur terug.”Als men haar eenmaal verlaat, maakt de eene gedrochtelijkheid iedere andere, niet minder monsterachtig, noodzakelijk, onvermijdelijk.Om maar één voorbeeld te geven, uw kankerende wond, Polen, vraagt den Kaukasus ter zuivering. En de etterende plek, de Kaukasus, eischt onophoudelijk het Russisch bloed, het Poolsch bloed.“Keert tot de natuur terug.”Maakt de gestrengheid van uwe politie minder wreed, door haar overbodig te doen zijn. Dat zal zij zijn, als de lijfeigene u zegent.Viert de teugels aan de barbaarsche gestrengheid van uw militaire inrichting. Het uitwendige heeft ertoch het wezen van vernietigd. Zij zou veel krijgshaftiger zijn, als zij niet vervallen was tot de aanmatigende geweldenarij van de Duitsche krijgstucht.Rusland is een veroverende staat en moet het zijn, volgens de natuurwet. Zijn veroveringen liggen in het Zuiden.Raadpleegt den eersten den besten Rus; er is er niet een, die zich om het Westen bekommert. Zijn ras en zijn geest zijn van een Zuidelijke natie, die zich ongelukkigerwijs naar het Noorden ziet verbannen.Laat dit bibberende volk zich komen warmen in het Zuiden, afdalen naar de vruchtbare steppen, die, eenmaal goed bebouwd, meer waard zullen zijn dan Polen, en een Italië zullen worden. Rusland glooit in werkelijkheid naar de Zwarte Zee af. De menschen gaan er van zelf heen, evenals de rivieren er naartoe stroomen; en telkens als ze in de nabijheid komen van dat paradijs, de Krim, meenen zij hun vaderland terug te vinden.Wanneer gij uw wettige en natuurlijke zending gaat vervullen, de verovering van de woestenij in het Zuiden, zult gij zonder spijt een ontaarden strijd beëindigen. Dan zult gij voldoening schenken aan uw zuster, aan Polen; het helpen om zich los te maken van Duitschland, en het eigenhandig herstellen. Het zal u verzoenen met God en met Europa, en als een gezegende zult gij tot de broederschap der menschheid weêr toegelaten worden.11851.2Nicolaas I, 1825 (Dec.)–1855, gekroond 22 Aug. 1826.3Het Keizerlijk huis der Romanows, dat zich steeds met Duitsche hoven vermaagschapte.4Inhoofdstuk VIIworden deze beide en de opstand van 14 (26) Dec. 1825 nader besproken.5Hij was natuurlijk een Poolsch veroordeelde, maar wat hij misdreven (?) heeft, kon de vertaler niet uitvinden.[Dit was Teofil Wiśniowski, prominent lid van de Poolse Democratische Vereniging (Towarzystwo Demokratyczne Polskie), die na de opstand van Kraków ter dood veroordeeld werd, en op 31 juli 1847 opgehangen.—J.H.]6Hier werden in 1757 de Franschen door de Pruisen, onder Frederik den Grooten, gevoelig geslagen.7Een afgod der oude Semietische volken, aan wien menschenoffers werden gebracht.8Van 1801–1825 was Alexander I keizer der Russen.9Lermontow en Puschkin kwamen 1841 en 1837 in een duel om. Gribojedew werd 1829 in Perzië door een woedende volksmenigte vermoord.10Naam van een Oostersch despoot uit de oudheid, koning van Babylonië, regeerde 604–561 v. Chr.11Beteekent zooveel als »oudste«; het is ook de naam voor dorpsburgemeester.II.Een vrijdenker uit Friesland, een officier die den dienst der Russische garde verlaten had en die een boeiend werk geschreven heeft over de militaire dwingelandij, welke hij had aanschouwd en ondervonden, de heer Harro Harring,1plaatste als motto boven zijn boek:Ausi(ik heb het gewaagd), 1832.Weinige jaren vroeger had een Duitscher, luitenant Mörtens, evenzeer uit Russischen dienst getreden, schrijver van een klein boek over de buitenlandsche aangelegenheden van Rusland, zich te Dresden metterwoon gevestigd. Wie zou niet gedacht hebben, dat hij in deze stad, onder ’t oog van Duitschland, zich in veiligheid bevond? Niettemin is hij, zonder eenig spoor van zich na te laten, verdwenen, en niemand heeft kunnen zeggen, wat er van hem geworden is (1829). Men gaf de schuld aan het Russisch gouvernement, en dit is er niet boos om geworden: het zoekt immers zijn voordeel in vreesaanjaging!Toen men kennis kreeg van de Juli-revolutie,2bevonden zich twee zeer bekende en zeer geachte Fransche ingenieurs, de heeren L... en Cl... in een gezelschap te Moscou. De eerste hield zijn mond; de tweede besprak en prees de omwenteling. Denzelfden avond gevangen genomen, zou hij naar Siberië overgebracht zijn, als onze gezant niet in tijds gewaarschuwd was en hem met aandrang had opgeëischt.Geen enkel paspoort gaf den vreemdeling zekerheid.Kotzebue3was in ’t bezit van een Pruisischen pas, volkomen in orde, toen hij te Petersburg werd opgelicht en in eens door, regelrecht naar Tobolsk4werd gevoerd. Men had hem bang willen maken, en het vervolg bewees, dat men daarin volkomen geslaagd was. Hij bekeerde zich zonder voorbehoud, en werd oprechtelijk goed-Rus; zóó goed, dat de keizer, verheugd over zijn ommekeer, hem tot directeur der schouwburgen van de hoofdstad aanstelde. Men weet, dat hij, sedert dit tijdstip, met zijn aan Rusland verkochte pen Duitschland verried en belasterde.Onze vriend, de heer Pernet, directeur van deRevue indépendante, was ook in ’t bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap, nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten, de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken, de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem ’t harte brak, en op verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder er zich van te kunnen verwijderen,voelde hij zich reeds in twee dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar, half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die, niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen, dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op, dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van sterven... Pernet bestierf het zelf.Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren ’t Fransche meisjes: alle modistes zijn dat.Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. “Goddank, mijn vriend!”—roept de een uit—“eindelijk kunnen we dan weêr eens vrij ademhalen!”Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben, spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, ’t zij omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat, ’t zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als ’t waregerussificeerdzijn. Zij ontkennen niet, wat erin Rusland voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden om een flink en ernstig oordeel te vormen.Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen, de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes, waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het meisje: “Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar me!”—De getrouwde vrouw: “Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!” In één woord, alles wat pijn en vrees voor roerends weten te uiten.—Hij smolt in tranen. De prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staatverrasteen die dit niet kon begrijpen, zei tot hem: “Wat u zoo van streek brengt, daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan dansen.” Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten weinig werk, zoo op ’t veld als in huis. Een niets-doende, vernederende dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een Russische dame zei mij eens: “Op een klein landgoed van honderd-vijftig boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertigkamervrouwen, die letterlijk niets uitvoeren.” Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op den koop toe krijgen.De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant, den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed, zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur de ongelukkige bevolking verkracht.Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen, zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar ’t gevoel voor ’t vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen?Oproeren blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding; men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen, hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke sneeuwmassa’s. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart, en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin, waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen der Russische boeren te stelen.De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één, die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan de schouwburgenvan Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht aan andere heeren, die op hun kasteelen opera’s geven.Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters; maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed, om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer (men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld en naar Siberië gezonden.Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen, die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten, te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij methaar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit, geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.1Hij was een Oostfries uit Sleeswijk, geb. 1798, gest. 1870.21830, in Parijs.3Een vroeger zeer beroemd Duitsch schrijver, vooral als dramatisch auteur in geheel Europa gevierd. Geb. 1761, gest. 1819.4Stad in Siberië.III.Geschiedenis van Katya, eene Russische Lijfeigene.Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten waarborg.Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht, en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij leefde bij haar familie, in ’t hart van Rusland, ver achter Moscou. Het was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader, die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ..., die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij merkte de aanvalligheidvan Katya op, en daar haar eigen kinderen zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde, nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg haar in haar rijtuig en reed verder.De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaamwas in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar, zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar, als men ze ’s nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer, haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen, herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige slechts een benauwde droom.Ze was nagenoeg twaalf jaar oud, toen haar meesteres een reis naar Frankrijk maakte en haar meenam, in 1815. De dame, mèt haar man meêgekomen, liet hem alleen, met het Russische leger, terugkeeren en bleef zelve in ons land. Weêrhouden door de een of andere gril uit passie of vroomheid voortgesproten, misschien onder den beheerschenden invloed van een boetprediker (waarvoor zoo menige Russische dame uit den tijd van keizer Alexander I zwichtte), zette zij zich in ’t hoofd te Parijs te blijven, en wilde van Rusland niet meer hooren spreken. Haar man, die er ten slotte genoeg van had haar tevergeefs te schrijven, te verzoeken, te gelasten, eindigde met haar geen geld meer te sturen, overtuigd haar door den honger tot terugkeer te zullen dwingen. Maar zij hield vol, nam haar intrek in een klooster, waar ze voor weinig geld terecht kon, en zond al haar bedienden weg. De jonge Katya deelde in hun lot. Haar meesteres verjoeg haar even onmeedoogend, als ze haar had geroofd. Zij stootte haar letterlijk in haar verderf. Uit de omgeving van het Pantheon werd zij naar hetMarais gevoerd, rue du Chaume,1bij vallende duisternis, en daar op de stoep van een huis achtergelaten.Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe, maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd, door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk huis nooit meer ondervonden had.Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier, toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons, en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste, met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste last, dien ze had te tillen, een trap, die zeop moest, bracht haar buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen, welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge, sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld, dat zij er zich over verontschuldigde.Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses, die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor ’t arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige jonge mannen, de zoogenaamde “geluksvogels”, bedroefden met hun onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein, liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd, toen men aanving haar een opvoeding te geven.Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging, zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was, keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.Haar beschermsters, die haar nooit uit het ooglieten gaan, hebben haar dikwijls aangeraden te trouwen. ’t Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar steeds verwierp zij ’t huwelijk, ’t zij omdat ze, evenals alle zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, ’t zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde, doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst, ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt, van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van Oosterlingen.De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster, mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe zij ’t aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid om haar misdeelde buren bij te staan.Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. “O, mevrouw,” roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar goede hart weêr dienstbode voelend, “u blijft altijd mijn meesteres, en wat ik bezit is hetuwe.” Dienzelfden dag verliet zij haar woning, met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen, die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven van dit meisje.Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven, dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben bereikt.Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever is de ziel van ’t volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En, kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen, die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis voor ’t kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of ’s morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde mij talvan dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets anders dan dit woord:Gebroken hart.Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal van malen bestudeerd.Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag, waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanigehartebreking, dat niets er zich meê kan vergelijken.Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig—maar ’t is niet gebroken; integendeel, ’t heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn martelaarschap.De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet, Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken, zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.Azië verkeert over ’t algemeen in een toestand van ontspanning, van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland, tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige wijs tot lijden afgericht.Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende liefde welke het in zijn hart koestert,—dat dit alles vereenigd schijnt om het telken ure ten val te brengen.Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder’twelk het Russisch zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.DeStaatis niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of, zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke droom, die op verren afstand verplaatst.Degodsdienstis louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.Heteigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische begrippen weêr.Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voorzijn gezin; de rest kan hem niet schelen.Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde, voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan, als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Denmeesteren den oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk klinkende, weêrgevende vanvadertje, grootvadertje, enz.Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis, waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt, zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplanteboomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn familiebanden. De “heer” kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt.Tot zelfs de ingewandenbehooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind, hij heeft het maar goed te vinden.En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert, of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij ’t ook vindt, is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.1In Parijs.
Aan de Russische officieren.Mijne Heeren,Alweêr menschenlevens ten offer gevallen. Gisteren, 20 Juli,1zijn te Warschau, tot ieders ontzetting, zonder reden of voorwendsel, vier gevangenen onverwacht uit hun kerker te voorschijn gehaald, voor uwe militaire rechtbanken gevoerd, veroordeeld en door stokslagen doodgeranseld.Geen enkel te voren gesmeed komplot verklaart deze wreede strafoefening. Het waren gevangenen, die reeds lang, om staatkundige reden opgesloten zaten. Hun bloedverwanten meenden, dat de komst van den keizer,2de aanstaande viering van den vijf-en-twintigsten jaardag zijner troonsbeklimming, hen genade zou doen krijgen.Nu, begenadigd zijn ze!Zijt gij het wel, mijne heeren, gij, vervuld van den geest van Frankrijk, door dezen en zijn denkbeelden gevoed: gij, meer Franschen dan Russen, die tot zulke barbaarsche, zulke vernederende straffen bevel kunt geven?Ons is de geweldige angst niet onbekend gebleven, die u terneder drukt. Een ijzeren vuist dwingt u totzulke afschuwelijke vonnissen, en doet ze u onderteekenen. Meer dan één onder u zou zeker zijn degen stuk breken, als hij daardoor slechts zijn leven op ’t spel zette.Wij kennen u, wij weten dat, als ge onttrokken zijt aan ieders blikken, gij het waagt menschelijk te zijn. Ik zou kunnen zeggen wáár en in welk opzicht; maar ik zal u niet verraden. Het is waarschijnlijk, dat ge op den 20sten Juli het aantal slachtoffers, dat men u vroeg, hebt beperkt. Van de vier-en-dertig, die ge moest oordeelen, zullen dertig in ’t leven blijven: zij gaan naar Siberië!Welke misdaad hebben die Polen bedreven?Dat zij juist zoo denken als gij.Wie verafschuwt, vervloekt méér dan gij het barbaarsche bewind van de bastaard-Duitschers,3die Rusland’s ondergang bewerken? Wat zou men bij de meesten uwer vinden, mijne heeren, wanneer uw hart werd blootgelegd? Immers de revolutie, het geloof aan den 14den December, het niet-uitteblusschen vuur van Pestel en Rylejew?4Droevig noodlot, door heel Europa heen te moeten trekken, en de deelgenooten uwer denkbeelden, de martelaren van uw overtuiging te bestrijden of te veroordeelen—hen, wier dood gij benijdt!Gij hebt de Hongaren bewonderd, wier opstand slechts door de Russische tusschenkomst van 1849 gebroken werd. De straffen, die volgden, de afgrijselijke beleedigingen, welke heldhaftige vrouwen hebben moeten verduren, gij voelt ze na, evenals wij.Gij hebt de helden van de Poolsche omwenteling bewonderd, die het in 1837 waagden, door een daad van ongeloofelijke stoutmoedigheid, hun Siberisch verbanningsoord te wapen te brengen: gij waart nog méérlijk dan zij, den dag toen zij onder de stokslagen neêrvielen van uw soldaten, zelven in tranen en vol wanhoop.Uw hart moet als door een dolk doorboord zijn geworden, toen Wisniowski,5in 1847, van de galg af, dit verheven woord verkondigde: “Hebt elkander lief en vergeeft.”Diegenen onder u, die in 1831 dienden, zullen altijd voor oogen en in ’t hart houden een droevig beeld, dat hun steeds zuchten en nachtwaken zal kosten. Zij herinneren zich Kroonstad, het plechtig martelaarschap van het Poolsche leger in die drukbezochte haven, ten aanzien van de verontwaardigde zeelieden van de heele wereld. Verscheiden honderdtallen van dapperen, krijgsgevangenen, en wel bij capitulatie, weigerden hun vaderland af te zweren en Russen te worden. Geslagen, genezen, opnieuw geslagen toen hun wonden zich sloten, volhardden zij als onverwinlijken, totdat de karren hen wegvoerden, aan flarden geranseld, vormelooze, afzichtelijke massa’s vleesch, waaraan niets meer den mensch deed herkennen.Welke zijn uw ongeopenbaarde gevoelens bij dergelijke verschrikkelijke beproevingen? Ze zijn voor ons geen geheim.Het zij mij vergund een feit te noemen:In een oorlog van jongen datum werd een uwer jeugdige officieren, bij zijn komst in een stad van het overweldigd land, ingekwartierd bij een dame uit de groote wereld, die, vol van wrok tegen de Russen en Rusland, hem door haar bedienden liet ontvangen en weigerde hem te zien. Niet dan met groote moeite slaagde hij erin tot haar door te dringen en sprak hij aanvankelijk op hoogen toon. Zij, onwrikbaar, heldhaftig, antwoordde zooals het Vaderland-zelf den vijand zou te woord gestaan hebben... Het hart van den jongen man verdroeg dit niet, en, van bewondering aangegrepen,zich aan haar voeten werpende, zei hij onder tranen: “Mevrouw, wij zijn ongelukkiger dan u...; van mijn geheele familie ben ik alléén over; ze zijn allen in Siberië.”Dus, gij treedt naar voren, zwijgend, bleek, den degen in de hand, om, tegen uw overtuiging in, het vonnis uit te voeren, dat een vijandig noodlot heeft geveld. Gij treedt naar voren, met gebogen hoofd, zonder achter u noch vóór u uit te zien.Achter u ligt Siberië, bevolkt door den Russischen adel, en de Kaukasus, of de algemeene slachtplaats, waar men u laat ombrengen. Niettemin gaat gij voorwaarts.—Achter u is de revolutie, waarmeê ge sympathiseert, Frankrijk en de Fransche gedachte-wereld, uw geheelezijnvertegenwoordigend. En niettemin gaat gij voorwaarts.Hebt medelijden met u-zelf... Welk gevaar loopt gij ten slotte, tenzij te sterven?Maar sterft ge dan niet reeds? Is uw leven niet de dood?Velen, in dezen droevigen toestand, trachten zich zelven te bedriegen. Zij doen zich geweld aan om volijverig te zijn voor de grootheid van Rusland.Laat ons onderscheiden, mijne heeren. Dit woord heeft twee zeer verschillende beteekenissen: het rijk en het volk. Welnu, het rijk heeft geen stap gedaan—ik maak mij sterk het te bewijzen—die niet tevens een schrede was naar de vernietiging van uw nationalen geest, de uitwissching van het Slavisch karakter, dat u kenmerkt. De eenige goede omschrijving van de schrikkelijke regeering, waaronder gij gebukt gaat, is:de ondergang van Rusland.Anderen, die zich zelven niet wat trachten wijs te maken, sluiten de oogen, geven zich over aan het noodlot; zij zetten zich neêr, enkel in twijfel gevangen; nemen plaats boven den afgrond: “Wie weet waar de oorzaak schuilt?” zeggen zij. “Wij zijn verdorven, dat is zoo. Maar het Westen is ’t niet minder... Laat ons genieten, en dan sterven.”Ja, de Westersche wereld is verdorven, doch in de opperste lagen, de eenige die ge kent, veel meer dan in de onderste. Frankrijk bezit bovendien dit vóórdeel, dat het, meer of minder verdorven, steeds in zich zelf het vermogen behoudt tot zedelijke vernieuwing door de kracht der denkbeelden. Frankrijk leeft van den geest, en het vindt daarin een onuitputtelijke opwekking, kracht tot ommekeer en wedergeboorte. Zijn aanvallen van zwakte zijn niet gering. De wereld roept dan uit: “Het is dood.” Men riep ’t bij Rosbach.6En toch hernam het, juist door deze nederlaag en opgewekt door een flauwen lichtstraal, zijn vorige kracht en gloed, bemoedigde hen, die vreesden dat zijn levenszon uitgedoofd was, en, door zijn geest een herschepping ondergaande, werd het ’t licht der wereld.Dit herscheppingsvermogen, het ligt in de gedachte die zich telkens hernieuwt. Wat zou er van een volk worden, dat, na zijn oorspronkelijkheid ingeboet te hebben, afgehouden werd van den omgang met elk ander, aan zich zelf overgelaten, buiten het verkeer met menschen gesloten, als men de vrije toestrooming van versche lucht tegenhield?Dit is het geval met het Russische volk.Zijn leven lag in de gemeenschap, een kleine patriarchale maatschappij, die den grond onder haar leden verdeelt en er hun de afwisselende bebouwing van overlaat. Een machtige onderlinge band. Tegenwoordig is de bewoner losgerukt van den bodem en van de gemeenschap. Vroeger bezitter van dien grond; sedert, gedurende twee eeuwen, als lijfeigene eraan vastgehecht, troostte hij zich met de voorstelling, dat het juist andersom was.—Het is nu zoover gekomen, dat hij er niets meer van is dan een verplaatsbaar aanhangsel, een stuk gereedschap, dat men aan de mijnen, aan de fabrieken verkoopt.Een aandoenlijke toestand, die tot tranen toe ontroert.Deze tot de lijfeigenschap gedoemde bevolking had zich met het hart erop toegelegd haar in overeenstemming te brengen met de natuurlijke menschelijke gevoelens; de lijfeigene noemde zijn meestervader. Hij was het kind van zijn heer, en de heer de zoon van den czaar. Heel deze wereld had zich vereenzelvigd met het denkbeeld vanvaderschap. Daarin zat het geloof en het gansche hart van den Rus... En gij hebt dat hart gebroken!Den lijfeigene aan uw agenten overleverende, die hem tot wanhoop brengen, hebt gij de keizerlijke politie tegen zijn oproerigheden moeten te hulp roepen, haar verbreiding moeten aanvragen over het geheele rijk, in ieder dorp den bleeken, kwaadwilligen man doen komen, die den boer bedreigt en den meester verraadt. Vroeger ongetwijfeld zeer afhankelijk in uw verhouding tot den czaar, hadt ge ten minste dit geluk, dat de punten van aanraking zeldzaam waren; oppermachtig thuis, van het oogenblik af dat de winter alle gemeenschapsmiddelen verbrak, hield de dwangheerschappij voor u op. Acht maanden per jaar waart gij koningen. Met den herfst sloot gij uw deur, en niemand kwam u verontrusten. Tegenwoordig ontmoet ge op uw goederen overal den onheilspellenden man, met het gluipend, ter-zij-uitziend oog, door wien de czaar van Sint-Petersburg uit u aanziet.Een mijner vrienden bevond zich eens in een Russisch paleis, in het hart van ’t rijk, ver van alle wegen verwijderd, en nam deel aan een grooten maaltijd, welken de vrouw des huizes gaf aan den talrijken adel uit de buurt. De eetzaal zag op een uitgestrekt park uit, waarvan de voornaamste laan vlak naar het midden venster voerde en de plaats, welke de dame aan tafel innam. Plotseling houdt zij op te spreken, blijft roerloos zitten, de oogen naar buiten gericht... daarop verbleekt zij; ziet als een doode, siddert... zij klappertandt... Zij is op het punt in onmacht te vallen. Een militair-uitziend persoon treedt de zaal binnen; het was de generaal der keizerlijke gendarmerie, dien ze hadzien aankomen. Ze dacht niet anders of ze was verloren. Gelukkig stelt hij haar gerust. Een ongeval, hem met zijn rijtuig overkomen, had hem opgehouden, en hij had daarom een anderen weg ingeslagen, om haar een bezoek te brengen.Zoo leeft gij nu. Gedwongen te kiezen tusschen twee verschrikkingen, van onderen de muiters vreezende, van boven den verpletterenden afgod, die iederen dag zwaarder drukt, zoekt gij uw toevlucht onder de bescherming van den laatste. Gij vlucht, waarheen? Ongelukkigen! Naar het bloedig altaar van Moloch.7Wat déze verschrikkelijke god verslindt, zijn echter niet alleen menschen; het is ook het talent, de innerlijke kracht, de levensvatbaarheid van Rusland.Van 1812 tot 1825 hebt gij een proef genomen op de nationale veerkracht. Het zachtzinnige vaderschap van Alexander8werd de vertrouwde van uwe menschlievendheid. De gebeurtenis van den 14en December verschrikte, beklemde de harten, drong ze weêr terug naar de eigenbaat.De letterkundige werkzaamheid duurde nog voort, bij gebreke van die van den staat; zelfs in dezen onschuldigen kring werd het Russische zieleleven vervolgd, de poëzie gedood mèt de dichters... Lermontow gedood. Gribojedew gedood. Puschkin gedood. En welk een tragische dood!9Kort na 1840 eindigt uw letterkunde. Diep stilzwijgen, gij laat u niet meer hooren. Gelooft gij, dat men u kwijtschelding geeft? Neen, een nieuw jachtveld voor vervolgingen wordt geopend, uitgestrekter, verschrikkelijker. Het despotisme, tot dusver uitwendig, materiëel,wil nu tot de zielen doordringen, en maakt zich ongerust over het geloof.“Gij gehoorzaamt; goed. Als Polen en als Rusland zijt gij gebroken; best... Toch ontbreekt er iets, zonder ’twelk de rest mij niets waard is: gij moet mij erkennen als richtsnoer van uw denken, als beslisser in uw geloofszaken; in mij moet gij vereeren de vereeniging der twee machten, zonder welke niets bestaat. Als beide mij toebehooren, ben ik een gehéél, ben ik God.”Zoo spreekt Nebukadnezar;10hij heeft het doen verkondigen door een van zijn slaven (Januari 1850); hij heeft verklaard, dat Rome uitgediend had, dat de Latijnsche kerk vereenigd moest worden met de Grieksche, de eenig katholieke, d.i. de algemeene, en dat de Czaar de Opperpriester van de geheele wereld was.Grootvorst Michaël had het reeds gezegd, twintig jaar vroeger, bij gelegenheid van een bezoek aan de Sint-Pieter te Rome, toen de paus juist den kerkdienst waarnam: “Dit is alles wel mooi, wel verheven; maar wat zal het schoon zijn als wij hier eens den dienst verrichten!”De keizer heeft meer gedaan, dan een woord te spreken. Sedert 1833 heeft hij gehandeld als paus, door de wreede vervolging der Uniaten (Grieken, vereenigd met Latijnen). Polen, staatkundig reeds verpletterd, heeft ook nog de slachtoffers geleverd voor deze verschrikkelijke godsdienstige strafoefening.Wat wil de nieuwe God anders doen, dan Rusland mishandelen en de aanhangers der tallooze secten, die er zich, totdusver onder de bescherming der heeren, verborgen? Reeds deze ongelukkigen alleen verschaffen, gemiddeld per jaar, vijfhonderd ballingen aan Siberië.Zóó slaat deze macht met den dood, verbrijzelt, verslindt. Als zij niets had om tusschen haar moordendekaken te nemen, zou zij zich-zelve verscheuren.—Staatkundig leven? Verslonden. Letterkundig leven? Verslonden. Nu heeft zij ’t gemunt op het godsdienstig leven, in Rusland en in Europa. Zij nadert, met open muil. Waarom is de revolutie haar onuitstaanbaar? Het orgaan van den czaar heeft het met buitengewone openhartigheid gezegd:omdat de Fransche revolutie een godsdienst is.Frankrijk en de revolutie zijn volstrekt niet ongerust en vreezen niets.—Wie moet vreezen? Gij vooral, mijne heeren. Het werktuig, waardoor deze macht de wereld aangrijpt, kiest zijn steunpunt op u, het drukt u neêr en verplettert u. Het verricht niets naar buiten, zonder het eerst naar binnen te hebben gedaan.Het is niet maar een mensch, merk dit wel op, het is een werktuig. De dood van een menschelijk wezen (ofschoon de kracht van zijn persoonlijkheid de drukking vermeerdert), zijn dood, zeg ik, kan niet volstaan om het zoo verbazend gespannen mechaniek te verminderen.Wie kan het losser maken, meneeren? Gij, meer dan iemand anders. Zelfs de czaar vermag niets zonder u.Indien hij de machine door bovenmatige krachtsoefening, zoo natuurlijk bij de oppermacht, met behulp van vreemdelingen, die den Russischen aard niet kennen, haar hoogste spankracht heeft doen bereiken,—dan hebt gij die er niet minder aan gegeven, door het lot van den lijfeigene te verzwaren, door overal, om de oproerigen in toom te houden, de tusschenkomst van de keizerlijke macht noodzakelijk te maken. Gij hebt aan den troon van den czaar dit nieuwe, verschrikkelijke overwicht geschonken, waaronder Rusland kraakt.De stelling, die gij inneemt, is nog sterk; uw macht, ten goede en ten kwade, ontzaglijk. Het volk, tusschen u en den czaar geplaatst, zou aan u de voorkeur geven. Vrijgemaakt, is het aan erger dienstbaarheid overgeleverd: die der omgekochte bureaucraten, zonder hart of eergevoel. Wat het vraagt is, dat gij het, door u aante sluiten bij het echt-Russisch element, de gemeenschap, zoowel tegen de regeering als tegen uw eigen zaakwaarnemers beschermt. De gemeenschap zou, onder uw bescherming, zich oefenen in de vrijheid. Luistert naar de mannen van den ouden stempel, en naar de ouden van dagen, eerbiedigt zeden en gewoonten; legt uwen intendant het zwijgen op tegenover den starost11en de plaatselijke patriarchen. Verwijdert de zakenmenschen. Zorgt, dat de grondpachten matig, billijk worden; dat deobrok(de vaste belasting), ongelukkigerwijs tegenwoordig in Groot-Rusland minder verbreid, algemeen worde, de aan verandering onderhevige heerendiensten vervange en uit vrijen wil worde toegestaan.Wanneer de plaatselijke regeering aldus van haar banden wordt bevrijd, zal het centraal bewind voor u een minder noodzakelijke beschermer zijn. Het zal voelen, dat gij sterk zijt door de liefde der uwen, en het zal u ontzien. Alles zal trapsgewijze milder worden, juist zooals het in de natuur gaat.Rusland heeft voor zijn grootheid niet noodig een tegennatuurlijke wereld te blijven.“Keert tot de natuur terug.”Als men haar eenmaal verlaat, maakt de eene gedrochtelijkheid iedere andere, niet minder monsterachtig, noodzakelijk, onvermijdelijk.Om maar één voorbeeld te geven, uw kankerende wond, Polen, vraagt den Kaukasus ter zuivering. En de etterende plek, de Kaukasus, eischt onophoudelijk het Russisch bloed, het Poolsch bloed.“Keert tot de natuur terug.”Maakt de gestrengheid van uwe politie minder wreed, door haar overbodig te doen zijn. Dat zal zij zijn, als de lijfeigene u zegent.Viert de teugels aan de barbaarsche gestrengheid van uw militaire inrichting. Het uitwendige heeft ertoch het wezen van vernietigd. Zij zou veel krijgshaftiger zijn, als zij niet vervallen was tot de aanmatigende geweldenarij van de Duitsche krijgstucht.Rusland is een veroverende staat en moet het zijn, volgens de natuurwet. Zijn veroveringen liggen in het Zuiden.Raadpleegt den eersten den besten Rus; er is er niet een, die zich om het Westen bekommert. Zijn ras en zijn geest zijn van een Zuidelijke natie, die zich ongelukkigerwijs naar het Noorden ziet verbannen.Laat dit bibberende volk zich komen warmen in het Zuiden, afdalen naar de vruchtbare steppen, die, eenmaal goed bebouwd, meer waard zullen zijn dan Polen, en een Italië zullen worden. Rusland glooit in werkelijkheid naar de Zwarte Zee af. De menschen gaan er van zelf heen, evenals de rivieren er naartoe stroomen; en telkens als ze in de nabijheid komen van dat paradijs, de Krim, meenen zij hun vaderland terug te vinden.Wanneer gij uw wettige en natuurlijke zending gaat vervullen, de verovering van de woestenij in het Zuiden, zult gij zonder spijt een ontaarden strijd beëindigen. Dan zult gij voldoening schenken aan uw zuster, aan Polen; het helpen om zich los te maken van Duitschland, en het eigenhandig herstellen. Het zal u verzoenen met God en met Europa, en als een gezegende zult gij tot de broederschap der menschheid weêr toegelaten worden.11851.2Nicolaas I, 1825 (Dec.)–1855, gekroond 22 Aug. 1826.3Het Keizerlijk huis der Romanows, dat zich steeds met Duitsche hoven vermaagschapte.4Inhoofdstuk VIIworden deze beide en de opstand van 14 (26) Dec. 1825 nader besproken.5Hij was natuurlijk een Poolsch veroordeelde, maar wat hij misdreven (?) heeft, kon de vertaler niet uitvinden.[Dit was Teofil Wiśniowski, prominent lid van de Poolse Democratische Vereniging (Towarzystwo Demokratyczne Polskie), die na de opstand van Kraków ter dood veroordeeld werd, en op 31 juli 1847 opgehangen.—J.H.]6Hier werden in 1757 de Franschen door de Pruisen, onder Frederik den Grooten, gevoelig geslagen.7Een afgod der oude Semietische volken, aan wien menschenoffers werden gebracht.8Van 1801–1825 was Alexander I keizer der Russen.9Lermontow en Puschkin kwamen 1841 en 1837 in een duel om. Gribojedew werd 1829 in Perzië door een woedende volksmenigte vermoord.10Naam van een Oostersch despoot uit de oudheid, koning van Babylonië, regeerde 604–561 v. Chr.11Beteekent zooveel als »oudste«; het is ook de naam voor dorpsburgemeester.
Mijne Heeren,
Alweêr menschenlevens ten offer gevallen. Gisteren, 20 Juli,1zijn te Warschau, tot ieders ontzetting, zonder reden of voorwendsel, vier gevangenen onverwacht uit hun kerker te voorschijn gehaald, voor uwe militaire rechtbanken gevoerd, veroordeeld en door stokslagen doodgeranseld.
Geen enkel te voren gesmeed komplot verklaart deze wreede strafoefening. Het waren gevangenen, die reeds lang, om staatkundige reden opgesloten zaten. Hun bloedverwanten meenden, dat de komst van den keizer,2de aanstaande viering van den vijf-en-twintigsten jaardag zijner troonsbeklimming, hen genade zou doen krijgen.
Nu, begenadigd zijn ze!
Zijt gij het wel, mijne heeren, gij, vervuld van den geest van Frankrijk, door dezen en zijn denkbeelden gevoed: gij, meer Franschen dan Russen, die tot zulke barbaarsche, zulke vernederende straffen bevel kunt geven?
Ons is de geweldige angst niet onbekend gebleven, die u terneder drukt. Een ijzeren vuist dwingt u totzulke afschuwelijke vonnissen, en doet ze u onderteekenen. Meer dan één onder u zou zeker zijn degen stuk breken, als hij daardoor slechts zijn leven op ’t spel zette.
Wij kennen u, wij weten dat, als ge onttrokken zijt aan ieders blikken, gij het waagt menschelijk te zijn. Ik zou kunnen zeggen wáár en in welk opzicht; maar ik zal u niet verraden. Het is waarschijnlijk, dat ge op den 20sten Juli het aantal slachtoffers, dat men u vroeg, hebt beperkt. Van de vier-en-dertig, die ge moest oordeelen, zullen dertig in ’t leven blijven: zij gaan naar Siberië!
Welke misdaad hebben die Polen bedreven?
Dat zij juist zoo denken als gij.
Wie verafschuwt, vervloekt méér dan gij het barbaarsche bewind van de bastaard-Duitschers,3die Rusland’s ondergang bewerken? Wat zou men bij de meesten uwer vinden, mijne heeren, wanneer uw hart werd blootgelegd? Immers de revolutie, het geloof aan den 14den December, het niet-uitteblusschen vuur van Pestel en Rylejew?4Droevig noodlot, door heel Europa heen te moeten trekken, en de deelgenooten uwer denkbeelden, de martelaren van uw overtuiging te bestrijden of te veroordeelen—hen, wier dood gij benijdt!
Gij hebt de Hongaren bewonderd, wier opstand slechts door de Russische tusschenkomst van 1849 gebroken werd. De straffen, die volgden, de afgrijselijke beleedigingen, welke heldhaftige vrouwen hebben moeten verduren, gij voelt ze na, evenals wij.
Gij hebt de helden van de Poolsche omwenteling bewonderd, die het in 1837 waagden, door een daad van ongeloofelijke stoutmoedigheid, hun Siberisch verbanningsoord te wapen te brengen: gij waart nog méérlijk dan zij, den dag toen zij onder de stokslagen neêrvielen van uw soldaten, zelven in tranen en vol wanhoop.
Uw hart moet als door een dolk doorboord zijn geworden, toen Wisniowski,5in 1847, van de galg af, dit verheven woord verkondigde: “Hebt elkander lief en vergeeft.”
Diegenen onder u, die in 1831 dienden, zullen altijd voor oogen en in ’t hart houden een droevig beeld, dat hun steeds zuchten en nachtwaken zal kosten. Zij herinneren zich Kroonstad, het plechtig martelaarschap van het Poolsche leger in die drukbezochte haven, ten aanzien van de verontwaardigde zeelieden van de heele wereld. Verscheiden honderdtallen van dapperen, krijgsgevangenen, en wel bij capitulatie, weigerden hun vaderland af te zweren en Russen te worden. Geslagen, genezen, opnieuw geslagen toen hun wonden zich sloten, volhardden zij als onverwinlijken, totdat de karren hen wegvoerden, aan flarden geranseld, vormelooze, afzichtelijke massa’s vleesch, waaraan niets meer den mensch deed herkennen.
Welke zijn uw ongeopenbaarde gevoelens bij dergelijke verschrikkelijke beproevingen? Ze zijn voor ons geen geheim.
Het zij mij vergund een feit te noemen:
In een oorlog van jongen datum werd een uwer jeugdige officieren, bij zijn komst in een stad van het overweldigd land, ingekwartierd bij een dame uit de groote wereld, die, vol van wrok tegen de Russen en Rusland, hem door haar bedienden liet ontvangen en weigerde hem te zien. Niet dan met groote moeite slaagde hij erin tot haar door te dringen en sprak hij aanvankelijk op hoogen toon. Zij, onwrikbaar, heldhaftig, antwoordde zooals het Vaderland-zelf den vijand zou te woord gestaan hebben... Het hart van den jongen man verdroeg dit niet, en, van bewondering aangegrepen,zich aan haar voeten werpende, zei hij onder tranen: “Mevrouw, wij zijn ongelukkiger dan u...; van mijn geheele familie ben ik alléén over; ze zijn allen in Siberië.”
Dus, gij treedt naar voren, zwijgend, bleek, den degen in de hand, om, tegen uw overtuiging in, het vonnis uit te voeren, dat een vijandig noodlot heeft geveld. Gij treedt naar voren, met gebogen hoofd, zonder achter u noch vóór u uit te zien.
Achter u ligt Siberië, bevolkt door den Russischen adel, en de Kaukasus, of de algemeene slachtplaats, waar men u laat ombrengen. Niettemin gaat gij voorwaarts.—Achter u is de revolutie, waarmeê ge sympathiseert, Frankrijk en de Fransche gedachte-wereld, uw geheelezijnvertegenwoordigend. En niettemin gaat gij voorwaarts.
Hebt medelijden met u-zelf... Welk gevaar loopt gij ten slotte, tenzij te sterven?
Maar sterft ge dan niet reeds? Is uw leven niet de dood?
Velen, in dezen droevigen toestand, trachten zich zelven te bedriegen. Zij doen zich geweld aan om volijverig te zijn voor de grootheid van Rusland.
Laat ons onderscheiden, mijne heeren. Dit woord heeft twee zeer verschillende beteekenissen: het rijk en het volk. Welnu, het rijk heeft geen stap gedaan—ik maak mij sterk het te bewijzen—die niet tevens een schrede was naar de vernietiging van uw nationalen geest, de uitwissching van het Slavisch karakter, dat u kenmerkt. De eenige goede omschrijving van de schrikkelijke regeering, waaronder gij gebukt gaat, is:de ondergang van Rusland.
Anderen, die zich zelven niet wat trachten wijs te maken, sluiten de oogen, geven zich over aan het noodlot; zij zetten zich neêr, enkel in twijfel gevangen; nemen plaats boven den afgrond: “Wie weet waar de oorzaak schuilt?” zeggen zij. “Wij zijn verdorven, dat is zoo. Maar het Westen is ’t niet minder... Laat ons genieten, en dan sterven.”
Ja, de Westersche wereld is verdorven, doch in de opperste lagen, de eenige die ge kent, veel meer dan in de onderste. Frankrijk bezit bovendien dit vóórdeel, dat het, meer of minder verdorven, steeds in zich zelf het vermogen behoudt tot zedelijke vernieuwing door de kracht der denkbeelden. Frankrijk leeft van den geest, en het vindt daarin een onuitputtelijke opwekking, kracht tot ommekeer en wedergeboorte. Zijn aanvallen van zwakte zijn niet gering. De wereld roept dan uit: “Het is dood.” Men riep ’t bij Rosbach.6En toch hernam het, juist door deze nederlaag en opgewekt door een flauwen lichtstraal, zijn vorige kracht en gloed, bemoedigde hen, die vreesden dat zijn levenszon uitgedoofd was, en, door zijn geest een herschepping ondergaande, werd het ’t licht der wereld.
Dit herscheppingsvermogen, het ligt in de gedachte die zich telkens hernieuwt. Wat zou er van een volk worden, dat, na zijn oorspronkelijkheid ingeboet te hebben, afgehouden werd van den omgang met elk ander, aan zich zelf overgelaten, buiten het verkeer met menschen gesloten, als men de vrije toestrooming van versche lucht tegenhield?
Dit is het geval met het Russische volk.
Zijn leven lag in de gemeenschap, een kleine patriarchale maatschappij, die den grond onder haar leden verdeelt en er hun de afwisselende bebouwing van overlaat. Een machtige onderlinge band. Tegenwoordig is de bewoner losgerukt van den bodem en van de gemeenschap. Vroeger bezitter van dien grond; sedert, gedurende twee eeuwen, als lijfeigene eraan vastgehecht, troostte hij zich met de voorstelling, dat het juist andersom was.—Het is nu zoover gekomen, dat hij er niets meer van is dan een verplaatsbaar aanhangsel, een stuk gereedschap, dat men aan de mijnen, aan de fabrieken verkoopt.
Een aandoenlijke toestand, die tot tranen toe ontroert.Deze tot de lijfeigenschap gedoemde bevolking had zich met het hart erop toegelegd haar in overeenstemming te brengen met de natuurlijke menschelijke gevoelens; de lijfeigene noemde zijn meestervader. Hij was het kind van zijn heer, en de heer de zoon van den czaar. Heel deze wereld had zich vereenzelvigd met het denkbeeld vanvaderschap. Daarin zat het geloof en het gansche hart van den Rus... En gij hebt dat hart gebroken!
Den lijfeigene aan uw agenten overleverende, die hem tot wanhoop brengen, hebt gij de keizerlijke politie tegen zijn oproerigheden moeten te hulp roepen, haar verbreiding moeten aanvragen over het geheele rijk, in ieder dorp den bleeken, kwaadwilligen man doen komen, die den boer bedreigt en den meester verraadt. Vroeger ongetwijfeld zeer afhankelijk in uw verhouding tot den czaar, hadt ge ten minste dit geluk, dat de punten van aanraking zeldzaam waren; oppermachtig thuis, van het oogenblik af dat de winter alle gemeenschapsmiddelen verbrak, hield de dwangheerschappij voor u op. Acht maanden per jaar waart gij koningen. Met den herfst sloot gij uw deur, en niemand kwam u verontrusten. Tegenwoordig ontmoet ge op uw goederen overal den onheilspellenden man, met het gluipend, ter-zij-uitziend oog, door wien de czaar van Sint-Petersburg uit u aanziet.
Een mijner vrienden bevond zich eens in een Russisch paleis, in het hart van ’t rijk, ver van alle wegen verwijderd, en nam deel aan een grooten maaltijd, welken de vrouw des huizes gaf aan den talrijken adel uit de buurt. De eetzaal zag op een uitgestrekt park uit, waarvan de voornaamste laan vlak naar het midden venster voerde en de plaats, welke de dame aan tafel innam. Plotseling houdt zij op te spreken, blijft roerloos zitten, de oogen naar buiten gericht... daarop verbleekt zij; ziet als een doode, siddert... zij klappertandt... Zij is op het punt in onmacht te vallen. Een militair-uitziend persoon treedt de zaal binnen; het was de generaal der keizerlijke gendarmerie, dien ze hadzien aankomen. Ze dacht niet anders of ze was verloren. Gelukkig stelt hij haar gerust. Een ongeval, hem met zijn rijtuig overkomen, had hem opgehouden, en hij had daarom een anderen weg ingeslagen, om haar een bezoek te brengen.
Zoo leeft gij nu. Gedwongen te kiezen tusschen twee verschrikkingen, van onderen de muiters vreezende, van boven den verpletterenden afgod, die iederen dag zwaarder drukt, zoekt gij uw toevlucht onder de bescherming van den laatste. Gij vlucht, waarheen? Ongelukkigen! Naar het bloedig altaar van Moloch.7
Wat déze verschrikkelijke god verslindt, zijn echter niet alleen menschen; het is ook het talent, de innerlijke kracht, de levensvatbaarheid van Rusland.
Van 1812 tot 1825 hebt gij een proef genomen op de nationale veerkracht. Het zachtzinnige vaderschap van Alexander8werd de vertrouwde van uwe menschlievendheid. De gebeurtenis van den 14en December verschrikte, beklemde de harten, drong ze weêr terug naar de eigenbaat.
De letterkundige werkzaamheid duurde nog voort, bij gebreke van die van den staat; zelfs in dezen onschuldigen kring werd het Russische zieleleven vervolgd, de poëzie gedood mèt de dichters... Lermontow gedood. Gribojedew gedood. Puschkin gedood. En welk een tragische dood!9
Kort na 1840 eindigt uw letterkunde. Diep stilzwijgen, gij laat u niet meer hooren. Gelooft gij, dat men u kwijtschelding geeft? Neen, een nieuw jachtveld voor vervolgingen wordt geopend, uitgestrekter, verschrikkelijker. Het despotisme, tot dusver uitwendig, materiëel,wil nu tot de zielen doordringen, en maakt zich ongerust over het geloof.
“Gij gehoorzaamt; goed. Als Polen en als Rusland zijt gij gebroken; best... Toch ontbreekt er iets, zonder ’twelk de rest mij niets waard is: gij moet mij erkennen als richtsnoer van uw denken, als beslisser in uw geloofszaken; in mij moet gij vereeren de vereeniging der twee machten, zonder welke niets bestaat. Als beide mij toebehooren, ben ik een gehéél, ben ik God.”
Zoo spreekt Nebukadnezar;10hij heeft het doen verkondigen door een van zijn slaven (Januari 1850); hij heeft verklaard, dat Rome uitgediend had, dat de Latijnsche kerk vereenigd moest worden met de Grieksche, de eenig katholieke, d.i. de algemeene, en dat de Czaar de Opperpriester van de geheele wereld was.
Grootvorst Michaël had het reeds gezegd, twintig jaar vroeger, bij gelegenheid van een bezoek aan de Sint-Pieter te Rome, toen de paus juist den kerkdienst waarnam: “Dit is alles wel mooi, wel verheven; maar wat zal het schoon zijn als wij hier eens den dienst verrichten!”
De keizer heeft meer gedaan, dan een woord te spreken. Sedert 1833 heeft hij gehandeld als paus, door de wreede vervolging der Uniaten (Grieken, vereenigd met Latijnen). Polen, staatkundig reeds verpletterd, heeft ook nog de slachtoffers geleverd voor deze verschrikkelijke godsdienstige strafoefening.
Wat wil de nieuwe God anders doen, dan Rusland mishandelen en de aanhangers der tallooze secten, die er zich, totdusver onder de bescherming der heeren, verborgen? Reeds deze ongelukkigen alleen verschaffen, gemiddeld per jaar, vijfhonderd ballingen aan Siberië.
Zóó slaat deze macht met den dood, verbrijzelt, verslindt. Als zij niets had om tusschen haar moordendekaken te nemen, zou zij zich-zelve verscheuren.—Staatkundig leven? Verslonden. Letterkundig leven? Verslonden. Nu heeft zij ’t gemunt op het godsdienstig leven, in Rusland en in Europa. Zij nadert, met open muil. Waarom is de revolutie haar onuitstaanbaar? Het orgaan van den czaar heeft het met buitengewone openhartigheid gezegd:omdat de Fransche revolutie een godsdienst is.
Frankrijk en de revolutie zijn volstrekt niet ongerust en vreezen niets.—Wie moet vreezen? Gij vooral, mijne heeren. Het werktuig, waardoor deze macht de wereld aangrijpt, kiest zijn steunpunt op u, het drukt u neêr en verplettert u. Het verricht niets naar buiten, zonder het eerst naar binnen te hebben gedaan.
Het is niet maar een mensch, merk dit wel op, het is een werktuig. De dood van een menschelijk wezen (ofschoon de kracht van zijn persoonlijkheid de drukking vermeerdert), zijn dood, zeg ik, kan niet volstaan om het zoo verbazend gespannen mechaniek te verminderen.
Wie kan het losser maken, meneeren? Gij, meer dan iemand anders. Zelfs de czaar vermag niets zonder u.
Indien hij de machine door bovenmatige krachtsoefening, zoo natuurlijk bij de oppermacht, met behulp van vreemdelingen, die den Russischen aard niet kennen, haar hoogste spankracht heeft doen bereiken,—dan hebt gij die er niet minder aan gegeven, door het lot van den lijfeigene te verzwaren, door overal, om de oproerigen in toom te houden, de tusschenkomst van de keizerlijke macht noodzakelijk te maken. Gij hebt aan den troon van den czaar dit nieuwe, verschrikkelijke overwicht geschonken, waaronder Rusland kraakt.
De stelling, die gij inneemt, is nog sterk; uw macht, ten goede en ten kwade, ontzaglijk. Het volk, tusschen u en den czaar geplaatst, zou aan u de voorkeur geven. Vrijgemaakt, is het aan erger dienstbaarheid overgeleverd: die der omgekochte bureaucraten, zonder hart of eergevoel. Wat het vraagt is, dat gij het, door u aante sluiten bij het echt-Russisch element, de gemeenschap, zoowel tegen de regeering als tegen uw eigen zaakwaarnemers beschermt. De gemeenschap zou, onder uw bescherming, zich oefenen in de vrijheid. Luistert naar de mannen van den ouden stempel, en naar de ouden van dagen, eerbiedigt zeden en gewoonten; legt uwen intendant het zwijgen op tegenover den starost11en de plaatselijke patriarchen. Verwijdert de zakenmenschen. Zorgt, dat de grondpachten matig, billijk worden; dat deobrok(de vaste belasting), ongelukkigerwijs tegenwoordig in Groot-Rusland minder verbreid, algemeen worde, de aan verandering onderhevige heerendiensten vervange en uit vrijen wil worde toegestaan.
Wanneer de plaatselijke regeering aldus van haar banden wordt bevrijd, zal het centraal bewind voor u een minder noodzakelijke beschermer zijn. Het zal voelen, dat gij sterk zijt door de liefde der uwen, en het zal u ontzien. Alles zal trapsgewijze milder worden, juist zooals het in de natuur gaat.
Rusland heeft voor zijn grootheid niet noodig een tegennatuurlijke wereld te blijven.
“Keert tot de natuur terug.”
Als men haar eenmaal verlaat, maakt de eene gedrochtelijkheid iedere andere, niet minder monsterachtig, noodzakelijk, onvermijdelijk.
Om maar één voorbeeld te geven, uw kankerende wond, Polen, vraagt den Kaukasus ter zuivering. En de etterende plek, de Kaukasus, eischt onophoudelijk het Russisch bloed, het Poolsch bloed.
“Keert tot de natuur terug.”
Maakt de gestrengheid van uwe politie minder wreed, door haar overbodig te doen zijn. Dat zal zij zijn, als de lijfeigene u zegent.
Viert de teugels aan de barbaarsche gestrengheid van uw militaire inrichting. Het uitwendige heeft ertoch het wezen van vernietigd. Zij zou veel krijgshaftiger zijn, als zij niet vervallen was tot de aanmatigende geweldenarij van de Duitsche krijgstucht.
Rusland is een veroverende staat en moet het zijn, volgens de natuurwet. Zijn veroveringen liggen in het Zuiden.
Raadpleegt den eersten den besten Rus; er is er niet een, die zich om het Westen bekommert. Zijn ras en zijn geest zijn van een Zuidelijke natie, die zich ongelukkigerwijs naar het Noorden ziet verbannen.
Laat dit bibberende volk zich komen warmen in het Zuiden, afdalen naar de vruchtbare steppen, die, eenmaal goed bebouwd, meer waard zullen zijn dan Polen, en een Italië zullen worden. Rusland glooit in werkelijkheid naar de Zwarte Zee af. De menschen gaan er van zelf heen, evenals de rivieren er naartoe stroomen; en telkens als ze in de nabijheid komen van dat paradijs, de Krim, meenen zij hun vaderland terug te vinden.
Wanneer gij uw wettige en natuurlijke zending gaat vervullen, de verovering van de woestenij in het Zuiden, zult gij zonder spijt een ontaarden strijd beëindigen. Dan zult gij voldoening schenken aan uw zuster, aan Polen; het helpen om zich los te maken van Duitschland, en het eigenhandig herstellen. Het zal u verzoenen met God en met Europa, en als een gezegende zult gij tot de broederschap der menschheid weêr toegelaten worden.
11851.2Nicolaas I, 1825 (Dec.)–1855, gekroond 22 Aug. 1826.3Het Keizerlijk huis der Romanows, dat zich steeds met Duitsche hoven vermaagschapte.4Inhoofdstuk VIIworden deze beide en de opstand van 14 (26) Dec. 1825 nader besproken.5Hij was natuurlijk een Poolsch veroordeelde, maar wat hij misdreven (?) heeft, kon de vertaler niet uitvinden.[Dit was Teofil Wiśniowski, prominent lid van de Poolse Democratische Vereniging (Towarzystwo Demokratyczne Polskie), die na de opstand van Kraków ter dood veroordeeld werd, en op 31 juli 1847 opgehangen.—J.H.]6Hier werden in 1757 de Franschen door de Pruisen, onder Frederik den Grooten, gevoelig geslagen.7Een afgod der oude Semietische volken, aan wien menschenoffers werden gebracht.8Van 1801–1825 was Alexander I keizer der Russen.9Lermontow en Puschkin kwamen 1841 en 1837 in een duel om. Gribojedew werd 1829 in Perzië door een woedende volksmenigte vermoord.10Naam van een Oostersch despoot uit de oudheid, koning van Babylonië, regeerde 604–561 v. Chr.11Beteekent zooveel als »oudste«; het is ook de naam voor dorpsburgemeester.
11851.
2Nicolaas I, 1825 (Dec.)–1855, gekroond 22 Aug. 1826.
3Het Keizerlijk huis der Romanows, dat zich steeds met Duitsche hoven vermaagschapte.
4Inhoofdstuk VIIworden deze beide en de opstand van 14 (26) Dec. 1825 nader besproken.
5Hij was natuurlijk een Poolsch veroordeelde, maar wat hij misdreven (?) heeft, kon de vertaler niet uitvinden.
[Dit was Teofil Wiśniowski, prominent lid van de Poolse Democratische Vereniging (Towarzystwo Demokratyczne Polskie), die na de opstand van Kraków ter dood veroordeeld werd, en op 31 juli 1847 opgehangen.—J.H.]
6Hier werden in 1757 de Franschen door de Pruisen, onder Frederik den Grooten, gevoelig geslagen.
7Een afgod der oude Semietische volken, aan wien menschenoffers werden gebracht.
8Van 1801–1825 was Alexander I keizer der Russen.
9Lermontow en Puschkin kwamen 1841 en 1837 in een duel om. Gribojedew werd 1829 in Perzië door een woedende volksmenigte vermoord.
10Naam van een Oostersch despoot uit de oudheid, koning van Babylonië, regeerde 604–561 v. Chr.
11Beteekent zooveel als »oudste«; het is ook de naam voor dorpsburgemeester.
II.Een vrijdenker uit Friesland, een officier die den dienst der Russische garde verlaten had en die een boeiend werk geschreven heeft over de militaire dwingelandij, welke hij had aanschouwd en ondervonden, de heer Harro Harring,1plaatste als motto boven zijn boek:Ausi(ik heb het gewaagd), 1832.Weinige jaren vroeger had een Duitscher, luitenant Mörtens, evenzeer uit Russischen dienst getreden, schrijver van een klein boek over de buitenlandsche aangelegenheden van Rusland, zich te Dresden metterwoon gevestigd. Wie zou niet gedacht hebben, dat hij in deze stad, onder ’t oog van Duitschland, zich in veiligheid bevond? Niettemin is hij, zonder eenig spoor van zich na te laten, verdwenen, en niemand heeft kunnen zeggen, wat er van hem geworden is (1829). Men gaf de schuld aan het Russisch gouvernement, en dit is er niet boos om geworden: het zoekt immers zijn voordeel in vreesaanjaging!Toen men kennis kreeg van de Juli-revolutie,2bevonden zich twee zeer bekende en zeer geachte Fransche ingenieurs, de heeren L... en Cl... in een gezelschap te Moscou. De eerste hield zijn mond; de tweede besprak en prees de omwenteling. Denzelfden avond gevangen genomen, zou hij naar Siberië overgebracht zijn, als onze gezant niet in tijds gewaarschuwd was en hem met aandrang had opgeëischt.Geen enkel paspoort gaf den vreemdeling zekerheid.Kotzebue3was in ’t bezit van een Pruisischen pas, volkomen in orde, toen hij te Petersburg werd opgelicht en in eens door, regelrecht naar Tobolsk4werd gevoerd. Men had hem bang willen maken, en het vervolg bewees, dat men daarin volkomen geslaagd was. Hij bekeerde zich zonder voorbehoud, en werd oprechtelijk goed-Rus; zóó goed, dat de keizer, verheugd over zijn ommekeer, hem tot directeur der schouwburgen van de hoofdstad aanstelde. Men weet, dat hij, sedert dit tijdstip, met zijn aan Rusland verkochte pen Duitschland verried en belasterde.Onze vriend, de heer Pernet, directeur van deRevue indépendante, was ook in ’t bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap, nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten, de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken, de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem ’t harte brak, en op verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder er zich van te kunnen verwijderen,voelde hij zich reeds in twee dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar, half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die, niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen, dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op, dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van sterven... Pernet bestierf het zelf.Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren ’t Fransche meisjes: alle modistes zijn dat.Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. “Goddank, mijn vriend!”—roept de een uit—“eindelijk kunnen we dan weêr eens vrij ademhalen!”Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben, spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, ’t zij omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat, ’t zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als ’t waregerussificeerdzijn. Zij ontkennen niet, wat erin Rusland voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden om een flink en ernstig oordeel te vormen.Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen, de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes, waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het meisje: “Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar me!”—De getrouwde vrouw: “Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!” In één woord, alles wat pijn en vrees voor roerends weten te uiten.—Hij smolt in tranen. De prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staatverrasteen die dit niet kon begrijpen, zei tot hem: “Wat u zoo van streek brengt, daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan dansen.” Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten weinig werk, zoo op ’t veld als in huis. Een niets-doende, vernederende dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een Russische dame zei mij eens: “Op een klein landgoed van honderd-vijftig boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertigkamervrouwen, die letterlijk niets uitvoeren.” Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op den koop toe krijgen.De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant, den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed, zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur de ongelukkige bevolking verkracht.Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen, zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar ’t gevoel voor ’t vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen?Oproeren blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding; men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen, hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke sneeuwmassa’s. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart, en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin, waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen der Russische boeren te stelen.De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één, die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan de schouwburgenvan Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht aan andere heeren, die op hun kasteelen opera’s geven.Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters; maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed, om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer (men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld en naar Siberië gezonden.Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen, die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten, te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij methaar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit, geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.1Hij was een Oostfries uit Sleeswijk, geb. 1798, gest. 1870.21830, in Parijs.3Een vroeger zeer beroemd Duitsch schrijver, vooral als dramatisch auteur in geheel Europa gevierd. Geb. 1761, gest. 1819.4Stad in Siberië.
Een vrijdenker uit Friesland, een officier die den dienst der Russische garde verlaten had en die een boeiend werk geschreven heeft over de militaire dwingelandij, welke hij had aanschouwd en ondervonden, de heer Harro Harring,1plaatste als motto boven zijn boek:Ausi(ik heb het gewaagd), 1832.
Weinige jaren vroeger had een Duitscher, luitenant Mörtens, evenzeer uit Russischen dienst getreden, schrijver van een klein boek over de buitenlandsche aangelegenheden van Rusland, zich te Dresden metterwoon gevestigd. Wie zou niet gedacht hebben, dat hij in deze stad, onder ’t oog van Duitschland, zich in veiligheid bevond? Niettemin is hij, zonder eenig spoor van zich na te laten, verdwenen, en niemand heeft kunnen zeggen, wat er van hem geworden is (1829). Men gaf de schuld aan het Russisch gouvernement, en dit is er niet boos om geworden: het zoekt immers zijn voordeel in vreesaanjaging!
Toen men kennis kreeg van de Juli-revolutie,2bevonden zich twee zeer bekende en zeer geachte Fransche ingenieurs, de heeren L... en Cl... in een gezelschap te Moscou. De eerste hield zijn mond; de tweede besprak en prees de omwenteling. Denzelfden avond gevangen genomen, zou hij naar Siberië overgebracht zijn, als onze gezant niet in tijds gewaarschuwd was en hem met aandrang had opgeëischt.
Geen enkel paspoort gaf den vreemdeling zekerheid.Kotzebue3was in ’t bezit van een Pruisischen pas, volkomen in orde, toen hij te Petersburg werd opgelicht en in eens door, regelrecht naar Tobolsk4werd gevoerd. Men had hem bang willen maken, en het vervolg bewees, dat men daarin volkomen geslaagd was. Hij bekeerde zich zonder voorbehoud, en werd oprechtelijk goed-Rus; zóó goed, dat de keizer, verheugd over zijn ommekeer, hem tot directeur der schouwburgen van de hoofdstad aanstelde. Men weet, dat hij, sedert dit tijdstip, met zijn aan Rusland verkochte pen Duitschland verried en belasterde.
Onze vriend, de heer Pernet, directeur van deRevue indépendante, was ook in ’t bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap, nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten, de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken, de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem ’t harte brak, en op verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder er zich van te kunnen verwijderen,voelde hij zich reeds in twee dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar, half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die, niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen, dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op, dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van sterven... Pernet bestierf het zelf.
Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren ’t Fransche meisjes: alle modistes zijn dat.
Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. “Goddank, mijn vriend!”—roept de een uit—“eindelijk kunnen we dan weêr eens vrij ademhalen!”
Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben, spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, ’t zij omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat, ’t zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als ’t waregerussificeerdzijn. Zij ontkennen niet, wat erin Rusland voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden om een flink en ernstig oordeel te vormen.
Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen, de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.
Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes, waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het meisje: “Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar me!”—De getrouwde vrouw: “Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!” In één woord, alles wat pijn en vrees voor roerends weten te uiten.—Hij smolt in tranen. De prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staatverrasteen die dit niet kon begrijpen, zei tot hem: “Wat u zoo van streek brengt, daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan dansen.” Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.
De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten weinig werk, zoo op ’t veld als in huis. Een niets-doende, vernederende dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een Russische dame zei mij eens: “Op een klein landgoed van honderd-vijftig boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertigkamervrouwen, die letterlijk niets uitvoeren.” Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op den koop toe krijgen.
De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant, den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed, zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur de ongelukkige bevolking verkracht.
Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen, zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar ’t gevoel voor ’t vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen?Oproeren blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding; men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen, hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke sneeuwmassa’s. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart, en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin, waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.
Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen der Russische boeren te stelen.
De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één, die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan de schouwburgenvan Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht aan andere heeren, die op hun kasteelen opera’s geven.
Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters; maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed, om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer (men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld en naar Siberië gezonden.
Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen, die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.
Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten, te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij methaar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit, geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.
1Hij was een Oostfries uit Sleeswijk, geb. 1798, gest. 1870.21830, in Parijs.3Een vroeger zeer beroemd Duitsch schrijver, vooral als dramatisch auteur in geheel Europa gevierd. Geb. 1761, gest. 1819.4Stad in Siberië.
1Hij was een Oostfries uit Sleeswijk, geb. 1798, gest. 1870.
21830, in Parijs.
3Een vroeger zeer beroemd Duitsch schrijver, vooral als dramatisch auteur in geheel Europa gevierd. Geb. 1761, gest. 1819.
4Stad in Siberië.
III.Geschiedenis van Katya, eene Russische Lijfeigene.Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten waarborg.Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht, en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij leefde bij haar familie, in ’t hart van Rusland, ver achter Moscou. Het was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader, die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ..., die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij merkte de aanvalligheidvan Katya op, en daar haar eigen kinderen zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde, nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg haar in haar rijtuig en reed verder.De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaamwas in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar, zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar, als men ze ’s nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer, haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen, herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige slechts een benauwde droom.Ze was nagenoeg twaalf jaar oud, toen haar meesteres een reis naar Frankrijk maakte en haar meenam, in 1815. De dame, mèt haar man meêgekomen, liet hem alleen, met het Russische leger, terugkeeren en bleef zelve in ons land. Weêrhouden door de een of andere gril uit passie of vroomheid voortgesproten, misschien onder den beheerschenden invloed van een boetprediker (waarvoor zoo menige Russische dame uit den tijd van keizer Alexander I zwichtte), zette zij zich in ’t hoofd te Parijs te blijven, en wilde van Rusland niet meer hooren spreken. Haar man, die er ten slotte genoeg van had haar tevergeefs te schrijven, te verzoeken, te gelasten, eindigde met haar geen geld meer te sturen, overtuigd haar door den honger tot terugkeer te zullen dwingen. Maar zij hield vol, nam haar intrek in een klooster, waar ze voor weinig geld terecht kon, en zond al haar bedienden weg. De jonge Katya deelde in hun lot. Haar meesteres verjoeg haar even onmeedoogend, als ze haar had geroofd. Zij stootte haar letterlijk in haar verderf. Uit de omgeving van het Pantheon werd zij naar hetMarais gevoerd, rue du Chaume,1bij vallende duisternis, en daar op de stoep van een huis achtergelaten.Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe, maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd, door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk huis nooit meer ondervonden had.Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier, toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons, en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste, met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste last, dien ze had te tillen, een trap, die zeop moest, bracht haar buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen, welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge, sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld, dat zij er zich over verontschuldigde.Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses, die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor ’t arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige jonge mannen, de zoogenaamde “geluksvogels”, bedroefden met hun onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein, liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd, toen men aanving haar een opvoeding te geven.Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging, zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was, keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.Haar beschermsters, die haar nooit uit het ooglieten gaan, hebben haar dikwijls aangeraden te trouwen. ’t Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar steeds verwierp zij ’t huwelijk, ’t zij omdat ze, evenals alle zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, ’t zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde, doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst, ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt, van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van Oosterlingen.De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster, mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe zij ’t aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid om haar misdeelde buren bij te staan.Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. “O, mevrouw,” roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar goede hart weêr dienstbode voelend, “u blijft altijd mijn meesteres, en wat ik bezit is hetuwe.” Dienzelfden dag verliet zij haar woning, met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen, die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven van dit meisje.Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven, dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben bereikt.Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever is de ziel van ’t volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En, kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen, die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis voor ’t kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of ’s morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde mij talvan dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets anders dan dit woord:Gebroken hart.Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal van malen bestudeerd.Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag, waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanigehartebreking, dat niets er zich meê kan vergelijken.Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig—maar ’t is niet gebroken; integendeel, ’t heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn martelaarschap.De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet, Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken, zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.Azië verkeert over ’t algemeen in een toestand van ontspanning, van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland, tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige wijs tot lijden afgericht.Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende liefde welke het in zijn hart koestert,—dat dit alles vereenigd schijnt om het telken ure ten val te brengen.Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder’twelk het Russisch zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.DeStaatis niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of, zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke droom, die op verren afstand verplaatst.Degodsdienstis louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.Heteigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische begrippen weêr.Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voorzijn gezin; de rest kan hem niet schelen.Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde, voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan, als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Denmeesteren den oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk klinkende, weêrgevende vanvadertje, grootvadertje, enz.Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis, waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt, zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplanteboomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn familiebanden. De “heer” kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt.Tot zelfs de ingewandenbehooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind, hij heeft het maar goed te vinden.En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert, of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij ’t ook vindt, is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.1In Parijs.
Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten waarborg.
Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht, en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.
Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij leefde bij haar familie, in ’t hart van Rusland, ver achter Moscou. Het was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader, die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ..., die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij merkte de aanvalligheidvan Katya op, en daar haar eigen kinderen zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde, nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg haar in haar rijtuig en reed verder.
De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.
Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.
Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaamwas in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar, zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.
Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar, als men ze ’s nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer, haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen, herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige slechts een benauwde droom.
Ze was nagenoeg twaalf jaar oud, toen haar meesteres een reis naar Frankrijk maakte en haar meenam, in 1815. De dame, mèt haar man meêgekomen, liet hem alleen, met het Russische leger, terugkeeren en bleef zelve in ons land. Weêrhouden door de een of andere gril uit passie of vroomheid voortgesproten, misschien onder den beheerschenden invloed van een boetprediker (waarvoor zoo menige Russische dame uit den tijd van keizer Alexander I zwichtte), zette zij zich in ’t hoofd te Parijs te blijven, en wilde van Rusland niet meer hooren spreken. Haar man, die er ten slotte genoeg van had haar tevergeefs te schrijven, te verzoeken, te gelasten, eindigde met haar geen geld meer te sturen, overtuigd haar door den honger tot terugkeer te zullen dwingen. Maar zij hield vol, nam haar intrek in een klooster, waar ze voor weinig geld terecht kon, en zond al haar bedienden weg. De jonge Katya deelde in hun lot. Haar meesteres verjoeg haar even onmeedoogend, als ze haar had geroofd. Zij stootte haar letterlijk in haar verderf. Uit de omgeving van het Pantheon werd zij naar hetMarais gevoerd, rue du Chaume,1bij vallende duisternis, en daar op de stoep van een huis achtergelaten.
Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe, maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd, door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk huis nooit meer ondervonden had.
Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier, toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons, en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste, met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste last, dien ze had te tillen, een trap, die zeop moest, bracht haar buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.
In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.
Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen, welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.
Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge, sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld, dat zij er zich over verontschuldigde.
Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses, die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.
Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor ’t arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige jonge mannen, de zoogenaamde “geluksvogels”, bedroefden met hun onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein, liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd, toen men aanving haar een opvoeding te geven.
Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging, zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was, keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.
Haar beschermsters, die haar nooit uit het ooglieten gaan, hebben haar dikwijls aangeraden te trouwen. ’t Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar steeds verwierp zij ’t huwelijk, ’t zij omdat ze, evenals alle zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, ’t zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde, doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst, ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt, van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van Oosterlingen.
De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster, mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe zij ’t aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid om haar misdeelde buren bij te staan.
Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. “O, mevrouw,” roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar goede hart weêr dienstbode voelend, “u blijft altijd mijn meesteres, en wat ik bezit is hetuwe.” Dienzelfden dag verliet zij haar woning, met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.
De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen, die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven van dit meisje.
Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven, dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben bereikt.
Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever is de ziel van ’t volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En, kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen, die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis voor ’t kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of ’s morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.
Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde mij talvan dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.
En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets anders dan dit woord:Gebroken hart.
Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.
Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal van malen bestudeerd.
Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.
Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag, waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanigehartebreking, dat niets er zich meê kan vergelijken.
Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig—maar ’t is niet gebroken; integendeel, ’t heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn martelaarschap.
De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet, Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken, zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.
Azië verkeert over ’t algemeen in een toestand van ontspanning, van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland, tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige wijs tot lijden afgericht.
Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende liefde welke het in zijn hart koestert,—dat dit alles vereenigd schijnt om het telken ure ten val te brengen.
Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder’twelk het Russisch zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.
Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.
DeStaatis niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of, zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke droom, die op verren afstand verplaatst.
Degodsdienstis louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.
Heteigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische begrippen weêr.
Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voorzijn gezin; de rest kan hem niet schelen.
Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde, voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan, als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Denmeesteren den oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk klinkende, weêrgevende vanvadertje, grootvadertje, enz.
Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis, waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt, zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplanteboomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.
Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn familiebanden. De “heer” kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt.Tot zelfs de ingewandenbehooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind, hij heeft het maar goed te vinden.
En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert, of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij ’t ook vindt, is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.
1In Parijs.
1In Parijs.