[Inhoud]IX.MALTA.Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi[152]Ferrato, wiens behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen deFerratode verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier reeds op zat!De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.… maar hij hield zich in.… Hij bedacht zich.… Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn, die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou overgegeven hebben, en.… graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs voor den zoon van Andreas Ferrato,.… dat mocht hij niet uit het oog verliezen.Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te volgen.Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een stoel en vroeg hem:„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren te Rovigno in Istrië woonde?”„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter Antekirrt met open blik aankeek.„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die dat gelaat welgevallig gadesloeg.„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een Corsikaan van geboorte.”„Hadt gij niet een zuster?”.… ging dokter Antekirrt met zijn onderzoek voort.„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in deManderaggio.”„Hoe heet uwe zuster?”„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne stem, „hebt gij mijn vader gekend?”„Uwen vader!.…” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich bedacht.Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet goed verklaren.„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende[153]handeling naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is.…”„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het punt iets te vragen.„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij, zonder den blik neer te slaan.De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste aandoening in de zijne.„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten, om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas, alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig, dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt, draagt den naam vanFerratoter herinnering aan de moedige daad van Andreas Ferrato, uwen vader!.… Mijn kind, mijn jongen, laat ik u omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart klemmen!”En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de tranen in zijne oogen schieten.Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen. Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op den jongen visscher toe.„En ik!.… en ik dan!.…” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En ik!.… en ik dan!.…”„Gij.… mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden persoon in het gesprek verwonderd aankeek.„Ja, ik.… ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der martelaren!”„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij Bathory’s mond wilde sluiten.Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars armen.Snikkendomhelsden zij elkander.Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet Bathory ontsnapt was?Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim[154]weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen had.Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel dokter Antekirrt najoeg.Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen, namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen. Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was. Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten werken.„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja, waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi uitgesproken waren.„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets vochtigs in de oogen.„Zij is dan goed voor u?”„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn geheele leven lang geweest.”Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa, hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt. Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang aanleiding geven zal.Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het eilandRhodosverjaagd waren, en zich toen onder den naam van Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het gemaakt.[155]Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen, gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo, Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt, hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend inwoners.Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest; maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in handen der Engelschen is gebleven.Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel niet veel.Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan.[156]Men vindt er ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen; vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder een vrij langen knevel verschuilen.Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen, met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,” een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel, mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig; maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch. Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het[158]was daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria Ferrato woonde.La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen. De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de „herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort onderaardschkwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op de kade van de groote Mars-haven.Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het luidruchtigste volk der wereld gelegen is.Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg[159]in, die naar de Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar de onderaardsche diepten der stad voerde.De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen, op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers, allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als ware het geen modder. Een wareCour des Miracles, zooals Parijs in de middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke zeebries aangebracht, genoot.In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger[160]aan het hoofd van het huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed hare moeder geen oneer aan.Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op haren broeder toetredende:„Mijn jongen!.… Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij toch zoo lang gebleven?”Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende dien stormachtigen nacht.Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem vergezelden.Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk, onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het meisje aandachtig gade.Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid, met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen, dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te noemen.De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had, dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite, aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen doorgebracht.„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd het leven kunnen genieten.”Beidekinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen hoopvol aan.„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak dokter Antekirrt met aandoening.[161]Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria. (Bladz. 166).Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria.(Bladz. 166).[162]„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt niet te ontkennen.”„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons niet meer verlaat?”„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat hij doen moest.”Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden vorm.„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht het leven verloren heeft.”„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van hem, die.…”Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van streek.„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen beletten, mijn broeder te zijn?”„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende; want hetweinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald[163]wordt, depêches bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten, dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven, wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten, welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms geheel onmogelijk gemaakt wordt.Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen, toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in vreeselijken nood verkeerde.Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond, door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer, waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn verscheiden geschreven had.„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen, gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden, die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans nog doen.„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen vader niet!„Andreas Ferrato”.[164]Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem als het ware zocht, te ontkomen.„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon zijner stem, die de anderen deed opzien.„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht verbrijzeld geworden, niet waar?”„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman verontschuldigend.„Maar, toch.… Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe broodwinning?”„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies zijn,” antwoordde Luigi.„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot verlies.”„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats om te zeggen: de Heer heeft gegeven.…”„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een ander te vervangen.”„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom mag ik.…”„Zwijg,.… ja,.… door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”„Wat.… gij wilt?.… Maar zoo iets is niet mogelijk!.… Zooietsis ongehoord!.…”„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van deFerrato?.… Wilt ge?”„Maar.Hoe kan dat?”„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong, ijverig en goed zeeman is.”„Maar, heer dokter!.…” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik, maar met twijfel in zijne stem.„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem aan, Luigi!.… Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”„Maar.… mijne zuster?.…” prevelde de zeeman nog tegenspartelende. „Mijne zuster?.…”„Ja juist, zijne zuster?.…” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.„Waar moet die blijven?”„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij, behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het[165]verleden te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.… Zoo’n toekomst!.… En dat voor ons?.…”„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze, kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand drukten.„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.„Morgen?”„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen spreken.En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem dadelijk te volgen.„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn heerlijk, mijn zoon!.…”„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele harten geldt.”„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet anders ware!”„Dat is waar!.… Dat zou wenschelijk zijn. Maar.… waar noodig, moet gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af te wachten.Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden, uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie., scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor, wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om de herstelling afdoend uit te voeren.Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen; want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te komen. De lezer weet waarom.Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goeletSavarenanaar[166]Malta te doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden, een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram werd bevel gegeven aan deElectriek2, om onmiddellijk op de kust van Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan kruisen.Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die betrekking vervuld had, zou aan boord van deElectriek2 overgaan, zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid. Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want deFerratowas een prachtig schip.Midderwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria en sprak haar over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep moesten treffen.„Ja!.…” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk als zijne inborst betreft.”Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud van deFerratoin de haven van La Valletta[167]gebruik zouden maken, om hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder hadden, om eindelijk hetweinige, wat zij bezaten, te gelde te maken, ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het ankerlichten te kunnen betrekken.Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de moeielijkste taak bleef nog over.Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest getracht worden zich van Carpena meester te maken.Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het bezworen!Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende hij, zouden zij wel getrokken zijn.En, wat den andere betrof, ja.… men zou zien, men zou zoeken en zoeken tot men hem gevonden had!Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den dokter afzonderlijk konde spreken.„Wat ik u mede te deelen heb,”zei ze, toen de dokter zich aan de deur van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren,„heb ik zelfs voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw geheele vertrouwen.”„Maar, kan Luigi.…?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet komen?”„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een divan en hernam Maria:„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver te zoeken.”„Hier?”.… vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien samenloop van omstandigheden.„Ja!”„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria?[168]Bedenk u goed.”„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige dagen, heer dokter.”„Hier, te La Valletta?”„Ja!”„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek dan toch, Maria!”„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij wonen en waar gij u thans bevindt!”„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de twijfel op zijn gelaat te lezen was.„Ja, zeer zeker!”Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen met ernstige stem:„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen als smeekend te zamen.„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon. „Neen, ik vergis mij niet.”„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou kunnen doen vatten.”„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven. Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.… Geloof mij, hij is hier.”„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het meisje aandachtig aankeek.„Neen, heer dokter.… Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigiweet er niets van.”Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan. Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets, hoort ge, niets.”„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem geheim moest houden.”„Waarom?”„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.… Daaromtrent bestaat bij mij geen twijfel. En.…”„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?… Ga dan toch voort!”„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.… zouden zij gevochten hebben.”„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man behoort mij alleen toe! Maar.…”[169]Catania.Catania.[170]„Maar, wat, heer dokter?”„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van Rovigno zoovele jaren heengegaan.”„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om, om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten, wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of trachten aan te spreken?”„Nooit.”„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is? Malta is toch zijn vaderland niet?”„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter Antekirrt verder aan.„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg dokter Antekirrt.„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”„Niet?”Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het ijle, alsof zij iets zochten.„Neen,” antwoordde het meisje.„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de deur, waardoor het onderhoud een einde nam.„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”[171]„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”„DeFerratois een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”„O, mijnheer.…”„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory, om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had. In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory wenschte te spreken.Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen, maar even gereed is om het uit te voeren.„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken er derhalve op.”„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt gij mij alleen noodig?”„U alleen.”„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.… Ik hoop toch, dat.…”„Neen, eerst gij.”„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek, wat moet ik doen?”„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La Valletta begeven.”„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Watverder.[172]Wat moet ik er uitvoeren?”„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken. Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt voldoen, dat verzeker ik u.”„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom. Maar wat verder?”„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u geheel en al een vreemdeling zijn.”„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.… Ik moet evenwel erkennen, dat dit de zaak moeilijk maakt.”„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor een vastenavondbal!”„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te werven door middel van veel geld.”„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale mogendheid, misschien wel voor Nederland?”„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij zeer geheimzinnig toe.”„Zoo zoo!”„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij begrepen, Pescadospunt?”„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet naar boord terugkeeren.”„Niet?”„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd worden, niet waar?”„Dat is zoo, heer dokter.”„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen, om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Daar zal ik u dan aantreffen.”„Dat is afgesproken, maar.…”[173]„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te hebben omtrent hem!”„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn vriend.…”„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt waarlijk iemand verlegen maken.”„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokteronverstoorbaarvoort.„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij dien heer, dokter?”.„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”„Hoe heet hij dan?”„Carpena.”„Wat.… Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit. „Is die Spanjaard hier?”„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier, waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den dood gevonden heeft!”De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was duidelijk en helder als de dag.Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het stadkwartier Manderaggio.Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de koopvaardijschepen en deserteurs van deoorlogsschepenvan alle mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed van die zeeschuimers[174]door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk.Carpena haddeopdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen, die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechtsweinigmoeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartierManderaggioniet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand. Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was. Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken. Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen schavuit geworden.Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij een zeker aantal helpers enmedeplichtigenmoest aanwerven, om eenige ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers, die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van[175]ruim vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen, en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte, die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde schatten!Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den ochtend van den 25stenAugustus ontving dokter Antekirrt een briefje, waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen glijden.Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van deFerratomet alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet geëindigd was.Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene hand op zijn arm rusten.[176]Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de oogen en bood hem een zakdoek aan.„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke kerel.Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich de oogen.En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder zijne geleende plunje.„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van zijne verbazing.„Grappenmaker, ja!.… Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge inderdaad mis!”Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen overgang:„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”„Ja, die is inderdaad bezig met.…”„Met wat?”„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van geheel Manderaggio.”„Voor wien?”„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een sluwen glimlach op het gelaat.„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en eenigermate ontstuimig.„Inderdaad.”De dokter zweeg een poos, om na te denken.De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die twee ellendelingen en Carpena?Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij zich niet bedroog.Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld, om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz. 184.)Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz.184.)Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor[178]waarop dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinenacrobaatniet ontging.„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.„Voor welke rooversbende?”„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”„Op Sicilië?.… Juist!.… dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet gij dat ook?”„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde Pescadospunt.„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in gedachten verzonken.Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het scheen, dat hij goede tijding gebracht had.Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene goede tijding voor dokter Antekirrt.„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste belangstelling.„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem van zelfvoldoening in zijn stem.„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast ongeloofelijk!”„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming aan.…”De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen Pescadospunt.„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij na een poos.„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet hoorde.„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort. „Gij zult er wel naar haken, niet waar?”„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde deacrobaatmet een gullen glimlach.„Past u? Wat bedoelt ge?”„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij zelven niet meer toe!”„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet, Pescadospunt.”[179]„Kom, gekheid!.… Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En ik wil haar goed vervullen.”„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.… Bedenk dat wel! Daar valt niet mede te schertsen.”„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde, ten einde zijne aandoening te verbergen.„Daarenboven,”ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn. Door die rol op zich te nemen, was deschranderejongen er in geslaagd, het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.Toen zij na eentientalminuten de zaken genoeg bepraat en overwogen hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander gezien wilden worden, te scheiden.Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in de groote haven eene sloep en keerde zoo naar hetkwartierManderaggioterug.Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee getrouwe vrienden verplicht te zijn.De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in zich zelven prevelen en herhalen:„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen, geen haar, of de duivel.…”De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.[180]
[Inhoud]IX.MALTA.Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi[152]Ferrato, wiens behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen deFerratode verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier reeds op zat!De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.… maar hij hield zich in.… Hij bedacht zich.… Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn, die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou overgegeven hebben, en.… graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs voor den zoon van Andreas Ferrato,.… dat mocht hij niet uit het oog verliezen.Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te volgen.Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een stoel en vroeg hem:„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren te Rovigno in Istrië woonde?”„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter Antekirrt met open blik aankeek.„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die dat gelaat welgevallig gadesloeg.„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een Corsikaan van geboorte.”„Hadt gij niet een zuster?”.… ging dokter Antekirrt met zijn onderzoek voort.„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in deManderaggio.”„Hoe heet uwe zuster?”„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne stem, „hebt gij mijn vader gekend?”„Uwen vader!.…” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich bedacht.Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet goed verklaren.„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende[153]handeling naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is.…”„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het punt iets te vragen.„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij, zonder den blik neer te slaan.De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste aandoening in de zijne.„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten, om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas, alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig, dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt, draagt den naam vanFerratoter herinnering aan de moedige daad van Andreas Ferrato, uwen vader!.… Mijn kind, mijn jongen, laat ik u omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart klemmen!”En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de tranen in zijne oogen schieten.Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen. Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op den jongen visscher toe.„En ik!.… en ik dan!.…” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En ik!.… en ik dan!.…”„Gij.… mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden persoon in het gesprek verwonderd aankeek.„Ja, ik.… ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der martelaren!”„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij Bathory’s mond wilde sluiten.Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars armen.Snikkendomhelsden zij elkander.Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet Bathory ontsnapt was?Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim[154]weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen had.Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel dokter Antekirrt najoeg.Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen, namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen. Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was. Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten werken.„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja, waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi uitgesproken waren.„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets vochtigs in de oogen.„Zij is dan goed voor u?”„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn geheele leven lang geweest.”Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa, hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt. Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang aanleiding geven zal.Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het eilandRhodosverjaagd waren, en zich toen onder den naam van Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het gemaakt.[155]Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen, gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo, Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt, hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend inwoners.Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest; maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in handen der Engelschen is gebleven.Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel niet veel.Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan.[156]Men vindt er ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen; vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder een vrij langen knevel verschuilen.Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen, met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,” een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel, mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig; maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch. Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het[158]was daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria Ferrato woonde.La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen. De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de „herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort onderaardschkwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op de kade van de groote Mars-haven.Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het luidruchtigste volk der wereld gelegen is.Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg[159]in, die naar de Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar de onderaardsche diepten der stad voerde.De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen, op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers, allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als ware het geen modder. Een wareCour des Miracles, zooals Parijs in de middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke zeebries aangebracht, genoot.In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger[160]aan het hoofd van het huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed hare moeder geen oneer aan.Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op haren broeder toetredende:„Mijn jongen!.… Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij toch zoo lang gebleven?”Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende dien stormachtigen nacht.Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem vergezelden.Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk, onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het meisje aandachtig gade.Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid, met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen, dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te noemen.De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had, dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite, aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen doorgebracht.„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd het leven kunnen genieten.”Beidekinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen hoopvol aan.„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak dokter Antekirrt met aandoening.[161]Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria. (Bladz. 166).Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria.(Bladz. 166).[162]„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt niet te ontkennen.”„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons niet meer verlaat?”„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat hij doen moest.”Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden vorm.„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht het leven verloren heeft.”„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van hem, die.…”Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van streek.„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen beletten, mijn broeder te zijn?”„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende; want hetweinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald[163]wordt, depêches bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten, dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven, wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten, welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms geheel onmogelijk gemaakt wordt.Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen, toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in vreeselijken nood verkeerde.Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond, door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer, waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn verscheiden geschreven had.„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen, gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden, die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans nog doen.„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen vader niet!„Andreas Ferrato”.[164]Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem als het ware zocht, te ontkomen.„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon zijner stem, die de anderen deed opzien.„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht verbrijzeld geworden, niet waar?”„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman verontschuldigend.„Maar, toch.… Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe broodwinning?”„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies zijn,” antwoordde Luigi.„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot verlies.”„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats om te zeggen: de Heer heeft gegeven.…”„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een ander te vervangen.”„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom mag ik.…”„Zwijg,.… ja,.… door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”„Wat.… gij wilt?.… Maar zoo iets is niet mogelijk!.… Zooietsis ongehoord!.…”„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van deFerrato?.… Wilt ge?”„Maar.Hoe kan dat?”„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong, ijverig en goed zeeman is.”„Maar, heer dokter!.…” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik, maar met twijfel in zijne stem.„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem aan, Luigi!.… Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”„Maar.… mijne zuster?.…” prevelde de zeeman nog tegenspartelende. „Mijne zuster?.…”„Ja juist, zijne zuster?.…” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.„Waar moet die blijven?”„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij, behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het[165]verleden te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.… Zoo’n toekomst!.… En dat voor ons?.…”„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze, kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand drukten.„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.„Morgen?”„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen spreken.En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem dadelijk te volgen.„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn heerlijk, mijn zoon!.…”„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele harten geldt.”„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet anders ware!”„Dat is waar!.… Dat zou wenschelijk zijn. Maar.… waar noodig, moet gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af te wachten.Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden, uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie., scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor, wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om de herstelling afdoend uit te voeren.Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen; want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te komen. De lezer weet waarom.Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goeletSavarenanaar[166]Malta te doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden, een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram werd bevel gegeven aan deElectriek2, om onmiddellijk op de kust van Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan kruisen.Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die betrekking vervuld had, zou aan boord van deElectriek2 overgaan, zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid. Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want deFerratowas een prachtig schip.Midderwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria en sprak haar over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep moesten treffen.„Ja!.…” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk als zijne inborst betreft.”Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud van deFerratoin de haven van La Valletta[167]gebruik zouden maken, om hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder hadden, om eindelijk hetweinige, wat zij bezaten, te gelde te maken, ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het ankerlichten te kunnen betrekken.Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de moeielijkste taak bleef nog over.Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest getracht worden zich van Carpena meester te maken.Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het bezworen!Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende hij, zouden zij wel getrokken zijn.En, wat den andere betrof, ja.… men zou zien, men zou zoeken en zoeken tot men hem gevonden had!Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den dokter afzonderlijk konde spreken.„Wat ik u mede te deelen heb,”zei ze, toen de dokter zich aan de deur van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren,„heb ik zelfs voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw geheele vertrouwen.”„Maar, kan Luigi.…?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet komen?”„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een divan en hernam Maria:„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver te zoeken.”„Hier?”.… vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien samenloop van omstandigheden.„Ja!”„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria?[168]Bedenk u goed.”„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige dagen, heer dokter.”„Hier, te La Valletta?”„Ja!”„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek dan toch, Maria!”„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij wonen en waar gij u thans bevindt!”„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de twijfel op zijn gelaat te lezen was.„Ja, zeer zeker!”Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen met ernstige stem:„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen als smeekend te zamen.„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon. „Neen, ik vergis mij niet.”„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou kunnen doen vatten.”„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven. Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.… Geloof mij, hij is hier.”„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het meisje aandachtig aankeek.„Neen, heer dokter.… Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigiweet er niets van.”Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan. Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets, hoort ge, niets.”„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem geheim moest houden.”„Waarom?”„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.… Daaromtrent bestaat bij mij geen twijfel. En.…”„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?… Ga dan toch voort!”„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.… zouden zij gevochten hebben.”„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man behoort mij alleen toe! Maar.…”[169]Catania.Catania.[170]„Maar, wat, heer dokter?”„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van Rovigno zoovele jaren heengegaan.”„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om, om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten, wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of trachten aan te spreken?”„Nooit.”„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is? Malta is toch zijn vaderland niet?”„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter Antekirrt verder aan.„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg dokter Antekirrt.„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”„Niet?”Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het ijle, alsof zij iets zochten.„Neen,” antwoordde het meisje.„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de deur, waardoor het onderhoud een einde nam.„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”[171]„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”„DeFerratois een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”„O, mijnheer.…”„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory, om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had. In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory wenschte te spreken.Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen, maar even gereed is om het uit te voeren.„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken er derhalve op.”„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt gij mij alleen noodig?”„U alleen.”„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.… Ik hoop toch, dat.…”„Neen, eerst gij.”„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek, wat moet ik doen?”„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La Valletta begeven.”„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Watverder.[172]Wat moet ik er uitvoeren?”„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken. Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt voldoen, dat verzeker ik u.”„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom. Maar wat verder?”„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u geheel en al een vreemdeling zijn.”„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.… Ik moet evenwel erkennen, dat dit de zaak moeilijk maakt.”„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor een vastenavondbal!”„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te werven door middel van veel geld.”„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale mogendheid, misschien wel voor Nederland?”„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij zeer geheimzinnig toe.”„Zoo zoo!”„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij begrepen, Pescadospunt?”„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet naar boord terugkeeren.”„Niet?”„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd worden, niet waar?”„Dat is zoo, heer dokter.”„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen, om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Daar zal ik u dan aantreffen.”„Dat is afgesproken, maar.…”[173]„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te hebben omtrent hem!”„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn vriend.…”„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt waarlijk iemand verlegen maken.”„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokteronverstoorbaarvoort.„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij dien heer, dokter?”.„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”„Hoe heet hij dan?”„Carpena.”„Wat.… Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit. „Is die Spanjaard hier?”„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier, waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den dood gevonden heeft!”De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was duidelijk en helder als de dag.Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het stadkwartier Manderaggio.Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de koopvaardijschepen en deserteurs van deoorlogsschepenvan alle mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed van die zeeschuimers[174]door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk.Carpena haddeopdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen, die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechtsweinigmoeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartierManderaggioniet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand. Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was. Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken. Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen schavuit geworden.Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij een zeker aantal helpers enmedeplichtigenmoest aanwerven, om eenige ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers, die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van[175]ruim vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen, en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte, die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde schatten!Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den ochtend van den 25stenAugustus ontving dokter Antekirrt een briefje, waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen glijden.Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van deFerratomet alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet geëindigd was.Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene hand op zijn arm rusten.[176]Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de oogen en bood hem een zakdoek aan.„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke kerel.Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich de oogen.En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder zijne geleende plunje.„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van zijne verbazing.„Grappenmaker, ja!.… Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge inderdaad mis!”Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen overgang:„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”„Ja, die is inderdaad bezig met.…”„Met wat?”„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van geheel Manderaggio.”„Voor wien?”„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een sluwen glimlach op het gelaat.„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en eenigermate ontstuimig.„Inderdaad.”De dokter zweeg een poos, om na te denken.De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die twee ellendelingen en Carpena?Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij zich niet bedroog.Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld, om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz. 184.)Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz.184.)Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor[178]waarop dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinenacrobaatniet ontging.„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.„Voor welke rooversbende?”„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”„Op Sicilië?.… Juist!.… dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet gij dat ook?”„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde Pescadospunt.„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in gedachten verzonken.Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het scheen, dat hij goede tijding gebracht had.Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene goede tijding voor dokter Antekirrt.„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste belangstelling.„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem van zelfvoldoening in zijn stem.„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast ongeloofelijk!”„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming aan.…”De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen Pescadospunt.„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij na een poos.„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet hoorde.„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort. „Gij zult er wel naar haken, niet waar?”„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde deacrobaatmet een gullen glimlach.„Past u? Wat bedoelt ge?”„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij zelven niet meer toe!”„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet, Pescadospunt.”[179]„Kom, gekheid!.… Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En ik wil haar goed vervullen.”„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.… Bedenk dat wel! Daar valt niet mede te schertsen.”„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde, ten einde zijne aandoening te verbergen.„Daarenboven,”ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn. Door die rol op zich te nemen, was deschranderejongen er in geslaagd, het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.Toen zij na eentientalminuten de zaken genoeg bepraat en overwogen hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander gezien wilden worden, te scheiden.Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in de groote haven eene sloep en keerde zoo naar hetkwartierManderaggioterug.Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee getrouwe vrienden verplicht te zijn.De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in zich zelven prevelen en herhalen:„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen, geen haar, of de duivel.…”De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.[180]
IX.MALTA.
Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi[152]Ferrato, wiens behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen deFerratode verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier reeds op zat!De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.… maar hij hield zich in.… Hij bedacht zich.… Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn, die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou overgegeven hebben, en.… graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs voor den zoon van Andreas Ferrato,.… dat mocht hij niet uit het oog verliezen.Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te volgen.Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een stoel en vroeg hem:„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren te Rovigno in Istrië woonde?”„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter Antekirrt met open blik aankeek.„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die dat gelaat welgevallig gadesloeg.„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een Corsikaan van geboorte.”„Hadt gij niet een zuster?”.… ging dokter Antekirrt met zijn onderzoek voort.„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in deManderaggio.”„Hoe heet uwe zuster?”„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne stem, „hebt gij mijn vader gekend?”„Uwen vader!.…” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich bedacht.Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet goed verklaren.„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende[153]handeling naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is.…”„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het punt iets te vragen.„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij, zonder den blik neer te slaan.De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste aandoening in de zijne.„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten, om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas, alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig, dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt, draagt den naam vanFerratoter herinnering aan de moedige daad van Andreas Ferrato, uwen vader!.… Mijn kind, mijn jongen, laat ik u omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart klemmen!”En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de tranen in zijne oogen schieten.Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen. Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op den jongen visscher toe.„En ik!.… en ik dan!.…” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En ik!.… en ik dan!.…”„Gij.… mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden persoon in het gesprek verwonderd aankeek.„Ja, ik.… ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der martelaren!”„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij Bathory’s mond wilde sluiten.Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars armen.Snikkendomhelsden zij elkander.Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet Bathory ontsnapt was?Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim[154]weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen had.Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel dokter Antekirrt najoeg.Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen, namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen. Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was. Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten werken.„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja, waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi uitgesproken waren.„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets vochtigs in de oogen.„Zij is dan goed voor u?”„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn geheele leven lang geweest.”Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa, hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt. Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang aanleiding geven zal.Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het eilandRhodosverjaagd waren, en zich toen onder den naam van Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het gemaakt.[155]Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen, gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo, Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt, hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend inwoners.Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest; maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in handen der Engelschen is gebleven.Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel niet veel.Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan.[156]Men vindt er ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen; vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder een vrij langen knevel verschuilen.Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen, met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,” een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel, mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig; maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch. Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het[158]was daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria Ferrato woonde.La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen. De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de „herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort onderaardschkwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op de kade van de groote Mars-haven.Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het luidruchtigste volk der wereld gelegen is.Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg[159]in, die naar de Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar de onderaardsche diepten der stad voerde.De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen, op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers, allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als ware het geen modder. Een wareCour des Miracles, zooals Parijs in de middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke zeebries aangebracht, genoot.In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger[160]aan het hoofd van het huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed hare moeder geen oneer aan.Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op haren broeder toetredende:„Mijn jongen!.… Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij toch zoo lang gebleven?”Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende dien stormachtigen nacht.Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem vergezelden.Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk, onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het meisje aandachtig gade.Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid, met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen, dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te noemen.De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had, dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite, aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen doorgebracht.„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd het leven kunnen genieten.”Beidekinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen hoopvol aan.„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak dokter Antekirrt met aandoening.[161]Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria. (Bladz. 166).Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria.(Bladz. 166).[162]„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt niet te ontkennen.”„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons niet meer verlaat?”„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat hij doen moest.”Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden vorm.„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht het leven verloren heeft.”„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van hem, die.…”Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van streek.„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen beletten, mijn broeder te zijn?”„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende; want hetweinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald[163]wordt, depêches bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten, dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven, wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten, welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms geheel onmogelijk gemaakt wordt.Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen, toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in vreeselijken nood verkeerde.Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond, door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer, waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn verscheiden geschreven had.„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen, gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden, die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans nog doen.„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen vader niet!„Andreas Ferrato”.[164]Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem als het ware zocht, te ontkomen.„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon zijner stem, die de anderen deed opzien.„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht verbrijzeld geworden, niet waar?”„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman verontschuldigend.„Maar, toch.… Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe broodwinning?”„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies zijn,” antwoordde Luigi.„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot verlies.”„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats om te zeggen: de Heer heeft gegeven.…”„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een ander te vervangen.”„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom mag ik.…”„Zwijg,.… ja,.… door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”„Wat.… gij wilt?.… Maar zoo iets is niet mogelijk!.… Zooietsis ongehoord!.…”„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van deFerrato?.… Wilt ge?”„Maar.Hoe kan dat?”„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong, ijverig en goed zeeman is.”„Maar, heer dokter!.…” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik, maar met twijfel in zijne stem.„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem aan, Luigi!.… Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”„Maar.… mijne zuster?.…” prevelde de zeeman nog tegenspartelende. „Mijne zuster?.…”„Ja juist, zijne zuster?.…” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.„Waar moet die blijven?”„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij, behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het[165]verleden te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.… Zoo’n toekomst!.… En dat voor ons?.…”„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze, kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand drukten.„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.„Morgen?”„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen spreken.En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem dadelijk te volgen.„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn heerlijk, mijn zoon!.…”„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele harten geldt.”„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet anders ware!”„Dat is waar!.… Dat zou wenschelijk zijn. Maar.… waar noodig, moet gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af te wachten.Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden, uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie., scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor, wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om de herstelling afdoend uit te voeren.Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen; want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te komen. De lezer weet waarom.Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goeletSavarenanaar[166]Malta te doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden, een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram werd bevel gegeven aan deElectriek2, om onmiddellijk op de kust van Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan kruisen.Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die betrekking vervuld had, zou aan boord van deElectriek2 overgaan, zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid. Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want deFerratowas een prachtig schip.Midderwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria en sprak haar over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep moesten treffen.„Ja!.…” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk als zijne inborst betreft.”Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud van deFerratoin de haven van La Valletta[167]gebruik zouden maken, om hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder hadden, om eindelijk hetweinige, wat zij bezaten, te gelde te maken, ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het ankerlichten te kunnen betrekken.Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de moeielijkste taak bleef nog over.Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest getracht worden zich van Carpena meester te maken.Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het bezworen!Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende hij, zouden zij wel getrokken zijn.En, wat den andere betrof, ja.… men zou zien, men zou zoeken en zoeken tot men hem gevonden had!Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den dokter afzonderlijk konde spreken.„Wat ik u mede te deelen heb,”zei ze, toen de dokter zich aan de deur van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren,„heb ik zelfs voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw geheele vertrouwen.”„Maar, kan Luigi.…?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet komen?”„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een divan en hernam Maria:„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver te zoeken.”„Hier?”.… vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien samenloop van omstandigheden.„Ja!”„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria?[168]Bedenk u goed.”„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige dagen, heer dokter.”„Hier, te La Valletta?”„Ja!”„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek dan toch, Maria!”„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij wonen en waar gij u thans bevindt!”„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de twijfel op zijn gelaat te lezen was.„Ja, zeer zeker!”Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen met ernstige stem:„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen als smeekend te zamen.„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon. „Neen, ik vergis mij niet.”„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou kunnen doen vatten.”„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven. Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.… Geloof mij, hij is hier.”„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het meisje aandachtig aankeek.„Neen, heer dokter.… Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigiweet er niets van.”Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan. Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets, hoort ge, niets.”„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem geheim moest houden.”„Waarom?”„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.… Daaromtrent bestaat bij mij geen twijfel. En.…”„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?… Ga dan toch voort!”„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.… zouden zij gevochten hebben.”„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man behoort mij alleen toe! Maar.…”[169]Catania.Catania.[170]„Maar, wat, heer dokter?”„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van Rovigno zoovele jaren heengegaan.”„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om, om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten, wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of trachten aan te spreken?”„Nooit.”„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is? Malta is toch zijn vaderland niet?”„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter Antekirrt verder aan.„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg dokter Antekirrt.„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”„Niet?”Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het ijle, alsof zij iets zochten.„Neen,” antwoordde het meisje.„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de deur, waardoor het onderhoud een einde nam.„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”[171]„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”„DeFerratois een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”„O, mijnheer.…”„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory, om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had. In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory wenschte te spreken.Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen, maar even gereed is om het uit te voeren.„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken er derhalve op.”„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt gij mij alleen noodig?”„U alleen.”„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.… Ik hoop toch, dat.…”„Neen, eerst gij.”„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek, wat moet ik doen?”„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La Valletta begeven.”„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Watverder.[172]Wat moet ik er uitvoeren?”„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken. Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt voldoen, dat verzeker ik u.”„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom. Maar wat verder?”„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u geheel en al een vreemdeling zijn.”„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.… Ik moet evenwel erkennen, dat dit de zaak moeilijk maakt.”„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor een vastenavondbal!”„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te werven door middel van veel geld.”„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale mogendheid, misschien wel voor Nederland?”„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij zeer geheimzinnig toe.”„Zoo zoo!”„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij begrepen, Pescadospunt?”„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet naar boord terugkeeren.”„Niet?”„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd worden, niet waar?”„Dat is zoo, heer dokter.”„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen, om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.„Daar zal ik u dan aantreffen.”„Dat is afgesproken, maar.…”[173]„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te hebben omtrent hem!”„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn vriend.…”„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt waarlijk iemand verlegen maken.”„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokteronverstoorbaarvoort.„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij dien heer, dokter?”.„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”„Hoe heet hij dan?”„Carpena.”„Wat.… Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit. „Is die Spanjaard hier?”„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier, waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den dood gevonden heeft!”De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was duidelijk en helder als de dag.Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het stadkwartier Manderaggio.Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de koopvaardijschepen en deserteurs van deoorlogsschepenvan alle mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed van die zeeschuimers[174]door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk.Carpena haddeopdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen, die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechtsweinigmoeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartierManderaggioniet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand. Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was. Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken. Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen schavuit geworden.Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij een zeker aantal helpers enmedeplichtigenmoest aanwerven, om eenige ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers, die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van[175]ruim vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen, en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte, die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde schatten!Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den ochtend van den 25stenAugustus ontving dokter Antekirrt een briefje, waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen glijden.Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van deFerratomet alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet geëindigd was.Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene hand op zijn arm rusten.[176]Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de oogen en bood hem een zakdoek aan.„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke kerel.Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich de oogen.En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder zijne geleende plunje.„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van zijne verbazing.„Grappenmaker, ja!.… Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge inderdaad mis!”Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen overgang:„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”„Ja, die is inderdaad bezig met.…”„Met wat?”„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van geheel Manderaggio.”„Voor wien?”„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een sluwen glimlach op het gelaat.„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en eenigermate ontstuimig.„Inderdaad.”De dokter zweeg een poos, om na te denken.De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die twee ellendelingen en Carpena?Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij zich niet bedroog.Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld, om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz. 184.)Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz.184.)Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor[178]waarop dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinenacrobaatniet ontging.„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.„Voor welke rooversbende?”„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”„Op Sicilië?.… Juist!.… dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet gij dat ook?”„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde Pescadospunt.„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in gedachten verzonken.Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het scheen, dat hij goede tijding gebracht had.Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene goede tijding voor dokter Antekirrt.„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste belangstelling.„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem van zelfvoldoening in zijn stem.„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast ongeloofelijk!”„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming aan.…”De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen Pescadospunt.„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij na een poos.„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet hoorde.„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort. „Gij zult er wel naar haken, niet waar?”„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde deacrobaatmet een gullen glimlach.„Past u? Wat bedoelt ge?”„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij zelven niet meer toe!”„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet, Pescadospunt.”[179]„Kom, gekheid!.… Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En ik wil haar goed vervullen.”„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.… Bedenk dat wel! Daar valt niet mede te schertsen.”„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde, ten einde zijne aandoening te verbergen.„Daarenboven,”ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn. Door die rol op zich te nemen, was deschranderejongen er in geslaagd, het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.Toen zij na eentientalminuten de zaken genoeg bepraat en overwogen hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander gezien wilden worden, te scheiden.Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in de groote haven eene sloep en keerde zoo naar hetkwartierManderaggioterug.Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee getrouwe vrienden verplicht te zijn.De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in zich zelven prevelen en herhalen:„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen, geen haar, of de duivel.…”De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.[180]
Het was dus de zoon van den visscher van Rovigno in Istrië, die daar zijn naam aan dokter Antekirrt medegedeeld had. Door een toeval, door eene bestiering der Voorzienigheid, was het Luigi[152]Ferrato, wiens behendigheid het stoomjacht met zijne passagiers en zijne geheele bemanning gered had, gered van een zekeren ondergang! Gered! Ja, toen deFerratode verderf aanbrengende rotsen reeds nabij was, en er schier reeds op zat!
De dokter was op het punt om Luigi om den hals te vliegen, ten einde hem in zijne armen te sluiten, hem te omhelzen.… maar hij hield zich in.… Hij bedacht zich.… Het zou graaf Mathias Sandorf geweest zijn, die zich zoo aan den aandrang van zijne gevoelens van dankbaarheid zou overgegeven hebben, en.… graaf Mathias Sandorf was dood, dood zelfs voor den zoon van Andreas Ferrato,.… dat mocht hij niet uit het oog verliezen.
Maar al was Piet Bathory ook door dezelfde redenen tot dezelfde terughoudendheid genoopt, hij zou ze vergeten hebben, wanneer dokter Antekirrt hem niet met een blik, met een enkelen oogopslag weerhouden had. Beiden daalden vervolgens de sierlijke trap van het achterschip af en gingen naar het salon, waarheen Luigi uitgenoodigd werd hen te volgen.
Toen zij daar aangekomen waren, wees hem de eigenaar van het schip een stoel en vroeg hem:
„Mijn vriend, zijt gij de zoon van een visscher, die in vroegere jaren te Rovigno in Istrië woonde?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde de jonge zeeman, terwijl hij dokter Antekirrt met open blik aankeek.
„Die Andreas Ferrato heette?” was de tweede vraag van den dokter, die dat gelaat welgevallig gadesloeg.
„Ja, mijnheer, mijn goede vader heette Andreas Ferrato. Hij was een Corsikaan van geboorte.”
„Hadt gij niet een zuster?”.… ging dokter Antekirrt met zijn onderzoek voort.
„Voorzeker, wij wonen te zamen, hier op het eiland te La Valletta, in deManderaggio.”
„Hoe heet uwe zuster?”
„Zij heet Maria.—Maar”, vroeg hij met eene merkbare aarzeling in zijne stem, „hebt gij mijn vader gekend?”
„Uwen vader!.…” antwoordde dokter Antekirrt en stokte, alsof hij zich bedacht.
Luigi Ferrato keek hem verwonderd aan. Hij kon zich die aarzeling niet goed verklaren.
„Uw vader,” ging de dokter eindelijk voort, „had eens—het is nu vijftien jaren geleden—eene schuilplaats in zijn woning te Rovigno verleend aan twee vluchtelingen. Die rampzaligen, die door zijne opoffering en toewijding niet konden gered worden, behoorden tot mijne vrienden, maar die toewijding heeft Andreas Ferrato de vrijheid en het leven gekost, daar hij ter zake van zijne menschlievende[153]handeling naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij gestorven is.…”
„Ja, hij is gestorven,” antwoordde Luigi, „maar zonder een oogenblik berouw gevoeld te hebben over hetgeen hij gedaan heeft.”
Antekirrt keek hem met doordringenden blik in de oogen en was op het punt iets te vragen.
„Dat kan ik betuigen, heer dokter,” voegde de jonge visscher er bij, zonder den blik neer te slaan.
De dokter greep den jongen man bij de hand, klemde die met de grootste aandoening in de zijne.
„Luigi,” sprak hij, „mij hebben mijne vrienden de taak achtergelaten, om die schuld der dankbaarheid, die zij jegens uwen vader aangegaan hebben, te delgen, wel te verstaan, wanneer zulks mogelijk ware. Sedert vele jaren heb ik getracht te vernemen, wat van u en uwe zuster Maria geworden was. Ik heb daartoe inderdaad hemel en aarde bewogen. Helaas, alles te vergeefs! Sedert uw vertrek van Rovigno had men uw spoor verloren en was dat maar niet terug te vinden. Dat God dus gedankt en geprezen zij, dat Hij u ter onzer redding hierheen zond! Het vaartuig, dat gij onder zoo gevaarvolle omstandigheden binnengeloodst hebt, draagt den naam vanFerratoter herinnering aan de moedige daad van Andreas Ferrato, uwen vader!.… Mijn kind, mijn jongen, laat ik u omhelzen! Laat ik den zoon van zulk een edel vader aan mijn hart klemmen!”
En terwijl dokter Antekirrt hem aan zijne borst drukte, voelde Luigi de tranen in zijne oogen schieten.
Bij dat roerende tooneel kon Piet Bathory zich ook niet meer bedwingen. Het was eene ontspanning van zijn geheel zielsbestaan, eene uitstorting van zijn geheele wezen, van heilige gevoelens, die hem naar dien jongen man, die nagenoeg van zijn leeftijd was, naar dien braven zoon van den visscher van Rovigno heensleurden. Op zijne beurt trad hij dan ook op den jongen visscher toe.
„En ik!.… en ik dan!.…” riep hij met uitgestrekte armen uit. „En ik!.… en ik dan!.…”
„Gij.… mijnheer?” vroeg Luigi bedremmeld, terwijl hij dien derden persoon in het gesprek verwonderd aankeek.
„Ja, ik.… ik de zoon van Stephanus Bathory! Ik, de zoon van een der martelaren!”
„Piet! Piet!” riep de dokter uit. Hij stak de hand uit, alsof hij Bathory’s mond wilde sluiten.
Maar het was reeds te laat; de beide jongelieden lagen in elkaars armen.Snikkendomhelsden zij elkander.
Zou dokter Antekirrt de bekentenis betreurd hebben, die aan Piet Bathory ontsnapt was?
Neen, volstrekt niet! Luigi Ferrato zou niet minder goed een geheim[154]weten te bewaren, dan dat Pescadospunt en Kaap Matifou deden. Aan zijn uiterlijk was onmiskenbaar te zien, dat men met een eerlijk man te doen had.
Aan Luigi werd toen alles medegedeeld, en vooral vernam hij welk doel dokter Antekirrt najoeg.
Een enkele bijzonderheid werd voor den jeugdigen visscher verzwegen, namelijk dat hij zich in tegenwoordigheid van graaf Mathias Sandorf bevond. Dat behoefde hij vooreerst niet te weten.
De dokter verlangde dadelijk bij Maria Ferrato gebracht te worden. Hij was ongeduldig om haar weer te zien; maar vooral om haar in haar karakter, in haar handel en wandel gade te slaan en te leeren kennen. Haar leven was ongetwijfeld een ellendig bestaan, daar zij door den dood van Andreas op zeer jeugdigen leeftijd zonder vermogen, zonder bijstand met een jongeren broeder ten hare laste achtergebleven was. Voor dien knaap, die te jong was om het verlies te beseffen, dat de beide kinderen geleden hadden, had zij vlijtig en onafgebroken moeten werken.
„Dat is goed, heer dokter” antwoordde Luigi, „laten wij dadelijk ontschepen, daar gij zulks verlangt. Maria moet thans zeer ongerust over mij zijn. Het is meer dan acht en veertig uren geleden, ja, waarlijk, meer dan twee etmalen, dat ik haar verlaten heb, om in de kreek van Melléah te gaan visschen, en zij kan meenen, dat mij gedurende den storm van heden nacht een ongeluk overkomen is! Het is inderdaad meer dan tijd, dat ik mij naar huis moet spoeden!”
„Houdt gij veel van uwe zuster?” vroeg dokter Antekirrt, aangedaan door den innig bewogen toon, waarop die woorden door den jongen Luigi uitgesproken waren.
„Zou ik niet, heer dokter?” antwoordde de jonge visscher, met iets vochtigs in de oogen.
„Zij is dan goed voor u?”
„Zij is mijne moeder en mijne zuster tegelijkertijd! En dat is zij mijn geheele leven lang geweest.”
Het eiland Malta, dat op ongeveer honderd kilometer van Sicilië gelegen is, behoort, geographisch gesproken, eerder tot Afrika dan tot Europa, hoewel het daarvan op twee honderd vijftig kilometers verwijderd ligt. Dat is een vraagstuk, hetwelk tot hartstochtelijke betoogen van den kant der aardrijkskundigen geleid heeft, en daartoe nog zeer lang aanleiding geven zal.
Maar wat er ook van aan zij, nadat het door Karel den Vijfde aan de Hospitaal-ridders geschonken was, die door Sultan Soleiman van het eilandRhodosverjaagd waren, en zich toen onder den naam van Malta-ridders vereenigden, behoort het nu aan de Engelschen, wien men het waarachtig moeielijk ontnemen zal, zoo sterk hebben die het gemaakt.[155]
Malta is een eiland, dat ruim acht en twintig kilometer lang en ongeveer zestien breed is. Het heeft La Valletta, met zijne ap- en dependentiën, tot hoofdstad en bezit vele andere steden, dorpen, gehuchten en vlekken, zooals de stad der voornamen of Citta Vecchia—eene soort van heilig woonoord, dat tijdens de ridders de zetel van den bisschop was;—verder Bosquetto, Dinghi, Zebug, Itardo, Berkercara, Luca, Farrugi, enz. enz. Het eiland is in zijn oostelijk gedeelte vrij vruchtbaar; daarentegen zeer onvruchtbaar in het westelijk gedeelte, zoodat dit een opmerkelijk contrast daarstelt, hetwelk zich merkbaar maar uiterst natuurlijk vertolkt, door de meerdere dichtheid zijner bevolking in het oosten.
Die bevolking evenwel bedraagt hoogstens slechts honderd duizend inwoners.
Wat de natuur voor dat eiland gedaan heeft, door in zijne kuststrooken vier of vijf havenkommen, die onder de fraaiste der geheele wereld kunnen gerekend worden, in te snijden, overtreft alles wat het sterkste brein zou kunnen uitdenken. Overal water, overal vooruitspringende punten, overal kapen en voorgebergten, overal hoogten geheel gereed om met vestingwerken, met redouten, met lunetten, met halvemanen en met batterijen overdekt te worden. De tempelridders hadden er dan ook reeds een oord van gemaakt, dat zeer moeielijk te veroveren zou zijn geweest; maar de Engelschen die het op listige wijze verkregen en het, in weerwil van het verdrag van Amiens, behouden hebben, hebben het geheel met militaire werken overdekt en derhalve volkomen onneembaar gemaakt.
Geen pantserschip kan, naar het schijnt, de toegangen van de vaarwaters van de Groote Mars of van de groote haven, evenmin als die van de Quarantaine of Mars-Muscatto forceeren. Daarenboven zoo’n schip zoude daartoe moeten kunnen naderen; maar thans staan aan de zeezijde twee kanonnen van honderd tonnen in batterij, die met hunne hydraulische werktuigen, om de lading te vergemakkelijken, en het richten te verzekeren, een projectiel van negen honderd kilogrammen op een afstand van vijftien kilometers schieten. Een kleine waarschuwing voor de Staten, die het betreuren, dat dit bewonderenswaardige station, hetwelk het middengedeelte der Middellandsche Zee beheerscht en dat al de vloten en smaldeelen van het Vereenigde Koninkrijk kan bevatten, in handen der Engelschen is gebleven.
Zeker zijn er bij zulk een staat van zaken Engelschen te Malta. Evenwel niet veel.
Er is een gouverneur-generaal, die in het oude paleis van den Grootmeester der Orde van de Maltezer ridders gevestigd is; er is een admiraal, bevelvoerder der marine en der havenplaatsen; men treft er ook een garnizoen van vijf of zes duizend manschappen aan.[156]Men vindt er ook Italianen, die er zich zoo gaarne te huis zouden willen gevoelen; vervolgens ook nog eene vlottende bevolking, die cosmopoliet is als die van Gibraltar; en eindelijk zijn er ook nog de Maltezers.
De Maltezers zijn Afrikanen. Dat is buiten kijf. In de havenkommen varen zij met hunne vaartuigen, die veelkleurig beschilderd, bevlagd en bewimpeld zijn; in de straten rijden zij met hunne rijtuigen langs wegen met duizelingwekkende hellingen; op de markten verkoopen zij vruchten, groenten, vleeschsoorten, visch, enz., en dat alles onder de bescherming van een lampje ter eere van een bont geschilderd heiligenbeeld en te midden van een oorverdoovend spectakel.
Men zou zeggen, dat daar alle mannen op elkander gelijken. Zij bezitten dezelfde gebruinde huidskleur, dezelfde zwarte eenigszins gekroesde haren, dezelfde vurige oogen, dezelfde middelmatige maar stevige en krachtige gestalte, dezelfde gebogen neus, die onwillekeurig aan het Semitische ras doet denken; dezelfde fijne dunne lippen, die zich onder een vrij langen knevel verschuilen.
Men zou zweren, dat alle vrouwen tot een en dezelfde verwantschap behooren, met hare groote oogen met lange wimpers, met haren donkeren haardos, met hare bekoorlijke handen, met hare fijn gevormde beenen, met haar lenig keurs, met hare zekere soort van „morbidessa”, gepaard aan eene blanke huidskleur, welke door de zon onder hare „falzetta,” een soort van manteltje van zwarte zijde, geheel naar de Tunische mode opgemaakt, en door alle klassen gedragen en tegelijkertijd tot kapsel, mantilje en zelfs tot waaier dienende, niet gebruind wordt.
De Maltezers bezitten in de volste mate het meest uitgebreide koopmansinstinct. Men ontmoet ze overal, waar wat te koopen of te verkoopen valt. Zij zijn arbeidzaam, spaarzaam, zuinig, nijver, matig; maar daartegenover zijn zij ook heftig, wraakzuchtig en jaloersch. Vooral het mindere volk geeft den opmerker gelegenheid hunnen volksaard gade te kunnen slaan. Zij spreken een soort plat taaleigen, waarvan het grondbestanddeel uit de Arabische taal bestaat, als een overblijfsel van de overheersching, die den val van het Romeinsche Keizerrijk ten gevolge had. Dat taaleigen is levendig, bezielend, schilderachtig en leent zich uitstekend tot overdrachtelijke uitdrukkingen, tot beeldspraak en vooral tot dichterlijke omschrijvingen. Het zijn onovertroffen zeelieden, wanneer men er in slaagt, hen in dienst te houden, en stoutmoedige visschers, die door de veelvuldige stormen in die zeeën gehard en met het gevaar volkomen vertrouwd gemaakt zijn.
Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)
Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, met miradores en met nissen. (Bladz. 158.)
Op dat eiland oefende Luigi thans zijn ambacht met dezelfde stoutmoedigheid uit, alsof hij Maltezer van geboorte ware, en het[158]was daar dat hij nu sedert bijna vijftien jaren met zijne zuster Maria Ferrato woonde.
La Valletta en hare onderhoorigheden, werd hierboven gezegd. En terecht, want er bestaan inderdaad zes steden op zijn minst, die zich achtereenvolgens langs de beide havenkommen van de Groote Mars en van de Quarantaine uitstrekken. Floriana, La Senglea, La Cospiqua, La Vittoriosa, La Sliema, La Misida zijn niet als voorsteden te beschouwen; men kan ze zelfs geen huizengroepen noemen die slechts door de behoeftige of arbeidende klasse bewoond zouden zijn. Neen, het zijn ware steden, met prachtige woningen, met hôtels en met kerken en kapellen, die iedere hoofdstad in het geheel geen oneer zouden aandoen. De geheele hoofdstad La Valletta telt vijf en twintig duizend zielen en biedt den verwonderden reizigers paleizen ter bewoning aan, die de „herbergen” van Provence, van Castilië, van Auvergne, van Italië en van Frankrijk genoemd worden. Grootscher en weelderiger kan het waarlijk niet! Het is evenwel slechts vervlogen grootheid.
Daar te La Valletta woonden dus broeder en zuster. Het ware evenwel juister uitgedrukt: onder La Valletta; want zij bewoonden een soort onderaardschkwartier, de Manderaggio geheeten, wiens ingang in de Strada San Marco aangetroffen wordt, en onder den beganen grond voert.
Daar was het hun gelukt, een verblijf te vinden, dat met hun schamel inkomen overeenkwam, en daar in dat krot bracht Luigi dokter Antekirrt en Piet Bathory, zoodra het stoomjacht ten anker was gekomen.
Alle drie ontscheepten, nadat zij honderden vaartuigen afgewezen hadden, die hen met dienstaanbiedingen overlaadden en lastig vielen, op de kade van de groote Mars-haven.
Zij traden toen de Marine-poort binnen en werden als het ware verdoofd door het geklingel en getjangel van verscheidene carillons, alsook door het geklep van verscheidene klokken, die als het ware de hoofdstad van het eiland Malta in een geluidrijken dampkring hullen. Nadat zij onder het dubbel gecasemateerde fort waren doorgegaan, hetwelk den hoofdingang verdedigt, klommen zij weer langs eene scherpe helling naar boven en sloegen een smalle straat in, die in den vorm van een trap langzaam naar boven steeg. Tusschen hooge huizen met groene vensterluiken, miradore’s en met nissen, waarin voor heiligenbeelden lampen ontstoken waren, kwamen zij tot voor de cathedraalkerk van Sint Jan, die te midden van het meest geraasmakende kwartier van het luidruchtigste volk der wereld gelegen is.
Toen zij den nok van dien heuvel, zoowat ter hoogte van de cathedraal bereikt hadden, daalden zij weder en sloegen den weg[159]in, die naar de Quarantaine-haven voerde. Daarna sloegen zij de Strada San Marco in, en hielden ter halverwege de helling voor een trap halt, die rechtsaf naar de onderaardsche diepten der stad voerde.
De Manderaggio is een stadskwartier, dat zich tot onder de wallen uitstrekt. Het heeft uiterst smalle straten, waarin de zon nimmer kan doordringen, hooge bruin-geelachtige muren, die met duizenden gaten doorboord zijn, welke den dienst van vensters moeten verrichten en waarvan een gedeelte aan de lucht vrijen toegang verleent, terwijl de anderen zwaar getralied zijn. Overal wenteltrappen, die naar wezenlijke mestvaalten afdalen, lage deuren, vochtig en smerig, als die der huizen eener Kasbah, ravijn-achtige mijngangen, sombere tunnels, die den naam van slop niet zouden verdienen. En bij al die openingen, bij al die luiken, bij al die vensters, op al die uit ’t lood hangende portalen, op al die wankelende traptreden krioelde eene afschrikwekkende bevolking: oude vrouwen met troniën als tooverkollen, moeders met bleek bloedarmig gelaat, verzwakt en uitgeteerd door den kwaden, stinkenden dampkring; meisjes van iederen leeftijd, schier half naakt en slechts in vodden en lompen gehuld, jonge ziekelijke kerels, die zich ook half naakt in de afzichtelijke modder wentelden; bedelaars, die de meest mogelijke, verscheidenheid van walgelijke wonden, of de meest afschuwwekkende wanstaltigheden te zien gaven, om maar tot medelijden en tot milddadigheid op te wekken; mannen, lastdragers of visschers, allen met woeste gelaatstrekken en dan ook in staat om iedere misdaad te begaan of iederen arbeid, hoe vies ook, te ondernemen. Te midden van dat wanstaltig gekrioel, stapten deftig eenige flegmatieke politiedienaren, die aan die onverkwikkelijke omgeving niet alleen gewoon, maar daarmede vertrouwd geraakt waren en daarmede omgingen als ware het geen modder. Een wareCour des Miracles, zooals Parijs in de middeleeuwen te zien gaf, maar thans overgebracht te midden der meest verbazingwekkende omgeving, welks vertakkingen uitkwamen op de getraliede openingen, die in de dikte der muren gebroken waren en uitzicht verleenden op de Quarantaine-kade, die in het verblindend zonlicht lag te schitteren en frissche lucht, door de heerlijke zeebries aangebracht, genoot.
In een der afzichtelijke woningen van dit kwartier, op de bovenste verdieping daarvan, woonden Maria en Luigi Ferrato. Daar hadden zij slechts twee vertrekken. Meer konden zij niet bekostigen.
Dokter Antekirrt werd wel is waar getroffen door de armoede, die dat ellendige verblijf verried, maar ook door de netheid en reinheid, die er in weerwil van die ellende heerschten. Men vond er overal de hand in terug van de zorgzame huismoeder, die vroeger[160]aan het hoofd van het huis van den visscher van Rovigno stond. Waarlijk, Maria Ferrato deed hare moeder geen oneer aan.
Toen de dokter en Piet Bathory binnentraden, stond Maria op, en op haren broeder toetredende:
„Mijn jongen!.… Mijn Luigi!” riep zij vroolijk uit. „Waar zijt gij toch zoo lang gebleven?”
Men begrijpt, hoe groot hare angsten moesten zijn geweest gedurende dien stormachtigen nacht.
Luigi omhelsde zijne zuster en stelde haar de personen voor, die hem vergezelden.
Dokter Antekirrt vertelde met weinige woorden en zoo beknopt mogelijk, onder welke omstandigheden Luigi zijn leven gewaagd had om een schip in nood te hulp te komen. Toen dat verhaal geëindigd was, noemde hij den naam van Piet, den zoon van Stephanus Bathory en sloeg daarbij het meisje aandachtig gade.
Terwijl de dokter sprak, bekeek Maria hem met zooveel oplettendheid, met zooveel geroerdheid zelfs, dat de dokter de vrees voelde ontkiemen, dat zij geraden had, dat hij graaf Mathias Sandorf was.
Maar dat was slechts als een bliksemschicht, die even snel, even spoedig in de schoone oogen van het jonge meisje uitdoofde, als hij verschenen was. Hoe zou zij na een tijdsverloop van vijftien jaren den persoon herkend hebben, die slechts gedurende weinige uren de gast van haren vader geweest was? Daarenboven was zij toen nog maar een kind te noemen.
De dochter van Andreas Ferrato was nu drie en dertig jaren oud. Zij was nog steeds zeer schoon, zoowel door de zuiverheid van de lijnen harer gelaatstrekken als door de vurigheid van hare groote oogen. Eenige zilverdraden te midden van haren gitzwarten haardos verkondigden genoegzaam, dat zij meer van de hardheid van het noodlot geleden had, dan dat zij gebukt ging onder den last der jaren. De ouderdom kon natuurlijk niet in rekening gebracht worden bij het beschouwen van die vroegtijdige verkleuring van haren. Die was te wijten aan de moeite, aan de rampen, aan het lijden, aan de ontberingen, die sedert den dood van den visscher van Rovigno, het hoofd moesten geboden worden. En waarlijk, het meisje had sedert dien ongelukkigen stond treurige dagen doorgebracht.
„Uwe toekomst en die van Luigi zijn thans onze zaak,” zei dokter Antekirrt bij het eindigen van zijn verhaal. „Thans zult gij onbezorgd het leven kunnen genieten.”
Beidekinderen van Andreas Ferrato glimlachten en keken de twee mannen hoopvol aan.
„Waren mijne vrienden niet de schuldenaars van uwen vader?” sprak dokter Antekirrt met aandoening.[161]
Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria. (Bladz. 166).Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria.(Bladz. 166).
Middelerwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria.(Bladz. 166).
[162]
„Dat waren zij!” antwoordde Piet Bathory met ernstige stem. „Dat valt niet te ontkennen.”
„Gij zult dus toestaan, Maria,” vroeg dokter Antekirrt, „dat Luigi ons niet meer verlaat?”
„Heeren,” antwoordde Maria, „mijn broeder heeft slechts volvoerd, wat hij doen moest.”
Luigi knikte met het hoofd. Zijne zuster gaf zijne gedachten in woorden vorm.
„Hij heeft slechts zijn plicht gedaan,” ging zij voort, „toen hij u ter hulp snelde, en ik dank den hemel, dat hem die goede gedachte werd ingegeven. Hij is de zoon van een man, die slechts ééne zaak ter wereld kende, namelijk: zijn plicht; en die bij het volvoeren van dien plicht het leven verloren heeft.”
„En wij kennen ook slechts één plicht, niet waar, Piet Bathory,” sprak dokter Antekirrt bewogen, „namelijk dat het onze plicht en ons recht is daarenboven, om onze dankbaarheidsschuld te kwijten aan de kinderen van hem, die.…”
Hij bleef steken. Zijne aandoening overmeesterde hem. Hij kon niet verder. Het was of zijn keel dichtgeschroefd was.
Maria keek hem op nieuw oplettend aan en die blik doorboorde hem als het ware. Hij meende te veel gezegd te hebben, waarlijk dat jonge meisje scheen hem te herkennen. Althans zij bracht hem geheel van streek.
„Maria,” hernam toen Piet Bathory, „gij zult Luigi toch niet willen beletten, mijn broeder te zijn?”
„En gij, gij zult niet weigeren mijne dochter te zijn?” vulde dokter Antekirrt aan, terwijl hij haar de hand toestak.
Maria moest toen haren levensloop van af hun vertrek van Rovigno verhalen, hoe haar bestaan door de bespieding der Oostenrijksche agenten en spionnen ondragelijk gemaakt werd; waarom zij op de gedachte gekomen was, om naar Malta te trekken, waar Luigi gelegenheid zoude vinden, om zich, terwijl hij visscher bleef, in het zeemansvak al meer en meer te bekwamen. Dat alles verhaalde de wakkere zuster; zoo ook hoe zij die lange, lange jaren doorgebracht hadden, die voor hen beiden een eindeloozen en hopeloozen strijd vertegenwoordigden tegen de ellende; want hetweinige, dat zij bezeten hadden, was al zeer spoedig verteerd.
Maar Luigi wedijverde weldra niet alleen in stoutmoedigheid, maar ook in behendigheid met de Maltezers, wier roem als koene zeelieden overal langs de boorden der Middellandsche zee verspreid is.
Evenals die mannen was Luigi een bewonderenswaardig zwemmer, zoodat hij zich inderdaad zou hebben kunnen meten met dien befaamden Nicolo Pescci, geboren te La Valletta, die, zoo als verhaald[163]wordt, depêches bracht van Napels naar Palermo, terwijl hij de Eolische zee moest overzwemmen en daarbij geen andere bakens had, om zich op te richten, dan het eiland Stromboli, dat hij links moest laten liggen, en de Monte Peregrino, waarop hij rechtstreeks af moest gaan. Hij vond het dan ook niets moeilijk, om jacht te maken op die watervogels en wilde duiven, wier nesten gezocht moesten worden binnen de onbereikbare grotten, welker nadering door de branding der zee steeds zoo gevaarlijk, soms geheel onmogelijk gemaakt wordt.
Luigi was een stoutmoedig visscher. Nimmer was hij met zijn vaartuig teruggedeinsd voor eene windvlaag of voor een uitschieter, wanneer het gold zijne netten te gaan werpen of zijne vischlijnen uit te zetten. En het was onder die omstandigheden, dat hij zich den vorigen nacht in eene kreek van het eiland Melléah voor den storm had moeten bergen, toen hij de signalen vernam van het stoomjacht, dat inderdaad in vreeselijken nood verkeerde.
Maar te Malta zijn de zeevogels, de visschen, de schelpdieren, de weekdieren zoo overvloedig, dat dit zijn invloed op de prijzen doet gevoelen, zoodat het visschersbedrijf daar geen voordeelig baantje kan genoemd worden. In weerwil van al zijn vlijt en al zijne inspanning had Luigi dan ook veel moeite, om in de behoeften van het kleine huisgezin te voorzien, hoewel Maria van haren kant hem wakker ter zijde stond, door zich vlijtig met naaiwerk onledig te houden. Om het zeer bescheiden budget te kunnen bestrijden, hadden die beiden dan ook hunne toevlucht in het kwartier Manderaggio moeten zoeken, waar de onkosten voor huishuur uiterst bescheiden waren. En dat kwam hen wel te pas.
Terwijl Maria dien levensloop verhaalde, kwam Luigi uit zijne kamer, waarbinnen hij voor een oogenblik getreden was, en hield een brief in de hand. Het waren de weinige regelen, die Andreas Ferrato vóór zijn verscheiden geschreven had.
„Maria,” werd daarin gezegd, „op mijn doodbed beveel ik u uwen broeder aan! Weldra zal hij niemand anders meer bezitten in de wereld, om voor hem te zorgen, dan u. Over hetgeen ik gedaan heb, lieve kinderen, gevoel ik geen berouw hoegenaamd; tenzij de teleurstelling als zoodanig opgenomen kan worden, dat ik in mijne poging niet geslaagd ben, zelfs met opoffering van mijne vrijheid en van mijn leven, om hen te redden, die zich aan mij toevertrouwd hebben! Wat ik gedaan heb, zou ik thans nog doen.
„Vergeet nimmer uwen vader, die alvorens naar hoogere gewesten over te gaan, niet nalaten kan, u nogmaals een bewijs van zijn liefde te doen toekomen! Maria, verlies uwen broeder nimmer uit het oog! Vergeet uwen vader niet!
„Andreas Ferrato”.[164]
Bij het lezen van dat briefje kon Piet Bathory zijne aandoening niet weerhouden en deed daartoe dan ook geene pogingen. Dokter Antekirrt wendde het gelaat af, om aan den doordringenden blik van Maria, die hem als het ware zocht, te ontkomen.
„Luigi!” sprak hij plotseling met eene gemaakte ruwheid in den toon zijner stem, die de anderen deed opzien.
„Wat verlangt gij van mij?” vroeg de jeugdige visscher.
„Uw vaartuig is bij het aan boord loopen van het jacht dezen nacht verbrijzeld geworden, niet waar?”
„Het was reeds oud en versleten, heer dokter,” antwoordde de jonge zeeman verontschuldigend.
„Maar, toch.… Het was uwe eenige bezitting, niet waar? Uwe broodwinning?”
„Voor ieder ander dan voor mij zou het geen noemenswaardig verlies zijn,” antwoordde Luigi.
„Dat kan zijn, Luigi. Maar juist, juist voor u is het zeker een groot verlies.”
„Het is zoo, heer. Maar wat is daaraan te doen? Het is hier de plaats om te zeggen: de Heer heeft gegeven.…”
„Maar gij zult mij veroorlooven, om dat gezonken vaartuig door een ander te vervangen.”
„Door een ander? Maar, heer dokter, het was oud en versleten. En daarom mag ik.…”
„Zwijg,.… ja,.… door een ander, en wel door dat, hetgeen gij gered hebt. Dat zal wel de beste oplossing zijn.”
„Wat.… gij wilt?.… Maar zoo iets is niet mogelijk!.… Zooietsis ongehoord!.…”
„Wilt gij eerste officier zijn aan boord van deFerrato?.… Wilt ge?”
„Maar.Hoe kan dat?”
„Ik heb een man noodig,” ging dokter Antekirrt voort, „die jong, ijverig en goed zeeman is.”
„Maar, heer dokter!.…” herhaalde de jonge zeeman met verrukten blik, maar met twijfel in zijne stem.
„Neem aan, Luigi, neem aan! neem aan!” riep Piet Bathory uit. „Neem aan, Luigi!.… Wat de dokter u biedt, is welgemeend.”
„Maar.… mijne zuster?.…” prevelde de zeeman nog tegenspartelende. „Mijne zuster?.…”
„Ja juist, zijne zuster?.…” vroeg Piet Bathory op zijn beurt.
„Waar moet die blijven?”
„Uwe zuster,” antwoordde de dokter, „zal deel uitmaken van die groote familie, die te Antekirrta gevestigd is. Uw beider bestaan, uw lot behoort mij voortaan, en ik zal het zoo gelukkig maken, dat gij, behalve het verlies van uwen vader, niets ten opzichte van het[165]verleden te betreuren zult hebben. Hebt gij beiden goed verstaan?”
„Heer dokter!” riep Maria uit. „Is het mogelijk?.… Zoo’n toekomst!.… En dat voor ons?.…”
„Heer dokter!” sprak Luigi, zonder zijne aandoening te kunnen bedwingen, waartoe hij trouwens geen moeite aanwendde.
Hij greep hartstochtelijk de handen van dokter Antekirrt, drukte ze, kuste ze, terwijl zijne zuster Maria hare dankbaarheid slechts door hare tranen kon toonen, die dan ook overvloedig vloeiden.
„Heer dokter!” herhaalden beiden, terwijl zij hem bewogen de hand drukten.
„Ik wacht u morgen aan boord!” zei dokter Antekirrt, terwijl hij zich aan die dankbaarheidsbewijzen ontwrong.
„Morgen?”
„Ja,” knikte dokter Antekirrt, zonder een enkel woord te kunnen spreken.
En onvermogend om zijne aandoening langer te bedwingen, stormde hij het vertrek uit, na eerst Piet Bathory een teeken gegeven te hebben, om hem dadelijk te volgen.
„Oh!” zei hij toen hij buiten was tot dezen, „zulke oogenblikken zijn heerlijk, mijn zoon!.…”
„Ja, heerlijk!” bevestigde Piet. „Vooral, niet waar, nu het zulke edele harten geldt.”
„En wat doet het goed, te kunnen beloonen!” vulde dokter Antekirrt aan.
„Ja, beter dan te moeten straffen! Och, dat het in de wereld niet anders ware!”
„Dat is waar!.… Dat zou wenschelijk zijn. Maar.… waar noodig, moet gestraft worden!” antwoordde dokter Antekirrt ernstig.
Den volgenden ochtend zat de dokter aan boord Maria en Luigi Ferrato af te wachten.
Kapitein Köstrik had reeds alle noodige beschikkingen getroffen, opdat de herstellingen aan de machine van het stoomjacht binnen den kortst mogelijken tijd en zonder uitstel of vertraging te ondervinden, uitgevoerd werden. Dank zij de hulp van de heeren Samuel Grech en Cie., scheepsagenten, wonende op de Strada Levante te La Valletta, aan welke firma het schip geconsigneerd was geweest, spoedde de arbeid onvertraagd voort. Toch werden vijf of zes dagen voor die herstelling vereischt; want men moest de luchtpomp geheel en al, en de condensor, wiens pijpen onvoldoende werkten, gedeeltelijk uit elkander nemen, om de herstelling afdoend uit te voeren.
Die vertraging kon niet anders dan dokter Antekirrt zeer teleurstellen; want hij was toch zeer ongeduldig om op de Siciliaansche kust aan te komen. De lezer weet waarom.
Een oogenblik dacht hij er aan, om zijne goeletSavarenanaar[166]Malta te doen komen; maar daarvan zag hij toch af. Het was inderdaad veel beter eenige dagen langer te wachten, om Sicilië niet anders aan te doen dan met een snelstoomend en goed gewapend vaartuig, waarop in tijd van nood te rekenen viel. Eevenwel werd als voorzorgsmaatregel en om niet overvallen te worden door gebeurlijkheden die voorkomen konden worden, een telegram afgezonden langs den overzeeschen telegraafkabel, die Malta met Antekirrta in verbinding stelde. Door middel van dat telegram werd bevel gegeven aan deElectriek2, om onmiddellijk op de kust van Sicilië tusschen kaap Portio di Palo en Kaap Murro di Porio te gaan kruisen.
Een sloep bracht tegen negen uur in den voormiddag Maria Ferrato en haren broeder aan boord van het stoomjacht. Beiden werden door dokter Antekirrt met blijken van de grootste hartelijkheid ontvangen.
Luigi werd vervolgens aan den gezagvoerder, aan de stuurlieden en aan de bemanning van het stoomjacht in zijne nieuwe functie van eersten officier aan boord voorgesteld. De titularis, die tot dusverre die betrekking vervuld had, zou aan boord van deElectriek2 overgaan, zoodra dat vaartuig op de zuidkust van Sicilië aangekomen zou zijn.
Als men Luigi aankeek, dan kon men zich in den jongen man niet vergissen: het was een zeeman van top tot teen. Wat zijn moed en zijne stoutmoedigheid betreft, iedereen kon zich daarvan een goed denkbeeld vormen; want iedereen wist en had gezien, hoe bedaard en onverschrokken hij zes en dertig uren vroeger in de baai van Melléah gehandeld, hoe hij het stoomjacht van den ondergang gered had. Hij werd dan ook door alle opvarenden van ganscher harte toegejuicht. Daarna werd hij door zijn vriend Piet en door kapitein Köstrik door het geheele schip, dat hij in alle zijn bijzonderheden wenschte te bezichtigen, rondgeleid. Laatstgenoemde stond er op, om bij die gelegenheid de eer van zijn schip op te houden. Die bezichtiging beviel den jeugdigen zeeman bovenmate, hetgeen niet te verwonderen was, want deFerratowas een prachtig schip.
Midderwijl onderhield dokter Antekirrt zich met Maria en sprak haar over haren broeder in bewoordingen en uitdrukkingen, die haar hart diep moesten treffen.
„Ja!.…” zei ze, „het is geheel zijn vader! Zoowel wat zijn uiterlijk als zijne inborst betreft.”
Op het voorstel, dat haar door den dokter gedaan werd, hetzij om aan boord te blijven tot aan het einde van den voorgenomen tocht, hetzij om direct naar Antekirrta, werwaarts hij haar aanbood haar te doen overbrengen, vroeg Maria om haren broeder bij voorkeur tot Sicilië te mogen vergezellen. Toen werd overeengekomen, dat zij van het oponthoud van deFerratoin de haven van La Valletta[167]gebruik zouden maken, om hare zaken in orde te brengen, om de weinige meubels en voorwerpen te verkoopen, die als aandenken geen waarde voor haar en haren broeder hadden, om eindelijk hetweinige, wat zij bezaten, te gelde te maken, ten einde haren intrek in hare hut aan boord daags vóór het ankerlichten te kunnen betrekken.
Dokter Antekirrt had voor Maria niet verheeld, welke plannen hij vervolgen wilde, totdat zij geheel en al volvoerd zouden zijn. Een gedeelte daarvan was reeds volbracht, daar de kinderen van Andreas Ferrato zich om de toekomst niet meer te bekommeren hadden. Maar de moeielijkste taak bleef nog over.
Er bleef toch nog over aan den eenen kant om op te sporen, waar Silas Toronthal en Sarcany zich ophielden, en aan den anderen kant moest getracht worden zich van Carpena meester te maken.
Dat moest geschieden en dat zou geschieden! Dokter Antekirrt had het bezworen!
Wat de beide eerstgenoemden betrof, rekende de dokter er op, dat hun spoor wel in Sicilië weer te vinden zoude zijn. Want daarheen, meende hij, zouden zij wel getrokken zijn.
En, wat den andere betrof, ja.… men zou zien, men zou zoeken en zoeken tot men hem gevonden had!
Toen het onderhoud zoo ver gevorderd was, vroeg Maria, of zij den dokter afzonderlijk konde spreken.
„Wat ik u mede te deelen heb,”zei ze, toen de dokter zich aan de deur van het salon overtuigd had, dat niemand hen kon hooren,„heb ik zelfs voor mijn broeder verborgen gehouden. Hij zou zich niet hebben kunnen bedwingen en voorzeker zouden nieuwe rampen ons overvallen en getroffen hebben. Ziehier, wat ik u mede te deelen heb.”
„Laat hooren, mijne dochter,” sprak de dokter. „En schenk mij uw geheele vertrouwen.”
„Maar, kan Luigi.…?” vroeg Maria Ferrato angstvallig. „Kan Luigi niet komen?”
„Luigi bezichtigt op dit oogenblik het volkslogies vooruit,” antwoordde de dokter. „Kom, ik zal de deur van het salon sluiten, dan kunt gij spreken, Maria, zonder gevaar dat iemand u hooren kan.”
Toen de deur behoorlijk gegrendeld was, namen beiden plaats op een divan en hernam Maria:
„Carpena is hier, heer dokter! Gij behoeft hem dus inderdaad niet ver te zoeken.”
„Hier?”.… vroeg dokter Antekirrt, ten uiterste verbaasd over dien samenloop van omstandigheden.
„Ja!”
„Hier, te Malta? Hoe is dat mogelijk? Vergist gij u niet, Maria?[168]Bedenk u goed.”
„Neen, ik vergis mij niet. Hij is hier en dat reeds sedert eenige dagen, heer dokter.”
„Hier, te La Valletta?”
„Ja!”
„Hoe is het toch mogelijk? Voor mij is het schier ongeloofelijk! Spreek dan toch, Maria!”
„Hij is hier te La Valletta en in het kwartier Manderaggio, waar wij wonen en waar gij u thans bevindt!”
„Weet gij het wel zeker?” vroeg de dokter steeds ongeloovig, terwijl de twijfel op zijn gelaat te lezen was.
„Ja, zeer zeker!”
Dokter Antekirrt was zeer verwonderd, maar zeer vergenoegd tevens over hetgeen hij vernam. Hij dacht een oogenblik diep na en vervolgde toen met ernstige stem:
„Gij vergist u niet, Maria!” vroeg hij met aandrang en bracht de handen als smeekend te zamen.
„Neen, ik vergis mij niet!” zei het jonge meisje op beslisten toon. „Neen, ik vergis mij niet.”
„Inderdaad, het is vreemd; vreemder dan ik betuigen kan en als ik u zou kunnen doen vatten.”
„Het gelaat van dien man is onuitwischbaar in mijn geheugen gebleven. Honderd jaren en meer zouden hebben kunnen voorbijsnellen, dat ik geen oogenblik zoude geaarzeld hebben, om hem te herkennen.… Geloof mij, hij is hier.”
„En, Luigi weet er niets van?” vroeg dokter Antekirrt, terwijl hij het meisje aandachtig aankeek.
„Neen, heer dokter.… Dat kan ik u stellig verzekeren. Neen, Luigiweet er niets van.”
Het was evenwel, alsof zij aarzelde met haar verhaal voort te gaan. Dokter Antekirrt moest haar daartoe aanmoedigen.
„Ga voort, Maria,” zei hij, „en verberg mij in Godsnaam niets! Niets, hoort ge, niets.”
„Gij begrijpt, heer dokter, dat ik dat verschijnen van Carpena voor hem geheim moest houden.”
„Waarom?”
„Hij zou dien Carpena opgezocht hebben.… Daaromtrent bestaat bij mij geen twijfel. En.…”
„En?” moedigde dokter Antekirrt het jonge meisje aan. „En?… Ga dan toch voort!”
„Hij zou hem uitgedaagd hebben, en wellicht.… zouden zij gevochten hebben.”
„Gij hebt goed gehandeld, Maria! Neen, gij moet niets zeggen. Die man behoort mij alleen toe! Maar.…”[169]
Catania.Catania.
Catania.
[170]
„Maar, wat, heer dokter?”
„Meent ge, dat die Carpena u herkend heeft? Er zijn sedert die zaak van Rovigno zoovele jaren heengegaan.”
„Of hij mij herkend heeft, weet ik niet,” antwoordde Maria. „Ik heb hem twee of drie malen in de straten en stegen van het Manderaggio-kwartier ontmoet. Telken male keek hij mij scherp aan en keerde zich zelfs om, om mij met zekere achterdochtige oplettendheid na te kijken. Als hij mij gevolgd is, als hij mijn naam gevraagd heeft, dan moet hij weten, wie ik ben. Is dat niet zoo, heer dokter? En zoudt gij er aan twijfelen dat hij naar mij geïnformeerd zoude hebben?”
„Heeft hij getracht u te naderen? Heeft hij u ooit aangesproken of trachten aan te spreken?”
„Nooit.”
„En kunt ge gissen, om welke redenen hij te La Valletta gekomen is? Malta is toch zijn vaderland niet?”
„Neen, heer dokter, en ook weet ik niet, wat hem hierheen heeft gevoerd. Het kan niet veel goeds zijn.”
„Of weet ge wat hij sedert zijne komst hier uitvoert?” drong dokter Antekirrt verder aan.
„Alles wat ik weet te zeggen,” antwoordde Maria Ferrato, „is dat hij zich te midden van het verfoeielijkste gedeelte van de bevolking van de Manderaggio steeds ophoudt. Hij verlaat de meest verdachte kroegen schier niet, noch bij nacht, noch over dag. Hij kiest daar zijn gezelschap te midden van de grootste en de meest bekende schurken. Daar het geld hem niet schijnt te ontbreken, komt het mij voor, dat hij bezig is met bandieten van zijne soort te ronselen, om met hunne hulp de een of andere slechte daad te kunnen uitvoeren.”
„Hier, meent ge, Maria? Een slechte daad op het eiland Malta?” vroeg dokter Antekirrt.
„Dat heb ik niet kunnen vernemen, heer dokter, en ook niet beweerd.”
„Niet?”
Het gelaat van den dokter was peinzend. Zijne oogen tuurden in het ijle, alsof zij iets zochten.
„Neen,” antwoordde het meisje.
„Dat is jammer; maar ik zal het wel vernemen. Laat dat maar aan mij over. Mijne middelen falen zelden of nooit.”
Piet Bathory en de jeugdige visscher klopten op dat oogenblik aan de deur, waardoor het onderhoud een einde nam.
„Welnu, Luigi,” vroeg dokter Antekirrt, toen de beide jongelieden binnengetreden waren, „heeft Piet u overal rondgeleid en zijt gij voldaan over hetgeen gij gezien hebt?”
„O ja, heer dokter!” antwoordde Luigi Ferrato opgetogen en vol bewondering. „Zeker ben ik voldaan.”[171]
„En, wat verder? Komaan, biecht op! Een zeeman zooals gij, moet zijne oogen bij zoo’n bezoek gebruikt hebben.”
„DeFerratois een bewonderenswaardig vaartuig!” antwoordde Luigi.
„Het doet mij genoegen, dat het stoomjacht u bevalt,” antwoordde de dokter, „daar gij er tweede bevelhebber op zult wezen, in afwachting dat de gelegenheid zich zal voordoen, om van u een kapitein te maken.”
„O, mijnheer.…”
„Mijn waarde Luigi,” hernam Piet Bathory, „vergeet niet, dat wanneer dokter Antekirrt iets voorspelt, het altijd uitkomt! Zijne menschenkennis is zoo groot, dat hij zich nimmer vergist.”
„Ja, altijd uitkomt, Piet; maar zeg daarbij, dat Gods bijstand mij steeds nabij is,” sprak de dokter hoogst ernstig.
Maria en Luigi namen afscheid van dokter Antekirrt en van Piet Bathory, om naar hunne kleine woonvertrekken terug te keeren. Er werd overeengekomen, dat Luigi zijn dienst van eersten officier niet eerder zou aanvaarden, dan nadat zijne zuster Maria haren intrek aan boord zoude genomen hebben. Maria mocht niet alleen in het kwartier Manderaggio verwijlen, daar het, alles wel beschouwd, toch mogelijk was, dat Carpena haar als de dochter van Andreas Ferrato herkend had. In dat geval zouden wraakzuchtige oogmerken voorzeker niet uitblijven.
Toen broeder en zuster vertrokken waren, liet dokter Antekirrt Pescadospunt roepen, dien hij in tegenwoordigheid van Piet Bathory wenschte te spreken.
Pescadospunt verscheen onverwijld en stond daar in de houding van iemand, die steeds gereed bevonden wordt, om een bevel te ontvangen, maar even gereed is om het uit te voeren.
„Pescadospunt,” zei de dokter, „ik zal uwe hulp noodig hebben, en reken er derhalve op.”
„Dat kunt gij voorzeker en in volle vertrouwen, heer dokter; maar hebt gij mij alleen noodig?”
„U alleen.”
„En Kaap Matifou? Mijn arme reus verveelt zich ontzettend.… Ik hoop toch, dat.…”
„Neen, eerst gij.”
„Wat moet ik doen? Ik ben geheel tot uw dienst, heer dokter. Spreek, wat moet ik doen?”
„Dadelijk ontschepen. Gij zijt daartoe toch gereed, hoop ik?”
„Mooi. Bekommer u daaromtrent niet. Ik ben al aan den wal.”
„Gij moet u naar Manderaggio, een der onderaardsche kwartieren van La Valletta begeven.”
„Goed. Ik ben er reeds in gedachten, heer dokter. Watverder.[172]Wat moet ik er uitvoeren?”
„Gij moet er in een of ander logement eene kamer, een krot zoeken. Liefst in de gemeenste herberg van de plaats.”
„In orde. Ik heb goed verstaan, heer dokter. Ik zal daaraan stipt voldoen, dat verzeker ik u.”
„Daar zult gij de handelingen moeten gadeslaan van een man, dien ge geen minuut, geen seconde uit het oog moogt verliezen. Het is zeer belangrijk. Hebt ge goed verstaan?”
„Voorzeker, heer dokter, ik ben gelukkig niet doof en ook niet dom. Maar wat verder?”
„Niemand mag zelfs gissen, dat wij elkander kennen. Ik moet voor u geheel en al een vreemdeling zijn.”
„Zoo, zoo! Als dat uw wil is?.… Ik moet evenwel erkennen, dat dit de zaak moeilijk maakt.”
„Gij moet desnoods u verkleeden, u geheel en al onkenbaar maken. Dat zult ge toch wel kunnen?” vroeg de dokter met een glimlach.
„Mooi zoo, laat dat maar aan mij over! Ik zal mij verkleeden als voor een vastenavondbal!”
„Men heeft mij medegedeeld, dat de man, die het hier betreft, de slechtste en gemeenste knapen van de geheele Manderaggio tracht aan te werven door middel van veel geld.”
„Misschien is het wel een ronselaar voor de een of andere koloniale mogendheid, misschien wel voor Nederland?”
„Luister nu, en staak je geestigheden. Men weet niet voor wiens rekening en voor welk werk die aanwerving geschiedt. Alles gaat daarbij zeer geheimzinnig toe.”
„Zoo zoo!”
„En het is dat geheim, hetwelk ge moet uitvisschen. Hebt gij mij begrepen, Pescadospunt?”
„Ik heb u begrepen, heer dokter, en ik zal het te weten komen. Dat zal zoo moeielijk niet zijn,” antwoordde de kleine schrandere man.
„En als ge vernomen zult hebben, wat ge weten wilt, dan moet ge niet naar boord terugkeeren.”
„Niet?”
„Neen, de voorzichtigheid gebiedt dat; want ge zoudt kunnen gevolgd worden, niet waar?”
„Dat is zoo, heer dokter.”
„Gij zult slechts een klein briefje op de post te La Valletta bezorgen, om mij te waarschuwen. Ik zal dan des avonds met u aan het andere uiteinde van de voorstad La Sanglea te zamen komen.”
„Mooi bedacht,” zei Pescadospunt, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef.
„Daar zal ik u dan aantreffen.”
„Dat is afgesproken, maar.…”[173]
„Maar wat?” vroeg dokter Antekirrt.
„Hoe zal ik dien man herkennen? Ik zal toch eenige gegevens dienen te hebben omtrent hem!”
„Dat herkennen zal niet moeielijk zijn. Gij zijt zeer schrander, mijn vriend.…”
„O, heer dokter!” zei Pescadospunt op bescheiden toon. „Gij zoudt waarlijk iemand verlegen maken.”
„En ik reken op die schranderheid,” ging de dokteronverstoorbaarvoort.
„Maar kan ik ten minste den naam van dien gentleman vernemen? Kent gij dien heer, dokter?”.
„Zijn naam? Wel zeker ken ik dien!”
„Hoe heet hij dan?”
„Carpena.”
„Wat.… Carpena?” riep Piet Bathory, toen hij dien naam hoorde, uit. „Is die Spanjaard hier?”
„Ja,” antwoordde dokter Antekirrt, „en hij woont in hetzelfde kwartier, waar wij de kinderen weergevonden hebben van Andreas Ferrato, van den man, die door zijn toedoen naar het bagno gezonden werd en waar hij den dood gevonden heeft!”
De dokter verhaalde hem toen alles, wat Maria medegedeeld had, terwijl Piet Bathory met Luigi het stoom jacht bezichtigde. Pescadospunt begreep toen, hoe belangrijk het was, dat de dokter een helder inzicht in den toeleg van den Spanjaard verkreeg. Ongetwijfeld voerde die een duister en misdadig plan in het schild en was hij bezig de middelen ter uitvoering in de gemeenste holen van La Valletta op te sporen. Dat was duidelijk en helder als de dag.
Een uur later verliet Pescadospunt het stoomjacht. Om des te beter ieder bespiedingsstelsel te kunnen ontgaan, wanneer hij namelijk gevolgd zou worden, begon hij met door die lange Strada Reale te drentelen, die van het fort Sint Elmo tot aan de voorstad La Floriana zich uitstrekt. Eerst toen de avond gevallen en het vrij donker geworden was, richtte hij eindelijk zijne schreden naar het stadkwartier Manderaggio.
Inderdaad, om eene bende schurken aan te kunnen werven, geheel gereed om alles te ondernemen, zoowel doodslag als plundering, was geen geschikter oord aan te wijzen, en het zou nergens beter gevonden kunnen worden, dan in dat Capharnaüm van die onderaardsche stad. Er werden daar mannen van alle streken, van iederen landaard, zoowel van het westen als van het oosten aangetroffen. Er waren daar gedrosten van de koopvaardijschepen en deserteurs van deoorlogsschepenvan alle mogelijke zeevarende natiën; maar vooral bevonden zich daar Maltezers van het ellendigste gehalte, echte sluipmoordenaars, wien nog het bloed van die zeeschuimers[174]door de aderen stroomde, die hunne voorouders zoo gevreesd maakten ten tijde der barbaarsche strooptochten in de Middellandsche zee en zelfs buiten Straat Gibraltar tot op de kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk.
Carpena haddeopdracht, om een dozijn vastberaden kerels op te sporen, die tot alles in staat waren en voor niets terugdeinsden. Daar in dat dievenhol had hij kies en keur en kostte de keuze slechtsweinigmoeite. Sedert zijne aankomst te La Valletta verliet hij dan ook de kroegen in de gemeenste straten en stegen van het kwartierManderaggioniet. Daar kwamen de klanten, die hij opspoorde, hem opzoeken. Dat viel hem gemakkelijk genoeg en ging hem dan ook vlug van de hand. Pescadospunt had dus volstrekt geen moeite om hem uit te vinden. Maar het was niet gemakkelijk uit te vorschen, voor wiens rekening de Spanjaard handelde en vanwaar het geld kwam, dat hij niet spaarde.
Klaarblijkelijk behoorde hem dat geld niet. Het was reeds jaren geleden, dat de premie van vijfduizend gulden, verdiend door en ontvangen na de zaak te Rovigno, verbrast, verspild en opgemaakt was. Carpena, die na zijne verklikking door de algemeene verachting uit Istrië verjaagd en van al de zoutpannen van de geheele kuststrook der Adriatische zee geweerd was geworden, was de wijde wereld ingetrokken. Zijn geld was zoo spoedig mogelijk verdwenen, en van arm, zooals hij voorheen was, verviel hij nu in nog veel ellendiger toestand. Hij was nu leeglooper, bedelaar, landlooper, in één woord: een volslagen schavuit geworden.
Wat geen der lezers verwonderen kan, is dat hij thans in dienst stond van eene vreesverwekkende vennootschap van boosdoeners, voor wie hij een zeker aantal helpers enmedeplichtigenmoest aanwerven, om eenige ontbrekende schavuiten aan te vullen, die met den strop des scherprechters reeds kennis hadden gemaakt en zoo voor hunne misdaden beloond waren geworden. Dat was het doel, waarom hij zich te Malta en in het bijzonder in het kwartier Manderaggio bevond. Hij was daar waarlijk op de geschiktste plaats, dat moest erkend worden!
Naar welk oord zou hij, na geslaagd te zijn, zijn aangeworven bende moeten voeren? Carpena, die uiterst wantrouwend was jegens de makkers, die hij ronselde, wachtte zich wel dat mede te deelen. Dezen kon dat dan ook weinig schelen; als men hen maar contant betaalde; als men hen maar eene toekomst van diefstallen, van plunderingen in het verschiet liet ontwaren, dan zouden zij een ieder vol vertrouwen tot aan de uiterste grenzen der aarde gevolgd hebben.
Hier verdient verteld te worden, dat Carpena niet weinig verwonderd geweest was, toen hij Maria Ferrato in de straten van het kwartier Manderaggio ontmoette. In weerwil van eene afwezigheid van[175]ruim vijftien jaren, had hij haar dadelijk herkend, zoowel als hij terstond herkend was geworden. Hij gevoelde zich wel gedwarsboomd door het denkbeeld, dat zij te weten was gekomen, wat hij te La Valletta kwam uitvoeren; want dat zou haar voorzeker niet ontgaan zijn.
Pescadospunt moest dus listig te werk gaan, wanneer hij wilde te weten komen datgeen waarbij dokter Antekirrt zoo veel belang had te vernemen, en wat de Spanjaard zoo geheimzinnig voor zich hield. Hij begon met zich eenigermate in het oog loopend in de onmiddellijke nabijheid van Carpena te vertoonen. Deze kon dien jeugdigen bandiet niet onopgemerkt laten, die hem als het ware niet verliet, die zich aan hem vasthechtte, die zich in zijne vertrouwelijkheid indrong, die op hoogen toon tot dat geboefte van Manderaggio sprak, die er zich op beroemde zoo’n debetlijst in zijn schuldboek te bezitten, dat hem daarvan de minste post den strop te Malta, de guillotine in Italië en de garrotto in Spanje zou bezorgd hebben; die de diepste verachting aan den dag legde voor al die bangooren van het kwartier, welke zich onwel gevoelden en niets op hun gemak waren, wanneer zij een politie-agent slechts ontwaarden! Het was een fraaie type, inderdaad, en Carpena, die een echte kenner in het vak was, kon niet anders dan hem naar waarde schatten!
Dat spel, wat uiterst behendig gespeeld werd, had ongetwijfeld tot gevolg, dat Pescadospunt zijn doel eindelijk bereikte. Want in den ochtend van den 25stenAugustus ontving dokter Antekirrt een briefje, waarbij de afgesproken samenkomst in weinige regelen bepaald werd op dienzelfde avond aan het uiterste van de voorstad La Senglea. Dat briefje had Pescadospunt zelf, wantrouwend als hij was, in de bus doen glijden.
Gedurende die laatste dagen was de arbeid aan boord van deFerratomet alle kracht voortgezet. Binnen drie dagen zou het vaartuig, na behoorlijke herstelling zijner machine, en na zijn voorraad steenkolen aangevuld te hebben, zee kunnen kiezen. Het zou dan geheel gereed zijn.
Dokter Antekirrt begaf zich dienzelfden dag naar de plek, door Pescadospunt aangewezen. Dat was een klein plein, hetwelk door booggangen omgeven en dicht bij den ringweg aan het uiteinde van de voorstad La Sanglea en dicht bij de Quarantainehaven gelegen was.
Het was toen acht uren in den avond. Hoogstens waren er een vijftig lieden op dat pleintje, dat tot markt diende, die evenwel nog niet geëindigd was.
Dokter Antekirrt wandelde te midden van die lieden, zoowel mannen als vrouwen, die allen van Maltezer oorsprong waren en die zijne opmerkzaamheid wel gaande hielden. Plotseling voelde hij evenwel eene hand op zijn arm rusten.[176]
Een afschuwelijke kerel, die walgelijk smerig en slordig gekleed was en wiens hoofd door een ouden gedeukten hoed gedekt was, keek hem in de oogen en bood hem een zakdoek aan.
„Wat wilt ge?” vroeg de dokter half verschrikt.
„Ziehier wat ik zooeven van Uwe Excellentie gerold heb! Het zal zaak zijn, voortaan beter op uwe zaken te passen,” sprak de afschuwelijke kerel.
Dokter Antekirrt slaakte bijna een kreet van verbazing. Hij wreef zich de oogen.
En inderdaad, het was Pescadospunt, maar geheel onherkenbaar onder zijne geleende plunje.
„Gemeene grappenmaker!” zei de dokter, nog niet geheel bekomen van zijne verbazing.
„Grappenmaker, ja!.… Gemeen, dat neen! heer dokter, dat hebt ge inderdaad mis!”
Toen eerst herkende Antekirrt zijn verspieder Pescadospunt. Hij moest hartelijk lachen over zijn vergissing, maar toen ook zonder eenigen overgang:
„En Carpena?” vroeg hij, „zijt gij dien op het spoor?”
„Ja, die is inderdaad bezig met.…”
„Met wat?”
„Met het aanwerven van een twaalftal der meest doortrapte schurken van geheel Manderaggio.”
„Voor wien?”
„Voor rekening van een zekeren Zirone!” antwoordde Pescadospunt met een sluwen glimlach op het gelaat.
„Van Zirone van Sicilië?” vroeg dokter Antekirrt overhaast en eenigermate ontstuimig.
„Inderdaad.”
De dokter zweeg een poos, om na te denken.
De Siciliaan Zirone, de medeplichtige van Sarcany. Dat was waarlijk eene goede tijding! Maar welke betrekking kon er bestaan tusschen die twee ellendelingen en Carpena?
Na eenig nadenken kwam de dokter tot de navolgende slotsom, waarin hij zich niet bedroog.
Het verraad van den Spanjaard, hetwelk de gevangenneming van de vluchtelingen uit den vestingtoren te Pisino ten gevolge had gehad, had onmogelijk voor Sarcany onbekend kunnen gebleven zijn. Deze had Carpena waarschijnlijk doen opsporen en had hem toen natuurlijk in de diepste ellende aangetroffen. Hij had waarschijnlijk geen oogenblik geaarzeld, om van hem een dier agenten te maken, die Zirone in den dienst van de roovers-gemeenschap, waartoe hij behoorde, bezigde.
Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz. 184.)Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz.184.)
Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg. (Bladz.184.)
Carpena zoude dus thans een eerste baken zijn op het spoor[178]waarop dokter Antekirrt nu niet meer blindelings zoude voortschrijden. Zijn gelaat ademde dan ook een glans van tevredenheid, die den kleinenacrobaatniet ontging.
„Zijt gij er achter gekomen, tot welk doel die ronselarij plaats heeft?” vroeg hij aan Pescadospunt.
„Ja, voor eene rooversbende,” antwoordde deze, zonder eenige aarzeling.
„Voor welke rooversbende?”
„Wel, voor eene rooversbende op Sicilië.”
„Op Sicilië?.… Juist!.… dat komt uit,” sprak dokter Antekirrt als in zichzelven. En later, overluid: „En waar is die bende werkzaam? Weet gij dat ook?”
„In de oostelijke provinciën, tusschen Syracuse en Catania,” antwoordde Pescadospunt.
„Tusschen Syracuse en Catania?” vroeg de dokter nadenkend en als in gedachten verzonken.
Pescadospunt knikte bevestigend. De kleine man was in zijn nopjes. Het scheen, dat hij goede tijding gebracht had.
Zonder twijfel, het spoor was weergevonden. En dat was voorzeker eene goede tijding voor dokter Antekirrt.
„Hoe hebt ge u die inlichtingen verschaft?” vroeg deze met de meeste belangstelling.
„Van Carpena zelven,” antwoordde Pescadospunt, niet zonder een zweem van zelfvoldoening in zijn stem.
„Och kom! Heeft hij zooveel vertrouwen in u gesteld? Het is haast ongeloofelijk!”
„En toch is het zoo. Carpena heeft genegenheid voor mij opgevat, en inderdaad, ik beveel dien man in Uwe Excellentie’s hooge bescherming aan.…”
De dokter antwoordde met een glimlach. Hij begreep den guitigen Pescadospunt.
„Gij kunt thans aan boord van het stoomjacht terugkeeren,” hernam hij na een poos.
„Nog niet,” mompelde Pescados zoo zacht, dat dokter Antekirrt hem niet hoorde.
„En uwe kleeding tegen eene meer voegzame verruilen,” ging deze voort. „Gij zult er wel naar haken, niet waar?”
„Waarachtig niet, die kleeding past mij,” antwoordde deacrobaatmet een gullen glimlach.
„Past u? Wat bedoelt ge?”
„Ik heb de eer bandiet te zijn van den troep van Zirone! Ik behoor mij zelven niet meer toe!”
„Vriend,” sprak de dokter. „Zou het mogelijk zijn? Dat kan niet, Pescadospunt.”[179]
„Kom, gekheid!.… Het is maar eene rol, die ik speel, heer dokter. En ik wil haar goed vervullen.”
„Bij dat spel, waagt gij uw leven, vriend!.… Bedenk dat wel! Daar valt niet mede te schertsen.”
„Dat leven is ten uwen dienst, heer dokter; dat leven is u geheel gewijd,” antwoordde Pescadospunt. „Laat mij de vrijheid u dat te zeggen; maar nog meer: de vrijheid om dienovereenkomstig te handelen.”
„Brave jongen!” mompelde dokter Antekirrt, terwijl hij zich omkeerde, ten einde zijne aandoening te verbergen.
„Daarenboven,”ging Pescadospunt voort, „ik kan zonder bluffen, of zonder verwaandheid zeggen, dat ik een beetje snugger ben en kijk; het zou mij razend veel genoegen doen, en mij zelf trotsch maken, wanneer ik die lieden een gloeienden kool kon stoven.”
Dokter Antekirrt begreep, dat onder de gegeven omstandigheden de medewerking van Pescadospunt voor zijne plannen zeer nuttig kon zijn. Door die rol op zich te nemen, was deschranderejongen er in geslaagd, het vertrouwen van Carpena te winnen, en zelfs zoodanig; dat hij hem zijne geheimen ontlokt had. Waarlijk, men moest hem laten begaan. Het zou jammer zijn, inderdaad, hem daarin hinderlijk te zijn.
Toen zij na eentientalminuten de zaken genoeg bepraat en overwogen hadden, besloten de dokter en Pescadospunt, die niet bij elkander gezien wilden worden, te scheiden.
Pescadospunt volgde de kaden van de voorstad La Sanglea, huurde daar in de groote haven eene sloep en keerde zoo naar hetkwartierManderaggioterug.
Voordat hij evenwel daarheen goed en wel op weg was, was de dokter reeds aan boord van het stoomjacht weergekeerd. Daar aangekomen, bracht hij Piet Bathory nauwkeurig op de hoogte van alles, wat hij vernomen had. Terzelfdertijd meende hij voor Kaap Matifou niet te moeten verbergen, dat Pescadospunt voor het algemeen welzijn in eene vrij gevaarlijke onderneming gewikkeld was. Dat meende hij aan die twee getrouwe vrienden verplicht te zijn.
De Hercules schudde het hoofd, opende en kneep driemalen achter elkander zijne handen dicht. Daarna zou men hem hebben kunnen hooren in zich zelven prevelen en herhalen:
„Dat hem geen haar bij zijn terugkeer op zijn hoofd ontbreke! Neen, geen haar, of de duivel.…”
De laatste woorden beduiden meer dan Kaap Matifou zou hebben kunnen doen verstaan, wanneer hij het talent had bezeten, om lange volzinnen te kunnen fabriceeren. Maar zoo gaat het meer in de wereld. De generaals van de daad zijn zelden generaals van de praat en omgekeerd.[180]