[Inhoud]X.IN DE OMSTREKEN VAN CATANIA.Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder ruweoppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel, glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper, en die had voorwaar andere inzichten.Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen, de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet uitgezonderd.In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte, hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verdernoordwaartsde klippen van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw koninkrijk te stichten.Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top van[181]den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er inderdaad doof te worden!Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond van den 20stenAugustus over sommige teedere zaken te praten, die deSiciliaanschemaréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had hun eer en bevordering aangebracht.Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u wel laten wachten.”„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de Spanjaard.„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia, de vroegere buurvrouw van Malta deed.…”„Och kom.”„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst dezen ochtend heeft mij depakketbootte Catania aan wal gezet. De overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk op die woorden: „uwe mannen”.[182]„Ja.”„Hoeveel kerels hebt ge?”„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige snoeverij in zijne stem.„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s weinig.”„Me dunkt.”„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat wist ge!”„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven, als het er op aankomt.”„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.… Ziet, dan zou ik tevreden zijn. Die zijn tot alles in staat.”„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders optrok.„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt. Wie zijn het?”„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich vele Maltezers.”„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het Vaticaan.… Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede hoedanigheid uitmunt.… Als zij maar puik is.… dan zal dat veel vergoeden.”„Dat geloof ik ook,Zirone,”antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de proef kunnen beoordeelen.”„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten hebben.”„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons groote diensten zal kunnen bewijzen.”„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij te Malta uit?”„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al nieuwsgierig.„Pescados.”[183]„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.… Vindt ge ook niet? Wat beteekent die?”Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet wist. Toch antwoordde hij:„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk voor instaan.”„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste plaats aan, dat weet ge.”„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en zonder eenige aarzeling.„En slim?”„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat hij zoo’n dier de loef afwint.”„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar heb ik hen onder de hand.”„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al nieuwsgierig.„Morgen, bij het aanbreken van den dag.… Ten minste als er zich niets tegen verzet.”„Dat kan niet.”„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge, zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben, ontvangen zal hebben.”„Nu, mij wel!”antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat is er aan de hand?”„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen worden.”„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij niet?”„Van hem?.…”„Ja.… van hem!.… Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen, noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar.… bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”In ditoogenblikwerd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel onmogelijk door het geluid der branding op het strand[184]duidelijk kon onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden afgesloten werd.Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven voor zich uit met een streep van vuur.Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig geratel en gegil voorbijsnorde.Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte, smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar duidelijk herkend.Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci Reale verdwenen.Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in dit nachtelijk uur te vreezen was—vooronbescheidenblikken moest dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit, hetwelk het navolgende bericht bevatte:„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten. Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker Zirone te[186]doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest erkend worden.De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en zich tot Carpena wendende:„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij hem.„Neen,” antwoordde de Spanjaard.„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had gehoopt dat.…”„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de rede.„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u verbazing afpersen zal!”„Dat zullen we zien.”Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog voorzichtig rondgekeken te hebben.„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts reist, niet waar?”„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de Spanjaard.„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.„Dunkt u?”„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens voor toestemming gelden.„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de herberg Santa Grotta zijn.”„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate uit het veld geslagen was.„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.… Gij zijt toch niet moede, hoop ik?.…”„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver loopen.”En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan omgeven, voerde.Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal[187]aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden leden.Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden, al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer voordeelig middel van bestaan.In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer, door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of, zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie” zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen doorworstelde.Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten, wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier SilasToronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen![188]Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen: kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte, daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met elkander bezitten;burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen; alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord: een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten en te ontkomen.Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s, weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken, steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen, voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners, verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per vierkanten kilometer.Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief maakt.Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag[189]gevallen waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet groot was, hoewel hij beter verwacht had.De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein, als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.Er zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat tegenover Sarcany en Zirone, die den geheelen levensloop van Carpena kende, en in het bijzonder omtrent zijn verraad ten opzichte van Andreas Ferrato ingelicht waren, hij integendeel niets van het gebeurde te Triëst vernomen had. Hij meende, dat hij slechts in betrekking stond met eerlijke roovers, die sedert lange jaren hunne „zaken” in het gebergte van Sicilië dreven, maar zich overigens met geen kuiperijen ophielden.Zirone en Carpena hadden gedurende dat traject van acht Italiaansche mijlen, hetwelk de rotsen van Polyphemus van Nicolosi scheidt, geene onaangename ontmoetingen, hetgeen in hun taal wil zeggen, dat geen enkele maréchaussée zich op hun weg vertoonde. Zij volgden overigens zeer moeielijke paden, welke tusschen de wijngaarden en velden vanolijfboomen, van oranjeboomen, van cederboomen, en te midden van esschenboschjes, van elzenboschjes, van struiken van kurkeiken en van Indische vijgeboomen omhoog slingerden. Somtijds schreden zij door een van die beddingen van opgedroogde bergstroomen voorwaarts, die, van uit zee gezien, zich als zoovele gemacadamiseerde wegen voordoen, die langs de berghellingen opwaarts klimmen en waarop de ballest-welrol de scherpkantige keisteenen nog niet zou verbrijzeld hebben.De Siciliaan en de Spanjaard trokken eindelijk door de dorpen San Giovanni en Tramestieri, reeds op eene aanmerkelijke hoogte boven de oppervlakte der Middellandsche zee gelegen.Zoo omstreeks tegen half elf bereikten zij ten laatste Nicolosi. Dat is een stedeke, hetwelk in het middengedeelte gelegen is van[190]een zeer uitgestrekten cirkel, een soort van kratervormigen bergwand, ten noorden en ten westen omgeven door de uitbarstings-kegels van Monpilieri, van Monte Rossi en van Serra Pizuta; en ten oosten en ten zuiden in de eigenlijke hellingen van den Etna vervloot.Dat stedeke bezit zes kerken, vijf kapellen, een klooster, dat San Nicolo van Arena tot beschermheilige heeft, en twee herbergen, die vooral op zijne belangrijkheid duiden. Zirone en Carpena hadden daar niets te verrichten.De herberg Santa Grotta wachtte hen, en om die te bereiken, hadden zij nog ruim een uur gaans in het gebergte af te leggen.Dat moordhol was in een van de meest sombere ravijnen van het geheele Etna-bergstelsel gelegen. Zij kwamen daar dan ook niet aan, voordat het middernachtsuur op de zes klokketorens van Nicolosi geslagen had en gevoelden zich toen doodmoe.Niemand sliep te Santa Grotta. Daar werd toen, te midden van de afschuwelijkste kreeten en godslasteringen, het middagmaal gebruikt. De nieuwe door Carpena aangeworven manschappen waren daar vereenigd en omringden een ouden bandiet, Benito geheeten, die zijn naam van „gezegende” gestand deed en de eer van het huis ophield op eene wijze, die al de duivelen in de hel moest doen jubelen en juichen.Wat de overige leden der bende betrof, bestaande uit een dertigtal bergbewoners en weerspannigen aan de militiewet, die waren toen op roof uit, een twintig mijlen verder in westelijke richting, waarbij zij de tegenovergestelde helling van den Etna doorsnuffelden, die zij op brandschatting stelden, waarna zij zich bij het hoofdkwartier moesten vervoegen, om rekening en verantwoording af te leggen.Er was dus te Santa Grotta slechts het dozijn Maltezers aanwezig, die door den Spanjaard aangeworven waren, plus de oude Benito. Onder die allen brulde Pescados—onze kleine Pescadospunt—zijne partij in dat concert van verwenschingen en van vloeken, van blufferijen en godslasteringen. Maar tevens opende hij scherp de ooren; hij luisterde, hij sloeg gade, hij merkte op, om toch maar niets te laten ontglippen, wat hem vroeg of laat dienstig zou kunnen zijn. Zoo vernam hij en onthield goed een gezegde, hetwelk Benito ontviel, om het spectakel zijner gasten een poos voor de aankomst van Zirone en Carpenaeenigszinste temperen:„Houdt je mond toch, duivelsche Maltezers!”riephij met een gramstorig gelaat uit.Een hoerrah begroette toen die aanbeveling. De kerels waren in dien stond half dol.„Houdt je mond toch; men kan jullie te Cassana hooren brullen, waarheen de commissaris, die beminnelijke magistraat van de provincie, een detachement karabiniers gezonden heeft!”[191]Dat was eene grappige bedreiging. Cassana toch was ver genoeg van Santa Grotta verwijderd. Maar de nieuw aangekomenen moesten vooronderstellen, dat hun gejoel en gebrul de gehoorwerktuigen der karabiniers konden bereiken. Die karabiniers deden dienst als maréchaussées op het eiland. De kerels matigden hun geschreeuw dan ook, hoewel zij midderwijl te meer van dien Etnawijn dronken, die Benito hun overvloedig schonk, om hun welkom bij de bende te vieren. Zij waren allen min of meer onder den invloed, toen de deur van de herberg eensklaps openvloog.„Een mooi zoodje!” riep Zirone binnensmonds uit. „Bij mijne ziel! een mooi zoodje.”Allen keken met woeste blikken op. Het scheelde weinig, of zij gingen de binnentredenden te lijf. Gelukkig, dat de Spanjaard verscheen.„Carpena is gelukkig in zijne keus geweest; en ik zie dat Benito de eer van het huis ophoudt.”„Die brave kerels stierven van dorst!” antwoordde de oude bandiet op zoetsappigen toon.„En daar dat geen prettige dood is, wildet gij hen dien besparen? Dat is Christelijk gedacht.”„Voorzeker.”„Mooi! Maar laat ze nu gaan slapen! Ze hebben rust noodig. Morgen zullen we kennis maken!”„Waarom tot morgen wachten?” vroeg een der nieuwelingen, Zirone vrij brutaal aankijkende.„He?” zei Zirone, ietwat verwonderd.Het gebeurde zelden dat een zijner bende hem tegensprak.„Ja, waartoe tot morgen gewacht, met iets wat heden nog kan geschieden?” ging de nieuw aangekomene voort.„Omdat jullie te dronken zijt, om dat te begrijpen,” antwoordde Zirone zoetsappig.„Dronken!.… Dronken!.… Per Bacco!.… Wie durft dat zeggen?” was de algemeene kreet.„Voorzeker dronken! Zoudt gijlieden denken, dat ik dat niet zou durven herhalen?”„Omdat wij een paar flesschen slappen landwijn gedronken hebben?.… Drommels, als men gewend is aan de jenever en de whiskey van de kroegen in de Maderaggio, dan is van dronken zijn geen sprake!”„He! En wie is dat daar?” vroeg Zirone, die met kennersblik het troep je monsterde.„Wien bedoelt ge?” vroeg Carpena.„Dien mooien jongen.”„Dat is de kleine Pescados,” antwoordde de Spanjaard. „Dat is de kerel, van wien ik u sprak.”[192]„En wie is die dan?” vroeg Pescados op zijne beurt aan Carpena, terwijl hij de stem van den Siciliaan bedriegelijk nabootste, en met den vinger naar hem wees.„Dat is Zirone,” antwoordde de Spanjaard, met een glimlach op de lippen. „Dat is uw chef.”„Zoo, zoo,” sprak de kleine man op den meest onverschilligen toon, „isdat onze chef?”En hij bekeek den Siciliaan met een paar zeer brutale oogen, die van geen neerslaan wisten.Zirone sloeg met alle aandacht den jeugdigen bandiet, die door Carpena zoozeer geprezen was, en die zich met zoo’n gemakkelijkheid voordeed, gade. Ongetwijfeld vond hij, dat Pescados een schrander gelaat had, waarop veel vastberadenheid te lezen stond. Hij gaf althans een goedkeurenden knik met het hoofd. Daarna het woord tot Pescados richtende, vroeg hij hem:„Hebt ge evenals de anderen gedronken?”„Of ik gedronken heb? Wat ’n vraag!” zei Pescados, met verachtelijk gebaar en komiek neusoptrekken.„En toch herhaal ik die vraag. Hebt ge evenals de anderen gedronken?” vroeg Zirone andermaal.„Meer dan die lummels!” antwoordde de candidaat-bandiet meesmuilend. „Veel meer!”„En je verstand daarbij behouden?”„Het mocht wat! Dat gaat zoo gauw niet op den loop!”„Niet?”„Neen! Er moet wat anders gebeuren! Dat kan ik je verzekeren.… Heel wat anders!”„Zeg eens, kleine man,” hernam Zirone, „Carpena heeft mij straks gezegd, dat ge mij wellicht eene inlichting zoudt kunnen geven, die ik noodig heb. Luister dus!”„Eene inlichting? Te drommel!.… Gij begint, dunkt me, veeleischend te worden!”„Ja, eene inlichting.”„En,.… voor niemendal?.… Te drommel!.… Niemand arbeidt voor niets. Dat weet ge, hoop ik?”„Daar, grijp!”Zirone wierp hem een halven piaster toe, dien Pescados in de vlucht opving en onmiddellijk in den zak van zijn vest wegmoffelde, zooals een goochelaar met een muskaatnoot zoude gedaan hebben.„Hij is aardig!” zei Zirone, met een glimlach van tevredenheid op het gelaat.„Ja, zeer aardig!” antwoordde Pescados onbeschaamd. „Maar, wat wilt ge weten? Kom, vooruit!”„Kent ge Malta goed?”[193]De Faraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)DeFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)[194]„Als het innerlijke van mijn zak! Maar niet alleen Malta, maar ook Italië, en Istrië, en Dalmatië, en de Adriatische zee,” antwoordde Pescados. „Is dat genoeg? Wilt ge nog meer?”„Ge hebt dus gereisd?”„Veel, maar steeds voor eigen rekening!”„Dat is nog al leuk,” viel Zirone lachende in, en herhaalde: „Dat is nog al leuk.”„Waarom is dat leuk, en waarom lacht gij zoo?” vroeg Pescadospunt, schijnbaar vertoornd.„Ik raad je, nooit anders te reizen; want wanneer je voor rekening van het gouvernement reist, dan.…”„Is het te duur!” viel Pescados in. „Ja, dat begrijpt een kind en behoeft gij mij niet te vertellen.”„Juist, zooals ge zegt: te duur,” antwoordde Zirone, die zich de handen wreef en vergenoegd was, dat hij in dien nieuwen makker iemand aantrof, met wien ten minste te praten was.„Maar, nu verder?” hernam de schrandere jongen. „Gij hebt toch geen inlichtingen omtrent mijne reisgelegenheden noodig?”„Verder?.…”„Ja.… verder.… de inlichting, die ge noodig hebt?”„Dat ’s waar ook. Ziehier! Pescados,” ging Zirone voort, alsof hij zich plotseling iets herinnerde, wat hem voor een oogenblik ontschoten was, „hebt ge ooit bij uwe menigvuldige omzwervingen van een zekeren dokter Antekirrt hooren spreken?”Met alle zijne schranderheid kon Pescadospunt onmogelijk die vraag verwachten. Hij wist evenwel zooveel zelfbeheersching uit te oefenen, dat hij van zijne verbazing niets liet merken.Maar hoe kon Zirone, die niet te Ragusa was, terwijl deSavarenadaar geankerd had gelegen, en die niet te Malta vertoefde, toen deFerratodaar repareerde, hebben hooren spreken van dokter Antekirrt? En hoe kwam hij zelfs aan dien naam? Ziet, dat waren vragen die in ditoogenblikhet brein van den kleinen man bestormden.Maar hij begreep met zijnpractischverstand terstond, dat zijn antwoord hem van zeer veel nut kon zijn; daarom aarzelde hij dan ook geen oogenblik.„Dokter Antekirrt?.…”vroeg hij om tijd te winnen. „Dokter Antekirrt?”„Ja, dokter Antekirrt,” herhaalde Zirone.„Zeker heb ik van hem gehoord!”„Welnu?”„Langs de geheele Middellandsche zee—en die is nog al uitgebreid—is slechts sprake over hem!”„Hebt gij hem gezien? Of hebt gij hem soms ook gesproken?” vroeg Zirone eenigszins wantrouwend.[195]„Nooit; noch het een noch het ander.”„Maar weet gij wie hij is, die dokter? Daaromtrent zult gij toch wel iets vernomen hebben?”„Wie hij is?.… Een arme drommel.”„Wat, een arme drommel? Houdt ge mij voor den gek?” vroeg Zirone vertoornd.„Zeker, een arme drommel, die zoo wat honderd maalmillionnairis, zooals men ten minste beweert. Gij begrijpt, dat ik al die millioenen niet heb kunnen tellen.”„Een aangename mededeeling intusschen,” grinnikte Zirone met een soort van welbehagen.„Die nooit gaat wandelen, zonder in iederen zak van zijn overjas een millioen te hebben.”„En heeft die overjas veel zakken?” vroeg de bandiet met van hebzucht fonkelende oogen.„Slechts zes!.… Het is weinig, dat beken ik,” zei Pescadospunt glimlachende.„En verder?.…”„Dokter Antekirrt is een arme drommel, die er door zijne droomerijen toe gebracht werd, om de geneeskunde voor liefhebberij uit te oefenen, en daarvoor nu eens met zijn goeletSavarena, dan weer met zijn stoomjachtFerratorondreist engeneesmiddelenbezit voor de twee en twintig duizend ziekten, waarmede de natuur het menschenras zoo liefderijk begiftigd heeft.”Het potsenmakerskarakter van vroeger was bij Pescadospunt weer zeer ter snede boven gekomen en zijne snakerijen namen niet minder Zirone dan Carpena in, die scheen te zeggen:„Welnu, hoe denkt gij er over?.… Welk eene aanwinst!.… Niet waar?.… Zoo’n kerel!”Pescados zweeg en stak eene sigarette aan, waarvan hij den grilligen rook tegelijkertijd uit den neus, uit de oogen en zelfs uit de ooren liet ontsnappen. De beide anderen keken hem verwonderd aan.„Ge denkt dus, dat die dokter rijk is?” vroeg Zirone begeerig en met de lippen smakkend.„Rijk, vraagt gij? Hij is zoo rijk, dat hij het geheele eiland Sicilië kan koopen, om er zich een Engelsch park van te vervaardigen,” antwoordde Pescadospunt.Toen, bedenkende dat het oogenblik wellicht gekomen was, om Zirone het denkbeeld in te fluisteren van het plan, welks uitvoering hij persoonlijk najaagde:„Ziet, vervolgde hij dan ook, „al heb ik dien dokter Antekirrt in eigen persoon niet gezien, dan heb ik toch een zijner pleizierjachten kunnen bewonderen.”[196]„Een zijner pleizierjachten? Houdt hij er pleizierjachten op na?” vroeg Zirone geheel en al verlokt.„Men zegt, dat hij eene geheele flottilje er op nahoudt, om zijne tochtjes op de Middellandsche zee te kunnen volvoeren en de verschillende kusten van dat meerbekken te bezoeken.”„Een zijner pleizierjachten?” herhaalde Zirone voortdurend met de grootste verwondering.„Ja, deFerrato! Een prachtig vaartuig, dat mij zeer ter stade zoude komen, om tochten in de baai van Napels te ondernemen, met een of twee vorstinnen mijner keuze!”„En waar hebt ge dat jacht gezien, vriend Pescados?” was de nieuwsgierige vraag.„Te Malta,” antwoordde Pescados, zonder de minste aarzeling. „In de Militaire haven.”„Wanneer?”„Wanneer?.… Laat zien.… Wel, niet later dan gisteren,” antwoordde de kleine man zonder bedenken.„Gisteren?”„Wel zeker, te La Valletta. Toen wij ons met onzen aanvoerder Carpena inscheepten, lag het nog in de Militaire haven ten anker. Maar men vertelde, dat het vier en twintig uren later vertrekken zou.”„Waarheen? Zijt gij dat soms ook te weten gekomen, vriend Pescados?” vroeg Zirone.„Eh, eh! Juist naar Sicilië, naar Catania! Ja, dat vernam ik nog even vóór onze inscheping.”„Naar Catania?” herhaalde Zirone nadenkend. „Weet gij dat zeker? Naar Catania?”Die overeenkomst van het vertrek van dokter Antekirrt met de waarschuwing, die hij ontvangen had, om dien man te wantrouwen kon niet anders dan de achterdocht van den makker van Sarcany opwekken.Pescadospunt begreep, dat zekere geheime gedachte in het brein van Zirone broeide. Maar welke?Toen hij haar niet kon raden, besloot hij meer bepaald er op los te gaan. Toen Zirone dan ook vroeg:„Wat kon die duivelsche dokter in Sicilië uit te voeren hebben? En juist te Catania?”„Wel nu nog mooier! Wat hij hier wil uitvoeren? Wel niets! Volstrekt niets! Dat begrijpt gij.”„Niets?”„De stad bezoeken, den Etna beklimmen; in één woord: rondboemelen als een rijk heer, die hij is.”„Pescados,” zei Zirone, die van tijd tot tijd eene zekere achterdocht[197]in zich voelde opwellen, „het komt mij voor, dat gij meer van dien man weet, dat gij thans wel vertelt.”„Niet meer dan ik u mededeel. Maar ik zou meer uitvoeren, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen.”„Wat wilt ge zeggen? Wat zoudt gij willen uitvoeren?” vroeg Zirone nieuwsgierig.„Dat’s duidelijk genoeg, dunkt me,” mompelde Pescadospunt schier onhoorbaar.„Voor mij evenwel niet. Gij dient duidelijker te spreken, vriend Pescados,” hernam de Siciliaan.„Welnu, ik wil zeggen, dat wanneer die dokter Antekirrt, zooals vermoedelijk is, op ons grondgebied zal komen wandelen, Zijne Excellentie ons een aardig losgeld te betalen zal hebben.”„Zoo, meen je dat?”„En als hem dat slechts een of twee millioen zal kosten, dan komt hij er goedkoop af.”„Vind je?.… Ja, het is waar: die overjas met die zes zakken, niet waar? Maar zijn die zakken altijd gevuld?”„En dan zou kunnen gezegd worden, dat Zirone en zijne vrienden echte schaapskoppen zullen geweest zijn,” ging Pescadospunt voort, zonder op de laatste vraag te antwoorden.„Goed gezegd,” antwoordde Zirone lachende. „Na dat compliment aan ons adres kun je gaan slapen.”„Dat lijkt mij, kapitein,” antwoordde Pescados, „maar ik weet wel, waarvan ik droomen ga.”„Waarvan, zeg?”„Van de millioenen van dokter Antekirrt.… Dat zullen gulden droomen zijn, niet waar?”En daarop ging Pescados, na nog eene laatste rookwolk van zijn sigarette uitgeblazen te hebben, zijn makker in de schuur der herberg opzoeken, terwijl Carpena naar zijn vertrek ging.En toen, in plaats van te slapen, hield de brave kerel zich onledig met hetgeen hij gedaan en gezegd had behoorlijk in zijn brein te ordenen. Dat was niet gemakkelijk. Dit moest hij erkennen.Had hij inderdaad van het oogenblik, dat Zirone tot zijne groote verwondering hem over dokter Antekirrt gesproken had, de belangen behoorlijk behartigd die hem toevertrouwd waren? Dat de lezer oordeele!De dokter hoopte bij zijn verblijf op Sicilië Sarcany, en, voor het geval dat zij er te zamen waren, ook Silas Toronthal te ontmoeten. Dat was toch mogelijk, daar beide Ragusa verlaten hadden. Mocht dat tegenvallen, dan zou hij, bij afwezigheid van Sarcany, zich van Zirone meester kunnen maken. Daarna zou hij dezen, hetzij door hem te beloonen, hetzij door hem te dreigen, er wel toe brengen, om te vertellen,[198]waar Sarcany en Silas Toronthal zich ophielden. Twijfel aan den uitslag van dat beraamde plan kwam volstrekt niet bij hem op.Dat was zijn voornemen, en ziehier hoe hij dat dacht uit te voeren.Het was eenvoudig genoeg.De dokter had in zijne jeugd Sicilië verscheidene malen bezocht en dan voornamelijk in de omstreken van den Etna vertoefd. Hij kende de verschillende wegen, welke de bergbestijgers gewoonlijk insloegen. De meest gekozene slingert aan den voet een zonderling huis voorbij, hetwelk aan den benedenrand van den uitbarstingskrater gebouwd is en de „Casa Inglese”, het Engelsche huis genoemd wordt.Nu hield de bende van Zirone, waarvoor Carpena versterking te Malta aangeworven had, strooptochten op de hellingen van den Etna. Het was dus zeker, dat de aankomst van een zoo beroemd persoon, als dokter Antekirrt was, hare gewone uitwerking te Catania zoude uitoefenen. Daar nu de dokter openlijk had laten verkondigen, dat hij den Etna wilde beklimmen, kon het boven allen twijfel verheven gerekend worden, dat Zirone zulks vernemen zoude, vooral als Pescadospunt er zich in mengde. De lezer heeft kunnen bespeuren, dat de aanleg der zaak niet moeilijk was geweest, daar Zirone zelve Pescados over dokter Antekirrt ondervraagd had.Ziehier nu de valstrik, die Zirone gespannen werd, en waarin hij alle kans had zich te verstrikken.Daags voor den bepaalden dag, dat de dokter de vulkaanbeklimming zou ondernemen, moesten twaalf goed gewapende mannen van deFerratozich heimelijk naar de Casa Inglese begeven. Den volgenden dag zouden de dokter, vergezeld van Luigi Ferrato, van Piet Bathory en van een gids, Catania verlaten en den gewonen weg volgen, zoodanig dat zij de Casa Inglese tegen acht uur des avonds konden bereiken.Zoo doen de toeristen, die boven op den Etna de zon willen zien opgaan, hetgeen door het oostwaarts gelegen gebergte een bewonderenswaardig gezicht oplevert.De Casa Inglese is door eenigereizigers, die uitermate veel van comfort hielden, daargesteld. Zij is prachtig gelegen op ongeveer drie duizend meters boven de oppervlakte der zee.Ongetwijfeld was het de wensch van Zirone, daartoe door Pescadospunt opgehitst, te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, vooral daar hij meende, dat hij slechts met hem en zijne twee metgezellen te doen zoude hebben. Wanneer hij echter bij de Casa Inglese zoude aankomen, zou hij door de zeelieden derFerratowarm ontvangen worden en zou alle weerstand vruchteloos, ja onmogelijk zijn.Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Pescadospunt, die dat plan kende, had dus zeer behendig van de[200]omstandigheden partij getrokken, om het denkbeeld in het brein van Zirone op te wekken, zich van dokter Antekirrt meester te maken. Dat zou een zeer rijke prooi zijn, die hij naar hartelust zou kunnen uitplunderen, zonder daarbij de waarschuwing uit het oog te verliezen, die hij ontvangen had. Was het bovendien niet het zekerste, nu hij zich voor dien dokter moest wachten, hem in zijne macht te krijgen, al moest hij dan ook daarvoor den losprijs, dien hij bedingen kon, verliezen? Hoe meer de bandiet er over nadacht, hoe meer de zaak hem toelachte.Zirone ging tot dat besluit over, in afwachting van nieuwe instructies van Sarcany.Maar om des te zekerder omtrent het welslagen te zijn, rekende hij, dewijl zijne geheele bende niet bij de hand was, die oplichting uit te voeren met behulp der Maltezers van Carpena. Dat kon Pescadospunt geene onrust inboezemen, daar die twaalf booswichten wel in bedwang zouden gehouden worden door de zeelieden van deFerrato. Die Maltezers waren inderdaad nog slechts nieuwelingen in het werk.Maar Zirone liet zelden of nooit iets aan het toeval over, wanneer hij anders handelen kon.Daar volgens beweren van Pescados het stoomjacht den volgenden dag moest aankomen, zoo verliet hij in den vroegen ochtend de herberg Santa Grotta, daalde de hoogte af en begaf zich naar Catania. Dewijl hij in die plaats niet bekend was, kon hij dien tocht zonder gevaar hoegenaamd ondernemen. Niemand zou hem verdenken.Het stoomjacht was toen reeds sedert eenige uren op de ankerplaats aangekomen. Het had niet aangelegd bij de haven, waarbij zich de vaartuigen steeds verdrongen, maar het was ten anker gekomen in eene soort van voorhaven, gelegen tusschen den noorderpier en een kolossaal rotsgevaarte van zwartachtige lava, die door de uitbarsting van 1669 tot bij den zeeoever voortgestuwd was. Daar lag het vaartuig veilig.Reeds bij het aanbreken van den dag werden Kaap Matifou en elf man der equipage onder aanvoering van Luigi Ferrato te Catania ontscheept, waarna zij zich ieder afzonderlijk op weg begeven hadden naar de Casa Inglese.Zirone wist dus niets van die ontscheping, en daar deFerratoop eene kabellengte van den wal verwijderd ten anker lag, kon hij zelfs niet gadeslaan, wat er aan boord voorviel. Dat was, de lezer moet het erkennen, eene gelukkige omstandigheid.Tegen zes uur des avonds zette de barkas twee passagiers van het stoomjacht aan wal. Dat waren dokter Antekirrt en Piet Bathory. Zij richtten hunne schreden, terwijl zij de Via Stesicoro en de Strada Etna insloegen, naar de Villa Ballini, een bewonderenswaardige[201]publieke tuin, een der fraaiste, zoo niet de fraaiste wellicht van geheel Europa, met zijne bloemperken, zijne boschjes van sierplanten, zijne paden langs grillige hellingen, zijne terrassen, beschaduwd door zwaar en hoog geboomte, zijne levendige en murmelende beken, en dan die prachtige vulkaan, welke aan den gezichteinder verrijst en steeds met eene rookpluim getooid is, Inderdaad, die vallei is verrukkelijk.Zirone had de twee passagiers achtervolgd en twijfelde er niet aan, of een hunner was dokter Antekirrt. Hij sloop zoodanig voorwaarts, dat hij hen vrij nabij naderde te midden van de menigte, die in de villa Bellini naar de muziek was komen luisteren en zich daar vrij laat ophield. Hoe geheimzinnig hij dit had pogen te doen, hadden de dokter en Piet Bathory toch de geniepige omdolingen bemerkt van dien kerel met dat argwaanwekkende gelaat. Als dat de door hen bedoelde Zirone was, dan—dat moesten zij erkennen—was de gelegenheid schoon om hem verder in den valstrik te lokken, waarin zij hem vangen wilden. Onmerkbaar knikten zij elkander toe.Tegen elf uren in den avond dan ook, juist toen beiden den openbaren tuin wilden verlaten, om naar boord terug te keeren, zei de dokter met gedempte stem tot Piet:„Dat is dan afgesproken, morgen zullen wij op weg gaan en zullen den nacht in de Casa Inglese doorbrengen.”„Hoe laat het vertrek?” vroeg Piet Bathory, even onverschillig, of hij gehoord werd of niet.„Dat zullen wij aan boord van deFerratobepalen,” antwoordde dokter Antekirrt.De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten; want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas spoorloos verdwenen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.
[Inhoud]X.IN DE OMSTREKEN VAN CATANIA.Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder ruweoppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel, glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper, en die had voorwaar andere inzichten.Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen, de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet uitgezonderd.In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte, hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verdernoordwaartsde klippen van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw koninkrijk te stichten.Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top van[181]den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er inderdaad doof te worden!Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond van den 20stenAugustus over sommige teedere zaken te praten, die deSiciliaanschemaréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had hun eer en bevordering aangebracht.Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u wel laten wachten.”„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de Spanjaard.„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia, de vroegere buurvrouw van Malta deed.…”„Och kom.”„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst dezen ochtend heeft mij depakketbootte Catania aan wal gezet. De overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk op die woorden: „uwe mannen”.[182]„Ja.”„Hoeveel kerels hebt ge?”„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige snoeverij in zijne stem.„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s weinig.”„Me dunkt.”„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat wist ge!”„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven, als het er op aankomt.”„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.… Ziet, dan zou ik tevreden zijn. Die zijn tot alles in staat.”„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders optrok.„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt. Wie zijn het?”„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich vele Maltezers.”„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het Vaticaan.… Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede hoedanigheid uitmunt.… Als zij maar puik is.… dan zal dat veel vergoeden.”„Dat geloof ik ook,Zirone,”antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de proef kunnen beoordeelen.”„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten hebben.”„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons groote diensten zal kunnen bewijzen.”„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij te Malta uit?”„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al nieuwsgierig.„Pescados.”[183]„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.… Vindt ge ook niet? Wat beteekent die?”Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet wist. Toch antwoordde hij:„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk voor instaan.”„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste plaats aan, dat weet ge.”„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en zonder eenige aarzeling.„En slim?”„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat hij zoo’n dier de loef afwint.”„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar heb ik hen onder de hand.”„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al nieuwsgierig.„Morgen, bij het aanbreken van den dag.… Ten minste als er zich niets tegen verzet.”„Dat kan niet.”„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge, zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben, ontvangen zal hebben.”„Nu, mij wel!”antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat is er aan de hand?”„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen worden.”„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij niet?”„Van hem?.…”„Ja.… van hem!.… Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen, noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar.… bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”In ditoogenblikwerd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel onmogelijk door het geluid der branding op het strand[184]duidelijk kon onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden afgesloten werd.Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven voor zich uit met een streep van vuur.Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig geratel en gegil voorbijsnorde.Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte, smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar duidelijk herkend.Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci Reale verdwenen.Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in dit nachtelijk uur te vreezen was—vooronbescheidenblikken moest dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit, hetwelk het navolgende bericht bevatte:„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten. Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker Zirone te[186]doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest erkend worden.De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en zich tot Carpena wendende:„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij hem.„Neen,” antwoordde de Spanjaard.„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had gehoopt dat.…”„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de rede.„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u verbazing afpersen zal!”„Dat zullen we zien.”Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog voorzichtig rondgekeken te hebben.„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts reist, niet waar?”„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de Spanjaard.„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.„Dunkt u?”„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens voor toestemming gelden.„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de herberg Santa Grotta zijn.”„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate uit het veld geslagen was.„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.… Gij zijt toch niet moede, hoop ik?.…”„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver loopen.”En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan omgeven, voerde.Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal[187]aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden leden.Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden, al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer voordeelig middel van bestaan.In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer, door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of, zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie” zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen doorworstelde.Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten, wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier SilasToronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen![188]Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen: kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte, daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met elkander bezitten;burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen; alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord: een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten en te ontkomen.Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s, weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken, steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen, voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners, verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per vierkanten kilometer.Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief maakt.Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag[189]gevallen waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet groot was, hoewel hij beter verwacht had.De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein, als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.Er zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat tegenover Sarcany en Zirone, die den geheelen levensloop van Carpena kende, en in het bijzonder omtrent zijn verraad ten opzichte van Andreas Ferrato ingelicht waren, hij integendeel niets van het gebeurde te Triëst vernomen had. Hij meende, dat hij slechts in betrekking stond met eerlijke roovers, die sedert lange jaren hunne „zaken” in het gebergte van Sicilië dreven, maar zich overigens met geen kuiperijen ophielden.Zirone en Carpena hadden gedurende dat traject van acht Italiaansche mijlen, hetwelk de rotsen van Polyphemus van Nicolosi scheidt, geene onaangename ontmoetingen, hetgeen in hun taal wil zeggen, dat geen enkele maréchaussée zich op hun weg vertoonde. Zij volgden overigens zeer moeielijke paden, welke tusschen de wijngaarden en velden vanolijfboomen, van oranjeboomen, van cederboomen, en te midden van esschenboschjes, van elzenboschjes, van struiken van kurkeiken en van Indische vijgeboomen omhoog slingerden. Somtijds schreden zij door een van die beddingen van opgedroogde bergstroomen voorwaarts, die, van uit zee gezien, zich als zoovele gemacadamiseerde wegen voordoen, die langs de berghellingen opwaarts klimmen en waarop de ballest-welrol de scherpkantige keisteenen nog niet zou verbrijzeld hebben.De Siciliaan en de Spanjaard trokken eindelijk door de dorpen San Giovanni en Tramestieri, reeds op eene aanmerkelijke hoogte boven de oppervlakte der Middellandsche zee gelegen.Zoo omstreeks tegen half elf bereikten zij ten laatste Nicolosi. Dat is een stedeke, hetwelk in het middengedeelte gelegen is van[190]een zeer uitgestrekten cirkel, een soort van kratervormigen bergwand, ten noorden en ten westen omgeven door de uitbarstings-kegels van Monpilieri, van Monte Rossi en van Serra Pizuta; en ten oosten en ten zuiden in de eigenlijke hellingen van den Etna vervloot.Dat stedeke bezit zes kerken, vijf kapellen, een klooster, dat San Nicolo van Arena tot beschermheilige heeft, en twee herbergen, die vooral op zijne belangrijkheid duiden. Zirone en Carpena hadden daar niets te verrichten.De herberg Santa Grotta wachtte hen, en om die te bereiken, hadden zij nog ruim een uur gaans in het gebergte af te leggen.Dat moordhol was in een van de meest sombere ravijnen van het geheele Etna-bergstelsel gelegen. Zij kwamen daar dan ook niet aan, voordat het middernachtsuur op de zes klokketorens van Nicolosi geslagen had en gevoelden zich toen doodmoe.Niemand sliep te Santa Grotta. Daar werd toen, te midden van de afschuwelijkste kreeten en godslasteringen, het middagmaal gebruikt. De nieuwe door Carpena aangeworven manschappen waren daar vereenigd en omringden een ouden bandiet, Benito geheeten, die zijn naam van „gezegende” gestand deed en de eer van het huis ophield op eene wijze, die al de duivelen in de hel moest doen jubelen en juichen.Wat de overige leden der bende betrof, bestaande uit een dertigtal bergbewoners en weerspannigen aan de militiewet, die waren toen op roof uit, een twintig mijlen verder in westelijke richting, waarbij zij de tegenovergestelde helling van den Etna doorsnuffelden, die zij op brandschatting stelden, waarna zij zich bij het hoofdkwartier moesten vervoegen, om rekening en verantwoording af te leggen.Er was dus te Santa Grotta slechts het dozijn Maltezers aanwezig, die door den Spanjaard aangeworven waren, plus de oude Benito. Onder die allen brulde Pescados—onze kleine Pescadospunt—zijne partij in dat concert van verwenschingen en van vloeken, van blufferijen en godslasteringen. Maar tevens opende hij scherp de ooren; hij luisterde, hij sloeg gade, hij merkte op, om toch maar niets te laten ontglippen, wat hem vroeg of laat dienstig zou kunnen zijn. Zoo vernam hij en onthield goed een gezegde, hetwelk Benito ontviel, om het spectakel zijner gasten een poos voor de aankomst van Zirone en Carpenaeenigszinste temperen:„Houdt je mond toch, duivelsche Maltezers!”riephij met een gramstorig gelaat uit.Een hoerrah begroette toen die aanbeveling. De kerels waren in dien stond half dol.„Houdt je mond toch; men kan jullie te Cassana hooren brullen, waarheen de commissaris, die beminnelijke magistraat van de provincie, een detachement karabiniers gezonden heeft!”[191]Dat was eene grappige bedreiging. Cassana toch was ver genoeg van Santa Grotta verwijderd. Maar de nieuw aangekomenen moesten vooronderstellen, dat hun gejoel en gebrul de gehoorwerktuigen der karabiniers konden bereiken. Die karabiniers deden dienst als maréchaussées op het eiland. De kerels matigden hun geschreeuw dan ook, hoewel zij midderwijl te meer van dien Etnawijn dronken, die Benito hun overvloedig schonk, om hun welkom bij de bende te vieren. Zij waren allen min of meer onder den invloed, toen de deur van de herberg eensklaps openvloog.„Een mooi zoodje!” riep Zirone binnensmonds uit. „Bij mijne ziel! een mooi zoodje.”Allen keken met woeste blikken op. Het scheelde weinig, of zij gingen de binnentredenden te lijf. Gelukkig, dat de Spanjaard verscheen.„Carpena is gelukkig in zijne keus geweest; en ik zie dat Benito de eer van het huis ophoudt.”„Die brave kerels stierven van dorst!” antwoordde de oude bandiet op zoetsappigen toon.„En daar dat geen prettige dood is, wildet gij hen dien besparen? Dat is Christelijk gedacht.”„Voorzeker.”„Mooi! Maar laat ze nu gaan slapen! Ze hebben rust noodig. Morgen zullen we kennis maken!”„Waarom tot morgen wachten?” vroeg een der nieuwelingen, Zirone vrij brutaal aankijkende.„He?” zei Zirone, ietwat verwonderd.Het gebeurde zelden dat een zijner bende hem tegensprak.„Ja, waartoe tot morgen gewacht, met iets wat heden nog kan geschieden?” ging de nieuw aangekomene voort.„Omdat jullie te dronken zijt, om dat te begrijpen,” antwoordde Zirone zoetsappig.„Dronken!.… Dronken!.… Per Bacco!.… Wie durft dat zeggen?” was de algemeene kreet.„Voorzeker dronken! Zoudt gijlieden denken, dat ik dat niet zou durven herhalen?”„Omdat wij een paar flesschen slappen landwijn gedronken hebben?.… Drommels, als men gewend is aan de jenever en de whiskey van de kroegen in de Maderaggio, dan is van dronken zijn geen sprake!”„He! En wie is dat daar?” vroeg Zirone, die met kennersblik het troep je monsterde.„Wien bedoelt ge?” vroeg Carpena.„Dien mooien jongen.”„Dat is de kleine Pescados,” antwoordde de Spanjaard. „Dat is de kerel, van wien ik u sprak.”[192]„En wie is die dan?” vroeg Pescados op zijne beurt aan Carpena, terwijl hij de stem van den Siciliaan bedriegelijk nabootste, en met den vinger naar hem wees.„Dat is Zirone,” antwoordde de Spanjaard, met een glimlach op de lippen. „Dat is uw chef.”„Zoo, zoo,” sprak de kleine man op den meest onverschilligen toon, „isdat onze chef?”En hij bekeek den Siciliaan met een paar zeer brutale oogen, die van geen neerslaan wisten.Zirone sloeg met alle aandacht den jeugdigen bandiet, die door Carpena zoozeer geprezen was, en die zich met zoo’n gemakkelijkheid voordeed, gade. Ongetwijfeld vond hij, dat Pescados een schrander gelaat had, waarop veel vastberadenheid te lezen stond. Hij gaf althans een goedkeurenden knik met het hoofd. Daarna het woord tot Pescados richtende, vroeg hij hem:„Hebt ge evenals de anderen gedronken?”„Of ik gedronken heb? Wat ’n vraag!” zei Pescados, met verachtelijk gebaar en komiek neusoptrekken.„En toch herhaal ik die vraag. Hebt ge evenals de anderen gedronken?” vroeg Zirone andermaal.„Meer dan die lummels!” antwoordde de candidaat-bandiet meesmuilend. „Veel meer!”„En je verstand daarbij behouden?”„Het mocht wat! Dat gaat zoo gauw niet op den loop!”„Niet?”„Neen! Er moet wat anders gebeuren! Dat kan ik je verzekeren.… Heel wat anders!”„Zeg eens, kleine man,” hernam Zirone, „Carpena heeft mij straks gezegd, dat ge mij wellicht eene inlichting zoudt kunnen geven, die ik noodig heb. Luister dus!”„Eene inlichting? Te drommel!.… Gij begint, dunkt me, veeleischend te worden!”„Ja, eene inlichting.”„En,.… voor niemendal?.… Te drommel!.… Niemand arbeidt voor niets. Dat weet ge, hoop ik?”„Daar, grijp!”Zirone wierp hem een halven piaster toe, dien Pescados in de vlucht opving en onmiddellijk in den zak van zijn vest wegmoffelde, zooals een goochelaar met een muskaatnoot zoude gedaan hebben.„Hij is aardig!” zei Zirone, met een glimlach van tevredenheid op het gelaat.„Ja, zeer aardig!” antwoordde Pescados onbeschaamd. „Maar, wat wilt ge weten? Kom, vooruit!”„Kent ge Malta goed?”[193]De Faraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)DeFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)[194]„Als het innerlijke van mijn zak! Maar niet alleen Malta, maar ook Italië, en Istrië, en Dalmatië, en de Adriatische zee,” antwoordde Pescados. „Is dat genoeg? Wilt ge nog meer?”„Ge hebt dus gereisd?”„Veel, maar steeds voor eigen rekening!”„Dat is nog al leuk,” viel Zirone lachende in, en herhaalde: „Dat is nog al leuk.”„Waarom is dat leuk, en waarom lacht gij zoo?” vroeg Pescadospunt, schijnbaar vertoornd.„Ik raad je, nooit anders te reizen; want wanneer je voor rekening van het gouvernement reist, dan.…”„Is het te duur!” viel Pescados in. „Ja, dat begrijpt een kind en behoeft gij mij niet te vertellen.”„Juist, zooals ge zegt: te duur,” antwoordde Zirone, die zich de handen wreef en vergenoegd was, dat hij in dien nieuwen makker iemand aantrof, met wien ten minste te praten was.„Maar, nu verder?” hernam de schrandere jongen. „Gij hebt toch geen inlichtingen omtrent mijne reisgelegenheden noodig?”„Verder?.…”„Ja.… verder.… de inlichting, die ge noodig hebt?”„Dat ’s waar ook. Ziehier! Pescados,” ging Zirone voort, alsof hij zich plotseling iets herinnerde, wat hem voor een oogenblik ontschoten was, „hebt ge ooit bij uwe menigvuldige omzwervingen van een zekeren dokter Antekirrt hooren spreken?”Met alle zijne schranderheid kon Pescadospunt onmogelijk die vraag verwachten. Hij wist evenwel zooveel zelfbeheersching uit te oefenen, dat hij van zijne verbazing niets liet merken.Maar hoe kon Zirone, die niet te Ragusa was, terwijl deSavarenadaar geankerd had gelegen, en die niet te Malta vertoefde, toen deFerratodaar repareerde, hebben hooren spreken van dokter Antekirrt? En hoe kwam hij zelfs aan dien naam? Ziet, dat waren vragen die in ditoogenblikhet brein van den kleinen man bestormden.Maar hij begreep met zijnpractischverstand terstond, dat zijn antwoord hem van zeer veel nut kon zijn; daarom aarzelde hij dan ook geen oogenblik.„Dokter Antekirrt?.…”vroeg hij om tijd te winnen. „Dokter Antekirrt?”„Ja, dokter Antekirrt,” herhaalde Zirone.„Zeker heb ik van hem gehoord!”„Welnu?”„Langs de geheele Middellandsche zee—en die is nog al uitgebreid—is slechts sprake over hem!”„Hebt gij hem gezien? Of hebt gij hem soms ook gesproken?” vroeg Zirone eenigszins wantrouwend.[195]„Nooit; noch het een noch het ander.”„Maar weet gij wie hij is, die dokter? Daaromtrent zult gij toch wel iets vernomen hebben?”„Wie hij is?.… Een arme drommel.”„Wat, een arme drommel? Houdt ge mij voor den gek?” vroeg Zirone vertoornd.„Zeker, een arme drommel, die zoo wat honderd maalmillionnairis, zooals men ten minste beweert. Gij begrijpt, dat ik al die millioenen niet heb kunnen tellen.”„Een aangename mededeeling intusschen,” grinnikte Zirone met een soort van welbehagen.„Die nooit gaat wandelen, zonder in iederen zak van zijn overjas een millioen te hebben.”„En heeft die overjas veel zakken?” vroeg de bandiet met van hebzucht fonkelende oogen.„Slechts zes!.… Het is weinig, dat beken ik,” zei Pescadospunt glimlachende.„En verder?.…”„Dokter Antekirrt is een arme drommel, die er door zijne droomerijen toe gebracht werd, om de geneeskunde voor liefhebberij uit te oefenen, en daarvoor nu eens met zijn goeletSavarena, dan weer met zijn stoomjachtFerratorondreist engeneesmiddelenbezit voor de twee en twintig duizend ziekten, waarmede de natuur het menschenras zoo liefderijk begiftigd heeft.”Het potsenmakerskarakter van vroeger was bij Pescadospunt weer zeer ter snede boven gekomen en zijne snakerijen namen niet minder Zirone dan Carpena in, die scheen te zeggen:„Welnu, hoe denkt gij er over?.… Welk eene aanwinst!.… Niet waar?.… Zoo’n kerel!”Pescados zweeg en stak eene sigarette aan, waarvan hij den grilligen rook tegelijkertijd uit den neus, uit de oogen en zelfs uit de ooren liet ontsnappen. De beide anderen keken hem verwonderd aan.„Ge denkt dus, dat die dokter rijk is?” vroeg Zirone begeerig en met de lippen smakkend.„Rijk, vraagt gij? Hij is zoo rijk, dat hij het geheele eiland Sicilië kan koopen, om er zich een Engelsch park van te vervaardigen,” antwoordde Pescadospunt.Toen, bedenkende dat het oogenblik wellicht gekomen was, om Zirone het denkbeeld in te fluisteren van het plan, welks uitvoering hij persoonlijk najaagde:„Ziet, vervolgde hij dan ook, „al heb ik dien dokter Antekirrt in eigen persoon niet gezien, dan heb ik toch een zijner pleizierjachten kunnen bewonderen.”[196]„Een zijner pleizierjachten? Houdt hij er pleizierjachten op na?” vroeg Zirone geheel en al verlokt.„Men zegt, dat hij eene geheele flottilje er op nahoudt, om zijne tochtjes op de Middellandsche zee te kunnen volvoeren en de verschillende kusten van dat meerbekken te bezoeken.”„Een zijner pleizierjachten?” herhaalde Zirone voortdurend met de grootste verwondering.„Ja, deFerrato! Een prachtig vaartuig, dat mij zeer ter stade zoude komen, om tochten in de baai van Napels te ondernemen, met een of twee vorstinnen mijner keuze!”„En waar hebt ge dat jacht gezien, vriend Pescados?” was de nieuwsgierige vraag.„Te Malta,” antwoordde Pescados, zonder de minste aarzeling. „In de Militaire haven.”„Wanneer?”„Wanneer?.… Laat zien.… Wel, niet later dan gisteren,” antwoordde de kleine man zonder bedenken.„Gisteren?”„Wel zeker, te La Valletta. Toen wij ons met onzen aanvoerder Carpena inscheepten, lag het nog in de Militaire haven ten anker. Maar men vertelde, dat het vier en twintig uren later vertrekken zou.”„Waarheen? Zijt gij dat soms ook te weten gekomen, vriend Pescados?” vroeg Zirone.„Eh, eh! Juist naar Sicilië, naar Catania! Ja, dat vernam ik nog even vóór onze inscheping.”„Naar Catania?” herhaalde Zirone nadenkend. „Weet gij dat zeker? Naar Catania?”Die overeenkomst van het vertrek van dokter Antekirrt met de waarschuwing, die hij ontvangen had, om dien man te wantrouwen kon niet anders dan de achterdocht van den makker van Sarcany opwekken.Pescadospunt begreep, dat zekere geheime gedachte in het brein van Zirone broeide. Maar welke?Toen hij haar niet kon raden, besloot hij meer bepaald er op los te gaan. Toen Zirone dan ook vroeg:„Wat kon die duivelsche dokter in Sicilië uit te voeren hebben? En juist te Catania?”„Wel nu nog mooier! Wat hij hier wil uitvoeren? Wel niets! Volstrekt niets! Dat begrijpt gij.”„Niets?”„De stad bezoeken, den Etna beklimmen; in één woord: rondboemelen als een rijk heer, die hij is.”„Pescados,” zei Zirone, die van tijd tot tijd eene zekere achterdocht[197]in zich voelde opwellen, „het komt mij voor, dat gij meer van dien man weet, dat gij thans wel vertelt.”„Niet meer dan ik u mededeel. Maar ik zou meer uitvoeren, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen.”„Wat wilt ge zeggen? Wat zoudt gij willen uitvoeren?” vroeg Zirone nieuwsgierig.„Dat’s duidelijk genoeg, dunkt me,” mompelde Pescadospunt schier onhoorbaar.„Voor mij evenwel niet. Gij dient duidelijker te spreken, vriend Pescados,” hernam de Siciliaan.„Welnu, ik wil zeggen, dat wanneer die dokter Antekirrt, zooals vermoedelijk is, op ons grondgebied zal komen wandelen, Zijne Excellentie ons een aardig losgeld te betalen zal hebben.”„Zoo, meen je dat?”„En als hem dat slechts een of twee millioen zal kosten, dan komt hij er goedkoop af.”„Vind je?.… Ja, het is waar: die overjas met die zes zakken, niet waar? Maar zijn die zakken altijd gevuld?”„En dan zou kunnen gezegd worden, dat Zirone en zijne vrienden echte schaapskoppen zullen geweest zijn,” ging Pescadospunt voort, zonder op de laatste vraag te antwoorden.„Goed gezegd,” antwoordde Zirone lachende. „Na dat compliment aan ons adres kun je gaan slapen.”„Dat lijkt mij, kapitein,” antwoordde Pescados, „maar ik weet wel, waarvan ik droomen ga.”„Waarvan, zeg?”„Van de millioenen van dokter Antekirrt.… Dat zullen gulden droomen zijn, niet waar?”En daarop ging Pescados, na nog eene laatste rookwolk van zijn sigarette uitgeblazen te hebben, zijn makker in de schuur der herberg opzoeken, terwijl Carpena naar zijn vertrek ging.En toen, in plaats van te slapen, hield de brave kerel zich onledig met hetgeen hij gedaan en gezegd had behoorlijk in zijn brein te ordenen. Dat was niet gemakkelijk. Dit moest hij erkennen.Had hij inderdaad van het oogenblik, dat Zirone tot zijne groote verwondering hem over dokter Antekirrt gesproken had, de belangen behoorlijk behartigd die hem toevertrouwd waren? Dat de lezer oordeele!De dokter hoopte bij zijn verblijf op Sicilië Sarcany, en, voor het geval dat zij er te zamen waren, ook Silas Toronthal te ontmoeten. Dat was toch mogelijk, daar beide Ragusa verlaten hadden. Mocht dat tegenvallen, dan zou hij, bij afwezigheid van Sarcany, zich van Zirone meester kunnen maken. Daarna zou hij dezen, hetzij door hem te beloonen, hetzij door hem te dreigen, er wel toe brengen, om te vertellen,[198]waar Sarcany en Silas Toronthal zich ophielden. Twijfel aan den uitslag van dat beraamde plan kwam volstrekt niet bij hem op.Dat was zijn voornemen, en ziehier hoe hij dat dacht uit te voeren.Het was eenvoudig genoeg.De dokter had in zijne jeugd Sicilië verscheidene malen bezocht en dan voornamelijk in de omstreken van den Etna vertoefd. Hij kende de verschillende wegen, welke de bergbestijgers gewoonlijk insloegen. De meest gekozene slingert aan den voet een zonderling huis voorbij, hetwelk aan den benedenrand van den uitbarstingskrater gebouwd is en de „Casa Inglese”, het Engelsche huis genoemd wordt.Nu hield de bende van Zirone, waarvoor Carpena versterking te Malta aangeworven had, strooptochten op de hellingen van den Etna. Het was dus zeker, dat de aankomst van een zoo beroemd persoon, als dokter Antekirrt was, hare gewone uitwerking te Catania zoude uitoefenen. Daar nu de dokter openlijk had laten verkondigen, dat hij den Etna wilde beklimmen, kon het boven allen twijfel verheven gerekend worden, dat Zirone zulks vernemen zoude, vooral als Pescadospunt er zich in mengde. De lezer heeft kunnen bespeuren, dat de aanleg der zaak niet moeilijk was geweest, daar Zirone zelve Pescados over dokter Antekirrt ondervraagd had.Ziehier nu de valstrik, die Zirone gespannen werd, en waarin hij alle kans had zich te verstrikken.Daags voor den bepaalden dag, dat de dokter de vulkaanbeklimming zou ondernemen, moesten twaalf goed gewapende mannen van deFerratozich heimelijk naar de Casa Inglese begeven. Den volgenden dag zouden de dokter, vergezeld van Luigi Ferrato, van Piet Bathory en van een gids, Catania verlaten en den gewonen weg volgen, zoodanig dat zij de Casa Inglese tegen acht uur des avonds konden bereiken.Zoo doen de toeristen, die boven op den Etna de zon willen zien opgaan, hetgeen door het oostwaarts gelegen gebergte een bewonderenswaardig gezicht oplevert.De Casa Inglese is door eenigereizigers, die uitermate veel van comfort hielden, daargesteld. Zij is prachtig gelegen op ongeveer drie duizend meters boven de oppervlakte der zee.Ongetwijfeld was het de wensch van Zirone, daartoe door Pescadospunt opgehitst, te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, vooral daar hij meende, dat hij slechts met hem en zijne twee metgezellen te doen zoude hebben. Wanneer hij echter bij de Casa Inglese zoude aankomen, zou hij door de zeelieden derFerratowarm ontvangen worden en zou alle weerstand vruchteloos, ja onmogelijk zijn.Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Pescadospunt, die dat plan kende, had dus zeer behendig van de[200]omstandigheden partij getrokken, om het denkbeeld in het brein van Zirone op te wekken, zich van dokter Antekirrt meester te maken. Dat zou een zeer rijke prooi zijn, die hij naar hartelust zou kunnen uitplunderen, zonder daarbij de waarschuwing uit het oog te verliezen, die hij ontvangen had. Was het bovendien niet het zekerste, nu hij zich voor dien dokter moest wachten, hem in zijne macht te krijgen, al moest hij dan ook daarvoor den losprijs, dien hij bedingen kon, verliezen? Hoe meer de bandiet er over nadacht, hoe meer de zaak hem toelachte.Zirone ging tot dat besluit over, in afwachting van nieuwe instructies van Sarcany.Maar om des te zekerder omtrent het welslagen te zijn, rekende hij, dewijl zijne geheele bende niet bij de hand was, die oplichting uit te voeren met behulp der Maltezers van Carpena. Dat kon Pescadospunt geene onrust inboezemen, daar die twaalf booswichten wel in bedwang zouden gehouden worden door de zeelieden van deFerrato. Die Maltezers waren inderdaad nog slechts nieuwelingen in het werk.Maar Zirone liet zelden of nooit iets aan het toeval over, wanneer hij anders handelen kon.Daar volgens beweren van Pescados het stoomjacht den volgenden dag moest aankomen, zoo verliet hij in den vroegen ochtend de herberg Santa Grotta, daalde de hoogte af en begaf zich naar Catania. Dewijl hij in die plaats niet bekend was, kon hij dien tocht zonder gevaar hoegenaamd ondernemen. Niemand zou hem verdenken.Het stoomjacht was toen reeds sedert eenige uren op de ankerplaats aangekomen. Het had niet aangelegd bij de haven, waarbij zich de vaartuigen steeds verdrongen, maar het was ten anker gekomen in eene soort van voorhaven, gelegen tusschen den noorderpier en een kolossaal rotsgevaarte van zwartachtige lava, die door de uitbarsting van 1669 tot bij den zeeoever voortgestuwd was. Daar lag het vaartuig veilig.Reeds bij het aanbreken van den dag werden Kaap Matifou en elf man der equipage onder aanvoering van Luigi Ferrato te Catania ontscheept, waarna zij zich ieder afzonderlijk op weg begeven hadden naar de Casa Inglese.Zirone wist dus niets van die ontscheping, en daar deFerratoop eene kabellengte van den wal verwijderd ten anker lag, kon hij zelfs niet gadeslaan, wat er aan boord voorviel. Dat was, de lezer moet het erkennen, eene gelukkige omstandigheid.Tegen zes uur des avonds zette de barkas twee passagiers van het stoomjacht aan wal. Dat waren dokter Antekirrt en Piet Bathory. Zij richtten hunne schreden, terwijl zij de Via Stesicoro en de Strada Etna insloegen, naar de Villa Ballini, een bewonderenswaardige[201]publieke tuin, een der fraaiste, zoo niet de fraaiste wellicht van geheel Europa, met zijne bloemperken, zijne boschjes van sierplanten, zijne paden langs grillige hellingen, zijne terrassen, beschaduwd door zwaar en hoog geboomte, zijne levendige en murmelende beken, en dan die prachtige vulkaan, welke aan den gezichteinder verrijst en steeds met eene rookpluim getooid is, Inderdaad, die vallei is verrukkelijk.Zirone had de twee passagiers achtervolgd en twijfelde er niet aan, of een hunner was dokter Antekirrt. Hij sloop zoodanig voorwaarts, dat hij hen vrij nabij naderde te midden van de menigte, die in de villa Bellini naar de muziek was komen luisteren en zich daar vrij laat ophield. Hoe geheimzinnig hij dit had pogen te doen, hadden de dokter en Piet Bathory toch de geniepige omdolingen bemerkt van dien kerel met dat argwaanwekkende gelaat. Als dat de door hen bedoelde Zirone was, dan—dat moesten zij erkennen—was de gelegenheid schoon om hem verder in den valstrik te lokken, waarin zij hem vangen wilden. Onmerkbaar knikten zij elkander toe.Tegen elf uren in den avond dan ook, juist toen beiden den openbaren tuin wilden verlaten, om naar boord terug te keeren, zei de dokter met gedempte stem tot Piet:„Dat is dan afgesproken, morgen zullen wij op weg gaan en zullen den nacht in de Casa Inglese doorbrengen.”„Hoe laat het vertrek?” vroeg Piet Bathory, even onverschillig, of hij gehoord werd of niet.„Dat zullen wij aan boord van deFerratobepalen,” antwoordde dokter Antekirrt.De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten; want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas spoorloos verdwenen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.
X.IN DE OMSTREKEN VAN CATANIA.
Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder ruweoppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel, glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper, en die had voorwaar andere inzichten.Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen, de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet uitgezonderd.In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte, hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verdernoordwaartsde klippen van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw koninkrijk te stichten.Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top van[181]den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er inderdaad doof te worden!Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond van den 20stenAugustus over sommige teedere zaken te praten, die deSiciliaanschemaréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had hun eer en bevordering aangebracht.Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u wel laten wachten.”„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de Spanjaard.„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia, de vroegere buurvrouw van Malta deed.…”„Och kom.”„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst dezen ochtend heeft mij depakketbootte Catania aan wal gezet. De overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk op die woorden: „uwe mannen”.[182]„Ja.”„Hoeveel kerels hebt ge?”„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige snoeverij in zijne stem.„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s weinig.”„Me dunkt.”„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat wist ge!”„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven, als het er op aankomt.”„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.… Ziet, dan zou ik tevreden zijn. Die zijn tot alles in staat.”„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders optrok.„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt. Wie zijn het?”„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich vele Maltezers.”„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het Vaticaan.… Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede hoedanigheid uitmunt.… Als zij maar puik is.… dan zal dat veel vergoeden.”„Dat geloof ik ook,Zirone,”antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de proef kunnen beoordeelen.”„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten hebben.”„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons groote diensten zal kunnen bewijzen.”„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij te Malta uit?”„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al nieuwsgierig.„Pescados.”[183]„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.… Vindt ge ook niet? Wat beteekent die?”Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet wist. Toch antwoordde hij:„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk voor instaan.”„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste plaats aan, dat weet ge.”„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en zonder eenige aarzeling.„En slim?”„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat hij zoo’n dier de loef afwint.”„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar heb ik hen onder de hand.”„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al nieuwsgierig.„Morgen, bij het aanbreken van den dag.… Ten minste als er zich niets tegen verzet.”„Dat kan niet.”„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge, zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben, ontvangen zal hebben.”„Nu, mij wel!”antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat is er aan de hand?”„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen worden.”„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij niet?”„Van hem?.…”„Ja.… van hem!.… Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen, noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar.… bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”In ditoogenblikwerd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel onmogelijk door het geluid der branding op het strand[184]duidelijk kon onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden afgesloten werd.Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven voor zich uit met een streep van vuur.Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig geratel en gegil voorbijsnorde.Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte, smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar duidelijk herkend.Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci Reale verdwenen.Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in dit nachtelijk uur te vreezen was—vooronbescheidenblikken moest dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit, hetwelk het navolgende bericht bevatte:„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten. Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker Zirone te[186]doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest erkend worden.De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en zich tot Carpena wendende:„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij hem.„Neen,” antwoordde de Spanjaard.„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had gehoopt dat.…”„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de rede.„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u verbazing afpersen zal!”„Dat zullen we zien.”Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog voorzichtig rondgekeken te hebben.„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts reist, niet waar?”„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de Spanjaard.„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.„Dunkt u?”„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens voor toestemming gelden.„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de herberg Santa Grotta zijn.”„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate uit het veld geslagen was.„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.… Gij zijt toch niet moede, hoop ik?.…”„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver loopen.”En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan omgeven, voerde.Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal[187]aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden leden.Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden, al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer voordeelig middel van bestaan.In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer, door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of, zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie” zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen doorworstelde.Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten, wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier SilasToronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen![188]Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen: kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte, daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met elkander bezitten;burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen; alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord: een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten en te ontkomen.Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s, weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken, steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen, voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners, verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per vierkanten kilometer.Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief maakt.Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag[189]gevallen waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet groot was, hoewel hij beter verwacht had.De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein, als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.Er zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat tegenover Sarcany en Zirone, die den geheelen levensloop van Carpena kende, en in het bijzonder omtrent zijn verraad ten opzichte van Andreas Ferrato ingelicht waren, hij integendeel niets van het gebeurde te Triëst vernomen had. Hij meende, dat hij slechts in betrekking stond met eerlijke roovers, die sedert lange jaren hunne „zaken” in het gebergte van Sicilië dreven, maar zich overigens met geen kuiperijen ophielden.Zirone en Carpena hadden gedurende dat traject van acht Italiaansche mijlen, hetwelk de rotsen van Polyphemus van Nicolosi scheidt, geene onaangename ontmoetingen, hetgeen in hun taal wil zeggen, dat geen enkele maréchaussée zich op hun weg vertoonde. Zij volgden overigens zeer moeielijke paden, welke tusschen de wijngaarden en velden vanolijfboomen, van oranjeboomen, van cederboomen, en te midden van esschenboschjes, van elzenboschjes, van struiken van kurkeiken en van Indische vijgeboomen omhoog slingerden. Somtijds schreden zij door een van die beddingen van opgedroogde bergstroomen voorwaarts, die, van uit zee gezien, zich als zoovele gemacadamiseerde wegen voordoen, die langs de berghellingen opwaarts klimmen en waarop de ballest-welrol de scherpkantige keisteenen nog niet zou verbrijzeld hebben.De Siciliaan en de Spanjaard trokken eindelijk door de dorpen San Giovanni en Tramestieri, reeds op eene aanmerkelijke hoogte boven de oppervlakte der Middellandsche zee gelegen.Zoo omstreeks tegen half elf bereikten zij ten laatste Nicolosi. Dat is een stedeke, hetwelk in het middengedeelte gelegen is van[190]een zeer uitgestrekten cirkel, een soort van kratervormigen bergwand, ten noorden en ten westen omgeven door de uitbarstings-kegels van Monpilieri, van Monte Rossi en van Serra Pizuta; en ten oosten en ten zuiden in de eigenlijke hellingen van den Etna vervloot.Dat stedeke bezit zes kerken, vijf kapellen, een klooster, dat San Nicolo van Arena tot beschermheilige heeft, en twee herbergen, die vooral op zijne belangrijkheid duiden. Zirone en Carpena hadden daar niets te verrichten.De herberg Santa Grotta wachtte hen, en om die te bereiken, hadden zij nog ruim een uur gaans in het gebergte af te leggen.Dat moordhol was in een van de meest sombere ravijnen van het geheele Etna-bergstelsel gelegen. Zij kwamen daar dan ook niet aan, voordat het middernachtsuur op de zes klokketorens van Nicolosi geslagen had en gevoelden zich toen doodmoe.Niemand sliep te Santa Grotta. Daar werd toen, te midden van de afschuwelijkste kreeten en godslasteringen, het middagmaal gebruikt. De nieuwe door Carpena aangeworven manschappen waren daar vereenigd en omringden een ouden bandiet, Benito geheeten, die zijn naam van „gezegende” gestand deed en de eer van het huis ophield op eene wijze, die al de duivelen in de hel moest doen jubelen en juichen.Wat de overige leden der bende betrof, bestaande uit een dertigtal bergbewoners en weerspannigen aan de militiewet, die waren toen op roof uit, een twintig mijlen verder in westelijke richting, waarbij zij de tegenovergestelde helling van den Etna doorsnuffelden, die zij op brandschatting stelden, waarna zij zich bij het hoofdkwartier moesten vervoegen, om rekening en verantwoording af te leggen.Er was dus te Santa Grotta slechts het dozijn Maltezers aanwezig, die door den Spanjaard aangeworven waren, plus de oude Benito. Onder die allen brulde Pescados—onze kleine Pescadospunt—zijne partij in dat concert van verwenschingen en van vloeken, van blufferijen en godslasteringen. Maar tevens opende hij scherp de ooren; hij luisterde, hij sloeg gade, hij merkte op, om toch maar niets te laten ontglippen, wat hem vroeg of laat dienstig zou kunnen zijn. Zoo vernam hij en onthield goed een gezegde, hetwelk Benito ontviel, om het spectakel zijner gasten een poos voor de aankomst van Zirone en Carpenaeenigszinste temperen:„Houdt je mond toch, duivelsche Maltezers!”riephij met een gramstorig gelaat uit.Een hoerrah begroette toen die aanbeveling. De kerels waren in dien stond half dol.„Houdt je mond toch; men kan jullie te Cassana hooren brullen, waarheen de commissaris, die beminnelijke magistraat van de provincie, een detachement karabiniers gezonden heeft!”[191]Dat was eene grappige bedreiging. Cassana toch was ver genoeg van Santa Grotta verwijderd. Maar de nieuw aangekomenen moesten vooronderstellen, dat hun gejoel en gebrul de gehoorwerktuigen der karabiniers konden bereiken. Die karabiniers deden dienst als maréchaussées op het eiland. De kerels matigden hun geschreeuw dan ook, hoewel zij midderwijl te meer van dien Etnawijn dronken, die Benito hun overvloedig schonk, om hun welkom bij de bende te vieren. Zij waren allen min of meer onder den invloed, toen de deur van de herberg eensklaps openvloog.„Een mooi zoodje!” riep Zirone binnensmonds uit. „Bij mijne ziel! een mooi zoodje.”Allen keken met woeste blikken op. Het scheelde weinig, of zij gingen de binnentredenden te lijf. Gelukkig, dat de Spanjaard verscheen.„Carpena is gelukkig in zijne keus geweest; en ik zie dat Benito de eer van het huis ophoudt.”„Die brave kerels stierven van dorst!” antwoordde de oude bandiet op zoetsappigen toon.„En daar dat geen prettige dood is, wildet gij hen dien besparen? Dat is Christelijk gedacht.”„Voorzeker.”„Mooi! Maar laat ze nu gaan slapen! Ze hebben rust noodig. Morgen zullen we kennis maken!”„Waarom tot morgen wachten?” vroeg een der nieuwelingen, Zirone vrij brutaal aankijkende.„He?” zei Zirone, ietwat verwonderd.Het gebeurde zelden dat een zijner bende hem tegensprak.„Ja, waartoe tot morgen gewacht, met iets wat heden nog kan geschieden?” ging de nieuw aangekomene voort.„Omdat jullie te dronken zijt, om dat te begrijpen,” antwoordde Zirone zoetsappig.„Dronken!.… Dronken!.… Per Bacco!.… Wie durft dat zeggen?” was de algemeene kreet.„Voorzeker dronken! Zoudt gijlieden denken, dat ik dat niet zou durven herhalen?”„Omdat wij een paar flesschen slappen landwijn gedronken hebben?.… Drommels, als men gewend is aan de jenever en de whiskey van de kroegen in de Maderaggio, dan is van dronken zijn geen sprake!”„He! En wie is dat daar?” vroeg Zirone, die met kennersblik het troep je monsterde.„Wien bedoelt ge?” vroeg Carpena.„Dien mooien jongen.”„Dat is de kleine Pescados,” antwoordde de Spanjaard. „Dat is de kerel, van wien ik u sprak.”[192]„En wie is die dan?” vroeg Pescados op zijne beurt aan Carpena, terwijl hij de stem van den Siciliaan bedriegelijk nabootste, en met den vinger naar hem wees.„Dat is Zirone,” antwoordde de Spanjaard, met een glimlach op de lippen. „Dat is uw chef.”„Zoo, zoo,” sprak de kleine man op den meest onverschilligen toon, „isdat onze chef?”En hij bekeek den Siciliaan met een paar zeer brutale oogen, die van geen neerslaan wisten.Zirone sloeg met alle aandacht den jeugdigen bandiet, die door Carpena zoozeer geprezen was, en die zich met zoo’n gemakkelijkheid voordeed, gade. Ongetwijfeld vond hij, dat Pescados een schrander gelaat had, waarop veel vastberadenheid te lezen stond. Hij gaf althans een goedkeurenden knik met het hoofd. Daarna het woord tot Pescados richtende, vroeg hij hem:„Hebt ge evenals de anderen gedronken?”„Of ik gedronken heb? Wat ’n vraag!” zei Pescados, met verachtelijk gebaar en komiek neusoptrekken.„En toch herhaal ik die vraag. Hebt ge evenals de anderen gedronken?” vroeg Zirone andermaal.„Meer dan die lummels!” antwoordde de candidaat-bandiet meesmuilend. „Veel meer!”„En je verstand daarbij behouden?”„Het mocht wat! Dat gaat zoo gauw niet op den loop!”„Niet?”„Neen! Er moet wat anders gebeuren! Dat kan ik je verzekeren.… Heel wat anders!”„Zeg eens, kleine man,” hernam Zirone, „Carpena heeft mij straks gezegd, dat ge mij wellicht eene inlichting zoudt kunnen geven, die ik noodig heb. Luister dus!”„Eene inlichting? Te drommel!.… Gij begint, dunkt me, veeleischend te worden!”„Ja, eene inlichting.”„En,.… voor niemendal?.… Te drommel!.… Niemand arbeidt voor niets. Dat weet ge, hoop ik?”„Daar, grijp!”Zirone wierp hem een halven piaster toe, dien Pescados in de vlucht opving en onmiddellijk in den zak van zijn vest wegmoffelde, zooals een goochelaar met een muskaatnoot zoude gedaan hebben.„Hij is aardig!” zei Zirone, met een glimlach van tevredenheid op het gelaat.„Ja, zeer aardig!” antwoordde Pescados onbeschaamd. „Maar, wat wilt ge weten? Kom, vooruit!”„Kent ge Malta goed?”[193]De Faraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)DeFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)[194]„Als het innerlijke van mijn zak! Maar niet alleen Malta, maar ook Italië, en Istrië, en Dalmatië, en de Adriatische zee,” antwoordde Pescados. „Is dat genoeg? Wilt ge nog meer?”„Ge hebt dus gereisd?”„Veel, maar steeds voor eigen rekening!”„Dat is nog al leuk,” viel Zirone lachende in, en herhaalde: „Dat is nog al leuk.”„Waarom is dat leuk, en waarom lacht gij zoo?” vroeg Pescadospunt, schijnbaar vertoornd.„Ik raad je, nooit anders te reizen; want wanneer je voor rekening van het gouvernement reist, dan.…”„Is het te duur!” viel Pescados in. „Ja, dat begrijpt een kind en behoeft gij mij niet te vertellen.”„Juist, zooals ge zegt: te duur,” antwoordde Zirone, die zich de handen wreef en vergenoegd was, dat hij in dien nieuwen makker iemand aantrof, met wien ten minste te praten was.„Maar, nu verder?” hernam de schrandere jongen. „Gij hebt toch geen inlichtingen omtrent mijne reisgelegenheden noodig?”„Verder?.…”„Ja.… verder.… de inlichting, die ge noodig hebt?”„Dat ’s waar ook. Ziehier! Pescados,” ging Zirone voort, alsof hij zich plotseling iets herinnerde, wat hem voor een oogenblik ontschoten was, „hebt ge ooit bij uwe menigvuldige omzwervingen van een zekeren dokter Antekirrt hooren spreken?”Met alle zijne schranderheid kon Pescadospunt onmogelijk die vraag verwachten. Hij wist evenwel zooveel zelfbeheersching uit te oefenen, dat hij van zijne verbazing niets liet merken.Maar hoe kon Zirone, die niet te Ragusa was, terwijl deSavarenadaar geankerd had gelegen, en die niet te Malta vertoefde, toen deFerratodaar repareerde, hebben hooren spreken van dokter Antekirrt? En hoe kwam hij zelfs aan dien naam? Ziet, dat waren vragen die in ditoogenblikhet brein van den kleinen man bestormden.Maar hij begreep met zijnpractischverstand terstond, dat zijn antwoord hem van zeer veel nut kon zijn; daarom aarzelde hij dan ook geen oogenblik.„Dokter Antekirrt?.…”vroeg hij om tijd te winnen. „Dokter Antekirrt?”„Ja, dokter Antekirrt,” herhaalde Zirone.„Zeker heb ik van hem gehoord!”„Welnu?”„Langs de geheele Middellandsche zee—en die is nog al uitgebreid—is slechts sprake over hem!”„Hebt gij hem gezien? Of hebt gij hem soms ook gesproken?” vroeg Zirone eenigszins wantrouwend.[195]„Nooit; noch het een noch het ander.”„Maar weet gij wie hij is, die dokter? Daaromtrent zult gij toch wel iets vernomen hebben?”„Wie hij is?.… Een arme drommel.”„Wat, een arme drommel? Houdt ge mij voor den gek?” vroeg Zirone vertoornd.„Zeker, een arme drommel, die zoo wat honderd maalmillionnairis, zooals men ten minste beweert. Gij begrijpt, dat ik al die millioenen niet heb kunnen tellen.”„Een aangename mededeeling intusschen,” grinnikte Zirone met een soort van welbehagen.„Die nooit gaat wandelen, zonder in iederen zak van zijn overjas een millioen te hebben.”„En heeft die overjas veel zakken?” vroeg de bandiet met van hebzucht fonkelende oogen.„Slechts zes!.… Het is weinig, dat beken ik,” zei Pescadospunt glimlachende.„En verder?.…”„Dokter Antekirrt is een arme drommel, die er door zijne droomerijen toe gebracht werd, om de geneeskunde voor liefhebberij uit te oefenen, en daarvoor nu eens met zijn goeletSavarena, dan weer met zijn stoomjachtFerratorondreist engeneesmiddelenbezit voor de twee en twintig duizend ziekten, waarmede de natuur het menschenras zoo liefderijk begiftigd heeft.”Het potsenmakerskarakter van vroeger was bij Pescadospunt weer zeer ter snede boven gekomen en zijne snakerijen namen niet minder Zirone dan Carpena in, die scheen te zeggen:„Welnu, hoe denkt gij er over?.… Welk eene aanwinst!.… Niet waar?.… Zoo’n kerel!”Pescados zweeg en stak eene sigarette aan, waarvan hij den grilligen rook tegelijkertijd uit den neus, uit de oogen en zelfs uit de ooren liet ontsnappen. De beide anderen keken hem verwonderd aan.„Ge denkt dus, dat die dokter rijk is?” vroeg Zirone begeerig en met de lippen smakkend.„Rijk, vraagt gij? Hij is zoo rijk, dat hij het geheele eiland Sicilië kan koopen, om er zich een Engelsch park van te vervaardigen,” antwoordde Pescadospunt.Toen, bedenkende dat het oogenblik wellicht gekomen was, om Zirone het denkbeeld in te fluisteren van het plan, welks uitvoering hij persoonlijk najaagde:„Ziet, vervolgde hij dan ook, „al heb ik dien dokter Antekirrt in eigen persoon niet gezien, dan heb ik toch een zijner pleizierjachten kunnen bewonderen.”[196]„Een zijner pleizierjachten? Houdt hij er pleizierjachten op na?” vroeg Zirone geheel en al verlokt.„Men zegt, dat hij eene geheele flottilje er op nahoudt, om zijne tochtjes op de Middellandsche zee te kunnen volvoeren en de verschillende kusten van dat meerbekken te bezoeken.”„Een zijner pleizierjachten?” herhaalde Zirone voortdurend met de grootste verwondering.„Ja, deFerrato! Een prachtig vaartuig, dat mij zeer ter stade zoude komen, om tochten in de baai van Napels te ondernemen, met een of twee vorstinnen mijner keuze!”„En waar hebt ge dat jacht gezien, vriend Pescados?” was de nieuwsgierige vraag.„Te Malta,” antwoordde Pescados, zonder de minste aarzeling. „In de Militaire haven.”„Wanneer?”„Wanneer?.… Laat zien.… Wel, niet later dan gisteren,” antwoordde de kleine man zonder bedenken.„Gisteren?”„Wel zeker, te La Valletta. Toen wij ons met onzen aanvoerder Carpena inscheepten, lag het nog in de Militaire haven ten anker. Maar men vertelde, dat het vier en twintig uren later vertrekken zou.”„Waarheen? Zijt gij dat soms ook te weten gekomen, vriend Pescados?” vroeg Zirone.„Eh, eh! Juist naar Sicilië, naar Catania! Ja, dat vernam ik nog even vóór onze inscheping.”„Naar Catania?” herhaalde Zirone nadenkend. „Weet gij dat zeker? Naar Catania?”Die overeenkomst van het vertrek van dokter Antekirrt met de waarschuwing, die hij ontvangen had, om dien man te wantrouwen kon niet anders dan de achterdocht van den makker van Sarcany opwekken.Pescadospunt begreep, dat zekere geheime gedachte in het brein van Zirone broeide. Maar welke?Toen hij haar niet kon raden, besloot hij meer bepaald er op los te gaan. Toen Zirone dan ook vroeg:„Wat kon die duivelsche dokter in Sicilië uit te voeren hebben? En juist te Catania?”„Wel nu nog mooier! Wat hij hier wil uitvoeren? Wel niets! Volstrekt niets! Dat begrijpt gij.”„Niets?”„De stad bezoeken, den Etna beklimmen; in één woord: rondboemelen als een rijk heer, die hij is.”„Pescados,” zei Zirone, die van tijd tot tijd eene zekere achterdocht[197]in zich voelde opwellen, „het komt mij voor, dat gij meer van dien man weet, dat gij thans wel vertelt.”„Niet meer dan ik u mededeel. Maar ik zou meer uitvoeren, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen.”„Wat wilt ge zeggen? Wat zoudt gij willen uitvoeren?” vroeg Zirone nieuwsgierig.„Dat’s duidelijk genoeg, dunkt me,” mompelde Pescadospunt schier onhoorbaar.„Voor mij evenwel niet. Gij dient duidelijker te spreken, vriend Pescados,” hernam de Siciliaan.„Welnu, ik wil zeggen, dat wanneer die dokter Antekirrt, zooals vermoedelijk is, op ons grondgebied zal komen wandelen, Zijne Excellentie ons een aardig losgeld te betalen zal hebben.”„Zoo, meen je dat?”„En als hem dat slechts een of twee millioen zal kosten, dan komt hij er goedkoop af.”„Vind je?.… Ja, het is waar: die overjas met die zes zakken, niet waar? Maar zijn die zakken altijd gevuld?”„En dan zou kunnen gezegd worden, dat Zirone en zijne vrienden echte schaapskoppen zullen geweest zijn,” ging Pescadospunt voort, zonder op de laatste vraag te antwoorden.„Goed gezegd,” antwoordde Zirone lachende. „Na dat compliment aan ons adres kun je gaan slapen.”„Dat lijkt mij, kapitein,” antwoordde Pescados, „maar ik weet wel, waarvan ik droomen ga.”„Waarvan, zeg?”„Van de millioenen van dokter Antekirrt.… Dat zullen gulden droomen zijn, niet waar?”En daarop ging Pescados, na nog eene laatste rookwolk van zijn sigarette uitgeblazen te hebben, zijn makker in de schuur der herberg opzoeken, terwijl Carpena naar zijn vertrek ging.En toen, in plaats van te slapen, hield de brave kerel zich onledig met hetgeen hij gedaan en gezegd had behoorlijk in zijn brein te ordenen. Dat was niet gemakkelijk. Dit moest hij erkennen.Had hij inderdaad van het oogenblik, dat Zirone tot zijne groote verwondering hem over dokter Antekirrt gesproken had, de belangen behoorlijk behartigd die hem toevertrouwd waren? Dat de lezer oordeele!De dokter hoopte bij zijn verblijf op Sicilië Sarcany, en, voor het geval dat zij er te zamen waren, ook Silas Toronthal te ontmoeten. Dat was toch mogelijk, daar beide Ragusa verlaten hadden. Mocht dat tegenvallen, dan zou hij, bij afwezigheid van Sarcany, zich van Zirone meester kunnen maken. Daarna zou hij dezen, hetzij door hem te beloonen, hetzij door hem te dreigen, er wel toe brengen, om te vertellen,[198]waar Sarcany en Silas Toronthal zich ophielden. Twijfel aan den uitslag van dat beraamde plan kwam volstrekt niet bij hem op.Dat was zijn voornemen, en ziehier hoe hij dat dacht uit te voeren.Het was eenvoudig genoeg.De dokter had in zijne jeugd Sicilië verscheidene malen bezocht en dan voornamelijk in de omstreken van den Etna vertoefd. Hij kende de verschillende wegen, welke de bergbestijgers gewoonlijk insloegen. De meest gekozene slingert aan den voet een zonderling huis voorbij, hetwelk aan den benedenrand van den uitbarstingskrater gebouwd is en de „Casa Inglese”, het Engelsche huis genoemd wordt.Nu hield de bende van Zirone, waarvoor Carpena versterking te Malta aangeworven had, strooptochten op de hellingen van den Etna. Het was dus zeker, dat de aankomst van een zoo beroemd persoon, als dokter Antekirrt was, hare gewone uitwerking te Catania zoude uitoefenen. Daar nu de dokter openlijk had laten verkondigen, dat hij den Etna wilde beklimmen, kon het boven allen twijfel verheven gerekend worden, dat Zirone zulks vernemen zoude, vooral als Pescadospunt er zich in mengde. De lezer heeft kunnen bespeuren, dat de aanleg der zaak niet moeilijk was geweest, daar Zirone zelve Pescados over dokter Antekirrt ondervraagd had.Ziehier nu de valstrik, die Zirone gespannen werd, en waarin hij alle kans had zich te verstrikken.Daags voor den bepaalden dag, dat de dokter de vulkaanbeklimming zou ondernemen, moesten twaalf goed gewapende mannen van deFerratozich heimelijk naar de Casa Inglese begeven. Den volgenden dag zouden de dokter, vergezeld van Luigi Ferrato, van Piet Bathory en van een gids, Catania verlaten en den gewonen weg volgen, zoodanig dat zij de Casa Inglese tegen acht uur des avonds konden bereiken.Zoo doen de toeristen, die boven op den Etna de zon willen zien opgaan, hetgeen door het oostwaarts gelegen gebergte een bewonderenswaardig gezicht oplevert.De Casa Inglese is door eenigereizigers, die uitermate veel van comfort hielden, daargesteld. Zij is prachtig gelegen op ongeveer drie duizend meters boven de oppervlakte der zee.Ongetwijfeld was het de wensch van Zirone, daartoe door Pescadospunt opgehitst, te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, vooral daar hij meende, dat hij slechts met hem en zijne twee metgezellen te doen zoude hebben. Wanneer hij echter bij de Casa Inglese zoude aankomen, zou hij door de zeelieden derFerratowarm ontvangen worden en zou alle weerstand vruchteloos, ja onmogelijk zijn.Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Pescadospunt, die dat plan kende, had dus zeer behendig van de[200]omstandigheden partij getrokken, om het denkbeeld in het brein van Zirone op te wekken, zich van dokter Antekirrt meester te maken. Dat zou een zeer rijke prooi zijn, die hij naar hartelust zou kunnen uitplunderen, zonder daarbij de waarschuwing uit het oog te verliezen, die hij ontvangen had. Was het bovendien niet het zekerste, nu hij zich voor dien dokter moest wachten, hem in zijne macht te krijgen, al moest hij dan ook daarvoor den losprijs, dien hij bedingen kon, verliezen? Hoe meer de bandiet er over nadacht, hoe meer de zaak hem toelachte.Zirone ging tot dat besluit over, in afwachting van nieuwe instructies van Sarcany.Maar om des te zekerder omtrent het welslagen te zijn, rekende hij, dewijl zijne geheele bende niet bij de hand was, die oplichting uit te voeren met behulp der Maltezers van Carpena. Dat kon Pescadospunt geene onrust inboezemen, daar die twaalf booswichten wel in bedwang zouden gehouden worden door de zeelieden van deFerrato. Die Maltezers waren inderdaad nog slechts nieuwelingen in het werk.Maar Zirone liet zelden of nooit iets aan het toeval over, wanneer hij anders handelen kon.Daar volgens beweren van Pescados het stoomjacht den volgenden dag moest aankomen, zoo verliet hij in den vroegen ochtend de herberg Santa Grotta, daalde de hoogte af en begaf zich naar Catania. Dewijl hij in die plaats niet bekend was, kon hij dien tocht zonder gevaar hoegenaamd ondernemen. Niemand zou hem verdenken.Het stoomjacht was toen reeds sedert eenige uren op de ankerplaats aangekomen. Het had niet aangelegd bij de haven, waarbij zich de vaartuigen steeds verdrongen, maar het was ten anker gekomen in eene soort van voorhaven, gelegen tusschen den noorderpier en een kolossaal rotsgevaarte van zwartachtige lava, die door de uitbarsting van 1669 tot bij den zeeoever voortgestuwd was. Daar lag het vaartuig veilig.Reeds bij het aanbreken van den dag werden Kaap Matifou en elf man der equipage onder aanvoering van Luigi Ferrato te Catania ontscheept, waarna zij zich ieder afzonderlijk op weg begeven hadden naar de Casa Inglese.Zirone wist dus niets van die ontscheping, en daar deFerratoop eene kabellengte van den wal verwijderd ten anker lag, kon hij zelfs niet gadeslaan, wat er aan boord voorviel. Dat was, de lezer moet het erkennen, eene gelukkige omstandigheid.Tegen zes uur des avonds zette de barkas twee passagiers van het stoomjacht aan wal. Dat waren dokter Antekirrt en Piet Bathory. Zij richtten hunne schreden, terwijl zij de Via Stesicoro en de Strada Etna insloegen, naar de Villa Ballini, een bewonderenswaardige[201]publieke tuin, een der fraaiste, zoo niet de fraaiste wellicht van geheel Europa, met zijne bloemperken, zijne boschjes van sierplanten, zijne paden langs grillige hellingen, zijne terrassen, beschaduwd door zwaar en hoog geboomte, zijne levendige en murmelende beken, en dan die prachtige vulkaan, welke aan den gezichteinder verrijst en steeds met eene rookpluim getooid is, Inderdaad, die vallei is verrukkelijk.Zirone had de twee passagiers achtervolgd en twijfelde er niet aan, of een hunner was dokter Antekirrt. Hij sloop zoodanig voorwaarts, dat hij hen vrij nabij naderde te midden van de menigte, die in de villa Bellini naar de muziek was komen luisteren en zich daar vrij laat ophield. Hoe geheimzinnig hij dit had pogen te doen, hadden de dokter en Piet Bathory toch de geniepige omdolingen bemerkt van dien kerel met dat argwaanwekkende gelaat. Als dat de door hen bedoelde Zirone was, dan—dat moesten zij erkennen—was de gelegenheid schoon om hem verder in den valstrik te lokken, waarin zij hem vangen wilden. Onmerkbaar knikten zij elkander toe.Tegen elf uren in den avond dan ook, juist toen beiden den openbaren tuin wilden verlaten, om naar boord terug te keeren, zei de dokter met gedempte stem tot Piet:„Dat is dan afgesproken, morgen zullen wij op weg gaan en zullen den nacht in de Casa Inglese doorbrengen.”„Hoe laat het vertrek?” vroeg Piet Bathory, even onverschillig, of hij gehoord werd of niet.„Dat zullen wij aan boord van deFerratobepalen,” antwoordde dokter Antekirrt.De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten; want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas spoorloos verdwenen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.
Wanneer de mensch belast ware geweest met de vervaardiging van den aardbol, dan had hij hem zeer waarschijnlijk op eene draaibank zonder ruweoppervlakte, zonder verhevenheid, zonder naad, plooi of rimpel, glad als een biljardbal afgewerkt. Hij zou dan in zijne zelfoverschatting meenen, een waar kunststuk volvoerd te hebben, en hij zou moeilijk van dat denkbeeld terug te brengen zijn geweest.
Maar zooals de aardbol thans bestaat, is hij het werk van den Schepper, en die had voorwaar andere inzichten.
Op de Siciliaansche oostkust, tusschen Aci Reale en Catania, welke ons voornamelijk gaat bezighouden, ontbreken dan ook de kapen, de klippen, de voorgebergten, de steile kustwanden, de grotten, de rotsen niet, en maken die deze streek tot de heerlijkste kuststrook van de geheele wereld, de Noorweegsche kust en die van West-Schotland zelfs niet uitgezonderd.
In dat gedeelte van de Middellandsche zee begint de zeeëngte van Messina, welker tegenovergestelde oever omgeven is door den Calabrischen bergketen. Zooals die Straat, die kusten, dat gebergte, hetwelk door den vulkaan de Etna beheerscht wordt, ten tijde van Homerus was, zoo bestaat het tegenwoordig nog; dat wil zeggen: prachtig en verrukkelijk! Als het woud, waarin Eneas Achemenidas opnam, ook al verdwenen is, zoo zijn toch de grot van Galathea, de grot van Polyphemus, de eilanden der Cyclopen en verdernoordwaartsde klippen van Charybdis en van Scylla op hunne historische plaats gebleven, en de reiziger kan den voet zetten, de plek aanraken, waar de Trojaansche held aan wal kwam, toen hij Sicilië aandeed met hèt doel, om een nieuw koninkrijk te stichten.
Dat den reus Polyphemus andere en meerdere kunststukken kunnen en moeten worden toegeschreven dan aan onzen Herculischen Kaap Matifou, is waar en ook aannemelijk, maar daartegenover staat dat onze Kaap Matifou het voordeel heeft levend te zijn, terwijl Polyphemus reeds sedert drie duizend jaren overleden is; wel te verstaan, wanneer hij ooit bestaan heeft, wat betwijfeld kan worden, in weerwil van hetgeen Ulysses volgens Homerus ook omtrent hem verhaald heeft. Eliseus Reclus, een Fransch geschiedvorscher, merkt inderdaad op, dat met dien beruchten cycloop zeer waarschijnlijk eenvoudig de Etna bedoeld werd, wiens kratertop gedurende de uitbarstingen als een onmetelijk oog op den top van[181]den berg schitterde en die van boven zijn rotsachtigen steilen bergwand geheele rotsblokken nederstortte, die tot eilanden en klippen werden, zooals met de Faraglioni gebeurd is. Of dat schrander door Reclus gezien is, zullen wij niet onderzoeken.
Die Faraglioni zijn op eenige honderd meters van de kust en van den weg naar Catania, gelegen, waarlangs thans de spoorbaan van Syracuse naar Messina voert. Die rotsblokken daar in zee worden de eilandjes der Cyclopen genoemd. De grot van Polyphemus is daar niet ver van verwijderd, en langs de geheele kust wordt het oorverdoovend geraas vernomen, dat de zee daar onder die basalt-gewelven maakt. Het is om er inderdaad doof te worden!
Te midden van die rotsen zaten twee mannen, die weinig gevoel voor de bekoorlijkheden der geschiedkundige herinneringen hadden in den avond van den 20stenAugustus over sommige teedere zaken te praten, die deSiciliaanschemaréchaussées dolgaarne zouden opgevangen hebben. Dat had hun eer en bevordering aangebracht.
Een van die beide mannen, die de aankomst van den anderen sedert eenigen tijd, afgewacht had, was Zirone.
De andere, die van den kant van Catania kwam, was Carpena.
„Zoo, zijt ge eindelijk daar?” riep Zirone wrevelig uit. „Gij hebt u wel laten wachten.”
„Om het even; zooals gij ziet, ben ik er thans,” antwoordde de Spanjaard.
„Maar gij komt vrij laat,” knorde de Siciliaan gemelijk.
„Dunkt u dat?” was de luchtige vraag.
„Ik dacht waarachtig dat ge verdwenen waart, zooals het eiland Julia, de vroegere buurvrouw van Malta deed.…”
„Och kom.”
„En dat ge tot voedsel der thonijnen, der makreelen en der bonicous in de diepte van de Middellandsche zee gediend had! Of hun die kost gesmaakt zou hebben? Pouah!” sprak Zirone.
Zooals de lezer ziet, al waren vijftien jaren, volgens de uitdrukking van den dichter, over het hoofd van den makker van Sarcany gevaren, zoo had hij toch, in weerwil van het stijgen der jaren, zijne gewone spraakzaamheid volstrekt niet verloren, evenmin als zijne gewone onbeschaamdheid. Met zijn hoed op een oor, met een bruinachtigen kapmantel over de schouders geslagen, met slobkousen tot aan de knie gebonden, had hij werkelijk het uiterlijk van hetgeen hij was en wat hij nooit opgehouden had te zijn, namelijk: een bandiet.
„Ik heb niet vroeger kunnen terugkomen,” antwoordde Carpena, „en eerst dezen ochtend heeft mij depakketbootte Catania aan wal gezet. De overtocht was waarlijk niet voorspoedig.”
„Gij en uwe mannen, niet waar?” vroeg de Siciliaan niet zonder nadruk op die woorden: „uwe mannen”.[182]
„Ja.”
„Hoeveel kerels hebt ge?”
„Juist een dozijn!” antwoordde Carpena droogweg, maar toch met eenige snoeverij in zijne stem.
„Niet meer dan dat getal?” vroeg Zirone zichtbaar teleurgesteld. „Dat’s weinig.”
„Me dunkt.”
„Het is weinig, herhaal ik. Wij zouden veel meer kunnen gebruiken. Dat wist ge!”
„Maar het zijn opperbesten, Zirone geloof mij. Kerels, die wat durven, als het er op aankomt.”
„Kerels uit het kwartier Manderaggio?.… Ziet, dan zou ik tevreden zijn. Die zijn tot alles in staat.”
„Heu, heu,” meesmuilde Carpena, terwijl hij dubbelzinnig de schouders optrok.
„Nu, spreek! Ik ben ongeduldig te vernemen, wat gij aangeworven hebt. Wie zijn het?”
„Och, het zijn zoo wat mannen van overal, maar onder hen bevinden zich vele Maltezers.”
„Als zij maar goed zijn, hoe onvoldoende hun aantal ook zij, dan zijn die nieuw aangeworvenen toch welkom,” antwoordde Zirone; „want sedert eenige maanden is het werk moeitevol en kostbaar. Het is of de maréchaussées in den tegenwoordigen tijd in Sicilië overal uit den grond opdoemen en zij zullen weldra even talrijk zijn als de pantoffelzoolen van den Paus in de overdekte gaanderijen van het Vaticaan.… Maar, ik herhaal, als je koopwaar maar in goede hoedanigheid uitmunt.… Als zij maar puik is.… dan zal dat veel vergoeden.”
„Dat geloof ik ook,Zirone,”antwoordde Carpena, „en ge zult ze bij de proef kunnen beoordeelen.”
„Het zij zoo! En ik hoop, dat gij u goed van uwe taak zult gekweten hebben.”
„Amen,” sprak Carpena, die een eind aan dat gezeur wenschte. „Maar ik breng ook een mooien jongen mede, een gewezen potsenmaker op de kermissen, die schrander en vlug is, en die een uiterlijk heeft, dat men er desnoods een meisje van zou kunnen maken. Ik geloof, dat hij ons groote diensten zal kunnen bewijzen.”
„Is hij te vertrouwen?” vroeg Zirone nieuwsgierig. „En wat voerde hij te Malta uit?”
„Hij rolde horloges, wanneer de gelegenheid er zich toe leende, of zakdoeken, wanneer hij geene uurwerken kon kapen.”
„En hoe heet dat puikje van alle kerels?” vroeg Zirone, nog al nieuwsgierig.
„Pescados.”[183]
„Pescados! Wat een vreemde naam is dat!.… Vindt ge ook niet? Wat beteekent die?”
Carpena trok de schouders op, om te kennen te geven, dat hij het niet wist. Toch antwoordde hij:
„Ik meen visscher, als ik goed gehoord heb. Maar ik kan er onmogelijk voor instaan.”
„En hij is stoutmoedig en vlug, zegt ge? Daarop komt het in de eerste plaats aan, dat weet ge.”
„Als een aal en als een leeuw,” antwoordde Carpena op beslisten toon en zonder eenige aarzeling.
„En slim?”
„Als een aap. Daarmede is—meen ik—alles gezegd. Ik beweer zelfs, dat hij zoo’n dier de loef afwint.”
„Welnu, wij zullen zijne talenten en zijne schranderheid zien te gebruiken. Maar waar hebt gij die bende onder dak gebracht?”
„In de herberg Santa Grotta, boven Nicolosi,” antwoordde Carpena. „Daar heb ik hen onder de hand.”
„En ge gaat uw herbergiersbaantje hervatten?” vroeg Zirone nog al nieuwsgierig.
„Morgen, bij het aanbreken van den dag.… Ten minste als er zich niets tegen verzet.”
„Dat kan niet.”
„Wat kan niet?” was de verbaasde vraag van Carpena. „Ik zou wel eens willen weten, wie of wat dat zou kunnen verhinderen.”
„Ge kunt morgen geen herbergier worden, want dat moet heden nog geschieden,” zei Zirone op afdoenden toon. „Hedenavond nog, hoort ge, zoodra ik mijne instructies, die ik ieder oogenblik wachtende ben, ontvangen zal hebben.”
„Nu, mij wel!”antwoordde Carpena vrij gedwee en onderdanig. „Maar wat is er aan de hand?”
„Ik wacht hier den sneltrein van Messina op. In het voorbijsnorren moet mij een briefje door het portier van het laatste rijtuig toegeworpen worden.”
„Een briefje van wien?” vroeg Carpena.
„Gij schijnt wel afgestompt door uw verblijf te Malta. Begrijpt ge mij niet?”
„Van hem?.…”
„Ja.… van hem!.… Doordat zijne huwelijksplannen steeds niet slagen, noodzaakt hij mij, om te werken, ten einde te kunnen leven! Maar.… bah! wat zou men al niet voor zoo’n wakkeren makker uitvoeren? Ik ben in staat om voor dien kerel alles, ja alles te doen.”
In ditoogenblikwerd een verwijderd gerommel, vernomen, dat evenwel onmogelijk door het geluid der branding op het strand[184]duidelijk kon onderscheiden worden. Na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, waren de beide mannen het weldra eens, dat het geluid van den kant van Catania kwam. Dat was de trein, die door Zirone verwacht werd. Carpena en hij beklommen toen de rotsen en weinige minuten later stonden zij langs de spoorbaan, die door geen hekwerk of door geen palissaden afgesloten werd.
Twee malen floot de locomotief, alvorens een naburige kleine tunnel binnen te stoomen, en kondigde zoo de nadering van den trein aan, die evenwel met gematigde snelheid voortstoomde. Weldra werd het gegil van het stoompaard duidelijker, de seinlantaarns schitterden in de duisternis met twee helderwitte stralen, en verlichtten de spoorstaven voor zich uit met een streep van vuur.
Zirone volgde uiterst oplettend met den blik den trein, die zich op slechts weinige passen van hem verwijderd, ontwikkelde en met hevig geratel en gegil voorbijsnorde.
Nog was het laatste rijtuig ter zijner hoogte niet gekomen, toen het raam daarvan naar beneden gleed en een vrouwenhoofd in de omlijsting daarvan verscheen. Zoodra zij den Siciliaan op zijn post ontdekte, smeet zij vlug en behendig een oranjeappel naar buiten, die over de baan rolde, opsprong, nogmaals rolde en eindelijk op ongeveer twintig passen van Zirone in het lang opgeschoten gras bleef liggen.
Die vrouw was Namir, de verspiedster van Sarcany. Zirone had haar duidelijk herkend.
Weinige minuten later was zij met den trein in de richting van Aci Reale verdwenen.
Zirone raapte den oranjeappel op, die eigenlijk bestond uit de twee helften eener bast van die vrucht, die door middel van een draad te zamen gehouden werden. De Spanjaard en hij zochten toen eenige beschutting achter eene hooge rots, die hen—hoewel daarvoor weinig in dit nachtelijk uur te vreezen was—vooronbescheidenblikken moest dekken. Daar ontstak Zirone een kleine lantaarn, die hij steeds bij zich droeg, spleet den oranjeappel open en haalde er een briefje uit, hetwelk het navolgende bericht bevatte:
„Hij hoopt u binnen vijf of zes dagen te Nicolosi te ontmoeten. Wantrouwt vooral dokter Antekirrt!”
Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)
Niemand sliep te Santa Grotta. (Bladz. 190.)
Klaarblijkelijk had Sarcany te Ragusa vernomen, dat die geheimzinnige persoon, waarmede de algemeene nieuwsgierigheid zich zoozeer bezig gehouden had, twee malen ontvangen was geworden ten huize van mevrouw de weduwe Bathory. Daardoor was eene zekere ongerustheid opgewekt geworden bij dien man, die gewoon was, alles en allen te wantrouwen. En daarom ook had hij die wijze verkozen, zonder zich van de post te bedienen, door tusschenkomst van Namir dat bericht aan zijnen makker Zirone te[186]doen toekomen. Dat was uitermate voorzichtig, dit moest erkend worden.
De Siciliaan stak het briefje in zijn zak, blies de lantaarn uit en zich tot Carpena wendende:
„Hebt ge ooit van eenen dokter Antekirrt hooren spreken?” vroeg hij hem.
„Neen,” antwoordde de Spanjaard.
„Ge weet ook niets,” gromde Zirone zoo knorrig mogelijk. „Ik had gehoopt dat.…”
„Maar misschien kent de kleine Pescados hem,” viel Carpena hem in de rede.
„Waaruit maakt ge dat op? Hoe zou hij dien dokter Antekirrt kennen?”
„Die lieve jongen weet alles! Het is een wonderbaarlijk kereltje, dat u verbazing afpersen zal!”
„Dat zullen we zien.”
Een oogenblik zwegen beiden; daarna hervatte Zirone, na eerst nog voorzichtig rondgekeken te hebben.
„Zeg eens, Carpena, ge zijt toch niet bang, wanneer ge des nachts reist, niet waar?”
„Ik ben des nachts minder bang dan over dag, Zirone!” antwoordde de Spanjaard.
„Dat is nog al leuk,” lachte de Siciliaan schamper.
„Dunkt u?”
„Ja over dag loopt ge gevaar maréchaussées te ontmoeten, die al te onbescheiden kunnen zijn, niet waar?”
Carpena grinnikte, maar antwoordde niet. Dat grinniken kon trouwens voor toestemming gelden.
„Welnu, laten wij dan voortmaken! Wij moeten binnen drie uren in de herberg Santa Grotta zijn.”
„Dat is drommels ver,” zei Carpena op een toon, alsof hij eenigermate uit het veld geslagen was.
„Ja, het is een aardig eindje weg. Kom, voort!.… Gij zijt toch niet moede, hoop ik?.…”
„Dat nu wel niet,” pruttelde Carpena. „Toch houd ik niet van ver loopen.”
En beiden sloegen, na de spoorbaan overgestoken te hebben, een voetpad in, dat Zirone goed kende en dat hen langs het voorgebergte van den Etna, naar de terreinen van secondaire vorming, die den vulkaan omgeven, voerde.
Ongeveer tien jaren geleden bestond in Sicilië en voornamelijk te Palermo, de hoofdstad van het eiland, eene vereeniging, eene vennootschap als het ware, van boosdoeners. De leden daarvan waren als die van een geheim genootschap, door een soort vrijmetselaarsrituaal[187]aan elkander verbonden, en telden verscheidene duizende toegetreden leden.
Diefstal en smokkelarij door alle mogelijke middelen, dat was het doel van die vennootschap der Maffia, waaraan vele handelaren en vele nijveren eene soort van jaarlijksche schatting betaalden voor de vergunning, om zonder lastig gevallen te worden, hun nijverheidstak te kunnen beoefenen of hunnen handel te kunnen drijven.
Op dat tijdstip—dat wil zeggen vóór de zaak van de Triëster samenzwering—waren Sarcany en Zirone als de voornaamste geaffilieerden der Maffia en als hare meest ijverige suppoosten te beschouwen.
Eevenwel begon de vennootschap, ten gevolge van den vooruitgang in alle zaken en ten gevolge van een beter administratief bestuur der steden, al liet dat der dorpen en gehuchten nog veel te wenschen over, zich in hare handelingen en bewegingen belemmerd te gevoelen. De schattingen en andere inkomsten daalden merkbaar. Het meerendeel der geassocieerden verspreidden zich dan ook en zochten in het rooversbaantje een meer voordeelig middel van bestaan.
In dit tijdstip juist veranderde de politieke toestand van Italië zeer, door het tot standkomen zijner eenheid en zelfstandigheid. Sicilië moest evenals de andere provinciën het algemeen lot ondergaan en zich aan de nieuwe wetten en vooral aan het juk van de conscriptie of, zooals wij Nederlanders zeggen: aan het juk der nationale militie onderwerpen. Dat lokte tot oproer uit, dat vormde ontevredenheid bij hen die zich niet naar de wetten wilden gedragen, dat deed weerspannigen aan de wet geboren worden, die weigerden in dienst te treden. Dat waren allen lieden zonder gewetensbezwaren, „milfissie” zooals zij genoemd werden, die begonnen benden te vormen en het land af te loopen. Het was een eigenaardig tijdperk, dat Sicilië toen doorworstelde.
Zirone stond juist aan het hoofd van een dier benden, en toen het gedeelte van de goederen van graaf Mathias Sandorf, hetwelk Sarcany als prijs voor zijne verklikking toegewezen was, verbrast en verzwendeld was, waren beiden naar Sicilië teruggekeerd, om in afwachting, dat de gelegenheid zich zou aanbieden, om weer in beter doen te geraken, hun edel bedrijf van struikroover, van bandiet weer ter hand te nemen.
Die gelegenheid zou zich aanbieden, zooals zij namelijk hoopten, wanneer het huwelijk van Sarcany met Sava, de dochter van den bankier SilasToronthal, tot stand kwam. De lezer weet evenwel hoe en onder welke omstandigheden steeds een kink in den kabel kwam, hoe die verbintenis tot heden steeds schipbreuk geleden had. Het was voor de arme vennooten waarlijk om te vertwijfelen![188]
Dat Sicilië is een land, hetwelk bijzonder gunstig geschikt geoordeeld mag worden voor de heldendaden van het rooversambt, zelfs in het tegenwoordige tijdperk. Het oude Trinacria, met zijn omtrek van zeven honderd en twintig kilometers, gemeten tusschen de hoekpunten van dien kolossalen driehoek, die in het noordoosten: kaap Faro, in het westen: kaap Marsala, in het zuidoosten: kaap Pessaro vormen, bevat bergketenen, zooals het Pelorische en het Nebrodische gebergte, daarenboven nog een onafhankelijk vulkanisch stelsel, waarvan de Etna nagenoeg het centrum uitmaakt. Het bezit waterstroomen als: de Giarella, de Cantaria, de Platani; bevat bergstroomen, valleien en dalen, vlakten, steden, die uiterst moeielijke verbindingswegen met elkander bezitten;burchten, die bijna ongenaakbaar zijn, dorpen, die tusschen steile rotswanden verscholen, ja verloren liggen; alleenstaande kloosters in de kloven of op de bergnokken, in één woord: een aantal schuilplaatsen, waarheen de terugtocht voor den boosdoener als aangewezen is; en eene menigte inhammen en kreeken, alwaar de zee duizenden gelegenheden aanbiedt, om langs den waterkant te ontvluchten en te ontkomen.
Dat stuk Siciliaansche grond stelt in het klein, als beknopt, de aardbol voor, waar alles aangetroffen wordt, wat op het aardrijk te vinden is, als: bergen, vulkanen, kraters, fumarolen, solfatara’s, weiden, akkers, stroomen, rivieren, meeren, stortvloeden, beeken, steden, dorpen, gehuchten, havens, baaien, kreeken, haften, inhammen, voorgebergten, kapen, klippen, zandbanken, eilanden enz., en dat alles ter beschikking van eene bevolking van ongeveer twee millioen inwoners, verdeeld over eene oppervlakte van zes en twintig duizend vierkante kilometers, hetgeen eene bevolkingsdichtheid geeft van 76,9 per vierkanten kilometer.
Welk tooneel zou beter geschikt kunnen bevonden worden voor de bedrijvigheid van het bandieten-handwerk? Hoewel dat handwerk dan ook neiging tot vermindering toont; hoewel de Siciliaansche roover evenals de Calabrische zijn tijd schijnt gehad te hebben, en hij vogelvrij verklaard is; hoewel de bewoners beginnen te begrijpen, dat gezette arbeid op den duur meer loonend dan diefstal is, zoo is het toch steeds aanbevelingswaardig voor reizigers, dat zij niet zonder voorzorgsmaatregelen het binnenland intrekken. Zij moeten gedenken, dat daar nog altijd vereerders van Mercurius, den god der dieven aangetroffen worden; ook dat de gelegenheid in den regel den dief maakt.
Het mag niet verheeld worden, dat in de laatste jaren de Siciliaansche maréchaussées, die zeer waakzaam en steeds gereed om uit te rukken zijn, eenige zeer gelukkige tochten in de oostelijke provinciën ondernomen hadden. Verscheidene benden, die in hinderlaag[189]gevallen waren, werden gedeeltelijk verdelgd, in ieder geval voor langen tijd onschadelijk gemaakt. Onder die laatste behoorde ook de bende van Zirone, die nog maar dertig koppen telde. Dat was de reden, waarom hij besloten had zijn troep met vreemde bestanddeelen en voornamelijk met Maltezer bloed te versterken. Hij wist, dat in de verpeste holen van het kwartier Manderaggio, hetwelk hij vroeger dikwerf gelegenheid had te bezoeken, zich honderde werkelooze bandieten ophielden. Daarom was Carpena naar La Valletta vertrokken, en indien deze slechts twaalf mannen medebracht—hetgeen weinig was,—dan moest toch gezegd worden, dat het een uitgezocht zoodje was; zoodat Zirone’s teleurstelling niet groot was, hoewel hij beter verwacht had.
De lezer moet zich niet verwonderen, dat de Spanjaard Carpena zooveel toewijding aan den dag legde, zoowel bij het verkennen van het terrein, als bij het bespionneeren der bedreigden en bij het uitoefenen van de functie van kastelein van de herberg Santa Grotta, een afschuwelijk moordhol, hetwelk op de eerste hellingen van den vulkaan, maar toch op eene vrij aanzienlijke hoogte gelegen was.
Er zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat tegenover Sarcany en Zirone, die den geheelen levensloop van Carpena kende, en in het bijzonder omtrent zijn verraad ten opzichte van Andreas Ferrato ingelicht waren, hij integendeel niets van het gebeurde te Triëst vernomen had. Hij meende, dat hij slechts in betrekking stond met eerlijke roovers, die sedert lange jaren hunne „zaken” in het gebergte van Sicilië dreven, maar zich overigens met geen kuiperijen ophielden.
Zirone en Carpena hadden gedurende dat traject van acht Italiaansche mijlen, hetwelk de rotsen van Polyphemus van Nicolosi scheidt, geene onaangename ontmoetingen, hetgeen in hun taal wil zeggen, dat geen enkele maréchaussée zich op hun weg vertoonde. Zij volgden overigens zeer moeielijke paden, welke tusschen de wijngaarden en velden vanolijfboomen, van oranjeboomen, van cederboomen, en te midden van esschenboschjes, van elzenboschjes, van struiken van kurkeiken en van Indische vijgeboomen omhoog slingerden. Somtijds schreden zij door een van die beddingen van opgedroogde bergstroomen voorwaarts, die, van uit zee gezien, zich als zoovele gemacadamiseerde wegen voordoen, die langs de berghellingen opwaarts klimmen en waarop de ballest-welrol de scherpkantige keisteenen nog niet zou verbrijzeld hebben.
De Siciliaan en de Spanjaard trokken eindelijk door de dorpen San Giovanni en Tramestieri, reeds op eene aanmerkelijke hoogte boven de oppervlakte der Middellandsche zee gelegen.
Zoo omstreeks tegen half elf bereikten zij ten laatste Nicolosi. Dat is een stedeke, hetwelk in het middengedeelte gelegen is van[190]een zeer uitgestrekten cirkel, een soort van kratervormigen bergwand, ten noorden en ten westen omgeven door de uitbarstings-kegels van Monpilieri, van Monte Rossi en van Serra Pizuta; en ten oosten en ten zuiden in de eigenlijke hellingen van den Etna vervloot.
Dat stedeke bezit zes kerken, vijf kapellen, een klooster, dat San Nicolo van Arena tot beschermheilige heeft, en twee herbergen, die vooral op zijne belangrijkheid duiden. Zirone en Carpena hadden daar niets te verrichten.
De herberg Santa Grotta wachtte hen, en om die te bereiken, hadden zij nog ruim een uur gaans in het gebergte af te leggen.
Dat moordhol was in een van de meest sombere ravijnen van het geheele Etna-bergstelsel gelegen. Zij kwamen daar dan ook niet aan, voordat het middernachtsuur op de zes klokketorens van Nicolosi geslagen had en gevoelden zich toen doodmoe.
Niemand sliep te Santa Grotta. Daar werd toen, te midden van de afschuwelijkste kreeten en godslasteringen, het middagmaal gebruikt. De nieuwe door Carpena aangeworven manschappen waren daar vereenigd en omringden een ouden bandiet, Benito geheeten, die zijn naam van „gezegende” gestand deed en de eer van het huis ophield op eene wijze, die al de duivelen in de hel moest doen jubelen en juichen.
Wat de overige leden der bende betrof, bestaande uit een dertigtal bergbewoners en weerspannigen aan de militiewet, die waren toen op roof uit, een twintig mijlen verder in westelijke richting, waarbij zij de tegenovergestelde helling van den Etna doorsnuffelden, die zij op brandschatting stelden, waarna zij zich bij het hoofdkwartier moesten vervoegen, om rekening en verantwoording af te leggen.
Er was dus te Santa Grotta slechts het dozijn Maltezers aanwezig, die door den Spanjaard aangeworven waren, plus de oude Benito. Onder die allen brulde Pescados—onze kleine Pescadospunt—zijne partij in dat concert van verwenschingen en van vloeken, van blufferijen en godslasteringen. Maar tevens opende hij scherp de ooren; hij luisterde, hij sloeg gade, hij merkte op, om toch maar niets te laten ontglippen, wat hem vroeg of laat dienstig zou kunnen zijn. Zoo vernam hij en onthield goed een gezegde, hetwelk Benito ontviel, om het spectakel zijner gasten een poos voor de aankomst van Zirone en Carpenaeenigszinste temperen:
„Houdt je mond toch, duivelsche Maltezers!”riephij met een gramstorig gelaat uit.
Een hoerrah begroette toen die aanbeveling. De kerels waren in dien stond half dol.
„Houdt je mond toch; men kan jullie te Cassana hooren brullen, waarheen de commissaris, die beminnelijke magistraat van de provincie, een detachement karabiniers gezonden heeft!”[191]
Dat was eene grappige bedreiging. Cassana toch was ver genoeg van Santa Grotta verwijderd. Maar de nieuw aangekomenen moesten vooronderstellen, dat hun gejoel en gebrul de gehoorwerktuigen der karabiniers konden bereiken. Die karabiniers deden dienst als maréchaussées op het eiland. De kerels matigden hun geschreeuw dan ook, hoewel zij midderwijl te meer van dien Etnawijn dronken, die Benito hun overvloedig schonk, om hun welkom bij de bende te vieren. Zij waren allen min of meer onder den invloed, toen de deur van de herberg eensklaps openvloog.
„Een mooi zoodje!” riep Zirone binnensmonds uit. „Bij mijne ziel! een mooi zoodje.”
Allen keken met woeste blikken op. Het scheelde weinig, of zij gingen de binnentredenden te lijf. Gelukkig, dat de Spanjaard verscheen.
„Carpena is gelukkig in zijne keus geweest; en ik zie dat Benito de eer van het huis ophoudt.”
„Die brave kerels stierven van dorst!” antwoordde de oude bandiet op zoetsappigen toon.
„En daar dat geen prettige dood is, wildet gij hen dien besparen? Dat is Christelijk gedacht.”
„Voorzeker.”
„Mooi! Maar laat ze nu gaan slapen! Ze hebben rust noodig. Morgen zullen we kennis maken!”
„Waarom tot morgen wachten?” vroeg een der nieuwelingen, Zirone vrij brutaal aankijkende.
„He?” zei Zirone, ietwat verwonderd.
Het gebeurde zelden dat een zijner bende hem tegensprak.
„Ja, waartoe tot morgen gewacht, met iets wat heden nog kan geschieden?” ging de nieuw aangekomene voort.
„Omdat jullie te dronken zijt, om dat te begrijpen,” antwoordde Zirone zoetsappig.
„Dronken!.… Dronken!.… Per Bacco!.… Wie durft dat zeggen?” was de algemeene kreet.
„Voorzeker dronken! Zoudt gijlieden denken, dat ik dat niet zou durven herhalen?”
„Omdat wij een paar flesschen slappen landwijn gedronken hebben?.… Drommels, als men gewend is aan de jenever en de whiskey van de kroegen in de Maderaggio, dan is van dronken zijn geen sprake!”
„He! En wie is dat daar?” vroeg Zirone, die met kennersblik het troep je monsterde.
„Wien bedoelt ge?” vroeg Carpena.
„Dien mooien jongen.”
„Dat is de kleine Pescados,” antwoordde de Spanjaard. „Dat is de kerel, van wien ik u sprak.”[192]
„En wie is die dan?” vroeg Pescados op zijne beurt aan Carpena, terwijl hij de stem van den Siciliaan bedriegelijk nabootste, en met den vinger naar hem wees.
„Dat is Zirone,” antwoordde de Spanjaard, met een glimlach op de lippen. „Dat is uw chef.”
„Zoo, zoo,” sprak de kleine man op den meest onverschilligen toon, „isdat onze chef?”
En hij bekeek den Siciliaan met een paar zeer brutale oogen, die van geen neerslaan wisten.
Zirone sloeg met alle aandacht den jeugdigen bandiet, die door Carpena zoozeer geprezen was, en die zich met zoo’n gemakkelijkheid voordeed, gade. Ongetwijfeld vond hij, dat Pescados een schrander gelaat had, waarop veel vastberadenheid te lezen stond. Hij gaf althans een goedkeurenden knik met het hoofd. Daarna het woord tot Pescados richtende, vroeg hij hem:
„Hebt ge evenals de anderen gedronken?”
„Of ik gedronken heb? Wat ’n vraag!” zei Pescados, met verachtelijk gebaar en komiek neusoptrekken.
„En toch herhaal ik die vraag. Hebt ge evenals de anderen gedronken?” vroeg Zirone andermaal.
„Meer dan die lummels!” antwoordde de candidaat-bandiet meesmuilend. „Veel meer!”
„En je verstand daarbij behouden?”
„Het mocht wat! Dat gaat zoo gauw niet op den loop!”
„Niet?”
„Neen! Er moet wat anders gebeuren! Dat kan ik je verzekeren.… Heel wat anders!”
„Zeg eens, kleine man,” hernam Zirone, „Carpena heeft mij straks gezegd, dat ge mij wellicht eene inlichting zoudt kunnen geven, die ik noodig heb. Luister dus!”
„Eene inlichting? Te drommel!.… Gij begint, dunkt me, veeleischend te worden!”
„Ja, eene inlichting.”
„En,.… voor niemendal?.… Te drommel!.… Niemand arbeidt voor niets. Dat weet ge, hoop ik?”
„Daar, grijp!”
Zirone wierp hem een halven piaster toe, dien Pescados in de vlucht opving en onmiddellijk in den zak van zijn vest wegmoffelde, zooals een goochelaar met een muskaatnoot zoude gedaan hebben.
„Hij is aardig!” zei Zirone, met een glimlach van tevredenheid op het gelaat.
„Ja, zeer aardig!” antwoordde Pescados onbeschaamd. „Maar, wat wilt ge weten? Kom, vooruit!”
„Kent ge Malta goed?”[193]
De Faraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)DeFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)
DeFaraglioni, ook de rotsen van Polyphemus genaamd. (Bladz. 202.)
[194]
„Als het innerlijke van mijn zak! Maar niet alleen Malta, maar ook Italië, en Istrië, en Dalmatië, en de Adriatische zee,” antwoordde Pescados. „Is dat genoeg? Wilt ge nog meer?”
„Ge hebt dus gereisd?”
„Veel, maar steeds voor eigen rekening!”
„Dat is nog al leuk,” viel Zirone lachende in, en herhaalde: „Dat is nog al leuk.”
„Waarom is dat leuk, en waarom lacht gij zoo?” vroeg Pescadospunt, schijnbaar vertoornd.
„Ik raad je, nooit anders te reizen; want wanneer je voor rekening van het gouvernement reist, dan.…”
„Is het te duur!” viel Pescados in. „Ja, dat begrijpt een kind en behoeft gij mij niet te vertellen.”
„Juist, zooals ge zegt: te duur,” antwoordde Zirone, die zich de handen wreef en vergenoegd was, dat hij in dien nieuwen makker iemand aantrof, met wien ten minste te praten was.
„Maar, nu verder?” hernam de schrandere jongen. „Gij hebt toch geen inlichtingen omtrent mijne reisgelegenheden noodig?”
„Verder?.…”
„Ja.… verder.… de inlichting, die ge noodig hebt?”
„Dat ’s waar ook. Ziehier! Pescados,” ging Zirone voort, alsof hij zich plotseling iets herinnerde, wat hem voor een oogenblik ontschoten was, „hebt ge ooit bij uwe menigvuldige omzwervingen van een zekeren dokter Antekirrt hooren spreken?”
Met alle zijne schranderheid kon Pescadospunt onmogelijk die vraag verwachten. Hij wist evenwel zooveel zelfbeheersching uit te oefenen, dat hij van zijne verbazing niets liet merken.
Maar hoe kon Zirone, die niet te Ragusa was, terwijl deSavarenadaar geankerd had gelegen, en die niet te Malta vertoefde, toen deFerratodaar repareerde, hebben hooren spreken van dokter Antekirrt? En hoe kwam hij zelfs aan dien naam? Ziet, dat waren vragen die in ditoogenblikhet brein van den kleinen man bestormden.
Maar hij begreep met zijnpractischverstand terstond, dat zijn antwoord hem van zeer veel nut kon zijn; daarom aarzelde hij dan ook geen oogenblik.
„Dokter Antekirrt?.…”vroeg hij om tijd te winnen. „Dokter Antekirrt?”
„Ja, dokter Antekirrt,” herhaalde Zirone.
„Zeker heb ik van hem gehoord!”
„Welnu?”
„Langs de geheele Middellandsche zee—en die is nog al uitgebreid—is slechts sprake over hem!”
„Hebt gij hem gezien? Of hebt gij hem soms ook gesproken?” vroeg Zirone eenigszins wantrouwend.[195]
„Nooit; noch het een noch het ander.”
„Maar weet gij wie hij is, die dokter? Daaromtrent zult gij toch wel iets vernomen hebben?”
„Wie hij is?.… Een arme drommel.”
„Wat, een arme drommel? Houdt ge mij voor den gek?” vroeg Zirone vertoornd.
„Zeker, een arme drommel, die zoo wat honderd maalmillionnairis, zooals men ten minste beweert. Gij begrijpt, dat ik al die millioenen niet heb kunnen tellen.”
„Een aangename mededeeling intusschen,” grinnikte Zirone met een soort van welbehagen.
„Die nooit gaat wandelen, zonder in iederen zak van zijn overjas een millioen te hebben.”
„En heeft die overjas veel zakken?” vroeg de bandiet met van hebzucht fonkelende oogen.
„Slechts zes!.… Het is weinig, dat beken ik,” zei Pescadospunt glimlachende.
„En verder?.…”
„Dokter Antekirrt is een arme drommel, die er door zijne droomerijen toe gebracht werd, om de geneeskunde voor liefhebberij uit te oefenen, en daarvoor nu eens met zijn goeletSavarena, dan weer met zijn stoomjachtFerratorondreist engeneesmiddelenbezit voor de twee en twintig duizend ziekten, waarmede de natuur het menschenras zoo liefderijk begiftigd heeft.”
Het potsenmakerskarakter van vroeger was bij Pescadospunt weer zeer ter snede boven gekomen en zijne snakerijen namen niet minder Zirone dan Carpena in, die scheen te zeggen:
„Welnu, hoe denkt gij er over?.… Welk eene aanwinst!.… Niet waar?.… Zoo’n kerel!”
Pescados zweeg en stak eene sigarette aan, waarvan hij den grilligen rook tegelijkertijd uit den neus, uit de oogen en zelfs uit de ooren liet ontsnappen. De beide anderen keken hem verwonderd aan.
„Ge denkt dus, dat die dokter rijk is?” vroeg Zirone begeerig en met de lippen smakkend.
„Rijk, vraagt gij? Hij is zoo rijk, dat hij het geheele eiland Sicilië kan koopen, om er zich een Engelsch park van te vervaardigen,” antwoordde Pescadospunt.
Toen, bedenkende dat het oogenblik wellicht gekomen was, om Zirone het denkbeeld in te fluisteren van het plan, welks uitvoering hij persoonlijk najaagde:
„Ziet, vervolgde hij dan ook, „al heb ik dien dokter Antekirrt in eigen persoon niet gezien, dan heb ik toch een zijner pleizierjachten kunnen bewonderen.”[196]
„Een zijner pleizierjachten? Houdt hij er pleizierjachten op na?” vroeg Zirone geheel en al verlokt.
„Men zegt, dat hij eene geheele flottilje er op nahoudt, om zijne tochtjes op de Middellandsche zee te kunnen volvoeren en de verschillende kusten van dat meerbekken te bezoeken.”
„Een zijner pleizierjachten?” herhaalde Zirone voortdurend met de grootste verwondering.
„Ja, deFerrato! Een prachtig vaartuig, dat mij zeer ter stade zoude komen, om tochten in de baai van Napels te ondernemen, met een of twee vorstinnen mijner keuze!”
„En waar hebt ge dat jacht gezien, vriend Pescados?” was de nieuwsgierige vraag.
„Te Malta,” antwoordde Pescados, zonder de minste aarzeling. „In de Militaire haven.”
„Wanneer?”
„Wanneer?.… Laat zien.… Wel, niet later dan gisteren,” antwoordde de kleine man zonder bedenken.
„Gisteren?”
„Wel zeker, te La Valletta. Toen wij ons met onzen aanvoerder Carpena inscheepten, lag het nog in de Militaire haven ten anker. Maar men vertelde, dat het vier en twintig uren later vertrekken zou.”
„Waarheen? Zijt gij dat soms ook te weten gekomen, vriend Pescados?” vroeg Zirone.
„Eh, eh! Juist naar Sicilië, naar Catania! Ja, dat vernam ik nog even vóór onze inscheping.”
„Naar Catania?” herhaalde Zirone nadenkend. „Weet gij dat zeker? Naar Catania?”
Die overeenkomst van het vertrek van dokter Antekirrt met de waarschuwing, die hij ontvangen had, om dien man te wantrouwen kon niet anders dan de achterdocht van den makker van Sarcany opwekken.
Pescadospunt begreep, dat zekere geheime gedachte in het brein van Zirone broeide. Maar welke?
Toen hij haar niet kon raden, besloot hij meer bepaald er op los te gaan. Toen Zirone dan ook vroeg:
„Wat kon die duivelsche dokter in Sicilië uit te voeren hebben? En juist te Catania?”
„Wel nu nog mooier! Wat hij hier wil uitvoeren? Wel niets! Volstrekt niets! Dat begrijpt gij.”
„Niets?”
„De stad bezoeken, den Etna beklimmen; in één woord: rondboemelen als een rijk heer, die hij is.”
„Pescados,” zei Zirone, die van tijd tot tijd eene zekere achterdocht[197]in zich voelde opwellen, „het komt mij voor, dat gij meer van dien man weet, dat gij thans wel vertelt.”
„Niet meer dan ik u mededeel. Maar ik zou meer uitvoeren, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen.”
„Wat wilt ge zeggen? Wat zoudt gij willen uitvoeren?” vroeg Zirone nieuwsgierig.
„Dat’s duidelijk genoeg, dunkt me,” mompelde Pescadospunt schier onhoorbaar.
„Voor mij evenwel niet. Gij dient duidelijker te spreken, vriend Pescados,” hernam de Siciliaan.
„Welnu, ik wil zeggen, dat wanneer die dokter Antekirrt, zooals vermoedelijk is, op ons grondgebied zal komen wandelen, Zijne Excellentie ons een aardig losgeld te betalen zal hebben.”
„Zoo, meen je dat?”
„En als hem dat slechts een of twee millioen zal kosten, dan komt hij er goedkoop af.”
„Vind je?.… Ja, het is waar: die overjas met die zes zakken, niet waar? Maar zijn die zakken altijd gevuld?”
„En dan zou kunnen gezegd worden, dat Zirone en zijne vrienden echte schaapskoppen zullen geweest zijn,” ging Pescadospunt voort, zonder op de laatste vraag te antwoorden.
„Goed gezegd,” antwoordde Zirone lachende. „Na dat compliment aan ons adres kun je gaan slapen.”
„Dat lijkt mij, kapitein,” antwoordde Pescados, „maar ik weet wel, waarvan ik droomen ga.”
„Waarvan, zeg?”
„Van de millioenen van dokter Antekirrt.… Dat zullen gulden droomen zijn, niet waar?”
En daarop ging Pescados, na nog eene laatste rookwolk van zijn sigarette uitgeblazen te hebben, zijn makker in de schuur der herberg opzoeken, terwijl Carpena naar zijn vertrek ging.
En toen, in plaats van te slapen, hield de brave kerel zich onledig met hetgeen hij gedaan en gezegd had behoorlijk in zijn brein te ordenen. Dat was niet gemakkelijk. Dit moest hij erkennen.
Had hij inderdaad van het oogenblik, dat Zirone tot zijne groote verwondering hem over dokter Antekirrt gesproken had, de belangen behoorlijk behartigd die hem toevertrouwd waren? Dat de lezer oordeele!
De dokter hoopte bij zijn verblijf op Sicilië Sarcany, en, voor het geval dat zij er te zamen waren, ook Silas Toronthal te ontmoeten. Dat was toch mogelijk, daar beide Ragusa verlaten hadden. Mocht dat tegenvallen, dan zou hij, bij afwezigheid van Sarcany, zich van Zirone meester kunnen maken. Daarna zou hij dezen, hetzij door hem te beloonen, hetzij door hem te dreigen, er wel toe brengen, om te vertellen,[198]waar Sarcany en Silas Toronthal zich ophielden. Twijfel aan den uitslag van dat beraamde plan kwam volstrekt niet bij hem op.
Dat was zijn voornemen, en ziehier hoe hij dat dacht uit te voeren.Het was eenvoudig genoeg.
De dokter had in zijne jeugd Sicilië verscheidene malen bezocht en dan voornamelijk in de omstreken van den Etna vertoefd. Hij kende de verschillende wegen, welke de bergbestijgers gewoonlijk insloegen. De meest gekozene slingert aan den voet een zonderling huis voorbij, hetwelk aan den benedenrand van den uitbarstingskrater gebouwd is en de „Casa Inglese”, het Engelsche huis genoemd wordt.
Nu hield de bende van Zirone, waarvoor Carpena versterking te Malta aangeworven had, strooptochten op de hellingen van den Etna. Het was dus zeker, dat de aankomst van een zoo beroemd persoon, als dokter Antekirrt was, hare gewone uitwerking te Catania zoude uitoefenen. Daar nu de dokter openlijk had laten verkondigen, dat hij den Etna wilde beklimmen, kon het boven allen twijfel verheven gerekend worden, dat Zirone zulks vernemen zoude, vooral als Pescadospunt er zich in mengde. De lezer heeft kunnen bespeuren, dat de aanleg der zaak niet moeilijk was geweest, daar Zirone zelve Pescados over dokter Antekirrt ondervraagd had.
Ziehier nu de valstrik, die Zirone gespannen werd, en waarin hij alle kans had zich te verstrikken.
Daags voor den bepaalden dag, dat de dokter de vulkaanbeklimming zou ondernemen, moesten twaalf goed gewapende mannen van deFerratozich heimelijk naar de Casa Inglese begeven. Den volgenden dag zouden de dokter, vergezeld van Luigi Ferrato, van Piet Bathory en van een gids, Catania verlaten en den gewonen weg volgen, zoodanig dat zij de Casa Inglese tegen acht uur des avonds konden bereiken.
Zoo doen de toeristen, die boven op den Etna de zon willen zien opgaan, hetgeen door het oostwaarts gelegen gebergte een bewonderenswaardig gezicht oplevert.
De Casa Inglese is door eenigereizigers, die uitermate veel van comfort hielden, daargesteld. Zij is prachtig gelegen op ongeveer drie duizend meters boven de oppervlakte der zee.
Ongetwijfeld was het de wensch van Zirone, daartoe door Pescadospunt opgehitst, te trachten dokter Antekirrt in handen te krijgen, vooral daar hij meende, dat hij slechts met hem en zijne twee metgezellen te doen zoude hebben. Wanneer hij echter bij de Casa Inglese zoude aankomen, zou hij door de zeelieden derFerratowarm ontvangen worden en zou alle weerstand vruchteloos, ja onmogelijk zijn.
Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)
Dennen, pijnboomen en berken ontwaard werden. (Bladz. 206.)
Pescadospunt, die dat plan kende, had dus zeer behendig van de[200]omstandigheden partij getrokken, om het denkbeeld in het brein van Zirone op te wekken, zich van dokter Antekirrt meester te maken. Dat zou een zeer rijke prooi zijn, die hij naar hartelust zou kunnen uitplunderen, zonder daarbij de waarschuwing uit het oog te verliezen, die hij ontvangen had. Was het bovendien niet het zekerste, nu hij zich voor dien dokter moest wachten, hem in zijne macht te krijgen, al moest hij dan ook daarvoor den losprijs, dien hij bedingen kon, verliezen? Hoe meer de bandiet er over nadacht, hoe meer de zaak hem toelachte.
Zirone ging tot dat besluit over, in afwachting van nieuwe instructies van Sarcany.
Maar om des te zekerder omtrent het welslagen te zijn, rekende hij, dewijl zijne geheele bende niet bij de hand was, die oplichting uit te voeren met behulp der Maltezers van Carpena. Dat kon Pescadospunt geene onrust inboezemen, daar die twaalf booswichten wel in bedwang zouden gehouden worden door de zeelieden van deFerrato. Die Maltezers waren inderdaad nog slechts nieuwelingen in het werk.
Maar Zirone liet zelden of nooit iets aan het toeval over, wanneer hij anders handelen kon.
Daar volgens beweren van Pescados het stoomjacht den volgenden dag moest aankomen, zoo verliet hij in den vroegen ochtend de herberg Santa Grotta, daalde de hoogte af en begaf zich naar Catania. Dewijl hij in die plaats niet bekend was, kon hij dien tocht zonder gevaar hoegenaamd ondernemen. Niemand zou hem verdenken.
Het stoomjacht was toen reeds sedert eenige uren op de ankerplaats aangekomen. Het had niet aangelegd bij de haven, waarbij zich de vaartuigen steeds verdrongen, maar het was ten anker gekomen in eene soort van voorhaven, gelegen tusschen den noorderpier en een kolossaal rotsgevaarte van zwartachtige lava, die door de uitbarsting van 1669 tot bij den zeeoever voortgestuwd was. Daar lag het vaartuig veilig.
Reeds bij het aanbreken van den dag werden Kaap Matifou en elf man der equipage onder aanvoering van Luigi Ferrato te Catania ontscheept, waarna zij zich ieder afzonderlijk op weg begeven hadden naar de Casa Inglese.
Zirone wist dus niets van die ontscheping, en daar deFerratoop eene kabellengte van den wal verwijderd ten anker lag, kon hij zelfs niet gadeslaan, wat er aan boord voorviel. Dat was, de lezer moet het erkennen, eene gelukkige omstandigheid.
Tegen zes uur des avonds zette de barkas twee passagiers van het stoomjacht aan wal. Dat waren dokter Antekirrt en Piet Bathory. Zij richtten hunne schreden, terwijl zij de Via Stesicoro en de Strada Etna insloegen, naar de Villa Ballini, een bewonderenswaardige[201]publieke tuin, een der fraaiste, zoo niet de fraaiste wellicht van geheel Europa, met zijne bloemperken, zijne boschjes van sierplanten, zijne paden langs grillige hellingen, zijne terrassen, beschaduwd door zwaar en hoog geboomte, zijne levendige en murmelende beken, en dan die prachtige vulkaan, welke aan den gezichteinder verrijst en steeds met eene rookpluim getooid is, Inderdaad, die vallei is verrukkelijk.
Zirone had de twee passagiers achtervolgd en twijfelde er niet aan, of een hunner was dokter Antekirrt. Hij sloop zoodanig voorwaarts, dat hij hen vrij nabij naderde te midden van de menigte, die in de villa Bellini naar de muziek was komen luisteren en zich daar vrij laat ophield. Hoe geheimzinnig hij dit had pogen te doen, hadden de dokter en Piet Bathory toch de geniepige omdolingen bemerkt van dien kerel met dat argwaanwekkende gelaat. Als dat de door hen bedoelde Zirone was, dan—dat moesten zij erkennen—was de gelegenheid schoon om hem verder in den valstrik te lokken, waarin zij hem vangen wilden. Onmerkbaar knikten zij elkander toe.
Tegen elf uren in den avond dan ook, juist toen beiden den openbaren tuin wilden verlaten, om naar boord terug te keeren, zei de dokter met gedempte stem tot Piet:
„Dat is dan afgesproken, morgen zullen wij op weg gaan en zullen den nacht in de Casa Inglese doorbrengen.”
„Hoe laat het vertrek?” vroeg Piet Bathory, even onverschillig, of hij gehoord werd of niet.
„Dat zullen wij aan boord van deFerratobepalen,” antwoordde dokter Antekirrt.
De verspieder had waarschijnlijk vernomen, wat hij wenschte te weten; want in het daarop volgend oogenblik was hij in het struikgewas spoorloos verdwenen.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory tuurden rondom zich en toen zij niemand meer bespeurden, krulde een glimlach hunne lippen.