[Inhoud]III.VERWIKKELINGEN.Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in[44]die prachtige woning in deStradona-laante komen vestigen. Hij was Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren, zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het Tripolitaansche, toegewezen geworden.Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen van de veroordeelden en gevonnisden.Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen. Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de erfgename van den graafweergegevente worden, wanneer zij meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden. Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou zijn deel aan den Staat vervallen.Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu de voorspoedige dagen aangebroken waren.[45]Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.Waarheen waren zij gegaan?Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen, mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier Silas Toronthal.Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad toen eerst haalde hij weer vrij adem.Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te keeren.Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen. Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een weelderig bestaan verzekerde.Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij sedert jaren niet meer geweest was.Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken man, die binnen de muren zijnergeboortestadwederkeerde, goed. Zij wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een voornaam man was geweest. De bankier zocht en[46]vond eene woning in het voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten worden. Zeker, maar.…SilasToronthalwas, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan kunnen aanbrengen.Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de ontdekking van de Triëster samenzwering.Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde zijzooveelhaar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa, geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter, waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.Daar trachtte zij dan te vergeten.[47]Vergeten!.… Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook nieuwe droefheid bij mevrouw.Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo kende hij haar toch.Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden, haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten varen.Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel hoofdschuddend bij zich zelven.Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige getuige te sluiten.Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging. Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle landen der wereld.Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden, van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan[48]ook, zeer in het geheim, verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken; niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen, die er uit geboren zouden worden.Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar 1867 te Ragusa kwamen wonen.Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt.De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand. Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker geschikt om ieders blik te boeien.Maar wat vooral in haar persoon bekoorde en wat bovendien de gevoelige zielen uitermate trof, dat was het ernstige uiterlijk van dat jonge meisje; dat was haar peinzend gelaat, alsof zij steeds over vervlogen schier uitgewischte herinneringen nadacht en die met den geest vervolgde. Er bestond iets onverklaarbaars, hetgeen tot haar aantrok en toch bedroefde. Vandaar ook, dat zij eene buitengewone terughoudendheid bij al de personen teweeg bracht, die de salons van haren vader bezochten, of die haar soms in de Stradona-laan ontmoetten.Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz. 48.)Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz.48.)Men zal gemakkelijk kunnen aannemen, dat Sava, die de eenige erfgename zou zijn van een vermogen, hetwelk kolossaal groot heette en wat haar eenmaal geheel zou toebehooren, meermalen tot een huwelijk aangezocht was geworden. Maar hoewel zich verscheidene jongelieden, die alle maatschappelijke eigenschappen en hoedanigheden in zich vereenigden, als huwelijks-candidaten voorgedaan hadden, had het jonge meisje steeds, wanneer zij geraadpleegd werd, zonder opgave van redenen geweigerd. Silas Toronthal had haar[50]dienaangaande nimmer gepolst of gedwongen. Ongetwijfeld was de schoonzoon, dien hij gewenscht had—meer voor zich zelven dan voor Sava—nog niet voorgekomen.Om het portret van SavaToronthalte voltooien, moeten wij nog mededeelen, dat zij eene zeer sterke neiging had om de daden van deugd of moed, die de vaderlandsliefde tot grondslag hadden, te bewonderen. Niet dat zij zich met staatkunde inliet; maar de verhalen, die het vaderland betroffen, de opofferingen, die voor den geboortegrond geschied waren, de jongere voorbeelden, die zoo eervol en roemvol in de geschiedenis prijkten, maakten steeds diepen indruk op haar.Indien zij die gevoelens niet aan het toeval harer geboorte ontleende—en inderdaad van Silas Toronthal had zij ze niet—dan had zij ze natuurlijk in haar edelmoedig hart moeten vinden.Verklaart dat niet—zooals de lezer waarschijnlijk reeds gegist zal hebben—de innige toenadering, welke tusschen Piet Bathory en Sava Toronthal daaruit ontstaan was? Ja, het kon als een zeker toeval van het ongeluk beschouwd worden, hetwelk in de plannen van den bankier verwarring en die beide jongelieden tot elkaar bracht. Sava was nog slechts twaalf jaren oud, toen iemand eens tegen haar zeide en daarbij naar Piet wees, die vooruitging:„Dat is de zoon van een man, die het leven voorHongarijeheeft ten offer gebracht!”Die woorden zouden nimmer uit het geheugen van het edele meisje gewischt worden.Beiden waren grooter geworden. Sava’s brein was reeds met het beeld van Piet vervuld, vóórdat deze het meisje nog opgemerkt had. Zij zag hem steeds zoo ernstig, zoo peinzend. Hij was arm, dat was waar; maar hij arbeidde ten minste om den naam zijns vaders eer aan te doen, wiens levensloop en wedervaren zij geheel en al kende.De lezer weet het overige.Hij weet, hoe Piet Bathory op zijne beurt bekoord en onweerstaanbaar aangetrokken werd door den aanblik van Sava, wier heerlijke geaardheid zoozeer met de zijne moest overeenkomen.Hij weet, hoe de jongman het lieve jonge meisje, dat wellicht nog onkundig was met den aard van het gevoel, hetwelk haar hartje binnengeslopen was, reeds met eene innige liefde beminde, eene liefde, die zij weldra deelen en gevoelen zou.Men zal alles, wat Sava Toronthal betreft, dadelijk begrijpen, wanneer men den toestand zal kennen, waarin zij zich bij hare ouders bevond.Tegenover haren vader was Sava steeds uitermate teruggetrokken geweest. Nimmer had er eenig gevoel van overeenkomst tusschen[51]die twee bestaan. Nimmer had hij het vaderlijk hart jegens zijne dochter laten spreken; nimmer had de dochter zich tot een streelend gebaar jegens haren vader laten verleiden. Bij den eenen was het droogheid des harten; maar bij de andere ontstond die verwijdering uit de oneenigheid, welke tusschen die beide karakters in alles waar te nemen was. Sava betoonde voor Silas Toronthal al den eerbied, dien een kind aan zijn vader verschuldigd is—maar ook niets meer.Bovendien, hij liet haar volkomen vrijheid om te handelen, zooals zij verkoos. Hij dwarsboomde haar niet in hare neigingen; hij stelde geene grenzen voor hare liefdadigheidswerken, die zijn behoefte aan uiterlijk verkeer zeer prikkelden en hem derhalve zeer bevielen.Om kort te gaan, bij hem was het volmaakte onverschilligheid, die hem bezielde. Bij haar, het moet erkend worden, was het eerder antipathie, bijna afkeer, dien zij onverklaarbaar genoeg ondervond voor den man, waarmede zij dagelijks omging.Voor hare moeder, voor mevrouw Toronthal, koesterde Sava geheel andere gevoelens. Ondervond die goede vrouw het onaangename van de heerschzucht van haren echtgenoot, die weinig beleefdheidsvormen jegens haar in acht nam, en toonde zij zich zwak tegenover die bejegening, dan sproot dat uit hare goedheid van karakter voort; want zij was duizendmaal beter dan hij, zoowel door het onbesprokene van haren levensloop, als door de zorg, die zij koesterde voor hare persoonlijke waardigheid.Mevrouw Toronthal had Sava oprecht lief. In weerwil van de terughoudendheid van het jonge meisje, had zij de meest degelijke hoedanigheden in haar meenen te ontdekken. Maar de genegenheid, die zij voor haar gevoelde, was inderdaad van buitengewonen aard. Zij was vermengd met een soort van bewondering, met een soort van eerbied en zelfs met een weinig vrees. Het edel, verheven karakter van Sava, hare rechtschapenheid en ook hare onverzettelijkheid in sommige oogenblikken en bij sommige voorvallen, konden dien vreemden vorm van moederlijke liefde eenigermate wettigen. Toch vergold het jeugdige meisje hare toegenegenheid met gelijke wederliefde. Zelfs zonder de banden des bloeds, zouden beiden toch uitermate aan elkander gehecht geweest zijn.Het zal dus bij den lezer geene verwondering baren, wanneer hij zal vernemen, dat mevrouw Toronthal de eerste was, die raadde, wat er in de ziel en in het hart van Sava omging. Het jonge meisje had haar dikwijls van Piet Bathory en van zijne familie gesproken, zonder evenwel daarbij den weemoedigen indruk, welken die naam bij hare moeder telkens teweeg bracht, te ontwaren. Toen dan ook mevrouw Toronthal tot erkenning gekomen was, dat Sava dien jongen man beminde, prevelde zij in haar binnenste:[52]„Zou God dat dan toch willen? Zou Hij dat kunnen willen? O! het is schier onmogelijk!”Wat die woorden in den mond van mevrouw Toronthal beteekenden, zal de lezer wel kunnen raden. Wat hij evenwel niet weten kan, en wat die rampzalige vrouw wel wist, dat is tot welk punt Sava’s liefde voor Piet Bathory een rechtvaardig herstel zou zijn voor het leed en de rampen, zijne familie aangedaan.Wanneer mevrouw Toronthal, die vroom en geloovig was, evenwel vermeenen kon, dat zulk een huwelijksband met de inzichten der Voorzienigheid zou kunnen strooken, zou het zaak zijn, dat ook haar echtgenoot tot die toenadering der beide familiën gewonnen werd. Zij besloot dan ook om hem, zonder er evenwel iets van aan Sava te zeggen, over dat onderwerp te polsen.Evenwel bij de eerste woorden reeds, die zijne gade zich liet ontvallen, werd Silas zoo woedend, dat hij iedere grens van betamelijkheid overschreed. Hij poogde dat gevoel van toorn zelfs niet te bemantelen of te bedwingen. Mevrouw Toronthal, door dien uitval onthutst en afgeschrikt, keerde ijlings naar hare vertrekken weer en kreeg de bedreiging mede:„Neem u in acht, mevrouw!.… Als gij u ooit mocht verstouten met dat voorstel andermaal te berde te komen, of er zelfs nog maar op te zinspelen, dan zult gij het u berouwen! Laat u dat genoeg zijn!”Dus het noodlot, zooals Silas Toronthal dat noemde, had niet alleen de familie Bathory in deze stad gevoerd, maar ook Sava en Piet, die elkander hadden leeren kennen en beminnen, tot elkander gebracht. Ja, dat mocht waarlijk een noodlot heeten! Een vreeselijk noodlot!Misschien vraagt de lezer zich af, waarom die toorn, waarom die verbittering van den kant des bankiers?Had hij geheime plannen gevormd omtrent Sava, omtrent hare toekomst? En werden die plannen thans gedwarsboomd?Zou, hij voor het geval dat zijn schandelijk verraad ooit aan het licht kwam, integendeel geen groot belang hebben, dat de gevolgen van die snoode daad vooraf binnen de grenzen der mogelijkheid hersteld en vergoed waren? Wat zou Piet Bathory, eenmaal de echtgenoot van Sava Toronthal geworden, kunnen zeggen, wanneer hij vernam, dat haar vader den dood van den zijnen veroorzaakt had? Wat zou mevrouw Bathory alsdan kunnen doen? Zeker zou dat een afgrijselijken toestand vormen: de zoon van het slachtoffer gehuwd met de dochter van den sluipmoordenaar! Afgrijselijk vooral voor dien zoon, niet voor hem Silas Toronthal!Voor hem zou dat huwelijk een schutmiddel wezen.Maar men was, wel is waar, zonder tijding omtrent Sarcany. Zijne[53]terugkomst was evenwel toch mogelijk. Waarschijnlijk bestonden vroegere afspraken tusschen den bankier en zijn medeplichtige. En deze was er de man niet naar, om die te vergeten, wanneer het hem in de wereld tegenliep.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Silas Toronthal wel eenige bekommernis gevoelde omtrent dien Sarcany, zijnen Tripolitaanschen makelaar van weleer, vooral omtrent zijn wedervaren tot heden. Hij had sedert die zaak te Triëst geen tijding hoegenaamd van hem gehad en het was dus reeds meer dan vijftien jaren geleden, dat zij van elkander gegaan waren. Nu en dan had hij getracht berichten in te winnen, maar steeds te vergeefs.Zelfs in Sicilië, waar hij wist, dat Sarcany door tusschenkomst van zijn ouden makker Zirone betrekkingen onderhield, waren de nasporingen vruchteloos gebleven. Toch konSarcanyden eenen of anderen dag te voorschijn treden. Dat was inderdaad een voortdurend schrikbeeld voor den bankier.Maar kon die gelukzoeker ook dood zijn? Wie weet?Misschienwel!Dat zou eene tijding wezen, die Silas Toronthal met onuitsprekelijk genoegen ontvangen zou.Dan zou hij wellicht de mogelijkheid van eene vereeniging, van een band tusschen de familie Bathory en de zijne leeren inzien en zijne bewilliging verleenen.Maar zoo als de zaken thans stonden, was er in ieder geval niet aan te denken. Dat begreep mevrouw Toronthal al ras.Silas Toronthal kwam dus niet terug op de ruwe bejegeningen, die hij zijne echtgenoote had doen ondergaan, toen zij met die zaak te berde kwam. Hij sprak er niet meer over en vermeed ten stipste eenige verklaring te geven. Hij stelde zich tot taak, haar en Sava beter te bewaken, haar zelfs te doen bespionneeren. Wat den jeugdigen werktuigkundige betrof, dien zou hij nog trotscher bejegenen; hij zou het hoofd afwenden, wanneer hij hem ontmoeten zou; in éen woord: hij zou zoo handelen, dat hem duidelijk moest zijn, dat er geen ziertje hoop te koesteren was. Ja, dat was de gedragslijn, waartoe hij besloot, en hij slaagde er maar al te goed in, om den radeloozen verliefde te toonen, dat iedere stap van zijn kant totaal overbodig zou zijn.Het was onder die omstandigheden, dat in den avond van den 10denJuni, Sarcany’s naam in de salons van de woning in de Stradona-laan weerklonk, nadat de deuren zich voor dezen schaamteloozen kerel hadden geopend.Dienzelfden morgen had Sarcany, door Namir vergezeld, in denspoortreinvan Cattaro naar Ragusa plaats genomen.Hij was in een der voornaamste hôtels van de stad afgestapt, had daar zijn[54]reispak tegen een elegant toilet verwisseld en had zich, zonder een oogenblik te laten verloren gaan en zonder aarzeling te laten blijken, aan de woning van zijn ouden medeplichtige aangemeld. Hij rekende voorzeker op de machtspreuk: aan de stoutmoedigen behoort het heelal!Silas Toronthal ontving hem en gaf bevelen, dat hun onderhoud niet zoude gestoord worden.Hoe nam de bankier dat bezoek van Sarcany op?Had hij geestkracht genoeg, om hetgeen hij moest gevoelen bij dat wederzien te bemantelen en ging hij tot onderhandelingen met hem over?Was Sarcany van zijn kant heerschzuchtig, onbeschaamd, ja onbeschoft, zooals hij vroeger was? Herinnerde hij den bankier hunne afspraken en de beloften, die deze misschien gedaan had, overeenkomsten, die lang geleden aangegaan waren?Spraken zij eindelijk over het verleden, over het heden, over de toekomst, ja over de toekomst?Dat kon niemand zeggen; want behalve door hen beiden werd dat onderhoud door geen sterveling bijgewoond en kon het door niemand beluisterd of gestoord worden.Maar ziehier, wat er uit voortvloeide.Vier en twintig uren later verbreidde zich een nieuwtje door de stad, dat wel geschikt was, om verwondering te baren. Men sprak van een huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal en voegde er bij, dat die Sarcany een onmetelijk rijk en adellijk inboorling van Tripoli was. De lezer weet, wat er van dien adeldom aan is.Blijkbaar had de bankier tegenover de bedreigingen van dien man, die hem in het verderf kon storten, moeten toegeven. Noch de smeekbeden zijner echtgenoote, noch de afschuw, die Sava, toen haar vader haar zijn wil meende op te dringen, aan den dag legde, vermocht iets.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Wij zullen slechts een enkel woord reppen over het belang, dat Sarcany bij het sluiten van dat huwelijk had,—een belang, dat hij volstrekt niet voor Silas Toronthal verborgen gehouden had. Sarcany was namelijk geruïneerd. Het gedeelte van dat zoo schandelijk verworven vermogen, hetwelk den bankier in staat gesteld had, om het crediet van zijn wankelend huis te herstellen, was nauwelijks voldoende geweest voor den gelukzoeker, om gedurende vijftien jaren zijne hartstochten bot te vieren. Sedert hij Triëst verliet, had Sarcany geheel Europa doorreisd en daarbij als verkwister geleefd, voor wien de vertrekken, die hij in de hôtels te Parijs, Londen, Amsterdam, Weenen, Berlijn en Rome betrok, nimmer ramen genoeg gehad hadden, waardoor hij het geld volgens de invallen zijner grillige luimen had kunnen wegwerpen. Na de vermaken en genoegens[56]van allerlei aard daar genoten te hebben, ging hij aan de kansen van het lot vragen, om in te slokken wat hem van zijn vermogen nog over gebleven was. Hij bezocht dan ook de steden in Zwitserland en Spanje, waar nog speelbanken aangetroffen worden. Hij bezocht het Vorstendom Monaco, dat door een cirkel van Franschen grenzen omgeven is.Het zal wel niet noodig zijn er bij te vertellen, dat Zirone gedurende dat geheele tijdvak zijn onafscheidelijke makker geweest was. Toen hen evenwel nog slechts ettelijke duizenden guldens overbleven, waren zij naar het eiland, hetwelk voor ieder Siciliaan zoo dierbaar is, naar het oostelijk deel van het oude Trinacria (het driepuntige) teruggekeerd. Daar bleven zij evenwel, in afwachting van de gebeurlijkheden, niet werkeloos, dat wil zeggen totdat Sarcany den tijd gekomen zou achten om zijne relatiën met den bankier Silas Toronthal te hervatten.En inderdaad was een huwelijk met Sava, de eenige erfgename van den rijken Silas Toronthal, niet de eenvoudigste oplossing van het vraagstuk betreffende het herstel van zijn vermogen?De bankier kon en mocht hem toch niets weigeren.Misschien bestond er tusschen die twee mannen, behalve die band, dien de lezers reeds kennen, nog een andere, die de toekomst alleen kan ontsluieren.Intusschen vroeg Sava eene juiste verklaring aan haren vader, waarom hij op dusdanige wijze over haar beschikte.„Mijne eer hangt van dat huwelijk af,” had Silas Toronthal na tal van uitvluchten geantwoord, „en dat huwelijk zal voltrokken worden.”Toen Sava dat antwoord van den bankier aan hare moeder overbracht, viel deze schier bewusteloos in de armen harer dochter en kon slechts tranen van wanhoop storten.Silas Toronthal had dus in zijn voornemen volhard.Het huwelijk werd op den 6denJuli vastgesteld en zou op dien dag voltrokken worden.Men kan begrijpen, hoe Piet Bathory gedurende die drie weken leed! Zijne ontsteltenis en opgewondenheid waren schrikkelijk om aan te zien. Hij had aanvallen van machtelooze woede en bleef nu eens opgesloten in zijn vertrek in de Marinella-straat, dan weer ontsnapte hij uit de gevloekte stad in eene zoodanige gemoedstemming, dat mevrouw Bathory inderdaad vreezen kon, dat hij tot een wanhopigen stap in staat was en dat zij hem niet meer terug zou zien. Het was verschrikkelijk!Welke troostwoorden zou zij hem ook hebben kunnen doen hooren?Zoolang er geen quaestie van dat huwelijk geweest was, kon Piet Bathory, hoewel hij door den vader van Sava afgewezen werd, eenige[57]hoop, wel is waar zeer weinig, maar toch nog hoop koesteren. Maar was Sava eenmaal gehuwd, dan was er een afgrond—een onoverkomelijke afgrond ditmaal tusschen de beide jongelieden gegraven.Wat dokter Antekirrt ook mocht gezegd of beloofd hebben, och, altemaal praatjes! Ook deze scheen Piet in den steek te laten.Maar.… hij vroeg zich af, hoe het mogelijk was, dat het jonge meisje, dat hem toch zoozeer beminde en wier geest krachtvolle geaardheid hij kende, tot die vereeniging hare toestemming had kunnen geven?Welk geheim beheerschte dan toch die woning in de Stradona-laan, waar zoo iets kon gebeuren?Och, Piet had zeer zeker beter gedaan met Ragusa te verlaten, met de voorstellen aan te nemen, die hem daar buiten gedaan waren, met ver, zeer ver weg van Sava heen te gaan, van Sava, die men aan dien vreemdeling, aan dien Sarcany overleverde.„Neen!” riep hij uit en herhaalde hij telkens: „Neen! dat is onmogelijk!.… Ik bemin haar!”De wanhoop was dus die woning binnengedrongen, waar weinige dagen te voren een straal van hoop gegloord had.Helaas, ja!Pescadospunt vervulde intusschen steeds zijne rol van verspieder en was dus geheel en al op de hoogte omtrent de geruchten, die in de stad liepen, ook omtrent hetgeen in de Stradona-laan voorbereid werd.Zoodra hij het bericht van het huwelijk tusschen Sava Toronthal en Sarcany vernam, schreef hij naar Cattaro.Zoodra hij zich had kunnen overtuigen omtrent den ellendigen toestand, waartoe die tijding den jeugdigen ingenieur, die hem levendig belang inboezemde, gebracht had, deed hij daarvan mededeeling aan dokter Antekirrt.Tot eenig antwoord ontving hij het bevel, om voort te gaan met alles gade te slaan wat te Ragusa voorviel en hem te Cattaro daaromtrent op de hoogte te houden.Midderwijl naarmate die ongelukkige datum van 6 Juli naderde, verergerde de toestand van Piet Bathory al meer en meer. Zijne moeder kon hem niet meer tot kalmte brengen. Hoe zou Silas Toronthal dan ook te bewegen zijn om zijne plannen te wijzigen? Was het niet klaarblijkelijk uit de haast, waarmede dit huwelijk kenbaar gemaakt en vastgesteld was, dat het reeds sedert lang besloten was? Bleek daar niet duidelijk uit, dat Sarcany en de bankier Silas Toronthal elkander sedert lang kenden, dat die „rijke Tripolitaan” op den vader van Sava een bijzonderen invloed moest hebben.Door die niet te verdrijven denkbeelden gemarteld, kwam Piet Bathory op de gedachte, om acht dagen vóór de voltrekking van het huwelijk aan Silas Toronthal te schrijven.[58]Hij deed zulks; maar.… zooals wel te voorzien was, hij kreeg geen antwoord.Piet poogde toen den bankier op straat te ontmoeten.…Dat lukte ook al niet. De bankier scheen hem opzettelijk te ontwijken.Piet wilde hem in zijne woning gaan opzoeken.…Hij slaagde er zelfs niet in, den drempel van de deur te overschrijden. Dat was trouwens te voorzien geweest.Wat Sava en hare moeder betrof, die waren thans geheel en al onzichtbaar. Geene mogelijkheid bestond er om tot haar te genaken.Maar kon Piet Bathory noch Sava, noch hare moeder, noch haren vader ontmoeten, daarentegen kwam hij herhaalde malen in de Stradona-laan Sarcany tegen, ja liep hij hem bijkans tegen het lijf. Den blik van haat, dien de jongman op hem wierp, beantwoordde Sarcany slechts met een onbeschoft, minachtend gebaar. Piet Bathory dacht er toen aan om hem uit te dagen, om hem tot vechten te noodzaken.…Onder welk voorwendsel evenwel zou hij dat kunnen doen, en waarom zou Sarcany, om zoo te zeggen daags vóór zijn huwelijk met Sava Toronthal, eene zoodanige ontmoeting inwilligen? Had hij er niet integendeel alle belang bij, om die te vermijden? Neen, van een tweegevecht was ook geen uitkomst te verwachten.Zoo gingen zes dagen voorbij, zes lange, zes eindelooze dagen! Het was alsof er geen einde aan kwam!In weerwil van de smeekingen zijner moeder, in weerwil van het bidden van den ouden Borik, verliet Piet in den avond van den 4denJuli de woning in de Marinella-straat. De oude dienaar poogde hem te volgen; maar deze met zijne oude beenen was het spoor van den jongen man weldra bijster. Piet dwaalde als een waanzinnige op goed geluk af, door de eenzaamste straten der stad langs de buitenmuren van Ragusa.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van mevrouw Bathory terug.Een dolksteek had het bovenste gedeelte zijner linkerlong doorboord. Eene zeer gevaarlijke wond!Er was geen twijfel mogelijk. Piet had in een aanval van krankzinnige wanhoop, de hand aan zich zelven geslagen!Zoodra Pescadospunt dat ongeluk vernam, liep hij in alle haast naar het telegraafkantoor.Ene uur later ontving dokter Antekirrt de tijding van den zelfmoord van den jongen man te Cattaro.Het zou moeilijk zijn de smart van mevrouw Bathory te beschrijven, toen zij zich tegenover haren bewusteloozen zoon bevond, die wellicht nog slechts weinige uren te leven had. Maar[59]de geestkracht der moeder bestreed de zwakheden der vrouw. Vóór alles moest er hulp verleend, moest de gekwetste verpleegd en verzorgd worden. Tranen konden later vergoten worden. Daartoe was thans geen tijd.Een dokter werd geroepen en kwam ook dadelijk. Hij onderzocht den gewonde; hij luisterde naar zijne zwakke en tusschenpoozende ademhaling; hij sloeg het onregelmatige op en neergaan der borstkas gade; hij peilde de wonde, legde het eerste verband, in één woord, hij verleende die zorg der kunst, in dergelijke gevallen noodig en gebruikelijk, maar hij deelde geene hoop mede, die hij zelf niet bezat.Vijftien uren later was de toestand van den jongen man nog verergerd door eene zeer belangrijke verbloeding. Zijne ademhaling was toen nog nauwelijks waarneembaar, en dreigde in een laatsten zucht heen te vlieden.Mevrouw Bathory was op de knieën naast het ledikant gevallen en bad God innig haren zoon toch te willen sparen.In dit oogenblik ging de deur der kamer open.…Dokter Antekirrt stapte regelrecht op de sponde van den stervende toe.Mevrouw Bathory wilde tot hem ijlen.… Hij weerhield haar met een enkel gebaar.Toen bukte de dokter over Piet en onderzocht hem met de grootste aandacht, zonder evenwel een enkel woord te spreken. Daarna bekeek hij hem met een onweerstaanbaren blik. En alsof een electrische stroom uit zijne oogen schoot, scheen hij in die hersens, waarin de gedachte op het punt was om uitgebluscht te worden, zijn eigen leven met zijn eigen wil te doen doordringen.Plotseling richtte zich Piet half overeind op. Zijn oogleden openden zich. Hij keek den dokter aan. Daarna viel hij levenloos neder.Mevrouw Bathory stiet een kreet uit, viel op haren zoon en lag weldra bewusteloos in de armen van den ouden Borik.Toen sloot de dokter de oogen van den jeugdigen doode. Daarna richtte hij zich overeind, verliet de kamer en men zou hem die spreuk, aan de Indische legenden ontleend, hebben kunnen hooren prevelen:„De dood vernietigt niet, hij maakt slechts onzichtbaar.”[60]
[Inhoud]III.VERWIKKELINGEN.Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in[44]die prachtige woning in deStradona-laante komen vestigen. Hij was Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren, zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het Tripolitaansche, toegewezen geworden.Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen van de veroordeelden en gevonnisden.Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen. Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de erfgename van den graafweergegevente worden, wanneer zij meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden. Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou zijn deel aan den Staat vervallen.Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu de voorspoedige dagen aangebroken waren.[45]Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.Waarheen waren zij gegaan?Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen, mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier Silas Toronthal.Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad toen eerst haalde hij weer vrij adem.Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te keeren.Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen. Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een weelderig bestaan verzekerde.Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij sedert jaren niet meer geweest was.Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken man, die binnen de muren zijnergeboortestadwederkeerde, goed. Zij wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een voornaam man was geweest. De bankier zocht en[46]vond eene woning in het voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten worden. Zeker, maar.…SilasToronthalwas, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan kunnen aanbrengen.Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de ontdekking van de Triëster samenzwering.Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde zijzooveelhaar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa, geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter, waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.Daar trachtte zij dan te vergeten.[47]Vergeten!.… Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook nieuwe droefheid bij mevrouw.Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo kende hij haar toch.Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden, haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten varen.Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel hoofdschuddend bij zich zelven.Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige getuige te sluiten.Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging. Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle landen der wereld.Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden, van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan[48]ook, zeer in het geheim, verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken; niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen, die er uit geboren zouden worden.Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar 1867 te Ragusa kwamen wonen.Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt.De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand. Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker geschikt om ieders blik te boeien.Maar wat vooral in haar persoon bekoorde en wat bovendien de gevoelige zielen uitermate trof, dat was het ernstige uiterlijk van dat jonge meisje; dat was haar peinzend gelaat, alsof zij steeds over vervlogen schier uitgewischte herinneringen nadacht en die met den geest vervolgde. Er bestond iets onverklaarbaars, hetgeen tot haar aantrok en toch bedroefde. Vandaar ook, dat zij eene buitengewone terughoudendheid bij al de personen teweeg bracht, die de salons van haren vader bezochten, of die haar soms in de Stradona-laan ontmoetten.Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz. 48.)Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz.48.)Men zal gemakkelijk kunnen aannemen, dat Sava, die de eenige erfgename zou zijn van een vermogen, hetwelk kolossaal groot heette en wat haar eenmaal geheel zou toebehooren, meermalen tot een huwelijk aangezocht was geworden. Maar hoewel zich verscheidene jongelieden, die alle maatschappelijke eigenschappen en hoedanigheden in zich vereenigden, als huwelijks-candidaten voorgedaan hadden, had het jonge meisje steeds, wanneer zij geraadpleegd werd, zonder opgave van redenen geweigerd. Silas Toronthal had haar[50]dienaangaande nimmer gepolst of gedwongen. Ongetwijfeld was de schoonzoon, dien hij gewenscht had—meer voor zich zelven dan voor Sava—nog niet voorgekomen.Om het portret van SavaToronthalte voltooien, moeten wij nog mededeelen, dat zij eene zeer sterke neiging had om de daden van deugd of moed, die de vaderlandsliefde tot grondslag hadden, te bewonderen. Niet dat zij zich met staatkunde inliet; maar de verhalen, die het vaderland betroffen, de opofferingen, die voor den geboortegrond geschied waren, de jongere voorbeelden, die zoo eervol en roemvol in de geschiedenis prijkten, maakten steeds diepen indruk op haar.Indien zij die gevoelens niet aan het toeval harer geboorte ontleende—en inderdaad van Silas Toronthal had zij ze niet—dan had zij ze natuurlijk in haar edelmoedig hart moeten vinden.Verklaart dat niet—zooals de lezer waarschijnlijk reeds gegist zal hebben—de innige toenadering, welke tusschen Piet Bathory en Sava Toronthal daaruit ontstaan was? Ja, het kon als een zeker toeval van het ongeluk beschouwd worden, hetwelk in de plannen van den bankier verwarring en die beide jongelieden tot elkaar bracht. Sava was nog slechts twaalf jaren oud, toen iemand eens tegen haar zeide en daarbij naar Piet wees, die vooruitging:„Dat is de zoon van een man, die het leven voorHongarijeheeft ten offer gebracht!”Die woorden zouden nimmer uit het geheugen van het edele meisje gewischt worden.Beiden waren grooter geworden. Sava’s brein was reeds met het beeld van Piet vervuld, vóórdat deze het meisje nog opgemerkt had. Zij zag hem steeds zoo ernstig, zoo peinzend. Hij was arm, dat was waar; maar hij arbeidde ten minste om den naam zijns vaders eer aan te doen, wiens levensloop en wedervaren zij geheel en al kende.De lezer weet het overige.Hij weet, hoe Piet Bathory op zijne beurt bekoord en onweerstaanbaar aangetrokken werd door den aanblik van Sava, wier heerlijke geaardheid zoozeer met de zijne moest overeenkomen.Hij weet, hoe de jongman het lieve jonge meisje, dat wellicht nog onkundig was met den aard van het gevoel, hetwelk haar hartje binnengeslopen was, reeds met eene innige liefde beminde, eene liefde, die zij weldra deelen en gevoelen zou.Men zal alles, wat Sava Toronthal betreft, dadelijk begrijpen, wanneer men den toestand zal kennen, waarin zij zich bij hare ouders bevond.Tegenover haren vader was Sava steeds uitermate teruggetrokken geweest. Nimmer had er eenig gevoel van overeenkomst tusschen[51]die twee bestaan. Nimmer had hij het vaderlijk hart jegens zijne dochter laten spreken; nimmer had de dochter zich tot een streelend gebaar jegens haren vader laten verleiden. Bij den eenen was het droogheid des harten; maar bij de andere ontstond die verwijdering uit de oneenigheid, welke tusschen die beide karakters in alles waar te nemen was. Sava betoonde voor Silas Toronthal al den eerbied, dien een kind aan zijn vader verschuldigd is—maar ook niets meer.Bovendien, hij liet haar volkomen vrijheid om te handelen, zooals zij verkoos. Hij dwarsboomde haar niet in hare neigingen; hij stelde geene grenzen voor hare liefdadigheidswerken, die zijn behoefte aan uiterlijk verkeer zeer prikkelden en hem derhalve zeer bevielen.Om kort te gaan, bij hem was het volmaakte onverschilligheid, die hem bezielde. Bij haar, het moet erkend worden, was het eerder antipathie, bijna afkeer, dien zij onverklaarbaar genoeg ondervond voor den man, waarmede zij dagelijks omging.Voor hare moeder, voor mevrouw Toronthal, koesterde Sava geheel andere gevoelens. Ondervond die goede vrouw het onaangename van de heerschzucht van haren echtgenoot, die weinig beleefdheidsvormen jegens haar in acht nam, en toonde zij zich zwak tegenover die bejegening, dan sproot dat uit hare goedheid van karakter voort; want zij was duizendmaal beter dan hij, zoowel door het onbesprokene van haren levensloop, als door de zorg, die zij koesterde voor hare persoonlijke waardigheid.Mevrouw Toronthal had Sava oprecht lief. In weerwil van de terughoudendheid van het jonge meisje, had zij de meest degelijke hoedanigheden in haar meenen te ontdekken. Maar de genegenheid, die zij voor haar gevoelde, was inderdaad van buitengewonen aard. Zij was vermengd met een soort van bewondering, met een soort van eerbied en zelfs met een weinig vrees. Het edel, verheven karakter van Sava, hare rechtschapenheid en ook hare onverzettelijkheid in sommige oogenblikken en bij sommige voorvallen, konden dien vreemden vorm van moederlijke liefde eenigermate wettigen. Toch vergold het jeugdige meisje hare toegenegenheid met gelijke wederliefde. Zelfs zonder de banden des bloeds, zouden beiden toch uitermate aan elkander gehecht geweest zijn.Het zal dus bij den lezer geene verwondering baren, wanneer hij zal vernemen, dat mevrouw Toronthal de eerste was, die raadde, wat er in de ziel en in het hart van Sava omging. Het jonge meisje had haar dikwijls van Piet Bathory en van zijne familie gesproken, zonder evenwel daarbij den weemoedigen indruk, welken die naam bij hare moeder telkens teweeg bracht, te ontwaren. Toen dan ook mevrouw Toronthal tot erkenning gekomen was, dat Sava dien jongen man beminde, prevelde zij in haar binnenste:[52]„Zou God dat dan toch willen? Zou Hij dat kunnen willen? O! het is schier onmogelijk!”Wat die woorden in den mond van mevrouw Toronthal beteekenden, zal de lezer wel kunnen raden. Wat hij evenwel niet weten kan, en wat die rampzalige vrouw wel wist, dat is tot welk punt Sava’s liefde voor Piet Bathory een rechtvaardig herstel zou zijn voor het leed en de rampen, zijne familie aangedaan.Wanneer mevrouw Toronthal, die vroom en geloovig was, evenwel vermeenen kon, dat zulk een huwelijksband met de inzichten der Voorzienigheid zou kunnen strooken, zou het zaak zijn, dat ook haar echtgenoot tot die toenadering der beide familiën gewonnen werd. Zij besloot dan ook om hem, zonder er evenwel iets van aan Sava te zeggen, over dat onderwerp te polsen.Evenwel bij de eerste woorden reeds, die zijne gade zich liet ontvallen, werd Silas zoo woedend, dat hij iedere grens van betamelijkheid overschreed. Hij poogde dat gevoel van toorn zelfs niet te bemantelen of te bedwingen. Mevrouw Toronthal, door dien uitval onthutst en afgeschrikt, keerde ijlings naar hare vertrekken weer en kreeg de bedreiging mede:„Neem u in acht, mevrouw!.… Als gij u ooit mocht verstouten met dat voorstel andermaal te berde te komen, of er zelfs nog maar op te zinspelen, dan zult gij het u berouwen! Laat u dat genoeg zijn!”Dus het noodlot, zooals Silas Toronthal dat noemde, had niet alleen de familie Bathory in deze stad gevoerd, maar ook Sava en Piet, die elkander hadden leeren kennen en beminnen, tot elkander gebracht. Ja, dat mocht waarlijk een noodlot heeten! Een vreeselijk noodlot!Misschien vraagt de lezer zich af, waarom die toorn, waarom die verbittering van den kant des bankiers?Had hij geheime plannen gevormd omtrent Sava, omtrent hare toekomst? En werden die plannen thans gedwarsboomd?Zou, hij voor het geval dat zijn schandelijk verraad ooit aan het licht kwam, integendeel geen groot belang hebben, dat de gevolgen van die snoode daad vooraf binnen de grenzen der mogelijkheid hersteld en vergoed waren? Wat zou Piet Bathory, eenmaal de echtgenoot van Sava Toronthal geworden, kunnen zeggen, wanneer hij vernam, dat haar vader den dood van den zijnen veroorzaakt had? Wat zou mevrouw Bathory alsdan kunnen doen? Zeker zou dat een afgrijselijken toestand vormen: de zoon van het slachtoffer gehuwd met de dochter van den sluipmoordenaar! Afgrijselijk vooral voor dien zoon, niet voor hem Silas Toronthal!Voor hem zou dat huwelijk een schutmiddel wezen.Maar men was, wel is waar, zonder tijding omtrent Sarcany. Zijne[53]terugkomst was evenwel toch mogelijk. Waarschijnlijk bestonden vroegere afspraken tusschen den bankier en zijn medeplichtige. En deze was er de man niet naar, om die te vergeten, wanneer het hem in de wereld tegenliep.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Silas Toronthal wel eenige bekommernis gevoelde omtrent dien Sarcany, zijnen Tripolitaanschen makelaar van weleer, vooral omtrent zijn wedervaren tot heden. Hij had sedert die zaak te Triëst geen tijding hoegenaamd van hem gehad en het was dus reeds meer dan vijftien jaren geleden, dat zij van elkander gegaan waren. Nu en dan had hij getracht berichten in te winnen, maar steeds te vergeefs.Zelfs in Sicilië, waar hij wist, dat Sarcany door tusschenkomst van zijn ouden makker Zirone betrekkingen onderhield, waren de nasporingen vruchteloos gebleven. Toch konSarcanyden eenen of anderen dag te voorschijn treden. Dat was inderdaad een voortdurend schrikbeeld voor den bankier.Maar kon die gelukzoeker ook dood zijn? Wie weet?Misschienwel!Dat zou eene tijding wezen, die Silas Toronthal met onuitsprekelijk genoegen ontvangen zou.Dan zou hij wellicht de mogelijkheid van eene vereeniging, van een band tusschen de familie Bathory en de zijne leeren inzien en zijne bewilliging verleenen.Maar zoo als de zaken thans stonden, was er in ieder geval niet aan te denken. Dat begreep mevrouw Toronthal al ras.Silas Toronthal kwam dus niet terug op de ruwe bejegeningen, die hij zijne echtgenoote had doen ondergaan, toen zij met die zaak te berde kwam. Hij sprak er niet meer over en vermeed ten stipste eenige verklaring te geven. Hij stelde zich tot taak, haar en Sava beter te bewaken, haar zelfs te doen bespionneeren. Wat den jeugdigen werktuigkundige betrof, dien zou hij nog trotscher bejegenen; hij zou het hoofd afwenden, wanneer hij hem ontmoeten zou; in éen woord: hij zou zoo handelen, dat hem duidelijk moest zijn, dat er geen ziertje hoop te koesteren was. Ja, dat was de gedragslijn, waartoe hij besloot, en hij slaagde er maar al te goed in, om den radeloozen verliefde te toonen, dat iedere stap van zijn kant totaal overbodig zou zijn.Het was onder die omstandigheden, dat in den avond van den 10denJuni, Sarcany’s naam in de salons van de woning in de Stradona-laan weerklonk, nadat de deuren zich voor dezen schaamteloozen kerel hadden geopend.Dienzelfden morgen had Sarcany, door Namir vergezeld, in denspoortreinvan Cattaro naar Ragusa plaats genomen.Hij was in een der voornaamste hôtels van de stad afgestapt, had daar zijn[54]reispak tegen een elegant toilet verwisseld en had zich, zonder een oogenblik te laten verloren gaan en zonder aarzeling te laten blijken, aan de woning van zijn ouden medeplichtige aangemeld. Hij rekende voorzeker op de machtspreuk: aan de stoutmoedigen behoort het heelal!Silas Toronthal ontving hem en gaf bevelen, dat hun onderhoud niet zoude gestoord worden.Hoe nam de bankier dat bezoek van Sarcany op?Had hij geestkracht genoeg, om hetgeen hij moest gevoelen bij dat wederzien te bemantelen en ging hij tot onderhandelingen met hem over?Was Sarcany van zijn kant heerschzuchtig, onbeschaamd, ja onbeschoft, zooals hij vroeger was? Herinnerde hij den bankier hunne afspraken en de beloften, die deze misschien gedaan had, overeenkomsten, die lang geleden aangegaan waren?Spraken zij eindelijk over het verleden, over het heden, over de toekomst, ja over de toekomst?Dat kon niemand zeggen; want behalve door hen beiden werd dat onderhoud door geen sterveling bijgewoond en kon het door niemand beluisterd of gestoord worden.Maar ziehier, wat er uit voortvloeide.Vier en twintig uren later verbreidde zich een nieuwtje door de stad, dat wel geschikt was, om verwondering te baren. Men sprak van een huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal en voegde er bij, dat die Sarcany een onmetelijk rijk en adellijk inboorling van Tripoli was. De lezer weet, wat er van dien adeldom aan is.Blijkbaar had de bankier tegenover de bedreigingen van dien man, die hem in het verderf kon storten, moeten toegeven. Noch de smeekbeden zijner echtgenoote, noch de afschuw, die Sava, toen haar vader haar zijn wil meende op te dringen, aan den dag legde, vermocht iets.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Wij zullen slechts een enkel woord reppen over het belang, dat Sarcany bij het sluiten van dat huwelijk had,—een belang, dat hij volstrekt niet voor Silas Toronthal verborgen gehouden had. Sarcany was namelijk geruïneerd. Het gedeelte van dat zoo schandelijk verworven vermogen, hetwelk den bankier in staat gesteld had, om het crediet van zijn wankelend huis te herstellen, was nauwelijks voldoende geweest voor den gelukzoeker, om gedurende vijftien jaren zijne hartstochten bot te vieren. Sedert hij Triëst verliet, had Sarcany geheel Europa doorreisd en daarbij als verkwister geleefd, voor wien de vertrekken, die hij in de hôtels te Parijs, Londen, Amsterdam, Weenen, Berlijn en Rome betrok, nimmer ramen genoeg gehad hadden, waardoor hij het geld volgens de invallen zijner grillige luimen had kunnen wegwerpen. Na de vermaken en genoegens[56]van allerlei aard daar genoten te hebben, ging hij aan de kansen van het lot vragen, om in te slokken wat hem van zijn vermogen nog over gebleven was. Hij bezocht dan ook de steden in Zwitserland en Spanje, waar nog speelbanken aangetroffen worden. Hij bezocht het Vorstendom Monaco, dat door een cirkel van Franschen grenzen omgeven is.Het zal wel niet noodig zijn er bij te vertellen, dat Zirone gedurende dat geheele tijdvak zijn onafscheidelijke makker geweest was. Toen hen evenwel nog slechts ettelijke duizenden guldens overbleven, waren zij naar het eiland, hetwelk voor ieder Siciliaan zoo dierbaar is, naar het oostelijk deel van het oude Trinacria (het driepuntige) teruggekeerd. Daar bleven zij evenwel, in afwachting van de gebeurlijkheden, niet werkeloos, dat wil zeggen totdat Sarcany den tijd gekomen zou achten om zijne relatiën met den bankier Silas Toronthal te hervatten.En inderdaad was een huwelijk met Sava, de eenige erfgename van den rijken Silas Toronthal, niet de eenvoudigste oplossing van het vraagstuk betreffende het herstel van zijn vermogen?De bankier kon en mocht hem toch niets weigeren.Misschien bestond er tusschen die twee mannen, behalve die band, dien de lezers reeds kennen, nog een andere, die de toekomst alleen kan ontsluieren.Intusschen vroeg Sava eene juiste verklaring aan haren vader, waarom hij op dusdanige wijze over haar beschikte.„Mijne eer hangt van dat huwelijk af,” had Silas Toronthal na tal van uitvluchten geantwoord, „en dat huwelijk zal voltrokken worden.”Toen Sava dat antwoord van den bankier aan hare moeder overbracht, viel deze schier bewusteloos in de armen harer dochter en kon slechts tranen van wanhoop storten.Silas Toronthal had dus in zijn voornemen volhard.Het huwelijk werd op den 6denJuli vastgesteld en zou op dien dag voltrokken worden.Men kan begrijpen, hoe Piet Bathory gedurende die drie weken leed! Zijne ontsteltenis en opgewondenheid waren schrikkelijk om aan te zien. Hij had aanvallen van machtelooze woede en bleef nu eens opgesloten in zijn vertrek in de Marinella-straat, dan weer ontsnapte hij uit de gevloekte stad in eene zoodanige gemoedstemming, dat mevrouw Bathory inderdaad vreezen kon, dat hij tot een wanhopigen stap in staat was en dat zij hem niet meer terug zou zien. Het was verschrikkelijk!Welke troostwoorden zou zij hem ook hebben kunnen doen hooren?Zoolang er geen quaestie van dat huwelijk geweest was, kon Piet Bathory, hoewel hij door den vader van Sava afgewezen werd, eenige[57]hoop, wel is waar zeer weinig, maar toch nog hoop koesteren. Maar was Sava eenmaal gehuwd, dan was er een afgrond—een onoverkomelijke afgrond ditmaal tusschen de beide jongelieden gegraven.Wat dokter Antekirrt ook mocht gezegd of beloofd hebben, och, altemaal praatjes! Ook deze scheen Piet in den steek te laten.Maar.… hij vroeg zich af, hoe het mogelijk was, dat het jonge meisje, dat hem toch zoozeer beminde en wier geest krachtvolle geaardheid hij kende, tot die vereeniging hare toestemming had kunnen geven?Welk geheim beheerschte dan toch die woning in de Stradona-laan, waar zoo iets kon gebeuren?Och, Piet had zeer zeker beter gedaan met Ragusa te verlaten, met de voorstellen aan te nemen, die hem daar buiten gedaan waren, met ver, zeer ver weg van Sava heen te gaan, van Sava, die men aan dien vreemdeling, aan dien Sarcany overleverde.„Neen!” riep hij uit en herhaalde hij telkens: „Neen! dat is onmogelijk!.… Ik bemin haar!”De wanhoop was dus die woning binnengedrongen, waar weinige dagen te voren een straal van hoop gegloord had.Helaas, ja!Pescadospunt vervulde intusschen steeds zijne rol van verspieder en was dus geheel en al op de hoogte omtrent de geruchten, die in de stad liepen, ook omtrent hetgeen in de Stradona-laan voorbereid werd.Zoodra hij het bericht van het huwelijk tusschen Sava Toronthal en Sarcany vernam, schreef hij naar Cattaro.Zoodra hij zich had kunnen overtuigen omtrent den ellendigen toestand, waartoe die tijding den jeugdigen ingenieur, die hem levendig belang inboezemde, gebracht had, deed hij daarvan mededeeling aan dokter Antekirrt.Tot eenig antwoord ontving hij het bevel, om voort te gaan met alles gade te slaan wat te Ragusa voorviel en hem te Cattaro daaromtrent op de hoogte te houden.Midderwijl naarmate die ongelukkige datum van 6 Juli naderde, verergerde de toestand van Piet Bathory al meer en meer. Zijne moeder kon hem niet meer tot kalmte brengen. Hoe zou Silas Toronthal dan ook te bewegen zijn om zijne plannen te wijzigen? Was het niet klaarblijkelijk uit de haast, waarmede dit huwelijk kenbaar gemaakt en vastgesteld was, dat het reeds sedert lang besloten was? Bleek daar niet duidelijk uit, dat Sarcany en de bankier Silas Toronthal elkander sedert lang kenden, dat die „rijke Tripolitaan” op den vader van Sava een bijzonderen invloed moest hebben.Door die niet te verdrijven denkbeelden gemarteld, kwam Piet Bathory op de gedachte, om acht dagen vóór de voltrekking van het huwelijk aan Silas Toronthal te schrijven.[58]Hij deed zulks; maar.… zooals wel te voorzien was, hij kreeg geen antwoord.Piet poogde toen den bankier op straat te ontmoeten.…Dat lukte ook al niet. De bankier scheen hem opzettelijk te ontwijken.Piet wilde hem in zijne woning gaan opzoeken.…Hij slaagde er zelfs niet in, den drempel van de deur te overschrijden. Dat was trouwens te voorzien geweest.Wat Sava en hare moeder betrof, die waren thans geheel en al onzichtbaar. Geene mogelijkheid bestond er om tot haar te genaken.Maar kon Piet Bathory noch Sava, noch hare moeder, noch haren vader ontmoeten, daarentegen kwam hij herhaalde malen in de Stradona-laan Sarcany tegen, ja liep hij hem bijkans tegen het lijf. Den blik van haat, dien de jongman op hem wierp, beantwoordde Sarcany slechts met een onbeschoft, minachtend gebaar. Piet Bathory dacht er toen aan om hem uit te dagen, om hem tot vechten te noodzaken.…Onder welk voorwendsel evenwel zou hij dat kunnen doen, en waarom zou Sarcany, om zoo te zeggen daags vóór zijn huwelijk met Sava Toronthal, eene zoodanige ontmoeting inwilligen? Had hij er niet integendeel alle belang bij, om die te vermijden? Neen, van een tweegevecht was ook geen uitkomst te verwachten.Zoo gingen zes dagen voorbij, zes lange, zes eindelooze dagen! Het was alsof er geen einde aan kwam!In weerwil van de smeekingen zijner moeder, in weerwil van het bidden van den ouden Borik, verliet Piet in den avond van den 4denJuli de woning in de Marinella-straat. De oude dienaar poogde hem te volgen; maar deze met zijne oude beenen was het spoor van den jongen man weldra bijster. Piet dwaalde als een waanzinnige op goed geluk af, door de eenzaamste straten der stad langs de buitenmuren van Ragusa.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van mevrouw Bathory terug.Een dolksteek had het bovenste gedeelte zijner linkerlong doorboord. Eene zeer gevaarlijke wond!Er was geen twijfel mogelijk. Piet had in een aanval van krankzinnige wanhoop, de hand aan zich zelven geslagen!Zoodra Pescadospunt dat ongeluk vernam, liep hij in alle haast naar het telegraafkantoor.Ene uur later ontving dokter Antekirrt de tijding van den zelfmoord van den jongen man te Cattaro.Het zou moeilijk zijn de smart van mevrouw Bathory te beschrijven, toen zij zich tegenover haren bewusteloozen zoon bevond, die wellicht nog slechts weinige uren te leven had. Maar[59]de geestkracht der moeder bestreed de zwakheden der vrouw. Vóór alles moest er hulp verleend, moest de gekwetste verpleegd en verzorgd worden. Tranen konden later vergoten worden. Daartoe was thans geen tijd.Een dokter werd geroepen en kwam ook dadelijk. Hij onderzocht den gewonde; hij luisterde naar zijne zwakke en tusschenpoozende ademhaling; hij sloeg het onregelmatige op en neergaan der borstkas gade; hij peilde de wonde, legde het eerste verband, in één woord, hij verleende die zorg der kunst, in dergelijke gevallen noodig en gebruikelijk, maar hij deelde geene hoop mede, die hij zelf niet bezat.Vijftien uren later was de toestand van den jongen man nog verergerd door eene zeer belangrijke verbloeding. Zijne ademhaling was toen nog nauwelijks waarneembaar, en dreigde in een laatsten zucht heen te vlieden.Mevrouw Bathory was op de knieën naast het ledikant gevallen en bad God innig haren zoon toch te willen sparen.In dit oogenblik ging de deur der kamer open.…Dokter Antekirrt stapte regelrecht op de sponde van den stervende toe.Mevrouw Bathory wilde tot hem ijlen.… Hij weerhield haar met een enkel gebaar.Toen bukte de dokter over Piet en onderzocht hem met de grootste aandacht, zonder evenwel een enkel woord te spreken. Daarna bekeek hij hem met een onweerstaanbaren blik. En alsof een electrische stroom uit zijne oogen schoot, scheen hij in die hersens, waarin de gedachte op het punt was om uitgebluscht te worden, zijn eigen leven met zijn eigen wil te doen doordringen.Plotseling richtte zich Piet half overeind op. Zijn oogleden openden zich. Hij keek den dokter aan. Daarna viel hij levenloos neder.Mevrouw Bathory stiet een kreet uit, viel op haren zoon en lag weldra bewusteloos in de armen van den ouden Borik.Toen sloot de dokter de oogen van den jeugdigen doode. Daarna richtte hij zich overeind, verliet de kamer en men zou hem die spreuk, aan de Indische legenden ontleend, hebben kunnen hooren prevelen:„De dood vernietigt niet, hij maakt slechts onzichtbaar.”[60]
III.VERWIKKELINGEN.
Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in[44]die prachtige woning in deStradona-laante komen vestigen. Hij was Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren, zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het Tripolitaansche, toegewezen geworden.Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen van de veroordeelden en gevonnisden.Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen. Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de erfgename van den graafweergegevente worden, wanneer zij meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden. Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou zijn deel aan den Staat vervallen.Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu de voorspoedige dagen aangebroken waren.[45]Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.Waarheen waren zij gegaan?Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen, mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier Silas Toronthal.Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad toen eerst haalde hij weer vrij adem.Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te keeren.Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen. Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een weelderig bestaan verzekerde.Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij sedert jaren niet meer geweest was.Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken man, die binnen de muren zijnergeboortestadwederkeerde, goed. Zij wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een voornaam man was geweest. De bankier zocht en[46]vond eene woning in het voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten worden. Zeker, maar.…SilasToronthalwas, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan kunnen aanbrengen.Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de ontdekking van de Triëster samenzwering.Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde zijzooveelhaar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa, geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter, waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.Daar trachtte zij dan te vergeten.[47]Vergeten!.… Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook nieuwe droefheid bij mevrouw.Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo kende hij haar toch.Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden, haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten varen.Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel hoofdschuddend bij zich zelven.Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige getuige te sluiten.Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging. Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle landen der wereld.Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden, van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan[48]ook, zeer in het geheim, verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken; niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen, die er uit geboren zouden worden.Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar 1867 te Ragusa kwamen wonen.Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt.De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand. Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker geschikt om ieders blik te boeien.Maar wat vooral in haar persoon bekoorde en wat bovendien de gevoelige zielen uitermate trof, dat was het ernstige uiterlijk van dat jonge meisje; dat was haar peinzend gelaat, alsof zij steeds over vervlogen schier uitgewischte herinneringen nadacht en die met den geest vervolgde. Er bestond iets onverklaarbaars, hetgeen tot haar aantrok en toch bedroefde. Vandaar ook, dat zij eene buitengewone terughoudendheid bij al de personen teweeg bracht, die de salons van haren vader bezochten, of die haar soms in de Stradona-laan ontmoetten.Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz. 48.)Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz.48.)Men zal gemakkelijk kunnen aannemen, dat Sava, die de eenige erfgename zou zijn van een vermogen, hetwelk kolossaal groot heette en wat haar eenmaal geheel zou toebehooren, meermalen tot een huwelijk aangezocht was geworden. Maar hoewel zich verscheidene jongelieden, die alle maatschappelijke eigenschappen en hoedanigheden in zich vereenigden, als huwelijks-candidaten voorgedaan hadden, had het jonge meisje steeds, wanneer zij geraadpleegd werd, zonder opgave van redenen geweigerd. Silas Toronthal had haar[50]dienaangaande nimmer gepolst of gedwongen. Ongetwijfeld was de schoonzoon, dien hij gewenscht had—meer voor zich zelven dan voor Sava—nog niet voorgekomen.Om het portret van SavaToronthalte voltooien, moeten wij nog mededeelen, dat zij eene zeer sterke neiging had om de daden van deugd of moed, die de vaderlandsliefde tot grondslag hadden, te bewonderen. Niet dat zij zich met staatkunde inliet; maar de verhalen, die het vaderland betroffen, de opofferingen, die voor den geboortegrond geschied waren, de jongere voorbeelden, die zoo eervol en roemvol in de geschiedenis prijkten, maakten steeds diepen indruk op haar.Indien zij die gevoelens niet aan het toeval harer geboorte ontleende—en inderdaad van Silas Toronthal had zij ze niet—dan had zij ze natuurlijk in haar edelmoedig hart moeten vinden.Verklaart dat niet—zooals de lezer waarschijnlijk reeds gegist zal hebben—de innige toenadering, welke tusschen Piet Bathory en Sava Toronthal daaruit ontstaan was? Ja, het kon als een zeker toeval van het ongeluk beschouwd worden, hetwelk in de plannen van den bankier verwarring en die beide jongelieden tot elkaar bracht. Sava was nog slechts twaalf jaren oud, toen iemand eens tegen haar zeide en daarbij naar Piet wees, die vooruitging:„Dat is de zoon van een man, die het leven voorHongarijeheeft ten offer gebracht!”Die woorden zouden nimmer uit het geheugen van het edele meisje gewischt worden.Beiden waren grooter geworden. Sava’s brein was reeds met het beeld van Piet vervuld, vóórdat deze het meisje nog opgemerkt had. Zij zag hem steeds zoo ernstig, zoo peinzend. Hij was arm, dat was waar; maar hij arbeidde ten minste om den naam zijns vaders eer aan te doen, wiens levensloop en wedervaren zij geheel en al kende.De lezer weet het overige.Hij weet, hoe Piet Bathory op zijne beurt bekoord en onweerstaanbaar aangetrokken werd door den aanblik van Sava, wier heerlijke geaardheid zoozeer met de zijne moest overeenkomen.Hij weet, hoe de jongman het lieve jonge meisje, dat wellicht nog onkundig was met den aard van het gevoel, hetwelk haar hartje binnengeslopen was, reeds met eene innige liefde beminde, eene liefde, die zij weldra deelen en gevoelen zou.Men zal alles, wat Sava Toronthal betreft, dadelijk begrijpen, wanneer men den toestand zal kennen, waarin zij zich bij hare ouders bevond.Tegenover haren vader was Sava steeds uitermate teruggetrokken geweest. Nimmer had er eenig gevoel van overeenkomst tusschen[51]die twee bestaan. Nimmer had hij het vaderlijk hart jegens zijne dochter laten spreken; nimmer had de dochter zich tot een streelend gebaar jegens haren vader laten verleiden. Bij den eenen was het droogheid des harten; maar bij de andere ontstond die verwijdering uit de oneenigheid, welke tusschen die beide karakters in alles waar te nemen was. Sava betoonde voor Silas Toronthal al den eerbied, dien een kind aan zijn vader verschuldigd is—maar ook niets meer.Bovendien, hij liet haar volkomen vrijheid om te handelen, zooals zij verkoos. Hij dwarsboomde haar niet in hare neigingen; hij stelde geene grenzen voor hare liefdadigheidswerken, die zijn behoefte aan uiterlijk verkeer zeer prikkelden en hem derhalve zeer bevielen.Om kort te gaan, bij hem was het volmaakte onverschilligheid, die hem bezielde. Bij haar, het moet erkend worden, was het eerder antipathie, bijna afkeer, dien zij onverklaarbaar genoeg ondervond voor den man, waarmede zij dagelijks omging.Voor hare moeder, voor mevrouw Toronthal, koesterde Sava geheel andere gevoelens. Ondervond die goede vrouw het onaangename van de heerschzucht van haren echtgenoot, die weinig beleefdheidsvormen jegens haar in acht nam, en toonde zij zich zwak tegenover die bejegening, dan sproot dat uit hare goedheid van karakter voort; want zij was duizendmaal beter dan hij, zoowel door het onbesprokene van haren levensloop, als door de zorg, die zij koesterde voor hare persoonlijke waardigheid.Mevrouw Toronthal had Sava oprecht lief. In weerwil van de terughoudendheid van het jonge meisje, had zij de meest degelijke hoedanigheden in haar meenen te ontdekken. Maar de genegenheid, die zij voor haar gevoelde, was inderdaad van buitengewonen aard. Zij was vermengd met een soort van bewondering, met een soort van eerbied en zelfs met een weinig vrees. Het edel, verheven karakter van Sava, hare rechtschapenheid en ook hare onverzettelijkheid in sommige oogenblikken en bij sommige voorvallen, konden dien vreemden vorm van moederlijke liefde eenigermate wettigen. Toch vergold het jeugdige meisje hare toegenegenheid met gelijke wederliefde. Zelfs zonder de banden des bloeds, zouden beiden toch uitermate aan elkander gehecht geweest zijn.Het zal dus bij den lezer geene verwondering baren, wanneer hij zal vernemen, dat mevrouw Toronthal de eerste was, die raadde, wat er in de ziel en in het hart van Sava omging. Het jonge meisje had haar dikwijls van Piet Bathory en van zijne familie gesproken, zonder evenwel daarbij den weemoedigen indruk, welken die naam bij hare moeder telkens teweeg bracht, te ontwaren. Toen dan ook mevrouw Toronthal tot erkenning gekomen was, dat Sava dien jongen man beminde, prevelde zij in haar binnenste:[52]„Zou God dat dan toch willen? Zou Hij dat kunnen willen? O! het is schier onmogelijk!”Wat die woorden in den mond van mevrouw Toronthal beteekenden, zal de lezer wel kunnen raden. Wat hij evenwel niet weten kan, en wat die rampzalige vrouw wel wist, dat is tot welk punt Sava’s liefde voor Piet Bathory een rechtvaardig herstel zou zijn voor het leed en de rampen, zijne familie aangedaan.Wanneer mevrouw Toronthal, die vroom en geloovig was, evenwel vermeenen kon, dat zulk een huwelijksband met de inzichten der Voorzienigheid zou kunnen strooken, zou het zaak zijn, dat ook haar echtgenoot tot die toenadering der beide familiën gewonnen werd. Zij besloot dan ook om hem, zonder er evenwel iets van aan Sava te zeggen, over dat onderwerp te polsen.Evenwel bij de eerste woorden reeds, die zijne gade zich liet ontvallen, werd Silas zoo woedend, dat hij iedere grens van betamelijkheid overschreed. Hij poogde dat gevoel van toorn zelfs niet te bemantelen of te bedwingen. Mevrouw Toronthal, door dien uitval onthutst en afgeschrikt, keerde ijlings naar hare vertrekken weer en kreeg de bedreiging mede:„Neem u in acht, mevrouw!.… Als gij u ooit mocht verstouten met dat voorstel andermaal te berde te komen, of er zelfs nog maar op te zinspelen, dan zult gij het u berouwen! Laat u dat genoeg zijn!”Dus het noodlot, zooals Silas Toronthal dat noemde, had niet alleen de familie Bathory in deze stad gevoerd, maar ook Sava en Piet, die elkander hadden leeren kennen en beminnen, tot elkander gebracht. Ja, dat mocht waarlijk een noodlot heeten! Een vreeselijk noodlot!Misschien vraagt de lezer zich af, waarom die toorn, waarom die verbittering van den kant des bankiers?Had hij geheime plannen gevormd omtrent Sava, omtrent hare toekomst? En werden die plannen thans gedwarsboomd?Zou, hij voor het geval dat zijn schandelijk verraad ooit aan het licht kwam, integendeel geen groot belang hebben, dat de gevolgen van die snoode daad vooraf binnen de grenzen der mogelijkheid hersteld en vergoed waren? Wat zou Piet Bathory, eenmaal de echtgenoot van Sava Toronthal geworden, kunnen zeggen, wanneer hij vernam, dat haar vader den dood van den zijnen veroorzaakt had? Wat zou mevrouw Bathory alsdan kunnen doen? Zeker zou dat een afgrijselijken toestand vormen: de zoon van het slachtoffer gehuwd met de dochter van den sluipmoordenaar! Afgrijselijk vooral voor dien zoon, niet voor hem Silas Toronthal!Voor hem zou dat huwelijk een schutmiddel wezen.Maar men was, wel is waar, zonder tijding omtrent Sarcany. Zijne[53]terugkomst was evenwel toch mogelijk. Waarschijnlijk bestonden vroegere afspraken tusschen den bankier en zijn medeplichtige. En deze was er de man niet naar, om die te vergeten, wanneer het hem in de wereld tegenliep.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Silas Toronthal wel eenige bekommernis gevoelde omtrent dien Sarcany, zijnen Tripolitaanschen makelaar van weleer, vooral omtrent zijn wedervaren tot heden. Hij had sedert die zaak te Triëst geen tijding hoegenaamd van hem gehad en het was dus reeds meer dan vijftien jaren geleden, dat zij van elkander gegaan waren. Nu en dan had hij getracht berichten in te winnen, maar steeds te vergeefs.Zelfs in Sicilië, waar hij wist, dat Sarcany door tusschenkomst van zijn ouden makker Zirone betrekkingen onderhield, waren de nasporingen vruchteloos gebleven. Toch konSarcanyden eenen of anderen dag te voorschijn treden. Dat was inderdaad een voortdurend schrikbeeld voor den bankier.Maar kon die gelukzoeker ook dood zijn? Wie weet?Misschienwel!Dat zou eene tijding wezen, die Silas Toronthal met onuitsprekelijk genoegen ontvangen zou.Dan zou hij wellicht de mogelijkheid van eene vereeniging, van een band tusschen de familie Bathory en de zijne leeren inzien en zijne bewilliging verleenen.Maar zoo als de zaken thans stonden, was er in ieder geval niet aan te denken. Dat begreep mevrouw Toronthal al ras.Silas Toronthal kwam dus niet terug op de ruwe bejegeningen, die hij zijne echtgenoote had doen ondergaan, toen zij met die zaak te berde kwam. Hij sprak er niet meer over en vermeed ten stipste eenige verklaring te geven. Hij stelde zich tot taak, haar en Sava beter te bewaken, haar zelfs te doen bespionneeren. Wat den jeugdigen werktuigkundige betrof, dien zou hij nog trotscher bejegenen; hij zou het hoofd afwenden, wanneer hij hem ontmoeten zou; in éen woord: hij zou zoo handelen, dat hem duidelijk moest zijn, dat er geen ziertje hoop te koesteren was. Ja, dat was de gedragslijn, waartoe hij besloot, en hij slaagde er maar al te goed in, om den radeloozen verliefde te toonen, dat iedere stap van zijn kant totaal overbodig zou zijn.Het was onder die omstandigheden, dat in den avond van den 10denJuni, Sarcany’s naam in de salons van de woning in de Stradona-laan weerklonk, nadat de deuren zich voor dezen schaamteloozen kerel hadden geopend.Dienzelfden morgen had Sarcany, door Namir vergezeld, in denspoortreinvan Cattaro naar Ragusa plaats genomen.Hij was in een der voornaamste hôtels van de stad afgestapt, had daar zijn[54]reispak tegen een elegant toilet verwisseld en had zich, zonder een oogenblik te laten verloren gaan en zonder aarzeling te laten blijken, aan de woning van zijn ouden medeplichtige aangemeld. Hij rekende voorzeker op de machtspreuk: aan de stoutmoedigen behoort het heelal!Silas Toronthal ontving hem en gaf bevelen, dat hun onderhoud niet zoude gestoord worden.Hoe nam de bankier dat bezoek van Sarcany op?Had hij geestkracht genoeg, om hetgeen hij moest gevoelen bij dat wederzien te bemantelen en ging hij tot onderhandelingen met hem over?Was Sarcany van zijn kant heerschzuchtig, onbeschaamd, ja onbeschoft, zooals hij vroeger was? Herinnerde hij den bankier hunne afspraken en de beloften, die deze misschien gedaan had, overeenkomsten, die lang geleden aangegaan waren?Spraken zij eindelijk over het verleden, over het heden, over de toekomst, ja over de toekomst?Dat kon niemand zeggen; want behalve door hen beiden werd dat onderhoud door geen sterveling bijgewoond en kon het door niemand beluisterd of gestoord worden.Maar ziehier, wat er uit voortvloeide.Vier en twintig uren later verbreidde zich een nieuwtje door de stad, dat wel geschikt was, om verwondering te baren. Men sprak van een huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal en voegde er bij, dat die Sarcany een onmetelijk rijk en adellijk inboorling van Tripoli was. De lezer weet, wat er van dien adeldom aan is.Blijkbaar had de bankier tegenover de bedreigingen van dien man, die hem in het verderf kon storten, moeten toegeven. Noch de smeekbeden zijner echtgenoote, noch de afschuw, die Sava, toen haar vader haar zijn wil meende op te dringen, aan den dag legde, vermocht iets.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Wij zullen slechts een enkel woord reppen over het belang, dat Sarcany bij het sluiten van dat huwelijk had,—een belang, dat hij volstrekt niet voor Silas Toronthal verborgen gehouden had. Sarcany was namelijk geruïneerd. Het gedeelte van dat zoo schandelijk verworven vermogen, hetwelk den bankier in staat gesteld had, om het crediet van zijn wankelend huis te herstellen, was nauwelijks voldoende geweest voor den gelukzoeker, om gedurende vijftien jaren zijne hartstochten bot te vieren. Sedert hij Triëst verliet, had Sarcany geheel Europa doorreisd en daarbij als verkwister geleefd, voor wien de vertrekken, die hij in de hôtels te Parijs, Londen, Amsterdam, Weenen, Berlijn en Rome betrok, nimmer ramen genoeg gehad hadden, waardoor hij het geld volgens de invallen zijner grillige luimen had kunnen wegwerpen. Na de vermaken en genoegens[56]van allerlei aard daar genoten te hebben, ging hij aan de kansen van het lot vragen, om in te slokken wat hem van zijn vermogen nog over gebleven was. Hij bezocht dan ook de steden in Zwitserland en Spanje, waar nog speelbanken aangetroffen worden. Hij bezocht het Vorstendom Monaco, dat door een cirkel van Franschen grenzen omgeven is.Het zal wel niet noodig zijn er bij te vertellen, dat Zirone gedurende dat geheele tijdvak zijn onafscheidelijke makker geweest was. Toen hen evenwel nog slechts ettelijke duizenden guldens overbleven, waren zij naar het eiland, hetwelk voor ieder Siciliaan zoo dierbaar is, naar het oostelijk deel van het oude Trinacria (het driepuntige) teruggekeerd. Daar bleven zij evenwel, in afwachting van de gebeurlijkheden, niet werkeloos, dat wil zeggen totdat Sarcany den tijd gekomen zou achten om zijne relatiën met den bankier Silas Toronthal te hervatten.En inderdaad was een huwelijk met Sava, de eenige erfgename van den rijken Silas Toronthal, niet de eenvoudigste oplossing van het vraagstuk betreffende het herstel van zijn vermogen?De bankier kon en mocht hem toch niets weigeren.Misschien bestond er tusschen die twee mannen, behalve die band, dien de lezers reeds kennen, nog een andere, die de toekomst alleen kan ontsluieren.Intusschen vroeg Sava eene juiste verklaring aan haren vader, waarom hij op dusdanige wijze over haar beschikte.„Mijne eer hangt van dat huwelijk af,” had Silas Toronthal na tal van uitvluchten geantwoord, „en dat huwelijk zal voltrokken worden.”Toen Sava dat antwoord van den bankier aan hare moeder overbracht, viel deze schier bewusteloos in de armen harer dochter en kon slechts tranen van wanhoop storten.Silas Toronthal had dus in zijn voornemen volhard.Het huwelijk werd op den 6denJuli vastgesteld en zou op dien dag voltrokken worden.Men kan begrijpen, hoe Piet Bathory gedurende die drie weken leed! Zijne ontsteltenis en opgewondenheid waren schrikkelijk om aan te zien. Hij had aanvallen van machtelooze woede en bleef nu eens opgesloten in zijn vertrek in de Marinella-straat, dan weer ontsnapte hij uit de gevloekte stad in eene zoodanige gemoedstemming, dat mevrouw Bathory inderdaad vreezen kon, dat hij tot een wanhopigen stap in staat was en dat zij hem niet meer terug zou zien. Het was verschrikkelijk!Welke troostwoorden zou zij hem ook hebben kunnen doen hooren?Zoolang er geen quaestie van dat huwelijk geweest was, kon Piet Bathory, hoewel hij door den vader van Sava afgewezen werd, eenige[57]hoop, wel is waar zeer weinig, maar toch nog hoop koesteren. Maar was Sava eenmaal gehuwd, dan was er een afgrond—een onoverkomelijke afgrond ditmaal tusschen de beide jongelieden gegraven.Wat dokter Antekirrt ook mocht gezegd of beloofd hebben, och, altemaal praatjes! Ook deze scheen Piet in den steek te laten.Maar.… hij vroeg zich af, hoe het mogelijk was, dat het jonge meisje, dat hem toch zoozeer beminde en wier geest krachtvolle geaardheid hij kende, tot die vereeniging hare toestemming had kunnen geven?Welk geheim beheerschte dan toch die woning in de Stradona-laan, waar zoo iets kon gebeuren?Och, Piet had zeer zeker beter gedaan met Ragusa te verlaten, met de voorstellen aan te nemen, die hem daar buiten gedaan waren, met ver, zeer ver weg van Sava heen te gaan, van Sava, die men aan dien vreemdeling, aan dien Sarcany overleverde.„Neen!” riep hij uit en herhaalde hij telkens: „Neen! dat is onmogelijk!.… Ik bemin haar!”De wanhoop was dus die woning binnengedrongen, waar weinige dagen te voren een straal van hoop gegloord had.Helaas, ja!Pescadospunt vervulde intusschen steeds zijne rol van verspieder en was dus geheel en al op de hoogte omtrent de geruchten, die in de stad liepen, ook omtrent hetgeen in de Stradona-laan voorbereid werd.Zoodra hij het bericht van het huwelijk tusschen Sava Toronthal en Sarcany vernam, schreef hij naar Cattaro.Zoodra hij zich had kunnen overtuigen omtrent den ellendigen toestand, waartoe die tijding den jeugdigen ingenieur, die hem levendig belang inboezemde, gebracht had, deed hij daarvan mededeeling aan dokter Antekirrt.Tot eenig antwoord ontving hij het bevel, om voort te gaan met alles gade te slaan wat te Ragusa voorviel en hem te Cattaro daaromtrent op de hoogte te houden.Midderwijl naarmate die ongelukkige datum van 6 Juli naderde, verergerde de toestand van Piet Bathory al meer en meer. Zijne moeder kon hem niet meer tot kalmte brengen. Hoe zou Silas Toronthal dan ook te bewegen zijn om zijne plannen te wijzigen? Was het niet klaarblijkelijk uit de haast, waarmede dit huwelijk kenbaar gemaakt en vastgesteld was, dat het reeds sedert lang besloten was? Bleek daar niet duidelijk uit, dat Sarcany en de bankier Silas Toronthal elkander sedert lang kenden, dat die „rijke Tripolitaan” op den vader van Sava een bijzonderen invloed moest hebben.Door die niet te verdrijven denkbeelden gemarteld, kwam Piet Bathory op de gedachte, om acht dagen vóór de voltrekking van het huwelijk aan Silas Toronthal te schrijven.[58]Hij deed zulks; maar.… zooals wel te voorzien was, hij kreeg geen antwoord.Piet poogde toen den bankier op straat te ontmoeten.…Dat lukte ook al niet. De bankier scheen hem opzettelijk te ontwijken.Piet wilde hem in zijne woning gaan opzoeken.…Hij slaagde er zelfs niet in, den drempel van de deur te overschrijden. Dat was trouwens te voorzien geweest.Wat Sava en hare moeder betrof, die waren thans geheel en al onzichtbaar. Geene mogelijkheid bestond er om tot haar te genaken.Maar kon Piet Bathory noch Sava, noch hare moeder, noch haren vader ontmoeten, daarentegen kwam hij herhaalde malen in de Stradona-laan Sarcany tegen, ja liep hij hem bijkans tegen het lijf. Den blik van haat, dien de jongman op hem wierp, beantwoordde Sarcany slechts met een onbeschoft, minachtend gebaar. Piet Bathory dacht er toen aan om hem uit te dagen, om hem tot vechten te noodzaken.…Onder welk voorwendsel evenwel zou hij dat kunnen doen, en waarom zou Sarcany, om zoo te zeggen daags vóór zijn huwelijk met Sava Toronthal, eene zoodanige ontmoeting inwilligen? Had hij er niet integendeel alle belang bij, om die te vermijden? Neen, van een tweegevecht was ook geen uitkomst te verwachten.Zoo gingen zes dagen voorbij, zes lange, zes eindelooze dagen! Het was alsof er geen einde aan kwam!In weerwil van de smeekingen zijner moeder, in weerwil van het bidden van den ouden Borik, verliet Piet in den avond van den 4denJuli de woning in de Marinella-straat. De oude dienaar poogde hem te volgen; maar deze met zijne oude beenen was het spoor van den jongen man weldra bijster. Piet dwaalde als een waanzinnige op goed geluk af, door de eenzaamste straten der stad langs de buitenmuren van Ragusa.Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van mevrouw Bathory terug.Een dolksteek had het bovenste gedeelte zijner linkerlong doorboord. Eene zeer gevaarlijke wond!Er was geen twijfel mogelijk. Piet had in een aanval van krankzinnige wanhoop, de hand aan zich zelven geslagen!Zoodra Pescadospunt dat ongeluk vernam, liep hij in alle haast naar het telegraafkantoor.Ene uur later ontving dokter Antekirrt de tijding van den zelfmoord van den jongen man te Cattaro.Het zou moeilijk zijn de smart van mevrouw Bathory te beschrijven, toen zij zich tegenover haren bewusteloozen zoon bevond, die wellicht nog slechts weinige uren te leven had. Maar[59]de geestkracht der moeder bestreed de zwakheden der vrouw. Vóór alles moest er hulp verleend, moest de gekwetste verpleegd en verzorgd worden. Tranen konden later vergoten worden. Daartoe was thans geen tijd.Een dokter werd geroepen en kwam ook dadelijk. Hij onderzocht den gewonde; hij luisterde naar zijne zwakke en tusschenpoozende ademhaling; hij sloeg het onregelmatige op en neergaan der borstkas gade; hij peilde de wonde, legde het eerste verband, in één woord, hij verleende die zorg der kunst, in dergelijke gevallen noodig en gebruikelijk, maar hij deelde geene hoop mede, die hij zelf niet bezat.Vijftien uren later was de toestand van den jongen man nog verergerd door eene zeer belangrijke verbloeding. Zijne ademhaling was toen nog nauwelijks waarneembaar, en dreigde in een laatsten zucht heen te vlieden.Mevrouw Bathory was op de knieën naast het ledikant gevallen en bad God innig haren zoon toch te willen sparen.In dit oogenblik ging de deur der kamer open.…Dokter Antekirrt stapte regelrecht op de sponde van den stervende toe.Mevrouw Bathory wilde tot hem ijlen.… Hij weerhield haar met een enkel gebaar.Toen bukte de dokter over Piet en onderzocht hem met de grootste aandacht, zonder evenwel een enkel woord te spreken. Daarna bekeek hij hem met een onweerstaanbaren blik. En alsof een electrische stroom uit zijne oogen schoot, scheen hij in die hersens, waarin de gedachte op het punt was om uitgebluscht te worden, zijn eigen leven met zijn eigen wil te doen doordringen.Plotseling richtte zich Piet half overeind op. Zijn oogleden openden zich. Hij keek den dokter aan. Daarna viel hij levenloos neder.Mevrouw Bathory stiet een kreet uit, viel op haren zoon en lag weldra bewusteloos in de armen van den ouden Borik.Toen sloot de dokter de oogen van den jeugdigen doode. Daarna richtte hij zich overeind, verliet de kamer en men zou hem die spreuk, aan de Indische legenden ontleend, hebben kunnen hooren prevelen:„De dood vernietigt niet, hij maakt slechts onzichtbaar.”[60]
Het was reeds veertien jaren geleden sedert Silas Toronthal Triëst verlaten had om zich te Ragusa, in de hoofdplaats van Dalmatië, in[44]die prachtige woning in deStradona-laante komen vestigen. Hij was Dalmatiër van oorsprong en bij gevolg was er niets natuurlijker dan dat hij er aan gedacht had om naar zijn geboorteland weder te keeren, zoodra hij zijne zaken verlaten had om van zijne renten te gaan leven.
Het geheim der verraders was uitmuntend bewaard gebleven.—Men had hun den prijs van het verraad stiptelijk uitbetaald. Daarom was een geheel vermogen aan den bankier en aan Sarcany, zijn vroegeren agent in het Tripolitaansche, toegewezen geworden.
Na de ter doodbrenging van de twee veroordeelden in de vesting van Pisino, na de ontvluchting van graaf Mathias Sandorf, die volgens iedereen den dood gevonden had in de golven van de Adriatische zee, was het vonnis voltooid geworden door de verbeurdverklaring der goederen van de veroordeelden en gevonnisden.
Van de woning en een kleine strook gronds, die aan graaf Ladislas Zathmar toebehoord hadden, was niets overgebleven, zelfs zooveel niet om het materieele leven van zijn ouden bediende te verzekeren. Ook van hetgeen professor Stephanus Bathory nagelaten had, was evenmin iets overgebleven, daar hij slechts leefde van de opbrengst zijner lessen. Maar het kasteel Artenak met zijne rijke onderhoorigheden, de naburige mijnen, de uitgestrekte bosschen op de noordelijke hellingen van het Karpathische gebergte, dat geheele domein vertegenwoordigde een onmetelijk vermogen, dat aan graaf Mathias Sandorf toebehoorde. Deze goederen werden in twee deelen gesplitst waarvan het eene in openbare veiling gebracht werd en bestemd was om de aanbrengers van het complot te betalen; terwijl het andere onder sequester geplaatst werd om aan de erfgename van den graafweergegevente worden, wanneer zij meerderjarig, dat wil zeggen achttien jaren oud zou zijn geworden. Wanneer dat kind stierf alvorens dien leeftijd bereikt te hebben, zou zijn deel aan den Staat vervallen.
Nu hadden de twee vierden van die rijke bezittingen, welke voor de aanbrengers bestemd waren, hen een som van anderhalf millioen gulden opgebracht, waarover zij de vrije beschikking verkregen hadden.
Al dadelijk hadden de medeplichtigen er aan gedacht, om van elkander te scheiden. Sarcany had er volstrekt geen zin in om in de nabijheid van Silas Toronthal te verblijven. Deze van zijn kant stond er ook in het geheel niet op, om verdere betrekkingen met zijn vroegeren ondergeschikte te onderhouden. Zoo iets lag voor de hand.
Sarcany verliet dus Triëst en werd vergezeld door Zirone, die hem in rampspoedige dagen niet verlaten had, maar ook niet wilde heengaan nu de voorspoedige dagen aangebroken waren.[45]
Beiden verdwenen en de bankier hoorde niet meer omtrent hen gewagen.
Waarheen waren zij gegaan?
Ongetwijfeld naar de eene of andere groote stad van Europa, daar waar niemand er aan denkt iemand omtrent zijne herkomst lastig te vallen, mits de lieden rijk zijn, ook niet omtrent de bron van hun verworven vermogen, mits het geld maar zonder tellen verteerd en uitgegeven wordt. Om kort te gaan, er was geen sprake meer van die gelukzoekers in Triëst, waar zij trouwens niemand anders gekend hadden dan den bankier Silas Toronthal.
Toen zij vertrokken waren, was deze laatste gerustgesteld. Inderdaad toen eerst haalde hij weer vrij adem.
Hij dacht niets meer te vreezen te hebben van wege den man, die hem toch ongetwijfeld in zijne macht had en steeds uit dien toestand munt kon slaan. Want hoewel Sarcany thans rijk was, kon toch op zulk een verspilziek persoon niet gerekend worden, en het was te voorzien, dat wanneer hij dat vermogen verslonden zou hebben, hij er geen gewetenszaak van zou maken, om naar zijn ouden medeplichtige terug te keeren.
Tien maanden later had Silas Toronthal zijn bankierskantoor, dat zeer wrak gestaan had, geheel en al hersteld, liquideerde toen zijne zaken en verliet Triëst toen voor goed, om zich te Ragusa te gaan vestigen. Hoewel hij volstrekt niets van de onbescheidenheid van den gouverneur van die stad, die alleen wist, welke rol hij vervuld had bij de ontdekking van de samenzwering, te vreezen had, zoo was dat toch nog te veel voor een man, die niets van zijn voornaamheid wilde verliezen en wien zijn groot vermogen, overal waar hij verlangde te gaan, een weelderig bestaan verzekerde.
Misschien werd dat besluit, om Triëst te verlaten, hem ook wel door eene bijzondere omstandigheid geboden,—die later wel onthuld zal worden, maar intusschen alleen mevrouw Toronthal en hem bekend was. Het was zelf daardoor, dat hij slechts een maal in aanraking kwam met die Namir, welker bekendheid met Sarcany de lezer reeds vernam.
De bankier verkoos dus Ragusa als nieuwe verblijfplaats. Hij had die stad verlaten, toen, hij nog zeer jong was dewijl hij zijne ouders verloren en overigens geen verwanten had. Men was hem daar geheel en al vergeten, zoodat hij als vreemdeling in die stad terug kwam, waarin hij sedert jaren niet meer geweest was.
Onder die omstandigheden ontving de Ragusasche bevolking den rijken man, die binnen de muren zijnergeboortestadwederkeerde, goed. Zij wist omtrent hem slechts éene zaak, dat was dat hij in Triëst een voornaam man was geweest. De bankier zocht en[46]vond eene woning in het voorname en aristocratische kwartier van de stad. Zijn huis werd rijk en op grootschen voet ingericht, met een talrijk personeel van bedienden, waarvan de bestanddeelen te Ragusa geheel en al vernieuwd werden. Hij ontving gasten en werd overal gaarne en met onderscheiding ontvangen. Niemand wist toch iets van zijn verleden, zoodat hij een dier bevoorrechten was, die de gelukkigen op dit ondermaansche geheeten worden. Zeker, maar.…
SilasToronthalwas, wel is waar, volstrekt niet onderhevig aan wroeging. Werd hij niet door de vrees bekropen, dat het geheim van zijne afschuwelijke verklikking den een of anderen dag aan het licht kon komen, dan zou niets ter wereld eenige stoornis in zijn bestaan kunnen aanbrengen.
Evenwel tegenover hem bevond zich steeds als stomme, maar toch levende getuige, mevrouw Toronthal, zijn echtgenoote.
Die ongelukkige vrouw, die een eerlijk en braaf karakter had, kende het schandelijke en afschuwelijke complot, hetwelk drie vaderlandslievende mannen in de armen des doods had gevoerd. Een enkel woord, dat haar echtgenoot op een avond, in het tijdperk dat zijne zaken in de war raakten, zich liet ontglippen, eene onvoorzichtig geuite hoop dat een gedeelte van het vermogen van graaf Mathias Sandorf zou kunnen dienen om zijn wrak bankiershuis te stutten, eenige handteekeningen, die hij van mevrouw Toronthal geëischt had, hadden haar brein wakker geschud en hem eindelijk de bekentenis ontlokt van zijne tusschenkomst in de ontdekking van de Triëster samenzwering.
Een onoverwinnelijke afkeer voor den man, aan wien zij voor het leven geketend was, was het gevoel dat mevrouw Toronthal van nu af aan bezielde. Dat gevoel was te meer verklaarbaar, daar zij van geboorte een Hongaarsche was, Maar het werd reeds gezegd: zij was verpletterd door dien slag en kon zich niet opbeuren. Sedert dat tijdstip leefde zijzooveelhaar zulks mogelijk was, zoowel te Triëst als te Ragusa, geheel afzonderlijk, voor zoover hare maatschappelijke positie dit gedoogde. Zij verscheen voorzeker bij de receptiën, die in de woning van de Stradona-laan gegeven werden. Zij was dat verplicht te doen en haar echtgenoot zou haar daartoe ongetwijfeld genoopt hebben. Maar was hare rol van vrouw des huizes in het openbaar afgeloopen, dan keerde zij naar hare vertrekken terug en kwam niet weder te voorschijn, wat er ook gebeuren mocht. Dan was zij onverzettelijk.
Daar wijdde zij zich geheel en al aan de opvoeding van hare dochter, waarop zij al de schatten harer toegenegenheid had overgedragen.
Daar trachtte zij dan te vergeten.[47]
Vergeten!.… Was dat mogelijk, wanneer de man, die zoo schuldig was als haar echtgenoot, onder hetzelfde dak als zij leefde?
Nu geschiedde het, dat die staat van zaken, twee jaren na hunne vestiging te Ragusa, nog meer verwikkeld werd. Die verwikkelingen veroorzaakten wel is waar nieuwe zorgen bij Silas Toronthal, maar ook nieuwe droefheid bij mevrouw.
Mevrouw Bathory had ook met haren zoon en hunne bediende Borik Triëst verlaten, om zich te Ragusa te gaan vestigen, waar zij nog eenige bloedverwanten bezaten. De weduwe van Stephanus Bathory kende Silas Toronthal niet; zij wist zelfs niet dat er eenige betrekking tusschen den graaf Mathias Sandorf en den bankier bestaan had. Zij kon dan ook niet gissen, dat die man medeplichtig was aan de laaghartige en schandelijke daad, die het leven der drie Hongaarsche vaderlandslievende mannen gekost had. Hoe zou zij het dan ook vernomen hebben, daar haar echtgenoot haar, alvorens te sterven, den naam niet had kunnen mededeelen van de ellendelingen, die hen aan de Oostenrijksche politie verkocht en verraden hadden.
Intusschen al kende mevrouw Bathory den Triëster bankier niet, zoo kende hij haar toch.
Het was uiterst onaangenaam, zich in dezelfde stad als zij te bevinden, haar zoon te ontmoeten en te ontwaren, dat zij arm was en met handenarbeid den kost voor haar en haar kind moest verdienen. Had mevrouw Bathory reeds te Ragusa gewoond, toen hij Triëst verliet, dan zou hij voorzeker, alvorens zich te vestigen, dat plan hebben laten varen.
Maar toen de weduwe dat armoedige huis in de Marinellastraat kwam betrekken, was zijne prachtige woning reeds gekocht, en zoo weelderig mogelijk en volkomen ingericht. Zonder opzien te baren kon hij daarin geen verandering brengen. Daarenboven kon hij er niet toe besluiten, om ten derden male van verblijfplaats te veranderen. Zoo iets kwam met zijn weifelachtigen aard volstrekt niet overeen.
„Men gewent langzamerhand aan alles!” prevelde hij evenwel hoofdschuddend bij zich zelven.
Hij koesterde het voornemen om de oogen voor die steeds aanwezige getuige te sluiten.
Het scheen, dat wanneer Silas Toronthal de oogen sloot, zulks voldoende was, om niets meer te bemerken van hetgeen in zijn binnenste omging. Zulke menschen bestaan er velen, niet alleen te Ragusa maar in alle landen der wereld.
Wat evenwel voor den bankier slechts onaangenaam was, werd weldra voor mevrouw Toronthal eene oorzaak van voortdurend en ontzaglijk lijden, van nimmer eindigende wroeging. Zij poogde dan[48]ook, zeer in het geheim, verscheidene malen hulp te doen toekomen aan die weduwe, die geen ander inkomen had dan dat, hetwelk uit haren handenarbeid voortsproot. Die hulp werd evenwel steeds kalm maar waardig geweigerd. En zoo geschiedde het ook met de bijdragen, die bekende en onbekende vrienden de edele vrouw poogden te doen aannemen. De geestkrachtvolle gade van Stephanus Bathory vroeg niets en wilde van niemand iets aannemen.
Eene onvoorziene omstandigheid, die daarenboven nog onwaarschijnlijk toescheen, zou dien toestand van wroeging nog meer ondragelijk maken; niet alleen ondragelijk, maar verschrikkelijk door de verkwikkelingen, die er uit geboren zouden worden.
Mevrouw Toronthal had haar geheel liefdegevoel, hare geheele toegenegenheid overgebracht op hare dochter, die ter nauwernood drie jaren oud was, toen haar echtgenoot en zij tegen het einde van het jaar 1867 te Ragusa kwamen wonen.
Thans, op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt.
De lieve maagd was eene heerlijke verschijning, die meer de Hongaarsche type dan de Dalmatische naderde. Zij bezat een zwarten en dichten haardos, daarbij vurige oogen, die onder een hoog voorhoofd breed geteekend waren. De ziel straalde uit die oogen en zij konden even goed door de chirognomonisten (waarzeggers) geraadpleegd worden als de hand. Zij had een fijn mondje, dat veel overeenkomst met een half ontloken roosje vertoonde, daarbij eene warme huidtint, eene bevallige en veerkrachtige gestalte, terwijl hare lengte iets meer dan de gemiddelde bedroeg. Dat geheel van bekoorlijke hoedanigheden was voorzeker geschikt om ieders blik te boeien.
Maar wat vooral in haar persoon bekoorde en wat bovendien de gevoelige zielen uitermate trof, dat was het ernstige uiterlijk van dat jonge meisje; dat was haar peinzend gelaat, alsof zij steeds over vervlogen schier uitgewischte herinneringen nadacht en die met den geest vervolgde. Er bestond iets onverklaarbaars, hetgeen tot haar aantrok en toch bedroefde. Vandaar ook, dat zij eene buitengewone terughoudendheid bij al de personen teweeg bracht, die de salons van haren vader bezochten, of die haar soms in de Stradona-laan ontmoetten.
Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz. 48.)Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz.48.)
Op het oogenblik dat dit verhaal hervat wordt, had Sava den zeventienjarigen leeftijd bereikt. (Bladz.48.)
Men zal gemakkelijk kunnen aannemen, dat Sava, die de eenige erfgename zou zijn van een vermogen, hetwelk kolossaal groot heette en wat haar eenmaal geheel zou toebehooren, meermalen tot een huwelijk aangezocht was geworden. Maar hoewel zich verscheidene jongelieden, die alle maatschappelijke eigenschappen en hoedanigheden in zich vereenigden, als huwelijks-candidaten voorgedaan hadden, had het jonge meisje steeds, wanneer zij geraadpleegd werd, zonder opgave van redenen geweigerd. Silas Toronthal had haar[50]dienaangaande nimmer gepolst of gedwongen. Ongetwijfeld was de schoonzoon, dien hij gewenscht had—meer voor zich zelven dan voor Sava—nog niet voorgekomen.
Om het portret van SavaToronthalte voltooien, moeten wij nog mededeelen, dat zij eene zeer sterke neiging had om de daden van deugd of moed, die de vaderlandsliefde tot grondslag hadden, te bewonderen. Niet dat zij zich met staatkunde inliet; maar de verhalen, die het vaderland betroffen, de opofferingen, die voor den geboortegrond geschied waren, de jongere voorbeelden, die zoo eervol en roemvol in de geschiedenis prijkten, maakten steeds diepen indruk op haar.
Indien zij die gevoelens niet aan het toeval harer geboorte ontleende—en inderdaad van Silas Toronthal had zij ze niet—dan had zij ze natuurlijk in haar edelmoedig hart moeten vinden.
Verklaart dat niet—zooals de lezer waarschijnlijk reeds gegist zal hebben—de innige toenadering, welke tusschen Piet Bathory en Sava Toronthal daaruit ontstaan was? Ja, het kon als een zeker toeval van het ongeluk beschouwd worden, hetwelk in de plannen van den bankier verwarring en die beide jongelieden tot elkaar bracht. Sava was nog slechts twaalf jaren oud, toen iemand eens tegen haar zeide en daarbij naar Piet wees, die vooruitging:
„Dat is de zoon van een man, die het leven voorHongarijeheeft ten offer gebracht!”
Die woorden zouden nimmer uit het geheugen van het edele meisje gewischt worden.
Beiden waren grooter geworden. Sava’s brein was reeds met het beeld van Piet vervuld, vóórdat deze het meisje nog opgemerkt had. Zij zag hem steeds zoo ernstig, zoo peinzend. Hij was arm, dat was waar; maar hij arbeidde ten minste om den naam zijns vaders eer aan te doen, wiens levensloop en wedervaren zij geheel en al kende.
De lezer weet het overige.
Hij weet, hoe Piet Bathory op zijne beurt bekoord en onweerstaanbaar aangetrokken werd door den aanblik van Sava, wier heerlijke geaardheid zoozeer met de zijne moest overeenkomen.
Hij weet, hoe de jongman het lieve jonge meisje, dat wellicht nog onkundig was met den aard van het gevoel, hetwelk haar hartje binnengeslopen was, reeds met eene innige liefde beminde, eene liefde, die zij weldra deelen en gevoelen zou.
Men zal alles, wat Sava Toronthal betreft, dadelijk begrijpen, wanneer men den toestand zal kennen, waarin zij zich bij hare ouders bevond.
Tegenover haren vader was Sava steeds uitermate teruggetrokken geweest. Nimmer had er eenig gevoel van overeenkomst tusschen[51]die twee bestaan. Nimmer had hij het vaderlijk hart jegens zijne dochter laten spreken; nimmer had de dochter zich tot een streelend gebaar jegens haren vader laten verleiden. Bij den eenen was het droogheid des harten; maar bij de andere ontstond die verwijdering uit de oneenigheid, welke tusschen die beide karakters in alles waar te nemen was. Sava betoonde voor Silas Toronthal al den eerbied, dien een kind aan zijn vader verschuldigd is—maar ook niets meer.
Bovendien, hij liet haar volkomen vrijheid om te handelen, zooals zij verkoos. Hij dwarsboomde haar niet in hare neigingen; hij stelde geene grenzen voor hare liefdadigheidswerken, die zijn behoefte aan uiterlijk verkeer zeer prikkelden en hem derhalve zeer bevielen.
Om kort te gaan, bij hem was het volmaakte onverschilligheid, die hem bezielde. Bij haar, het moet erkend worden, was het eerder antipathie, bijna afkeer, dien zij onverklaarbaar genoeg ondervond voor den man, waarmede zij dagelijks omging.
Voor hare moeder, voor mevrouw Toronthal, koesterde Sava geheel andere gevoelens. Ondervond die goede vrouw het onaangename van de heerschzucht van haren echtgenoot, die weinig beleefdheidsvormen jegens haar in acht nam, en toonde zij zich zwak tegenover die bejegening, dan sproot dat uit hare goedheid van karakter voort; want zij was duizendmaal beter dan hij, zoowel door het onbesprokene van haren levensloop, als door de zorg, die zij koesterde voor hare persoonlijke waardigheid.
Mevrouw Toronthal had Sava oprecht lief. In weerwil van de terughoudendheid van het jonge meisje, had zij de meest degelijke hoedanigheden in haar meenen te ontdekken. Maar de genegenheid, die zij voor haar gevoelde, was inderdaad van buitengewonen aard. Zij was vermengd met een soort van bewondering, met een soort van eerbied en zelfs met een weinig vrees. Het edel, verheven karakter van Sava, hare rechtschapenheid en ook hare onverzettelijkheid in sommige oogenblikken en bij sommige voorvallen, konden dien vreemden vorm van moederlijke liefde eenigermate wettigen. Toch vergold het jeugdige meisje hare toegenegenheid met gelijke wederliefde. Zelfs zonder de banden des bloeds, zouden beiden toch uitermate aan elkander gehecht geweest zijn.
Het zal dus bij den lezer geene verwondering baren, wanneer hij zal vernemen, dat mevrouw Toronthal de eerste was, die raadde, wat er in de ziel en in het hart van Sava omging. Het jonge meisje had haar dikwijls van Piet Bathory en van zijne familie gesproken, zonder evenwel daarbij den weemoedigen indruk, welken die naam bij hare moeder telkens teweeg bracht, te ontwaren. Toen dan ook mevrouw Toronthal tot erkenning gekomen was, dat Sava dien jongen man beminde, prevelde zij in haar binnenste:[52]
„Zou God dat dan toch willen? Zou Hij dat kunnen willen? O! het is schier onmogelijk!”
Wat die woorden in den mond van mevrouw Toronthal beteekenden, zal de lezer wel kunnen raden. Wat hij evenwel niet weten kan, en wat die rampzalige vrouw wel wist, dat is tot welk punt Sava’s liefde voor Piet Bathory een rechtvaardig herstel zou zijn voor het leed en de rampen, zijne familie aangedaan.
Wanneer mevrouw Toronthal, die vroom en geloovig was, evenwel vermeenen kon, dat zulk een huwelijksband met de inzichten der Voorzienigheid zou kunnen strooken, zou het zaak zijn, dat ook haar echtgenoot tot die toenadering der beide familiën gewonnen werd. Zij besloot dan ook om hem, zonder er evenwel iets van aan Sava te zeggen, over dat onderwerp te polsen.
Evenwel bij de eerste woorden reeds, die zijne gade zich liet ontvallen, werd Silas zoo woedend, dat hij iedere grens van betamelijkheid overschreed. Hij poogde dat gevoel van toorn zelfs niet te bemantelen of te bedwingen. Mevrouw Toronthal, door dien uitval onthutst en afgeschrikt, keerde ijlings naar hare vertrekken weer en kreeg de bedreiging mede:
„Neem u in acht, mevrouw!.… Als gij u ooit mocht verstouten met dat voorstel andermaal te berde te komen, of er zelfs nog maar op te zinspelen, dan zult gij het u berouwen! Laat u dat genoeg zijn!”
Dus het noodlot, zooals Silas Toronthal dat noemde, had niet alleen de familie Bathory in deze stad gevoerd, maar ook Sava en Piet, die elkander hadden leeren kennen en beminnen, tot elkander gebracht. Ja, dat mocht waarlijk een noodlot heeten! Een vreeselijk noodlot!
Misschien vraagt de lezer zich af, waarom die toorn, waarom die verbittering van den kant des bankiers?
Had hij geheime plannen gevormd omtrent Sava, omtrent hare toekomst? En werden die plannen thans gedwarsboomd?
Zou, hij voor het geval dat zijn schandelijk verraad ooit aan het licht kwam, integendeel geen groot belang hebben, dat de gevolgen van die snoode daad vooraf binnen de grenzen der mogelijkheid hersteld en vergoed waren? Wat zou Piet Bathory, eenmaal de echtgenoot van Sava Toronthal geworden, kunnen zeggen, wanneer hij vernam, dat haar vader den dood van den zijnen veroorzaakt had? Wat zou mevrouw Bathory alsdan kunnen doen? Zeker zou dat een afgrijselijken toestand vormen: de zoon van het slachtoffer gehuwd met de dochter van den sluipmoordenaar! Afgrijselijk vooral voor dien zoon, niet voor hem Silas Toronthal!
Voor hem zou dat huwelijk een schutmiddel wezen.
Maar men was, wel is waar, zonder tijding omtrent Sarcany. Zijne[53]terugkomst was evenwel toch mogelijk. Waarschijnlijk bestonden vroegere afspraken tusschen den bankier en zijn medeplichtige. En deze was er de man niet naar, om die te vergeten, wanneer het hem in de wereld tegenliep.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Silas Toronthal wel eenige bekommernis gevoelde omtrent dien Sarcany, zijnen Tripolitaanschen makelaar van weleer, vooral omtrent zijn wedervaren tot heden. Hij had sedert die zaak te Triëst geen tijding hoegenaamd van hem gehad en het was dus reeds meer dan vijftien jaren geleden, dat zij van elkander gegaan waren. Nu en dan had hij getracht berichten in te winnen, maar steeds te vergeefs.
Zelfs in Sicilië, waar hij wist, dat Sarcany door tusschenkomst van zijn ouden makker Zirone betrekkingen onderhield, waren de nasporingen vruchteloos gebleven. Toch konSarcanyden eenen of anderen dag te voorschijn treden. Dat was inderdaad een voortdurend schrikbeeld voor den bankier.
Maar kon die gelukzoeker ook dood zijn? Wie weet?Misschienwel!
Dat zou eene tijding wezen, die Silas Toronthal met onuitsprekelijk genoegen ontvangen zou.
Dan zou hij wellicht de mogelijkheid van eene vereeniging, van een band tusschen de familie Bathory en de zijne leeren inzien en zijne bewilliging verleenen.
Maar zoo als de zaken thans stonden, was er in ieder geval niet aan te denken. Dat begreep mevrouw Toronthal al ras.
Silas Toronthal kwam dus niet terug op de ruwe bejegeningen, die hij zijne echtgenoote had doen ondergaan, toen zij met die zaak te berde kwam. Hij sprak er niet meer over en vermeed ten stipste eenige verklaring te geven. Hij stelde zich tot taak, haar en Sava beter te bewaken, haar zelfs te doen bespionneeren. Wat den jeugdigen werktuigkundige betrof, dien zou hij nog trotscher bejegenen; hij zou het hoofd afwenden, wanneer hij hem ontmoeten zou; in éen woord: hij zou zoo handelen, dat hem duidelijk moest zijn, dat er geen ziertje hoop te koesteren was. Ja, dat was de gedragslijn, waartoe hij besloot, en hij slaagde er maar al te goed in, om den radeloozen verliefde te toonen, dat iedere stap van zijn kant totaal overbodig zou zijn.
Het was onder die omstandigheden, dat in den avond van den 10denJuni, Sarcany’s naam in de salons van de woning in de Stradona-laan weerklonk, nadat de deuren zich voor dezen schaamteloozen kerel hadden geopend.
Dienzelfden morgen had Sarcany, door Namir vergezeld, in denspoortreinvan Cattaro naar Ragusa plaats genomen.Hij was in een der voornaamste hôtels van de stad afgestapt, had daar zijn[54]reispak tegen een elegant toilet verwisseld en had zich, zonder een oogenblik te laten verloren gaan en zonder aarzeling te laten blijken, aan de woning van zijn ouden medeplichtige aangemeld. Hij rekende voorzeker op de machtspreuk: aan de stoutmoedigen behoort het heelal!
Silas Toronthal ontving hem en gaf bevelen, dat hun onderhoud niet zoude gestoord worden.
Hoe nam de bankier dat bezoek van Sarcany op?
Had hij geestkracht genoeg, om hetgeen hij moest gevoelen bij dat wederzien te bemantelen en ging hij tot onderhandelingen met hem over?
Was Sarcany van zijn kant heerschzuchtig, onbeschaamd, ja onbeschoft, zooals hij vroeger was? Herinnerde hij den bankier hunne afspraken en de beloften, die deze misschien gedaan had, overeenkomsten, die lang geleden aangegaan waren?
Spraken zij eindelijk over het verleden, over het heden, over de toekomst, ja over de toekomst?
Dat kon niemand zeggen; want behalve door hen beiden werd dat onderhoud door geen sterveling bijgewoond en kon het door niemand beluisterd of gestoord worden.
Maar ziehier, wat er uit voortvloeide.
Vier en twintig uren later verbreidde zich een nieuwtje door de stad, dat wel geschikt was, om verwondering te baren. Men sprak van een huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal en voegde er bij, dat die Sarcany een onmetelijk rijk en adellijk inboorling van Tripoli was. De lezer weet, wat er van dien adeldom aan is.
Blijkbaar had de bankier tegenover de bedreigingen van dien man, die hem in het verderf kon storten, moeten toegeven. Noch de smeekbeden zijner echtgenoote, noch de afschuw, die Sava, toen haar vader haar zijn wil meende op te dringen, aan den dag legde, vermocht iets.
Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)
Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van Mevrouw Bathory terug. (Bladz. 58.)
Wij zullen slechts een enkel woord reppen over het belang, dat Sarcany bij het sluiten van dat huwelijk had,—een belang, dat hij volstrekt niet voor Silas Toronthal verborgen gehouden had. Sarcany was namelijk geruïneerd. Het gedeelte van dat zoo schandelijk verworven vermogen, hetwelk den bankier in staat gesteld had, om het crediet van zijn wankelend huis te herstellen, was nauwelijks voldoende geweest voor den gelukzoeker, om gedurende vijftien jaren zijne hartstochten bot te vieren. Sedert hij Triëst verliet, had Sarcany geheel Europa doorreisd en daarbij als verkwister geleefd, voor wien de vertrekken, die hij in de hôtels te Parijs, Londen, Amsterdam, Weenen, Berlijn en Rome betrok, nimmer ramen genoeg gehad hadden, waardoor hij het geld volgens de invallen zijner grillige luimen had kunnen wegwerpen. Na de vermaken en genoegens[56]van allerlei aard daar genoten te hebben, ging hij aan de kansen van het lot vragen, om in te slokken wat hem van zijn vermogen nog over gebleven was. Hij bezocht dan ook de steden in Zwitserland en Spanje, waar nog speelbanken aangetroffen worden. Hij bezocht het Vorstendom Monaco, dat door een cirkel van Franschen grenzen omgeven is.
Het zal wel niet noodig zijn er bij te vertellen, dat Zirone gedurende dat geheele tijdvak zijn onafscheidelijke makker geweest was. Toen hen evenwel nog slechts ettelijke duizenden guldens overbleven, waren zij naar het eiland, hetwelk voor ieder Siciliaan zoo dierbaar is, naar het oostelijk deel van het oude Trinacria (het driepuntige) teruggekeerd. Daar bleven zij evenwel, in afwachting van de gebeurlijkheden, niet werkeloos, dat wil zeggen totdat Sarcany den tijd gekomen zou achten om zijne relatiën met den bankier Silas Toronthal te hervatten.
En inderdaad was een huwelijk met Sava, de eenige erfgename van den rijken Silas Toronthal, niet de eenvoudigste oplossing van het vraagstuk betreffende het herstel van zijn vermogen?
De bankier kon en mocht hem toch niets weigeren.
Misschien bestond er tusschen die twee mannen, behalve die band, dien de lezers reeds kennen, nog een andere, die de toekomst alleen kan ontsluieren.
Intusschen vroeg Sava eene juiste verklaring aan haren vader, waarom hij op dusdanige wijze over haar beschikte.
„Mijne eer hangt van dat huwelijk af,” had Silas Toronthal na tal van uitvluchten geantwoord, „en dat huwelijk zal voltrokken worden.”
Toen Sava dat antwoord van den bankier aan hare moeder overbracht, viel deze schier bewusteloos in de armen harer dochter en kon slechts tranen van wanhoop storten.
Silas Toronthal had dus in zijn voornemen volhard.
Het huwelijk werd op den 6denJuli vastgesteld en zou op dien dag voltrokken worden.
Men kan begrijpen, hoe Piet Bathory gedurende die drie weken leed! Zijne ontsteltenis en opgewondenheid waren schrikkelijk om aan te zien. Hij had aanvallen van machtelooze woede en bleef nu eens opgesloten in zijn vertrek in de Marinella-straat, dan weer ontsnapte hij uit de gevloekte stad in eene zoodanige gemoedstemming, dat mevrouw Bathory inderdaad vreezen kon, dat hij tot een wanhopigen stap in staat was en dat zij hem niet meer terug zou zien. Het was verschrikkelijk!
Welke troostwoorden zou zij hem ook hebben kunnen doen hooren?
Zoolang er geen quaestie van dat huwelijk geweest was, kon Piet Bathory, hoewel hij door den vader van Sava afgewezen werd, eenige[57]hoop, wel is waar zeer weinig, maar toch nog hoop koesteren. Maar was Sava eenmaal gehuwd, dan was er een afgrond—een onoverkomelijke afgrond ditmaal tusschen de beide jongelieden gegraven.
Wat dokter Antekirrt ook mocht gezegd of beloofd hebben, och, altemaal praatjes! Ook deze scheen Piet in den steek te laten.
Maar.… hij vroeg zich af, hoe het mogelijk was, dat het jonge meisje, dat hem toch zoozeer beminde en wier geest krachtvolle geaardheid hij kende, tot die vereeniging hare toestemming had kunnen geven?
Welk geheim beheerschte dan toch die woning in de Stradona-laan, waar zoo iets kon gebeuren?
Och, Piet had zeer zeker beter gedaan met Ragusa te verlaten, met de voorstellen aan te nemen, die hem daar buiten gedaan waren, met ver, zeer ver weg van Sava heen te gaan, van Sava, die men aan dien vreemdeling, aan dien Sarcany overleverde.
„Neen!” riep hij uit en herhaalde hij telkens: „Neen! dat is onmogelijk!.… Ik bemin haar!”
De wanhoop was dus die woning binnengedrongen, waar weinige dagen te voren een straal van hoop gegloord had.
Helaas, ja!
Pescadospunt vervulde intusschen steeds zijne rol van verspieder en was dus geheel en al op de hoogte omtrent de geruchten, die in de stad liepen, ook omtrent hetgeen in de Stradona-laan voorbereid werd.
Zoodra hij het bericht van het huwelijk tusschen Sava Toronthal en Sarcany vernam, schreef hij naar Cattaro.
Zoodra hij zich had kunnen overtuigen omtrent den ellendigen toestand, waartoe die tijding den jeugdigen ingenieur, die hem levendig belang inboezemde, gebracht had, deed hij daarvan mededeeling aan dokter Antekirrt.
Tot eenig antwoord ontving hij het bevel, om voort te gaan met alles gade te slaan wat te Ragusa voorviel en hem te Cattaro daaromtrent op de hoogte te houden.
Midderwijl naarmate die ongelukkige datum van 6 Juli naderde, verergerde de toestand van Piet Bathory al meer en meer. Zijne moeder kon hem niet meer tot kalmte brengen. Hoe zou Silas Toronthal dan ook te bewegen zijn om zijne plannen te wijzigen? Was het niet klaarblijkelijk uit de haast, waarmede dit huwelijk kenbaar gemaakt en vastgesteld was, dat het reeds sedert lang besloten was? Bleek daar niet duidelijk uit, dat Sarcany en de bankier Silas Toronthal elkander sedert lang kenden, dat die „rijke Tripolitaan” op den vader van Sava een bijzonderen invloed moest hebben.
Door die niet te verdrijven denkbeelden gemarteld, kwam Piet Bathory op de gedachte, om acht dagen vóór de voltrekking van het huwelijk aan Silas Toronthal te schrijven.[58]
Hij deed zulks; maar.… zooals wel te voorzien was, hij kreeg geen antwoord.
Piet poogde toen den bankier op straat te ontmoeten.…
Dat lukte ook al niet. De bankier scheen hem opzettelijk te ontwijken.
Piet wilde hem in zijne woning gaan opzoeken.…
Hij slaagde er zelfs niet in, den drempel van de deur te overschrijden. Dat was trouwens te voorzien geweest.
Wat Sava en hare moeder betrof, die waren thans geheel en al onzichtbaar. Geene mogelijkheid bestond er om tot haar te genaken.
Maar kon Piet Bathory noch Sava, noch hare moeder, noch haren vader ontmoeten, daarentegen kwam hij herhaalde malen in de Stradona-laan Sarcany tegen, ja liep hij hem bijkans tegen het lijf. Den blik van haat, dien de jongman op hem wierp, beantwoordde Sarcany slechts met een onbeschoft, minachtend gebaar. Piet Bathory dacht er toen aan om hem uit te dagen, om hem tot vechten te noodzaken.…
Onder welk voorwendsel evenwel zou hij dat kunnen doen, en waarom zou Sarcany, om zoo te zeggen daags vóór zijn huwelijk met Sava Toronthal, eene zoodanige ontmoeting inwilligen? Had hij er niet integendeel alle belang bij, om die te vermijden? Neen, van een tweegevecht was ook geen uitkomst te verwachten.
Zoo gingen zes dagen voorbij, zes lange, zes eindelooze dagen! Het was alsof er geen einde aan kwam!
In weerwil van de smeekingen zijner moeder, in weerwil van het bidden van den ouden Borik, verliet Piet in den avond van den 4denJuli de woning in de Marinella-straat. De oude dienaar poogde hem te volgen; maar deze met zijne oude beenen was het spoor van den jongen man weldra bijster. Piet dwaalde als een waanzinnige op goed geluk af, door de eenzaamste straten der stad langs de buitenmuren van Ragusa.
Een uur later bracht men hem, helaas! stervende, in de woning van mevrouw Bathory terug.
Een dolksteek had het bovenste gedeelte zijner linkerlong doorboord. Eene zeer gevaarlijke wond!
Er was geen twijfel mogelijk. Piet had in een aanval van krankzinnige wanhoop, de hand aan zich zelven geslagen!
Zoodra Pescadospunt dat ongeluk vernam, liep hij in alle haast naar het telegraafkantoor.
Ene uur later ontving dokter Antekirrt de tijding van den zelfmoord van den jongen man te Cattaro.
Het zou moeilijk zijn de smart van mevrouw Bathory te beschrijven, toen zij zich tegenover haren bewusteloozen zoon bevond, die wellicht nog slechts weinige uren te leven had. Maar[59]de geestkracht der moeder bestreed de zwakheden der vrouw. Vóór alles moest er hulp verleend, moest de gekwetste verpleegd en verzorgd worden. Tranen konden later vergoten worden. Daartoe was thans geen tijd.
Een dokter werd geroepen en kwam ook dadelijk. Hij onderzocht den gewonde; hij luisterde naar zijne zwakke en tusschenpoozende ademhaling; hij sloeg het onregelmatige op en neergaan der borstkas gade; hij peilde de wonde, legde het eerste verband, in één woord, hij verleende die zorg der kunst, in dergelijke gevallen noodig en gebruikelijk, maar hij deelde geene hoop mede, die hij zelf niet bezat.
Vijftien uren later was de toestand van den jongen man nog verergerd door eene zeer belangrijke verbloeding. Zijne ademhaling was toen nog nauwelijks waarneembaar, en dreigde in een laatsten zucht heen te vlieden.
Mevrouw Bathory was op de knieën naast het ledikant gevallen en bad God innig haren zoon toch te willen sparen.
In dit oogenblik ging de deur der kamer open.…
Dokter Antekirrt stapte regelrecht op de sponde van den stervende toe.
Mevrouw Bathory wilde tot hem ijlen.… Hij weerhield haar met een enkel gebaar.
Toen bukte de dokter over Piet en onderzocht hem met de grootste aandacht, zonder evenwel een enkel woord te spreken. Daarna bekeek hij hem met een onweerstaanbaren blik. En alsof een electrische stroom uit zijne oogen schoot, scheen hij in die hersens, waarin de gedachte op het punt was om uitgebluscht te worden, zijn eigen leven met zijn eigen wil te doen doordringen.
Plotseling richtte zich Piet half overeind op. Zijn oogleden openden zich. Hij keek den dokter aan. Daarna viel hij levenloos neder.
Mevrouw Bathory stiet een kreet uit, viel op haren zoon en lag weldra bewusteloos in de armen van den ouden Borik.
Toen sloot de dokter de oogen van den jeugdigen doode. Daarna richtte hij zich overeind, verliet de kamer en men zou hem die spreuk, aan de Indische legenden ontleend, hebben kunnen hooren prevelen:
„De dood vernietigt niet, hij maakt slechts onzichtbaar.”[60]