[Inhoud]IV.EENE ONTMOETING IN DE STRADONA-LAAN.Dat sterfgeval had groot opzien in de stad veroorzaakt; maar niemand kon de ware oorzaak van den zelfmoord van Piet Bathory gissen, noch vermoeden dat Sarcany en Silas Toronthal er eenig part of deel aan hadden.Den volgenden morgen, den 6denJuli, zou het huwelijk van Sava Toronthal met Sarcany voltrokken worden.Het bericht van dien zelfmoord, onder zoo roerende omstandigheden gepleegd, drong niet tot mevrouw Toronthal en hare dochter door. Silas Toronthal en Sarcany hadden dienaangaande hunne maatregelen goed getroffen. Het geheim zou niet verraden worden.Die twee booswichten waren ook samen overeengekomen, dat het huwelijk op zeer eenvoudige wijze zoude gevierd worden. Als voorwendsel zoude opgegeven worden, dat Sarcany’s familie in den rouw was. Dat strookte zeer weinig met de prachtlievende neigingen en gewoonten van Silas Toronthal; maar in de gegeven omstandigheden meende hij toch, dat het beter was het huwelijk zonder ophef zoude voltrokken worden. De jonggehuwden zouden slechts weinige dagen te Ragusa verwijlen, daarna zouden zij naar Tripoli vertrekken, waar Sarcany, zooals men zeide, doorgaans woonde.Er zouden dus geene feestelijkheden in de woning van de Stradona-laan plaats hebben, noch bij de voorlezing van het contract, waarbij eene belangrijke som aan het jonge meisje toegedacht werd, noch bij de godsdienstige plechtigheid in deFranciscanerkerk, welke onmiddellijk op het burgerlijk huwelijk zoude volgen.Terwijl dien dag de laatste toebereidselen tot het huwelijk in de woning van Silas Toronthal getroffen werden, wandelden twee mannen aan het andere einde van de Stradona-laan.Die twee mannen waren onze beide bekenden: Kaap Matifou en Pescadospunt.Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Toen dokter Antekirrt naar Ragusa teruggekeerd was, had hij Kaap Matifou medegenomen. Zijne tegenwoordigheid was te Cattaro niet meer noodig en niemand zal er wel aan twijfelen, dat de beide vrienden, de „beide tweelingen,” zooals Pescadospunt zich met zijn[62]makker noemde, uiterst verheugd waren, elkander weer te zien.Wat den dokter betrof, deze had na zijne aankomst te Ragusa het hierboven verhaalde bezoek in het huis van de Marinella-straat afgelegd. Daarna had hij zijn intrek genomen in een hôtel van de voorstad de Plocca, waar hij wilde wachten totdat het huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal zou voltrokken zijn, om zijneplannenverder ten uitvoer te brengen.Den volgenden morgen had hij, gedurende een tweede bezoek, hetwelk hij mevrouw Bathory bracht, zelf geholpen om Piet in de doodkist te leggen, waarna hij naar zijn hôtel teruggekeerd was, na Pescadospunt en Kaap Matifou naar de Stradona-laan gezonden te hebben, om als gewoonlijk daar gade te slaan.Nu belette die dienst Pescadospunt, terwijl hij oog en oor ter dege gebruikte, niet om te praten.„Zeg eens, Kaap Matifou,” begon hij.„Wat wilt ge?” vroeg de reus.„Ik wilde wel eens op die kast kloppen,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij op de borst van zijn vriend wees.„Als je dat genoegen kan doen, ga dan je gang,” zei Kaap Matifou, terwijl een goedhartige glimlach zijn reeds goedaardig gelaat nog meer verhelderde.Pescadospunt klopte op het reuzenlichaam, waarbij hij zich op zijne teenen opgaf, om zijn doel te bereiken, wat maar moeielijk gelukte.„Ik vind dat ge dik wordt, waarde Kaap,” zei hij na de proef.„Meent ge?” vroeg deze.„Nog al.”„Maar ik ben sterk gebleven! Dat verzeker ik je!” sprak Kaap Matifou met eene soort van zelfvoldaanheid.„Ja, dat heb ik bij je omhelzingondervonden. Te duivel.…”„Maar het stuk, Pescadospunt?.…” vroeg Kaap Matifou met een zweem van ongeduld in zijne stem.„Welk stuk?”„Dat tooneelstuk, waarvan je laatst spraakt.”Kaap Matifou scheen blijkbaar op de hem toegedachte rol gesteld te zijn.„O, dat stuk vordert, dat stuk vordert!.… Zie, Kaap Matifou, de handeling er van is zeer ingewikkeld.”„Ingewikkeld.…? vroeg de reus, terwijl hij zich achter het rechteroor krabde.Hij hield niet van ingewikkelde zaken.„Ja, zeker.”„Hoe zoo? Leg mij dat uit.”„Zie je, het is geen blijspel, het is een treurspel en het begin is zelfs zeer hartroerend.”[63]„Hoe weet je dat?”Pescadospunt antwoordde niet. Een rijtuig, dat bijzonder vlug reed, hield voor het huis in de Stradona-laan stil.De koetspoort ging dadelijk open en sloot zich weer achter het rijtuig.In dat rijtuig zat Sarcany. Pescadospunt had hem herkend.„Ja.… zeer hartroerend,” ging deze laatste voort, „men voorspelt reeds dat het stuk volkomen succes zal hebben.”„Zoo?.… En de verrader?.…” vroeg Kaap Matifou, welke in die rol een bijzonder belang scheen te stellen.„De verrader?”„Ja, de verrader? Wat gebeurt met hem? Zeg mij toch, ik ben doodnieuwsgierig.…”„Dat is moeielijk te zeggen, beste Kaap. Ziet ge, de omstandigheden.… de gebeurlijkheden.… in éen woord.…”„Er dient toch wat met hem te gebeuren, dat vat ge, niet waar,” sprak de reus gemelijk.„Welnu, de verrader zegepraalt thans, zooals dat in ieder goed geschreven stuk geschiedt.… Maar geduld.… ja, geduld.… bij de ontknooping.…”„Te Cattaro,” zei Kaap Matifou, „meende ik.…”„Op het tooneel te verschijnen?”„Ja, Pescadospunt, ja. Maar dat niet alleen, maar ik meende ook dat de ontknooping nabij was.”En Kaap Matifou verhaalde wat er op den bazar van Cattaro voorgevallen was, namelijk: dat het gebruik zijner armen reeds was aangevraagd, om eene ontvoering tebewerkstelligen, die evenwel niet geschied was.„Goed! Het was nog te vroeg!” antwoordde Pescadospunt, die eigenlijk maar praatte om te praten, zooals men zegt, maar intusschen de oogen vlijtig rechts en links liet gaan. „Beste Kaap, je komt eerst in het vierde of vijfde bedrijf op.… Misschien zal je slechts bij het slottooneel verschijnen!.… Maar wees niet ongerust!.… Je zult een prachtig effect maken!.… Daar kan je op rekenen!.… Daar geef ik je mijn woord op!”Juist in ditoogenblikwerd een verwijderd gedruisch in de Stradona-laan vernomen bij den hoek van de Marinella-straat, dus, vrij wel in de nabijheid der beide vrienden.Pescadospunt brak het gesprek af, stapte eenige passen rechts van het woonhuis van Toronthal voort.Een lijkstatie kwam in dat oogenblik de Marinella-straat uit en sloeg de Stradona-laan in, om zich naar de Franciscaner kerk te richten, alwaar de lijkdienst gehouden zoude worden.Weinig personen volgden overigens dien lijkstoet, waarvan de[64]bescheidenheid de publieke aandacht niet vermocht tot zich te trekken. Het was een eenvoudige kist, die onder een zwart laken door mannen gedragen werd.De lijkstoet naderde langzaam, toen plotseling Pescadospunt, een kreet smorende, Kaap Matifou bij den arm greep.„Wat is er toch?” vroeg Kaap Matifou.„Niets!”„Niets?”„Het zou te lang zijn om je dat uit te leggen, beste Kaap,” antwoordde Pescadospunt met gedempte stem.Hij had mevrouw Bathory herkend, die de teraardebestelling van haren zoon had willen bijwonen.De kerk had hare gebeden niet geweigerd voor dien overledene, die de wanhoop tot zelfmoord gebracht had, en de priester wachtte het lijk in de kapel derFranciscanenop, om de absolutie er over uit te spreken en om het daarna naar het kerkhof te begeleiden.Mevrouw Bathory trad met droge oogen achter de kist voort. Zij had de kracht niet meer om te schreien. Hare oogen stonden bijna woest, wierpen nu eens blikken ter zijde en boorden dan weer door het zwarte laken, dat het lijk haars zoons bedekte.De oude Borik sleepte zich meelijwekkend naast haar voort. De oude dienaar kon ternauwernood overeind blijven.Pescadospunt voelde tranen in zijne oogen opwellen. Hij had waarlijk werk ze te bedwingen.Ja, ware het zijn taak niet geweest, om op zijn post te blijven, dan zou de brave kerel geen oogenblik geaarzeld hebben om zich bij die weinige vrienden, bij die enkele buren, die den lijkstoet volgden, aan te sluiten. Maar nu kon, nu mocht hij niet. Hij bleef dus uitkijken.Plotseling toen de lijkstoet voor de woning van Silas Toronthal was aangekomen en die zou voorbijtrekken, ging de groote poort open. Op het binnenplein stonden voor het perron van het fraaie huis twee rijtuigen, die op het punt waren naar buiten te rijden.Het eerste reed de poort door en wendde, om in vollen draf de Stradona-laan af te rijden.Pescadospunt bespeurde in dat rijtuig Silas Toronthal, zijne echtgenoote en zijne dochter.Mevrouw Toronthal, door de smart gebroken, zat naast Sava, die nog bleeker dan haar bruidsluier was.Sarcany zat met eenige bloedverwanten of vrienden in het tweede rijtuig.Er was niet meer omslag voor dat huwelijk dan voor die begrafenis gemaakt. Bij beiden heerschte dezelfde vrij wel met elkander overeenkomende droefheid.[65]Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).[66]Plotseling, op het oogenblik dat het rijtuig de poort uitreed, hoorde men een hartverscheurenden kreet.Mevrouw Bathory was blijven stilstaan en met de hand uitgestrekt naar Sava, vervloekte zij het jonge meisje.Het was Sava, die dien kreet geslaakt had.Zij had de moeder in diep rouwgewaad gezien, en had, toen zij die kist en dien treurigen optocht zag, alles begrepen, wat men voor haar verborgen gehouden had!.… O, zij was radeloos!Piet was dood! Dood door haar en voor haar, en het was zijn lijkstoet, die daar voorbijtrok op het oogenblik dat zij uitreed om zich in den echt te verbinden! Was dat geen wreed spel van het noodlot?Sava viel bewusteloos neer. Mevrouw Toronthal, geheel van haar stuk gebracht, wilde haar bijbrengen. Die poging was evenwel te vergeefs! Het jonge meisje ademde ternauwernood nog!Silas Toronthal had een gebaar van toorn niet kunnen onderdrukken. Maar Sarcany, die ook uit zijn rijtuig gesprongen en naderbij getreden was, wist zich te beheerschen. Bleek maar kalm keek hij toe.Het was onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden zoo met die bewustelooze bruid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen. Er moest dus aan de koetsiers bevel gegeven worden, om naar de woning terug te rijden. Dat geschiedde en weldra sloeg dan ook de koetspoort met een harden smak achter de beide rijtuigen toe.Sava werd naar hare kamer gedragen en daar op haar bed neer gelegd. Geen enkele beweging, geen enkele trilling verried, dat zij nog leefde. Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant, riep haar, wreef en koesterde haar, terwijl in allerijl een dokter gehaald werd.Midderwijl vervolgde de begrafenisstoet van Piet Bathory den treurigen tocht naar deFranciscanerkapel, om daarna na den lijkdienst naar het kerkhof van Ragusa door te gaan.Pescadospunt had intusschen begrepen, dat dokterAntekirrtonverwijld in kennis gesteld moest worden met dit voorval, dat hij niet had kunnen voorzien. Hij zei dus tot Kaap Matifou:„Blijf hier en wees waakzaam.”„Goed,” zei de reus. „Als gij mij maar duidelijk zegt, wat ik te doen zal hebben.”„Gij moet dat huis daar stipt en onafgebroken in het oog houden. Anders niet. Vaarwel!”Daarna liep het tengere kereltje naar de voorstad Plocca en verhaalde daar wat er gebeurd was.De dokter bleef na dit verhaal, hetwelk Pescadospunt zoo vlug en zoo duidelijk mogelijk geleverd had, een oogenblik stilzwijgend zitten.[67]„Ben ik mijn recht te buiten gegaan?” vroeg hij zich af. „Neen!.. Heb ik eene onschuldige getroffen?.… Ja, dat zeker!.… Maar … die onschuldige is de dochter van een ellendeling, de dochter van Silas Toronthal!”En zich vervolgens tot Pescadospunt wendende, vroeg hij:„Waar is Kaap Matifou?”„Voor de woning in de Stradona-laan.”„Dus dadelijk weer te vinden en te ontbieden?”„Ja.”„Ik zal u beider diensten dezen avond noodig hebben!” ging dokter Antekirrt voort.„Om hoe laat?”„Tegen negen uren.”„Waar moeten wij u wachten?”„Bij de poort van het kerkhof!”„Wij zullen er zijn!”Pescadospunt vertrok dadelijk, om Kaap Matifou, die zijn waarnemingspost niet verlaten had, te gaan opzoeken.Toen de avond gevallen was, richtte dokter Antekirrt, in een grooten en wijden mantel gehuld, zijne schreden naar de haven van Ragusa. Bij den hoek van den linker kademuur, bereikte hij eene kleine kreek, die als het ware in de rotsen verloren lag en die een bocht iets ten noorden in de kustlijn van de haven vormde.Die plek was geheel eenzaam. Noch huis, noch vaartuig was er te zien. De visschersvaartuigen kwamen daar nooit ten anker, uit vrees voor de talrijke klippen, die in de monding dier kreek als gezaaid lagen.De dokter bleef stilstaan, keek rond en stiet een kreet uit, die waarschijnlijk een afgesproken teeken was. Bijna onmiddellijk verscheen een zeeman. Eerbiedig nam deze den hoed af, boog en:„Tot uwe orders, baas,” zei hij.„Is de sloep er, Pazzer?”„Ja, achter die rots.”„Bemand met hare roeiers?”„Ja, met allen.”„En deElectriek?.… Waar is zij? Ik hoop toch nabij, zooals ik bevolen heb?”„Die ligt daar verder ten noorden op drie vademen lengte ongeveer buiten de kleine kreek.”En de zeeman wees op eene soort langwerpige spoel, die bij het heerschende halfduister onduidelijk op de watervlakte bemerkt werd en welker tegenwoordigheid door geen enkel licht, noch door eenigen rook aangeduid werd.[68]„Wanneer is het vaartuig van Cattaro aangekomen, Pazzer?” vroeg de dokter aan den zeeman.„Nauwelijks een uur geleden.”„Is dat ongemerkt geschied?”„Geheel en al, heer dokter. Het is onderlangs de klippen als het ware voortgegleden. Niemand heeft er iets van gemerkt.”„Pazzer, luister. Niemand mag zijn post verlaten.”„Goed, dokter.”„En hier moet de sloep mij wachten.…”„Goed, goed.”„Al ware het ook den geheelen nacht! Hebt ge dat goed begrepen, Pazzer?”„Opperbest.”De zeeman ging naar de sloep terug, die tegen den donkeren rotswand in het geheel niet ontdekt werd, maar daarmede als het ware een geheel vormde.Dokter Antekirrt bleef nog een poos op het strand. Ongetwijfeld wilde hij wachten totdat de nacht nog meer gevorderd en dus donkerder wezen zou. Van tijd tot tijd stapte hij met groote schreden op en neer. Dan weer stond hij stil. En dan waarde zijn blik, terwijl hij daar met over elkander geslagen armen, stilzwijgend en roerloos stond, over de oppervlakte van de Adriatische zee, welke zich aan zijne voeten uitstrekte, alsof hij haar zijne geheimen wilde toevertrouwen.Noch maan, noch sterren schitterden aan den hemel. Ter nauwernood deed zich de landbries, die gewoonlijk bij het vallen van den avond intreedt en slechts weinige uren aanhoudt, gevoelen. Eene hoog zwevende maar dikke wolkenbank bedekte den hemel tot dicht bij den westelijken gezichteinder, alwaar zij in een lichtere nevelbank overging, om eindelijk geheel uitgewischt te worden.„Kom,” sprak eindelijk de dokter in zich zelven, „laat mij naar de stad teruggaan. Mijne tegenwoordigheid wordt elders vereischt.”En naar de kust van Ragusa stappende, volgde hij den ringmuur der stad, om zoo het kerkhof te bereiken.Daar wachtten hem Pescadospunt en Kaap Matifou in de nabijheid der deur. Zij hadden zich zoodanig achter een boom verscholen, dat zij niet bemerkt konden worden.Op dit uur werd het kerkhof gesloten. Juist had de bewaker van die laatste rustplaats zijn licht in zijne woning uitgedoofd, hetgeen hij gerust kon doen, daar niemand meer voor den volgenden ochtend komen zou, om zijne diensten in te roepen.De dokter droeg ongetwijfeld nauwkeurig kennis van den aanleg van dat kerkhof. Ook was het zeer zeker zijn plan niet om door de deur binnen te treden;—want wat hij er in te verrichten had, moest zeer geheim blijven.[69]„Volg mij,” zei hij tot Pescadospunt en zijnen makker, die op hem toegetreden waren.„Wij volgen,” antwoordden beiden zacht, terwijl zij achter hem voorttraden.En die drie mannen schreden toen langs den buitenmuur van het kerkhof voort, die door de helling van hetterreinniet overal even hoog had kunnen opgetrokken worden.Na aldus gedurende tien minuten voortgeschreden te zijn, bleef de dokter stilstaan en op eene bres wijzende, die door eene instorting van den muur ontstaan was, zei hij:„Daar door heen! Begrepen?”„Ja,” knikten beiden.En hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd.Daar onder die groote boomen met hunne dichte loofkruinen, die de graven overschaduwden, was de duisternis nog zwarter dan buiten. Zonder te aarzelen volgde evenwel de dokter eene laan, daarna eene nevenlaan, die naar het hooger gelegen gedeelte van het kerkhof voerde. Eenige nachtvogels, door dat geschuifel gestoord, vlogen heen en weer. Maar behalve die uilen, was er geen enkel levend wezen in die sombere ruimte te ontwaren.Weldra stonden de drie mannen stil bij een bescheiden monument, eene soort kapel, welks traliehek niet op slot gesloten was.De dokter opende het hek en daarna op den knop van eene kleine electrische lantaarn drukkende, liet hij licht schitteren, evenwel zoo, dat het van buiten af niet kon bespeurd worden.„Ga naar binnen,” zei hij tot Kaap Matifou.Deze stapte de kleine kapel in en bevond zich toen tegenover een muur, waarin drie marmeren platen gemetseld schenen.Op een van die platen—op de middelste—las men:Stephanus Bathory.1867.De beide andere platen hadden nog geene opschriften. De rechtsche zou er evenwel spoedig een krijgen.„Neem die plaat weg,” zei de dokter, op de rechtsche wijzende.Kaap Matifou volvoerde dien last gemakkelijk; want die plaat was nog niet in den muur vastgezet. Hij plaatste haar op den grond en toen kon bij het schitterend schijnsel van de lantaarn, eene doodkist ontwaard worden in de uitgespaarde uitholling in den muur.„Haal die kist er uit,” beval de dokter.Kaap Matifou greep een handvat en trok de kist, hoe zwaar[70]die ook was, uit hare nis, zonder dat de hulp van Pescadospunt daarbij noodig was, en na haar uit de kapel gedragen te hebben, legde hij haar op het grasneder.„Neem dit gereedschap,” zei de dokter.„Welk?” vroeg KaapMatifou.„Hier, dezen schroevendraaier,” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij hem dat werktuig aanreikte. „En draai nu de schroeven van dat deksel los. Kom, vlug wat!”In weinige minuten was dat verricht. Het deksel werd opgetild en ter zijde gezet.Dokter Antekirrt verwijderde het laken, hetwelk het lichaam bedekte, met de hand, boog zich voorover en legde het oor op de borst van den doode, alsof hij de hartslagen wilde waarnemen.…Daarna richtte hij zich weder op.„Haal dat lijk uit de kist,” zei hij tot Kaap Matifou.De Hercules gehoorzaamde zonder dat hij, evenmin als Pescadospunt, eene enkele tegenwerping maakte, hoewel zij eene door de wet verboden ontgraving volvoerden.Toen het lijk van Piet Bathory op het gras neergelegd was, rolde Kaap Matifou het andermaal in het lijklaken, waarover de dokter verder zijn mantel heen wierp. Het deksel werd toen weer op de kist geschroefd en deze in de muurnis geplaatst. Daarna werd de marmeren plaat weer voor de opening gehecht, die zij als vroeger bedekte.De dokter sloot toen den electrischen stroom zijner lantaarn af, waarna de duisternis weer even zwart heerschte als te voren. Door de voorafgaande verlichting verblind, konden de aanwezigen elkander in het donker niet ontwaren.„Neem dat lijk op,” zei hij tot Kaap Matifou.De reus tilde met zijne stevige armen het lichaam van den jongen man op, zooals hij met dat van een kind zou gehandeld hebben, en voorafgegaan door den dokter en gevolgd door Pescadospunt, stapte hij door eene nevenlaan, die onmiddellijk naar de bres in den muur van het kerkhof voerde.Vijf minuten later was de bres doorgestapt, en richtten zich de dokter, Pescadospunt en Kaap Matifou, na den ringmuur van het kerkhof langs getrokken te zijn, naar de zeekust.Geen enkel woord was tusschen de drie mannen gewisseld geworden. Maar al dacht de gehoorzame Kaap Matifou niet veel meer dan een blind werktuig, welke opeenvolging van meeningen had zich in het veel vluggere brein van Pescadospunt baan gebroken?Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Gedurendeden afstand van het kerkhof tot het strand, had dokter Antekirrt met zijne beide makkers niemand op den weg ontmoet,maartoen zij de kleine kreek naderden, waar de sloep van de[72]Electriekhen wachtte, ontwaarden zij een douane, die op de eerste rotslagen van het strand heen en weer wandelde.Zij vervolgden evenwel hunnen weg, zonder zich over zijne tegenwoordigheid te verontrusten. Een tweede kreet, door den dokter uitgestooten, deed den bootsman van de sloep, die tot nu toe onzichtbaar was gebleven, tot hem komen.Op een teeken daalde Kaap Matifou langs de rotshelling af, en was op het punt om in de sloep te stappen.Op dit oogenblik naderde de douaan en, terwijl de inscheping van het pak, hetwelk Kaap Matifou droeg, op het punt stond volbracht te worden, vroeg hij:„Wie zijt gij?”„Lieden, die u te kiezen geven tusschen een fooi van twintig gulden comptant, of een vuistslag van mijnheer.… ook comptant!” antwoordde Pescadospunt, op Kaap Matifou wijzende.Aarzeling was niet goed mogelijk. De douaan nam de twintig gulden aan.„En nu in de sloep!” zei dokter Antekirrt.Eene minuut later was het kleine vaartuig in den donkeren nacht verdwenen. Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den vasten wal te bespeuren was.De sloep werd aan boord geheschen en deElectriek, door hare geruchtlooze schroef voortgestuwd, had weldra het ruime sop bereikt.Wat Kaap Matifou betreft, die had het lichaam van Piet Bathory in eene smalle hut, die geen patrijspoortje had, om het licht door te laten, op een divan neergelegd, en was daarna heengegaan.Toen de dokter alleen bij het lijk gebleven was, bukte hij er zich over heen, tot zijne lippen dat bleeke voorhoofd aanraakten.„En nu, Piet.” zeide hij, „ontwaak! ik wil het.”En dadelijk, alsof hij uit een magnetischen slaap ontwaakte, die den dood gelijk was geweest, opende Piet Bathory de oogen.Een soort afkeer teekende zich op zijn gelaat, toen hij dokter Antekirrt herkende.„Gij!.…” prevelde hij, „gij, die mij ook in den steek gelaten hebt!”„Ja, ik, Piet!”„Maar wie zijt gij dan toch?” vroeg de jongman bibberend.„Een overledene.… evenals gij!”„Een overledene?.…”„Ik ben graaf Mathias Sandorf!”[73]
[Inhoud]IV.EENE ONTMOETING IN DE STRADONA-LAAN.Dat sterfgeval had groot opzien in de stad veroorzaakt; maar niemand kon de ware oorzaak van den zelfmoord van Piet Bathory gissen, noch vermoeden dat Sarcany en Silas Toronthal er eenig part of deel aan hadden.Den volgenden morgen, den 6denJuli, zou het huwelijk van Sava Toronthal met Sarcany voltrokken worden.Het bericht van dien zelfmoord, onder zoo roerende omstandigheden gepleegd, drong niet tot mevrouw Toronthal en hare dochter door. Silas Toronthal en Sarcany hadden dienaangaande hunne maatregelen goed getroffen. Het geheim zou niet verraden worden.Die twee booswichten waren ook samen overeengekomen, dat het huwelijk op zeer eenvoudige wijze zoude gevierd worden. Als voorwendsel zoude opgegeven worden, dat Sarcany’s familie in den rouw was. Dat strookte zeer weinig met de prachtlievende neigingen en gewoonten van Silas Toronthal; maar in de gegeven omstandigheden meende hij toch, dat het beter was het huwelijk zonder ophef zoude voltrokken worden. De jonggehuwden zouden slechts weinige dagen te Ragusa verwijlen, daarna zouden zij naar Tripoli vertrekken, waar Sarcany, zooals men zeide, doorgaans woonde.Er zouden dus geene feestelijkheden in de woning van de Stradona-laan plaats hebben, noch bij de voorlezing van het contract, waarbij eene belangrijke som aan het jonge meisje toegedacht werd, noch bij de godsdienstige plechtigheid in deFranciscanerkerk, welke onmiddellijk op het burgerlijk huwelijk zoude volgen.Terwijl dien dag de laatste toebereidselen tot het huwelijk in de woning van Silas Toronthal getroffen werden, wandelden twee mannen aan het andere einde van de Stradona-laan.Die twee mannen waren onze beide bekenden: Kaap Matifou en Pescadospunt.Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Toen dokter Antekirrt naar Ragusa teruggekeerd was, had hij Kaap Matifou medegenomen. Zijne tegenwoordigheid was te Cattaro niet meer noodig en niemand zal er wel aan twijfelen, dat de beide vrienden, de „beide tweelingen,” zooals Pescadospunt zich met zijn[62]makker noemde, uiterst verheugd waren, elkander weer te zien.Wat den dokter betrof, deze had na zijne aankomst te Ragusa het hierboven verhaalde bezoek in het huis van de Marinella-straat afgelegd. Daarna had hij zijn intrek genomen in een hôtel van de voorstad de Plocca, waar hij wilde wachten totdat het huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal zou voltrokken zijn, om zijneplannenverder ten uitvoer te brengen.Den volgenden morgen had hij, gedurende een tweede bezoek, hetwelk hij mevrouw Bathory bracht, zelf geholpen om Piet in de doodkist te leggen, waarna hij naar zijn hôtel teruggekeerd was, na Pescadospunt en Kaap Matifou naar de Stradona-laan gezonden te hebben, om als gewoonlijk daar gade te slaan.Nu belette die dienst Pescadospunt, terwijl hij oog en oor ter dege gebruikte, niet om te praten.„Zeg eens, Kaap Matifou,” begon hij.„Wat wilt ge?” vroeg de reus.„Ik wilde wel eens op die kast kloppen,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij op de borst van zijn vriend wees.„Als je dat genoegen kan doen, ga dan je gang,” zei Kaap Matifou, terwijl een goedhartige glimlach zijn reeds goedaardig gelaat nog meer verhelderde.Pescadospunt klopte op het reuzenlichaam, waarbij hij zich op zijne teenen opgaf, om zijn doel te bereiken, wat maar moeielijk gelukte.„Ik vind dat ge dik wordt, waarde Kaap,” zei hij na de proef.„Meent ge?” vroeg deze.„Nog al.”„Maar ik ben sterk gebleven! Dat verzeker ik je!” sprak Kaap Matifou met eene soort van zelfvoldaanheid.„Ja, dat heb ik bij je omhelzingondervonden. Te duivel.…”„Maar het stuk, Pescadospunt?.…” vroeg Kaap Matifou met een zweem van ongeduld in zijne stem.„Welk stuk?”„Dat tooneelstuk, waarvan je laatst spraakt.”Kaap Matifou scheen blijkbaar op de hem toegedachte rol gesteld te zijn.„O, dat stuk vordert, dat stuk vordert!.… Zie, Kaap Matifou, de handeling er van is zeer ingewikkeld.”„Ingewikkeld.…? vroeg de reus, terwijl hij zich achter het rechteroor krabde.Hij hield niet van ingewikkelde zaken.„Ja, zeker.”„Hoe zoo? Leg mij dat uit.”„Zie je, het is geen blijspel, het is een treurspel en het begin is zelfs zeer hartroerend.”[63]„Hoe weet je dat?”Pescadospunt antwoordde niet. Een rijtuig, dat bijzonder vlug reed, hield voor het huis in de Stradona-laan stil.De koetspoort ging dadelijk open en sloot zich weer achter het rijtuig.In dat rijtuig zat Sarcany. Pescadospunt had hem herkend.„Ja.… zeer hartroerend,” ging deze laatste voort, „men voorspelt reeds dat het stuk volkomen succes zal hebben.”„Zoo?.… En de verrader?.…” vroeg Kaap Matifou, welke in die rol een bijzonder belang scheen te stellen.„De verrader?”„Ja, de verrader? Wat gebeurt met hem? Zeg mij toch, ik ben doodnieuwsgierig.…”„Dat is moeielijk te zeggen, beste Kaap. Ziet ge, de omstandigheden.… de gebeurlijkheden.… in éen woord.…”„Er dient toch wat met hem te gebeuren, dat vat ge, niet waar,” sprak de reus gemelijk.„Welnu, de verrader zegepraalt thans, zooals dat in ieder goed geschreven stuk geschiedt.… Maar geduld.… ja, geduld.… bij de ontknooping.…”„Te Cattaro,” zei Kaap Matifou, „meende ik.…”„Op het tooneel te verschijnen?”„Ja, Pescadospunt, ja. Maar dat niet alleen, maar ik meende ook dat de ontknooping nabij was.”En Kaap Matifou verhaalde wat er op den bazar van Cattaro voorgevallen was, namelijk: dat het gebruik zijner armen reeds was aangevraagd, om eene ontvoering tebewerkstelligen, die evenwel niet geschied was.„Goed! Het was nog te vroeg!” antwoordde Pescadospunt, die eigenlijk maar praatte om te praten, zooals men zegt, maar intusschen de oogen vlijtig rechts en links liet gaan. „Beste Kaap, je komt eerst in het vierde of vijfde bedrijf op.… Misschien zal je slechts bij het slottooneel verschijnen!.… Maar wees niet ongerust!.… Je zult een prachtig effect maken!.… Daar kan je op rekenen!.… Daar geef ik je mijn woord op!”Juist in ditoogenblikwerd een verwijderd gedruisch in de Stradona-laan vernomen bij den hoek van de Marinella-straat, dus, vrij wel in de nabijheid der beide vrienden.Pescadospunt brak het gesprek af, stapte eenige passen rechts van het woonhuis van Toronthal voort.Een lijkstatie kwam in dat oogenblik de Marinella-straat uit en sloeg de Stradona-laan in, om zich naar de Franciscaner kerk te richten, alwaar de lijkdienst gehouden zoude worden.Weinig personen volgden overigens dien lijkstoet, waarvan de[64]bescheidenheid de publieke aandacht niet vermocht tot zich te trekken. Het was een eenvoudige kist, die onder een zwart laken door mannen gedragen werd.De lijkstoet naderde langzaam, toen plotseling Pescadospunt, een kreet smorende, Kaap Matifou bij den arm greep.„Wat is er toch?” vroeg Kaap Matifou.„Niets!”„Niets?”„Het zou te lang zijn om je dat uit te leggen, beste Kaap,” antwoordde Pescadospunt met gedempte stem.Hij had mevrouw Bathory herkend, die de teraardebestelling van haren zoon had willen bijwonen.De kerk had hare gebeden niet geweigerd voor dien overledene, die de wanhoop tot zelfmoord gebracht had, en de priester wachtte het lijk in de kapel derFranciscanenop, om de absolutie er over uit te spreken en om het daarna naar het kerkhof te begeleiden.Mevrouw Bathory trad met droge oogen achter de kist voort. Zij had de kracht niet meer om te schreien. Hare oogen stonden bijna woest, wierpen nu eens blikken ter zijde en boorden dan weer door het zwarte laken, dat het lijk haars zoons bedekte.De oude Borik sleepte zich meelijwekkend naast haar voort. De oude dienaar kon ternauwernood overeind blijven.Pescadospunt voelde tranen in zijne oogen opwellen. Hij had waarlijk werk ze te bedwingen.Ja, ware het zijn taak niet geweest, om op zijn post te blijven, dan zou de brave kerel geen oogenblik geaarzeld hebben om zich bij die weinige vrienden, bij die enkele buren, die den lijkstoet volgden, aan te sluiten. Maar nu kon, nu mocht hij niet. Hij bleef dus uitkijken.Plotseling toen de lijkstoet voor de woning van Silas Toronthal was aangekomen en die zou voorbijtrekken, ging de groote poort open. Op het binnenplein stonden voor het perron van het fraaie huis twee rijtuigen, die op het punt waren naar buiten te rijden.Het eerste reed de poort door en wendde, om in vollen draf de Stradona-laan af te rijden.Pescadospunt bespeurde in dat rijtuig Silas Toronthal, zijne echtgenoote en zijne dochter.Mevrouw Toronthal, door de smart gebroken, zat naast Sava, die nog bleeker dan haar bruidsluier was.Sarcany zat met eenige bloedverwanten of vrienden in het tweede rijtuig.Er was niet meer omslag voor dat huwelijk dan voor die begrafenis gemaakt. Bij beiden heerschte dezelfde vrij wel met elkander overeenkomende droefheid.[65]Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).[66]Plotseling, op het oogenblik dat het rijtuig de poort uitreed, hoorde men een hartverscheurenden kreet.Mevrouw Bathory was blijven stilstaan en met de hand uitgestrekt naar Sava, vervloekte zij het jonge meisje.Het was Sava, die dien kreet geslaakt had.Zij had de moeder in diep rouwgewaad gezien, en had, toen zij die kist en dien treurigen optocht zag, alles begrepen, wat men voor haar verborgen gehouden had!.… O, zij was radeloos!Piet was dood! Dood door haar en voor haar, en het was zijn lijkstoet, die daar voorbijtrok op het oogenblik dat zij uitreed om zich in den echt te verbinden! Was dat geen wreed spel van het noodlot?Sava viel bewusteloos neer. Mevrouw Toronthal, geheel van haar stuk gebracht, wilde haar bijbrengen. Die poging was evenwel te vergeefs! Het jonge meisje ademde ternauwernood nog!Silas Toronthal had een gebaar van toorn niet kunnen onderdrukken. Maar Sarcany, die ook uit zijn rijtuig gesprongen en naderbij getreden was, wist zich te beheerschen. Bleek maar kalm keek hij toe.Het was onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden zoo met die bewustelooze bruid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen. Er moest dus aan de koetsiers bevel gegeven worden, om naar de woning terug te rijden. Dat geschiedde en weldra sloeg dan ook de koetspoort met een harden smak achter de beide rijtuigen toe.Sava werd naar hare kamer gedragen en daar op haar bed neer gelegd. Geen enkele beweging, geen enkele trilling verried, dat zij nog leefde. Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant, riep haar, wreef en koesterde haar, terwijl in allerijl een dokter gehaald werd.Midderwijl vervolgde de begrafenisstoet van Piet Bathory den treurigen tocht naar deFranciscanerkapel, om daarna na den lijkdienst naar het kerkhof van Ragusa door te gaan.Pescadospunt had intusschen begrepen, dat dokterAntekirrtonverwijld in kennis gesteld moest worden met dit voorval, dat hij niet had kunnen voorzien. Hij zei dus tot Kaap Matifou:„Blijf hier en wees waakzaam.”„Goed,” zei de reus. „Als gij mij maar duidelijk zegt, wat ik te doen zal hebben.”„Gij moet dat huis daar stipt en onafgebroken in het oog houden. Anders niet. Vaarwel!”Daarna liep het tengere kereltje naar de voorstad Plocca en verhaalde daar wat er gebeurd was.De dokter bleef na dit verhaal, hetwelk Pescadospunt zoo vlug en zoo duidelijk mogelijk geleverd had, een oogenblik stilzwijgend zitten.[67]„Ben ik mijn recht te buiten gegaan?” vroeg hij zich af. „Neen!.. Heb ik eene onschuldige getroffen?.… Ja, dat zeker!.… Maar … die onschuldige is de dochter van een ellendeling, de dochter van Silas Toronthal!”En zich vervolgens tot Pescadospunt wendende, vroeg hij:„Waar is Kaap Matifou?”„Voor de woning in de Stradona-laan.”„Dus dadelijk weer te vinden en te ontbieden?”„Ja.”„Ik zal u beider diensten dezen avond noodig hebben!” ging dokter Antekirrt voort.„Om hoe laat?”„Tegen negen uren.”„Waar moeten wij u wachten?”„Bij de poort van het kerkhof!”„Wij zullen er zijn!”Pescadospunt vertrok dadelijk, om Kaap Matifou, die zijn waarnemingspost niet verlaten had, te gaan opzoeken.Toen de avond gevallen was, richtte dokter Antekirrt, in een grooten en wijden mantel gehuld, zijne schreden naar de haven van Ragusa. Bij den hoek van den linker kademuur, bereikte hij eene kleine kreek, die als het ware in de rotsen verloren lag en die een bocht iets ten noorden in de kustlijn van de haven vormde.Die plek was geheel eenzaam. Noch huis, noch vaartuig was er te zien. De visschersvaartuigen kwamen daar nooit ten anker, uit vrees voor de talrijke klippen, die in de monding dier kreek als gezaaid lagen.De dokter bleef stilstaan, keek rond en stiet een kreet uit, die waarschijnlijk een afgesproken teeken was. Bijna onmiddellijk verscheen een zeeman. Eerbiedig nam deze den hoed af, boog en:„Tot uwe orders, baas,” zei hij.„Is de sloep er, Pazzer?”„Ja, achter die rots.”„Bemand met hare roeiers?”„Ja, met allen.”„En deElectriek?.… Waar is zij? Ik hoop toch nabij, zooals ik bevolen heb?”„Die ligt daar verder ten noorden op drie vademen lengte ongeveer buiten de kleine kreek.”En de zeeman wees op eene soort langwerpige spoel, die bij het heerschende halfduister onduidelijk op de watervlakte bemerkt werd en welker tegenwoordigheid door geen enkel licht, noch door eenigen rook aangeduid werd.[68]„Wanneer is het vaartuig van Cattaro aangekomen, Pazzer?” vroeg de dokter aan den zeeman.„Nauwelijks een uur geleden.”„Is dat ongemerkt geschied?”„Geheel en al, heer dokter. Het is onderlangs de klippen als het ware voortgegleden. Niemand heeft er iets van gemerkt.”„Pazzer, luister. Niemand mag zijn post verlaten.”„Goed, dokter.”„En hier moet de sloep mij wachten.…”„Goed, goed.”„Al ware het ook den geheelen nacht! Hebt ge dat goed begrepen, Pazzer?”„Opperbest.”De zeeman ging naar de sloep terug, die tegen den donkeren rotswand in het geheel niet ontdekt werd, maar daarmede als het ware een geheel vormde.Dokter Antekirrt bleef nog een poos op het strand. Ongetwijfeld wilde hij wachten totdat de nacht nog meer gevorderd en dus donkerder wezen zou. Van tijd tot tijd stapte hij met groote schreden op en neer. Dan weer stond hij stil. En dan waarde zijn blik, terwijl hij daar met over elkander geslagen armen, stilzwijgend en roerloos stond, over de oppervlakte van de Adriatische zee, welke zich aan zijne voeten uitstrekte, alsof hij haar zijne geheimen wilde toevertrouwen.Noch maan, noch sterren schitterden aan den hemel. Ter nauwernood deed zich de landbries, die gewoonlijk bij het vallen van den avond intreedt en slechts weinige uren aanhoudt, gevoelen. Eene hoog zwevende maar dikke wolkenbank bedekte den hemel tot dicht bij den westelijken gezichteinder, alwaar zij in een lichtere nevelbank overging, om eindelijk geheel uitgewischt te worden.„Kom,” sprak eindelijk de dokter in zich zelven, „laat mij naar de stad teruggaan. Mijne tegenwoordigheid wordt elders vereischt.”En naar de kust van Ragusa stappende, volgde hij den ringmuur der stad, om zoo het kerkhof te bereiken.Daar wachtten hem Pescadospunt en Kaap Matifou in de nabijheid der deur. Zij hadden zich zoodanig achter een boom verscholen, dat zij niet bemerkt konden worden.Op dit uur werd het kerkhof gesloten. Juist had de bewaker van die laatste rustplaats zijn licht in zijne woning uitgedoofd, hetgeen hij gerust kon doen, daar niemand meer voor den volgenden ochtend komen zou, om zijne diensten in te roepen.De dokter droeg ongetwijfeld nauwkeurig kennis van den aanleg van dat kerkhof. Ook was het zeer zeker zijn plan niet om door de deur binnen te treden;—want wat hij er in te verrichten had, moest zeer geheim blijven.[69]„Volg mij,” zei hij tot Pescadospunt en zijnen makker, die op hem toegetreden waren.„Wij volgen,” antwoordden beiden zacht, terwijl zij achter hem voorttraden.En die drie mannen schreden toen langs den buitenmuur van het kerkhof voort, die door de helling van hetterreinniet overal even hoog had kunnen opgetrokken worden.Na aldus gedurende tien minuten voortgeschreden te zijn, bleef de dokter stilstaan en op eene bres wijzende, die door eene instorting van den muur ontstaan was, zei hij:„Daar door heen! Begrepen?”„Ja,” knikten beiden.En hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd.Daar onder die groote boomen met hunne dichte loofkruinen, die de graven overschaduwden, was de duisternis nog zwarter dan buiten. Zonder te aarzelen volgde evenwel de dokter eene laan, daarna eene nevenlaan, die naar het hooger gelegen gedeelte van het kerkhof voerde. Eenige nachtvogels, door dat geschuifel gestoord, vlogen heen en weer. Maar behalve die uilen, was er geen enkel levend wezen in die sombere ruimte te ontwaren.Weldra stonden de drie mannen stil bij een bescheiden monument, eene soort kapel, welks traliehek niet op slot gesloten was.De dokter opende het hek en daarna op den knop van eene kleine electrische lantaarn drukkende, liet hij licht schitteren, evenwel zoo, dat het van buiten af niet kon bespeurd worden.„Ga naar binnen,” zei hij tot Kaap Matifou.Deze stapte de kleine kapel in en bevond zich toen tegenover een muur, waarin drie marmeren platen gemetseld schenen.Op een van die platen—op de middelste—las men:Stephanus Bathory.1867.De beide andere platen hadden nog geene opschriften. De rechtsche zou er evenwel spoedig een krijgen.„Neem die plaat weg,” zei de dokter, op de rechtsche wijzende.Kaap Matifou volvoerde dien last gemakkelijk; want die plaat was nog niet in den muur vastgezet. Hij plaatste haar op den grond en toen kon bij het schitterend schijnsel van de lantaarn, eene doodkist ontwaard worden in de uitgespaarde uitholling in den muur.„Haal die kist er uit,” beval de dokter.Kaap Matifou greep een handvat en trok de kist, hoe zwaar[70]die ook was, uit hare nis, zonder dat de hulp van Pescadospunt daarbij noodig was, en na haar uit de kapel gedragen te hebben, legde hij haar op het grasneder.„Neem dit gereedschap,” zei de dokter.„Welk?” vroeg KaapMatifou.„Hier, dezen schroevendraaier,” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij hem dat werktuig aanreikte. „En draai nu de schroeven van dat deksel los. Kom, vlug wat!”In weinige minuten was dat verricht. Het deksel werd opgetild en ter zijde gezet.Dokter Antekirrt verwijderde het laken, hetwelk het lichaam bedekte, met de hand, boog zich voorover en legde het oor op de borst van den doode, alsof hij de hartslagen wilde waarnemen.…Daarna richtte hij zich weder op.„Haal dat lijk uit de kist,” zei hij tot Kaap Matifou.De Hercules gehoorzaamde zonder dat hij, evenmin als Pescadospunt, eene enkele tegenwerping maakte, hoewel zij eene door de wet verboden ontgraving volvoerden.Toen het lijk van Piet Bathory op het gras neergelegd was, rolde Kaap Matifou het andermaal in het lijklaken, waarover de dokter verder zijn mantel heen wierp. Het deksel werd toen weer op de kist geschroefd en deze in de muurnis geplaatst. Daarna werd de marmeren plaat weer voor de opening gehecht, die zij als vroeger bedekte.De dokter sloot toen den electrischen stroom zijner lantaarn af, waarna de duisternis weer even zwart heerschte als te voren. Door de voorafgaande verlichting verblind, konden de aanwezigen elkander in het donker niet ontwaren.„Neem dat lijk op,” zei hij tot Kaap Matifou.De reus tilde met zijne stevige armen het lichaam van den jongen man op, zooals hij met dat van een kind zou gehandeld hebben, en voorafgegaan door den dokter en gevolgd door Pescadospunt, stapte hij door eene nevenlaan, die onmiddellijk naar de bres in den muur van het kerkhof voerde.Vijf minuten later was de bres doorgestapt, en richtten zich de dokter, Pescadospunt en Kaap Matifou, na den ringmuur van het kerkhof langs getrokken te zijn, naar de zeekust.Geen enkel woord was tusschen de drie mannen gewisseld geworden. Maar al dacht de gehoorzame Kaap Matifou niet veel meer dan een blind werktuig, welke opeenvolging van meeningen had zich in het veel vluggere brein van Pescadospunt baan gebroken?Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Gedurendeden afstand van het kerkhof tot het strand, had dokter Antekirrt met zijne beide makkers niemand op den weg ontmoet,maartoen zij de kleine kreek naderden, waar de sloep van de[72]Electriekhen wachtte, ontwaarden zij een douane, die op de eerste rotslagen van het strand heen en weer wandelde.Zij vervolgden evenwel hunnen weg, zonder zich over zijne tegenwoordigheid te verontrusten. Een tweede kreet, door den dokter uitgestooten, deed den bootsman van de sloep, die tot nu toe onzichtbaar was gebleven, tot hem komen.Op een teeken daalde Kaap Matifou langs de rotshelling af, en was op het punt om in de sloep te stappen.Op dit oogenblik naderde de douaan en, terwijl de inscheping van het pak, hetwelk Kaap Matifou droeg, op het punt stond volbracht te worden, vroeg hij:„Wie zijt gij?”„Lieden, die u te kiezen geven tusschen een fooi van twintig gulden comptant, of een vuistslag van mijnheer.… ook comptant!” antwoordde Pescadospunt, op Kaap Matifou wijzende.Aarzeling was niet goed mogelijk. De douaan nam de twintig gulden aan.„En nu in de sloep!” zei dokter Antekirrt.Eene minuut later was het kleine vaartuig in den donkeren nacht verdwenen. Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den vasten wal te bespeuren was.De sloep werd aan boord geheschen en deElectriek, door hare geruchtlooze schroef voortgestuwd, had weldra het ruime sop bereikt.Wat Kaap Matifou betreft, die had het lichaam van Piet Bathory in eene smalle hut, die geen patrijspoortje had, om het licht door te laten, op een divan neergelegd, en was daarna heengegaan.Toen de dokter alleen bij het lijk gebleven was, bukte hij er zich over heen, tot zijne lippen dat bleeke voorhoofd aanraakten.„En nu, Piet.” zeide hij, „ontwaak! ik wil het.”En dadelijk, alsof hij uit een magnetischen slaap ontwaakte, die den dood gelijk was geweest, opende Piet Bathory de oogen.Een soort afkeer teekende zich op zijn gelaat, toen hij dokter Antekirrt herkende.„Gij!.…” prevelde hij, „gij, die mij ook in den steek gelaten hebt!”„Ja, ik, Piet!”„Maar wie zijt gij dan toch?” vroeg de jongman bibberend.„Een overledene.… evenals gij!”„Een overledene?.…”„Ik ben graaf Mathias Sandorf!”[73]
IV.EENE ONTMOETING IN DE STRADONA-LAAN.
Dat sterfgeval had groot opzien in de stad veroorzaakt; maar niemand kon de ware oorzaak van den zelfmoord van Piet Bathory gissen, noch vermoeden dat Sarcany en Silas Toronthal er eenig part of deel aan hadden.Den volgenden morgen, den 6denJuli, zou het huwelijk van Sava Toronthal met Sarcany voltrokken worden.Het bericht van dien zelfmoord, onder zoo roerende omstandigheden gepleegd, drong niet tot mevrouw Toronthal en hare dochter door. Silas Toronthal en Sarcany hadden dienaangaande hunne maatregelen goed getroffen. Het geheim zou niet verraden worden.Die twee booswichten waren ook samen overeengekomen, dat het huwelijk op zeer eenvoudige wijze zoude gevierd worden. Als voorwendsel zoude opgegeven worden, dat Sarcany’s familie in den rouw was. Dat strookte zeer weinig met de prachtlievende neigingen en gewoonten van Silas Toronthal; maar in de gegeven omstandigheden meende hij toch, dat het beter was het huwelijk zonder ophef zoude voltrokken worden. De jonggehuwden zouden slechts weinige dagen te Ragusa verwijlen, daarna zouden zij naar Tripoli vertrekken, waar Sarcany, zooals men zeide, doorgaans woonde.Er zouden dus geene feestelijkheden in de woning van de Stradona-laan plaats hebben, noch bij de voorlezing van het contract, waarbij eene belangrijke som aan het jonge meisje toegedacht werd, noch bij de godsdienstige plechtigheid in deFranciscanerkerk, welke onmiddellijk op het burgerlijk huwelijk zoude volgen.Terwijl dien dag de laatste toebereidselen tot het huwelijk in de woning van Silas Toronthal getroffen werden, wandelden twee mannen aan het andere einde van de Stradona-laan.Die twee mannen waren onze beide bekenden: Kaap Matifou en Pescadospunt.Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Toen dokter Antekirrt naar Ragusa teruggekeerd was, had hij Kaap Matifou medegenomen. Zijne tegenwoordigheid was te Cattaro niet meer noodig en niemand zal er wel aan twijfelen, dat de beide vrienden, de „beide tweelingen,” zooals Pescadospunt zich met zijn[62]makker noemde, uiterst verheugd waren, elkander weer te zien.Wat den dokter betrof, deze had na zijne aankomst te Ragusa het hierboven verhaalde bezoek in het huis van de Marinella-straat afgelegd. Daarna had hij zijn intrek genomen in een hôtel van de voorstad de Plocca, waar hij wilde wachten totdat het huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal zou voltrokken zijn, om zijneplannenverder ten uitvoer te brengen.Den volgenden morgen had hij, gedurende een tweede bezoek, hetwelk hij mevrouw Bathory bracht, zelf geholpen om Piet in de doodkist te leggen, waarna hij naar zijn hôtel teruggekeerd was, na Pescadospunt en Kaap Matifou naar de Stradona-laan gezonden te hebben, om als gewoonlijk daar gade te slaan.Nu belette die dienst Pescadospunt, terwijl hij oog en oor ter dege gebruikte, niet om te praten.„Zeg eens, Kaap Matifou,” begon hij.„Wat wilt ge?” vroeg de reus.„Ik wilde wel eens op die kast kloppen,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij op de borst van zijn vriend wees.„Als je dat genoegen kan doen, ga dan je gang,” zei Kaap Matifou, terwijl een goedhartige glimlach zijn reeds goedaardig gelaat nog meer verhelderde.Pescadospunt klopte op het reuzenlichaam, waarbij hij zich op zijne teenen opgaf, om zijn doel te bereiken, wat maar moeielijk gelukte.„Ik vind dat ge dik wordt, waarde Kaap,” zei hij na de proef.„Meent ge?” vroeg deze.„Nog al.”„Maar ik ben sterk gebleven! Dat verzeker ik je!” sprak Kaap Matifou met eene soort van zelfvoldaanheid.„Ja, dat heb ik bij je omhelzingondervonden. Te duivel.…”„Maar het stuk, Pescadospunt?.…” vroeg Kaap Matifou met een zweem van ongeduld in zijne stem.„Welk stuk?”„Dat tooneelstuk, waarvan je laatst spraakt.”Kaap Matifou scheen blijkbaar op de hem toegedachte rol gesteld te zijn.„O, dat stuk vordert, dat stuk vordert!.… Zie, Kaap Matifou, de handeling er van is zeer ingewikkeld.”„Ingewikkeld.…? vroeg de reus, terwijl hij zich achter het rechteroor krabde.Hij hield niet van ingewikkelde zaken.„Ja, zeker.”„Hoe zoo? Leg mij dat uit.”„Zie je, het is geen blijspel, het is een treurspel en het begin is zelfs zeer hartroerend.”[63]„Hoe weet je dat?”Pescadospunt antwoordde niet. Een rijtuig, dat bijzonder vlug reed, hield voor het huis in de Stradona-laan stil.De koetspoort ging dadelijk open en sloot zich weer achter het rijtuig.In dat rijtuig zat Sarcany. Pescadospunt had hem herkend.„Ja.… zeer hartroerend,” ging deze laatste voort, „men voorspelt reeds dat het stuk volkomen succes zal hebben.”„Zoo?.… En de verrader?.…” vroeg Kaap Matifou, welke in die rol een bijzonder belang scheen te stellen.„De verrader?”„Ja, de verrader? Wat gebeurt met hem? Zeg mij toch, ik ben doodnieuwsgierig.…”„Dat is moeielijk te zeggen, beste Kaap. Ziet ge, de omstandigheden.… de gebeurlijkheden.… in éen woord.…”„Er dient toch wat met hem te gebeuren, dat vat ge, niet waar,” sprak de reus gemelijk.„Welnu, de verrader zegepraalt thans, zooals dat in ieder goed geschreven stuk geschiedt.… Maar geduld.… ja, geduld.… bij de ontknooping.…”„Te Cattaro,” zei Kaap Matifou, „meende ik.…”„Op het tooneel te verschijnen?”„Ja, Pescadospunt, ja. Maar dat niet alleen, maar ik meende ook dat de ontknooping nabij was.”En Kaap Matifou verhaalde wat er op den bazar van Cattaro voorgevallen was, namelijk: dat het gebruik zijner armen reeds was aangevraagd, om eene ontvoering tebewerkstelligen, die evenwel niet geschied was.„Goed! Het was nog te vroeg!” antwoordde Pescadospunt, die eigenlijk maar praatte om te praten, zooals men zegt, maar intusschen de oogen vlijtig rechts en links liet gaan. „Beste Kaap, je komt eerst in het vierde of vijfde bedrijf op.… Misschien zal je slechts bij het slottooneel verschijnen!.… Maar wees niet ongerust!.… Je zult een prachtig effect maken!.… Daar kan je op rekenen!.… Daar geef ik je mijn woord op!”Juist in ditoogenblikwerd een verwijderd gedruisch in de Stradona-laan vernomen bij den hoek van de Marinella-straat, dus, vrij wel in de nabijheid der beide vrienden.Pescadospunt brak het gesprek af, stapte eenige passen rechts van het woonhuis van Toronthal voort.Een lijkstatie kwam in dat oogenblik de Marinella-straat uit en sloeg de Stradona-laan in, om zich naar de Franciscaner kerk te richten, alwaar de lijkdienst gehouden zoude worden.Weinig personen volgden overigens dien lijkstoet, waarvan de[64]bescheidenheid de publieke aandacht niet vermocht tot zich te trekken. Het was een eenvoudige kist, die onder een zwart laken door mannen gedragen werd.De lijkstoet naderde langzaam, toen plotseling Pescadospunt, een kreet smorende, Kaap Matifou bij den arm greep.„Wat is er toch?” vroeg Kaap Matifou.„Niets!”„Niets?”„Het zou te lang zijn om je dat uit te leggen, beste Kaap,” antwoordde Pescadospunt met gedempte stem.Hij had mevrouw Bathory herkend, die de teraardebestelling van haren zoon had willen bijwonen.De kerk had hare gebeden niet geweigerd voor dien overledene, die de wanhoop tot zelfmoord gebracht had, en de priester wachtte het lijk in de kapel derFranciscanenop, om de absolutie er over uit te spreken en om het daarna naar het kerkhof te begeleiden.Mevrouw Bathory trad met droge oogen achter de kist voort. Zij had de kracht niet meer om te schreien. Hare oogen stonden bijna woest, wierpen nu eens blikken ter zijde en boorden dan weer door het zwarte laken, dat het lijk haars zoons bedekte.De oude Borik sleepte zich meelijwekkend naast haar voort. De oude dienaar kon ternauwernood overeind blijven.Pescadospunt voelde tranen in zijne oogen opwellen. Hij had waarlijk werk ze te bedwingen.Ja, ware het zijn taak niet geweest, om op zijn post te blijven, dan zou de brave kerel geen oogenblik geaarzeld hebben om zich bij die weinige vrienden, bij die enkele buren, die den lijkstoet volgden, aan te sluiten. Maar nu kon, nu mocht hij niet. Hij bleef dus uitkijken.Plotseling toen de lijkstoet voor de woning van Silas Toronthal was aangekomen en die zou voorbijtrekken, ging de groote poort open. Op het binnenplein stonden voor het perron van het fraaie huis twee rijtuigen, die op het punt waren naar buiten te rijden.Het eerste reed de poort door en wendde, om in vollen draf de Stradona-laan af te rijden.Pescadospunt bespeurde in dat rijtuig Silas Toronthal, zijne echtgenoote en zijne dochter.Mevrouw Toronthal, door de smart gebroken, zat naast Sava, die nog bleeker dan haar bruidsluier was.Sarcany zat met eenige bloedverwanten of vrienden in het tweede rijtuig.Er was niet meer omslag voor dat huwelijk dan voor die begrafenis gemaakt. Bij beiden heerschte dezelfde vrij wel met elkander overeenkomende droefheid.[65]Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).[66]Plotseling, op het oogenblik dat het rijtuig de poort uitreed, hoorde men een hartverscheurenden kreet.Mevrouw Bathory was blijven stilstaan en met de hand uitgestrekt naar Sava, vervloekte zij het jonge meisje.Het was Sava, die dien kreet geslaakt had.Zij had de moeder in diep rouwgewaad gezien, en had, toen zij die kist en dien treurigen optocht zag, alles begrepen, wat men voor haar verborgen gehouden had!.… O, zij was radeloos!Piet was dood! Dood door haar en voor haar, en het was zijn lijkstoet, die daar voorbijtrok op het oogenblik dat zij uitreed om zich in den echt te verbinden! Was dat geen wreed spel van het noodlot?Sava viel bewusteloos neer. Mevrouw Toronthal, geheel van haar stuk gebracht, wilde haar bijbrengen. Die poging was evenwel te vergeefs! Het jonge meisje ademde ternauwernood nog!Silas Toronthal had een gebaar van toorn niet kunnen onderdrukken. Maar Sarcany, die ook uit zijn rijtuig gesprongen en naderbij getreden was, wist zich te beheerschen. Bleek maar kalm keek hij toe.Het was onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden zoo met die bewustelooze bruid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen. Er moest dus aan de koetsiers bevel gegeven worden, om naar de woning terug te rijden. Dat geschiedde en weldra sloeg dan ook de koetspoort met een harden smak achter de beide rijtuigen toe.Sava werd naar hare kamer gedragen en daar op haar bed neer gelegd. Geen enkele beweging, geen enkele trilling verried, dat zij nog leefde. Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant, riep haar, wreef en koesterde haar, terwijl in allerijl een dokter gehaald werd.Midderwijl vervolgde de begrafenisstoet van Piet Bathory den treurigen tocht naar deFranciscanerkapel, om daarna na den lijkdienst naar het kerkhof van Ragusa door te gaan.Pescadospunt had intusschen begrepen, dat dokterAntekirrtonverwijld in kennis gesteld moest worden met dit voorval, dat hij niet had kunnen voorzien. Hij zei dus tot Kaap Matifou:„Blijf hier en wees waakzaam.”„Goed,” zei de reus. „Als gij mij maar duidelijk zegt, wat ik te doen zal hebben.”„Gij moet dat huis daar stipt en onafgebroken in het oog houden. Anders niet. Vaarwel!”Daarna liep het tengere kereltje naar de voorstad Plocca en verhaalde daar wat er gebeurd was.De dokter bleef na dit verhaal, hetwelk Pescadospunt zoo vlug en zoo duidelijk mogelijk geleverd had, een oogenblik stilzwijgend zitten.[67]„Ben ik mijn recht te buiten gegaan?” vroeg hij zich af. „Neen!.. Heb ik eene onschuldige getroffen?.… Ja, dat zeker!.… Maar … die onschuldige is de dochter van een ellendeling, de dochter van Silas Toronthal!”En zich vervolgens tot Pescadospunt wendende, vroeg hij:„Waar is Kaap Matifou?”„Voor de woning in de Stradona-laan.”„Dus dadelijk weer te vinden en te ontbieden?”„Ja.”„Ik zal u beider diensten dezen avond noodig hebben!” ging dokter Antekirrt voort.„Om hoe laat?”„Tegen negen uren.”„Waar moeten wij u wachten?”„Bij de poort van het kerkhof!”„Wij zullen er zijn!”Pescadospunt vertrok dadelijk, om Kaap Matifou, die zijn waarnemingspost niet verlaten had, te gaan opzoeken.Toen de avond gevallen was, richtte dokter Antekirrt, in een grooten en wijden mantel gehuld, zijne schreden naar de haven van Ragusa. Bij den hoek van den linker kademuur, bereikte hij eene kleine kreek, die als het ware in de rotsen verloren lag en die een bocht iets ten noorden in de kustlijn van de haven vormde.Die plek was geheel eenzaam. Noch huis, noch vaartuig was er te zien. De visschersvaartuigen kwamen daar nooit ten anker, uit vrees voor de talrijke klippen, die in de monding dier kreek als gezaaid lagen.De dokter bleef stilstaan, keek rond en stiet een kreet uit, die waarschijnlijk een afgesproken teeken was. Bijna onmiddellijk verscheen een zeeman. Eerbiedig nam deze den hoed af, boog en:„Tot uwe orders, baas,” zei hij.„Is de sloep er, Pazzer?”„Ja, achter die rots.”„Bemand met hare roeiers?”„Ja, met allen.”„En deElectriek?.… Waar is zij? Ik hoop toch nabij, zooals ik bevolen heb?”„Die ligt daar verder ten noorden op drie vademen lengte ongeveer buiten de kleine kreek.”En de zeeman wees op eene soort langwerpige spoel, die bij het heerschende halfduister onduidelijk op de watervlakte bemerkt werd en welker tegenwoordigheid door geen enkel licht, noch door eenigen rook aangeduid werd.[68]„Wanneer is het vaartuig van Cattaro aangekomen, Pazzer?” vroeg de dokter aan den zeeman.„Nauwelijks een uur geleden.”„Is dat ongemerkt geschied?”„Geheel en al, heer dokter. Het is onderlangs de klippen als het ware voortgegleden. Niemand heeft er iets van gemerkt.”„Pazzer, luister. Niemand mag zijn post verlaten.”„Goed, dokter.”„En hier moet de sloep mij wachten.…”„Goed, goed.”„Al ware het ook den geheelen nacht! Hebt ge dat goed begrepen, Pazzer?”„Opperbest.”De zeeman ging naar de sloep terug, die tegen den donkeren rotswand in het geheel niet ontdekt werd, maar daarmede als het ware een geheel vormde.Dokter Antekirrt bleef nog een poos op het strand. Ongetwijfeld wilde hij wachten totdat de nacht nog meer gevorderd en dus donkerder wezen zou. Van tijd tot tijd stapte hij met groote schreden op en neer. Dan weer stond hij stil. En dan waarde zijn blik, terwijl hij daar met over elkander geslagen armen, stilzwijgend en roerloos stond, over de oppervlakte van de Adriatische zee, welke zich aan zijne voeten uitstrekte, alsof hij haar zijne geheimen wilde toevertrouwen.Noch maan, noch sterren schitterden aan den hemel. Ter nauwernood deed zich de landbries, die gewoonlijk bij het vallen van den avond intreedt en slechts weinige uren aanhoudt, gevoelen. Eene hoog zwevende maar dikke wolkenbank bedekte den hemel tot dicht bij den westelijken gezichteinder, alwaar zij in een lichtere nevelbank overging, om eindelijk geheel uitgewischt te worden.„Kom,” sprak eindelijk de dokter in zich zelven, „laat mij naar de stad teruggaan. Mijne tegenwoordigheid wordt elders vereischt.”En naar de kust van Ragusa stappende, volgde hij den ringmuur der stad, om zoo het kerkhof te bereiken.Daar wachtten hem Pescadospunt en Kaap Matifou in de nabijheid der deur. Zij hadden zich zoodanig achter een boom verscholen, dat zij niet bemerkt konden worden.Op dit uur werd het kerkhof gesloten. Juist had de bewaker van die laatste rustplaats zijn licht in zijne woning uitgedoofd, hetgeen hij gerust kon doen, daar niemand meer voor den volgenden ochtend komen zou, om zijne diensten in te roepen.De dokter droeg ongetwijfeld nauwkeurig kennis van den aanleg van dat kerkhof. Ook was het zeer zeker zijn plan niet om door de deur binnen te treden;—want wat hij er in te verrichten had, moest zeer geheim blijven.[69]„Volg mij,” zei hij tot Pescadospunt en zijnen makker, die op hem toegetreden waren.„Wij volgen,” antwoordden beiden zacht, terwijl zij achter hem voorttraden.En die drie mannen schreden toen langs den buitenmuur van het kerkhof voort, die door de helling van hetterreinniet overal even hoog had kunnen opgetrokken worden.Na aldus gedurende tien minuten voortgeschreden te zijn, bleef de dokter stilstaan en op eene bres wijzende, die door eene instorting van den muur ontstaan was, zei hij:„Daar door heen! Begrepen?”„Ja,” knikten beiden.En hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd.Daar onder die groote boomen met hunne dichte loofkruinen, die de graven overschaduwden, was de duisternis nog zwarter dan buiten. Zonder te aarzelen volgde evenwel de dokter eene laan, daarna eene nevenlaan, die naar het hooger gelegen gedeelte van het kerkhof voerde. Eenige nachtvogels, door dat geschuifel gestoord, vlogen heen en weer. Maar behalve die uilen, was er geen enkel levend wezen in die sombere ruimte te ontwaren.Weldra stonden de drie mannen stil bij een bescheiden monument, eene soort kapel, welks traliehek niet op slot gesloten was.De dokter opende het hek en daarna op den knop van eene kleine electrische lantaarn drukkende, liet hij licht schitteren, evenwel zoo, dat het van buiten af niet kon bespeurd worden.„Ga naar binnen,” zei hij tot Kaap Matifou.Deze stapte de kleine kapel in en bevond zich toen tegenover een muur, waarin drie marmeren platen gemetseld schenen.Op een van die platen—op de middelste—las men:Stephanus Bathory.1867.De beide andere platen hadden nog geene opschriften. De rechtsche zou er evenwel spoedig een krijgen.„Neem die plaat weg,” zei de dokter, op de rechtsche wijzende.Kaap Matifou volvoerde dien last gemakkelijk; want die plaat was nog niet in den muur vastgezet. Hij plaatste haar op den grond en toen kon bij het schitterend schijnsel van de lantaarn, eene doodkist ontwaard worden in de uitgespaarde uitholling in den muur.„Haal die kist er uit,” beval de dokter.Kaap Matifou greep een handvat en trok de kist, hoe zwaar[70]die ook was, uit hare nis, zonder dat de hulp van Pescadospunt daarbij noodig was, en na haar uit de kapel gedragen te hebben, legde hij haar op het grasneder.„Neem dit gereedschap,” zei de dokter.„Welk?” vroeg KaapMatifou.„Hier, dezen schroevendraaier,” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij hem dat werktuig aanreikte. „En draai nu de schroeven van dat deksel los. Kom, vlug wat!”In weinige minuten was dat verricht. Het deksel werd opgetild en ter zijde gezet.Dokter Antekirrt verwijderde het laken, hetwelk het lichaam bedekte, met de hand, boog zich voorover en legde het oor op de borst van den doode, alsof hij de hartslagen wilde waarnemen.…Daarna richtte hij zich weder op.„Haal dat lijk uit de kist,” zei hij tot Kaap Matifou.De Hercules gehoorzaamde zonder dat hij, evenmin als Pescadospunt, eene enkele tegenwerping maakte, hoewel zij eene door de wet verboden ontgraving volvoerden.Toen het lijk van Piet Bathory op het gras neergelegd was, rolde Kaap Matifou het andermaal in het lijklaken, waarover de dokter verder zijn mantel heen wierp. Het deksel werd toen weer op de kist geschroefd en deze in de muurnis geplaatst. Daarna werd de marmeren plaat weer voor de opening gehecht, die zij als vroeger bedekte.De dokter sloot toen den electrischen stroom zijner lantaarn af, waarna de duisternis weer even zwart heerschte als te voren. Door de voorafgaande verlichting verblind, konden de aanwezigen elkander in het donker niet ontwaren.„Neem dat lijk op,” zei hij tot Kaap Matifou.De reus tilde met zijne stevige armen het lichaam van den jongen man op, zooals hij met dat van een kind zou gehandeld hebben, en voorafgegaan door den dokter en gevolgd door Pescadospunt, stapte hij door eene nevenlaan, die onmiddellijk naar de bres in den muur van het kerkhof voerde.Vijf minuten later was de bres doorgestapt, en richtten zich de dokter, Pescadospunt en Kaap Matifou, na den ringmuur van het kerkhof langs getrokken te zijn, naar de zeekust.Geen enkel woord was tusschen de drie mannen gewisseld geworden. Maar al dacht de gehoorzame Kaap Matifou niet veel meer dan een blind werktuig, welke opeenvolging van meeningen had zich in het veel vluggere brein van Pescadospunt baan gebroken?Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Gedurendeden afstand van het kerkhof tot het strand, had dokter Antekirrt met zijne beide makkers niemand op den weg ontmoet,maartoen zij de kleine kreek naderden, waar de sloep van de[72]Electriekhen wachtte, ontwaarden zij een douane, die op de eerste rotslagen van het strand heen en weer wandelde.Zij vervolgden evenwel hunnen weg, zonder zich over zijne tegenwoordigheid te verontrusten. Een tweede kreet, door den dokter uitgestooten, deed den bootsman van de sloep, die tot nu toe onzichtbaar was gebleven, tot hem komen.Op een teeken daalde Kaap Matifou langs de rotshelling af, en was op het punt om in de sloep te stappen.Op dit oogenblik naderde de douaan en, terwijl de inscheping van het pak, hetwelk Kaap Matifou droeg, op het punt stond volbracht te worden, vroeg hij:„Wie zijt gij?”„Lieden, die u te kiezen geven tusschen een fooi van twintig gulden comptant, of een vuistslag van mijnheer.… ook comptant!” antwoordde Pescadospunt, op Kaap Matifou wijzende.Aarzeling was niet goed mogelijk. De douaan nam de twintig gulden aan.„En nu in de sloep!” zei dokter Antekirrt.Eene minuut later was het kleine vaartuig in den donkeren nacht verdwenen. Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den vasten wal te bespeuren was.De sloep werd aan boord geheschen en deElectriek, door hare geruchtlooze schroef voortgestuwd, had weldra het ruime sop bereikt.Wat Kaap Matifou betreft, die had het lichaam van Piet Bathory in eene smalle hut, die geen patrijspoortje had, om het licht door te laten, op een divan neergelegd, en was daarna heengegaan.Toen de dokter alleen bij het lijk gebleven was, bukte hij er zich over heen, tot zijne lippen dat bleeke voorhoofd aanraakten.„En nu, Piet.” zeide hij, „ontwaak! ik wil het.”En dadelijk, alsof hij uit een magnetischen slaap ontwaakte, die den dood gelijk was geweest, opende Piet Bathory de oogen.Een soort afkeer teekende zich op zijn gelaat, toen hij dokter Antekirrt herkende.„Gij!.…” prevelde hij, „gij, die mij ook in den steek gelaten hebt!”„Ja, ik, Piet!”„Maar wie zijt gij dan toch?” vroeg de jongman bibberend.„Een overledene.… evenals gij!”„Een overledene?.…”„Ik ben graaf Mathias Sandorf!”[73]
Dat sterfgeval had groot opzien in de stad veroorzaakt; maar niemand kon de ware oorzaak van den zelfmoord van Piet Bathory gissen, noch vermoeden dat Sarcany en Silas Toronthal er eenig part of deel aan hadden.
Den volgenden morgen, den 6denJuli, zou het huwelijk van Sava Toronthal met Sarcany voltrokken worden.
Het bericht van dien zelfmoord, onder zoo roerende omstandigheden gepleegd, drong niet tot mevrouw Toronthal en hare dochter door. Silas Toronthal en Sarcany hadden dienaangaande hunne maatregelen goed getroffen. Het geheim zou niet verraden worden.
Die twee booswichten waren ook samen overeengekomen, dat het huwelijk op zeer eenvoudige wijze zoude gevierd worden. Als voorwendsel zoude opgegeven worden, dat Sarcany’s familie in den rouw was. Dat strookte zeer weinig met de prachtlievende neigingen en gewoonten van Silas Toronthal; maar in de gegeven omstandigheden meende hij toch, dat het beter was het huwelijk zonder ophef zoude voltrokken worden. De jonggehuwden zouden slechts weinige dagen te Ragusa verwijlen, daarna zouden zij naar Tripoli vertrekken, waar Sarcany, zooals men zeide, doorgaans woonde.
Er zouden dus geene feestelijkheden in de woning van de Stradona-laan plaats hebben, noch bij de voorlezing van het contract, waarbij eene belangrijke som aan het jonge meisje toegedacht werd, noch bij de godsdienstige plechtigheid in deFranciscanerkerk, welke onmiddellijk op het burgerlijk huwelijk zoude volgen.
Terwijl dien dag de laatste toebereidselen tot het huwelijk in de woning van Silas Toronthal getroffen werden, wandelden twee mannen aan het andere einde van de Stradona-laan.
Die twee mannen waren onze beide bekenden: Kaap Matifou en Pescadospunt.
Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)
Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant. (Bladz. 66.)
Toen dokter Antekirrt naar Ragusa teruggekeerd was, had hij Kaap Matifou medegenomen. Zijne tegenwoordigheid was te Cattaro niet meer noodig en niemand zal er wel aan twijfelen, dat de beide vrienden, de „beide tweelingen,” zooals Pescadospunt zich met zijn[62]makker noemde, uiterst verheugd waren, elkander weer te zien.
Wat den dokter betrof, deze had na zijne aankomst te Ragusa het hierboven verhaalde bezoek in het huis van de Marinella-straat afgelegd. Daarna had hij zijn intrek genomen in een hôtel van de voorstad de Plocca, waar hij wilde wachten totdat het huwelijk van Sarcany met Sava Toronthal zou voltrokken zijn, om zijneplannenverder ten uitvoer te brengen.
Den volgenden morgen had hij, gedurende een tweede bezoek, hetwelk hij mevrouw Bathory bracht, zelf geholpen om Piet in de doodkist te leggen, waarna hij naar zijn hôtel teruggekeerd was, na Pescadospunt en Kaap Matifou naar de Stradona-laan gezonden te hebben, om als gewoonlijk daar gade te slaan.
Nu belette die dienst Pescadospunt, terwijl hij oog en oor ter dege gebruikte, niet om te praten.
„Zeg eens, Kaap Matifou,” begon hij.
„Wat wilt ge?” vroeg de reus.
„Ik wilde wel eens op die kast kloppen,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij op de borst van zijn vriend wees.
„Als je dat genoegen kan doen, ga dan je gang,” zei Kaap Matifou, terwijl een goedhartige glimlach zijn reeds goedaardig gelaat nog meer verhelderde.
Pescadospunt klopte op het reuzenlichaam, waarbij hij zich op zijne teenen opgaf, om zijn doel te bereiken, wat maar moeielijk gelukte.
„Ik vind dat ge dik wordt, waarde Kaap,” zei hij na de proef.
„Meent ge?” vroeg deze.
„Nog al.”
„Maar ik ben sterk gebleven! Dat verzeker ik je!” sprak Kaap Matifou met eene soort van zelfvoldaanheid.
„Ja, dat heb ik bij je omhelzingondervonden. Te duivel.…”
„Maar het stuk, Pescadospunt?.…” vroeg Kaap Matifou met een zweem van ongeduld in zijne stem.
„Welk stuk?”
„Dat tooneelstuk, waarvan je laatst spraakt.”
Kaap Matifou scheen blijkbaar op de hem toegedachte rol gesteld te zijn.
„O, dat stuk vordert, dat stuk vordert!.… Zie, Kaap Matifou, de handeling er van is zeer ingewikkeld.”
„Ingewikkeld.…? vroeg de reus, terwijl hij zich achter het rechteroor krabde.
Hij hield niet van ingewikkelde zaken.
„Ja, zeker.”
„Hoe zoo? Leg mij dat uit.”
„Zie je, het is geen blijspel, het is een treurspel en het begin is zelfs zeer hartroerend.”[63]
„Hoe weet je dat?”
Pescadospunt antwoordde niet. Een rijtuig, dat bijzonder vlug reed, hield voor het huis in de Stradona-laan stil.
De koetspoort ging dadelijk open en sloot zich weer achter het rijtuig.
In dat rijtuig zat Sarcany. Pescadospunt had hem herkend.
„Ja.… zeer hartroerend,” ging deze laatste voort, „men voorspelt reeds dat het stuk volkomen succes zal hebben.”
„Zoo?.… En de verrader?.…” vroeg Kaap Matifou, welke in die rol een bijzonder belang scheen te stellen.
„De verrader?”
„Ja, de verrader? Wat gebeurt met hem? Zeg mij toch, ik ben doodnieuwsgierig.…”
„Dat is moeielijk te zeggen, beste Kaap. Ziet ge, de omstandigheden.… de gebeurlijkheden.… in éen woord.…”
„Er dient toch wat met hem te gebeuren, dat vat ge, niet waar,” sprak de reus gemelijk.
„Welnu, de verrader zegepraalt thans, zooals dat in ieder goed geschreven stuk geschiedt.… Maar geduld.… ja, geduld.… bij de ontknooping.…”
„Te Cattaro,” zei Kaap Matifou, „meende ik.…”
„Op het tooneel te verschijnen?”
„Ja, Pescadospunt, ja. Maar dat niet alleen, maar ik meende ook dat de ontknooping nabij was.”
En Kaap Matifou verhaalde wat er op den bazar van Cattaro voorgevallen was, namelijk: dat het gebruik zijner armen reeds was aangevraagd, om eene ontvoering tebewerkstelligen, die evenwel niet geschied was.
„Goed! Het was nog te vroeg!” antwoordde Pescadospunt, die eigenlijk maar praatte om te praten, zooals men zegt, maar intusschen de oogen vlijtig rechts en links liet gaan. „Beste Kaap, je komt eerst in het vierde of vijfde bedrijf op.… Misschien zal je slechts bij het slottooneel verschijnen!.… Maar wees niet ongerust!.… Je zult een prachtig effect maken!.… Daar kan je op rekenen!.… Daar geef ik je mijn woord op!”
Juist in ditoogenblikwerd een verwijderd gedruisch in de Stradona-laan vernomen bij den hoek van de Marinella-straat, dus, vrij wel in de nabijheid der beide vrienden.
Pescadospunt brak het gesprek af, stapte eenige passen rechts van het woonhuis van Toronthal voort.
Een lijkstatie kwam in dat oogenblik de Marinella-straat uit en sloeg de Stradona-laan in, om zich naar de Franciscaner kerk te richten, alwaar de lijkdienst gehouden zoude worden.
Weinig personen volgden overigens dien lijkstoet, waarvan de[64]bescheidenheid de publieke aandacht niet vermocht tot zich te trekken. Het was een eenvoudige kist, die onder een zwart laken door mannen gedragen werd.
De lijkstoet naderde langzaam, toen plotseling Pescadospunt, een kreet smorende, Kaap Matifou bij den arm greep.
„Wat is er toch?” vroeg Kaap Matifou.
„Niets!”
„Niets?”
„Het zou te lang zijn om je dat uit te leggen, beste Kaap,” antwoordde Pescadospunt met gedempte stem.
Hij had mevrouw Bathory herkend, die de teraardebestelling van haren zoon had willen bijwonen.
De kerk had hare gebeden niet geweigerd voor dien overledene, die de wanhoop tot zelfmoord gebracht had, en de priester wachtte het lijk in de kapel derFranciscanenop, om de absolutie er over uit te spreken en om het daarna naar het kerkhof te begeleiden.
Mevrouw Bathory trad met droge oogen achter de kist voort. Zij had de kracht niet meer om te schreien. Hare oogen stonden bijna woest, wierpen nu eens blikken ter zijde en boorden dan weer door het zwarte laken, dat het lijk haars zoons bedekte.
De oude Borik sleepte zich meelijwekkend naast haar voort. De oude dienaar kon ternauwernood overeind blijven.
Pescadospunt voelde tranen in zijne oogen opwellen. Hij had waarlijk werk ze te bedwingen.
Ja, ware het zijn taak niet geweest, om op zijn post te blijven, dan zou de brave kerel geen oogenblik geaarzeld hebben om zich bij die weinige vrienden, bij die enkele buren, die den lijkstoet volgden, aan te sluiten. Maar nu kon, nu mocht hij niet. Hij bleef dus uitkijken.
Plotseling toen de lijkstoet voor de woning van Silas Toronthal was aangekomen en die zou voorbijtrekken, ging de groote poort open. Op het binnenplein stonden voor het perron van het fraaie huis twee rijtuigen, die op het punt waren naar buiten te rijden.
Het eerste reed de poort door en wendde, om in vollen draf de Stradona-laan af te rijden.
Pescadospunt bespeurde in dat rijtuig Silas Toronthal, zijne echtgenoote en zijne dochter.
Mevrouw Toronthal, door de smart gebroken, zat naast Sava, die nog bleeker dan haar bruidsluier was.
Sarcany zat met eenige bloedverwanten of vrienden in het tweede rijtuig.
Er was niet meer omslag voor dat huwelijk dan voor die begrafenis gemaakt. Bij beiden heerschte dezelfde vrij wel met elkander overeenkomende droefheid.[65]
Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).
Hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd (Bladz. 69).
[66]
Plotseling, op het oogenblik dat het rijtuig de poort uitreed, hoorde men een hartverscheurenden kreet.
Mevrouw Bathory was blijven stilstaan en met de hand uitgestrekt naar Sava, vervloekte zij het jonge meisje.
Het was Sava, die dien kreet geslaakt had.Zij had de moeder in diep rouwgewaad gezien, en had, toen zij die kist en dien treurigen optocht zag, alles begrepen, wat men voor haar verborgen gehouden had!.… O, zij was radeloos!
Piet was dood! Dood door haar en voor haar, en het was zijn lijkstoet, die daar voorbijtrok op het oogenblik dat zij uitreed om zich in den echt te verbinden! Was dat geen wreed spel van het noodlot?
Sava viel bewusteloos neer. Mevrouw Toronthal, geheel van haar stuk gebracht, wilde haar bijbrengen. Die poging was evenwel te vergeefs! Het jonge meisje ademde ternauwernood nog!
Silas Toronthal had een gebaar van toorn niet kunnen onderdrukken. Maar Sarcany, die ook uit zijn rijtuig gesprongen en naderbij getreden was, wist zich te beheerschen. Bleek maar kalm keek hij toe.
Het was onmogelijk om onder de gegeven omstandigheden zoo met die bewustelooze bruid voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen. Er moest dus aan de koetsiers bevel gegeven worden, om naar de woning terug te rijden. Dat geschiedde en weldra sloeg dan ook de koetspoort met een harden smak achter de beide rijtuigen toe.
Sava werd naar hare kamer gedragen en daar op haar bed neer gelegd. Geen enkele beweging, geen enkele trilling verried, dat zij nog leefde. Hare moeder viel op de knieën naast het ledikant, riep haar, wreef en koesterde haar, terwijl in allerijl een dokter gehaald werd.
Midderwijl vervolgde de begrafenisstoet van Piet Bathory den treurigen tocht naar deFranciscanerkapel, om daarna na den lijkdienst naar het kerkhof van Ragusa door te gaan.
Pescadospunt had intusschen begrepen, dat dokterAntekirrtonverwijld in kennis gesteld moest worden met dit voorval, dat hij niet had kunnen voorzien. Hij zei dus tot Kaap Matifou:
„Blijf hier en wees waakzaam.”
„Goed,” zei de reus. „Als gij mij maar duidelijk zegt, wat ik te doen zal hebben.”
„Gij moet dat huis daar stipt en onafgebroken in het oog houden. Anders niet. Vaarwel!”
Daarna liep het tengere kereltje naar de voorstad Plocca en verhaalde daar wat er gebeurd was.
De dokter bleef na dit verhaal, hetwelk Pescadospunt zoo vlug en zoo duidelijk mogelijk geleverd had, een oogenblik stilzwijgend zitten.[67]
„Ben ik mijn recht te buiten gegaan?” vroeg hij zich af. „Neen!.. Heb ik eene onschuldige getroffen?.… Ja, dat zeker!.… Maar … die onschuldige is de dochter van een ellendeling, de dochter van Silas Toronthal!”
En zich vervolgens tot Pescadospunt wendende, vroeg hij:
„Waar is Kaap Matifou?”
„Voor de woning in de Stradona-laan.”
„Dus dadelijk weer te vinden en te ontbieden?”
„Ja.”
„Ik zal u beider diensten dezen avond noodig hebben!” ging dokter Antekirrt voort.
„Om hoe laat?”
„Tegen negen uren.”
„Waar moeten wij u wachten?”
„Bij de poort van het kerkhof!”
„Wij zullen er zijn!”
Pescadospunt vertrok dadelijk, om Kaap Matifou, die zijn waarnemingspost niet verlaten had, te gaan opzoeken.
Toen de avond gevallen was, richtte dokter Antekirrt, in een grooten en wijden mantel gehuld, zijne schreden naar de haven van Ragusa. Bij den hoek van den linker kademuur, bereikte hij eene kleine kreek, die als het ware in de rotsen verloren lag en die een bocht iets ten noorden in de kustlijn van de haven vormde.
Die plek was geheel eenzaam. Noch huis, noch vaartuig was er te zien. De visschersvaartuigen kwamen daar nooit ten anker, uit vrees voor de talrijke klippen, die in de monding dier kreek als gezaaid lagen.
De dokter bleef stilstaan, keek rond en stiet een kreet uit, die waarschijnlijk een afgesproken teeken was. Bijna onmiddellijk verscheen een zeeman. Eerbiedig nam deze den hoed af, boog en:
„Tot uwe orders, baas,” zei hij.
„Is de sloep er, Pazzer?”
„Ja, achter die rots.”
„Bemand met hare roeiers?”
„Ja, met allen.”
„En deElectriek?.… Waar is zij? Ik hoop toch nabij, zooals ik bevolen heb?”
„Die ligt daar verder ten noorden op drie vademen lengte ongeveer buiten de kleine kreek.”
En de zeeman wees op eene soort langwerpige spoel, die bij het heerschende halfduister onduidelijk op de watervlakte bemerkt werd en welker tegenwoordigheid door geen enkel licht, noch door eenigen rook aangeduid werd.[68]
„Wanneer is het vaartuig van Cattaro aangekomen, Pazzer?” vroeg de dokter aan den zeeman.
„Nauwelijks een uur geleden.”
„Is dat ongemerkt geschied?”
„Geheel en al, heer dokter. Het is onderlangs de klippen als het ware voortgegleden. Niemand heeft er iets van gemerkt.”
„Pazzer, luister. Niemand mag zijn post verlaten.”
„Goed, dokter.”
„En hier moet de sloep mij wachten.…”
„Goed, goed.”
„Al ware het ook den geheelen nacht! Hebt ge dat goed begrepen, Pazzer?”
„Opperbest.”
De zeeman ging naar de sloep terug, die tegen den donkeren rotswand in het geheel niet ontdekt werd, maar daarmede als het ware een geheel vormde.
Dokter Antekirrt bleef nog een poos op het strand. Ongetwijfeld wilde hij wachten totdat de nacht nog meer gevorderd en dus donkerder wezen zou. Van tijd tot tijd stapte hij met groote schreden op en neer. Dan weer stond hij stil. En dan waarde zijn blik, terwijl hij daar met over elkander geslagen armen, stilzwijgend en roerloos stond, over de oppervlakte van de Adriatische zee, welke zich aan zijne voeten uitstrekte, alsof hij haar zijne geheimen wilde toevertrouwen.
Noch maan, noch sterren schitterden aan den hemel. Ter nauwernood deed zich de landbries, die gewoonlijk bij het vallen van den avond intreedt en slechts weinige uren aanhoudt, gevoelen. Eene hoog zwevende maar dikke wolkenbank bedekte den hemel tot dicht bij den westelijken gezichteinder, alwaar zij in een lichtere nevelbank overging, om eindelijk geheel uitgewischt te worden.
„Kom,” sprak eindelijk de dokter in zich zelven, „laat mij naar de stad teruggaan. Mijne tegenwoordigheid wordt elders vereischt.”
En naar de kust van Ragusa stappende, volgde hij den ringmuur der stad, om zoo het kerkhof te bereiken.
Daar wachtten hem Pescadospunt en Kaap Matifou in de nabijheid der deur. Zij hadden zich zoodanig achter een boom verscholen, dat zij niet bemerkt konden worden.
Op dit uur werd het kerkhof gesloten. Juist had de bewaker van die laatste rustplaats zijn licht in zijne woning uitgedoofd, hetgeen hij gerust kon doen, daar niemand meer voor den volgenden ochtend komen zou, om zijne diensten in te roepen.
De dokter droeg ongetwijfeld nauwkeurig kennis van den aanleg van dat kerkhof. Ook was het zeer zeker zijn plan niet om door de deur binnen te treden;—want wat hij er in te verrichten had, moest zeer geheim blijven.[69]
„Volg mij,” zei hij tot Pescadospunt en zijnen makker, die op hem toegetreden waren.
„Wij volgen,” antwoordden beiden zacht, terwijl zij achter hem voorttraden.
En die drie mannen schreden toen langs den buitenmuur van het kerkhof voort, die door de helling van hetterreinniet overal even hoog had kunnen opgetrokken worden.
Na aldus gedurende tien minuten voortgeschreden te zijn, bleef de dokter stilstaan en op eene bres wijzende, die door eene instorting van den muur ontstaan was, zei hij:
„Daar door heen! Begrepen?”
„Ja,” knikten beiden.
En hij sloop door die bres en werd daarbij door Pescadospunt en Kaap Matifou gevolgd.
Daar onder die groote boomen met hunne dichte loofkruinen, die de graven overschaduwden, was de duisternis nog zwarter dan buiten. Zonder te aarzelen volgde evenwel de dokter eene laan, daarna eene nevenlaan, die naar het hooger gelegen gedeelte van het kerkhof voerde. Eenige nachtvogels, door dat geschuifel gestoord, vlogen heen en weer. Maar behalve die uilen, was er geen enkel levend wezen in die sombere ruimte te ontwaren.
Weldra stonden de drie mannen stil bij een bescheiden monument, eene soort kapel, welks traliehek niet op slot gesloten was.
De dokter opende het hek en daarna op den knop van eene kleine electrische lantaarn drukkende, liet hij licht schitteren, evenwel zoo, dat het van buiten af niet kon bespeurd worden.
„Ga naar binnen,” zei hij tot Kaap Matifou.
Deze stapte de kleine kapel in en bevond zich toen tegenover een muur, waarin drie marmeren platen gemetseld schenen.
Op een van die platen—op de middelste—las men:
Stephanus Bathory.1867.
De beide andere platen hadden nog geene opschriften. De rechtsche zou er evenwel spoedig een krijgen.
„Neem die plaat weg,” zei de dokter, op de rechtsche wijzende.
Kaap Matifou volvoerde dien last gemakkelijk; want die plaat was nog niet in den muur vastgezet. Hij plaatste haar op den grond en toen kon bij het schitterend schijnsel van de lantaarn, eene doodkist ontwaard worden in de uitgespaarde uitholling in den muur.
„Haal die kist er uit,” beval de dokter.
Kaap Matifou greep een handvat en trok de kist, hoe zwaar[70]die ook was, uit hare nis, zonder dat de hulp van Pescadospunt daarbij noodig was, en na haar uit de kapel gedragen te hebben, legde hij haar op het grasneder.
„Neem dit gereedschap,” zei de dokter.
„Welk?” vroeg KaapMatifou.
„Hier, dezen schroevendraaier,” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij hem dat werktuig aanreikte. „En draai nu de schroeven van dat deksel los. Kom, vlug wat!”
In weinige minuten was dat verricht. Het deksel werd opgetild en ter zijde gezet.
Dokter Antekirrt verwijderde het laken, hetwelk het lichaam bedekte, met de hand, boog zich voorover en legde het oor op de borst van den doode, alsof hij de hartslagen wilde waarnemen.…
Daarna richtte hij zich weder op.
„Haal dat lijk uit de kist,” zei hij tot Kaap Matifou.
De Hercules gehoorzaamde zonder dat hij, evenmin als Pescadospunt, eene enkele tegenwerping maakte, hoewel zij eene door de wet verboden ontgraving volvoerden.
Toen het lijk van Piet Bathory op het gras neergelegd was, rolde Kaap Matifou het andermaal in het lijklaken, waarover de dokter verder zijn mantel heen wierp. Het deksel werd toen weer op de kist geschroefd en deze in de muurnis geplaatst. Daarna werd de marmeren plaat weer voor de opening gehecht, die zij als vroeger bedekte.
De dokter sloot toen den electrischen stroom zijner lantaarn af, waarna de duisternis weer even zwart heerschte als te voren. Door de voorafgaande verlichting verblind, konden de aanwezigen elkander in het donker niet ontwaren.
„Neem dat lijk op,” zei hij tot Kaap Matifou.
De reus tilde met zijne stevige armen het lichaam van den jongen man op, zooals hij met dat van een kind zou gehandeld hebben, en voorafgegaan door den dokter en gevolgd door Pescadospunt, stapte hij door eene nevenlaan, die onmiddellijk naar de bres in den muur van het kerkhof voerde.
Vijf minuten later was de bres doorgestapt, en richtten zich de dokter, Pescadospunt en Kaap Matifou, na den ringmuur van het kerkhof langs getrokken te zijn, naar de zeekust.
Geen enkel woord was tusschen de drie mannen gewisseld geworden. Maar al dacht de gehoorzame Kaap Matifou niet veel meer dan een blind werktuig, welke opeenvolging van meeningen had zich in het veel vluggere brein van Pescadospunt baan gebroken?
Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).
Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den wal te bespeuren was. (Bladz. 72).
Gedurendeden afstand van het kerkhof tot het strand, had dokter Antekirrt met zijne beide makkers niemand op den weg ontmoet,maartoen zij de kleine kreek naderden, waar de sloep van de[72]Electriekhen wachtte, ontwaarden zij een douane, die op de eerste rotslagen van het strand heen en weer wandelde.
Zij vervolgden evenwel hunnen weg, zonder zich over zijne tegenwoordigheid te verontrusten. Een tweede kreet, door den dokter uitgestooten, deed den bootsman van de sloep, die tot nu toe onzichtbaar was gebleven, tot hem komen.
Op een teeken daalde Kaap Matifou langs de rotshelling af, en was op het punt om in de sloep te stappen.
Op dit oogenblik naderde de douaan en, terwijl de inscheping van het pak, hetwelk Kaap Matifou droeg, op het punt stond volbracht te worden, vroeg hij:
„Wie zijt gij?”
„Lieden, die u te kiezen geven tusschen een fooi van twintig gulden comptant, of een vuistslag van mijnheer.… ook comptant!” antwoordde Pescadospunt, op Kaap Matifou wijzende.
Aarzeling was niet goed mogelijk. De douaan nam de twintig gulden aan.
„En nu in de sloep!” zei dokter Antekirrt.
Eene minuut later was het kleine vaartuig in den donkeren nacht verdwenen. Vijf minuten later had het de lange spoel bereikt, die onmogelijk van den vasten wal te bespeuren was.
De sloep werd aan boord geheschen en deElectriek, door hare geruchtlooze schroef voortgestuwd, had weldra het ruime sop bereikt.
Wat Kaap Matifou betreft, die had het lichaam van Piet Bathory in eene smalle hut, die geen patrijspoortje had, om het licht door te laten, op een divan neergelegd, en was daarna heengegaan.
Toen de dokter alleen bij het lijk gebleven was, bukte hij er zich over heen, tot zijne lippen dat bleeke voorhoofd aanraakten.
„En nu, Piet.” zeide hij, „ontwaak! ik wil het.”
En dadelijk, alsof hij uit een magnetischen slaap ontwaakte, die den dood gelijk was geweest, opende Piet Bathory de oogen.
Een soort afkeer teekende zich op zijn gelaat, toen hij dokter Antekirrt herkende.
„Gij!.…” prevelde hij, „gij, die mij ook in den steek gelaten hebt!”
„Ja, ik, Piet!”
„Maar wie zijt gij dan toch?” vroeg de jongman bibberend.
„Een overledene.… evenals gij!”
„Een overledene?.…”
„Ik ben graaf Mathias Sandorf!”[73]