IV.

IV.De Minotaurus.1Over het Leger als Strafmiddel.Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht: men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur, maar van de regeering; het is ’t gevolg van de buitensporige verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten, die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam, nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche wereld.Wat voor een leger is het dan, dat, in vredestijd (de Kaukasus telt niet meê) op zoo zichtbare wijs een bevolking van zestig millioen zielen zoo kan dunnen! Tot welk een ongehoord cijfer men dit leger ook wil opvoeren, men zou ’t niet kunnen begrijpen, zonder te weten op welk een onmenschelijke manier het wordt gerecruteerd, gedrild en gevoed. Het moet van ’t volkdriemaal meer mannen nemen dan het soldaten telt. Wat is het lot van de rest? Weinigen, zeer weinigen keeren naar den huiselijken haard terug:niet één man op de honderd; Paskjewitsch2zelf zegt het, ik heb zijn woord al aangehaald. Nergens in Rusland ziet men verminkte oud-soldaten, zooals in andere landen zoo veelvuldig aanwezig zijn. Alle genezen; zij hebben tot arts den besten heelmeester: den Dood.Als de hertog van Ragusa3in zijn boek, dat méér Russisch-gezind is, dan de Russen-zelven, tot onzen schrik berekent, dat de Russische soldaat den keizer twee of drie maal minder kost dan de onze, dan ziet hij in zijn becijfering over ’t hoofd, dat om één geoefenden en geharden Russischen soldaat te verkrijgen, er vooraf twee of drie moesten doodgaan.Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk misbruiken van menschenvleesch.Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding) de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee; kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere, gansch tegenovergestelde.Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen, namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk is. De gelaatstrekkenzijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak, de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen, die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde, slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen opgegeten.Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger bloed, inwendig zouden verbranden.Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt, bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als ’t ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman, ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo’n man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar, een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden, doet zelden iets uit eigen beweging.Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk en in Rusland, den dag van het vertrek derrekruten. De Fransche dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen, geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij, de eenige in het rijk,wiensvrijheden eenigszins geëerbiedigd worden, wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein, leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman, handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij, maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten, de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van achteren de afgrijselijkemerken van de krijgstucht, en oude krijgers, eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft, dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan, bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. “Ik ben niet gesteld op den oorlog,” zei Constantijn, “hij bederft den soldaat en maakt zijn uniform maar vuil.” En toen iemand, om een officier bij hem te ontschuldigen, zei: “’t is ten minste een man, die veel moed bezit,” riep hij uit: “moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed.”Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat achteraf en wacht op bevelen,—dan is ’t in orde.Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van ’t leger oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er; het gouvernement wéét dit, maar doet erniets tegen. Hoe kan het gezag, dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten, welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd, sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed, slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden, dat hij zich ’s winters (en de winter is zoo lang in Rusland) opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte, de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel—’t is ongeveer vijf en twintig jaar geleden—een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben, zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen, hun klingen, die van geslacht op geslachtovererfden, hun geweren van platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden, die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van hun meester,—zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden, zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling toegetakeld, en daarbijzakendoende, is een belachelijk wezen, vergeleken bij deze koningen van ’t gebergte.Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer, welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk, van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger, akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden; uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen te verlagen, goeie dienaars te maken engoeie onderdanen. Men vond hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau, brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.Welke is de zedelijke toestand van den militair in Rusland? Welke gedragslijn zal hij kiezen bij eengroot conflict met Europa?4Men kan dit in geenen deele voorzien; welke de gevoelens der officieren of van de soldaten ook mogen zijn, zij dragen een juk van vrees, dat moeilijk af te schudden is.Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkstdoor vrees in bedwang te houden.Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het verschijnsel, dat menvreesnoemt. Er is geen sprake van bangheid, ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat tegenover geheimzinnige machten.Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar, natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met vrome onderwerping.Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande, de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerkinggemaakt: de Rus en de Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil: de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinkesoldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken door nieuwe aanwervingen.Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der diplomatie heeft bewandeld.Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.Niemand kent den Russischen soldaat goed. Met al zijn uiterlijk van een automaat en dat gezicht van hout, heeft hij toch soms een zeer critisch oordeel. Het komt uiterst zelden voor dat hij dit laat doorzien. Laat ik een kostelijk staaltje van dit soort aanhalen. Hierbij is sprake van het dweepzieke tijdperk der soldaten van Suwarow.5In het verhaal, dat zeer natuurlijk schijnt en klaarblijkelijk getrouw en waar is, merkt men hiervan niets, maar wel een lichte spotzucht, een treffende neiging tot medelijden, de vage hoop van eindelijk den dienst te zullen verlaten, en, wat den Rus altijd bijblijft, de liefde voor zijn land en zijn familie.Het was bij den dood van Catharina.6Ziehier hetgesprek der soldaten, dat Niemcewicz7in zijn gevangenis afluisterde: “Eindelijk zullen we dan een czaar krijgen!” zei de een. Waarop de ander antwoordde: “Dat is in lang niet gebeurd. Onze oudematuszka(moedertje) heeft er haar plezier, geloof ik, wèl van genomen.”—“Meer dan welletjes,” zei de eerste, “maar ieder zijn beurt. Ik hoop dat nù onze arme gevangenen zullen vrijgelaten worden.”—“Er zullen groote veranderingen komen,” zei een derde. “Men vertelt dat allen, die dertig jaar dienst hebben naar huis kunnen gaan, als ze willen.”—“God geve ’t!” beaamden allen met een diepen zucht.1Het alverslindend monster.2Een Russisch generaal, bekend uit de dagen van den Poolschen opstand van 1830-’31.3Fransch generaal, die onder Napoleon I gediend heeft.4Dit werkje is geschreven vóór de uitbarsting van den Krimoorlog.5Overwon de Polen (1795) en streed tegen Napoleon.6Catharina II regeerde over Rusland van 1762–1796. Zij was een flinke, maar onzedelijke vrouw.7Poolsch schrijver en patriot (geb. 1757, gest. 1841), die tegen de Russen streed en krijgsgevangen werd gemaakt.V.Siberië.Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in Rusland, het begint bij den Weichsel.Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad, het is ’t breken van het hart, het is de zedelijke angst van een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen, hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.De soldaat is een veroordeelde, niet alleen omdat hij den een of anderen morgen, uit zijnhuis opgelicht, overgeleverd wordt aan de voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?De officier is een veroordeelde.Tegen wil en dank volgt hij den harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd, van haar rang ontzet worden, en hij-zelf,hij is verloren.Verloren?Wat beteekent dit woord?Gedood?Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als ’t moet;anders, zegt hij,zou hij verloren zijn.De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: “Ik ben verloren!” Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatieis niet altijd in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien, nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.Een oneindigheid van afstand. Wie de reis te voet aflegt, beladen met zware ketenen, vertrekt jong en komt oud aan. Een man van vijf en twintig jaar, vol levenslust en levenskracht, is uit Polen weggevoerd. Drie jaren later valt een schim uitgeput in Kamschatka1neder.Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn voldoende om den dood te veroorzaken.Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken, zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren lang, somslanger, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan, die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en hun vrienden. Zijn naam verliezen, zichnumero tien,numero twintighooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden, kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door een hardvochtigcrescendo, komt het voor, dat de kinderen van een tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, diehaar eigen land aan de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend; zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers, de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde, zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft, die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid der lijfeigenen!...Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad, alléén, inden nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen, hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden, tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.In een reisverhaal, in 1850 te Wilna uitgekomen, met goedkeuring van de Russische censuur, beschrijft een zekere juffrouw Eva Felinska den betreurenswaardigentoestand, waarin zij te Tobolsk een Poolschen kolonel aantrof. Betrokken in het verzet van 1825, was hij door den senaat veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf,alleen voor het achterhouden van onthullingen. De keizer schonk niet de minste aandacht aan deze veroordeeling; hij deed hem naar het Noorden van Siberië overbrengen, op drie-en-zeventig graden breedte, vanwaar men hem,bij wijze van gratie, naar Tobolsk liet komen. Deze ongelukkige, eens de mooiste man van het leger, was niet meer te herkennen. “Daar hij zich niet meer staande kon houden, had hij in een armstoel plaats genomen. Zijn haren, reeds vergrijsd en hoe ook gedund, waren met zorg gekamd, vielen hem op de schouders en daalden tot zijn elbogen. Zijn gelaat was heel bleek en gezwollen, zijn blik dof. De aandoening deed zijn oogen en zijn lippen trillen. Men zag hem aan, dat hij wilde spreken, maar het niet kon. Hij gaf ons met zijn hand een teeken naderbij te komen, om ons te kunnenbegroeten. Zijn geest genoot toen een oogenblik van helderheid, doch de ontroering maakte het hem moeilijk zijn tong te gebruiken, die half verlamd was. Wetende, dat wij naar Berezow2gingen, waar hij had gewoond, bewoog hij ons onzen intrek te nemen bij zijn gastvrouw. Het geheele onderhoud werd van zijn kant met groote moeite gevoerd; we moesten veeleer raden, wat hij wilde zeggen. Maar weldra bemerkten we, dat hij ’t gebruik zijner vermogens had uitgeput, want, terwijl hij in zijn verbeelding ongetwijfeld vertoefd had aan de oevers van den Taag en van de Seine, die hij zoo door en door kende, deelde hij ons meê, dat we te Berezow meloenen zouden vinden, druiven en andere zuidvruchten. Wij maakten toen een eind aan ons bezoek, met beklemd hart, terwijl hij ons nog met een gebaar wilde doen blijven, en poogde te zeggen:Blijft nog wat!!!”1Het verstverwijderde gedeelte van Siberië.2Stadje in het Noordwesten van Siberië.VI.Siberië.De Straffen.“Hier is de nacht somber als de winter. Hij is droefgeestig, maar indrukwekkend. Wanneer hij verhelderd wordt door het noorderlicht, vertoonen zich aan den donkerblauwen, bijna zwarten hemel duizenden vallende sterren en schijnt hij in vlam te staan. Dit vuur verwarmt niet, verlicht niet. Die sterren zijn zwaarmoedig; men zou ze houden voor de oogen der geesten van veroordeelden, die voor immer dit ongelukstafereel willen vastleggen...“Kolommen vuurs, vreemdsoortige, verschrikkelijke, majestueuse gedaanten stooten op alle punten van den hemel tegen elkander; men zou zeggen gloeiende houtskolen, bijwijlen stroomen bloeds... Zou de natuur, evenals de mensch, visioenen hebben? Deze Noordsche natuur, misdeeld, ingeslapen, schijnt droomen van ballingen te droomen.”Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede generaal Kopec, metgezel van Kosciusko,1voor ons heeft ontworpen van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski.2Deze, ontembaar, woelziek,vermetel speler en nog vermeteler soldaat, eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, enin plaatsvan gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê, scheept hij zich met haar in.—Kopec wendt zich tot God; hij voelt zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd, legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der tranen ontvangen.“Ik wandelde langs de kust der zee, en als het weêr stormachtig werd, zag ik allerlei vreemdsoortige dieren, walvisschen, zeeleeuwen en zeehonden. Soms werd ik door steenen getroffen; beren slingerden die naar mij toe, om mij te wonden en vervolgens aan te vallen. Deze zee heeft in den herfst veel deining; zij breekt met zooveel kracht, dat Kamschatka er tot op zijn grondslagen van trilt. De dagen zijn grauw en de nachten zwart. Als de storm in aantocht is en de Oceaan zijn gerommel doet hooren, huilen de groote troepen honden, die leven van visschen (er zijn er misschien wel twintig duizend) tegen den Oceaan, en tallooze beren geven antwoord door onheilspellend gebrom. Gedurende dien tijd rommelen de vulkanen en braken vlammen en asch. O, wat een helsch schouwspel! en wat is een eerlijk man in een benarden toestand te midden van den tweespalt der toornige elementen!”Kopec beklaagt zich over de natuur, zelden over de menschen. Toch was hij met groote barbaarschheid behandeld. Gekwetst, ziek, zonder dat men op zijn wonden acht sloeg, die door de kou weêr opengingen, was hij dag en nacht in een koets, van binnen dubbel met ijzer beslagen, voortgesleurd. Geheel uitgeput,vroeg hij den officier, die hem geleidde, eenige rust. “Ik heb order zonder oponthoud verder te gaan, zei deze; ik zal in allen geval uw lijk meêvoeren. U heeft vrijheid onderweg te sterven.”Wat ook nog erg treurig voor hem was, was dat hij onmetelijke convooien ontmoette van arme Polen, die naar Siberië gevoerd werden, kaal geschoren, met een brandmerk op ’t voorhoofd en een afgehakten neus. Verder voortgaande werd de weg niet anders aangewezen dan door doodsbeenderen van beren, paarden of menschen, en enkele graven van in de woestenij gestorven ballingen, welke afwachtten wie na hen zouden komen.Bij eene pleisterplaats zag hij een oogenschijnlijk voorname vrouw, die dienstbode was. “Wie is u?” vroeg hij.—“Indertijd echtgenoote van een kolonel, nu van een grofsmid.” En zij verwijderde zich, zonder te zeggen wie ze was.Kopec scheen een verloren man, voor altijd Siberiër te worden, zonder eenige gelukkige kans. Andere generaals, die men later zocht om ze de vrijheid te hergeven, konden nergens gevonden worden.“Eens op een dag keek ik, in droefgeestige gedachten, terwijl ik mij op de overblijfselen van een verongelukt schip bevond, naar de zee, die vol was van allerlei monsters. Plotseling ontdek ik een jongen, knappen, statigen man, in een vreemde kleederdracht; de verschijning greep me zeer aan. “Tot welke natie behoort u?” vroeg hij mij.—“Tot het ongelukkig volk.” “O, je bent dus een Pool!... Ik ben koopman... ik ga naar Rusland terug... Schrijf een brief aan de uwen... Ik weet wel wat voor gevaar ik loop... maar dat kan me niet schelen! gauw, ga schrijven.” Hij trotseerde het gevaar, belastte zich met den brief en heeft hem eerlijk bezorgd.”Maanden en jaren verloopen. Eens op een dag komt de man, bij wien Kopec inwoonde, bleek en ontdaan bij hem in de kamer: “Er is een schip in zee gezien.”—“Nu, des te beter!” gaf de Pool ten antwoord.—“Neen, des te erger,” zei de man. “De kommandant hier zal ons beschuldigen een komplot te hebben gesmeed, zooals hij wel meer doet; hij zal ons goed en leven nemen. Hij weet, dat het drie jaar duurt vóór een klacht te bestemder plaatse komt.”Het schip bracht de gratie van Kopec, zijn bevrijding. Hij wilde het eerst niet gelooven. Toen hij ’t zelf gelezen had, viel hij in zwijm. Om zich te herstellen, ging hij naar de zee. “Het was stormachtig weêr; de monsters kwamen bij troepen naar de kust toezwemmen. Ik verbeeldde mij menschen te zien, gezichten te herkennen, ik zag tafereelen uit ons volksleven, processies, monniken die mij het kruis tegemoet droegen. Ik wilde mij naar voren werpen... maar werd tegen gehouden.“Teruggekomen, had ik moeite om mijn kamer binnen te treden. Ieder kwam mij gelukwenschen. De vrouwen brachten mij geschenken, goede en zonderlinge: rum, suiker, waskaarsen (in het land van eindelooze nachten, van alle dingen het meeste waard).“De geestelijke, een gemoedelijke grijsaard van tachtig jaar, balling als de overigen, kwam in zijn priestergewaad, met zijn koorzangers, zes kinderen van de naburige eilanden, door hem gevormd, die heel goed zongen, bepaald aandoenlijk. Ik stak al mijn kaarsen tegelijk aan. Hun fijne stemmetjes drongen ons tot in het hart. Ik ben altijd spoedig tot tranen geroerd geweest; maar ditmaal barstte ik in snikken uit, of, om ’t juister uit te drukken, in woeste kreten.“Vervolgens gingen we rondom mijn steenen tafel zitten, en iedereen bleef doorweenen. Ik maakte wat Poolsche punch klaar. Elks gedachten waren bij het vaderland, dat niemand durfde hopen ooit te zullen weêrzien.”“Gij zijt wel gelukkig,” zeiden ze tot Kopec. “Ge vertrekt in drie jaar.” Het schip lichtte inderdaad eerst het anker na zoo lang in deze kuststreken te hebben vertoefd.Hoeveel treffende geschiedenissen zou de wildernis niet kunnen vertellen, als ze spreken kon! Ze is echter even stom als somber. Deze oceaan van bevroren vlakten is nog geslotener dan de Oceaan der wateren over de schipbreuken, welke hij overdekt. Aan dit uitgestrekte graf heeft Rusland, even onvermijdelijk als de dood, de zorg toevertrouwd om den heldenaard te vernietigen der al te schitterende naties, die het omringden. Door krijgsgevangenen niet terug te geven, maar hen te laten verdwijnen, heeft het Zweden uitgeput. De metgezellen van Karel XII,3gedwongen tot deerniswaardig metselaarswerk, slapen aan den voet der bastions van Tobolsk, door hen-zelven met inspanning van alle krachten gebouwd. Zweden is dáár leeggevloeid. En Polen is er op komst. De droevige processie gaat maar steeds voort; gansch een volk marcheert naar de woestijn, naar het graf.Terwijl alzoo het onpersoonlijke, onverschillige groote slaafsche Rusland zich vermenigvuldigt, vruchtbaar als het gras der steppen en niet minder eentonig dan deze,—verdwijnt de krachtige persoonlijkheid der heldenvolken, bij welke ieders hart warm klopte, wordt ze uitgebluscht, begraven. Siberië bedekt, verbergt zijn schat onder de aarde.Treffende eigenaardigheid! Wat men niet heeft kunnen geheim houden, wat aan het helderst daglicht gekomen is, dat is niet de weerstand der dapperen, het zijn de bewijzen van toewijding als een natuurlijk uitvloeisel van den band van ’t familieleven. De helden zijn heengegaan; maar de vader, de echtgenoot, de verloofde is gebleven, en de natuur, de wonderen van het hart, de overwinningen van de liefde op de menschelijke wreedheid duren voort.Iedereen heeft bij Custine de aandoenlijke geschiedenisgelezen van prinses Troubetskoi,4die alles verlaten heeft om haar man te volgen, een rampspoedige maar toch weinig belangwekkende persoonlijkheid, die het groote ongeluk gehad heeft zijn vrienden te laten omkomen, zich te verontschuldigen en hen te overleven. Werd hij bemind toen hij vorst was? Niets toont het aan. Maar als veroordeelde won hij liefde. In Rusland hadden zij geen kinderen; in Siberië krijgen zij er vijf. Deze bewonderenswaardige vrouw heeft door haar onverwachte liefde den balling veel meer geschonken, dan de keizerlijke wraak hem had ontnomen.Laat mij hier een gebeurtenis boekstaven, nog verrukkelijker, maar minder bekend, historisch vaststaande door het getuigenis van een waarheidlievenden mond, die niet in staat was te liegen.—In 1825 werd een jonge Rus (noemen we hem Iwan) naar Siberië gezonden. Hij had lief en werd bemind. Een Fransch meisje, een jeugdige onderwijzeres bij zijn familie, had trouwbelofte van hem. De familie, die dit wist, maar op de verbintenis niet gesteld was, had het jonge meisje verwijderd. Nauwelijks had zij vernomen, dat haar verloofde in ’t ongeluk was gestort en van allen verlaten, dat hij “aan den ketting moest,” of zij liet de haar gedane trouwbelofte gelden. Zij ging zonder schroom naar Sint-Petersburg, regelrecht naar den keizer. Hij dacht dat ze krankzinnig was, trachtte haar van haar voornemen af te brengen, beduidde haar niet te volharden in haar wensch de vrouw te worden van een tot dwangarbeid veroordeelde. Helaas! ’t was zoo gemaklijk hem zijn vrijheid te hergeven... De gunst, die men haar toestond bestond alleen in ’t verlof hem te volgen, met hem te lijden, te sterven. De arme Française werd inderdaad het slachtoffer van haar toewijding; haar zwakke borst kon het verschrikkelijke klimaat niet verdragen; na verloop van een jaar stierfzij. Haar man overleefde haar niet; ’t zij door ellende, ’t zij door smart vergezelde hij haar in ’t graf.Zij lieten een kind na, een ongelukkige wees, bij zijn geboorte reeds een verschoppeling en geruïneerd. De bezittingen van zijn vader moesten overgaan in de handen van een natuurlijken zoon zijns grootvaders. Doch deze (niets is eervoller voor het Russisch karakter) weigerde voordeel te trekken uit de wreedheid der wet en liet den wees alles behouden.Een gevaar, dat Siberië meêbrengt, en wel het grootste, is dat men er sterft vóór zijn dood. De oneindige verscheidenheid der lotsbeschikkingen, die men er aantreft, de absolute willekeur waaraan allen daar onderworpen zijn, maakt het maar al te makkelijk zelfs de sterkste zielen te beteugelen, te vernietigen. Rusland heeft niet noodig, zooals Oostenrijk, met zorg ingerichte gevangenissen te bouwen, waar de veroordeelde gedwongen wordt onwaardig werk te verrichten, vrouwenarbeid te doen of met allerlei beuzelingen zich af te geven, die den geest verstompen. Het verlaat zich op het voor den mensch al te ruwe klimaat, dat hem breekt. Het verlaat zich op de beestachtigheid van de militaire geweldenarij, welke iederen veroordeelde van karakter als ’t ware door een molensteen fijnmaalt. De hardvochtige soldaat, die telkens vervangen wordt, maakt den veroordeelde weerloos door die wrijving. Deze wordt hoe langer zoo kleiner gemaakt, verslapt, en verliest ten slotte alle kracht tot verder verzet. Het verstand komt hem te hulp en betoont zich vindingrijk, door hem zich zelf te doen wijsmaken dat hij verkeerd zou handelen met langer tegen te spartelen. Het laat hem zijn beulen rechtvaardigen, vernietigt in hem het begrip van goed en kwaad, maakt hem volkomen onverschillig voor alles, verderft zijn zinnen, doet hem gelooven dat het goed is.Dit is het, wat de vrijheid altijd voor haar aanhangers gevreesd heeft; niet den dood, een edelen en heiligen dood. Dit is het, wat Europa vreesde, toen het wistdat de helden van November 1831,5ter dood veroordeeld, begenadigd werden, om naar Siberië te kunnen worden gezonden. Lazen wij niet aan het slot van ieder geschiedverhaal in de mooie verzameling, getiteldPoolsche Zaken, van 1830 (door Straszewicz): “Zij leven, ze zijn in Siberië, ziedaar alles wat men weet; welke hun toestand is naar lichaam en hart, dat blijft ongelukkigerwijs onbekend.”Maar, we zijn het, Goddank, te weten gekomen. We zijn gerustgesteld,—hun ziel is niet dood. Ze hebben haar gaaf behouden, en hun lichaam aan ’t noodlot prijs gegeven.—Sommige dood, de andere stervende: alle zijn ze onwrikbaar gebleven in hun geloof en hun hoop.Een balling, uit Siberië weêrgekeerd (Piotrowski), heeft ons omtrent hun martelaarschap ingelicht.Peter Wysocki, de jonge held, die den slag van November6heeft toegebracht door de militaire school tot medewerking te bewegen aan de bevrijding van Warschau, is het eerste slachtoffer geweest. In 1833, of daaromtrent, in Siberië aangekomen, waagde hij de onderneming om gewapenderhand terug te keeren. Hij moest dus vernietigd worden: hij kreeg vijftienhonderd stokslagen. Men kan er niet méér opleggen, zonder den dood te veroorzaken. Uit verfijnde wreedheid wilde men, dat hij in leven bleef, dat hij gespaard werd om de hardste straffen der dwangarbeiders op hem toe te passen. Wat voor martelingen heeft hij ondergaan! Maar een dergelijke ziel is sterk in vertrouwen op ’t vaderland en God!In 1837 is de beroemde dichter Sierocinski met drie van zijn lotgenooten bezweken. In 1831 voor ’t gerecht gebracht en veroordeeld, had men hem, niettegenstaande zijn jeugd en zijn ambt (hij was priester), soldaat gemaakt. Te paard gezet, met de lans ter hand, leidde de ongelukkige het ruwe leven der Kozakkenuit de grensstreken, die in Siberië jacht maken op de Tartaren, de smokkelaars. De autoriteiten in Siberië echter, verstandiger dan die te Sint Petersburg, meenden dat men meer nut van hem kon trekken als onderwijzer in een militaire school. Dáár beraamde deze zwakke en tengere man, in wiens lichaam evenwel een veerkrachtige ziel huisde, het vermetele plan, de stoutmoedigheid van Beniowski na te volgen en te overtreffen, door in geheel Siberië te bewerken, wat hij alleen voor Kamschatka deed, nl. de veroordeelden en de inwoners tot opstand te brengen. Het land, dat naar gemeentelijke wetten geregeerd wordt, zou ongetwijfeld voordeel hebben getrokken door zich af te zonderen van het groote rijk, dat slechts het Zuidelijk gedeelte koloniseert en het Noorden een wildernis laat. De oude stammen van het Noorden, vroeger tevreden met hun zwervend herdersbestaan, leven, nu zij hun rendierkudden niet meer kunnen weiden, alleen van de jacht, of liever zij sterven uit en verdwijnen als de Roodhuiden van Amerika.Er vormde zich een uitgebreide vereeniging. Het plan stond vast, om, als men niet langer stand mocht kunnen houden, zich gewapenderhand een doortocht te banen naar Bucharije,7misschien zelfs wel naar Voor-Indië. Drie saamgezworenen werden verraders. Van 1834 tot 1837 werd de zaak te Sint-Petersburg gerechtelijk onderzocht; Sierocinski, steeds onwrikbaar, behield al de kalmte van zijn ziel en maakte verzen in zijn gevangenis.Eindelijk kwam uit Sint-Petersburg het verschrikkelijk vonnis. Verscheiden Polen en een Rus zouden zeven duizend stokslagen krijgen!zonder dat hun er één geschonken mocht worden!—de overigen drie duizend, wat trouwens genoeg is om er aan te bezwijken.—Generaal Gatafiejew werd expresselijk overgezonden om een wakend oog op deterechtstelling te houden. Zijn wreedheid maakte de verontwaardiging zelfs van de Russen gaande.Bij het aanbreken van den dag schaarden twee voltallige bataillons, elk duizend man sterk, om de slagen te beter te kunnen tellen, zich buiten de stad ieder in één linie. Gatafiejew plaatste zich in het midden van de strafplaats. Voor spitsroeden gebruikte men dikke stokken, en de soldaten werden dicht bij elkaar geposteerd, opdat de slagen te harder konden aangebracht worden.“Het was heel koud (Maart, in Siberië!) Men ontdeed Sierocinski van zijn kleederen, en plaatste hem vóór den loop van een geweer, met de bajonet tegen zijn borst gekeerd, wat gewoonte is bij zulke straf oefeningen. Daarna werden twee soldaten aan weerskanten gesteld van den veroordeelde, opdat zijn gang tusschen de rijen door noch zou verflauwen, noch versnellen. Toen kwam de bataillonsdokter naderbij, om den patiënt met versterkende droppels op te wekken, want zijn zwak gestel was door drie jaren gevangenis uitgeput, en hij leek meer een schim, dan een mensch; maar hij had zijn zielskracht en zijn wilskracht behouden.“Hij wendde het hoofd af, toen de dokter hem de droppels aanbood, en antwoordde: “Drinkt ons bloed en het mijne, ik heb geen behoefte aan uw droppels.” Toen het teeken gegeven werd, begon hij met luider stem den psalmMiserere8te zingen. Gatafiejew riep driemaal woedend uit: “Harder slaan, harder, harder!” De slagen waren zoo krachtig, dat, toen het slachtoffer, na de rijen één keer langs te zijn gegaan en duizend stokslagen te hebben ontvangen, aan het andere eind van ’t bataillon was gekomen, hij flauw viel en in zijn bloed badend op de sneeuw nederzonk.“Men wilde hem weêr overeind richten, maar hij kon niet meer op zijn beenen blijven staan. Een stellage op een sleê was al in gereedheid gebracht. Sierocinskiwerd er in knielende houding opgeplaatst, zijn handen werden op zijn rug vastgebonden en hij moest zich vooroverbuigen. In deze houding bevestigde men hem aan het stellage, zóó dat hij zich onmogelijk kon bewegen. Op deze wijs begon men hem door de rijen te slepen. Gatafiejew raasde aldoor: “Harder! harder! harder!” Aanvankelijk kermde Sierocinski nog van pijn, maar het werd hoe langer zoo flauwer en zwakker, om eindelijk geheel op te houden.“Hij ademde nog na vier-duizend slagen ontvangen te hebben; toen gaf hij den geest. De drie-duizend, die overbleven werden aan zijn lijk toegeteld, of liever aan zijn geraamte. Alle veroordeelden, hij vooral, werden zoo met slagen overstelpt, dat, volgens de uitdrukking van ooggetuigen, Polen zoowel als Russen, met wie ik erover gesproken heb, het vleesch bij iederen slag stuksgewijze opzwol; men zag slechts gebroken beenderen. Dit totdusver ongehoorde bloedbad wekte een algemeene verontwaardiging op onder de Polen en zelfs onder de Russen.“Een tweetal veroordeelden, die op de plaats dood waren gebleven, en zij die nog adem haalden onder de wreedste folteringen, werden naar het hospitaal overgebracht, en dadelijk daarop werden de Polen en een Rus in éénzelfden kuil ter aarde besteld. De Polen kregen verlof een kruis te planten op de laatste rustplaats dezer martelaars, en tot op heden (1846) verheft zich dit gedenkteeken van zwart hout in de eenzame steppen, zijn armen uitbreidende over het graf der slachtoffers, als om ze te beschermen en de barmhartigheid van God over hen in te roepen.”1Een der grootste Poolsche helden uit den laatsten oorlog tegen Rusland, welke met den val van het land eindigde (1794).2Deze was in 1767 door de Russen gevangen genomen.3Koning van Zweden, 1697–1718, voerde een aanvankelijk gelukkigen oorlog tegen Rusland, onder Peter den Grooten, maar leed later een gevoelige nederlaag.4Prins Troubetskoi nam deel aan de samenzwering van 1825 (ziehoofdstuk VII). Hij werd later begenadigd.5De overwonnen Poolsche opstandelingen.61830.7De streken omvattend tusschen de Kaspische Zee en Tibet.8[God,] wees mij genadig.

IV.De Minotaurus.1Over het Leger als Strafmiddel.Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht: men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur, maar van de regeering; het is ’t gevolg van de buitensporige verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten, die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam, nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche wereld.Wat voor een leger is het dan, dat, in vredestijd (de Kaukasus telt niet meê) op zoo zichtbare wijs een bevolking van zestig millioen zielen zoo kan dunnen! Tot welk een ongehoord cijfer men dit leger ook wil opvoeren, men zou ’t niet kunnen begrijpen, zonder te weten op welk een onmenschelijke manier het wordt gerecruteerd, gedrild en gevoed. Het moet van ’t volkdriemaal meer mannen nemen dan het soldaten telt. Wat is het lot van de rest? Weinigen, zeer weinigen keeren naar den huiselijken haard terug:niet één man op de honderd; Paskjewitsch2zelf zegt het, ik heb zijn woord al aangehaald. Nergens in Rusland ziet men verminkte oud-soldaten, zooals in andere landen zoo veelvuldig aanwezig zijn. Alle genezen; zij hebben tot arts den besten heelmeester: den Dood.Als de hertog van Ragusa3in zijn boek, dat méér Russisch-gezind is, dan de Russen-zelven, tot onzen schrik berekent, dat de Russische soldaat den keizer twee of drie maal minder kost dan de onze, dan ziet hij in zijn becijfering over ’t hoofd, dat om één geoefenden en geharden Russischen soldaat te verkrijgen, er vooraf twee of drie moesten doodgaan.Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk misbruiken van menschenvleesch.Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding) de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee; kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere, gansch tegenovergestelde.Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen, namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk is. De gelaatstrekkenzijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak, de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen, die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde, slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen opgegeten.Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger bloed, inwendig zouden verbranden.Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt, bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als ’t ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman, ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo’n man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar, een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden, doet zelden iets uit eigen beweging.Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk en in Rusland, den dag van het vertrek derrekruten. De Fransche dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen, geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij, de eenige in het rijk,wiensvrijheden eenigszins geëerbiedigd worden, wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein, leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman, handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij, maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten, de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van achteren de afgrijselijkemerken van de krijgstucht, en oude krijgers, eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft, dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan, bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. “Ik ben niet gesteld op den oorlog,” zei Constantijn, “hij bederft den soldaat en maakt zijn uniform maar vuil.” En toen iemand, om een officier bij hem te ontschuldigen, zei: “’t is ten minste een man, die veel moed bezit,” riep hij uit: “moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed.”Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat achteraf en wacht op bevelen,—dan is ’t in orde.Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van ’t leger oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er; het gouvernement wéét dit, maar doet erniets tegen. Hoe kan het gezag, dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten, welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd, sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed, slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden, dat hij zich ’s winters (en de winter is zoo lang in Rusland) opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte, de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel—’t is ongeveer vijf en twintig jaar geleden—een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben, zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen, hun klingen, die van geslacht op geslachtovererfden, hun geweren van platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden, die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van hun meester,—zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden, zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling toegetakeld, en daarbijzakendoende, is een belachelijk wezen, vergeleken bij deze koningen van ’t gebergte.Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer, welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk, van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger, akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden; uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen te verlagen, goeie dienaars te maken engoeie onderdanen. Men vond hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau, brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.Welke is de zedelijke toestand van den militair in Rusland? Welke gedragslijn zal hij kiezen bij eengroot conflict met Europa?4Men kan dit in geenen deele voorzien; welke de gevoelens der officieren of van de soldaten ook mogen zijn, zij dragen een juk van vrees, dat moeilijk af te schudden is.Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkstdoor vrees in bedwang te houden.Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het verschijnsel, dat menvreesnoemt. Er is geen sprake van bangheid, ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat tegenover geheimzinnige machten.Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar, natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met vrome onderwerping.Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande, de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerkinggemaakt: de Rus en de Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil: de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinkesoldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken door nieuwe aanwervingen.Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der diplomatie heeft bewandeld.Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.Niemand kent den Russischen soldaat goed. Met al zijn uiterlijk van een automaat en dat gezicht van hout, heeft hij toch soms een zeer critisch oordeel. Het komt uiterst zelden voor dat hij dit laat doorzien. Laat ik een kostelijk staaltje van dit soort aanhalen. Hierbij is sprake van het dweepzieke tijdperk der soldaten van Suwarow.5In het verhaal, dat zeer natuurlijk schijnt en klaarblijkelijk getrouw en waar is, merkt men hiervan niets, maar wel een lichte spotzucht, een treffende neiging tot medelijden, de vage hoop van eindelijk den dienst te zullen verlaten, en, wat den Rus altijd bijblijft, de liefde voor zijn land en zijn familie.Het was bij den dood van Catharina.6Ziehier hetgesprek der soldaten, dat Niemcewicz7in zijn gevangenis afluisterde: “Eindelijk zullen we dan een czaar krijgen!” zei de een. Waarop de ander antwoordde: “Dat is in lang niet gebeurd. Onze oudematuszka(moedertje) heeft er haar plezier, geloof ik, wèl van genomen.”—“Meer dan welletjes,” zei de eerste, “maar ieder zijn beurt. Ik hoop dat nù onze arme gevangenen zullen vrijgelaten worden.”—“Er zullen groote veranderingen komen,” zei een derde. “Men vertelt dat allen, die dertig jaar dienst hebben naar huis kunnen gaan, als ze willen.”—“God geve ’t!” beaamden allen met een diepen zucht.1Het alverslindend monster.2Een Russisch generaal, bekend uit de dagen van den Poolschen opstand van 1830-’31.3Fransch generaal, die onder Napoleon I gediend heeft.4Dit werkje is geschreven vóór de uitbarsting van den Krimoorlog.5Overwon de Polen (1795) en streed tegen Napoleon.6Catharina II regeerde over Rusland van 1762–1796. Zij was een flinke, maar onzedelijke vrouw.7Poolsch schrijver en patriot (geb. 1757, gest. 1841), die tegen de Russen streed en krijgsgevangen werd gemaakt.

Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht: men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.

Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur, maar van de regeering; het is ’t gevolg van de buitensporige verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten, die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam, nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche wereld.

Wat voor een leger is het dan, dat, in vredestijd (de Kaukasus telt niet meê) op zoo zichtbare wijs een bevolking van zestig millioen zielen zoo kan dunnen! Tot welk een ongehoord cijfer men dit leger ook wil opvoeren, men zou ’t niet kunnen begrijpen, zonder te weten op welk een onmenschelijke manier het wordt gerecruteerd, gedrild en gevoed. Het moet van ’t volkdriemaal meer mannen nemen dan het soldaten telt. Wat is het lot van de rest? Weinigen, zeer weinigen keeren naar den huiselijken haard terug:niet één man op de honderd; Paskjewitsch2zelf zegt het, ik heb zijn woord al aangehaald. Nergens in Rusland ziet men verminkte oud-soldaten, zooals in andere landen zoo veelvuldig aanwezig zijn. Alle genezen; zij hebben tot arts den besten heelmeester: den Dood.

Als de hertog van Ragusa3in zijn boek, dat méér Russisch-gezind is, dan de Russen-zelven, tot onzen schrik berekent, dat de Russische soldaat den keizer twee of drie maal minder kost dan de onze, dan ziet hij in zijn becijfering over ’t hoofd, dat om één geoefenden en geharden Russischen soldaat te verkrijgen, er vooraf twee of drie moesten doodgaan.

Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk misbruiken van menschenvleesch.

Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding) de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee; kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere, gansch tegenovergestelde.

Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen, namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk is. De gelaatstrekkenzijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak, de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen, die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.

Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde, slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen opgegeten.

Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger bloed, inwendig zouden verbranden.

Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt, bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als ’t ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman, ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo’n man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar, een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden, doet zelden iets uit eigen beweging.

Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk en in Rusland, den dag van het vertrek derrekruten. De Fransche dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.

De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen, geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij, de eenige in het rijk,wiensvrijheden eenigszins geëerbiedigd worden, wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein, leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman, handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij, maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.

Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten, de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.

Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van achteren de afgrijselijkemerken van de krijgstucht, en oude krijgers, eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.

Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft, dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.

Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan, bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. “Ik ben niet gesteld op den oorlog,” zei Constantijn, “hij bederft den soldaat en maakt zijn uniform maar vuil.” En toen iemand, om een officier bij hem te ontschuldigen, zei: “’t is ten minste een man, die veel moed bezit,” riep hij uit: “moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed.”

Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat achteraf en wacht op bevelen,—dan is ’t in orde.

Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van ’t leger oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er; het gouvernement wéét dit, maar doet erniets tegen. Hoe kan het gezag, dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten, welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd, sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?

Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed, slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden, dat hij zich ’s winters (en de winter is zoo lang in Rusland) opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte, de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel—’t is ongeveer vijf en twintig jaar geleden—een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.

Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben, zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen, hun klingen, die van geslacht op geslachtovererfden, hun geweren van platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden, die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van hun meester,—zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden, zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.

Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling toegetakeld, en daarbijzakendoende, is een belachelijk wezen, vergeleken bij deze koningen van ’t gebergte.

Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer, welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk, van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger, akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden; uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen te verlagen, goeie dienaars te maken engoeie onderdanen. Men vond hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau, brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.

Welke is de zedelijke toestand van den militair in Rusland? Welke gedragslijn zal hij kiezen bij eengroot conflict met Europa?4Men kan dit in geenen deele voorzien; welke de gevoelens der officieren of van de soldaten ook mogen zijn, zij dragen een juk van vrees, dat moeilijk af te schudden is.

Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkstdoor vrees in bedwang te houden.

Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het verschijnsel, dat menvreesnoemt. Er is geen sprake van bangheid, ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat tegenover geheimzinnige machten.

Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar, natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met vrome onderwerping.

Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande, de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerkinggemaakt: de Rus en de Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil: de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.

De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinkesoldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken door nieuwe aanwervingen.

Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der diplomatie heeft bewandeld.

Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.

Niemand kent den Russischen soldaat goed. Met al zijn uiterlijk van een automaat en dat gezicht van hout, heeft hij toch soms een zeer critisch oordeel. Het komt uiterst zelden voor dat hij dit laat doorzien. Laat ik een kostelijk staaltje van dit soort aanhalen. Hierbij is sprake van het dweepzieke tijdperk der soldaten van Suwarow.5In het verhaal, dat zeer natuurlijk schijnt en klaarblijkelijk getrouw en waar is, merkt men hiervan niets, maar wel een lichte spotzucht, een treffende neiging tot medelijden, de vage hoop van eindelijk den dienst te zullen verlaten, en, wat den Rus altijd bijblijft, de liefde voor zijn land en zijn familie.

Het was bij den dood van Catharina.6Ziehier hetgesprek der soldaten, dat Niemcewicz7in zijn gevangenis afluisterde: “Eindelijk zullen we dan een czaar krijgen!” zei de een. Waarop de ander antwoordde: “Dat is in lang niet gebeurd. Onze oudematuszka(moedertje) heeft er haar plezier, geloof ik, wèl van genomen.”—“Meer dan welletjes,” zei de eerste, “maar ieder zijn beurt. Ik hoop dat nù onze arme gevangenen zullen vrijgelaten worden.”—“Er zullen groote veranderingen komen,” zei een derde. “Men vertelt dat allen, die dertig jaar dienst hebben naar huis kunnen gaan, als ze willen.”—“God geve ’t!” beaamden allen met een diepen zucht.

1Het alverslindend monster.2Een Russisch generaal, bekend uit de dagen van den Poolschen opstand van 1830-’31.3Fransch generaal, die onder Napoleon I gediend heeft.4Dit werkje is geschreven vóór de uitbarsting van den Krimoorlog.5Overwon de Polen (1795) en streed tegen Napoleon.6Catharina II regeerde over Rusland van 1762–1796. Zij was een flinke, maar onzedelijke vrouw.7Poolsch schrijver en patriot (geb. 1757, gest. 1841), die tegen de Russen streed en krijgsgevangen werd gemaakt.

1Het alverslindend monster.

2Een Russisch generaal, bekend uit de dagen van den Poolschen opstand van 1830-’31.

3Fransch generaal, die onder Napoleon I gediend heeft.

4Dit werkje is geschreven vóór de uitbarsting van den Krimoorlog.

5Overwon de Polen (1795) en streed tegen Napoleon.

6Catharina II regeerde over Rusland van 1762–1796. Zij was een flinke, maar onzedelijke vrouw.

7Poolsch schrijver en patriot (geb. 1757, gest. 1841), die tegen de Russen streed en krijgsgevangen werd gemaakt.

V.Siberië.Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in Rusland, het begint bij den Weichsel.Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad, het is ’t breken van het hart, het is de zedelijke angst van een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen, hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.De soldaat is een veroordeelde, niet alleen omdat hij den een of anderen morgen, uit zijnhuis opgelicht, overgeleverd wordt aan de voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?De officier is een veroordeelde.Tegen wil en dank volgt hij den harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd, van haar rang ontzet worden, en hij-zelf,hij is verloren.Verloren?Wat beteekent dit woord?Gedood?Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als ’t moet;anders, zegt hij,zou hij verloren zijn.De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: “Ik ben verloren!” Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatieis niet altijd in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien, nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.Een oneindigheid van afstand. Wie de reis te voet aflegt, beladen met zware ketenen, vertrekt jong en komt oud aan. Een man van vijf en twintig jaar, vol levenslust en levenskracht, is uit Polen weggevoerd. Drie jaren later valt een schim uitgeput in Kamschatka1neder.Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn voldoende om den dood te veroorzaken.Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken, zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren lang, somslanger, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan, die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en hun vrienden. Zijn naam verliezen, zichnumero tien,numero twintighooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden, kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door een hardvochtigcrescendo, komt het voor, dat de kinderen van een tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, diehaar eigen land aan de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend; zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers, de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde, zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft, die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid der lijfeigenen!...Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad, alléén, inden nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen, hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden, tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.In een reisverhaal, in 1850 te Wilna uitgekomen, met goedkeuring van de Russische censuur, beschrijft een zekere juffrouw Eva Felinska den betreurenswaardigentoestand, waarin zij te Tobolsk een Poolschen kolonel aantrof. Betrokken in het verzet van 1825, was hij door den senaat veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf,alleen voor het achterhouden van onthullingen. De keizer schonk niet de minste aandacht aan deze veroordeeling; hij deed hem naar het Noorden van Siberië overbrengen, op drie-en-zeventig graden breedte, vanwaar men hem,bij wijze van gratie, naar Tobolsk liet komen. Deze ongelukkige, eens de mooiste man van het leger, was niet meer te herkennen. “Daar hij zich niet meer staande kon houden, had hij in een armstoel plaats genomen. Zijn haren, reeds vergrijsd en hoe ook gedund, waren met zorg gekamd, vielen hem op de schouders en daalden tot zijn elbogen. Zijn gelaat was heel bleek en gezwollen, zijn blik dof. De aandoening deed zijn oogen en zijn lippen trillen. Men zag hem aan, dat hij wilde spreken, maar het niet kon. Hij gaf ons met zijn hand een teeken naderbij te komen, om ons te kunnenbegroeten. Zijn geest genoot toen een oogenblik van helderheid, doch de ontroering maakte het hem moeilijk zijn tong te gebruiken, die half verlamd was. Wetende, dat wij naar Berezow2gingen, waar hij had gewoond, bewoog hij ons onzen intrek te nemen bij zijn gastvrouw. Het geheele onderhoud werd van zijn kant met groote moeite gevoerd; we moesten veeleer raden, wat hij wilde zeggen. Maar weldra bemerkten we, dat hij ’t gebruik zijner vermogens had uitgeput, want, terwijl hij in zijn verbeelding ongetwijfeld vertoefd had aan de oevers van den Taag en van de Seine, die hij zoo door en door kende, deelde hij ons meê, dat we te Berezow meloenen zouden vinden, druiven en andere zuidvruchten. Wij maakten toen een eind aan ons bezoek, met beklemd hart, terwijl hij ons nog met een gebaar wilde doen blijven, en poogde te zeggen:Blijft nog wat!!!”1Het verstverwijderde gedeelte van Siberië.2Stadje in het Noordwesten van Siberië.

Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in Rusland, het begint bij den Weichsel.

Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.

In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.

De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad, het is ’t breken van het hart, het is de zedelijke angst van een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.

Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen, hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.

De soldaat is een veroordeelde, niet alleen omdat hij den een of anderen morgen, uit zijnhuis opgelicht, overgeleverd wordt aan de voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?

De officier is een veroordeelde.Tegen wil en dank volgt hij den harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd, van haar rang ontzet worden, en hij-zelf,hij is verloren.

Verloren?Wat beteekent dit woord?Gedood?

Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als ’t moet;anders, zegt hij,zou hij verloren zijn.

De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: “Ik ben verloren!” Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.

Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.

Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatieis niet altijd in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.

De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien, nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.

Een oneindigheid van afstand. Wie de reis te voet aflegt, beladen met zware ketenen, vertrekt jong en komt oud aan. Een man van vijf en twintig jaar, vol levenslust en levenskracht, is uit Polen weggevoerd. Drie jaren later valt een schim uitgeput in Kamschatka1neder.

Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn voldoende om den dood te veroorzaken.

Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken, zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?

Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren lang, somslanger, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.

Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan, die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en hun vrienden. Zijn naam verliezen, zichnumero tien,numero twintighooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden, kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door een hardvochtigcrescendo, komt het voor, dat de kinderen van een tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.

Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.

Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, diehaar eigen land aan de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend; zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers, de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?

Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde, zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.

Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft, die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid der lijfeigenen!...

Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad, alléén, inden nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen, hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden, tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.

Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.

In een reisverhaal, in 1850 te Wilna uitgekomen, met goedkeuring van de Russische censuur, beschrijft een zekere juffrouw Eva Felinska den betreurenswaardigentoestand, waarin zij te Tobolsk een Poolschen kolonel aantrof. Betrokken in het verzet van 1825, was hij door den senaat veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf,alleen voor het achterhouden van onthullingen. De keizer schonk niet de minste aandacht aan deze veroordeeling; hij deed hem naar het Noorden van Siberië overbrengen, op drie-en-zeventig graden breedte, vanwaar men hem,bij wijze van gratie, naar Tobolsk liet komen. Deze ongelukkige, eens de mooiste man van het leger, was niet meer te herkennen. “Daar hij zich niet meer staande kon houden, had hij in een armstoel plaats genomen. Zijn haren, reeds vergrijsd en hoe ook gedund, waren met zorg gekamd, vielen hem op de schouders en daalden tot zijn elbogen. Zijn gelaat was heel bleek en gezwollen, zijn blik dof. De aandoening deed zijn oogen en zijn lippen trillen. Men zag hem aan, dat hij wilde spreken, maar het niet kon. Hij gaf ons met zijn hand een teeken naderbij te komen, om ons te kunnenbegroeten. Zijn geest genoot toen een oogenblik van helderheid, doch de ontroering maakte het hem moeilijk zijn tong te gebruiken, die half verlamd was. Wetende, dat wij naar Berezow2gingen, waar hij had gewoond, bewoog hij ons onzen intrek te nemen bij zijn gastvrouw. Het geheele onderhoud werd van zijn kant met groote moeite gevoerd; we moesten veeleer raden, wat hij wilde zeggen. Maar weldra bemerkten we, dat hij ’t gebruik zijner vermogens had uitgeput, want, terwijl hij in zijn verbeelding ongetwijfeld vertoefd had aan de oevers van den Taag en van de Seine, die hij zoo door en door kende, deelde hij ons meê, dat we te Berezow meloenen zouden vinden, druiven en andere zuidvruchten. Wij maakten toen een eind aan ons bezoek, met beklemd hart, terwijl hij ons nog met een gebaar wilde doen blijven, en poogde te zeggen:Blijft nog wat!!!”

1Het verstverwijderde gedeelte van Siberië.2Stadje in het Noordwesten van Siberië.

1Het verstverwijderde gedeelte van Siberië.

2Stadje in het Noordwesten van Siberië.

VI.Siberië.De Straffen.“Hier is de nacht somber als de winter. Hij is droefgeestig, maar indrukwekkend. Wanneer hij verhelderd wordt door het noorderlicht, vertoonen zich aan den donkerblauwen, bijna zwarten hemel duizenden vallende sterren en schijnt hij in vlam te staan. Dit vuur verwarmt niet, verlicht niet. Die sterren zijn zwaarmoedig; men zou ze houden voor de oogen der geesten van veroordeelden, die voor immer dit ongelukstafereel willen vastleggen...“Kolommen vuurs, vreemdsoortige, verschrikkelijke, majestueuse gedaanten stooten op alle punten van den hemel tegen elkander; men zou zeggen gloeiende houtskolen, bijwijlen stroomen bloeds... Zou de natuur, evenals de mensch, visioenen hebben? Deze Noordsche natuur, misdeeld, ingeslapen, schijnt droomen van ballingen te droomen.”Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede generaal Kopec, metgezel van Kosciusko,1voor ons heeft ontworpen van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski.2Deze, ontembaar, woelziek,vermetel speler en nog vermeteler soldaat, eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, enin plaatsvan gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê, scheept hij zich met haar in.—Kopec wendt zich tot God; hij voelt zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd, legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der tranen ontvangen.“Ik wandelde langs de kust der zee, en als het weêr stormachtig werd, zag ik allerlei vreemdsoortige dieren, walvisschen, zeeleeuwen en zeehonden. Soms werd ik door steenen getroffen; beren slingerden die naar mij toe, om mij te wonden en vervolgens aan te vallen. Deze zee heeft in den herfst veel deining; zij breekt met zooveel kracht, dat Kamschatka er tot op zijn grondslagen van trilt. De dagen zijn grauw en de nachten zwart. Als de storm in aantocht is en de Oceaan zijn gerommel doet hooren, huilen de groote troepen honden, die leven van visschen (er zijn er misschien wel twintig duizend) tegen den Oceaan, en tallooze beren geven antwoord door onheilspellend gebrom. Gedurende dien tijd rommelen de vulkanen en braken vlammen en asch. O, wat een helsch schouwspel! en wat is een eerlijk man in een benarden toestand te midden van den tweespalt der toornige elementen!”Kopec beklaagt zich over de natuur, zelden over de menschen. Toch was hij met groote barbaarschheid behandeld. Gekwetst, ziek, zonder dat men op zijn wonden acht sloeg, die door de kou weêr opengingen, was hij dag en nacht in een koets, van binnen dubbel met ijzer beslagen, voortgesleurd. Geheel uitgeput,vroeg hij den officier, die hem geleidde, eenige rust. “Ik heb order zonder oponthoud verder te gaan, zei deze; ik zal in allen geval uw lijk meêvoeren. U heeft vrijheid onderweg te sterven.”Wat ook nog erg treurig voor hem was, was dat hij onmetelijke convooien ontmoette van arme Polen, die naar Siberië gevoerd werden, kaal geschoren, met een brandmerk op ’t voorhoofd en een afgehakten neus. Verder voortgaande werd de weg niet anders aangewezen dan door doodsbeenderen van beren, paarden of menschen, en enkele graven van in de woestenij gestorven ballingen, welke afwachtten wie na hen zouden komen.Bij eene pleisterplaats zag hij een oogenschijnlijk voorname vrouw, die dienstbode was. “Wie is u?” vroeg hij.—“Indertijd echtgenoote van een kolonel, nu van een grofsmid.” En zij verwijderde zich, zonder te zeggen wie ze was.Kopec scheen een verloren man, voor altijd Siberiër te worden, zonder eenige gelukkige kans. Andere generaals, die men later zocht om ze de vrijheid te hergeven, konden nergens gevonden worden.“Eens op een dag keek ik, in droefgeestige gedachten, terwijl ik mij op de overblijfselen van een verongelukt schip bevond, naar de zee, die vol was van allerlei monsters. Plotseling ontdek ik een jongen, knappen, statigen man, in een vreemde kleederdracht; de verschijning greep me zeer aan. “Tot welke natie behoort u?” vroeg hij mij.—“Tot het ongelukkig volk.” “O, je bent dus een Pool!... Ik ben koopman... ik ga naar Rusland terug... Schrijf een brief aan de uwen... Ik weet wel wat voor gevaar ik loop... maar dat kan me niet schelen! gauw, ga schrijven.” Hij trotseerde het gevaar, belastte zich met den brief en heeft hem eerlijk bezorgd.”Maanden en jaren verloopen. Eens op een dag komt de man, bij wien Kopec inwoonde, bleek en ontdaan bij hem in de kamer: “Er is een schip in zee gezien.”—“Nu, des te beter!” gaf de Pool ten antwoord.—“Neen, des te erger,” zei de man. “De kommandant hier zal ons beschuldigen een komplot te hebben gesmeed, zooals hij wel meer doet; hij zal ons goed en leven nemen. Hij weet, dat het drie jaar duurt vóór een klacht te bestemder plaatse komt.”Het schip bracht de gratie van Kopec, zijn bevrijding. Hij wilde het eerst niet gelooven. Toen hij ’t zelf gelezen had, viel hij in zwijm. Om zich te herstellen, ging hij naar de zee. “Het was stormachtig weêr; de monsters kwamen bij troepen naar de kust toezwemmen. Ik verbeeldde mij menschen te zien, gezichten te herkennen, ik zag tafereelen uit ons volksleven, processies, monniken die mij het kruis tegemoet droegen. Ik wilde mij naar voren werpen... maar werd tegen gehouden.“Teruggekomen, had ik moeite om mijn kamer binnen te treden. Ieder kwam mij gelukwenschen. De vrouwen brachten mij geschenken, goede en zonderlinge: rum, suiker, waskaarsen (in het land van eindelooze nachten, van alle dingen het meeste waard).“De geestelijke, een gemoedelijke grijsaard van tachtig jaar, balling als de overigen, kwam in zijn priestergewaad, met zijn koorzangers, zes kinderen van de naburige eilanden, door hem gevormd, die heel goed zongen, bepaald aandoenlijk. Ik stak al mijn kaarsen tegelijk aan. Hun fijne stemmetjes drongen ons tot in het hart. Ik ben altijd spoedig tot tranen geroerd geweest; maar ditmaal barstte ik in snikken uit, of, om ’t juister uit te drukken, in woeste kreten.“Vervolgens gingen we rondom mijn steenen tafel zitten, en iedereen bleef doorweenen. Ik maakte wat Poolsche punch klaar. Elks gedachten waren bij het vaderland, dat niemand durfde hopen ooit te zullen weêrzien.”“Gij zijt wel gelukkig,” zeiden ze tot Kopec. “Ge vertrekt in drie jaar.” Het schip lichtte inderdaad eerst het anker na zoo lang in deze kuststreken te hebben vertoefd.Hoeveel treffende geschiedenissen zou de wildernis niet kunnen vertellen, als ze spreken kon! Ze is echter even stom als somber. Deze oceaan van bevroren vlakten is nog geslotener dan de Oceaan der wateren over de schipbreuken, welke hij overdekt. Aan dit uitgestrekte graf heeft Rusland, even onvermijdelijk als de dood, de zorg toevertrouwd om den heldenaard te vernietigen der al te schitterende naties, die het omringden. Door krijgsgevangenen niet terug te geven, maar hen te laten verdwijnen, heeft het Zweden uitgeput. De metgezellen van Karel XII,3gedwongen tot deerniswaardig metselaarswerk, slapen aan den voet der bastions van Tobolsk, door hen-zelven met inspanning van alle krachten gebouwd. Zweden is dáár leeggevloeid. En Polen is er op komst. De droevige processie gaat maar steeds voort; gansch een volk marcheert naar de woestijn, naar het graf.Terwijl alzoo het onpersoonlijke, onverschillige groote slaafsche Rusland zich vermenigvuldigt, vruchtbaar als het gras der steppen en niet minder eentonig dan deze,—verdwijnt de krachtige persoonlijkheid der heldenvolken, bij welke ieders hart warm klopte, wordt ze uitgebluscht, begraven. Siberië bedekt, verbergt zijn schat onder de aarde.Treffende eigenaardigheid! Wat men niet heeft kunnen geheim houden, wat aan het helderst daglicht gekomen is, dat is niet de weerstand der dapperen, het zijn de bewijzen van toewijding als een natuurlijk uitvloeisel van den band van ’t familieleven. De helden zijn heengegaan; maar de vader, de echtgenoot, de verloofde is gebleven, en de natuur, de wonderen van het hart, de overwinningen van de liefde op de menschelijke wreedheid duren voort.Iedereen heeft bij Custine de aandoenlijke geschiedenisgelezen van prinses Troubetskoi,4die alles verlaten heeft om haar man te volgen, een rampspoedige maar toch weinig belangwekkende persoonlijkheid, die het groote ongeluk gehad heeft zijn vrienden te laten omkomen, zich te verontschuldigen en hen te overleven. Werd hij bemind toen hij vorst was? Niets toont het aan. Maar als veroordeelde won hij liefde. In Rusland hadden zij geen kinderen; in Siberië krijgen zij er vijf. Deze bewonderenswaardige vrouw heeft door haar onverwachte liefde den balling veel meer geschonken, dan de keizerlijke wraak hem had ontnomen.Laat mij hier een gebeurtenis boekstaven, nog verrukkelijker, maar minder bekend, historisch vaststaande door het getuigenis van een waarheidlievenden mond, die niet in staat was te liegen.—In 1825 werd een jonge Rus (noemen we hem Iwan) naar Siberië gezonden. Hij had lief en werd bemind. Een Fransch meisje, een jeugdige onderwijzeres bij zijn familie, had trouwbelofte van hem. De familie, die dit wist, maar op de verbintenis niet gesteld was, had het jonge meisje verwijderd. Nauwelijks had zij vernomen, dat haar verloofde in ’t ongeluk was gestort en van allen verlaten, dat hij “aan den ketting moest,” of zij liet de haar gedane trouwbelofte gelden. Zij ging zonder schroom naar Sint-Petersburg, regelrecht naar den keizer. Hij dacht dat ze krankzinnig was, trachtte haar van haar voornemen af te brengen, beduidde haar niet te volharden in haar wensch de vrouw te worden van een tot dwangarbeid veroordeelde. Helaas! ’t was zoo gemaklijk hem zijn vrijheid te hergeven... De gunst, die men haar toestond bestond alleen in ’t verlof hem te volgen, met hem te lijden, te sterven. De arme Française werd inderdaad het slachtoffer van haar toewijding; haar zwakke borst kon het verschrikkelijke klimaat niet verdragen; na verloop van een jaar stierfzij. Haar man overleefde haar niet; ’t zij door ellende, ’t zij door smart vergezelde hij haar in ’t graf.Zij lieten een kind na, een ongelukkige wees, bij zijn geboorte reeds een verschoppeling en geruïneerd. De bezittingen van zijn vader moesten overgaan in de handen van een natuurlijken zoon zijns grootvaders. Doch deze (niets is eervoller voor het Russisch karakter) weigerde voordeel te trekken uit de wreedheid der wet en liet den wees alles behouden.Een gevaar, dat Siberië meêbrengt, en wel het grootste, is dat men er sterft vóór zijn dood. De oneindige verscheidenheid der lotsbeschikkingen, die men er aantreft, de absolute willekeur waaraan allen daar onderworpen zijn, maakt het maar al te makkelijk zelfs de sterkste zielen te beteugelen, te vernietigen. Rusland heeft niet noodig, zooals Oostenrijk, met zorg ingerichte gevangenissen te bouwen, waar de veroordeelde gedwongen wordt onwaardig werk te verrichten, vrouwenarbeid te doen of met allerlei beuzelingen zich af te geven, die den geest verstompen. Het verlaat zich op het voor den mensch al te ruwe klimaat, dat hem breekt. Het verlaat zich op de beestachtigheid van de militaire geweldenarij, welke iederen veroordeelde van karakter als ’t ware door een molensteen fijnmaalt. De hardvochtige soldaat, die telkens vervangen wordt, maakt den veroordeelde weerloos door die wrijving. Deze wordt hoe langer zoo kleiner gemaakt, verslapt, en verliest ten slotte alle kracht tot verder verzet. Het verstand komt hem te hulp en betoont zich vindingrijk, door hem zich zelf te doen wijsmaken dat hij verkeerd zou handelen met langer tegen te spartelen. Het laat hem zijn beulen rechtvaardigen, vernietigt in hem het begrip van goed en kwaad, maakt hem volkomen onverschillig voor alles, verderft zijn zinnen, doet hem gelooven dat het goed is.Dit is het, wat de vrijheid altijd voor haar aanhangers gevreesd heeft; niet den dood, een edelen en heiligen dood. Dit is het, wat Europa vreesde, toen het wistdat de helden van November 1831,5ter dood veroordeeld, begenadigd werden, om naar Siberië te kunnen worden gezonden. Lazen wij niet aan het slot van ieder geschiedverhaal in de mooie verzameling, getiteldPoolsche Zaken, van 1830 (door Straszewicz): “Zij leven, ze zijn in Siberië, ziedaar alles wat men weet; welke hun toestand is naar lichaam en hart, dat blijft ongelukkigerwijs onbekend.”Maar, we zijn het, Goddank, te weten gekomen. We zijn gerustgesteld,—hun ziel is niet dood. Ze hebben haar gaaf behouden, en hun lichaam aan ’t noodlot prijs gegeven.—Sommige dood, de andere stervende: alle zijn ze onwrikbaar gebleven in hun geloof en hun hoop.Een balling, uit Siberië weêrgekeerd (Piotrowski), heeft ons omtrent hun martelaarschap ingelicht.Peter Wysocki, de jonge held, die den slag van November6heeft toegebracht door de militaire school tot medewerking te bewegen aan de bevrijding van Warschau, is het eerste slachtoffer geweest. In 1833, of daaromtrent, in Siberië aangekomen, waagde hij de onderneming om gewapenderhand terug te keeren. Hij moest dus vernietigd worden: hij kreeg vijftienhonderd stokslagen. Men kan er niet méér opleggen, zonder den dood te veroorzaken. Uit verfijnde wreedheid wilde men, dat hij in leven bleef, dat hij gespaard werd om de hardste straffen der dwangarbeiders op hem toe te passen. Wat voor martelingen heeft hij ondergaan! Maar een dergelijke ziel is sterk in vertrouwen op ’t vaderland en God!In 1837 is de beroemde dichter Sierocinski met drie van zijn lotgenooten bezweken. In 1831 voor ’t gerecht gebracht en veroordeeld, had men hem, niettegenstaande zijn jeugd en zijn ambt (hij was priester), soldaat gemaakt. Te paard gezet, met de lans ter hand, leidde de ongelukkige het ruwe leven der Kozakkenuit de grensstreken, die in Siberië jacht maken op de Tartaren, de smokkelaars. De autoriteiten in Siberië echter, verstandiger dan die te Sint Petersburg, meenden dat men meer nut van hem kon trekken als onderwijzer in een militaire school. Dáár beraamde deze zwakke en tengere man, in wiens lichaam evenwel een veerkrachtige ziel huisde, het vermetele plan, de stoutmoedigheid van Beniowski na te volgen en te overtreffen, door in geheel Siberië te bewerken, wat hij alleen voor Kamschatka deed, nl. de veroordeelden en de inwoners tot opstand te brengen. Het land, dat naar gemeentelijke wetten geregeerd wordt, zou ongetwijfeld voordeel hebben getrokken door zich af te zonderen van het groote rijk, dat slechts het Zuidelijk gedeelte koloniseert en het Noorden een wildernis laat. De oude stammen van het Noorden, vroeger tevreden met hun zwervend herdersbestaan, leven, nu zij hun rendierkudden niet meer kunnen weiden, alleen van de jacht, of liever zij sterven uit en verdwijnen als de Roodhuiden van Amerika.Er vormde zich een uitgebreide vereeniging. Het plan stond vast, om, als men niet langer stand mocht kunnen houden, zich gewapenderhand een doortocht te banen naar Bucharije,7misschien zelfs wel naar Voor-Indië. Drie saamgezworenen werden verraders. Van 1834 tot 1837 werd de zaak te Sint-Petersburg gerechtelijk onderzocht; Sierocinski, steeds onwrikbaar, behield al de kalmte van zijn ziel en maakte verzen in zijn gevangenis.Eindelijk kwam uit Sint-Petersburg het verschrikkelijk vonnis. Verscheiden Polen en een Rus zouden zeven duizend stokslagen krijgen!zonder dat hun er één geschonken mocht worden!—de overigen drie duizend, wat trouwens genoeg is om er aan te bezwijken.—Generaal Gatafiejew werd expresselijk overgezonden om een wakend oog op deterechtstelling te houden. Zijn wreedheid maakte de verontwaardiging zelfs van de Russen gaande.Bij het aanbreken van den dag schaarden twee voltallige bataillons, elk duizend man sterk, om de slagen te beter te kunnen tellen, zich buiten de stad ieder in één linie. Gatafiejew plaatste zich in het midden van de strafplaats. Voor spitsroeden gebruikte men dikke stokken, en de soldaten werden dicht bij elkaar geposteerd, opdat de slagen te harder konden aangebracht worden.“Het was heel koud (Maart, in Siberië!) Men ontdeed Sierocinski van zijn kleederen, en plaatste hem vóór den loop van een geweer, met de bajonet tegen zijn borst gekeerd, wat gewoonte is bij zulke straf oefeningen. Daarna werden twee soldaten aan weerskanten gesteld van den veroordeelde, opdat zijn gang tusschen de rijen door noch zou verflauwen, noch versnellen. Toen kwam de bataillonsdokter naderbij, om den patiënt met versterkende droppels op te wekken, want zijn zwak gestel was door drie jaren gevangenis uitgeput, en hij leek meer een schim, dan een mensch; maar hij had zijn zielskracht en zijn wilskracht behouden.“Hij wendde het hoofd af, toen de dokter hem de droppels aanbood, en antwoordde: “Drinkt ons bloed en het mijne, ik heb geen behoefte aan uw droppels.” Toen het teeken gegeven werd, begon hij met luider stem den psalmMiserere8te zingen. Gatafiejew riep driemaal woedend uit: “Harder slaan, harder, harder!” De slagen waren zoo krachtig, dat, toen het slachtoffer, na de rijen één keer langs te zijn gegaan en duizend stokslagen te hebben ontvangen, aan het andere eind van ’t bataillon was gekomen, hij flauw viel en in zijn bloed badend op de sneeuw nederzonk.“Men wilde hem weêr overeind richten, maar hij kon niet meer op zijn beenen blijven staan. Een stellage op een sleê was al in gereedheid gebracht. Sierocinskiwerd er in knielende houding opgeplaatst, zijn handen werden op zijn rug vastgebonden en hij moest zich vooroverbuigen. In deze houding bevestigde men hem aan het stellage, zóó dat hij zich onmogelijk kon bewegen. Op deze wijs begon men hem door de rijen te slepen. Gatafiejew raasde aldoor: “Harder! harder! harder!” Aanvankelijk kermde Sierocinski nog van pijn, maar het werd hoe langer zoo flauwer en zwakker, om eindelijk geheel op te houden.“Hij ademde nog na vier-duizend slagen ontvangen te hebben; toen gaf hij den geest. De drie-duizend, die overbleven werden aan zijn lijk toegeteld, of liever aan zijn geraamte. Alle veroordeelden, hij vooral, werden zoo met slagen overstelpt, dat, volgens de uitdrukking van ooggetuigen, Polen zoowel als Russen, met wie ik erover gesproken heb, het vleesch bij iederen slag stuksgewijze opzwol; men zag slechts gebroken beenderen. Dit totdusver ongehoorde bloedbad wekte een algemeene verontwaardiging op onder de Polen en zelfs onder de Russen.“Een tweetal veroordeelden, die op de plaats dood waren gebleven, en zij die nog adem haalden onder de wreedste folteringen, werden naar het hospitaal overgebracht, en dadelijk daarop werden de Polen en een Rus in éénzelfden kuil ter aarde besteld. De Polen kregen verlof een kruis te planten op de laatste rustplaats dezer martelaars, en tot op heden (1846) verheft zich dit gedenkteeken van zwart hout in de eenzame steppen, zijn armen uitbreidende over het graf der slachtoffers, als om ze te beschermen en de barmhartigheid van God over hen in te roepen.”1Een der grootste Poolsche helden uit den laatsten oorlog tegen Rusland, welke met den val van het land eindigde (1794).2Deze was in 1767 door de Russen gevangen genomen.3Koning van Zweden, 1697–1718, voerde een aanvankelijk gelukkigen oorlog tegen Rusland, onder Peter den Grooten, maar leed later een gevoelige nederlaag.4Prins Troubetskoi nam deel aan de samenzwering van 1825 (ziehoofdstuk VII). Hij werd later begenadigd.5De overwonnen Poolsche opstandelingen.61830.7De streken omvattend tusschen de Kaspische Zee en Tibet.8[God,] wees mij genadig.

“Hier is de nacht somber als de winter. Hij is droefgeestig, maar indrukwekkend. Wanneer hij verhelderd wordt door het noorderlicht, vertoonen zich aan den donkerblauwen, bijna zwarten hemel duizenden vallende sterren en schijnt hij in vlam te staan. Dit vuur verwarmt niet, verlicht niet. Die sterren zijn zwaarmoedig; men zou ze houden voor de oogen der geesten van veroordeelden, die voor immer dit ongelukstafereel willen vastleggen...

“Kolommen vuurs, vreemdsoortige, verschrikkelijke, majestueuse gedaanten stooten op alle punten van den hemel tegen elkander; men zou zeggen gloeiende houtskolen, bijwijlen stroomen bloeds... Zou de natuur, evenals de mensch, visioenen hebben? Deze Noordsche natuur, misdeeld, ingeslapen, schijnt droomen van ballingen te droomen.”

Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede generaal Kopec, metgezel van Kosciusko,1voor ons heeft ontworpen van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski.2Deze, ontembaar, woelziek,vermetel speler en nog vermeteler soldaat, eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, enin plaatsvan gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê, scheept hij zich met haar in.—Kopec wendt zich tot God; hij voelt zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd, legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der tranen ontvangen.

“Ik wandelde langs de kust der zee, en als het weêr stormachtig werd, zag ik allerlei vreemdsoortige dieren, walvisschen, zeeleeuwen en zeehonden. Soms werd ik door steenen getroffen; beren slingerden die naar mij toe, om mij te wonden en vervolgens aan te vallen. Deze zee heeft in den herfst veel deining; zij breekt met zooveel kracht, dat Kamschatka er tot op zijn grondslagen van trilt. De dagen zijn grauw en de nachten zwart. Als de storm in aantocht is en de Oceaan zijn gerommel doet hooren, huilen de groote troepen honden, die leven van visschen (er zijn er misschien wel twintig duizend) tegen den Oceaan, en tallooze beren geven antwoord door onheilspellend gebrom. Gedurende dien tijd rommelen de vulkanen en braken vlammen en asch. O, wat een helsch schouwspel! en wat is een eerlijk man in een benarden toestand te midden van den tweespalt der toornige elementen!”

Kopec beklaagt zich over de natuur, zelden over de menschen. Toch was hij met groote barbaarschheid behandeld. Gekwetst, ziek, zonder dat men op zijn wonden acht sloeg, die door de kou weêr opengingen, was hij dag en nacht in een koets, van binnen dubbel met ijzer beslagen, voortgesleurd. Geheel uitgeput,vroeg hij den officier, die hem geleidde, eenige rust. “Ik heb order zonder oponthoud verder te gaan, zei deze; ik zal in allen geval uw lijk meêvoeren. U heeft vrijheid onderweg te sterven.”

Wat ook nog erg treurig voor hem was, was dat hij onmetelijke convooien ontmoette van arme Polen, die naar Siberië gevoerd werden, kaal geschoren, met een brandmerk op ’t voorhoofd en een afgehakten neus. Verder voortgaande werd de weg niet anders aangewezen dan door doodsbeenderen van beren, paarden of menschen, en enkele graven van in de woestenij gestorven ballingen, welke afwachtten wie na hen zouden komen.

Bij eene pleisterplaats zag hij een oogenschijnlijk voorname vrouw, die dienstbode was. “Wie is u?” vroeg hij.—“Indertijd echtgenoote van een kolonel, nu van een grofsmid.” En zij verwijderde zich, zonder te zeggen wie ze was.

Kopec scheen een verloren man, voor altijd Siberiër te worden, zonder eenige gelukkige kans. Andere generaals, die men later zocht om ze de vrijheid te hergeven, konden nergens gevonden worden.

“Eens op een dag keek ik, in droefgeestige gedachten, terwijl ik mij op de overblijfselen van een verongelukt schip bevond, naar de zee, die vol was van allerlei monsters. Plotseling ontdek ik een jongen, knappen, statigen man, in een vreemde kleederdracht; de verschijning greep me zeer aan. “Tot welke natie behoort u?” vroeg hij mij.—“Tot het ongelukkig volk.” “O, je bent dus een Pool!... Ik ben koopman... ik ga naar Rusland terug... Schrijf een brief aan de uwen... Ik weet wel wat voor gevaar ik loop... maar dat kan me niet schelen! gauw, ga schrijven.” Hij trotseerde het gevaar, belastte zich met den brief en heeft hem eerlijk bezorgd.”

Maanden en jaren verloopen. Eens op een dag komt de man, bij wien Kopec inwoonde, bleek en ontdaan bij hem in de kamer: “Er is een schip in zee gezien.”—“Nu, des te beter!” gaf de Pool ten antwoord.—“Neen, des te erger,” zei de man. “De kommandant hier zal ons beschuldigen een komplot te hebben gesmeed, zooals hij wel meer doet; hij zal ons goed en leven nemen. Hij weet, dat het drie jaar duurt vóór een klacht te bestemder plaatse komt.”

Het schip bracht de gratie van Kopec, zijn bevrijding. Hij wilde het eerst niet gelooven. Toen hij ’t zelf gelezen had, viel hij in zwijm. Om zich te herstellen, ging hij naar de zee. “Het was stormachtig weêr; de monsters kwamen bij troepen naar de kust toezwemmen. Ik verbeeldde mij menschen te zien, gezichten te herkennen, ik zag tafereelen uit ons volksleven, processies, monniken die mij het kruis tegemoet droegen. Ik wilde mij naar voren werpen... maar werd tegen gehouden.

“Teruggekomen, had ik moeite om mijn kamer binnen te treden. Ieder kwam mij gelukwenschen. De vrouwen brachten mij geschenken, goede en zonderlinge: rum, suiker, waskaarsen (in het land van eindelooze nachten, van alle dingen het meeste waard).

“De geestelijke, een gemoedelijke grijsaard van tachtig jaar, balling als de overigen, kwam in zijn priestergewaad, met zijn koorzangers, zes kinderen van de naburige eilanden, door hem gevormd, die heel goed zongen, bepaald aandoenlijk. Ik stak al mijn kaarsen tegelijk aan. Hun fijne stemmetjes drongen ons tot in het hart. Ik ben altijd spoedig tot tranen geroerd geweest; maar ditmaal barstte ik in snikken uit, of, om ’t juister uit te drukken, in woeste kreten.

“Vervolgens gingen we rondom mijn steenen tafel zitten, en iedereen bleef doorweenen. Ik maakte wat Poolsche punch klaar. Elks gedachten waren bij het vaderland, dat niemand durfde hopen ooit te zullen weêrzien.”

“Gij zijt wel gelukkig,” zeiden ze tot Kopec. “Ge vertrekt in drie jaar.” Het schip lichtte inderdaad eerst het anker na zoo lang in deze kuststreken te hebben vertoefd.

Hoeveel treffende geschiedenissen zou de wildernis niet kunnen vertellen, als ze spreken kon! Ze is echter even stom als somber. Deze oceaan van bevroren vlakten is nog geslotener dan de Oceaan der wateren over de schipbreuken, welke hij overdekt. Aan dit uitgestrekte graf heeft Rusland, even onvermijdelijk als de dood, de zorg toevertrouwd om den heldenaard te vernietigen der al te schitterende naties, die het omringden. Door krijgsgevangenen niet terug te geven, maar hen te laten verdwijnen, heeft het Zweden uitgeput. De metgezellen van Karel XII,3gedwongen tot deerniswaardig metselaarswerk, slapen aan den voet der bastions van Tobolsk, door hen-zelven met inspanning van alle krachten gebouwd. Zweden is dáár leeggevloeid. En Polen is er op komst. De droevige processie gaat maar steeds voort; gansch een volk marcheert naar de woestijn, naar het graf.

Terwijl alzoo het onpersoonlijke, onverschillige groote slaafsche Rusland zich vermenigvuldigt, vruchtbaar als het gras der steppen en niet minder eentonig dan deze,—verdwijnt de krachtige persoonlijkheid der heldenvolken, bij welke ieders hart warm klopte, wordt ze uitgebluscht, begraven. Siberië bedekt, verbergt zijn schat onder de aarde.

Treffende eigenaardigheid! Wat men niet heeft kunnen geheim houden, wat aan het helderst daglicht gekomen is, dat is niet de weerstand der dapperen, het zijn de bewijzen van toewijding als een natuurlijk uitvloeisel van den band van ’t familieleven. De helden zijn heengegaan; maar de vader, de echtgenoot, de verloofde is gebleven, en de natuur, de wonderen van het hart, de overwinningen van de liefde op de menschelijke wreedheid duren voort.

Iedereen heeft bij Custine de aandoenlijke geschiedenisgelezen van prinses Troubetskoi,4die alles verlaten heeft om haar man te volgen, een rampspoedige maar toch weinig belangwekkende persoonlijkheid, die het groote ongeluk gehad heeft zijn vrienden te laten omkomen, zich te verontschuldigen en hen te overleven. Werd hij bemind toen hij vorst was? Niets toont het aan. Maar als veroordeelde won hij liefde. In Rusland hadden zij geen kinderen; in Siberië krijgen zij er vijf. Deze bewonderenswaardige vrouw heeft door haar onverwachte liefde den balling veel meer geschonken, dan de keizerlijke wraak hem had ontnomen.

Laat mij hier een gebeurtenis boekstaven, nog verrukkelijker, maar minder bekend, historisch vaststaande door het getuigenis van een waarheidlievenden mond, die niet in staat was te liegen.—In 1825 werd een jonge Rus (noemen we hem Iwan) naar Siberië gezonden. Hij had lief en werd bemind. Een Fransch meisje, een jeugdige onderwijzeres bij zijn familie, had trouwbelofte van hem. De familie, die dit wist, maar op de verbintenis niet gesteld was, had het jonge meisje verwijderd. Nauwelijks had zij vernomen, dat haar verloofde in ’t ongeluk was gestort en van allen verlaten, dat hij “aan den ketting moest,” of zij liet de haar gedane trouwbelofte gelden. Zij ging zonder schroom naar Sint-Petersburg, regelrecht naar den keizer. Hij dacht dat ze krankzinnig was, trachtte haar van haar voornemen af te brengen, beduidde haar niet te volharden in haar wensch de vrouw te worden van een tot dwangarbeid veroordeelde. Helaas! ’t was zoo gemaklijk hem zijn vrijheid te hergeven... De gunst, die men haar toestond bestond alleen in ’t verlof hem te volgen, met hem te lijden, te sterven. De arme Française werd inderdaad het slachtoffer van haar toewijding; haar zwakke borst kon het verschrikkelijke klimaat niet verdragen; na verloop van een jaar stierfzij. Haar man overleefde haar niet; ’t zij door ellende, ’t zij door smart vergezelde hij haar in ’t graf.

Zij lieten een kind na, een ongelukkige wees, bij zijn geboorte reeds een verschoppeling en geruïneerd. De bezittingen van zijn vader moesten overgaan in de handen van een natuurlijken zoon zijns grootvaders. Doch deze (niets is eervoller voor het Russisch karakter) weigerde voordeel te trekken uit de wreedheid der wet en liet den wees alles behouden.

Een gevaar, dat Siberië meêbrengt, en wel het grootste, is dat men er sterft vóór zijn dood. De oneindige verscheidenheid der lotsbeschikkingen, die men er aantreft, de absolute willekeur waaraan allen daar onderworpen zijn, maakt het maar al te makkelijk zelfs de sterkste zielen te beteugelen, te vernietigen. Rusland heeft niet noodig, zooals Oostenrijk, met zorg ingerichte gevangenissen te bouwen, waar de veroordeelde gedwongen wordt onwaardig werk te verrichten, vrouwenarbeid te doen of met allerlei beuzelingen zich af te geven, die den geest verstompen. Het verlaat zich op het voor den mensch al te ruwe klimaat, dat hem breekt. Het verlaat zich op de beestachtigheid van de militaire geweldenarij, welke iederen veroordeelde van karakter als ’t ware door een molensteen fijnmaalt. De hardvochtige soldaat, die telkens vervangen wordt, maakt den veroordeelde weerloos door die wrijving. Deze wordt hoe langer zoo kleiner gemaakt, verslapt, en verliest ten slotte alle kracht tot verder verzet. Het verstand komt hem te hulp en betoont zich vindingrijk, door hem zich zelf te doen wijsmaken dat hij verkeerd zou handelen met langer tegen te spartelen. Het laat hem zijn beulen rechtvaardigen, vernietigt in hem het begrip van goed en kwaad, maakt hem volkomen onverschillig voor alles, verderft zijn zinnen, doet hem gelooven dat het goed is.

Dit is het, wat de vrijheid altijd voor haar aanhangers gevreesd heeft; niet den dood, een edelen en heiligen dood. Dit is het, wat Europa vreesde, toen het wistdat de helden van November 1831,5ter dood veroordeeld, begenadigd werden, om naar Siberië te kunnen worden gezonden. Lazen wij niet aan het slot van ieder geschiedverhaal in de mooie verzameling, getiteldPoolsche Zaken, van 1830 (door Straszewicz): “Zij leven, ze zijn in Siberië, ziedaar alles wat men weet; welke hun toestand is naar lichaam en hart, dat blijft ongelukkigerwijs onbekend.”

Maar, we zijn het, Goddank, te weten gekomen. We zijn gerustgesteld,—hun ziel is niet dood. Ze hebben haar gaaf behouden, en hun lichaam aan ’t noodlot prijs gegeven.—Sommige dood, de andere stervende: alle zijn ze onwrikbaar gebleven in hun geloof en hun hoop.

Een balling, uit Siberië weêrgekeerd (Piotrowski), heeft ons omtrent hun martelaarschap ingelicht.

Peter Wysocki, de jonge held, die den slag van November6heeft toegebracht door de militaire school tot medewerking te bewegen aan de bevrijding van Warschau, is het eerste slachtoffer geweest. In 1833, of daaromtrent, in Siberië aangekomen, waagde hij de onderneming om gewapenderhand terug te keeren. Hij moest dus vernietigd worden: hij kreeg vijftienhonderd stokslagen. Men kan er niet méér opleggen, zonder den dood te veroorzaken. Uit verfijnde wreedheid wilde men, dat hij in leven bleef, dat hij gespaard werd om de hardste straffen der dwangarbeiders op hem toe te passen. Wat voor martelingen heeft hij ondergaan! Maar een dergelijke ziel is sterk in vertrouwen op ’t vaderland en God!

In 1837 is de beroemde dichter Sierocinski met drie van zijn lotgenooten bezweken. In 1831 voor ’t gerecht gebracht en veroordeeld, had men hem, niettegenstaande zijn jeugd en zijn ambt (hij was priester), soldaat gemaakt. Te paard gezet, met de lans ter hand, leidde de ongelukkige het ruwe leven der Kozakkenuit de grensstreken, die in Siberië jacht maken op de Tartaren, de smokkelaars. De autoriteiten in Siberië echter, verstandiger dan die te Sint Petersburg, meenden dat men meer nut van hem kon trekken als onderwijzer in een militaire school. Dáár beraamde deze zwakke en tengere man, in wiens lichaam evenwel een veerkrachtige ziel huisde, het vermetele plan, de stoutmoedigheid van Beniowski na te volgen en te overtreffen, door in geheel Siberië te bewerken, wat hij alleen voor Kamschatka deed, nl. de veroordeelden en de inwoners tot opstand te brengen. Het land, dat naar gemeentelijke wetten geregeerd wordt, zou ongetwijfeld voordeel hebben getrokken door zich af te zonderen van het groote rijk, dat slechts het Zuidelijk gedeelte koloniseert en het Noorden een wildernis laat. De oude stammen van het Noorden, vroeger tevreden met hun zwervend herdersbestaan, leven, nu zij hun rendierkudden niet meer kunnen weiden, alleen van de jacht, of liever zij sterven uit en verdwijnen als de Roodhuiden van Amerika.

Er vormde zich een uitgebreide vereeniging. Het plan stond vast, om, als men niet langer stand mocht kunnen houden, zich gewapenderhand een doortocht te banen naar Bucharije,7misschien zelfs wel naar Voor-Indië. Drie saamgezworenen werden verraders. Van 1834 tot 1837 werd de zaak te Sint-Petersburg gerechtelijk onderzocht; Sierocinski, steeds onwrikbaar, behield al de kalmte van zijn ziel en maakte verzen in zijn gevangenis.

Eindelijk kwam uit Sint-Petersburg het verschrikkelijk vonnis. Verscheiden Polen en een Rus zouden zeven duizend stokslagen krijgen!zonder dat hun er één geschonken mocht worden!—de overigen drie duizend, wat trouwens genoeg is om er aan te bezwijken.—Generaal Gatafiejew werd expresselijk overgezonden om een wakend oog op deterechtstelling te houden. Zijn wreedheid maakte de verontwaardiging zelfs van de Russen gaande.

Bij het aanbreken van den dag schaarden twee voltallige bataillons, elk duizend man sterk, om de slagen te beter te kunnen tellen, zich buiten de stad ieder in één linie. Gatafiejew plaatste zich in het midden van de strafplaats. Voor spitsroeden gebruikte men dikke stokken, en de soldaten werden dicht bij elkaar geposteerd, opdat de slagen te harder konden aangebracht worden.

“Het was heel koud (Maart, in Siberië!) Men ontdeed Sierocinski van zijn kleederen, en plaatste hem vóór den loop van een geweer, met de bajonet tegen zijn borst gekeerd, wat gewoonte is bij zulke straf oefeningen. Daarna werden twee soldaten aan weerskanten gesteld van den veroordeelde, opdat zijn gang tusschen de rijen door noch zou verflauwen, noch versnellen. Toen kwam de bataillonsdokter naderbij, om den patiënt met versterkende droppels op te wekken, want zijn zwak gestel was door drie jaren gevangenis uitgeput, en hij leek meer een schim, dan een mensch; maar hij had zijn zielskracht en zijn wilskracht behouden.

“Hij wendde het hoofd af, toen de dokter hem de droppels aanbood, en antwoordde: “Drinkt ons bloed en het mijne, ik heb geen behoefte aan uw droppels.” Toen het teeken gegeven werd, begon hij met luider stem den psalmMiserere8te zingen. Gatafiejew riep driemaal woedend uit: “Harder slaan, harder, harder!” De slagen waren zoo krachtig, dat, toen het slachtoffer, na de rijen één keer langs te zijn gegaan en duizend stokslagen te hebben ontvangen, aan het andere eind van ’t bataillon was gekomen, hij flauw viel en in zijn bloed badend op de sneeuw nederzonk.

“Men wilde hem weêr overeind richten, maar hij kon niet meer op zijn beenen blijven staan. Een stellage op een sleê was al in gereedheid gebracht. Sierocinskiwerd er in knielende houding opgeplaatst, zijn handen werden op zijn rug vastgebonden en hij moest zich vooroverbuigen. In deze houding bevestigde men hem aan het stellage, zóó dat hij zich onmogelijk kon bewegen. Op deze wijs begon men hem door de rijen te slepen. Gatafiejew raasde aldoor: “Harder! harder! harder!” Aanvankelijk kermde Sierocinski nog van pijn, maar het werd hoe langer zoo flauwer en zwakker, om eindelijk geheel op te houden.

“Hij ademde nog na vier-duizend slagen ontvangen te hebben; toen gaf hij den geest. De drie-duizend, die overbleven werden aan zijn lijk toegeteld, of liever aan zijn geraamte. Alle veroordeelden, hij vooral, werden zoo met slagen overstelpt, dat, volgens de uitdrukking van ooggetuigen, Polen zoowel als Russen, met wie ik erover gesproken heb, het vleesch bij iederen slag stuksgewijze opzwol; men zag slechts gebroken beenderen. Dit totdusver ongehoorde bloedbad wekte een algemeene verontwaardiging op onder de Polen en zelfs onder de Russen.

“Een tweetal veroordeelden, die op de plaats dood waren gebleven, en zij die nog adem haalden onder de wreedste folteringen, werden naar het hospitaal overgebracht, en dadelijk daarop werden de Polen en een Rus in éénzelfden kuil ter aarde besteld. De Polen kregen verlof een kruis te planten op de laatste rustplaats dezer martelaars, en tot op heden (1846) verheft zich dit gedenkteeken van zwart hout in de eenzame steppen, zijn armen uitbreidende over het graf der slachtoffers, als om ze te beschermen en de barmhartigheid van God over hen in te roepen.”

1Een der grootste Poolsche helden uit den laatsten oorlog tegen Rusland, welke met den val van het land eindigde (1794).2Deze was in 1767 door de Russen gevangen genomen.3Koning van Zweden, 1697–1718, voerde een aanvankelijk gelukkigen oorlog tegen Rusland, onder Peter den Grooten, maar leed later een gevoelige nederlaag.4Prins Troubetskoi nam deel aan de samenzwering van 1825 (ziehoofdstuk VII). Hij werd later begenadigd.5De overwonnen Poolsche opstandelingen.61830.7De streken omvattend tusschen de Kaspische Zee en Tibet.8[God,] wees mij genadig.

1Een der grootste Poolsche helden uit den laatsten oorlog tegen Rusland, welke met den val van het land eindigde (1794).

2Deze was in 1767 door de Russen gevangen genomen.

3Koning van Zweden, 1697–1718, voerde een aanvankelijk gelukkigen oorlog tegen Rusland, onder Peter den Grooten, maar leed later een gevoelige nederlaag.

4Prins Troubetskoi nam deel aan de samenzwering van 1825 (ziehoofdstuk VII). Hij werd later begenadigd.

5De overwonnen Poolsche opstandelingen.

61830.

7De streken omvattend tusschen de Kaspische Zee en Tibet.

8[God,] wees mij genadig.


Back to IndexNext