VII.

VII.Van het toenemend Schrikbewind in Rusland.Martelaarschap van Pestel en Rylejew.Het is juist honderd jaar geleden, dat Rusland de doodstraf heeft afgeschaft. Onze wijsgeeren weenden toen tranen van vreugde. Zelfs nu nog stelt een Russisch schrijver, Tolstoï,1er zijn roem in. Gelukkig, menschlievend Rusland, dat alléén op aarde het levend werk van God heeft weten te eerbiedigen, terwijl de Dood nog steeds ten troon verheven is in de goddelooze wetgevingen van het barbaarsche Westen!Men brengt dus niet meer ter dood in Rusland,—men verbant er alleen. Slechts kan het voorkomen, dat de fijn-bewerktuigde mensch, te dicht in de nabijheid van de pool gezonden, er van kou en ellende omkomt. Ja, wat is daartegen te doen?Men brengt niet ter dood,—men verlaagt in rang en stand. Slechts kan daarbij iets voorkomen, als onlangs met een zekeren Paulof gebeurde. De beul, zijn degen boven zijn hoofd in tweeën brekende, deed dit, bij ongeluk, met zooveel kracht, dat hij hem den schedel insloeg.Men brengt niet ter dood,—men ranselt met roeden. De knoet is afgeschaft.Spaar de roede niet aan uw zoon.Het kan echter soms gebeuren, dat de roeden knuppels zijn.Het vonnis der 7000 stokslagen, waarvan wij hierbovengesproken hebben, bevatte deze bespotting, dat,als depatiëntenhet leven behielden, zij in de mijnen moesten gaan werkentot aan het eind van hun leven. Nu sterft men gewoonlijk bij 3 of 4000 slagen.Deze afschuwelijke huichelarij, die men overal in Rusland voelt, is niet de daad van den mensch alleen. Zij is voornamelijk het gevolg van het onoplosbaar vraagstuk, dat aan de regeering is voorgelegd:Door dezelfde wetten de meest barbaarsche en de beschaafdste naties te besturen.Het rijk heeft hierdoor alleen een afschuwelijken Janus2voor zich geschapen, die, als hij naar het Westen ziet, zich zachtzinnig voordoet, terwijl hij naar het Oosten zijn waar gelaat toont, dat van Mongoolsche wreedheid.De woeste stammen van Siberië hebben misschien alleen de juiste opvatting van het bewind, dat boven hen staat. Zij stellen zich den czaar niet voor als een mensch, maar als een tweehoofdig monster, den dubbelen griffioen, half arend, half tijger, dien zij op het Russisch wapen zien.Dáár moet werkelijk het geheim der Russische wreedheid gezocht worden. In deze niet tot één te brengen tweeslachtigheid ligt Ruslands onmacht. Het werpt er verwoede hinderpalen tegen op, om haar te overwinnen, en alle hinderpalen behandelt het als oproer. Maar in dit onrechtvaardig pogen is het Rusland-zelf, dat in opstand komt tegen de natuur.Als deze tweeslachtigheid een heftig en ernstig man op haar pad ontmoet, als Peter III of Paul I,3dan verschijnt ze in haar ware gedaante, als razernij, krankzinnigheid.Krankzinnigheid, niet zoozeer van het individu als van den toestand. Peter de Groote, wat voor een geniehij ook was, vertoont zich niettemin in vele zijner daden als een gek. Rus en barbaar van geboorte, is hij door zijn wil een Europeaan: dus een levende tegenstrijdigheid.Bij Catharina is het juist andersom, daar zij een Duitsche was, die Russin is geworden. Van geestesgesteldheid was zij zeer droog, zeer precies, zeer koud, maar in haar daden geeft ze niettemin het bewijs van het sterkste tegendeel. Als philosofe verdedigt zij in Polen de verdraagzaamheid, maar bewerkt zij tegen de Polen den Bartholomeüsnacht van de Ukraine.4Zij laat de revolutionnairen te Praga5vermoorden, maar haar kleinzoon6door een Zwitserschen revolutionnair opvoeden.Alexander, zóó opgevoed, door zijn moeder een Duitscher, zacht van aard, is van alle keizers juist degeen, onder wien het Russische volk het meest geleden heeft. In zijn dolzinnige onderneming der militaire kolonies, geleid door zijn onmenschelijken gunsteling Araschieff, tastte hij Rusland in het hart aan, in het gezin, in den huiselijken haard.Alzoo, welke de persoonlijke aard der czaren ook moge zijn, de verschrikkelijke regeeringsvorm gaat steeds verder in zijn woeden, ten minste het wordt verfijnder. Alexander, die niet de wreede koelheid van Catharina bezat, heeft niettemin Rusland veel dieper getroffen. Maar wat heeft dit alles te beteekenen in vergelijking met den czaar die thans regeert?7Niemand heeft den dood op zoo groote schaal toegepast, niet op enkele personen, maar op geheele volksstammen. De officiëele cijfers, welke de Russen zelfbekend maken, doen van verbazing de handen ineenslaan. Ongehoorde menschenslachtingen, welke het zwaard niet zou hebben kunnen bewerkstelligen, zijn met behulp van de natuur tot stand gebracht, ik bedoel, door snelle overplantingen van geheele bevolkingen naar moordende luchtstreken.Afstootend en op-zich-zelf-staand schouwspel, zoo’n ver om zich grijpende werkzaamheid van den dood! Behoort een gewelddadige dood dan zoozeer tot de noodzakelijkheden van het leven? Het was nog maar kort geleden, dat de groote uitroeiïng door de Napoleontische oorlogen had opgehouden, toen deze moordende volksverhuizingen begonnen, veel noodlottiger dan veldslagen, en die, in vollen vredestijd, geheele geslachten hebben verdelgd.De keizer gaf in zijn jeugd geen enkel bizonder kenteeken van een woesten aard, geen enkel van barbaarsche afwijkingen, zooals wèl zijn broer Constantijn. Zijn levensbeschrijver Schnitzler merkt alleen op, dat hij een spotzieke neiging had en er behagen in schepte de hovelingen na te bootsen. Hij ontving, onder toezicht van zijn moeder, zijn opvoeding in ’t bizonder van een oude hofdame, gravin Von Lieven, die hem zeker niet op de betere kanten van de menschelijke natuur moet hebben gewezen.Er werd een zeer sterke invloed op de vorstinnen van de keizerlijke familie geoefend door een eerbiedwaardig geleerde, Rus in merg en been, rechtschapen en onbaatzuchtig, den geschiedschrijver Karamsin. Zij hadden hem een woning gegeven in het park van Tsarsko-Selo.8Deze verdienstelijke man, grootgebracht naar den geest der Oudheid, die langen tijd geleefd had in vertrouwelijken omgang met de vroegere czaars, hield van niets zoozeer, bewonderde niets zoozeer als het Schrikbewind en Robespierre. Hij was in 1793 te Parijs geweest, en had er een groote voldoeningvan meêgenomen. Toen hij van den 9en Thermidor9vernam, smolt hij in tranen weg. Al zijn streven bij Alexander, in overeenstemming met de vorstinnen, was hem af te houden van zijn zwak voor ’t liberalisme.Bij dezen invloed voegde zich een andere, die sterk op de Russische groote wereld inwerkte, die van de Maistre. Dank zij dezen uitnemenden schrijver leerde Rusland, als uit den mond van Frankrijk, dat het despotisme, waarover het zich ontschuldigde, juist het ideaal was der menschelijke samenleving. Hoewel Alexander de Maistre voor korten tijd verwijderd had, werd zijn invloed steeds grooter, en deSoirées de Saint-Petersbourg(1822) voerden dien ten toppunt. Zijn paradoxale stelling over den lof van den beul,van dit levend wonder, totdusver te zeer miskend, maakte een diepen indruk. Nicolaas10was 26 jaar. Dit boek moest het zaad, door Karamsin uitgestrooid, welig bij hem doen ontkiemen.Tegen deze vreemde leeringen van de absolute willekeur kwam evenwel een geheiligde macht in verzet die nooit sterft: de Wet, de Rechtvaardigheid. De wetgevende proefnemingen van Catharina werden door Alexander weêr hervat. Hij zocht, bij de gevaren waarin hij verkeerde, een versterking in de wetten. Speranski begon in 1808 het Russisch recht te verzamelen. Maar jonge, energieke mannen bepaalden zich niet tot bijeenbrengen: zij wilden dat dit recht iets levends werd, dat het een ziel had. Voor een van hen doemde het denkbeeld op een wèrkelijk Russisch wetboek saam te stellen, gegrondvest op de vrijheid.Pestel, zoo heette hij, was een man van genie, practisch, heelemaal geen utopist. Hij schiep zich geen hersenschimmig Rusland. Hij nam het zooals het is, communistisch, en liet het zoo. Hij onderstelde, dat, door de gemeente te versterken, te bevrijden en doorhaar heur beginsel (de bodem het eigendom van den bebouwer) in toepassing te doen brengen, men het allereerste bestanddeel, het oorspronkelijke molecuul van de Republiek bezat; dat, opklimmende naar het arrondissement (de gemeente vàn de gemeenten), naar de provincie, en eindelijk tot het centrum, men van het Russisch element gemaklijker kon komen tot het republikeinsch bestuur dan tot het Tartaarsche czarendom of het Duitsche keizerschap.Deze jonge man, toen nog luitenant, doch die als kolonel stierf, maakte den veldtocht in Frankrijk meê,11en gaf er het bewijs van een hooggestemd gevoel voor menschelijkheid en recht. Te Bar-sur-Aube12gekomen, zag hij hoe Beiersche soldaten de inwoners mishandelden, en zonder te onderzoeken of deze Duitschers ook Russische bondgenooten waren, stormde hij met zijn getrouwen op hen los.Alexander had juist in dien tijd aan de wereld het zonderlinge schouwspel geschonken van een vrijzinnigen czaar. De vrienden van Pestel werden daardoor om den tuin geleid. Zij vertrouwden kort daarop hun verbeteringsplannen juist aan Alexander. Zij kwamen er een weinig laat meê; Alexander was onder de macht gekomen van de mystieke mevrouw Krüdener; hij was geen keizer meer, maar een heilige geworden. Hij had den ouden mensch afgeschud, en, tegelijk ermede, elke herinnering aan gedane beloften en gewekte verwachtingen uit de dagen van zijn gevaar. Hij hoorde hen welwillend aan, werd bewogen, weende, en zei hun dat voor zulke schoone zaken de maatschappij nog niet rijp was.Ziende dat hij alles uitstelde tot het hemelsch Jerusalem, namen zij den schijn aan van hun vereeniging te ontbinden, maar sloten zich heimelijk hechter aaneen. Negen jaar lang hebben ze aan haar uitbreidinggewerkt. Zoozeer lag zij in den geest en de noodzakelijkheid van den tijd, dat de deelhebbers tot de ontdekking kwamen van drie soortgelijke vereenigingen, die van elkanders bestaan niets afwisten. De eene (de Ridders, verhelpers van misstanden) was Russisch. Een tweede (de Onafhankelijkheid) was Poolsch. Een derde omvatte Rusland, Polen, àlle Slavische landen, en droeg den naam vanVereenigde Slaven.Alle drie traden zij in nadere betrekking tot elkander en kwamen ze tot overeenstemming. Twee punten alleen brachten verdeeldheid in de groote Russische maatschappij: de bevrijding van Polen en de vrijmaking der lijfeigenen. Om der billijkheidswil moet gezegd worden, dat de stichters der vereenigingen hieromtrent niet aarzelden. Zelve hadden zij elke lichamelijke kastijding van hun lijfeigenen afgeschaft. Zij wilden den boer vrijmaken en hem den grond, dien hij bebouwde, in eigendom afstaan: d.w.z. dat zij hun leven in de waagschaal stelden voor de zegepraal van een denkbeeld, dat, als het verwezenlijkt werd, hun in de eerste plaats hun vermogen zou gekost hebben.De stichters, onsterfelijker nagedachtenisse, waren, voor de Zuidelijke vertakking der vereeniging, Pestel, inmiddels tot kolonel bevorderd, en de Mouravieff’s, ook officieren; voor het Noorden waren het Rylejew, de Bestousheff’s, prins Obolenski en sommige anderen.Welke bron men ook raadpleegt, het staat vast door aller getuigenissen, dat Rylejew een der verhevenste karakters is, welke de geschiedenis ons te aanschouwen geeft. Militair, daarna beambte bij het Amerikaansch Genootschap, dat te Sint-Petersburg gevestigd was, had hij het niet beneden zijn waardigheid geacht den onbezoldigden post van secretaris bij de lijfstraffelijke rechtbank te aanvaarden; een daad, zooals alleen een uitstekend burger die kan verrichten, in een land van louter omkoopbaren, waar het van belang was dat deze betrekking niet in onwaardige handen viel. Rylejew was een dichter, men leest nogaltijd met tranen in de oogen zijn profetisch poëem, waarin hij zich zelf onder den naam van Mazeppa verpersoonlijkt: het op een wild, onstuimig ros vastgebonden slachtoffer, dat, naar de woeste steppen meêgesleurd, er verlaten en eenzaam moest omkomen.Het eerst van alle Russen schreef Rylejew in dit gedicht het woord, nog zoo weinig begrijpelijk voor de àndere Russen van toen, maar verheven, heilig voor de toekomst... “Vóór alles ben ik burger.”Hij was een zachtzinnig man, vol menschenliefde, en toch heldhaftig. Welke moeite het gerechtelijk onderzoek zich ook gaf om een ander licht op zijn karakter te doen schijnen, het blijft een onomstootelijk feit, dat hij, ziende hoe een der saamgezworenen het vaste plan had opgevat keizer Alexander te vermoorden, hem bad zijn voornemen ten minste uit te stellen, het hem op zijn knieën bezwoer, en, toen hij onwrikbaar bleek, hem toevoegde: “dan zal ik jou veeleer dooden.”Met zulke waardige aanvoerders, was het ongeluk der saamgezworenen, dat zij zich niet nauwer onder elkander aansloten, dat zij aan andere invloeden gehoorzaamden, en hun vereeniging te vèr uitstrekten.De hoofden van een ander eedgenootschap, die zij tot het hunne hadden toegelaten: Michaël Orloff met enkele zijner medestanders, verzochten en kregen ook gedaan, dat boven Rylejew, wiens werkkring niet heel hoog aangeschreven stond, en boven Pestel, dien men voor te geslepen en te eerzuchtig hield, een dictator benoemd werd. Men koos een man van hoogen rang, uit een geslacht, dat indertijd den troon aan de Romanow’s betwist had. Het was een prins Troubetskoi,13zachtzinnig, zwak, besluiteloos, juist de persoon die er voor aangelegd scheen een dergelijke onderneming te doen mislukken. Zij, die hem deden benoemen, wilden door de omwenteling alleen een oligarchie van groote heeren vestigen, en vreesden bovenal een energiek leider.Wij zullen nooit de verbazing van Europa in 1825 vergeten, toen men in de couranten las, dat noch Constantijn, noch zijn broer,14keizer wilden zijn.15Zij bleven de een voor den ander tegenover deze bloedige kroon en dien troon van vuur staan, zonder er met den vinger aan te durven ráken. In dit land van broedermoord scheen elk van beide, daartoe door den ander aangezet, de uitnoodiging tot opvolging te beschouwen als een oproep tot den dood. Hun houding was werkelijk ernstig gemeend. Constantijn, koning van Polen, gehuwd met een Poolsche, was sedert 1822 bezweken voor de tranen van zijn vrouw en had reeds van tevoren van de opvolging afstand gedaan. Nicolaas, wien dit niet onbekend kon zijn, laat niettemin zijn broer tot keizer uitroepen en den eed van trouw aan hem afleggen. Daarop doet Constantijn opnieuw afstand en volhardt hierbij; de senaat roept nu Nicolaas uit. Dit geschiedt met gesloten deuren, om twee uur in den nacht. Geen verklaring aan het volk, noch aan het leger. Men beschikt over het laatste als over een kudde; het heeft den eed al eenmaal gezworen, en men laat het daarop het tegendeel bezweren.Men wordt door medelijden aangegrepen, als men de onzekerheid ziet, den volslagen moreelen nacht, waarin de eerlijke ziel van den Russischen soldaat door zijn chefs gelaten wordt. De eenen, aanhangers van Nicolaas, waagden het niet hem in te lichten over den veranderden toestand. De anderen, de saamgezworenen, geen kans ziende hem de begrippen van vrijheid te doen vatten, deden hem gelooven dat Constantijn, aan wien hij trouw gezworen had, de werkelijke czaar was, en hen zou straffen, die naar Nicolaas overliepen. Vervuld van schroom en vrees, bleven die beklagenswaardige lieden voor ’t meerendeel werkeloos, roerloos. Sommigen werden slechts meêgesleept door den drangvan hun goeie hart en van hun menschelijkheid, toen zij van ontslaggevingen hoorden en men hun zei, dat hun kameraden vermoord werden.De keizer had het paleis en de citadel gevuld met troepen, die van alle gemeenschap waren uitgesloten. Om zich des te beter te verzekeren van die in het paleis waren, gaf hij zijn zoon, een mooi kind van acht jaar, in hun macht. Ze ontvingen hem met tranen in de oogen, en ofschoon zij behoorden tot de Finsche troepen, die in den opstand waren betrokken, betoonden zij zich onwrikbaar in hun trouw.De saamgezworenen brachten alleen aan hun zij het regiment van Finland, dat als vréémd stond tegenover Rusland en het tegen wil en dank dient; het regiment van Moscou; het corps garde-mariniers, en de gardegrenadiers, deze laatste niet dan na groote moeite, na eenkortstondigmaar hevig gevecht, waarin de Bestousheff’s de officieren van Nicolaas neêrsabelden en het vaandel veroverden.Zij plantten het op het onmetelijk plein, zeggen we liever de vlakte van Sint-Isaäc, en vatten post achter het standbeeld van Peter den Grooten. Er waren een groot aantal niet-militaire saamgezworenen, tot de tanden gewapend, nog meer nieuwsgierigen en heel veel volk, maar die alle als verzonken in dit uittermate groote veld. Zij haalden de beide kolonels, de militaire hoofden van den opstand, Troubetskoi en Boulatoff. Maar noch de een, noch de ander verscheen. Boulatoff bleef zelfs den geheelen dag bij het escorte van den keizer, in zijn onmiddellijke omgeving, ’t zij omdat hij nog niet besloten was, ’t zij, zooals hij later pochte, dat hij zich dáár bevond om hem te dooden, zoodra hij zijn moed zou zien verflauwen. Wat Troubetskoi betreft, die zijn hoofd verloren had, hij liet alles in den steek, zoowel de aanvoering van den opstand, als de zorg voor zijn papieren, welke zooveel mannen in het verderf zouden storten. Hij zocht zijn toevlucht bij een vrouw, zijn schoonmoeder; daarop bij den Oostenrijkschen ambassadeur; eindelijk bij den keizerzelven, te midden van diens generalen staf, als een verdoolde haas, die een schuilplaats tracht te vinden bij de honden, die hem najagen.Het burgerhoofd van den opstand, Rylejew betoonde zich flinker dan de beide militaire chefs. Hij verscheen op het plein, maar zocht hen tevergeefs. Het geringe aantal der troepen in opstand gaf weinig hoop. Sommigen gaven hem den raad een leger te scheppen, aan den opstand toe te voegen een massa gering volk, dat daar aanwezig was. Daarvoor zou het voldoende zijn, als hij hun de herbergen liet plunderen. Dit zou echter nauwelijks gebeurd zijn, of het volk zou tot een algemeene plundering overgaan, tot een moord op groote schaal van de politie, aan welke het een doodelijken haat had. Deze wanordelijkheden zouden een onverwachten tegenaanval ten gevolge hebben, daar Nicolaas genoodzaakt zou zijn geworden de moordenaars te doen vermoorden. Maar Rylejew weigerde van dit verschrikkelijk middel gebruik te maken. Van dit oogenblikaf aanwas gemakkelijk te voorzien, wat gebeuren zou. De opstandelingen, teruggedrongen tegen het paleis van den Senaat, aan den uithoek van een ontzaglijk plein gelegen, moesten onvermijdelijk worden weggevaagd door het geweervuur, neêrgesabeld door de cavalerie. Rylejew verliet het plein; hij zocht geen toevluchtsoord, hij ging naar zijn huis terug en wachtte er den dood af.De keizer, bleek en ontdaan, zooals een ooggetuige zegt, toonde niettemin veel moed. Aan het hoofd van de garde-te-paard reed hij voorwaarts en ontmoette detachementen, welke zich tot de opstandelingen begaven. “Dag, mijn kinderen!” riep hij hun volgens keizerlijke gewoonte toe. “Hoera voor Constantijn!” was hun eenig antwoord. Men beweert eenstemmig, dat hij zich flink hield en van geen verwarring blijk gaf. En wat zei hij hierop? Ja, dit weet men niet bepaald zeker. Twee lezingen worden gegeven: de een door den heer Schnitzler, die het geval bijwoonde, de ander door den heer de Custine, aan wien de keizerzelf de zaak heeft verteld. Het waarschijnlijkst van beide is, dat hij met luidklinkende stem zou gezegd hebben: “Rechts zwenken, marsch!” De soldaten zouden automatisch gehoorzaamd hebben.De korte Decemberdag ging op deze wijs voorbij, zonder dat de opstandelingen hun beide kolonels zagen verschijnen. Hun aantal verminderde. Het regiment van Moscou kwam tot andere gedachten en liet zijn makkers in den steek. Zij, die stand hielden, betoonden zich zeer flink. Zonder zich te verontrusten over de artillerie, welke men den keizer tot versterking had gezonden en die hen zou neerschieten, wezen zij elke poging tot verzoening van de hand, uitroepende: “Leve Constantijn!levede Constitutie!” Dit laatste woord, verre van de hunnen aan te vuren, zooals men meende dat moest, wierp den soldaat veeleer in de onzekerheid: “Wat beteekent datConstitoutzia?” vroeg hij. “Is dat de vrouw van den keizer?”De gouverneur van Petersburg, de dappere Miloradovitsch, die eenige opstandelingen met mooie woorden van hun vrienden had losgemaakt, om ze daarna in de citadel op te sluiten, waagde het naderbij te komen, rekenende op de oude aanhankelijkheid der soldaten. “Verrader,” zeiden de saamgezworenen, “je bent hier niet achter de coulissen van den schouwburg. (Hij was een aanbidder van actrices en danseressen). Wat heb-je met onze kameraden uitgehangen?” Obolenski stak met zijn bajonet naar de borst van zijn paard, en Kakhofski velde het met een pistoolschot. Deze laatste, die erg opgewonden was en die zich sterk gemaakt had den keizer te dooden, dacht dat hij nog al vast in zijn schoenen stond; maar toen hij nòg eens geschoten had en kolonel Sturler gedood, kwam zijn hart boven. “Weêr een op mijn geweten!” riep hij uit, en hij wierp zijn pistool verre van zich.De indruk, dien de zeelui ontvingen, was dezelfde, toen een hunner aanlegde op grootvorst Michaël. ’t Zij uit eerbied, ’t zij uit goedhartigheid, zij sloegen zijn arm neêr en deden het schot missen.Inmiddels naderden, met groote praal, het kruis ter hand, de metropolitanen van Petersburg en Kiew, door den keizer gezonden. Toen kon men gewaar worden hoe weinig de Rus, met al zijn uiterlijke vroomheid, in groote omstandigheden, onder den invloed geraakt van wat heilig is bij zijn eeredienst; hoe weinig achting hij heeft voor zijn priesters, die—het moet erkend worden—ook weinig achtenswaard zijn. Zij werden door de soldaten ontvangen met gejouw, en hun stem werd gesmoord door tromgeroffel.Dit had men verwacht. Na God aan zijn zij geplaatst te hebben, liet de keizer, die zich in zijn paleis teruggetrokken had, het gevecht beginnen. Zijn troepen waren van te voren natuurlijk reeds overwinnaars. Zij hadden niets anders te doen, dan het artillerievuur maar te laten spelen. Grootvorst Michaël, vreezende dat zijn artilleristen er een gewetenszaak uit zouden maken op hun arme landgenooten te vuren, gaf zelf het voorbeeld door het eerste schot te lossen. Daar op korten afstand geschoten werd, richtten de kogels een afschuwelijke slachting aan. Er werd ongeveer tien maal een aanval gedaan, en wie toen nog overbleven, zochten hun heil in de vlucht, achtervolgd door de cavalerie, waarvan een detachement hen van achteren aanviel. Men weet niet hoevelen er omgekomen zijn; de lijken werden onmiddellijk geworpen in openingen, die men in het dikke ijs maakte, waarmeê de Newa bedekt was.De saamgezworenen van het Zuiden hadden geen beter lot. Een der Bestousheff’s en de gebroeders Mouravieff, onverschrokken en vol geestdrift, waren niet verwonderd over de lusteloosheid, waarvan de meesten hunner medeverbondenen blijk gaven. Zij wendden zich daarom tot de soldaten en lieten hun in een kerk, door een priester nog al, een republikeinsche geloofsbelijdenis voorlezen, die Bestousheff saamgesteld had uit allerlei bijbelteksten. Er werd in verteld, dat alle menschen gelijk zijn en dat de slavernij een misdaad is jegens God. Deze waarheden haddenweinig uitwerking op hen; men kon hen alleen in beweging brengen door den naam van Constantijn. De aanhangers van Nicolaas, die talrijker waren en bovendien beschikten over de keizerlijke artillerie, versloegen hen; de dappere aanvoerders doodden zich zelven of lieten zich dooden; Bestousheff en Mouravieff werden, zwaar gewond, gevangen genomen.Pestel, te Moscou gearresteerd, toonde niet de minste ontroering. Door een vriend gewaarschuwd, had hij hem slechts één woord toegevoegd: “Breng mijn Russisch wetboek in veiligheid.” Dit werk, onder den grond verborgen, werd opgegraven en aan de Commissie in handen geleverd, welke het in haar onderzoek belachelijk trachtte te maken. Men verzekert niettemin, dat de ontwerpers van het wetboek, ’t welk Nicolaas liet vervaardigen, verplicht zijn geweest, verschillende inzichten van Pestel over te nemen. Wat in allen gevalle vaststaat, is, dat zijn boek in het politieke gedeelte, verstandige en humane denkbeelden bevatte. Zoo bijvoorbeeld een billijke ontspanning van de knellende banden, die Rusland verstikken; een milden regeeringsvorm, gelijkende op dien van de Vereenigde Staten; een herstelling van het groote onrecht, dat zoo noodlottig is voor het Russische rijk: de volkomen bevrijding van Polen; uitgebreide vrijheden aan de Joden toe te staan, die, met ontlasting van dit land, de middelen zouden ontvangen om in het Oosten een Staat te stichten.Zoo zaten dus Pestel, Rylejew, de beminnelijke en dappere Alexander Bestousheff, de onverschrokken Mouravieffs, m.a.w. het genie, de deugd, de moed, het ware hart van Rusland, in de onderaardsche cellen van Petersburg. Alleen Puschkin, de groote nationale dichter, ontbrak eraan. Hij behoorde tot de saamgezworenen. Ver van de hoofdstad wonende, wilde hij met hen komen medestrijden, sterven. Onderweg loopt een haas over zijn pad: zijn koetsier houdt stil; zulk een ontmoeting is voor iederen Rus een slecht voorteeken. Puschkin laat hem doorrijden. Hij komt een oudevrouw tegen; nieuwe vertraging: de koetsier wilde niet verder.Als de koetsier eindelijk nog een priester ziet voorbijgaan (het allerongunstigst voorteeken), verlaat hij zijn bok, werpt zich op de knieën en deelt aan zijn meester zijn bijgeloovige vrees meê. De dichter keerde terug, werd gered, maar bleef alleen behouden voor grooter rampen, voor een tragischer levenseind.Het dreigend en verschrikkelijk manifest, dat de czaar den volgenden dag uitvaardigde, was opgesteld, zegt men, door het werktuig der keizerin-weduwe, den levensbeschrijver der Iwan’s, den vader van de school van ’t Schrikbewind, den ouden Karamsin.Zijn leerling en de voortzetter van zijn werk was Bloudow, de secretaris der Enquête-Commissie. Zij werd saamgesteld uit een aantal mannen, wier voorzitter de keizer-zelf was in den persoon van zijnalter ego,16zijn broer grootvorst Michaël. Deze, een hardvochtig en ruw soldaat, doet zich door één enkelen trek kennen. Toen een der saâmgezworenen zijn politiek geloof onverschrokken beleed, merkte de grootvorst kalm op: “Men moest zijn mond door bajonetsteken tot zwijgen brengen.”De uitkomsten door deze geheime rechtspleging, gedurende vijf maanden van verhoor, verkregen, waarbij ongetwijfeld van alle middelen van vreesaanjaging en omkooping gebruik werd gemaakt, zijn door het gouvernement in druk verspreid, tot over geheel Europa.Het spreekt van zelf, dat de eedgenooten worden voorgesteld, of zijallenlafaards en botteriken waren. De openbare aanklager geeft hun ieder oogenblik rijkelijk de beleedigenste benamingen. Zeker van niet tot leugenaar te worden gemaakt, beschuldigt hij het meerendeel van hen van hun bekentenissen telkens te hebben ingetrokken. O, vele onder hen, vooral de saamgezworenen die soldaat waren, Russen van denouden stempel, van hun jeugd af-aan gewoon den keizer te vergoden, zullen uit overtuiging tot hun vroegeren eeredienst zijn teruggekeerd, en in de gebeurtenis van 14 December het oordeel Gods hebben opgemerkt; maar heeft men voor het meerendeel der overigen niet het recht te onderstellen, dat zulke partijdige beoordeelaars het erop hadden aangelegd hen te brandmerken? Wat het ten minste doet gelooven, is dat dit zoo ijverig doorwrochte onderzoek feiten bevat, welke door alle partijen als onwaar zijn erkend, bij voorbeeld valsche dagteekeningen. Het gaat o.a. uit van de onderstelling, dat de saamgezworenen in 1817,—toen Alexander nog zóó bemind was, dat zij hem hebben geraadpleegd en hun plan aan zijn goedkeuring onderwierpen,—! het voornemen hadden den czaar en de keizerlijke familie te dooden.Als men nagaat dat, gedurende zooveel jaren, onder zooveel personen, er niet één verrader was; wanneer men overweegt hoe onverschrokken de aanvoerders waren en hoe hun dood van verheven eenvoud getuigde, hoe kan men dan gelooven, dat zij er behagen in schiepen hun vrienden te verraden, aan de wraak over te leveren?De geschiedenis zal haar zwartste bladzijde openhouden om er de namen der rechters op te schrijven, die, niet tevreden met deze verheven zoenoffers ter slachtbank te voeren, getracht hebben hen in een schotschrift, met den naam van gerechtelijk onderzoek versierd, te onteeren en hun nagedachtenis te vermoorden! Wat zeg ik, hen aan te tasten op een punt, dat dikwijls grootmoedigen méér treft dan de eer-zelve; aan te tasten in wat het leven van het leven dier helden en waarlijk goede menschen was, ik bedoel: in hun vriendschap!Men leze de geestdriftige lofspraak, welke Rylejew, in zijn gedicht, houdt op hem, dien hij aan zijn vaderland voorstelt als held, op zijn jongen vriend Alexander Bestousheff,—en men zal de innige teederheid beseffen die deze groote ziel kenmerkte.Wat zou, in ’s Hemels-naam, Rylejew erbij gewonnen hebben, als hij zijn vrienden had overgeleverd, hij die, van den beginne af-aan, den dood slechts voor zich-alleen eischte, verklarende,dat de 14de December zìjn werk, en hìj er de schepper van was!?Het krachtige en rustige bewustzijn, waarvan Rylejew bij zijn vonnis blijk gaf, is reeds in zijn dichtwerk verkondigd. Door een soort van vóórgevoel had de held zijn lot vermoed, en had hij vooràf zijn doodszang gezongen. “Wat ons in onze droomen een besluit des Hemels scheen te zijn, was nog niet besloten. Geduld! Dat de kolos zijn eene fout nog op de andere stapele, dat hij te kort schiete bij zijn wil de helft van ’t heelal te versmoren! Dat hij zijn gang ga, opgeblazen van trots, een praalvertooning te maken in de stralen der zon... Geduld! De toorn des hemels zal hem niettemin verpletteren...God is de vergelding-zelve!Hij staat niet toe, dat de zonde, eenmaal gezaaid, haar oogst niet zou opleveren.”Inmiddels openbaarde het proces, vijf maanden lang voortgezet, aan de verschrikte gemoederen het eindeloos aantal schuldigen. De keizer had niet het minste besef gehad van het gevaar, dat hem bedreigde. Hij dacht, op den 14 December, dat hij alleen te doen had met enkele aanhangers van Constantijn, en daar onthulde men hem den omvang van een vreeselijke samenzwering, die overal haar vertakkingen had. Geen familie van eenige beteekenis, waarvan ten minste niet een der leden aan het komplot had deelgenomen. Om de waarheid te zeggen: Rusland zelf, althans het denkend Rusland, had het czarendom afgezworen en wilde anders worden. Op welken grondslag verhief zich nu de troon, dien Nicolaas bestegen had? Zweefde hij eigenlijk niet in de lucht? Alleen maar steunende op den onvasten eerbied der lijfeigenen, op hun hoop vroeg of laat bescherming te vinden bij dien onbekenden god, ver weg zetelend en die nooit bescherming verleent!Onder de regeering van Paul, die toch een levendig rechtvaardigheidsgevoel bezat, waren de lijfeigenen, die zich bij hem kwamen beklagen, er slecht aan toe; hij vond de zaak zóó gevaarlijk, dat hij hun meesters liet waarschuwen en de ongelukkigen zelven aan een tuchtiging overleverde. Gedurende de vijf maanden, welke het gerechtelijk onderzoek duurde, zei men in heel Rusland, dat keizer Nicolaas de bevrijding der lijfeigenen zou uitspreken. Zij geloofden het zoo vast, dat zij hun pacht niet meer opbrachten. Zoodra zijn troon bevestigd was, herstelde hij den vroegeren stand van zaken en dwong hen met den sterken arm tot betalen.Wat was er geworden van de regimenten, die deel genomen hadden aan den opstand? Hun lot is een geheim gebleven. Het eene bataillon werd naar den Kaukasus gezonden, een ander naar Siberië. Velen in Rusland zijn er van overtuigd, dat het meerendeel der Finsche regimenten bedolven is in de onderaardsche kerkers van Kroonstad, in vochtige cellen zonder licht en beneden zeepeil. Wat zulke verblijfplaatsen moeten zijn, bij het verschrikkelijk Russisch klimaat, kan men zich voorstellen. Die ongelukkigen—als er ten minste nog van in leven zijn gebleven—hooren al dertig jaar lang de Oostzee boven hun hoofden bruisen, de in vrijheid aanrollende golven en zelfs de rondzwalkende schipbreukelingen benijdend. Denkvermogen en smartgevoel moeten—laat ons het hopen—onder zulke omstandigheden uitgedoofd worden.Van de bekende families werden maar zeer weinig leden gestraft: in ’t geheel honderd twintig. Men wilde de wijde vertakking van ’t kwaad verhelen.Men beefde bij de gedachte, dat die tallooze benden van schuldigen zouden weten, dat zij als zoodanig algemeen bekend waren, en dat zij uit wanhoop zich bij de beweging hadden aangesloten. De keizer liet een groot aantal van hen vóór zich komen, hoorde hen welwillend aan, wilde hen voor onschuldig houden, en liet ze in die voorop gezette meening gaan. IJdele pogingen,er was geen veiligheid of vertrouwen meer! De vrees, eenmaal van den troon weggeslingerd, keerde tot den troon weêr. En zij is er gebleven, en de keizer, van nature reeds gestreng, is, uit wantrouwen, steeds hardvochtiger en onverzoenlijker geworden. De onmogelijkheid zijn werkelijke vijanden te kennen heeft zijn hart verbitterd, gewond, verwilderd. Daar Rusland zonder ondergrond is, heeft het, zooveel het kon, de Russen moeten afbrengen van hun strafmanie, welke hun tweede natuur is geworden. Alles is schuldig: Polen, de Joden, de Katholieken, de Revolutie, Europa... Zoo schrijdt van den 14den December tot aan ònze dagen, gestadig, steeds heftiger, verschrikkelijker, het Russische 179317verder, dat nu al dertig jaren lang voortduurt.Wat op den keizer den diepsten indruk maakte, was zijn samenkomst met Nicolaas Bestousheff. Wij halen dit onderhoud aan uit een zeer Russisch-gezind boek, bizonder partijdig voor den czaar. Hij werd getroffen door de onverschrokkenheid van dezen saâmgezworene, zijn vrijmoedigheid, de juistheid waarmeê hij alle gebreken van het keizerrijk aantoonde. Hij zag hem recht in de oogen, en zei:“Als ik er zeker van was in u voortaan een trouw dienaar te mogen aanschouwen,zouik u vergiffeniskunnenschenken.”—“Wel, sire!” antwoordde Bestousheff, “dat is het juist waar wij ons over beklagen,dat de keízer alles zou kunnen doen. Laat het gerecht zijn loop volgen, en dat het lot uwer onderdanen voortaan alleen van de wètten afhange.”Vijf der schuldig-bevondenen van den 14den December werden veroordeeld om te worden geradbraakt: Pestel, Rylejew, Mouravieff-Apostol, Michaël Bestousheff en Kakhofski.De keizer schonk hun genade, maar droeg er toch zorg voor dat de mindere straf, in de plaats van deradbraking, onteerender zou zijn. Zij moesten gehàngen worden, een ongehoorde straf in Rusland.Alle vijf hielden zich flink.Hun meerendeel verlangde geen priester, zich zelven voldoende gereinigd achtende door het martelaarschap, dat zij voor hun vaderland ondergingen.Pestel verklaarde, dat hij meer dan ooit vast stond in het geloof, neêrgelegd in zijnRussisch Recht.Den 25sten Juli 1826, des nachts te twee uren, werd op den muur der vesting het strafwerktuig, een hooge groote galg, opgericht, waaraan vijf lichamen zouden kunnen bengelen. Zooals bekend is, heerscht er in het Russisch klimaat in Juli geen eigenlijke nacht: de avondschemering gaat ongemerkt in den dageraad over. Men kon alles gewaar worden. De soldaten naderden; er waren weinig toeschouwers; het uur van de terechtstelling was niet bekend gemaakt. Heel Rusland sliep, toen enkelen hun leven voor ’t vaderland opofferden.Om drie uur werden de veroordeelden voorgebracht, aan wie men het leven geschonken had: zij werden gedegradeerd, voor hun oogen werd hun uniform verbrand. In het pak der dwangarbeiders werden zij naar Siberië gezonden.Eindelijk verschenen de vijf ter dood veroordeelden, met groote kappen op, waardoor hun geheele gelaat bedekt werd.Toen zij de treden van het schavot beklommen hadden en zij het koord om hun hals hadden gekregen, zonk de vloer, waarop zij stonden, onder hun voeten weg. Twee werden in hun val gedood. Wat de drie anderen betreft, deze ongelukkigen vielen, terwijl de strop over hun kappen gleed, mèt het valluik en den ladder, in het gapend gat onder de galg. De gehangene, die aan zijn noodlot ontsnapt, moet kwijtschelding verkrijgen, volgens tal van wetten, die al uit de Middeleeuwen dateeren. Maar wie zou de voltrekking van het vonnis hebben durven opschorten? De keizer was niet te Sint-Petersburg, maar in zijn paleis van Tsarko-Selo.Vol kneuzingen, werden zij weêr op de been gebracht. Rylejew, met vasten tred het schavot opnieuw bestijgende, richtte op zachten toon een verwijt tot het noodlot: “Er was bepaald, dat niets mij zou gelukken, zelfs niet de dood.” Een oogenblik later had hij opgehouden te bestaan.Deze groote man had, zegt men, zelf gewenscht te sterven, daar hij voelde dat over zijn edele daad een floers was gespreid. Hij verklaarde dit met zijn eigen woorden: “Ik heb zonder goedkeuring van het Russische volk gehandeld.”Dat sproot voort uit den tijd, was geen fout van den man. Dit volk, in volle duisternis van barbaarschheid, nog minderjarig, een onnoozel kind, was zich zijn eigen instinct niet helder bewust, en kon aan wat het voelde of dacht geen woorden geven. Een middel om het te raadplegen wàs er niet.Wil dit zeggen, dat deze nacht eeuwig moest duren? dat men dit onvermogen, door het te eerbiedigen, voor altijd moest bestendigen? dat men, een volk hebbende, ’twelk zich niet kon uiten, niets moest doen om zijn tong los te maken, het eindelijk zijn eerste woord te doen spreken?Het gewetensbezwaar van Rylejew is begrijpelijk, men voelt het meê. Staande voor het feit, dat hij alleen de intelligentie, de gedachte, het brein vertegenwoordigde van die enorme massa van vijftig millioen menschen, die nog niet konden denken, was hij zelf getroffen door zijn verantwoordelijkheid, en vroeg hij een oogenblik aan God of werkelijk hij, eenvoudig man als hij was en op zich zelf staand wezen, uitverkoren zou zijn het denkbeeld van zijn volk te verwezenlijken.Altijd opmerkelijk gewetensbezwaar, dat de makers van omwentelingen zelden zal belasten en dat ons de oprechtheid van ziel van ’t Russische volk moet doen eeren. Maar, voor de praktijk gaat het te ver.Neen, krachtige geest, twijfel er niet aan: gij zijt op dien dag het geweten van Rusland geweest, zijn profetisch geweten. Wat het eenmaal zal denken, naarmate het zich tot denken zal zetten, openbaarde zich reeds in den geest van Pestel en in het hart van Rylejew. De ziel van Rusland, niet zooals zij zich in haar diepe vernedering te allen tijde heeft doen kennen, maar gelijk zij zich eenmaal zal openbaren, hebt gij verkondigd; gij hadt het rècht te handelen en te spreken in háár naam! Waarom? Omdat gij-zelf Rusland’s ziel waart.En wat heeft uw dood haar niet een dienst bewezen!Totdusver dobberde zij in heel een volk en vermocht zij niets uit te richten. Maar vastgelegd, tot één gebracht in u, hebt gij haar machtig gemaakt en haar kracht gegeven, onder den eenigen vorm, welken heur kindsheid haar toelaat te begrijpen,—in de gedaante van mànnen en martelaren,—vleeschgeworden in uw leven, verheerlijkt in uw dood. Zoodat zij, in plaats van de twijfelachtige schimmen, welke zij had in de heiligen van het verleden, in u de heiligen der heiligen bezit. Zij had uw toespraken niet begrepen, maar zij begrijpt wat van u overblijft des te beter. Gij hebt haar iets gegeven, dat zij voor altijd op het altaar kan plaatsen.1Niet de in onze dagen zoo beroemde Leo T., maar Alexei, gest. 1875.2Een afgodsbeeld met twee aangezichten.3Peter III was keizer in 1762, Paul van 1796–1801. Beiden werden vermoord.4De Bartholomeüsnacht was een te Parijs in 1572 onder de Protestanten aangericht bloedbad. De Ukraine was vroeger een deel van het Poolsche rijk.5Voorstad van Warschau.6Den lateren keizer Alexander I.7Nicolaas I (1825–1855).8Keizerlijk paleis buiten Petersburg.927 Juli 1794: deze dag maakte een einde aan het Schrikbewind.10De opvolger van keizer Alexander.11Tegen Napoleon, 1814.12De schrijver vergist zich: niet Bar-sur-Aube, maar Arcis-sur-Aube was de plaats: Maart 1814.13Dezelfde die inhoofdstuk VIis genoemd.14Grootvorst Nicolaas.15Het was bij den dood van keizer Alexander.16Ander ik.17Het Fransche schrikbewindsjaar.

VII.Van het toenemend Schrikbewind in Rusland.Martelaarschap van Pestel en Rylejew.Het is juist honderd jaar geleden, dat Rusland de doodstraf heeft afgeschaft. Onze wijsgeeren weenden toen tranen van vreugde. Zelfs nu nog stelt een Russisch schrijver, Tolstoï,1er zijn roem in. Gelukkig, menschlievend Rusland, dat alléén op aarde het levend werk van God heeft weten te eerbiedigen, terwijl de Dood nog steeds ten troon verheven is in de goddelooze wetgevingen van het barbaarsche Westen!Men brengt dus niet meer ter dood in Rusland,—men verbant er alleen. Slechts kan het voorkomen, dat de fijn-bewerktuigde mensch, te dicht in de nabijheid van de pool gezonden, er van kou en ellende omkomt. Ja, wat is daartegen te doen?Men brengt niet ter dood,—men verlaagt in rang en stand. Slechts kan daarbij iets voorkomen, als onlangs met een zekeren Paulof gebeurde. De beul, zijn degen boven zijn hoofd in tweeën brekende, deed dit, bij ongeluk, met zooveel kracht, dat hij hem den schedel insloeg.Men brengt niet ter dood,—men ranselt met roeden. De knoet is afgeschaft.Spaar de roede niet aan uw zoon.Het kan echter soms gebeuren, dat de roeden knuppels zijn.Het vonnis der 7000 stokslagen, waarvan wij hierbovengesproken hebben, bevatte deze bespotting, dat,als depatiëntenhet leven behielden, zij in de mijnen moesten gaan werkentot aan het eind van hun leven. Nu sterft men gewoonlijk bij 3 of 4000 slagen.Deze afschuwelijke huichelarij, die men overal in Rusland voelt, is niet de daad van den mensch alleen. Zij is voornamelijk het gevolg van het onoplosbaar vraagstuk, dat aan de regeering is voorgelegd:Door dezelfde wetten de meest barbaarsche en de beschaafdste naties te besturen.Het rijk heeft hierdoor alleen een afschuwelijken Janus2voor zich geschapen, die, als hij naar het Westen ziet, zich zachtzinnig voordoet, terwijl hij naar het Oosten zijn waar gelaat toont, dat van Mongoolsche wreedheid.De woeste stammen van Siberië hebben misschien alleen de juiste opvatting van het bewind, dat boven hen staat. Zij stellen zich den czaar niet voor als een mensch, maar als een tweehoofdig monster, den dubbelen griffioen, half arend, half tijger, dien zij op het Russisch wapen zien.Dáár moet werkelijk het geheim der Russische wreedheid gezocht worden. In deze niet tot één te brengen tweeslachtigheid ligt Ruslands onmacht. Het werpt er verwoede hinderpalen tegen op, om haar te overwinnen, en alle hinderpalen behandelt het als oproer. Maar in dit onrechtvaardig pogen is het Rusland-zelf, dat in opstand komt tegen de natuur.Als deze tweeslachtigheid een heftig en ernstig man op haar pad ontmoet, als Peter III of Paul I,3dan verschijnt ze in haar ware gedaante, als razernij, krankzinnigheid.Krankzinnigheid, niet zoozeer van het individu als van den toestand. Peter de Groote, wat voor een geniehij ook was, vertoont zich niettemin in vele zijner daden als een gek. Rus en barbaar van geboorte, is hij door zijn wil een Europeaan: dus een levende tegenstrijdigheid.Bij Catharina is het juist andersom, daar zij een Duitsche was, die Russin is geworden. Van geestesgesteldheid was zij zeer droog, zeer precies, zeer koud, maar in haar daden geeft ze niettemin het bewijs van het sterkste tegendeel. Als philosofe verdedigt zij in Polen de verdraagzaamheid, maar bewerkt zij tegen de Polen den Bartholomeüsnacht van de Ukraine.4Zij laat de revolutionnairen te Praga5vermoorden, maar haar kleinzoon6door een Zwitserschen revolutionnair opvoeden.Alexander, zóó opgevoed, door zijn moeder een Duitscher, zacht van aard, is van alle keizers juist degeen, onder wien het Russische volk het meest geleden heeft. In zijn dolzinnige onderneming der militaire kolonies, geleid door zijn onmenschelijken gunsteling Araschieff, tastte hij Rusland in het hart aan, in het gezin, in den huiselijken haard.Alzoo, welke de persoonlijke aard der czaren ook moge zijn, de verschrikkelijke regeeringsvorm gaat steeds verder in zijn woeden, ten minste het wordt verfijnder. Alexander, die niet de wreede koelheid van Catharina bezat, heeft niettemin Rusland veel dieper getroffen. Maar wat heeft dit alles te beteekenen in vergelijking met den czaar die thans regeert?7Niemand heeft den dood op zoo groote schaal toegepast, niet op enkele personen, maar op geheele volksstammen. De officiëele cijfers, welke de Russen zelfbekend maken, doen van verbazing de handen ineenslaan. Ongehoorde menschenslachtingen, welke het zwaard niet zou hebben kunnen bewerkstelligen, zijn met behulp van de natuur tot stand gebracht, ik bedoel, door snelle overplantingen van geheele bevolkingen naar moordende luchtstreken.Afstootend en op-zich-zelf-staand schouwspel, zoo’n ver om zich grijpende werkzaamheid van den dood! Behoort een gewelddadige dood dan zoozeer tot de noodzakelijkheden van het leven? Het was nog maar kort geleden, dat de groote uitroeiïng door de Napoleontische oorlogen had opgehouden, toen deze moordende volksverhuizingen begonnen, veel noodlottiger dan veldslagen, en die, in vollen vredestijd, geheele geslachten hebben verdelgd.De keizer gaf in zijn jeugd geen enkel bizonder kenteeken van een woesten aard, geen enkel van barbaarsche afwijkingen, zooals wèl zijn broer Constantijn. Zijn levensbeschrijver Schnitzler merkt alleen op, dat hij een spotzieke neiging had en er behagen in schepte de hovelingen na te bootsen. Hij ontving, onder toezicht van zijn moeder, zijn opvoeding in ’t bizonder van een oude hofdame, gravin Von Lieven, die hem zeker niet op de betere kanten van de menschelijke natuur moet hebben gewezen.Er werd een zeer sterke invloed op de vorstinnen van de keizerlijke familie geoefend door een eerbiedwaardig geleerde, Rus in merg en been, rechtschapen en onbaatzuchtig, den geschiedschrijver Karamsin. Zij hadden hem een woning gegeven in het park van Tsarsko-Selo.8Deze verdienstelijke man, grootgebracht naar den geest der Oudheid, die langen tijd geleefd had in vertrouwelijken omgang met de vroegere czaars, hield van niets zoozeer, bewonderde niets zoozeer als het Schrikbewind en Robespierre. Hij was in 1793 te Parijs geweest, en had er een groote voldoeningvan meêgenomen. Toen hij van den 9en Thermidor9vernam, smolt hij in tranen weg. Al zijn streven bij Alexander, in overeenstemming met de vorstinnen, was hem af te houden van zijn zwak voor ’t liberalisme.Bij dezen invloed voegde zich een andere, die sterk op de Russische groote wereld inwerkte, die van de Maistre. Dank zij dezen uitnemenden schrijver leerde Rusland, als uit den mond van Frankrijk, dat het despotisme, waarover het zich ontschuldigde, juist het ideaal was der menschelijke samenleving. Hoewel Alexander de Maistre voor korten tijd verwijderd had, werd zijn invloed steeds grooter, en deSoirées de Saint-Petersbourg(1822) voerden dien ten toppunt. Zijn paradoxale stelling over den lof van den beul,van dit levend wonder, totdusver te zeer miskend, maakte een diepen indruk. Nicolaas10was 26 jaar. Dit boek moest het zaad, door Karamsin uitgestrooid, welig bij hem doen ontkiemen.Tegen deze vreemde leeringen van de absolute willekeur kwam evenwel een geheiligde macht in verzet die nooit sterft: de Wet, de Rechtvaardigheid. De wetgevende proefnemingen van Catharina werden door Alexander weêr hervat. Hij zocht, bij de gevaren waarin hij verkeerde, een versterking in de wetten. Speranski begon in 1808 het Russisch recht te verzamelen. Maar jonge, energieke mannen bepaalden zich niet tot bijeenbrengen: zij wilden dat dit recht iets levends werd, dat het een ziel had. Voor een van hen doemde het denkbeeld op een wèrkelijk Russisch wetboek saam te stellen, gegrondvest op de vrijheid.Pestel, zoo heette hij, was een man van genie, practisch, heelemaal geen utopist. Hij schiep zich geen hersenschimmig Rusland. Hij nam het zooals het is, communistisch, en liet het zoo. Hij onderstelde, dat, door de gemeente te versterken, te bevrijden en doorhaar heur beginsel (de bodem het eigendom van den bebouwer) in toepassing te doen brengen, men het allereerste bestanddeel, het oorspronkelijke molecuul van de Republiek bezat; dat, opklimmende naar het arrondissement (de gemeente vàn de gemeenten), naar de provincie, en eindelijk tot het centrum, men van het Russisch element gemaklijker kon komen tot het republikeinsch bestuur dan tot het Tartaarsche czarendom of het Duitsche keizerschap.Deze jonge man, toen nog luitenant, doch die als kolonel stierf, maakte den veldtocht in Frankrijk meê,11en gaf er het bewijs van een hooggestemd gevoel voor menschelijkheid en recht. Te Bar-sur-Aube12gekomen, zag hij hoe Beiersche soldaten de inwoners mishandelden, en zonder te onderzoeken of deze Duitschers ook Russische bondgenooten waren, stormde hij met zijn getrouwen op hen los.Alexander had juist in dien tijd aan de wereld het zonderlinge schouwspel geschonken van een vrijzinnigen czaar. De vrienden van Pestel werden daardoor om den tuin geleid. Zij vertrouwden kort daarop hun verbeteringsplannen juist aan Alexander. Zij kwamen er een weinig laat meê; Alexander was onder de macht gekomen van de mystieke mevrouw Krüdener; hij was geen keizer meer, maar een heilige geworden. Hij had den ouden mensch afgeschud, en, tegelijk ermede, elke herinnering aan gedane beloften en gewekte verwachtingen uit de dagen van zijn gevaar. Hij hoorde hen welwillend aan, werd bewogen, weende, en zei hun dat voor zulke schoone zaken de maatschappij nog niet rijp was.Ziende dat hij alles uitstelde tot het hemelsch Jerusalem, namen zij den schijn aan van hun vereeniging te ontbinden, maar sloten zich heimelijk hechter aaneen. Negen jaar lang hebben ze aan haar uitbreidinggewerkt. Zoozeer lag zij in den geest en de noodzakelijkheid van den tijd, dat de deelhebbers tot de ontdekking kwamen van drie soortgelijke vereenigingen, die van elkanders bestaan niets afwisten. De eene (de Ridders, verhelpers van misstanden) was Russisch. Een tweede (de Onafhankelijkheid) was Poolsch. Een derde omvatte Rusland, Polen, àlle Slavische landen, en droeg den naam vanVereenigde Slaven.Alle drie traden zij in nadere betrekking tot elkander en kwamen ze tot overeenstemming. Twee punten alleen brachten verdeeldheid in de groote Russische maatschappij: de bevrijding van Polen en de vrijmaking der lijfeigenen. Om der billijkheidswil moet gezegd worden, dat de stichters der vereenigingen hieromtrent niet aarzelden. Zelve hadden zij elke lichamelijke kastijding van hun lijfeigenen afgeschaft. Zij wilden den boer vrijmaken en hem den grond, dien hij bebouwde, in eigendom afstaan: d.w.z. dat zij hun leven in de waagschaal stelden voor de zegepraal van een denkbeeld, dat, als het verwezenlijkt werd, hun in de eerste plaats hun vermogen zou gekost hebben.De stichters, onsterfelijker nagedachtenisse, waren, voor de Zuidelijke vertakking der vereeniging, Pestel, inmiddels tot kolonel bevorderd, en de Mouravieff’s, ook officieren; voor het Noorden waren het Rylejew, de Bestousheff’s, prins Obolenski en sommige anderen.Welke bron men ook raadpleegt, het staat vast door aller getuigenissen, dat Rylejew een der verhevenste karakters is, welke de geschiedenis ons te aanschouwen geeft. Militair, daarna beambte bij het Amerikaansch Genootschap, dat te Sint-Petersburg gevestigd was, had hij het niet beneden zijn waardigheid geacht den onbezoldigden post van secretaris bij de lijfstraffelijke rechtbank te aanvaarden; een daad, zooals alleen een uitstekend burger die kan verrichten, in een land van louter omkoopbaren, waar het van belang was dat deze betrekking niet in onwaardige handen viel. Rylejew was een dichter, men leest nogaltijd met tranen in de oogen zijn profetisch poëem, waarin hij zich zelf onder den naam van Mazeppa verpersoonlijkt: het op een wild, onstuimig ros vastgebonden slachtoffer, dat, naar de woeste steppen meêgesleurd, er verlaten en eenzaam moest omkomen.Het eerst van alle Russen schreef Rylejew in dit gedicht het woord, nog zoo weinig begrijpelijk voor de àndere Russen van toen, maar verheven, heilig voor de toekomst... “Vóór alles ben ik burger.”Hij was een zachtzinnig man, vol menschenliefde, en toch heldhaftig. Welke moeite het gerechtelijk onderzoek zich ook gaf om een ander licht op zijn karakter te doen schijnen, het blijft een onomstootelijk feit, dat hij, ziende hoe een der saamgezworenen het vaste plan had opgevat keizer Alexander te vermoorden, hem bad zijn voornemen ten minste uit te stellen, het hem op zijn knieën bezwoer, en, toen hij onwrikbaar bleek, hem toevoegde: “dan zal ik jou veeleer dooden.”Met zulke waardige aanvoerders, was het ongeluk der saamgezworenen, dat zij zich niet nauwer onder elkander aansloten, dat zij aan andere invloeden gehoorzaamden, en hun vereeniging te vèr uitstrekten.De hoofden van een ander eedgenootschap, die zij tot het hunne hadden toegelaten: Michaël Orloff met enkele zijner medestanders, verzochten en kregen ook gedaan, dat boven Rylejew, wiens werkkring niet heel hoog aangeschreven stond, en boven Pestel, dien men voor te geslepen en te eerzuchtig hield, een dictator benoemd werd. Men koos een man van hoogen rang, uit een geslacht, dat indertijd den troon aan de Romanow’s betwist had. Het was een prins Troubetskoi,13zachtzinnig, zwak, besluiteloos, juist de persoon die er voor aangelegd scheen een dergelijke onderneming te doen mislukken. Zij, die hem deden benoemen, wilden door de omwenteling alleen een oligarchie van groote heeren vestigen, en vreesden bovenal een energiek leider.Wij zullen nooit de verbazing van Europa in 1825 vergeten, toen men in de couranten las, dat noch Constantijn, noch zijn broer,14keizer wilden zijn.15Zij bleven de een voor den ander tegenover deze bloedige kroon en dien troon van vuur staan, zonder er met den vinger aan te durven ráken. In dit land van broedermoord scheen elk van beide, daartoe door den ander aangezet, de uitnoodiging tot opvolging te beschouwen als een oproep tot den dood. Hun houding was werkelijk ernstig gemeend. Constantijn, koning van Polen, gehuwd met een Poolsche, was sedert 1822 bezweken voor de tranen van zijn vrouw en had reeds van tevoren van de opvolging afstand gedaan. Nicolaas, wien dit niet onbekend kon zijn, laat niettemin zijn broer tot keizer uitroepen en den eed van trouw aan hem afleggen. Daarop doet Constantijn opnieuw afstand en volhardt hierbij; de senaat roept nu Nicolaas uit. Dit geschiedt met gesloten deuren, om twee uur in den nacht. Geen verklaring aan het volk, noch aan het leger. Men beschikt over het laatste als over een kudde; het heeft den eed al eenmaal gezworen, en men laat het daarop het tegendeel bezweren.Men wordt door medelijden aangegrepen, als men de onzekerheid ziet, den volslagen moreelen nacht, waarin de eerlijke ziel van den Russischen soldaat door zijn chefs gelaten wordt. De eenen, aanhangers van Nicolaas, waagden het niet hem in te lichten over den veranderden toestand. De anderen, de saamgezworenen, geen kans ziende hem de begrippen van vrijheid te doen vatten, deden hem gelooven dat Constantijn, aan wien hij trouw gezworen had, de werkelijke czaar was, en hen zou straffen, die naar Nicolaas overliepen. Vervuld van schroom en vrees, bleven die beklagenswaardige lieden voor ’t meerendeel werkeloos, roerloos. Sommigen werden slechts meêgesleept door den drangvan hun goeie hart en van hun menschelijkheid, toen zij van ontslaggevingen hoorden en men hun zei, dat hun kameraden vermoord werden.De keizer had het paleis en de citadel gevuld met troepen, die van alle gemeenschap waren uitgesloten. Om zich des te beter te verzekeren van die in het paleis waren, gaf hij zijn zoon, een mooi kind van acht jaar, in hun macht. Ze ontvingen hem met tranen in de oogen, en ofschoon zij behoorden tot de Finsche troepen, die in den opstand waren betrokken, betoonden zij zich onwrikbaar in hun trouw.De saamgezworenen brachten alleen aan hun zij het regiment van Finland, dat als vréémd stond tegenover Rusland en het tegen wil en dank dient; het regiment van Moscou; het corps garde-mariniers, en de gardegrenadiers, deze laatste niet dan na groote moeite, na eenkortstondigmaar hevig gevecht, waarin de Bestousheff’s de officieren van Nicolaas neêrsabelden en het vaandel veroverden.Zij plantten het op het onmetelijk plein, zeggen we liever de vlakte van Sint-Isaäc, en vatten post achter het standbeeld van Peter den Grooten. Er waren een groot aantal niet-militaire saamgezworenen, tot de tanden gewapend, nog meer nieuwsgierigen en heel veel volk, maar die alle als verzonken in dit uittermate groote veld. Zij haalden de beide kolonels, de militaire hoofden van den opstand, Troubetskoi en Boulatoff. Maar noch de een, noch de ander verscheen. Boulatoff bleef zelfs den geheelen dag bij het escorte van den keizer, in zijn onmiddellijke omgeving, ’t zij omdat hij nog niet besloten was, ’t zij, zooals hij later pochte, dat hij zich dáár bevond om hem te dooden, zoodra hij zijn moed zou zien verflauwen. Wat Troubetskoi betreft, die zijn hoofd verloren had, hij liet alles in den steek, zoowel de aanvoering van den opstand, als de zorg voor zijn papieren, welke zooveel mannen in het verderf zouden storten. Hij zocht zijn toevlucht bij een vrouw, zijn schoonmoeder; daarop bij den Oostenrijkschen ambassadeur; eindelijk bij den keizerzelven, te midden van diens generalen staf, als een verdoolde haas, die een schuilplaats tracht te vinden bij de honden, die hem najagen.Het burgerhoofd van den opstand, Rylejew betoonde zich flinker dan de beide militaire chefs. Hij verscheen op het plein, maar zocht hen tevergeefs. Het geringe aantal der troepen in opstand gaf weinig hoop. Sommigen gaven hem den raad een leger te scheppen, aan den opstand toe te voegen een massa gering volk, dat daar aanwezig was. Daarvoor zou het voldoende zijn, als hij hun de herbergen liet plunderen. Dit zou echter nauwelijks gebeurd zijn, of het volk zou tot een algemeene plundering overgaan, tot een moord op groote schaal van de politie, aan welke het een doodelijken haat had. Deze wanordelijkheden zouden een onverwachten tegenaanval ten gevolge hebben, daar Nicolaas genoodzaakt zou zijn geworden de moordenaars te doen vermoorden. Maar Rylejew weigerde van dit verschrikkelijk middel gebruik te maken. Van dit oogenblikaf aanwas gemakkelijk te voorzien, wat gebeuren zou. De opstandelingen, teruggedrongen tegen het paleis van den Senaat, aan den uithoek van een ontzaglijk plein gelegen, moesten onvermijdelijk worden weggevaagd door het geweervuur, neêrgesabeld door de cavalerie. Rylejew verliet het plein; hij zocht geen toevluchtsoord, hij ging naar zijn huis terug en wachtte er den dood af.De keizer, bleek en ontdaan, zooals een ooggetuige zegt, toonde niettemin veel moed. Aan het hoofd van de garde-te-paard reed hij voorwaarts en ontmoette detachementen, welke zich tot de opstandelingen begaven. “Dag, mijn kinderen!” riep hij hun volgens keizerlijke gewoonte toe. “Hoera voor Constantijn!” was hun eenig antwoord. Men beweert eenstemmig, dat hij zich flink hield en van geen verwarring blijk gaf. En wat zei hij hierop? Ja, dit weet men niet bepaald zeker. Twee lezingen worden gegeven: de een door den heer Schnitzler, die het geval bijwoonde, de ander door den heer de Custine, aan wien de keizerzelf de zaak heeft verteld. Het waarschijnlijkst van beide is, dat hij met luidklinkende stem zou gezegd hebben: “Rechts zwenken, marsch!” De soldaten zouden automatisch gehoorzaamd hebben.De korte Decemberdag ging op deze wijs voorbij, zonder dat de opstandelingen hun beide kolonels zagen verschijnen. Hun aantal verminderde. Het regiment van Moscou kwam tot andere gedachten en liet zijn makkers in den steek. Zij, die stand hielden, betoonden zich zeer flink. Zonder zich te verontrusten over de artillerie, welke men den keizer tot versterking had gezonden en die hen zou neerschieten, wezen zij elke poging tot verzoening van de hand, uitroepende: “Leve Constantijn!levede Constitutie!” Dit laatste woord, verre van de hunnen aan te vuren, zooals men meende dat moest, wierp den soldaat veeleer in de onzekerheid: “Wat beteekent datConstitoutzia?” vroeg hij. “Is dat de vrouw van den keizer?”De gouverneur van Petersburg, de dappere Miloradovitsch, die eenige opstandelingen met mooie woorden van hun vrienden had losgemaakt, om ze daarna in de citadel op te sluiten, waagde het naderbij te komen, rekenende op de oude aanhankelijkheid der soldaten. “Verrader,” zeiden de saamgezworenen, “je bent hier niet achter de coulissen van den schouwburg. (Hij was een aanbidder van actrices en danseressen). Wat heb-je met onze kameraden uitgehangen?” Obolenski stak met zijn bajonet naar de borst van zijn paard, en Kakhofski velde het met een pistoolschot. Deze laatste, die erg opgewonden was en die zich sterk gemaakt had den keizer te dooden, dacht dat hij nog al vast in zijn schoenen stond; maar toen hij nòg eens geschoten had en kolonel Sturler gedood, kwam zijn hart boven. “Weêr een op mijn geweten!” riep hij uit, en hij wierp zijn pistool verre van zich.De indruk, dien de zeelui ontvingen, was dezelfde, toen een hunner aanlegde op grootvorst Michaël. ’t Zij uit eerbied, ’t zij uit goedhartigheid, zij sloegen zijn arm neêr en deden het schot missen.Inmiddels naderden, met groote praal, het kruis ter hand, de metropolitanen van Petersburg en Kiew, door den keizer gezonden. Toen kon men gewaar worden hoe weinig de Rus, met al zijn uiterlijke vroomheid, in groote omstandigheden, onder den invloed geraakt van wat heilig is bij zijn eeredienst; hoe weinig achting hij heeft voor zijn priesters, die—het moet erkend worden—ook weinig achtenswaard zijn. Zij werden door de soldaten ontvangen met gejouw, en hun stem werd gesmoord door tromgeroffel.Dit had men verwacht. Na God aan zijn zij geplaatst te hebben, liet de keizer, die zich in zijn paleis teruggetrokken had, het gevecht beginnen. Zijn troepen waren van te voren natuurlijk reeds overwinnaars. Zij hadden niets anders te doen, dan het artillerievuur maar te laten spelen. Grootvorst Michaël, vreezende dat zijn artilleristen er een gewetenszaak uit zouden maken op hun arme landgenooten te vuren, gaf zelf het voorbeeld door het eerste schot te lossen. Daar op korten afstand geschoten werd, richtten de kogels een afschuwelijke slachting aan. Er werd ongeveer tien maal een aanval gedaan, en wie toen nog overbleven, zochten hun heil in de vlucht, achtervolgd door de cavalerie, waarvan een detachement hen van achteren aanviel. Men weet niet hoevelen er omgekomen zijn; de lijken werden onmiddellijk geworpen in openingen, die men in het dikke ijs maakte, waarmeê de Newa bedekt was.De saamgezworenen van het Zuiden hadden geen beter lot. Een der Bestousheff’s en de gebroeders Mouravieff, onverschrokken en vol geestdrift, waren niet verwonderd over de lusteloosheid, waarvan de meesten hunner medeverbondenen blijk gaven. Zij wendden zich daarom tot de soldaten en lieten hun in een kerk, door een priester nog al, een republikeinsche geloofsbelijdenis voorlezen, die Bestousheff saamgesteld had uit allerlei bijbelteksten. Er werd in verteld, dat alle menschen gelijk zijn en dat de slavernij een misdaad is jegens God. Deze waarheden haddenweinig uitwerking op hen; men kon hen alleen in beweging brengen door den naam van Constantijn. De aanhangers van Nicolaas, die talrijker waren en bovendien beschikten over de keizerlijke artillerie, versloegen hen; de dappere aanvoerders doodden zich zelven of lieten zich dooden; Bestousheff en Mouravieff werden, zwaar gewond, gevangen genomen.Pestel, te Moscou gearresteerd, toonde niet de minste ontroering. Door een vriend gewaarschuwd, had hij hem slechts één woord toegevoegd: “Breng mijn Russisch wetboek in veiligheid.” Dit werk, onder den grond verborgen, werd opgegraven en aan de Commissie in handen geleverd, welke het in haar onderzoek belachelijk trachtte te maken. Men verzekert niettemin, dat de ontwerpers van het wetboek, ’t welk Nicolaas liet vervaardigen, verplicht zijn geweest, verschillende inzichten van Pestel over te nemen. Wat in allen gevalle vaststaat, is, dat zijn boek in het politieke gedeelte, verstandige en humane denkbeelden bevatte. Zoo bijvoorbeeld een billijke ontspanning van de knellende banden, die Rusland verstikken; een milden regeeringsvorm, gelijkende op dien van de Vereenigde Staten; een herstelling van het groote onrecht, dat zoo noodlottig is voor het Russische rijk: de volkomen bevrijding van Polen; uitgebreide vrijheden aan de Joden toe te staan, die, met ontlasting van dit land, de middelen zouden ontvangen om in het Oosten een Staat te stichten.Zoo zaten dus Pestel, Rylejew, de beminnelijke en dappere Alexander Bestousheff, de onverschrokken Mouravieffs, m.a.w. het genie, de deugd, de moed, het ware hart van Rusland, in de onderaardsche cellen van Petersburg. Alleen Puschkin, de groote nationale dichter, ontbrak eraan. Hij behoorde tot de saamgezworenen. Ver van de hoofdstad wonende, wilde hij met hen komen medestrijden, sterven. Onderweg loopt een haas over zijn pad: zijn koetsier houdt stil; zulk een ontmoeting is voor iederen Rus een slecht voorteeken. Puschkin laat hem doorrijden. Hij komt een oudevrouw tegen; nieuwe vertraging: de koetsier wilde niet verder.Als de koetsier eindelijk nog een priester ziet voorbijgaan (het allerongunstigst voorteeken), verlaat hij zijn bok, werpt zich op de knieën en deelt aan zijn meester zijn bijgeloovige vrees meê. De dichter keerde terug, werd gered, maar bleef alleen behouden voor grooter rampen, voor een tragischer levenseind.Het dreigend en verschrikkelijk manifest, dat de czaar den volgenden dag uitvaardigde, was opgesteld, zegt men, door het werktuig der keizerin-weduwe, den levensbeschrijver der Iwan’s, den vader van de school van ’t Schrikbewind, den ouden Karamsin.Zijn leerling en de voortzetter van zijn werk was Bloudow, de secretaris der Enquête-Commissie. Zij werd saamgesteld uit een aantal mannen, wier voorzitter de keizer-zelf was in den persoon van zijnalter ego,16zijn broer grootvorst Michaël. Deze, een hardvochtig en ruw soldaat, doet zich door één enkelen trek kennen. Toen een der saâmgezworenen zijn politiek geloof onverschrokken beleed, merkte de grootvorst kalm op: “Men moest zijn mond door bajonetsteken tot zwijgen brengen.”De uitkomsten door deze geheime rechtspleging, gedurende vijf maanden van verhoor, verkregen, waarbij ongetwijfeld van alle middelen van vreesaanjaging en omkooping gebruik werd gemaakt, zijn door het gouvernement in druk verspreid, tot over geheel Europa.Het spreekt van zelf, dat de eedgenooten worden voorgesteld, of zijallenlafaards en botteriken waren. De openbare aanklager geeft hun ieder oogenblik rijkelijk de beleedigenste benamingen. Zeker van niet tot leugenaar te worden gemaakt, beschuldigt hij het meerendeel van hen van hun bekentenissen telkens te hebben ingetrokken. O, vele onder hen, vooral de saamgezworenen die soldaat waren, Russen van denouden stempel, van hun jeugd af-aan gewoon den keizer te vergoden, zullen uit overtuiging tot hun vroegeren eeredienst zijn teruggekeerd, en in de gebeurtenis van 14 December het oordeel Gods hebben opgemerkt; maar heeft men voor het meerendeel der overigen niet het recht te onderstellen, dat zulke partijdige beoordeelaars het erop hadden aangelegd hen te brandmerken? Wat het ten minste doet gelooven, is dat dit zoo ijverig doorwrochte onderzoek feiten bevat, welke door alle partijen als onwaar zijn erkend, bij voorbeeld valsche dagteekeningen. Het gaat o.a. uit van de onderstelling, dat de saamgezworenen in 1817,—toen Alexander nog zóó bemind was, dat zij hem hebben geraadpleegd en hun plan aan zijn goedkeuring onderwierpen,—! het voornemen hadden den czaar en de keizerlijke familie te dooden.Als men nagaat dat, gedurende zooveel jaren, onder zooveel personen, er niet één verrader was; wanneer men overweegt hoe onverschrokken de aanvoerders waren en hoe hun dood van verheven eenvoud getuigde, hoe kan men dan gelooven, dat zij er behagen in schiepen hun vrienden te verraden, aan de wraak over te leveren?De geschiedenis zal haar zwartste bladzijde openhouden om er de namen der rechters op te schrijven, die, niet tevreden met deze verheven zoenoffers ter slachtbank te voeren, getracht hebben hen in een schotschrift, met den naam van gerechtelijk onderzoek versierd, te onteeren en hun nagedachtenis te vermoorden! Wat zeg ik, hen aan te tasten op een punt, dat dikwijls grootmoedigen méér treft dan de eer-zelve; aan te tasten in wat het leven van het leven dier helden en waarlijk goede menschen was, ik bedoel: in hun vriendschap!Men leze de geestdriftige lofspraak, welke Rylejew, in zijn gedicht, houdt op hem, dien hij aan zijn vaderland voorstelt als held, op zijn jongen vriend Alexander Bestousheff,—en men zal de innige teederheid beseffen die deze groote ziel kenmerkte.Wat zou, in ’s Hemels-naam, Rylejew erbij gewonnen hebben, als hij zijn vrienden had overgeleverd, hij die, van den beginne af-aan, den dood slechts voor zich-alleen eischte, verklarende,dat de 14de December zìjn werk, en hìj er de schepper van was!?Het krachtige en rustige bewustzijn, waarvan Rylejew bij zijn vonnis blijk gaf, is reeds in zijn dichtwerk verkondigd. Door een soort van vóórgevoel had de held zijn lot vermoed, en had hij vooràf zijn doodszang gezongen. “Wat ons in onze droomen een besluit des Hemels scheen te zijn, was nog niet besloten. Geduld! Dat de kolos zijn eene fout nog op de andere stapele, dat hij te kort schiete bij zijn wil de helft van ’t heelal te versmoren! Dat hij zijn gang ga, opgeblazen van trots, een praalvertooning te maken in de stralen der zon... Geduld! De toorn des hemels zal hem niettemin verpletteren...God is de vergelding-zelve!Hij staat niet toe, dat de zonde, eenmaal gezaaid, haar oogst niet zou opleveren.”Inmiddels openbaarde het proces, vijf maanden lang voortgezet, aan de verschrikte gemoederen het eindeloos aantal schuldigen. De keizer had niet het minste besef gehad van het gevaar, dat hem bedreigde. Hij dacht, op den 14 December, dat hij alleen te doen had met enkele aanhangers van Constantijn, en daar onthulde men hem den omvang van een vreeselijke samenzwering, die overal haar vertakkingen had. Geen familie van eenige beteekenis, waarvan ten minste niet een der leden aan het komplot had deelgenomen. Om de waarheid te zeggen: Rusland zelf, althans het denkend Rusland, had het czarendom afgezworen en wilde anders worden. Op welken grondslag verhief zich nu de troon, dien Nicolaas bestegen had? Zweefde hij eigenlijk niet in de lucht? Alleen maar steunende op den onvasten eerbied der lijfeigenen, op hun hoop vroeg of laat bescherming te vinden bij dien onbekenden god, ver weg zetelend en die nooit bescherming verleent!Onder de regeering van Paul, die toch een levendig rechtvaardigheidsgevoel bezat, waren de lijfeigenen, die zich bij hem kwamen beklagen, er slecht aan toe; hij vond de zaak zóó gevaarlijk, dat hij hun meesters liet waarschuwen en de ongelukkigen zelven aan een tuchtiging overleverde. Gedurende de vijf maanden, welke het gerechtelijk onderzoek duurde, zei men in heel Rusland, dat keizer Nicolaas de bevrijding der lijfeigenen zou uitspreken. Zij geloofden het zoo vast, dat zij hun pacht niet meer opbrachten. Zoodra zijn troon bevestigd was, herstelde hij den vroegeren stand van zaken en dwong hen met den sterken arm tot betalen.Wat was er geworden van de regimenten, die deel genomen hadden aan den opstand? Hun lot is een geheim gebleven. Het eene bataillon werd naar den Kaukasus gezonden, een ander naar Siberië. Velen in Rusland zijn er van overtuigd, dat het meerendeel der Finsche regimenten bedolven is in de onderaardsche kerkers van Kroonstad, in vochtige cellen zonder licht en beneden zeepeil. Wat zulke verblijfplaatsen moeten zijn, bij het verschrikkelijk Russisch klimaat, kan men zich voorstellen. Die ongelukkigen—als er ten minste nog van in leven zijn gebleven—hooren al dertig jaar lang de Oostzee boven hun hoofden bruisen, de in vrijheid aanrollende golven en zelfs de rondzwalkende schipbreukelingen benijdend. Denkvermogen en smartgevoel moeten—laat ons het hopen—onder zulke omstandigheden uitgedoofd worden.Van de bekende families werden maar zeer weinig leden gestraft: in ’t geheel honderd twintig. Men wilde de wijde vertakking van ’t kwaad verhelen.Men beefde bij de gedachte, dat die tallooze benden van schuldigen zouden weten, dat zij als zoodanig algemeen bekend waren, en dat zij uit wanhoop zich bij de beweging hadden aangesloten. De keizer liet een groot aantal van hen vóór zich komen, hoorde hen welwillend aan, wilde hen voor onschuldig houden, en liet ze in die voorop gezette meening gaan. IJdele pogingen,er was geen veiligheid of vertrouwen meer! De vrees, eenmaal van den troon weggeslingerd, keerde tot den troon weêr. En zij is er gebleven, en de keizer, van nature reeds gestreng, is, uit wantrouwen, steeds hardvochtiger en onverzoenlijker geworden. De onmogelijkheid zijn werkelijke vijanden te kennen heeft zijn hart verbitterd, gewond, verwilderd. Daar Rusland zonder ondergrond is, heeft het, zooveel het kon, de Russen moeten afbrengen van hun strafmanie, welke hun tweede natuur is geworden. Alles is schuldig: Polen, de Joden, de Katholieken, de Revolutie, Europa... Zoo schrijdt van den 14den December tot aan ònze dagen, gestadig, steeds heftiger, verschrikkelijker, het Russische 179317verder, dat nu al dertig jaren lang voortduurt.Wat op den keizer den diepsten indruk maakte, was zijn samenkomst met Nicolaas Bestousheff. Wij halen dit onderhoud aan uit een zeer Russisch-gezind boek, bizonder partijdig voor den czaar. Hij werd getroffen door de onverschrokkenheid van dezen saâmgezworene, zijn vrijmoedigheid, de juistheid waarmeê hij alle gebreken van het keizerrijk aantoonde. Hij zag hem recht in de oogen, en zei:“Als ik er zeker van was in u voortaan een trouw dienaar te mogen aanschouwen,zouik u vergiffeniskunnenschenken.”—“Wel, sire!” antwoordde Bestousheff, “dat is het juist waar wij ons over beklagen,dat de keízer alles zou kunnen doen. Laat het gerecht zijn loop volgen, en dat het lot uwer onderdanen voortaan alleen van de wètten afhange.”Vijf der schuldig-bevondenen van den 14den December werden veroordeeld om te worden geradbraakt: Pestel, Rylejew, Mouravieff-Apostol, Michaël Bestousheff en Kakhofski.De keizer schonk hun genade, maar droeg er toch zorg voor dat de mindere straf, in de plaats van deradbraking, onteerender zou zijn. Zij moesten gehàngen worden, een ongehoorde straf in Rusland.Alle vijf hielden zich flink.Hun meerendeel verlangde geen priester, zich zelven voldoende gereinigd achtende door het martelaarschap, dat zij voor hun vaderland ondergingen.Pestel verklaarde, dat hij meer dan ooit vast stond in het geloof, neêrgelegd in zijnRussisch Recht.Den 25sten Juli 1826, des nachts te twee uren, werd op den muur der vesting het strafwerktuig, een hooge groote galg, opgericht, waaraan vijf lichamen zouden kunnen bengelen. Zooals bekend is, heerscht er in het Russisch klimaat in Juli geen eigenlijke nacht: de avondschemering gaat ongemerkt in den dageraad over. Men kon alles gewaar worden. De soldaten naderden; er waren weinig toeschouwers; het uur van de terechtstelling was niet bekend gemaakt. Heel Rusland sliep, toen enkelen hun leven voor ’t vaderland opofferden.Om drie uur werden de veroordeelden voorgebracht, aan wie men het leven geschonken had: zij werden gedegradeerd, voor hun oogen werd hun uniform verbrand. In het pak der dwangarbeiders werden zij naar Siberië gezonden.Eindelijk verschenen de vijf ter dood veroordeelden, met groote kappen op, waardoor hun geheele gelaat bedekt werd.Toen zij de treden van het schavot beklommen hadden en zij het koord om hun hals hadden gekregen, zonk de vloer, waarop zij stonden, onder hun voeten weg. Twee werden in hun val gedood. Wat de drie anderen betreft, deze ongelukkigen vielen, terwijl de strop over hun kappen gleed, mèt het valluik en den ladder, in het gapend gat onder de galg. De gehangene, die aan zijn noodlot ontsnapt, moet kwijtschelding verkrijgen, volgens tal van wetten, die al uit de Middeleeuwen dateeren. Maar wie zou de voltrekking van het vonnis hebben durven opschorten? De keizer was niet te Sint-Petersburg, maar in zijn paleis van Tsarko-Selo.Vol kneuzingen, werden zij weêr op de been gebracht. Rylejew, met vasten tred het schavot opnieuw bestijgende, richtte op zachten toon een verwijt tot het noodlot: “Er was bepaald, dat niets mij zou gelukken, zelfs niet de dood.” Een oogenblik later had hij opgehouden te bestaan.Deze groote man had, zegt men, zelf gewenscht te sterven, daar hij voelde dat over zijn edele daad een floers was gespreid. Hij verklaarde dit met zijn eigen woorden: “Ik heb zonder goedkeuring van het Russische volk gehandeld.”Dat sproot voort uit den tijd, was geen fout van den man. Dit volk, in volle duisternis van barbaarschheid, nog minderjarig, een onnoozel kind, was zich zijn eigen instinct niet helder bewust, en kon aan wat het voelde of dacht geen woorden geven. Een middel om het te raadplegen wàs er niet.Wil dit zeggen, dat deze nacht eeuwig moest duren? dat men dit onvermogen, door het te eerbiedigen, voor altijd moest bestendigen? dat men, een volk hebbende, ’twelk zich niet kon uiten, niets moest doen om zijn tong los te maken, het eindelijk zijn eerste woord te doen spreken?Het gewetensbezwaar van Rylejew is begrijpelijk, men voelt het meê. Staande voor het feit, dat hij alleen de intelligentie, de gedachte, het brein vertegenwoordigde van die enorme massa van vijftig millioen menschen, die nog niet konden denken, was hij zelf getroffen door zijn verantwoordelijkheid, en vroeg hij een oogenblik aan God of werkelijk hij, eenvoudig man als hij was en op zich zelf staand wezen, uitverkoren zou zijn het denkbeeld van zijn volk te verwezenlijken.Altijd opmerkelijk gewetensbezwaar, dat de makers van omwentelingen zelden zal belasten en dat ons de oprechtheid van ziel van ’t Russische volk moet doen eeren. Maar, voor de praktijk gaat het te ver.Neen, krachtige geest, twijfel er niet aan: gij zijt op dien dag het geweten van Rusland geweest, zijn profetisch geweten. Wat het eenmaal zal denken, naarmate het zich tot denken zal zetten, openbaarde zich reeds in den geest van Pestel en in het hart van Rylejew. De ziel van Rusland, niet zooals zij zich in haar diepe vernedering te allen tijde heeft doen kennen, maar gelijk zij zich eenmaal zal openbaren, hebt gij verkondigd; gij hadt het rècht te handelen en te spreken in háár naam! Waarom? Omdat gij-zelf Rusland’s ziel waart.En wat heeft uw dood haar niet een dienst bewezen!Totdusver dobberde zij in heel een volk en vermocht zij niets uit te richten. Maar vastgelegd, tot één gebracht in u, hebt gij haar machtig gemaakt en haar kracht gegeven, onder den eenigen vorm, welken heur kindsheid haar toelaat te begrijpen,—in de gedaante van mànnen en martelaren,—vleeschgeworden in uw leven, verheerlijkt in uw dood. Zoodat zij, in plaats van de twijfelachtige schimmen, welke zij had in de heiligen van het verleden, in u de heiligen der heiligen bezit. Zij had uw toespraken niet begrepen, maar zij begrijpt wat van u overblijft des te beter. Gij hebt haar iets gegeven, dat zij voor altijd op het altaar kan plaatsen.1Niet de in onze dagen zoo beroemde Leo T., maar Alexei, gest. 1875.2Een afgodsbeeld met twee aangezichten.3Peter III was keizer in 1762, Paul van 1796–1801. Beiden werden vermoord.4De Bartholomeüsnacht was een te Parijs in 1572 onder de Protestanten aangericht bloedbad. De Ukraine was vroeger een deel van het Poolsche rijk.5Voorstad van Warschau.6Den lateren keizer Alexander I.7Nicolaas I (1825–1855).8Keizerlijk paleis buiten Petersburg.927 Juli 1794: deze dag maakte een einde aan het Schrikbewind.10De opvolger van keizer Alexander.11Tegen Napoleon, 1814.12De schrijver vergist zich: niet Bar-sur-Aube, maar Arcis-sur-Aube was de plaats: Maart 1814.13Dezelfde die inhoofdstuk VIis genoemd.14Grootvorst Nicolaas.15Het was bij den dood van keizer Alexander.16Ander ik.17Het Fransche schrikbewindsjaar.

Het is juist honderd jaar geleden, dat Rusland de doodstraf heeft afgeschaft. Onze wijsgeeren weenden toen tranen van vreugde. Zelfs nu nog stelt een Russisch schrijver, Tolstoï,1er zijn roem in. Gelukkig, menschlievend Rusland, dat alléén op aarde het levend werk van God heeft weten te eerbiedigen, terwijl de Dood nog steeds ten troon verheven is in de goddelooze wetgevingen van het barbaarsche Westen!

Men brengt dus niet meer ter dood in Rusland,—men verbant er alleen. Slechts kan het voorkomen, dat de fijn-bewerktuigde mensch, te dicht in de nabijheid van de pool gezonden, er van kou en ellende omkomt. Ja, wat is daartegen te doen?

Men brengt niet ter dood,—men verlaagt in rang en stand. Slechts kan daarbij iets voorkomen, als onlangs met een zekeren Paulof gebeurde. De beul, zijn degen boven zijn hoofd in tweeën brekende, deed dit, bij ongeluk, met zooveel kracht, dat hij hem den schedel insloeg.

Men brengt niet ter dood,—men ranselt met roeden. De knoet is afgeschaft.Spaar de roede niet aan uw zoon.Het kan echter soms gebeuren, dat de roeden knuppels zijn.

Het vonnis der 7000 stokslagen, waarvan wij hierbovengesproken hebben, bevatte deze bespotting, dat,als depatiëntenhet leven behielden, zij in de mijnen moesten gaan werkentot aan het eind van hun leven. Nu sterft men gewoonlijk bij 3 of 4000 slagen.

Deze afschuwelijke huichelarij, die men overal in Rusland voelt, is niet de daad van den mensch alleen. Zij is voornamelijk het gevolg van het onoplosbaar vraagstuk, dat aan de regeering is voorgelegd:Door dezelfde wetten de meest barbaarsche en de beschaafdste naties te besturen.Het rijk heeft hierdoor alleen een afschuwelijken Janus2voor zich geschapen, die, als hij naar het Westen ziet, zich zachtzinnig voordoet, terwijl hij naar het Oosten zijn waar gelaat toont, dat van Mongoolsche wreedheid.

De woeste stammen van Siberië hebben misschien alleen de juiste opvatting van het bewind, dat boven hen staat. Zij stellen zich den czaar niet voor als een mensch, maar als een tweehoofdig monster, den dubbelen griffioen, half arend, half tijger, dien zij op het Russisch wapen zien.

Dáár moet werkelijk het geheim der Russische wreedheid gezocht worden. In deze niet tot één te brengen tweeslachtigheid ligt Ruslands onmacht. Het werpt er verwoede hinderpalen tegen op, om haar te overwinnen, en alle hinderpalen behandelt het als oproer. Maar in dit onrechtvaardig pogen is het Rusland-zelf, dat in opstand komt tegen de natuur.

Als deze tweeslachtigheid een heftig en ernstig man op haar pad ontmoet, als Peter III of Paul I,3dan verschijnt ze in haar ware gedaante, als razernij, krankzinnigheid.

Krankzinnigheid, niet zoozeer van het individu als van den toestand. Peter de Groote, wat voor een geniehij ook was, vertoont zich niettemin in vele zijner daden als een gek. Rus en barbaar van geboorte, is hij door zijn wil een Europeaan: dus een levende tegenstrijdigheid.

Bij Catharina is het juist andersom, daar zij een Duitsche was, die Russin is geworden. Van geestesgesteldheid was zij zeer droog, zeer precies, zeer koud, maar in haar daden geeft ze niettemin het bewijs van het sterkste tegendeel. Als philosofe verdedigt zij in Polen de verdraagzaamheid, maar bewerkt zij tegen de Polen den Bartholomeüsnacht van de Ukraine.4Zij laat de revolutionnairen te Praga5vermoorden, maar haar kleinzoon6door een Zwitserschen revolutionnair opvoeden.

Alexander, zóó opgevoed, door zijn moeder een Duitscher, zacht van aard, is van alle keizers juist degeen, onder wien het Russische volk het meest geleden heeft. In zijn dolzinnige onderneming der militaire kolonies, geleid door zijn onmenschelijken gunsteling Araschieff, tastte hij Rusland in het hart aan, in het gezin, in den huiselijken haard.

Alzoo, welke de persoonlijke aard der czaren ook moge zijn, de verschrikkelijke regeeringsvorm gaat steeds verder in zijn woeden, ten minste het wordt verfijnder. Alexander, die niet de wreede koelheid van Catharina bezat, heeft niettemin Rusland veel dieper getroffen. Maar wat heeft dit alles te beteekenen in vergelijking met den czaar die thans regeert?7

Niemand heeft den dood op zoo groote schaal toegepast, niet op enkele personen, maar op geheele volksstammen. De officiëele cijfers, welke de Russen zelfbekend maken, doen van verbazing de handen ineenslaan. Ongehoorde menschenslachtingen, welke het zwaard niet zou hebben kunnen bewerkstelligen, zijn met behulp van de natuur tot stand gebracht, ik bedoel, door snelle overplantingen van geheele bevolkingen naar moordende luchtstreken.

Afstootend en op-zich-zelf-staand schouwspel, zoo’n ver om zich grijpende werkzaamheid van den dood! Behoort een gewelddadige dood dan zoozeer tot de noodzakelijkheden van het leven? Het was nog maar kort geleden, dat de groote uitroeiïng door de Napoleontische oorlogen had opgehouden, toen deze moordende volksverhuizingen begonnen, veel noodlottiger dan veldslagen, en die, in vollen vredestijd, geheele geslachten hebben verdelgd.

De keizer gaf in zijn jeugd geen enkel bizonder kenteeken van een woesten aard, geen enkel van barbaarsche afwijkingen, zooals wèl zijn broer Constantijn. Zijn levensbeschrijver Schnitzler merkt alleen op, dat hij een spotzieke neiging had en er behagen in schepte de hovelingen na te bootsen. Hij ontving, onder toezicht van zijn moeder, zijn opvoeding in ’t bizonder van een oude hofdame, gravin Von Lieven, die hem zeker niet op de betere kanten van de menschelijke natuur moet hebben gewezen.

Er werd een zeer sterke invloed op de vorstinnen van de keizerlijke familie geoefend door een eerbiedwaardig geleerde, Rus in merg en been, rechtschapen en onbaatzuchtig, den geschiedschrijver Karamsin. Zij hadden hem een woning gegeven in het park van Tsarsko-Selo.8Deze verdienstelijke man, grootgebracht naar den geest der Oudheid, die langen tijd geleefd had in vertrouwelijken omgang met de vroegere czaars, hield van niets zoozeer, bewonderde niets zoozeer als het Schrikbewind en Robespierre. Hij was in 1793 te Parijs geweest, en had er een groote voldoeningvan meêgenomen. Toen hij van den 9en Thermidor9vernam, smolt hij in tranen weg. Al zijn streven bij Alexander, in overeenstemming met de vorstinnen, was hem af te houden van zijn zwak voor ’t liberalisme.

Bij dezen invloed voegde zich een andere, die sterk op de Russische groote wereld inwerkte, die van de Maistre. Dank zij dezen uitnemenden schrijver leerde Rusland, als uit den mond van Frankrijk, dat het despotisme, waarover het zich ontschuldigde, juist het ideaal was der menschelijke samenleving. Hoewel Alexander de Maistre voor korten tijd verwijderd had, werd zijn invloed steeds grooter, en deSoirées de Saint-Petersbourg(1822) voerden dien ten toppunt. Zijn paradoxale stelling over den lof van den beul,van dit levend wonder, totdusver te zeer miskend, maakte een diepen indruk. Nicolaas10was 26 jaar. Dit boek moest het zaad, door Karamsin uitgestrooid, welig bij hem doen ontkiemen.

Tegen deze vreemde leeringen van de absolute willekeur kwam evenwel een geheiligde macht in verzet die nooit sterft: de Wet, de Rechtvaardigheid. De wetgevende proefnemingen van Catharina werden door Alexander weêr hervat. Hij zocht, bij de gevaren waarin hij verkeerde, een versterking in de wetten. Speranski begon in 1808 het Russisch recht te verzamelen. Maar jonge, energieke mannen bepaalden zich niet tot bijeenbrengen: zij wilden dat dit recht iets levends werd, dat het een ziel had. Voor een van hen doemde het denkbeeld op een wèrkelijk Russisch wetboek saam te stellen, gegrondvest op de vrijheid.

Pestel, zoo heette hij, was een man van genie, practisch, heelemaal geen utopist. Hij schiep zich geen hersenschimmig Rusland. Hij nam het zooals het is, communistisch, en liet het zoo. Hij onderstelde, dat, door de gemeente te versterken, te bevrijden en doorhaar heur beginsel (de bodem het eigendom van den bebouwer) in toepassing te doen brengen, men het allereerste bestanddeel, het oorspronkelijke molecuul van de Republiek bezat; dat, opklimmende naar het arrondissement (de gemeente vàn de gemeenten), naar de provincie, en eindelijk tot het centrum, men van het Russisch element gemaklijker kon komen tot het republikeinsch bestuur dan tot het Tartaarsche czarendom of het Duitsche keizerschap.

Deze jonge man, toen nog luitenant, doch die als kolonel stierf, maakte den veldtocht in Frankrijk meê,11en gaf er het bewijs van een hooggestemd gevoel voor menschelijkheid en recht. Te Bar-sur-Aube12gekomen, zag hij hoe Beiersche soldaten de inwoners mishandelden, en zonder te onderzoeken of deze Duitschers ook Russische bondgenooten waren, stormde hij met zijn getrouwen op hen los.

Alexander had juist in dien tijd aan de wereld het zonderlinge schouwspel geschonken van een vrijzinnigen czaar. De vrienden van Pestel werden daardoor om den tuin geleid. Zij vertrouwden kort daarop hun verbeteringsplannen juist aan Alexander. Zij kwamen er een weinig laat meê; Alexander was onder de macht gekomen van de mystieke mevrouw Krüdener; hij was geen keizer meer, maar een heilige geworden. Hij had den ouden mensch afgeschud, en, tegelijk ermede, elke herinnering aan gedane beloften en gewekte verwachtingen uit de dagen van zijn gevaar. Hij hoorde hen welwillend aan, werd bewogen, weende, en zei hun dat voor zulke schoone zaken de maatschappij nog niet rijp was.

Ziende dat hij alles uitstelde tot het hemelsch Jerusalem, namen zij den schijn aan van hun vereeniging te ontbinden, maar sloten zich heimelijk hechter aaneen. Negen jaar lang hebben ze aan haar uitbreidinggewerkt. Zoozeer lag zij in den geest en de noodzakelijkheid van den tijd, dat de deelhebbers tot de ontdekking kwamen van drie soortgelijke vereenigingen, die van elkanders bestaan niets afwisten. De eene (de Ridders, verhelpers van misstanden) was Russisch. Een tweede (de Onafhankelijkheid) was Poolsch. Een derde omvatte Rusland, Polen, àlle Slavische landen, en droeg den naam vanVereenigde Slaven.

Alle drie traden zij in nadere betrekking tot elkander en kwamen ze tot overeenstemming. Twee punten alleen brachten verdeeldheid in de groote Russische maatschappij: de bevrijding van Polen en de vrijmaking der lijfeigenen. Om der billijkheidswil moet gezegd worden, dat de stichters der vereenigingen hieromtrent niet aarzelden. Zelve hadden zij elke lichamelijke kastijding van hun lijfeigenen afgeschaft. Zij wilden den boer vrijmaken en hem den grond, dien hij bebouwde, in eigendom afstaan: d.w.z. dat zij hun leven in de waagschaal stelden voor de zegepraal van een denkbeeld, dat, als het verwezenlijkt werd, hun in de eerste plaats hun vermogen zou gekost hebben.

De stichters, onsterfelijker nagedachtenisse, waren, voor de Zuidelijke vertakking der vereeniging, Pestel, inmiddels tot kolonel bevorderd, en de Mouravieff’s, ook officieren; voor het Noorden waren het Rylejew, de Bestousheff’s, prins Obolenski en sommige anderen.

Welke bron men ook raadpleegt, het staat vast door aller getuigenissen, dat Rylejew een der verhevenste karakters is, welke de geschiedenis ons te aanschouwen geeft. Militair, daarna beambte bij het Amerikaansch Genootschap, dat te Sint-Petersburg gevestigd was, had hij het niet beneden zijn waardigheid geacht den onbezoldigden post van secretaris bij de lijfstraffelijke rechtbank te aanvaarden; een daad, zooals alleen een uitstekend burger die kan verrichten, in een land van louter omkoopbaren, waar het van belang was dat deze betrekking niet in onwaardige handen viel. Rylejew was een dichter, men leest nogaltijd met tranen in de oogen zijn profetisch poëem, waarin hij zich zelf onder den naam van Mazeppa verpersoonlijkt: het op een wild, onstuimig ros vastgebonden slachtoffer, dat, naar de woeste steppen meêgesleurd, er verlaten en eenzaam moest omkomen.

Het eerst van alle Russen schreef Rylejew in dit gedicht het woord, nog zoo weinig begrijpelijk voor de àndere Russen van toen, maar verheven, heilig voor de toekomst... “Vóór alles ben ik burger.”

Hij was een zachtzinnig man, vol menschenliefde, en toch heldhaftig. Welke moeite het gerechtelijk onderzoek zich ook gaf om een ander licht op zijn karakter te doen schijnen, het blijft een onomstootelijk feit, dat hij, ziende hoe een der saamgezworenen het vaste plan had opgevat keizer Alexander te vermoorden, hem bad zijn voornemen ten minste uit te stellen, het hem op zijn knieën bezwoer, en, toen hij onwrikbaar bleek, hem toevoegde: “dan zal ik jou veeleer dooden.”

Met zulke waardige aanvoerders, was het ongeluk der saamgezworenen, dat zij zich niet nauwer onder elkander aansloten, dat zij aan andere invloeden gehoorzaamden, en hun vereeniging te vèr uitstrekten.

De hoofden van een ander eedgenootschap, die zij tot het hunne hadden toegelaten: Michaël Orloff met enkele zijner medestanders, verzochten en kregen ook gedaan, dat boven Rylejew, wiens werkkring niet heel hoog aangeschreven stond, en boven Pestel, dien men voor te geslepen en te eerzuchtig hield, een dictator benoemd werd. Men koos een man van hoogen rang, uit een geslacht, dat indertijd den troon aan de Romanow’s betwist had. Het was een prins Troubetskoi,13zachtzinnig, zwak, besluiteloos, juist de persoon die er voor aangelegd scheen een dergelijke onderneming te doen mislukken. Zij, die hem deden benoemen, wilden door de omwenteling alleen een oligarchie van groote heeren vestigen, en vreesden bovenal een energiek leider.

Wij zullen nooit de verbazing van Europa in 1825 vergeten, toen men in de couranten las, dat noch Constantijn, noch zijn broer,14keizer wilden zijn.15Zij bleven de een voor den ander tegenover deze bloedige kroon en dien troon van vuur staan, zonder er met den vinger aan te durven ráken. In dit land van broedermoord scheen elk van beide, daartoe door den ander aangezet, de uitnoodiging tot opvolging te beschouwen als een oproep tot den dood. Hun houding was werkelijk ernstig gemeend. Constantijn, koning van Polen, gehuwd met een Poolsche, was sedert 1822 bezweken voor de tranen van zijn vrouw en had reeds van tevoren van de opvolging afstand gedaan. Nicolaas, wien dit niet onbekend kon zijn, laat niettemin zijn broer tot keizer uitroepen en den eed van trouw aan hem afleggen. Daarop doet Constantijn opnieuw afstand en volhardt hierbij; de senaat roept nu Nicolaas uit. Dit geschiedt met gesloten deuren, om twee uur in den nacht. Geen verklaring aan het volk, noch aan het leger. Men beschikt over het laatste als over een kudde; het heeft den eed al eenmaal gezworen, en men laat het daarop het tegendeel bezweren.

Men wordt door medelijden aangegrepen, als men de onzekerheid ziet, den volslagen moreelen nacht, waarin de eerlijke ziel van den Russischen soldaat door zijn chefs gelaten wordt. De eenen, aanhangers van Nicolaas, waagden het niet hem in te lichten over den veranderden toestand. De anderen, de saamgezworenen, geen kans ziende hem de begrippen van vrijheid te doen vatten, deden hem gelooven dat Constantijn, aan wien hij trouw gezworen had, de werkelijke czaar was, en hen zou straffen, die naar Nicolaas overliepen. Vervuld van schroom en vrees, bleven die beklagenswaardige lieden voor ’t meerendeel werkeloos, roerloos. Sommigen werden slechts meêgesleept door den drangvan hun goeie hart en van hun menschelijkheid, toen zij van ontslaggevingen hoorden en men hun zei, dat hun kameraden vermoord werden.

De keizer had het paleis en de citadel gevuld met troepen, die van alle gemeenschap waren uitgesloten. Om zich des te beter te verzekeren van die in het paleis waren, gaf hij zijn zoon, een mooi kind van acht jaar, in hun macht. Ze ontvingen hem met tranen in de oogen, en ofschoon zij behoorden tot de Finsche troepen, die in den opstand waren betrokken, betoonden zij zich onwrikbaar in hun trouw.

De saamgezworenen brachten alleen aan hun zij het regiment van Finland, dat als vréémd stond tegenover Rusland en het tegen wil en dank dient; het regiment van Moscou; het corps garde-mariniers, en de gardegrenadiers, deze laatste niet dan na groote moeite, na eenkortstondigmaar hevig gevecht, waarin de Bestousheff’s de officieren van Nicolaas neêrsabelden en het vaandel veroverden.

Zij plantten het op het onmetelijk plein, zeggen we liever de vlakte van Sint-Isaäc, en vatten post achter het standbeeld van Peter den Grooten. Er waren een groot aantal niet-militaire saamgezworenen, tot de tanden gewapend, nog meer nieuwsgierigen en heel veel volk, maar die alle als verzonken in dit uittermate groote veld. Zij haalden de beide kolonels, de militaire hoofden van den opstand, Troubetskoi en Boulatoff. Maar noch de een, noch de ander verscheen. Boulatoff bleef zelfs den geheelen dag bij het escorte van den keizer, in zijn onmiddellijke omgeving, ’t zij omdat hij nog niet besloten was, ’t zij, zooals hij later pochte, dat hij zich dáár bevond om hem te dooden, zoodra hij zijn moed zou zien verflauwen. Wat Troubetskoi betreft, die zijn hoofd verloren had, hij liet alles in den steek, zoowel de aanvoering van den opstand, als de zorg voor zijn papieren, welke zooveel mannen in het verderf zouden storten. Hij zocht zijn toevlucht bij een vrouw, zijn schoonmoeder; daarop bij den Oostenrijkschen ambassadeur; eindelijk bij den keizerzelven, te midden van diens generalen staf, als een verdoolde haas, die een schuilplaats tracht te vinden bij de honden, die hem najagen.

Het burgerhoofd van den opstand, Rylejew betoonde zich flinker dan de beide militaire chefs. Hij verscheen op het plein, maar zocht hen tevergeefs. Het geringe aantal der troepen in opstand gaf weinig hoop. Sommigen gaven hem den raad een leger te scheppen, aan den opstand toe te voegen een massa gering volk, dat daar aanwezig was. Daarvoor zou het voldoende zijn, als hij hun de herbergen liet plunderen. Dit zou echter nauwelijks gebeurd zijn, of het volk zou tot een algemeene plundering overgaan, tot een moord op groote schaal van de politie, aan welke het een doodelijken haat had. Deze wanordelijkheden zouden een onverwachten tegenaanval ten gevolge hebben, daar Nicolaas genoodzaakt zou zijn geworden de moordenaars te doen vermoorden. Maar Rylejew weigerde van dit verschrikkelijk middel gebruik te maken. Van dit oogenblikaf aanwas gemakkelijk te voorzien, wat gebeuren zou. De opstandelingen, teruggedrongen tegen het paleis van den Senaat, aan den uithoek van een ontzaglijk plein gelegen, moesten onvermijdelijk worden weggevaagd door het geweervuur, neêrgesabeld door de cavalerie. Rylejew verliet het plein; hij zocht geen toevluchtsoord, hij ging naar zijn huis terug en wachtte er den dood af.

De keizer, bleek en ontdaan, zooals een ooggetuige zegt, toonde niettemin veel moed. Aan het hoofd van de garde-te-paard reed hij voorwaarts en ontmoette detachementen, welke zich tot de opstandelingen begaven. “Dag, mijn kinderen!” riep hij hun volgens keizerlijke gewoonte toe. “Hoera voor Constantijn!” was hun eenig antwoord. Men beweert eenstemmig, dat hij zich flink hield en van geen verwarring blijk gaf. En wat zei hij hierop? Ja, dit weet men niet bepaald zeker. Twee lezingen worden gegeven: de een door den heer Schnitzler, die het geval bijwoonde, de ander door den heer de Custine, aan wien de keizerzelf de zaak heeft verteld. Het waarschijnlijkst van beide is, dat hij met luidklinkende stem zou gezegd hebben: “Rechts zwenken, marsch!” De soldaten zouden automatisch gehoorzaamd hebben.

De korte Decemberdag ging op deze wijs voorbij, zonder dat de opstandelingen hun beide kolonels zagen verschijnen. Hun aantal verminderde. Het regiment van Moscou kwam tot andere gedachten en liet zijn makkers in den steek. Zij, die stand hielden, betoonden zich zeer flink. Zonder zich te verontrusten over de artillerie, welke men den keizer tot versterking had gezonden en die hen zou neerschieten, wezen zij elke poging tot verzoening van de hand, uitroepende: “Leve Constantijn!levede Constitutie!” Dit laatste woord, verre van de hunnen aan te vuren, zooals men meende dat moest, wierp den soldaat veeleer in de onzekerheid: “Wat beteekent datConstitoutzia?” vroeg hij. “Is dat de vrouw van den keizer?”

De gouverneur van Petersburg, de dappere Miloradovitsch, die eenige opstandelingen met mooie woorden van hun vrienden had losgemaakt, om ze daarna in de citadel op te sluiten, waagde het naderbij te komen, rekenende op de oude aanhankelijkheid der soldaten. “Verrader,” zeiden de saamgezworenen, “je bent hier niet achter de coulissen van den schouwburg. (Hij was een aanbidder van actrices en danseressen). Wat heb-je met onze kameraden uitgehangen?” Obolenski stak met zijn bajonet naar de borst van zijn paard, en Kakhofski velde het met een pistoolschot. Deze laatste, die erg opgewonden was en die zich sterk gemaakt had den keizer te dooden, dacht dat hij nog al vast in zijn schoenen stond; maar toen hij nòg eens geschoten had en kolonel Sturler gedood, kwam zijn hart boven. “Weêr een op mijn geweten!” riep hij uit, en hij wierp zijn pistool verre van zich.

De indruk, dien de zeelui ontvingen, was dezelfde, toen een hunner aanlegde op grootvorst Michaël. ’t Zij uit eerbied, ’t zij uit goedhartigheid, zij sloegen zijn arm neêr en deden het schot missen.

Inmiddels naderden, met groote praal, het kruis ter hand, de metropolitanen van Petersburg en Kiew, door den keizer gezonden. Toen kon men gewaar worden hoe weinig de Rus, met al zijn uiterlijke vroomheid, in groote omstandigheden, onder den invloed geraakt van wat heilig is bij zijn eeredienst; hoe weinig achting hij heeft voor zijn priesters, die—het moet erkend worden—ook weinig achtenswaard zijn. Zij werden door de soldaten ontvangen met gejouw, en hun stem werd gesmoord door tromgeroffel.

Dit had men verwacht. Na God aan zijn zij geplaatst te hebben, liet de keizer, die zich in zijn paleis teruggetrokken had, het gevecht beginnen. Zijn troepen waren van te voren natuurlijk reeds overwinnaars. Zij hadden niets anders te doen, dan het artillerievuur maar te laten spelen. Grootvorst Michaël, vreezende dat zijn artilleristen er een gewetenszaak uit zouden maken op hun arme landgenooten te vuren, gaf zelf het voorbeeld door het eerste schot te lossen. Daar op korten afstand geschoten werd, richtten de kogels een afschuwelijke slachting aan. Er werd ongeveer tien maal een aanval gedaan, en wie toen nog overbleven, zochten hun heil in de vlucht, achtervolgd door de cavalerie, waarvan een detachement hen van achteren aanviel. Men weet niet hoevelen er omgekomen zijn; de lijken werden onmiddellijk geworpen in openingen, die men in het dikke ijs maakte, waarmeê de Newa bedekt was.

De saamgezworenen van het Zuiden hadden geen beter lot. Een der Bestousheff’s en de gebroeders Mouravieff, onverschrokken en vol geestdrift, waren niet verwonderd over de lusteloosheid, waarvan de meesten hunner medeverbondenen blijk gaven. Zij wendden zich daarom tot de soldaten en lieten hun in een kerk, door een priester nog al, een republikeinsche geloofsbelijdenis voorlezen, die Bestousheff saamgesteld had uit allerlei bijbelteksten. Er werd in verteld, dat alle menschen gelijk zijn en dat de slavernij een misdaad is jegens God. Deze waarheden haddenweinig uitwerking op hen; men kon hen alleen in beweging brengen door den naam van Constantijn. De aanhangers van Nicolaas, die talrijker waren en bovendien beschikten over de keizerlijke artillerie, versloegen hen; de dappere aanvoerders doodden zich zelven of lieten zich dooden; Bestousheff en Mouravieff werden, zwaar gewond, gevangen genomen.

Pestel, te Moscou gearresteerd, toonde niet de minste ontroering. Door een vriend gewaarschuwd, had hij hem slechts één woord toegevoegd: “Breng mijn Russisch wetboek in veiligheid.” Dit werk, onder den grond verborgen, werd opgegraven en aan de Commissie in handen geleverd, welke het in haar onderzoek belachelijk trachtte te maken. Men verzekert niettemin, dat de ontwerpers van het wetboek, ’t welk Nicolaas liet vervaardigen, verplicht zijn geweest, verschillende inzichten van Pestel over te nemen. Wat in allen gevalle vaststaat, is, dat zijn boek in het politieke gedeelte, verstandige en humane denkbeelden bevatte. Zoo bijvoorbeeld een billijke ontspanning van de knellende banden, die Rusland verstikken; een milden regeeringsvorm, gelijkende op dien van de Vereenigde Staten; een herstelling van het groote onrecht, dat zoo noodlottig is voor het Russische rijk: de volkomen bevrijding van Polen; uitgebreide vrijheden aan de Joden toe te staan, die, met ontlasting van dit land, de middelen zouden ontvangen om in het Oosten een Staat te stichten.

Zoo zaten dus Pestel, Rylejew, de beminnelijke en dappere Alexander Bestousheff, de onverschrokken Mouravieffs, m.a.w. het genie, de deugd, de moed, het ware hart van Rusland, in de onderaardsche cellen van Petersburg. Alleen Puschkin, de groote nationale dichter, ontbrak eraan. Hij behoorde tot de saamgezworenen. Ver van de hoofdstad wonende, wilde hij met hen komen medestrijden, sterven. Onderweg loopt een haas over zijn pad: zijn koetsier houdt stil; zulk een ontmoeting is voor iederen Rus een slecht voorteeken. Puschkin laat hem doorrijden. Hij komt een oudevrouw tegen; nieuwe vertraging: de koetsier wilde niet verder.

Als de koetsier eindelijk nog een priester ziet voorbijgaan (het allerongunstigst voorteeken), verlaat hij zijn bok, werpt zich op de knieën en deelt aan zijn meester zijn bijgeloovige vrees meê. De dichter keerde terug, werd gered, maar bleef alleen behouden voor grooter rampen, voor een tragischer levenseind.

Het dreigend en verschrikkelijk manifest, dat de czaar den volgenden dag uitvaardigde, was opgesteld, zegt men, door het werktuig der keizerin-weduwe, den levensbeschrijver der Iwan’s, den vader van de school van ’t Schrikbewind, den ouden Karamsin.

Zijn leerling en de voortzetter van zijn werk was Bloudow, de secretaris der Enquête-Commissie. Zij werd saamgesteld uit een aantal mannen, wier voorzitter de keizer-zelf was in den persoon van zijnalter ego,16zijn broer grootvorst Michaël. Deze, een hardvochtig en ruw soldaat, doet zich door één enkelen trek kennen. Toen een der saâmgezworenen zijn politiek geloof onverschrokken beleed, merkte de grootvorst kalm op: “Men moest zijn mond door bajonetsteken tot zwijgen brengen.”

De uitkomsten door deze geheime rechtspleging, gedurende vijf maanden van verhoor, verkregen, waarbij ongetwijfeld van alle middelen van vreesaanjaging en omkooping gebruik werd gemaakt, zijn door het gouvernement in druk verspreid, tot over geheel Europa.

Het spreekt van zelf, dat de eedgenooten worden voorgesteld, of zijallenlafaards en botteriken waren. De openbare aanklager geeft hun ieder oogenblik rijkelijk de beleedigenste benamingen. Zeker van niet tot leugenaar te worden gemaakt, beschuldigt hij het meerendeel van hen van hun bekentenissen telkens te hebben ingetrokken. O, vele onder hen, vooral de saamgezworenen die soldaat waren, Russen van denouden stempel, van hun jeugd af-aan gewoon den keizer te vergoden, zullen uit overtuiging tot hun vroegeren eeredienst zijn teruggekeerd, en in de gebeurtenis van 14 December het oordeel Gods hebben opgemerkt; maar heeft men voor het meerendeel der overigen niet het recht te onderstellen, dat zulke partijdige beoordeelaars het erop hadden aangelegd hen te brandmerken? Wat het ten minste doet gelooven, is dat dit zoo ijverig doorwrochte onderzoek feiten bevat, welke door alle partijen als onwaar zijn erkend, bij voorbeeld valsche dagteekeningen. Het gaat o.a. uit van de onderstelling, dat de saamgezworenen in 1817,—toen Alexander nog zóó bemind was, dat zij hem hebben geraadpleegd en hun plan aan zijn goedkeuring onderwierpen,—! het voornemen hadden den czaar en de keizerlijke familie te dooden.

Als men nagaat dat, gedurende zooveel jaren, onder zooveel personen, er niet één verrader was; wanneer men overweegt hoe onverschrokken de aanvoerders waren en hoe hun dood van verheven eenvoud getuigde, hoe kan men dan gelooven, dat zij er behagen in schiepen hun vrienden te verraden, aan de wraak over te leveren?

De geschiedenis zal haar zwartste bladzijde openhouden om er de namen der rechters op te schrijven, die, niet tevreden met deze verheven zoenoffers ter slachtbank te voeren, getracht hebben hen in een schotschrift, met den naam van gerechtelijk onderzoek versierd, te onteeren en hun nagedachtenis te vermoorden! Wat zeg ik, hen aan te tasten op een punt, dat dikwijls grootmoedigen méér treft dan de eer-zelve; aan te tasten in wat het leven van het leven dier helden en waarlijk goede menschen was, ik bedoel: in hun vriendschap!

Men leze de geestdriftige lofspraak, welke Rylejew, in zijn gedicht, houdt op hem, dien hij aan zijn vaderland voorstelt als held, op zijn jongen vriend Alexander Bestousheff,—en men zal de innige teederheid beseffen die deze groote ziel kenmerkte.

Wat zou, in ’s Hemels-naam, Rylejew erbij gewonnen hebben, als hij zijn vrienden had overgeleverd, hij die, van den beginne af-aan, den dood slechts voor zich-alleen eischte, verklarende,dat de 14de December zìjn werk, en hìj er de schepper van was!?

Het krachtige en rustige bewustzijn, waarvan Rylejew bij zijn vonnis blijk gaf, is reeds in zijn dichtwerk verkondigd. Door een soort van vóórgevoel had de held zijn lot vermoed, en had hij vooràf zijn doodszang gezongen. “Wat ons in onze droomen een besluit des Hemels scheen te zijn, was nog niet besloten. Geduld! Dat de kolos zijn eene fout nog op de andere stapele, dat hij te kort schiete bij zijn wil de helft van ’t heelal te versmoren! Dat hij zijn gang ga, opgeblazen van trots, een praalvertooning te maken in de stralen der zon... Geduld! De toorn des hemels zal hem niettemin verpletteren...God is de vergelding-zelve!Hij staat niet toe, dat de zonde, eenmaal gezaaid, haar oogst niet zou opleveren.”

Inmiddels openbaarde het proces, vijf maanden lang voortgezet, aan de verschrikte gemoederen het eindeloos aantal schuldigen. De keizer had niet het minste besef gehad van het gevaar, dat hem bedreigde. Hij dacht, op den 14 December, dat hij alleen te doen had met enkele aanhangers van Constantijn, en daar onthulde men hem den omvang van een vreeselijke samenzwering, die overal haar vertakkingen had. Geen familie van eenige beteekenis, waarvan ten minste niet een der leden aan het komplot had deelgenomen. Om de waarheid te zeggen: Rusland zelf, althans het denkend Rusland, had het czarendom afgezworen en wilde anders worden. Op welken grondslag verhief zich nu de troon, dien Nicolaas bestegen had? Zweefde hij eigenlijk niet in de lucht? Alleen maar steunende op den onvasten eerbied der lijfeigenen, op hun hoop vroeg of laat bescherming te vinden bij dien onbekenden god, ver weg zetelend en die nooit bescherming verleent!

Onder de regeering van Paul, die toch een levendig rechtvaardigheidsgevoel bezat, waren de lijfeigenen, die zich bij hem kwamen beklagen, er slecht aan toe; hij vond de zaak zóó gevaarlijk, dat hij hun meesters liet waarschuwen en de ongelukkigen zelven aan een tuchtiging overleverde. Gedurende de vijf maanden, welke het gerechtelijk onderzoek duurde, zei men in heel Rusland, dat keizer Nicolaas de bevrijding der lijfeigenen zou uitspreken. Zij geloofden het zoo vast, dat zij hun pacht niet meer opbrachten. Zoodra zijn troon bevestigd was, herstelde hij den vroegeren stand van zaken en dwong hen met den sterken arm tot betalen.

Wat was er geworden van de regimenten, die deel genomen hadden aan den opstand? Hun lot is een geheim gebleven. Het eene bataillon werd naar den Kaukasus gezonden, een ander naar Siberië. Velen in Rusland zijn er van overtuigd, dat het meerendeel der Finsche regimenten bedolven is in de onderaardsche kerkers van Kroonstad, in vochtige cellen zonder licht en beneden zeepeil. Wat zulke verblijfplaatsen moeten zijn, bij het verschrikkelijk Russisch klimaat, kan men zich voorstellen. Die ongelukkigen—als er ten minste nog van in leven zijn gebleven—hooren al dertig jaar lang de Oostzee boven hun hoofden bruisen, de in vrijheid aanrollende golven en zelfs de rondzwalkende schipbreukelingen benijdend. Denkvermogen en smartgevoel moeten—laat ons het hopen—onder zulke omstandigheden uitgedoofd worden.

Van de bekende families werden maar zeer weinig leden gestraft: in ’t geheel honderd twintig. Men wilde de wijde vertakking van ’t kwaad verhelen.

Men beefde bij de gedachte, dat die tallooze benden van schuldigen zouden weten, dat zij als zoodanig algemeen bekend waren, en dat zij uit wanhoop zich bij de beweging hadden aangesloten. De keizer liet een groot aantal van hen vóór zich komen, hoorde hen welwillend aan, wilde hen voor onschuldig houden, en liet ze in die voorop gezette meening gaan. IJdele pogingen,er was geen veiligheid of vertrouwen meer! De vrees, eenmaal van den troon weggeslingerd, keerde tot den troon weêr. En zij is er gebleven, en de keizer, van nature reeds gestreng, is, uit wantrouwen, steeds hardvochtiger en onverzoenlijker geworden. De onmogelijkheid zijn werkelijke vijanden te kennen heeft zijn hart verbitterd, gewond, verwilderd. Daar Rusland zonder ondergrond is, heeft het, zooveel het kon, de Russen moeten afbrengen van hun strafmanie, welke hun tweede natuur is geworden. Alles is schuldig: Polen, de Joden, de Katholieken, de Revolutie, Europa... Zoo schrijdt van den 14den December tot aan ònze dagen, gestadig, steeds heftiger, verschrikkelijker, het Russische 179317verder, dat nu al dertig jaren lang voortduurt.

Wat op den keizer den diepsten indruk maakte, was zijn samenkomst met Nicolaas Bestousheff. Wij halen dit onderhoud aan uit een zeer Russisch-gezind boek, bizonder partijdig voor den czaar. Hij werd getroffen door de onverschrokkenheid van dezen saâmgezworene, zijn vrijmoedigheid, de juistheid waarmeê hij alle gebreken van het keizerrijk aantoonde. Hij zag hem recht in de oogen, en zei:

“Als ik er zeker van was in u voortaan een trouw dienaar te mogen aanschouwen,zouik u vergiffeniskunnenschenken.”—“Wel, sire!” antwoordde Bestousheff, “dat is het juist waar wij ons over beklagen,dat de keízer alles zou kunnen doen. Laat het gerecht zijn loop volgen, en dat het lot uwer onderdanen voortaan alleen van de wètten afhange.”

Vijf der schuldig-bevondenen van den 14den December werden veroordeeld om te worden geradbraakt: Pestel, Rylejew, Mouravieff-Apostol, Michaël Bestousheff en Kakhofski.

De keizer schonk hun genade, maar droeg er toch zorg voor dat de mindere straf, in de plaats van deradbraking, onteerender zou zijn. Zij moesten gehàngen worden, een ongehoorde straf in Rusland.

Alle vijf hielden zich flink.

Hun meerendeel verlangde geen priester, zich zelven voldoende gereinigd achtende door het martelaarschap, dat zij voor hun vaderland ondergingen.

Pestel verklaarde, dat hij meer dan ooit vast stond in het geloof, neêrgelegd in zijnRussisch Recht.

Den 25sten Juli 1826, des nachts te twee uren, werd op den muur der vesting het strafwerktuig, een hooge groote galg, opgericht, waaraan vijf lichamen zouden kunnen bengelen. Zooals bekend is, heerscht er in het Russisch klimaat in Juli geen eigenlijke nacht: de avondschemering gaat ongemerkt in den dageraad over. Men kon alles gewaar worden. De soldaten naderden; er waren weinig toeschouwers; het uur van de terechtstelling was niet bekend gemaakt. Heel Rusland sliep, toen enkelen hun leven voor ’t vaderland opofferden.

Om drie uur werden de veroordeelden voorgebracht, aan wie men het leven geschonken had: zij werden gedegradeerd, voor hun oogen werd hun uniform verbrand. In het pak der dwangarbeiders werden zij naar Siberië gezonden.

Eindelijk verschenen de vijf ter dood veroordeelden, met groote kappen op, waardoor hun geheele gelaat bedekt werd.

Toen zij de treden van het schavot beklommen hadden en zij het koord om hun hals hadden gekregen, zonk de vloer, waarop zij stonden, onder hun voeten weg. Twee werden in hun val gedood. Wat de drie anderen betreft, deze ongelukkigen vielen, terwijl de strop over hun kappen gleed, mèt het valluik en den ladder, in het gapend gat onder de galg. De gehangene, die aan zijn noodlot ontsnapt, moet kwijtschelding verkrijgen, volgens tal van wetten, die al uit de Middeleeuwen dateeren. Maar wie zou de voltrekking van het vonnis hebben durven opschorten? De keizer was niet te Sint-Petersburg, maar in zijn paleis van Tsarko-Selo.Vol kneuzingen, werden zij weêr op de been gebracht. Rylejew, met vasten tred het schavot opnieuw bestijgende, richtte op zachten toon een verwijt tot het noodlot: “Er was bepaald, dat niets mij zou gelukken, zelfs niet de dood.” Een oogenblik later had hij opgehouden te bestaan.

Deze groote man had, zegt men, zelf gewenscht te sterven, daar hij voelde dat over zijn edele daad een floers was gespreid. Hij verklaarde dit met zijn eigen woorden: “Ik heb zonder goedkeuring van het Russische volk gehandeld.”

Dat sproot voort uit den tijd, was geen fout van den man. Dit volk, in volle duisternis van barbaarschheid, nog minderjarig, een onnoozel kind, was zich zijn eigen instinct niet helder bewust, en kon aan wat het voelde of dacht geen woorden geven. Een middel om het te raadplegen wàs er niet.

Wil dit zeggen, dat deze nacht eeuwig moest duren? dat men dit onvermogen, door het te eerbiedigen, voor altijd moest bestendigen? dat men, een volk hebbende, ’twelk zich niet kon uiten, niets moest doen om zijn tong los te maken, het eindelijk zijn eerste woord te doen spreken?

Het gewetensbezwaar van Rylejew is begrijpelijk, men voelt het meê. Staande voor het feit, dat hij alleen de intelligentie, de gedachte, het brein vertegenwoordigde van die enorme massa van vijftig millioen menschen, die nog niet konden denken, was hij zelf getroffen door zijn verantwoordelijkheid, en vroeg hij een oogenblik aan God of werkelijk hij, eenvoudig man als hij was en op zich zelf staand wezen, uitverkoren zou zijn het denkbeeld van zijn volk te verwezenlijken.

Altijd opmerkelijk gewetensbezwaar, dat de makers van omwentelingen zelden zal belasten en dat ons de oprechtheid van ziel van ’t Russische volk moet doen eeren. Maar, voor de praktijk gaat het te ver.

Neen, krachtige geest, twijfel er niet aan: gij zijt op dien dag het geweten van Rusland geweest, zijn profetisch geweten. Wat het eenmaal zal denken, naarmate het zich tot denken zal zetten, openbaarde zich reeds in den geest van Pestel en in het hart van Rylejew. De ziel van Rusland, niet zooals zij zich in haar diepe vernedering te allen tijde heeft doen kennen, maar gelijk zij zich eenmaal zal openbaren, hebt gij verkondigd; gij hadt het rècht te handelen en te spreken in háár naam! Waarom? Omdat gij-zelf Rusland’s ziel waart.

En wat heeft uw dood haar niet een dienst bewezen!

Totdusver dobberde zij in heel een volk en vermocht zij niets uit te richten. Maar vastgelegd, tot één gebracht in u, hebt gij haar machtig gemaakt en haar kracht gegeven, onder den eenigen vorm, welken heur kindsheid haar toelaat te begrijpen,—in de gedaante van mànnen en martelaren,—vleeschgeworden in uw leven, verheerlijkt in uw dood. Zoodat zij, in plaats van de twijfelachtige schimmen, welke zij had in de heiligen van het verleden, in u de heiligen der heiligen bezit. Zij had uw toespraken niet begrepen, maar zij begrijpt wat van u overblijft des te beter. Gij hebt haar iets gegeven, dat zij voor altijd op het altaar kan plaatsen.

1Niet de in onze dagen zoo beroemde Leo T., maar Alexei, gest. 1875.2Een afgodsbeeld met twee aangezichten.3Peter III was keizer in 1762, Paul van 1796–1801. Beiden werden vermoord.4De Bartholomeüsnacht was een te Parijs in 1572 onder de Protestanten aangericht bloedbad. De Ukraine was vroeger een deel van het Poolsche rijk.5Voorstad van Warschau.6Den lateren keizer Alexander I.7Nicolaas I (1825–1855).8Keizerlijk paleis buiten Petersburg.927 Juli 1794: deze dag maakte een einde aan het Schrikbewind.10De opvolger van keizer Alexander.11Tegen Napoleon, 1814.12De schrijver vergist zich: niet Bar-sur-Aube, maar Arcis-sur-Aube was de plaats: Maart 1814.13Dezelfde die inhoofdstuk VIis genoemd.14Grootvorst Nicolaas.15Het was bij den dood van keizer Alexander.16Ander ik.17Het Fransche schrikbewindsjaar.

1Niet de in onze dagen zoo beroemde Leo T., maar Alexei, gest. 1875.

2Een afgodsbeeld met twee aangezichten.

3Peter III was keizer in 1762, Paul van 1796–1801. Beiden werden vermoord.

4De Bartholomeüsnacht was een te Parijs in 1572 onder de Protestanten aangericht bloedbad. De Ukraine was vroeger een deel van het Poolsche rijk.

5Voorstad van Warschau.

6Den lateren keizer Alexander I.

7Nicolaas I (1825–1855).

8Keizerlijk paleis buiten Petersburg.

927 Juli 1794: deze dag maakte een einde aan het Schrikbewind.

10De opvolger van keizer Alexander.

11Tegen Napoleon, 1814.

12De schrijver vergist zich: niet Bar-sur-Aube, maar Arcis-sur-Aube was de plaats: Maart 1814.

13Dezelfde die inhoofdstuk VIis genoemd.

14Grootvorst Nicolaas.

15Het was bij den dood van keizer Alexander.

16Ander ik.

17Het Fransche schrikbewindsjaar.


Back to IndexNext