[Inhoud]VI.HET VERLEDEN EN HET TEGENWOORDIGE.Dokter Antekirrt verhaalde alsnu de geschiedenis van graaf Mathias Sandorf en vervolgde, toen hij medegedeeld had, hoe deze zich in de wateren der Adriatische zee gestort had, als volgt:„Te midden of beter in weerwil van den kogelregen, die mij bij de laatste losbranding der politie-agenten om de ooren vloog, gelukte het mij toch heelhuids te ontkomen. De nacht was uitermate donker, zoodat door mij niets te zien was. De stroom zette van de kust naar buiten, en al had ik het ook gewild, dan zou ik niet meer naar den vasten wal hebben kunnen terugkeeren. Maar, zooals te begrijpen valt, dat wilde ik niet. Neen, ik wilde liever in de onmetelijke zee verzinken, dan weer gevangen genomen te worden, dan weer teruggebracht te worden naar dien engen vestingtoren van Pisino, om daar doodgeschoten te worden. Wanneer ik bezweek, welnu.… dan was alles gedaan, dan was alles uit!„Daarenboven, als ik er in slaagde, om mij te redden, dan kon ik voor dood doorgaan. Niets zou mij dan in den weg staan, om de vergeldende rechtspleging uit te oefenen, die ik aan graaf Ladislas Zathmar en aan Stephanus Bathory, uwen vader, gezworen had ten uitvoer te leggen, en die ik ook volbrengen zal!”Die laatste woorden werden met eene niet weer te geven zeggingskracht geuit.„Een rechtspleging?” vroeg Piet Bathory, wien oog schitterde bij het ontwaren van dat nieuwe en onverwachte gezichtspunt, hetwelk door dit woord voor hem geopend werd.[90]„Ja, Piet, eene rechtspleging!” bevestigde dokter Antekirrt met hoogst ernstige stem.„En welke, heer dokter, als ik u vragen mag?” hernam de jongman met niet minder ernst in stem en gebaar.„O, gij zult haar kennen; want om er u aan te verbinden, heb ik u aan den dood ontrukt, heb ik u op het kerkhof te Ragusa opgegraven. Voor de wereld zijt ge dood, evenals ik; maar evenals ik zijt gij levend! En dat zullen de verraders ondervinden!”Bij die woorden voelde zich Piet Bathory als het ware vijftien jaren teruggevoerd, tot op het oogenblik dat zijn vader op het binnenplein van de vesting te Pisino, door de moorddadige kogels doorboord, dood ter nederviel.„Vóór mij”, ging dokter Antekirrt voort, „strekte zich de onmetelijke zee tot bij het Italiaansche kustland uit. Hoe uitstekend zwemmer ik ook was, zoo kon ik toch de hoop niet koesteren, dien plas te kunnen oversteken, wanneer ik aan eigen kracht overgelaten bleef. Zoodat kwam mij de Voorzienigheid niet te hulp, hetzij door mij het een of ander wrakhout te laten ontmoeten, hetzij dat ik door een vreemd schip opgenomen werd, dan zou het mijn lot zijn, om ellendig te verdrinken. Dat kwam mij ontwijfelbaar voor. Maar wanneer men het offer van zijn leven gebracht heeft, wanneer men van alles afstand gedaan heeft en iedere nevenoverweging verdwijnt, dan is men wel sterk om dat leven te verdedigen, wanneer die verdediging althans mogelijk is.„Eerst had ik herhaaldelijk onder de watervlakte gedoken, om aan de laatste geweerschoten, die nog knalden, te ontkomen. Later, toen ik zeker was, dat ik niet meer bemerkt kon worden, en ik berekenen kon, buiten het bereik van het geweervuur te zijn, kwam ik weer boven en zwom regelrecht naar volle zee toe. Mijne kleederen hinderden mij weinig, daar zij van zeer lichte stof vervaardigd waren en zeer nauw om het lichaam sloten.„Het moest toen zoo omstreeks half tien in den avond zijn. Volgens mijne gissing zwom ik gedurende meer dan een uur in de tegenovergestelde richting van de kust en verwijderde mij zoodoende van de havenplaats Rovigno, welker laatste lichten ik langzamerhand zag verdwijnen.„Waar zwom ik zoo heen? Ik wist het niet.„En welke hoop bezielde mij? Helaas! Piet, ik had er geene; maar ik voelde in mijn binnenste eene kracht tot het bieden van weerstand, een taaie vasthoudendheid, eene bovenmenschelijke wilskracht, die mij steunde, en mij in staat stelde vol te houden. Het was mijn leven niet meer alleen, wat ik wilde redden; neen, ik wilde behouden blijven, om mijn werk, mijn levensdoel na tejagen, te voltooien. En waarlijk, wanneer ik in dit benarde oogenblik plotseling[91]een visschersvaartuig ontmoet had, zou ik ondergedoken hebben, om het te mijden,wanthoeveel verraders kon ik nog op dat Oostenrijksche kustland aantreffen, die gereed zouden zijn mij over te leveren voor een sommetje gelds? Hoeveel Carpena’s zou ik er ontmoeten, tegenover slechts één eerlijken Andreas Ferrato.„Dat gebeurde zelfs nog vóór dat het eerste uur voorbij was. Een scheepje verscheen in het schemerdonker bijna eensklaps voor mijne oogen. Het kwam uit volle zee en zeilde scherp bij den wind om de kust te bereiken. Daar ik reeds vermoeid begon te geraken, had ik mij op den rug gewenteld, om eenigermate te rusten. Maar alsinstinctmatigkeerde ik mij om, gereed tot duiken. Een vischschuit, die naar een der hoofdplaatsen van Istrië zeilde, kon niet anders dan mij verdacht voorkomen! Ik mocht niets meer in de waagschaal stellen! Ik mocht dat gevaar niet loopen!„Ik werd bijna oogenblikkelijk dienaangaande ingelicht.„Een der matrozen riep in het Dalmatische taal-eigen zijnen makker toe, om over den anderen boeg te wenden. Ik dook dadelijk en het vaartuig ging boven mijn hoofd over stag, voordat de opvarenden tijd hadden gehad mij te ontwaren.„Toen ik het stikken nabij was, kwam ik weer boven in de vrije lucht om adem tescheppen, en vervolgde ik mijn zwemtocht in westelijke richting, nadat ik mij overtuigd had, dat het scheepje in het nachtelijk duister verdwenen was.„De bries verzwakte bij het intreden van den nacht, en de deininggolven vielen met den wind. Ik voelde mij nog slechts opgeheven door die lange grondzeeën, die mij al verder en verder van het land meesleepten.„Onder die omstandigheden, dat wil zeggen, terwijl ik beurtelings zwom enrustte, verwijderde ik mij nog gedurende een uur van de kust. Ik zag niets anders dan het te bereiken doel en had geene gedachte voor den af te leggen weg. Het gold vijftig mijlen om de Adriatische zee over te steken! Ja, die wilde ik overzwemmen! Ja, ik zou ze oversteken! Mijn besluit stond onwrikbaar vast!„O, Piet men moet zulke beproevingen doorstaan hebben, om tot de ervaring te geraken, wat een mensch kan, waartoe hij bekwaam is, welke uitkomsten van de zedelijke krachten verkregen kunnen worden, wanneer zij met de lichamelijke krachten hand aan hand gaan en tot één doel samenwerken! O, dan is het menschelijke werktuig onovertroffen!„Zoo ondersteunde ik mij ook gedurende het tweede uur.„Dat gedeelte van de Adriatische zee was geheel eenzaam, men kon zeggen onbevolkt. De laatste watervogels hadden haar verlaten om hunne holen aan de oevers te gaan opzoeken. Geen enkele zweefde meer over mijn hoofd heen, behalve eenige meeuwtjes, die[92]scherpe kreten uitstieten, terwijl zij paarsgewijze over de oppervlakte van de blauwe zee scheerden en soms daarop neerstreken, om zich op de loome golfjes te laten wiegelen.„Hoewel ik niets van de vermoeidheid wilde gevoelen, begonnen mijne armen en beenen zwaar te worden. Reeds strekten zich mijne vingeren krampachtig van elkander uit, en het kostte mij moeite om de handen gesloten te houden, hetgeen bij het zwemmen zoo noodzakelijk is. Mijn hoofd woog loodzwaar, alsof een kogel aan mijne schouders bevestigd ware geweest. Ik begon moeielijkheid te ondervinden om het boven water te houden.„Eene soort van hallucinatie, van zinsbegoocheling overviel mij toen. De geregelde gang der denkbeelden begon mij te begeven, en tot eene gezette opeenvolging van gedachten kon ik mijn brein niet meer dwingen. Vreemde samenkoppelingen van meeningen vormden zich in mijne geschokte hersenen. Ik voelde dat ik niet anders dan zeer onvolmaakt een geluid zou kunnen hooren, het welk in mijne nabijheid zou waargenomen kunnen worden, of een licht zou kunnen zien, dat in mijne nabijheid ontstoken zoude worden.„En het was juist zoo iets,dat mij wedervoer.„Het kon ongeveer middernacht geweest zijn, toen een dof en verwijderd gerommel zich in oostelijke richting liet vernemen. Het was voor mij onmogelijk den aard van dat gerommel te onderscheiden.„Een lichtstraal drong door mijne oogleden heen, die zich mijns ondanks gesloten hadden. Ik poogde mijn hoofd op te beuren en slaagde daarin slechts door mij half te laten onderdompelen. Toen keek ik.…„Ik vertel u al die bijzonderheden, Piet, opdat gij ze weten zoudt en opdat gij door haar mij in mijn karakter zoudt leeren kennen.”„Van uw karakter is mij niets onbekend, dokter. Niets!” antwoordde de jongman.„Niets?” vroeg dokter Antekirrt.„Denkt gij dan, dat mijne moeder mij niet op de hoogte gebracht heeft, wie en wat graaf Mathias Sandorf was?”„Dat zij Mathias Sandorf gekend heeft, dat kan, Piet.…”„Zeker, heeft zij dien gekend!” fluisterde de jongman schier ademloos van spanning.„Maar dat zij dokter Antekirrt zoude kennen? Neen, dat niet.Dat kan niet, niet waar?”Piet Bathory luisterde ten hoogste ingespannen.„En het is juist die man, dien ge moet leeren kennen,” ging de dokter voort. „Luister dus goed.”De jeugdige ingenieur knikte. Hij was geheel gehoor. Zijn geheel uiterlijk kenmerkte dat.„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Het gerommel, dat ik gehoord had, werd veroorzaakt door een[94]groot schip, dat van den oostkant kwam en naar de Italiaansche kust stevende. De lichtstraal, die tot mij doorgedrongen was, kwam van zijn wit licht, hetwelk in den fokkemast bengelde. Dat was het onbedriegbare teeken, dat het een stoomvaartuig was. Wat zijne positie-lichten betrof, die onderscheidde ik weldra daarna, het roode aan bakboord en het groene aan stuurboord. En daar ik die twee seinlichten tegelijkertijd ontwaarde, wist ik dat het vaartuig recht op mij afkwam.„Het daaropvolgende oogenblik zou voor mij beslissend zijn. Inderdaad, alle kansen bestonden, dat dit stoomschip een Oostenrijks vaartuig was, daar het van den kant van Triëst kwam. Een toevlucht daar aan boord te verzoeken, zou gelijkstaan met mij zelven weer in de handen der maréchaussées van Rovigno te stellen! Ik was vast besloten zoo iets niet te doen, hoewel ik gereed was, alles te beproeven om het eerste het beste redmiddel aan te grijpen.„Dat stoomschip was een snelvarend vaartuig. Het vergrootte al meer en meer voor mijn oog, terwijl het naderde. Het vergrootte buitengewoon.„Eindelijk kon ik de zee voor den boeg in eene witte schuimkuif zien omkrullen. Binnen twee minuten zou die boeg de plaats snijden, waar ik mij bevond, waar ik bewegingloos lag te drijven.„Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat het een Oostenrijksche stoomer was. Maar het was toch niet onmogelijk, dat zijne bestemming Brindisi of Otranto was. En waren die havenplaatsen zijn einddoel niet, dan kon hij haar toch aandoen. Dat was zelfs zeer waarschijnlijk.„Als dat zoo was, dan moest hij er binnen de vier en twintig uren aankomen.„Mijn besluit was dan ook ras genomen: Ik zou blijven drijven en wachten. Dat was het best, wat mij te doen overbleef.„Ik was er zeker van, dat ik te midden van de dikke duisternis niet opgemerkt zou worden. Ik zorgde, dat ik in de richting bleef, welke die groote massa volgde, welker vaart toen vrij gematigd was en die ternauwernood door de lichte deining der kalme zee geschommeld werd.„Eindelijk was de stoomer in mijne onmiddellijke nabijheid. Zijn boeg beheerschte de zee twintig voet boven mij. Ik werd in de waterkrul, die hij voor zich uitstiet, met geweld opgenomen; maar ik ontving geen schok. De lange romp gleed langs mij heen en ik stiet mij krachtig met beide handen af. Dat duurde hoogstens een paar seconden. Toen ik daarna de vormen van het achterschip zag verschijnen, klemde ik mij, op gevaar af, door de schroefbladen te pletter geslagen te worden, aan het roer vast.[95]„Gelukkig was het stoomschip zeer zwaar geladen, zoodat de schroef zeer diep wentelde en de oppervlakte van het water niet bereikte. Want ware dat het geval geweest, dan zou ik aan de draaikolken, die daar gevormd werden, niet hebben kunnen ontkomen; ook zou ik het steunpunt, waaraan ik mij vasthield, niet omklemd hebben kunnen houden, en had ik moeten loslaten.„Maar, evenals bij alle stoomvaartuigen, hingen twee ijzeren kettingen aan het achterschip en sloten aan de roerwanden aan. Ik greep een van die kettingen en tilde mij tot de ijzeren kram omhoog waarin zij vastgeklonken waren. Ik kon nu boven water zitten en richtte mij zoo goed en zoo kwaad bij den achtersteven in, als maar mogelijk was.„Betrekkelijk was ik hier in veiligheid!„Drie uren later brak de dag eindelijk aan. Ik berekende toen, dat ik nog gedurende meer dan vier en twintig uren in dien toestand zou moeten doorbrengen, namelijk wanneer de stoomboot Brindisi of Otranto zou aandoen. Waar ik het meeste door zou lijden, dat was door dorst en honger.„Maar het voornaamste was, dat ik niet van het dek van de boot ontwaard werd; ook niet van uit de sloepen, die rechts en links van het achterschip in dedavitshingen. Het is waar, dat ik door eenige tegenliggende schepen kon gezien worden en dat die seinen konden wisselen; maar gelukkig ontmoetten wij gedurende dien dag zeer weinig schepen, en die wij ontmoetten, voeren ons op zoo’n grooten afstand voorbij, dat niemandbespeurenkon, dat een man zich aan de roerkettingen van het stoomschip vastgeklemd hield.„Eene brandend heete zon veroorloofde mij weldra mijne kleederen, die ik daartoe uittrok, te drogen.„De drie honderd gulden van Andreas Ferrato bevonden zich steeds in mijn gordel. Zij moesten mij onderhoud en veiligheid verschaffen, zoodra ik aan wal zoude zijn. Daar, daar zou ik niets meer te vreezen hebben.„Op vreemden bodem waren voor graaf Mathias Sandorf, de Oostenrijksche agenten en spionnen geen schrikbeelden meer. Daar zou ik het hoofd rechtop kunnen voeren. Daar zou ik niet meer als een rampzalige ellendeling moeten rondsluipen om het veege leven te redden.„Maar het was mij niet genoeg voor het oogenblik, dat ik dat leven gered had; ik wilde ook dat men aan mijnen dood geloofde.…„Niemand mocht vernemen, dat de laatste vluchteling uit den vestingtoren van Pisino, dat graaf Mathias Sandorf op Italiaanschen bodem voet aan wal gezet had. Ik had daar gegronde redenen voor, zooals gij weldra vernemen zult.[96]„Wat ik zoo innig verlangde, wat ik zoo innig hoopte, gebeurde gelukkig ook.„De dag ging zonder buitengewone voorvallen voorbij. De nacht viel eindelijk in. Ongeveer tegen tien uren in den avond flikkerde een licht met regelmatige tusschenpoozen in het zuidwesten. Ik herkende dat licht, want ik was meer in deze streken geweest. Dat was de vuurtoren van Brindisi.„Twee uren later was de stoomboot in het door boeien afgebakende vaarwater, hetwelk naar de haven geleidt.„Maar toen, vóórdat de loods aan boord gekomen was, en wij den wal op ongeveertweemijlen genaderd waren, bond ik mijn kleederen in een pakje, dat ik op mijn hoofd en aan mijn hals bevestigde, liet de kettingen van het roer los en gleed zonder gerucht te maken in het water, hoewel het stoomschip nog in volle beweging was.„Het hevige geplons van de schroef bedwelmde mij een oogenblik, ik werd ook in de kolken, welke zij met woest geweld vormde, voor een poos meêgesleurd; maar eene minuut later reeds—want ik repte mij en zwom krachtig voort—had ik de stoomboot uit het gezicht verloren en hoorde ik nog maar het oorverscheurend gegil harer stoomfluit, waarmede zij hare aankomst in de havenplaats aankondigde.„Een half uur later zette ik bij zeer kalme zee op een vlak en dor strand, waarop geen branding stond, voet aan wal, gelukkig zonder dat iemand mij gezien had. Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten, kleedde mij daar aan en zocht, terwijl de uitputting door de uitgestanevermoeienissende bovenhand boven den honger behield, eene rustplaats te midden van droog zeewier, waarmede de tusschenruimten der rotsen gevuld waren, en sliep weldra op dat bed in.„Bij het aanbreken van den dag wandelde ik Brindisi binnen en zocht daar een der meest bescheidene hôtels van de stad op, alwaar ik besloot de verdere gebeurtenissen af te wachten, alvorens het plan van geheel mijn toekomstig leven vast te stellen. Ik was nu in veilige haven en had derhalve volstrekt geen haast.„Twee dagen later, Piet, vernam ik door middel van de dagbladen, welke rampzalige ontknooping de Triëster samenzwering gehad had. Ik las dat nasporingen in het werk gesteld waren, om het lijk van graaf Mathias Sandorf te vinden; maar dat die te vergeefs geweest waren. In echten reporterstijl werden daar vele bijzonderheden medegedeeld, die mij deden glimlachen.Brindisi. (Bladz. 98).Brindisi. (Bladz. 98).„Maar ik werd voor dood gehouden, dat was het voornaamste, even zoo goed dood, alsof ik met mijn makker, graaf Ladislas Zathmar en uwen vader, Stephanus Bathory, onder de doodelijke[98]schoten op het binnenplein van den vestingtoren te Pisino gevallen was!„Ik, dood!.… Dood!”„Waarachtig niet, Piet.… en velen zullen wel ondervinden, dat ik nog levend ben!”Piet Bathory had met alle gretigheid, met de meeste opmerkzaamheid naar dat verhaal van den dokter geluisterd. Hij was onder den indruk daarvan, alsof hem dat alles, wat gebeurd was, in de diepte van een graf medegedeeld was geworden.Ja, het was graaf Mathias Sandorf die zoo tot hem sprak. Daaraan viel niet te twijfelen.Tegenover Piet, tegenover den zoon van Stephanus Bathory, tegenover dat levende evenbeeld van zijn vader, had graaf Mathias Sandorf zijne gewone koelheid langzamerhand verloren.Hij had thans den jongen man geheel en al toegang tot zijne ziel verleend en vertoonde haar in zijne tegenwoordigheid, zooals zij werkelijk was, na ze zoo lange jaren voor anderen gesluierd gehouden te hebben!Maar hij had nog niets gerept omtrent datgene, wat Piet toch zoo verlangend was te vernemen, niets omtrent hetgeen de armejongelingvan zijne medewerking verwachtte!Wat de dokter zoo even verhaald had van zijn stoutmoedigen overtocht over de Adriatische zee, was tot in de geringste bijzonderheden waar. Zoo was hij heelhuids te Brindisi aangekomen, terwijl graaf Mathias Sandorf volgens ieders opvatting dood was en dood bleef.Maar het kwam er nu op aan, om Brindisi zonder dralen te verlaten. Die haven daar, aan het uiteinde van Italië als het ware, kon slechts eene pleisterplaats genoemd worden. De reizigers komen daar, hetzij om zich in te schepen naar de Levant, of naar Indië; hetzij om, vandaar komende, te ontschepen en verder te reizen naar Europa. Het plaatsje kan in gewone omstandigheden verlaten genoemd worden, behalve gedurende een of twee dagen, wanneer de pakketbooten, voornamelijk die van de „Peninsular and Oriental Company” er aankomen. En die verlatenheid zou voldoende zijn, om den vluchteling te doen herkennen, en hoewel het waar was, zooals hierboven reeds verhaald werd, dat hij niet meer voor zijn leven te vreezen had, zoo was het hem toch boven alles waard, dat hij dood gewaand werd.Dit alles bedacht graaf Mathias Sandorf daags na zijne aankomst te Brindisi, terwijl hij aan den voet van het terras wandelde, die door de Cleopatra-zuil beheerscht werd, juist ter plaatse waar de Apische weg begint.Het plan van zijn volgend leven was reeds vastgesteld. Hij zou naar het Oosten gaan, om daar een vermogen te garen en met dat[99]vermogen eene groote macht te verwerven. Maar het kwam niet raadzaam voor, zich op een der pakketbooten in te schepen, die de geregelde vaart langs Klein-Azië verrichten en die gewoonlijk opgepropt waren met passagiers van de meest uiteenloopende nationaliteiten. Hij moest een ander en meer geheim vervoermiddel opsporen, en dat kon hij te Brindisi niet vinden. Hij vertrok dan ook denzelfden avond per spoortrein naar Otranto.Binnen anderhalf uur tijds had hij die stad, welke bijna aan het uiteinde van den hiel van de Italiaansche laars bij het kanaal, hetwelk den smallen toegang tot de Adriatische zee vormt, gelegen is, bereikt. Daar in die verlaten havenplaats kon graaf Mathias Sandorf prijs bepalen voor den overtocht met den schipper van een klein vaartuig, dat zeilree naar Smyrna lag, en eene lading Albaneesche paarden moest vervoeren, die te Otranto geen koopers gevonden hadden.Den volgenden morgen stak het vaartuig in zee en zag de dokter den vuurtoren van Punta di Luca, aan het uiterste puntje van Italië gelegen, aan den gezichteinderverdwijnen, terwijl aan den tegenovergestelden kant de Acroceraunische bergen in de nevelen weg vloden. Weinige dagen later werd, na een overtocht zonder wederwaardigheden, kaap Matapan, de zuidelijkste punt van Griekenland, voorbij gestevend en waren de reizigers spoedig daarna te Smyrna op hunne bestemmingsplaats aangekomen.Dokter Antekirrt had Piet dit gedeelte van zijn verhaal zoo beknopt en zoo vluchtig mogelijk medegedeeld, alsook hoe hij door middel der dagbladen den plotselingen dood van zijn dochtertje vernam, waardoor hij nu eenzaam en verlaten in de wereld achterbleef!„Ik was dan eindelijk,” zoo ging hij met zijn verhaal voort, „op dien bodem van Klein-Azië aangekomen, waar ik zoovele jaren geheel onbekend zoude leven. Ik zou aan de studiën in de geneeskunde, in de scheikunde, in de natuurlijke wetenschappen, aan welker bron ik mij in de scholen en in de universiteiten in Hongarije gelaafd had, aan die studiën, die door uwen vader met zooveel toewijding en zoo roemrijk onderwezen werden, thans vragen om mijn bestaan te waarborgen.„Ik was gelukkig genoeg om te slagen en dat wel veel spoediger dan ik aanvankelijk had durven hopen. Ik vestigde mij eerst te Smyrna, waar ik mij in den tijd van zeven of acht jaren een groote beroemdheid als geneesheer verwierf. Eenige onverwachte genezingen brachten mij in aanraking met de rijkste personen uit die streken, waar de geneeskunde eigenlijk nog in het tijdperk der kindsheid verkeert. Ik besloot toen die stad te verlaten. Ik wilde, evenals de professoren van weleer, de menschen genezen, terwijl ik tevens de kunst van genezen zou onderwijzen. Ik wilde terzelfder tijd de onbekende geneeswijze der taleb’s van Klein-Azië en der pandit’s[100]van Indië bestudeeren. Ik doorreisde al die provinciën, en vertoefde op de eene plaats eenige weken, elders eenige maanden, terwijl mijne hulp ingeroepen werd te Karahissar, te Bender, Adana, Haleb, Tripoli en Damas, waarbij ik steeds voorafgegaan werd door eene vermaardheid, die onophoudelijk aangroeide en waardoor mijn vermogen met die vermaardheid vermeerderde.„Maar, dat was voor mij niet genoeg, Piet. Neen, waarachtig niet! Dat gevoelde ik wel!„Ik moest een onbegrensde macht erlangen, eene macht zooals slechts een der rijkste rajah’s van Indië zou ten deel gevallen zijn, wanneer de wetenschap zich aan zijne onmetelijke rijkdommen gepaard zou hebben.„De gelegenheid daartoe bood zich eindelijk aan! Ik zou verkrijgen, wat ik wenschte.„Te Homs, in Noordelijk Syrië, bevond zich een man, die aan eene langzame ziekte wegkwijnende was. Geen enkel geneesheer had de geaardheid van zijn lijden kunnen onderscheiden. Daaruit werd natuurlijk de onmogelijkheid geboren, om eene doelmatige behandeling te kunnen voorschrijven en volgen. Die man, Taz-Rhât geheeten, had indertijd hooge betrekkingen in het Ottomanische rijk bekleed. Hij was toen nog slechts vijf-en-veertig jaar oud en betreurde te meer het leven, dewijl een onmetelijk fortuin hem de middelen aan de hand deed, zich alle denkbare genietingen te verschaffen en alle genoegens na te jagen.„Taz-Rhât had over mij hooren spreken; want mijne beroemdheid was op dat tijdstip reeds groot. Hij liet mij verzoeken hem te Homs te komen zien en ik voldeed volgaarne aan die uitnoodiging, die mij geen windeieren zou leggen.„Dokter,” zei hij, „mijn halve vermogen hoort u toe, wanneer gij mij het leven zult redden!”„Behoud dat halve vermogen,” antwoordde ik. „Ik zal u behandelen en verplegen en, zoo God het wil, zal ik u genezen.”„Ik bestudeerde nauwkeurig dien zieke, die door alle geneesheeren opgegeven was. Allen hadden uitspraak gedaan, dat hij nog maar weinige maanden te leven had. Maar ik was gelukkig genoeg eene stellige diagnose te kunnen maken. Ik bleef gedurende drie weken bij Taz-Rhât, om de uitwerking gade te slaan van de behandeling, die ik op hem toepaste.„Om kort te gaan, zijne genezing was geslaagd. Hij herstelde geheel en al, en kon weer in de maatschappij verkeeren.„Toen hij mij verlangde te betalen, wilde ik niet meer ontvangen, dan hetgeen mij voorkwam, mij redelijkerwijze toe te komen. Daarna verliet ik Homs en Syrië.„Drie jaren later verloor Taz-Rhât door een ongeluk bij eene[101]jachtpartij het leven. Hij liet geene bloedverwanten, geene onmiddellijke nakomelingen na, en bij laatste wilsbeschikking had hij mij tot universeel erfgenaam gemaakt van al zijne goederen, welker waarde op niet minder dan vijftig millioen gulden geschat kon worden. Dat was een aardige som, niet waar, Piet?„Het was toen ongeveer dertien jaren geleden, dat de vluchteling uit den kerkertoren van Pisino eene schuilplaats had komen zoeken in die verwijderde provinciën van Klein-Azië. De naam van dokter Antekirrt was toen al eenigermate legendarisch geworden en was ook in geheel Europa beroemd. Ik had dus het resultaat bereikt, wat ik voorshands beoogd had. Maar mij bleef nog over het groote doel na te jagen, hetwelk de eenige beweegreden van mijn geheele bestaan was.„Ik besloot toen naar de Europeesche gewesten terug te keeren, of mij ten minste op het uiterste uiteinde van dat werelddeel op het eene of andere punt van de Middellandsche zee te vestigen. Ik bezocht de Afrikaansche kuststreken en kocht—tusschen twee haakjes gezegd: zeer duur—een belangrijk vruchtbaar en rijk eiland, dat feitelijk in de behoeften van eene kleine volksplanting kan voorzien. Dat eiland noemde ik Antekirrta. En het is hier, Piet, dat ik souverein, volstrekt baas, koning zonder onderdanen ben, maar een personeel bezit, dat vol toewijding voor mij is, dat mij met lichaam en ziel toegedaan is. Hier heb ik verdedigingsmiddelen, die volmaakt en voor mijne tegenstanders verschrikkelijk zullen wezen, wanneer zij voltooid zullen zijn. Hier heb ik gemeenschapsmiddelen, die mij met de verschillende punten van den omtrek der Middellandsche zee in verbinding brengen. Hier heb ik eene vloot van eene zoodanige beweegkracht en snelheid, dat ik zonder overdrijving kan zeggen, dat ik die zee tot mijn domein, tot mijn onderdaan, tot mijn nederige slaaf gemaakt heb.„Waar is het eiland Antekirrta gelegen?” vroeg Piet Bathory uiterst nieuwsgierig.„In de nabijheid van de groote Syrtische zee, welker beruchtheid sedert de vroegste tijdrekening afschuwelijk is geweest; aan het uiteinde van die zee, die door de heerschende noordenwinden zoo gevaarlijk wordt gemaakt, zelfs voor vaartuigen van nieuweren scheepsbouw. Het is gelegen achter in den zeeboezem van Sidra, die de Afrikaansche kust insnijdt tusschen het Tripolitaansche rijk en de Cyrenaïsche regentschappen.”Daar inderdaad is het eiland Antekirrta ten noorden van de Syrtische eilandengroep te vinden.Vele jaren vroeger had de dokter de kusten vanCyrenaïcadoorreisd, had Souza, de oude havenplaats van dat land bezocht, alsook het rijk Barcah, zoowel als de kuststeden, die later het oude Ptolomaïs[102]Bereniec, Adrianopolis, in één woord dat oude Pentapolis, hetgeen vijf steden beteekent, uitmaakten, en vroeger nu eens Grieksch dan Macedonisch, later Romeinsch, Perzisch, Saraceensch enz. waren, evenwel nu Arabisch zijn en onder het Pachalik van Tripoli ressorteeren. De wisselvalligheden van zijne reis, want hij ging zoowat overal en waar men zijne hulp noodig had en inriep, voerden hem tot te midden van die talrijke eilandengroepen, waarmede de Lybische kust bezaaid is, te weten Paros en Anthirodos, de Plinthinische tweelingen, Enesipta, de Tyndarenische rotsen, Pyrgos, Platea, de Hyphlische en de Pontische eilanden, de Witte en de Syrtische eilanden.Daar in die baai van Sidara, op dertig mijlen ten zuidwesten van het vilayet van Ben Chazi, het meest nabijgelegen punt der Afrikaansche kust, trok dat eiland Antekirrta meer in het bijzonder zijne aandacht.Men noemde het zoo, omdat het voor de andere Syrtische of Kryrtische eilanden gelegen is.Van dien dag af koesterde de dokter het voornemen, dat eiland den een of anderen dag te koopen, en als eene voorloopige in bezitneming, nam hij den naam van Antekirrt aan, die weldra wereldberoemd en overal in alle streken van het oude halfrond vernomen werd.Twee wichtige redenen hadden hem na eenig bedenken tot die keuze geleid. Ziehier:Vooreerst was Antekirrta uitgestrekt genoeg—het had een omtrek van achttien mijlen—om het personeel, dat hij noodig zou heb ben en dat hij bij elkander hoopte te brengen, te onderhouden. Het was verheven genoeg om tegen watervloeden beveiligd te zijn, daar een kegelberg, die achthonderd voeten hoog was, het geheele eiland beheerschte en veroorloofde een wakend oog op de baai tot aan de Cyrenaïsche kust te houden. Dan was het voldoende vruchtbaar, daar het door vele riviertjes besproeid en een voldoende dikke laag teelaarde bezat. Het leverde verschillende producten op, genoegzaam om in het onderhoud van ettelijke duizenden inwoners te voorzien. Vervolgens was het eiland in die zee gelegen, die schrikwekkend was door hare stormen, welke reeds in voorhistorische tijden noodlottig voor de Argonauten waren, en waarvan Horatius, Virgilius, Propertius, Seneca, Valerius, Flaccus, Lucanus en nog andere schrijvers uit de oudheid, die meer aardrijkskundigen dan dichters waren, als: Polybius, Salustius, Strabon, Mela, Plinius en Procopus, de schrikkelijke gevaren schetsen in hunne gezangen, gedichten of beschrijvingen van die Syrtische eilanden, welker naam de „wegslepende” beteekende.Zoo was inderdaad het domein, hetwelk dokter Antekirrt in allen deele beviel. Hij kocht het dan ook in vollen eigendom voor eene[103]aanmerkelijke som, zonder eenige feodale of andere verplichting van welken aard ook te aanvaarden. De acte van afstand werd zonder eenig bezwaar door den Sultan geratificeerd, waardoor de nieuwe bezitter van Antekirrta souverein werd, meer souverein dan menig constitutioneel vorstje in Europa.De dokter had op het tijdstip van dit verhaal reeds sedert drie jaren dat eiland betrokken. Ongeveer drie honderd Arabische of Europeesche familiën waren door zijne aanbiedingen en door de verzekering van een gelukkig leven te zullen leiden, gelokt geworden. Deze vormden eene kleine kolonie, die ongeveer twee duizend zielen telde. Dat waren geen slaven, zelfs geen onderdanen, maar lotgenooten, die voor hun opperhoofd vol toewijding waren, en zoowel aan hem als aan het plekje gronds, hetwelk voor hen als een nieuw vaderland geworden was, uitermate gehecht waren.Langzamerhand werd er eene geregelde administratie ingevoerd, en eene militie gevormd, om de verdediging van het eiland op zich te nemen. Er werden verder onder de notabelen magistraten gekozen, die maar zelden geroepen werden om hunne autoriteit te doen gelden.Daarna werden door den dokter kundige mannen naar de voornaamste en beste scheepstimmerwerven van Engeland, Frankrijk, Amerika of Nederland gezonden, alwaar volgens zijne eigene inzichten eene bewonderenswaardige vloot gebouwd werd, bestaande uit stoombooten, stoomjachten, schooners, goeletten of „Electrieks”, die bestemd waren om snelle tochten in het bekken der Middellandsche zee uit te voeren.Terzelfder tijd werden versterkingen op het eiland Antekirrta opgeworpen; maar die waren nog niet voltooid, hoewel de dokter de uitvoering er van, zooveel hem maar mogelijk was, verhaastte. Hij meende daartoe ernstige redenen te hebben.Had dokter Antekirrt dan eenigen vijand in die streken van de baai Sidra te vreezen? Ja zeker. Eene angstverwekkende sekte, eigenlijk eene vereeniging van zeeschuimers, had niet zonder een gevoel van haat en nijd, een vreemdeling dievolksplantingin de nabijheid der Lybische kustlanden zien stichten.Die sekte was de Muselmansche Broederschap van Sidi Mohamed Benn Ali-Es-Senoûsi. In dat jaar (1300 der Hegyra) was zij dreigender dan ooit en reeds telde hare aardrijkskundige uitbreiding meer dan drie millioen volgelingen. Hare zaouiyas, hare villayets, die als middelpunten van arbeidzaamheid verspreid, in Egypte, in het Ottomanische rijk, zoowel in Europa als in Azië, in Algerië, in het land van Baele en Touboe, in oostelijk Nigritië, in Tunis, in Marokko, in de onafhankelijke landen van de Sahara, tot aan de grenzen van westelijk Nigritië toe beschouwd konden worden,[104]bestonden in veel grooter aantal in Tripolis en in de Cyrenaïsche streken. Van daar ontstond een voortdurend gevaar voor de Europeesche etablissementen in Noord Afrika, voor dat bewonderenswaardige Algerië, hetwelk bestemd is om het rijkste land der aarde te worden, ook voor het eiland Antekirrta, zooals wel te denken valt.Alle middelen bijeen te brengen tot beveiliging en verdediging, was dus niet alleen als voorzichtigheidsmaatregel aan te bevelen, maar ook den dokter door de onverbiddelijke noodzakelijkheid geboden.Ziedaar, wat Piet Bathory gedurende dat onderhoud, hetwelk hem nog omtrent zoo onnoemelijk veel anders zou inlichten, wat hijzelfsniet gissen kon, vernam.Het was dus naar het eiland Antekirrta, waar hij heen gevoerd was. Dat eiland was in het binnenste der Syrtische zee gelegen, als het ware in een der meest verborgen van de oude wereld op eenige honderd mijlen van Ragusa verwijderd, waar hij twee wezens achtergelaten had, die hij nimmer vergat en welker herinnering hem overal vervolgde, waar hij ook ging, namelijk: zijne moeder en Sava Toronthal.De dokter voltooide vervolgens zijne mededeelingen, door de bijzonderheden betreffende het tweede gedeelte van zijn bestaan te verhalen, Piet Bathory luisterde natuurlijk aandachtig toe.Terwijl dokter Antekirrt aldus zijne maatregelen trof, om de veiligheid van zijn eiland te verzekeren; terwijl hij zich onledig hield met de rijkdommen van zijn bodem te voorschijn te doen treden, om hem langzamerhand voor de stoffelijke en zedelijke behoefte van zijne kleine volksplanting dienstbaar te doen zijn, werd hij voortdurend op de hoogte gehouden omtrent hetgeen zijne vroegere vrienden, welker spoor hij nimmer uit het oog verloren had, wedervoer. Daaronder behoorden in de eerste plaats mevrouw Bathory, haar zoon en Borik, die Triëst verlaten hadden, om zich te Ragusa te vestigen.Zoo vernam Piet Bathory, waarom de goeletSavarenate Gravosa aangekomen was, onder omstandigheden die zoo zeer de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt hadden; waarom de dokter toen een bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had, zonder dat haar zoon ooit het hoe en waarom had kunnen te weten komen dat het geld, hetwelk ter harer beschikking gesteld was, door de wakkere vrouw geweigerd werd; ook vernam hij hoe de dokter gelukkig bijtijds gekomen was om Piet aan het graf op het kerkhof te Ragusa te ontrukken, waarin hij trouwens slechts in een magnetischen slaap gedompeld lag.„Gij mijn zoon,” zoovervolgdedokter Antekirrt, „ja, gij, die het hoofd verloren hebbende, voor een zelfmoord niet teruggedeinsd zijt!.…”[105]Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).[106]Op dat woord: zelfmoord richtte Piet Bathory zich met een gevoel van verontwaardigingovereind. Hij was waarlijk buiten zich zelven van toorn. Zijne oogen schoten vuurstralen.„Een zelfmoord!” riep hij uit, terwijl zijn gelaat zich smartelijk verwrong. „Een zelfmoord!”„Ja, Piet, een zelfmoord!” hernam dokter Antekirrt met volle overtuiging. „Waarom ziet gij zoo ontsteld?”„Hebt gij dan kunnen gelooven, dat.…”De jongeling kon niet voortgaan.„Wat?.… Waarom aarzelt gij?” vroeg dokter Antekirrt met aandrang. „Spreek dan toch!”„Dat ik mij zelven zoude verwond hebben? Zeg? Hebt gij dat waarlijk geloofd?”„Piet.… in een oogenblik van wanhoop!.…”„Wat zegt ge?”„In een oogenblik van wanhoop, Piet, dan is alles mogelijk!”„Van wanhoop?.… Ja, wanhopig was ik.… Ik meende dat ik door iedereen verlaten was.…”„Door iedereen, Piet?”„Ja, door iedereen, zelfs door u!”„Door mij!” kreet dokter Antekirrtontzet. „Door mij?.…”„Ja, door u, door den vriend mijns vaders; verlaten, nadat gij mij beloften gedaan hadt, die ik niet gevraagd had, die ik niet had durven hopen! Verlaten door een ieder!”„Piet! Piet!”„Ja, wanhopig was ik, en waarlijk ik ben het nog!”„Nog?.… O noodlot!”„Ja nog!.… Maar God heeft den wanhopige niet geboden om te sterven!.… Hij heeft hem integendeel geboden om te leven.… ten einde zich te wreken!”„Wreken?”„Ja, wreken!” zei Piet Bathory woest en hartstochtelijk, terwijl hij den dokter somber aankeek.„Neen, Piet! Wreken niet.… straffen wel,” hernam de dokter op zachtaardigen toon.De jongeling glimlachte met zonderlingen blik. Hij scheen het onderscheid daarvan niet te vatten.„Maar Piet, als gij het dan niet gedaan hebt, wie heeft u dan toch gewond?” vroeg de dokter.„Een man, dien ik haat!” antwoordde de jeugdige ingenieur, in de grootste opgewondenheid.„Dien gij haat?”„Een man, dien ik dien avond bij toeval, op eeneenzamenweg ontmoette in de nabijheid van den walmuur van Ragusa!”[107]„Maar wie dan toch? Wie dan toch?”„Misschien heeft die man gedacht,”ging Piet Bathory opgewonden voort, „dat ik mij op hem wilde werpen, dat ik hem wilde uitdagen!.… Toen is hij mij voorgekomen en heeft toegestooten!…”„Maar spreek, wie dan toch? Wie is die man?” herhaalde dokter Antekirrt met aandrang.„Wie die man is? Wel, dat is Sarcany! Dat is.…”Piet kon niet eindigen. Bij de gedachte aan den ellendeling, dien hij thans moest gelooven de gelukkige echtgenoot van Sava te zijn, verwarde zich zijn brein en was hij verplicht de oogen te sluiten. Hij had een gevoel alsof het leven hem ontvlood, alsof zijne wond zich weer opende. Bleek en ademloos lag hij daar, het sterven nabij!In weinige oogenblikken had hem de dokter evenwel zijne zorgen gewijd en weer bij kennis gebracht. Hij bekeek hem medelijdend:„Sarcany!.… Sarcany!” prevelde hij.Het zou niet overbodig geweest zijn, dat Piet eenige rust genoot, na den schok, dien hij doorstaan had. Dat wilde hij evenwel niet; daartoe was hij te ongedurig, te overspannen.„Neen,” zei hij, toen de dokter aandrong. „Neen, ik kan, ik wil niet rusten! Althans nu niet!”„Toch zou rust weldadig voor u zijn.”„Neen, neen, neen! Gij zeidet bij het begin van ons onderhoud: Eerst de geschiedenis van dokter Antekirrt. Die hebt gij mij medegedeeld van het oogenblik af dat graaf Mathias Sandorf in de wateren der Middellandsche zee sprong en hij te midden der kogels, die rondom hem aansloegen en plasten, onder de oppervlakte verdween.”„Ja, Piet.”„Er blijft u nog over te vertellen, wat mij nog omtrent graaf Mathias Sandorf onbekend is.”„Omtrent graaf Mathias Sandorf?”„Ja.”„Zult gij de kracht hebben mij ten einde toe aan te hooren?” vroeg dokter Antekirrt met bezorgdheid.„Spreek! En wees geheel onbezorgd. De kracht zal mij niet in den steek laten,” sprak Piet.„Het zij zoo!” antwoordde de dokter.„Ik luister.”„Het is ook beter, dat er een einde komt aan die geheimen, die gij toch het recht hebt te vernemen. Luister, ik zal u alles, wat het verleden schrikkelijks heeft, ontvouwen. Piet, gij hebt geloofd dat ik u aan uw lot overgelaten had?.…”De jongeling glimlachte bitter, maar antwoordde op die vraag niet. Onderzoekend keek hij den spreker aan.[108]„U verlaten had” ging de dokter voort, „omdat ik van Gravosa vertrokken was?”.…De jongman knikte.„Hoor mij aan Piet!Dan zult ge met kennis van zaken kunnen oordeelen! Maar hoor aandachtig.„Gij weet, Piet, dat daags vóor de voltrekking van het vonnis, mijne makkers en ik eene poging aangewend hebben om uit de vesting van Pisino te ontvluchten. Graaf Ladislas Zathmar werd evenwel helaas! door de gevangenbewaarders gegrepen, juist toen hij op het punt stond zich bij ons aan den voet van den vestingtoren te voegen. Helaas! dat mocht niet gebeuren.„Uw vader en ik, medegesleept door den Buco-bergstroom, waren reeds buiten het bereik onzer beulen.„Na op wonderdadige wijze aan de kolken en maalstroomen van de Foïba ontsnapt te zijn, en nadat wij voet aan wal op een der oevers van het Léma-kanaal gezet hadden, werden wij door een ellendeling bespeurd, die geen oogenblik geaarzeld heeft om onze hoofden, waarop het Oostenrijksche gouvernement een hoogen prijs gesteld had, te verkoopen. Wij werden bij een visscher van Rovigno ontdekt, juist op het oogenblik toen hij ons naar de overzijde van de Adriatische zee wilde voeren. Uw vader werd gevangen genomen en naar de vesting van Pisino teruggevoerd. Ik was gelukkiger en slaagde er in te ontsnappen.„Ziedaar wat ge weet, Piet Bathory. Luister nu goed naar hetgeen gij niet weet.„Vóór de verklikking van dien Spanjaard, Carpena genaamd, eene verklikking die den armen visscher Andreas Ferrato de vrijheid en weinige maanden later het leven kostte—hadden twee mannen het geheim der samenzweerders van Triëst verraden, ja schandelijk verraden!”„Hunne namen?.…” riep Piet Bathory uit.„Hunne namen?”„Ja, hoe heeten zij?” vroeg de jonge man ongeduldig en onstuimig.„Vraag mij eerst hoe hun verraad aan het licht kwam,” antwoordde dokter Antekirrt.„Juist, laat hooren, dokter.”Deze verhaalde toen vluchtig wat er in de cel van den gevangentoren van Pisino voorgevallen was, en deelde mede hoe een verschijnsel op het gebied der gehoorleer hem de namen der twee verraders had leeren kennen.„Hunne namen, dokter!” riep Piet Bathory nogmaals uit.„Hunne namen?” vroeg Antekirrt andermaal, maar ditmaal met iets weemoedigs in zijne stem. Waarlijk hij aarzelde.[109]„O, gij zult thans niet weigeren die te noemen! Niet waar, graafSandorf?”„Ja, ik zal ze noemen!”„Welnu, wie zijn ze?”„De een is die schrijver, die als spion in het huis van graaf Ladislas Zathmar binnengedrongen is!”„Die spion? Maar hoe heet hij?” vroeg Piet Bathory.„Hoe die man heet? Maar gij kent hem; hij is het, die u heeft willen vermoorden! Het is Sarcany!”„Sarcany!” riep Piet uit, die eensklaps krachten genoeg vond, om op den dokter toe te treden. „Sarcany! Die ellendeling?”„Ja, Piet, Sarcany!”„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”„Ik wist het!”„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.… Ja, die misdaad, waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd is!”„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene vreeselijke woestheid in zijne stem.„En waarom?”„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de reden!”„Zij! Zij niet?”„Neen, vooral zij niet!”„O, waarom? Zeg, waarom?”„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde verraad. Hoort ge?”„Maar waarom?.… Waarom toch?” kreet Piet, die ten toppunt van zenuwachtige overspanning verkeerde.„Omdat Sarcany een medeplichtige had!.…”sprakgraaf Sandorf somber en schier sissend.„Een medeplichtige?.…”„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan den dood overleverde!”„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met mij! Noem mij zijn naam.”„Die medeplichtige?.… Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk leert kennen!.…”[110]„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”Piet had het gehoord, en had het begrepen!.… Hij slaakte geen kreet; hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke hij hem had laten ondergaan.Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.… Daarna liet hij zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den dokter rusten.„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet, voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!… Zeg, wilt ge mijn zoon zijn?”„Ja!.… vader.…” antwoordde Piet Bathory snikkend.„Ja, zeker wil ik uw zoon zijn!”En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen, gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die twee mannen in elkanders armen deed vallen.
[Inhoud]VI.HET VERLEDEN EN HET TEGENWOORDIGE.Dokter Antekirrt verhaalde alsnu de geschiedenis van graaf Mathias Sandorf en vervolgde, toen hij medegedeeld had, hoe deze zich in de wateren der Adriatische zee gestort had, als volgt:„Te midden of beter in weerwil van den kogelregen, die mij bij de laatste losbranding der politie-agenten om de ooren vloog, gelukte het mij toch heelhuids te ontkomen. De nacht was uitermate donker, zoodat door mij niets te zien was. De stroom zette van de kust naar buiten, en al had ik het ook gewild, dan zou ik niet meer naar den vasten wal hebben kunnen terugkeeren. Maar, zooals te begrijpen valt, dat wilde ik niet. Neen, ik wilde liever in de onmetelijke zee verzinken, dan weer gevangen genomen te worden, dan weer teruggebracht te worden naar dien engen vestingtoren van Pisino, om daar doodgeschoten te worden. Wanneer ik bezweek, welnu.… dan was alles gedaan, dan was alles uit!„Daarenboven, als ik er in slaagde, om mij te redden, dan kon ik voor dood doorgaan. Niets zou mij dan in den weg staan, om de vergeldende rechtspleging uit te oefenen, die ik aan graaf Ladislas Zathmar en aan Stephanus Bathory, uwen vader, gezworen had ten uitvoer te leggen, en die ik ook volbrengen zal!”Die laatste woorden werden met eene niet weer te geven zeggingskracht geuit.„Een rechtspleging?” vroeg Piet Bathory, wien oog schitterde bij het ontwaren van dat nieuwe en onverwachte gezichtspunt, hetwelk door dit woord voor hem geopend werd.[90]„Ja, Piet, eene rechtspleging!” bevestigde dokter Antekirrt met hoogst ernstige stem.„En welke, heer dokter, als ik u vragen mag?” hernam de jongman met niet minder ernst in stem en gebaar.„O, gij zult haar kennen; want om er u aan te verbinden, heb ik u aan den dood ontrukt, heb ik u op het kerkhof te Ragusa opgegraven. Voor de wereld zijt ge dood, evenals ik; maar evenals ik zijt gij levend! En dat zullen de verraders ondervinden!”Bij die woorden voelde zich Piet Bathory als het ware vijftien jaren teruggevoerd, tot op het oogenblik dat zijn vader op het binnenplein van de vesting te Pisino, door de moorddadige kogels doorboord, dood ter nederviel.„Vóór mij”, ging dokter Antekirrt voort, „strekte zich de onmetelijke zee tot bij het Italiaansche kustland uit. Hoe uitstekend zwemmer ik ook was, zoo kon ik toch de hoop niet koesteren, dien plas te kunnen oversteken, wanneer ik aan eigen kracht overgelaten bleef. Zoodat kwam mij de Voorzienigheid niet te hulp, hetzij door mij het een of ander wrakhout te laten ontmoeten, hetzij dat ik door een vreemd schip opgenomen werd, dan zou het mijn lot zijn, om ellendig te verdrinken. Dat kwam mij ontwijfelbaar voor. Maar wanneer men het offer van zijn leven gebracht heeft, wanneer men van alles afstand gedaan heeft en iedere nevenoverweging verdwijnt, dan is men wel sterk om dat leven te verdedigen, wanneer die verdediging althans mogelijk is.„Eerst had ik herhaaldelijk onder de watervlakte gedoken, om aan de laatste geweerschoten, die nog knalden, te ontkomen. Later, toen ik zeker was, dat ik niet meer bemerkt kon worden, en ik berekenen kon, buiten het bereik van het geweervuur te zijn, kwam ik weer boven en zwom regelrecht naar volle zee toe. Mijne kleederen hinderden mij weinig, daar zij van zeer lichte stof vervaardigd waren en zeer nauw om het lichaam sloten.„Het moest toen zoo omstreeks half tien in den avond zijn. Volgens mijne gissing zwom ik gedurende meer dan een uur in de tegenovergestelde richting van de kust en verwijderde mij zoodoende van de havenplaats Rovigno, welker laatste lichten ik langzamerhand zag verdwijnen.„Waar zwom ik zoo heen? Ik wist het niet.„En welke hoop bezielde mij? Helaas! Piet, ik had er geene; maar ik voelde in mijn binnenste eene kracht tot het bieden van weerstand, een taaie vasthoudendheid, eene bovenmenschelijke wilskracht, die mij steunde, en mij in staat stelde vol te houden. Het was mijn leven niet meer alleen, wat ik wilde redden; neen, ik wilde behouden blijven, om mijn werk, mijn levensdoel na tejagen, te voltooien. En waarlijk, wanneer ik in dit benarde oogenblik plotseling[91]een visschersvaartuig ontmoet had, zou ik ondergedoken hebben, om het te mijden,wanthoeveel verraders kon ik nog op dat Oostenrijksche kustland aantreffen, die gereed zouden zijn mij over te leveren voor een sommetje gelds? Hoeveel Carpena’s zou ik er ontmoeten, tegenover slechts één eerlijken Andreas Ferrato.„Dat gebeurde zelfs nog vóór dat het eerste uur voorbij was. Een scheepje verscheen in het schemerdonker bijna eensklaps voor mijne oogen. Het kwam uit volle zee en zeilde scherp bij den wind om de kust te bereiken. Daar ik reeds vermoeid begon te geraken, had ik mij op den rug gewenteld, om eenigermate te rusten. Maar alsinstinctmatigkeerde ik mij om, gereed tot duiken. Een vischschuit, die naar een der hoofdplaatsen van Istrië zeilde, kon niet anders dan mij verdacht voorkomen! Ik mocht niets meer in de waagschaal stellen! Ik mocht dat gevaar niet loopen!„Ik werd bijna oogenblikkelijk dienaangaande ingelicht.„Een der matrozen riep in het Dalmatische taal-eigen zijnen makker toe, om over den anderen boeg te wenden. Ik dook dadelijk en het vaartuig ging boven mijn hoofd over stag, voordat de opvarenden tijd hadden gehad mij te ontwaren.„Toen ik het stikken nabij was, kwam ik weer boven in de vrije lucht om adem tescheppen, en vervolgde ik mijn zwemtocht in westelijke richting, nadat ik mij overtuigd had, dat het scheepje in het nachtelijk duister verdwenen was.„De bries verzwakte bij het intreden van den nacht, en de deininggolven vielen met den wind. Ik voelde mij nog slechts opgeheven door die lange grondzeeën, die mij al verder en verder van het land meesleepten.„Onder die omstandigheden, dat wil zeggen, terwijl ik beurtelings zwom enrustte, verwijderde ik mij nog gedurende een uur van de kust. Ik zag niets anders dan het te bereiken doel en had geene gedachte voor den af te leggen weg. Het gold vijftig mijlen om de Adriatische zee over te steken! Ja, die wilde ik overzwemmen! Ja, ik zou ze oversteken! Mijn besluit stond onwrikbaar vast!„O, Piet men moet zulke beproevingen doorstaan hebben, om tot de ervaring te geraken, wat een mensch kan, waartoe hij bekwaam is, welke uitkomsten van de zedelijke krachten verkregen kunnen worden, wanneer zij met de lichamelijke krachten hand aan hand gaan en tot één doel samenwerken! O, dan is het menschelijke werktuig onovertroffen!„Zoo ondersteunde ik mij ook gedurende het tweede uur.„Dat gedeelte van de Adriatische zee was geheel eenzaam, men kon zeggen onbevolkt. De laatste watervogels hadden haar verlaten om hunne holen aan de oevers te gaan opzoeken. Geen enkele zweefde meer over mijn hoofd heen, behalve eenige meeuwtjes, die[92]scherpe kreten uitstieten, terwijl zij paarsgewijze over de oppervlakte van de blauwe zee scheerden en soms daarop neerstreken, om zich op de loome golfjes te laten wiegelen.„Hoewel ik niets van de vermoeidheid wilde gevoelen, begonnen mijne armen en beenen zwaar te worden. Reeds strekten zich mijne vingeren krampachtig van elkander uit, en het kostte mij moeite om de handen gesloten te houden, hetgeen bij het zwemmen zoo noodzakelijk is. Mijn hoofd woog loodzwaar, alsof een kogel aan mijne schouders bevestigd ware geweest. Ik begon moeielijkheid te ondervinden om het boven water te houden.„Eene soort van hallucinatie, van zinsbegoocheling overviel mij toen. De geregelde gang der denkbeelden begon mij te begeven, en tot eene gezette opeenvolging van gedachten kon ik mijn brein niet meer dwingen. Vreemde samenkoppelingen van meeningen vormden zich in mijne geschokte hersenen. Ik voelde dat ik niet anders dan zeer onvolmaakt een geluid zou kunnen hooren, het welk in mijne nabijheid zou waargenomen kunnen worden, of een licht zou kunnen zien, dat in mijne nabijheid ontstoken zoude worden.„En het was juist zoo iets,dat mij wedervoer.„Het kon ongeveer middernacht geweest zijn, toen een dof en verwijderd gerommel zich in oostelijke richting liet vernemen. Het was voor mij onmogelijk den aard van dat gerommel te onderscheiden.„Een lichtstraal drong door mijne oogleden heen, die zich mijns ondanks gesloten hadden. Ik poogde mijn hoofd op te beuren en slaagde daarin slechts door mij half te laten onderdompelen. Toen keek ik.…„Ik vertel u al die bijzonderheden, Piet, opdat gij ze weten zoudt en opdat gij door haar mij in mijn karakter zoudt leeren kennen.”„Van uw karakter is mij niets onbekend, dokter. Niets!” antwoordde de jongman.„Niets?” vroeg dokter Antekirrt.„Denkt gij dan, dat mijne moeder mij niet op de hoogte gebracht heeft, wie en wat graaf Mathias Sandorf was?”„Dat zij Mathias Sandorf gekend heeft, dat kan, Piet.…”„Zeker, heeft zij dien gekend!” fluisterde de jongman schier ademloos van spanning.„Maar dat zij dokter Antekirrt zoude kennen? Neen, dat niet.Dat kan niet, niet waar?”Piet Bathory luisterde ten hoogste ingespannen.„En het is juist die man, dien ge moet leeren kennen,” ging de dokter voort. „Luister dus goed.”De jeugdige ingenieur knikte. Hij was geheel gehoor. Zijn geheel uiterlijk kenmerkte dat.„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Het gerommel, dat ik gehoord had, werd veroorzaakt door een[94]groot schip, dat van den oostkant kwam en naar de Italiaansche kust stevende. De lichtstraal, die tot mij doorgedrongen was, kwam van zijn wit licht, hetwelk in den fokkemast bengelde. Dat was het onbedriegbare teeken, dat het een stoomvaartuig was. Wat zijne positie-lichten betrof, die onderscheidde ik weldra daarna, het roode aan bakboord en het groene aan stuurboord. En daar ik die twee seinlichten tegelijkertijd ontwaarde, wist ik dat het vaartuig recht op mij afkwam.„Het daaropvolgende oogenblik zou voor mij beslissend zijn. Inderdaad, alle kansen bestonden, dat dit stoomschip een Oostenrijks vaartuig was, daar het van den kant van Triëst kwam. Een toevlucht daar aan boord te verzoeken, zou gelijkstaan met mij zelven weer in de handen der maréchaussées van Rovigno te stellen! Ik was vast besloten zoo iets niet te doen, hoewel ik gereed was, alles te beproeven om het eerste het beste redmiddel aan te grijpen.„Dat stoomschip was een snelvarend vaartuig. Het vergrootte al meer en meer voor mijn oog, terwijl het naderde. Het vergrootte buitengewoon.„Eindelijk kon ik de zee voor den boeg in eene witte schuimkuif zien omkrullen. Binnen twee minuten zou die boeg de plaats snijden, waar ik mij bevond, waar ik bewegingloos lag te drijven.„Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat het een Oostenrijksche stoomer was. Maar het was toch niet onmogelijk, dat zijne bestemming Brindisi of Otranto was. En waren die havenplaatsen zijn einddoel niet, dan kon hij haar toch aandoen. Dat was zelfs zeer waarschijnlijk.„Als dat zoo was, dan moest hij er binnen de vier en twintig uren aankomen.„Mijn besluit was dan ook ras genomen: Ik zou blijven drijven en wachten. Dat was het best, wat mij te doen overbleef.„Ik was er zeker van, dat ik te midden van de dikke duisternis niet opgemerkt zou worden. Ik zorgde, dat ik in de richting bleef, welke die groote massa volgde, welker vaart toen vrij gematigd was en die ternauwernood door de lichte deining der kalme zee geschommeld werd.„Eindelijk was de stoomer in mijne onmiddellijke nabijheid. Zijn boeg beheerschte de zee twintig voet boven mij. Ik werd in de waterkrul, die hij voor zich uitstiet, met geweld opgenomen; maar ik ontving geen schok. De lange romp gleed langs mij heen en ik stiet mij krachtig met beide handen af. Dat duurde hoogstens een paar seconden. Toen ik daarna de vormen van het achterschip zag verschijnen, klemde ik mij, op gevaar af, door de schroefbladen te pletter geslagen te worden, aan het roer vast.[95]„Gelukkig was het stoomschip zeer zwaar geladen, zoodat de schroef zeer diep wentelde en de oppervlakte van het water niet bereikte. Want ware dat het geval geweest, dan zou ik aan de draaikolken, die daar gevormd werden, niet hebben kunnen ontkomen; ook zou ik het steunpunt, waaraan ik mij vasthield, niet omklemd hebben kunnen houden, en had ik moeten loslaten.„Maar, evenals bij alle stoomvaartuigen, hingen twee ijzeren kettingen aan het achterschip en sloten aan de roerwanden aan. Ik greep een van die kettingen en tilde mij tot de ijzeren kram omhoog waarin zij vastgeklonken waren. Ik kon nu boven water zitten en richtte mij zoo goed en zoo kwaad bij den achtersteven in, als maar mogelijk was.„Betrekkelijk was ik hier in veiligheid!„Drie uren later brak de dag eindelijk aan. Ik berekende toen, dat ik nog gedurende meer dan vier en twintig uren in dien toestand zou moeten doorbrengen, namelijk wanneer de stoomboot Brindisi of Otranto zou aandoen. Waar ik het meeste door zou lijden, dat was door dorst en honger.„Maar het voornaamste was, dat ik niet van het dek van de boot ontwaard werd; ook niet van uit de sloepen, die rechts en links van het achterschip in dedavitshingen. Het is waar, dat ik door eenige tegenliggende schepen kon gezien worden en dat die seinen konden wisselen; maar gelukkig ontmoetten wij gedurende dien dag zeer weinig schepen, en die wij ontmoetten, voeren ons op zoo’n grooten afstand voorbij, dat niemandbespeurenkon, dat een man zich aan de roerkettingen van het stoomschip vastgeklemd hield.„Eene brandend heete zon veroorloofde mij weldra mijne kleederen, die ik daartoe uittrok, te drogen.„De drie honderd gulden van Andreas Ferrato bevonden zich steeds in mijn gordel. Zij moesten mij onderhoud en veiligheid verschaffen, zoodra ik aan wal zoude zijn. Daar, daar zou ik niets meer te vreezen hebben.„Op vreemden bodem waren voor graaf Mathias Sandorf, de Oostenrijksche agenten en spionnen geen schrikbeelden meer. Daar zou ik het hoofd rechtop kunnen voeren. Daar zou ik niet meer als een rampzalige ellendeling moeten rondsluipen om het veege leven te redden.„Maar het was mij niet genoeg voor het oogenblik, dat ik dat leven gered had; ik wilde ook dat men aan mijnen dood geloofde.…„Niemand mocht vernemen, dat de laatste vluchteling uit den vestingtoren van Pisino, dat graaf Mathias Sandorf op Italiaanschen bodem voet aan wal gezet had. Ik had daar gegronde redenen voor, zooals gij weldra vernemen zult.[96]„Wat ik zoo innig verlangde, wat ik zoo innig hoopte, gebeurde gelukkig ook.„De dag ging zonder buitengewone voorvallen voorbij. De nacht viel eindelijk in. Ongeveer tegen tien uren in den avond flikkerde een licht met regelmatige tusschenpoozen in het zuidwesten. Ik herkende dat licht, want ik was meer in deze streken geweest. Dat was de vuurtoren van Brindisi.„Twee uren later was de stoomboot in het door boeien afgebakende vaarwater, hetwelk naar de haven geleidt.„Maar toen, vóórdat de loods aan boord gekomen was, en wij den wal op ongeveertweemijlen genaderd waren, bond ik mijn kleederen in een pakje, dat ik op mijn hoofd en aan mijn hals bevestigde, liet de kettingen van het roer los en gleed zonder gerucht te maken in het water, hoewel het stoomschip nog in volle beweging was.„Het hevige geplons van de schroef bedwelmde mij een oogenblik, ik werd ook in de kolken, welke zij met woest geweld vormde, voor een poos meêgesleurd; maar eene minuut later reeds—want ik repte mij en zwom krachtig voort—had ik de stoomboot uit het gezicht verloren en hoorde ik nog maar het oorverscheurend gegil harer stoomfluit, waarmede zij hare aankomst in de havenplaats aankondigde.„Een half uur later zette ik bij zeer kalme zee op een vlak en dor strand, waarop geen branding stond, voet aan wal, gelukkig zonder dat iemand mij gezien had. Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten, kleedde mij daar aan en zocht, terwijl de uitputting door de uitgestanevermoeienissende bovenhand boven den honger behield, eene rustplaats te midden van droog zeewier, waarmede de tusschenruimten der rotsen gevuld waren, en sliep weldra op dat bed in.„Bij het aanbreken van den dag wandelde ik Brindisi binnen en zocht daar een der meest bescheidene hôtels van de stad op, alwaar ik besloot de verdere gebeurtenissen af te wachten, alvorens het plan van geheel mijn toekomstig leven vast te stellen. Ik was nu in veilige haven en had derhalve volstrekt geen haast.„Twee dagen later, Piet, vernam ik door middel van de dagbladen, welke rampzalige ontknooping de Triëster samenzwering gehad had. Ik las dat nasporingen in het werk gesteld waren, om het lijk van graaf Mathias Sandorf te vinden; maar dat die te vergeefs geweest waren. In echten reporterstijl werden daar vele bijzonderheden medegedeeld, die mij deden glimlachen.Brindisi. (Bladz. 98).Brindisi. (Bladz. 98).„Maar ik werd voor dood gehouden, dat was het voornaamste, even zoo goed dood, alsof ik met mijn makker, graaf Ladislas Zathmar en uwen vader, Stephanus Bathory, onder de doodelijke[98]schoten op het binnenplein van den vestingtoren te Pisino gevallen was!„Ik, dood!.… Dood!”„Waarachtig niet, Piet.… en velen zullen wel ondervinden, dat ik nog levend ben!”Piet Bathory had met alle gretigheid, met de meeste opmerkzaamheid naar dat verhaal van den dokter geluisterd. Hij was onder den indruk daarvan, alsof hem dat alles, wat gebeurd was, in de diepte van een graf medegedeeld was geworden.Ja, het was graaf Mathias Sandorf die zoo tot hem sprak. Daaraan viel niet te twijfelen.Tegenover Piet, tegenover den zoon van Stephanus Bathory, tegenover dat levende evenbeeld van zijn vader, had graaf Mathias Sandorf zijne gewone koelheid langzamerhand verloren.Hij had thans den jongen man geheel en al toegang tot zijne ziel verleend en vertoonde haar in zijne tegenwoordigheid, zooals zij werkelijk was, na ze zoo lange jaren voor anderen gesluierd gehouden te hebben!Maar hij had nog niets gerept omtrent datgene, wat Piet toch zoo verlangend was te vernemen, niets omtrent hetgeen de armejongelingvan zijne medewerking verwachtte!Wat de dokter zoo even verhaald had van zijn stoutmoedigen overtocht over de Adriatische zee, was tot in de geringste bijzonderheden waar. Zoo was hij heelhuids te Brindisi aangekomen, terwijl graaf Mathias Sandorf volgens ieders opvatting dood was en dood bleef.Maar het kwam er nu op aan, om Brindisi zonder dralen te verlaten. Die haven daar, aan het uiteinde van Italië als het ware, kon slechts eene pleisterplaats genoemd worden. De reizigers komen daar, hetzij om zich in te schepen naar de Levant, of naar Indië; hetzij om, vandaar komende, te ontschepen en verder te reizen naar Europa. Het plaatsje kan in gewone omstandigheden verlaten genoemd worden, behalve gedurende een of twee dagen, wanneer de pakketbooten, voornamelijk die van de „Peninsular and Oriental Company” er aankomen. En die verlatenheid zou voldoende zijn, om den vluchteling te doen herkennen, en hoewel het waar was, zooals hierboven reeds verhaald werd, dat hij niet meer voor zijn leven te vreezen had, zoo was het hem toch boven alles waard, dat hij dood gewaand werd.Dit alles bedacht graaf Mathias Sandorf daags na zijne aankomst te Brindisi, terwijl hij aan den voet van het terras wandelde, die door de Cleopatra-zuil beheerscht werd, juist ter plaatse waar de Apische weg begint.Het plan van zijn volgend leven was reeds vastgesteld. Hij zou naar het Oosten gaan, om daar een vermogen te garen en met dat[99]vermogen eene groote macht te verwerven. Maar het kwam niet raadzaam voor, zich op een der pakketbooten in te schepen, die de geregelde vaart langs Klein-Azië verrichten en die gewoonlijk opgepropt waren met passagiers van de meest uiteenloopende nationaliteiten. Hij moest een ander en meer geheim vervoermiddel opsporen, en dat kon hij te Brindisi niet vinden. Hij vertrok dan ook denzelfden avond per spoortrein naar Otranto.Binnen anderhalf uur tijds had hij die stad, welke bijna aan het uiteinde van den hiel van de Italiaansche laars bij het kanaal, hetwelk den smallen toegang tot de Adriatische zee vormt, gelegen is, bereikt. Daar in die verlaten havenplaats kon graaf Mathias Sandorf prijs bepalen voor den overtocht met den schipper van een klein vaartuig, dat zeilree naar Smyrna lag, en eene lading Albaneesche paarden moest vervoeren, die te Otranto geen koopers gevonden hadden.Den volgenden morgen stak het vaartuig in zee en zag de dokter den vuurtoren van Punta di Luca, aan het uiterste puntje van Italië gelegen, aan den gezichteinderverdwijnen, terwijl aan den tegenovergestelden kant de Acroceraunische bergen in de nevelen weg vloden. Weinige dagen later werd, na een overtocht zonder wederwaardigheden, kaap Matapan, de zuidelijkste punt van Griekenland, voorbij gestevend en waren de reizigers spoedig daarna te Smyrna op hunne bestemmingsplaats aangekomen.Dokter Antekirrt had Piet dit gedeelte van zijn verhaal zoo beknopt en zoo vluchtig mogelijk medegedeeld, alsook hoe hij door middel der dagbladen den plotselingen dood van zijn dochtertje vernam, waardoor hij nu eenzaam en verlaten in de wereld achterbleef!„Ik was dan eindelijk,” zoo ging hij met zijn verhaal voort, „op dien bodem van Klein-Azië aangekomen, waar ik zoovele jaren geheel onbekend zoude leven. Ik zou aan de studiën in de geneeskunde, in de scheikunde, in de natuurlijke wetenschappen, aan welker bron ik mij in de scholen en in de universiteiten in Hongarije gelaafd had, aan die studiën, die door uwen vader met zooveel toewijding en zoo roemrijk onderwezen werden, thans vragen om mijn bestaan te waarborgen.„Ik was gelukkig genoeg om te slagen en dat wel veel spoediger dan ik aanvankelijk had durven hopen. Ik vestigde mij eerst te Smyrna, waar ik mij in den tijd van zeven of acht jaren een groote beroemdheid als geneesheer verwierf. Eenige onverwachte genezingen brachten mij in aanraking met de rijkste personen uit die streken, waar de geneeskunde eigenlijk nog in het tijdperk der kindsheid verkeert. Ik besloot toen die stad te verlaten. Ik wilde, evenals de professoren van weleer, de menschen genezen, terwijl ik tevens de kunst van genezen zou onderwijzen. Ik wilde terzelfder tijd de onbekende geneeswijze der taleb’s van Klein-Azië en der pandit’s[100]van Indië bestudeeren. Ik doorreisde al die provinciën, en vertoefde op de eene plaats eenige weken, elders eenige maanden, terwijl mijne hulp ingeroepen werd te Karahissar, te Bender, Adana, Haleb, Tripoli en Damas, waarbij ik steeds voorafgegaan werd door eene vermaardheid, die onophoudelijk aangroeide en waardoor mijn vermogen met die vermaardheid vermeerderde.„Maar, dat was voor mij niet genoeg, Piet. Neen, waarachtig niet! Dat gevoelde ik wel!„Ik moest een onbegrensde macht erlangen, eene macht zooals slechts een der rijkste rajah’s van Indië zou ten deel gevallen zijn, wanneer de wetenschap zich aan zijne onmetelijke rijkdommen gepaard zou hebben.„De gelegenheid daartoe bood zich eindelijk aan! Ik zou verkrijgen, wat ik wenschte.„Te Homs, in Noordelijk Syrië, bevond zich een man, die aan eene langzame ziekte wegkwijnende was. Geen enkel geneesheer had de geaardheid van zijn lijden kunnen onderscheiden. Daaruit werd natuurlijk de onmogelijkheid geboren, om eene doelmatige behandeling te kunnen voorschrijven en volgen. Die man, Taz-Rhât geheeten, had indertijd hooge betrekkingen in het Ottomanische rijk bekleed. Hij was toen nog slechts vijf-en-veertig jaar oud en betreurde te meer het leven, dewijl een onmetelijk fortuin hem de middelen aan de hand deed, zich alle denkbare genietingen te verschaffen en alle genoegens na te jagen.„Taz-Rhât had over mij hooren spreken; want mijne beroemdheid was op dat tijdstip reeds groot. Hij liet mij verzoeken hem te Homs te komen zien en ik voldeed volgaarne aan die uitnoodiging, die mij geen windeieren zou leggen.„Dokter,” zei hij, „mijn halve vermogen hoort u toe, wanneer gij mij het leven zult redden!”„Behoud dat halve vermogen,” antwoordde ik. „Ik zal u behandelen en verplegen en, zoo God het wil, zal ik u genezen.”„Ik bestudeerde nauwkeurig dien zieke, die door alle geneesheeren opgegeven was. Allen hadden uitspraak gedaan, dat hij nog maar weinige maanden te leven had. Maar ik was gelukkig genoeg eene stellige diagnose te kunnen maken. Ik bleef gedurende drie weken bij Taz-Rhât, om de uitwerking gade te slaan van de behandeling, die ik op hem toepaste.„Om kort te gaan, zijne genezing was geslaagd. Hij herstelde geheel en al, en kon weer in de maatschappij verkeeren.„Toen hij mij verlangde te betalen, wilde ik niet meer ontvangen, dan hetgeen mij voorkwam, mij redelijkerwijze toe te komen. Daarna verliet ik Homs en Syrië.„Drie jaren later verloor Taz-Rhât door een ongeluk bij eene[101]jachtpartij het leven. Hij liet geene bloedverwanten, geene onmiddellijke nakomelingen na, en bij laatste wilsbeschikking had hij mij tot universeel erfgenaam gemaakt van al zijne goederen, welker waarde op niet minder dan vijftig millioen gulden geschat kon worden. Dat was een aardige som, niet waar, Piet?„Het was toen ongeveer dertien jaren geleden, dat de vluchteling uit den kerkertoren van Pisino eene schuilplaats had komen zoeken in die verwijderde provinciën van Klein-Azië. De naam van dokter Antekirrt was toen al eenigermate legendarisch geworden en was ook in geheel Europa beroemd. Ik had dus het resultaat bereikt, wat ik voorshands beoogd had. Maar mij bleef nog over het groote doel na te jagen, hetwelk de eenige beweegreden van mijn geheele bestaan was.„Ik besloot toen naar de Europeesche gewesten terug te keeren, of mij ten minste op het uiterste uiteinde van dat werelddeel op het eene of andere punt van de Middellandsche zee te vestigen. Ik bezocht de Afrikaansche kuststreken en kocht—tusschen twee haakjes gezegd: zeer duur—een belangrijk vruchtbaar en rijk eiland, dat feitelijk in de behoeften van eene kleine volksplanting kan voorzien. Dat eiland noemde ik Antekirrta. En het is hier, Piet, dat ik souverein, volstrekt baas, koning zonder onderdanen ben, maar een personeel bezit, dat vol toewijding voor mij is, dat mij met lichaam en ziel toegedaan is. Hier heb ik verdedigingsmiddelen, die volmaakt en voor mijne tegenstanders verschrikkelijk zullen wezen, wanneer zij voltooid zullen zijn. Hier heb ik gemeenschapsmiddelen, die mij met de verschillende punten van den omtrek der Middellandsche zee in verbinding brengen. Hier heb ik eene vloot van eene zoodanige beweegkracht en snelheid, dat ik zonder overdrijving kan zeggen, dat ik die zee tot mijn domein, tot mijn onderdaan, tot mijn nederige slaaf gemaakt heb.„Waar is het eiland Antekirrta gelegen?” vroeg Piet Bathory uiterst nieuwsgierig.„In de nabijheid van de groote Syrtische zee, welker beruchtheid sedert de vroegste tijdrekening afschuwelijk is geweest; aan het uiteinde van die zee, die door de heerschende noordenwinden zoo gevaarlijk wordt gemaakt, zelfs voor vaartuigen van nieuweren scheepsbouw. Het is gelegen achter in den zeeboezem van Sidra, die de Afrikaansche kust insnijdt tusschen het Tripolitaansche rijk en de Cyrenaïsche regentschappen.”Daar inderdaad is het eiland Antekirrta ten noorden van de Syrtische eilandengroep te vinden.Vele jaren vroeger had de dokter de kusten vanCyrenaïcadoorreisd, had Souza, de oude havenplaats van dat land bezocht, alsook het rijk Barcah, zoowel als de kuststeden, die later het oude Ptolomaïs[102]Bereniec, Adrianopolis, in één woord dat oude Pentapolis, hetgeen vijf steden beteekent, uitmaakten, en vroeger nu eens Grieksch dan Macedonisch, later Romeinsch, Perzisch, Saraceensch enz. waren, evenwel nu Arabisch zijn en onder het Pachalik van Tripoli ressorteeren. De wisselvalligheden van zijne reis, want hij ging zoowat overal en waar men zijne hulp noodig had en inriep, voerden hem tot te midden van die talrijke eilandengroepen, waarmede de Lybische kust bezaaid is, te weten Paros en Anthirodos, de Plinthinische tweelingen, Enesipta, de Tyndarenische rotsen, Pyrgos, Platea, de Hyphlische en de Pontische eilanden, de Witte en de Syrtische eilanden.Daar in die baai van Sidara, op dertig mijlen ten zuidwesten van het vilayet van Ben Chazi, het meest nabijgelegen punt der Afrikaansche kust, trok dat eiland Antekirrta meer in het bijzonder zijne aandacht.Men noemde het zoo, omdat het voor de andere Syrtische of Kryrtische eilanden gelegen is.Van dien dag af koesterde de dokter het voornemen, dat eiland den een of anderen dag te koopen, en als eene voorloopige in bezitneming, nam hij den naam van Antekirrt aan, die weldra wereldberoemd en overal in alle streken van het oude halfrond vernomen werd.Twee wichtige redenen hadden hem na eenig bedenken tot die keuze geleid. Ziehier:Vooreerst was Antekirrta uitgestrekt genoeg—het had een omtrek van achttien mijlen—om het personeel, dat hij noodig zou heb ben en dat hij bij elkander hoopte te brengen, te onderhouden. Het was verheven genoeg om tegen watervloeden beveiligd te zijn, daar een kegelberg, die achthonderd voeten hoog was, het geheele eiland beheerschte en veroorloofde een wakend oog op de baai tot aan de Cyrenaïsche kust te houden. Dan was het voldoende vruchtbaar, daar het door vele riviertjes besproeid en een voldoende dikke laag teelaarde bezat. Het leverde verschillende producten op, genoegzaam om in het onderhoud van ettelijke duizenden inwoners te voorzien. Vervolgens was het eiland in die zee gelegen, die schrikwekkend was door hare stormen, welke reeds in voorhistorische tijden noodlottig voor de Argonauten waren, en waarvan Horatius, Virgilius, Propertius, Seneca, Valerius, Flaccus, Lucanus en nog andere schrijvers uit de oudheid, die meer aardrijkskundigen dan dichters waren, als: Polybius, Salustius, Strabon, Mela, Plinius en Procopus, de schrikkelijke gevaren schetsen in hunne gezangen, gedichten of beschrijvingen van die Syrtische eilanden, welker naam de „wegslepende” beteekende.Zoo was inderdaad het domein, hetwelk dokter Antekirrt in allen deele beviel. Hij kocht het dan ook in vollen eigendom voor eene[103]aanmerkelijke som, zonder eenige feodale of andere verplichting van welken aard ook te aanvaarden. De acte van afstand werd zonder eenig bezwaar door den Sultan geratificeerd, waardoor de nieuwe bezitter van Antekirrta souverein werd, meer souverein dan menig constitutioneel vorstje in Europa.De dokter had op het tijdstip van dit verhaal reeds sedert drie jaren dat eiland betrokken. Ongeveer drie honderd Arabische of Europeesche familiën waren door zijne aanbiedingen en door de verzekering van een gelukkig leven te zullen leiden, gelokt geworden. Deze vormden eene kleine kolonie, die ongeveer twee duizend zielen telde. Dat waren geen slaven, zelfs geen onderdanen, maar lotgenooten, die voor hun opperhoofd vol toewijding waren, en zoowel aan hem als aan het plekje gronds, hetwelk voor hen als een nieuw vaderland geworden was, uitermate gehecht waren.Langzamerhand werd er eene geregelde administratie ingevoerd, en eene militie gevormd, om de verdediging van het eiland op zich te nemen. Er werden verder onder de notabelen magistraten gekozen, die maar zelden geroepen werden om hunne autoriteit te doen gelden.Daarna werden door den dokter kundige mannen naar de voornaamste en beste scheepstimmerwerven van Engeland, Frankrijk, Amerika of Nederland gezonden, alwaar volgens zijne eigene inzichten eene bewonderenswaardige vloot gebouwd werd, bestaande uit stoombooten, stoomjachten, schooners, goeletten of „Electrieks”, die bestemd waren om snelle tochten in het bekken der Middellandsche zee uit te voeren.Terzelfder tijd werden versterkingen op het eiland Antekirrta opgeworpen; maar die waren nog niet voltooid, hoewel de dokter de uitvoering er van, zooveel hem maar mogelijk was, verhaastte. Hij meende daartoe ernstige redenen te hebben.Had dokter Antekirrt dan eenigen vijand in die streken van de baai Sidra te vreezen? Ja zeker. Eene angstverwekkende sekte, eigenlijk eene vereeniging van zeeschuimers, had niet zonder een gevoel van haat en nijd, een vreemdeling dievolksplantingin de nabijheid der Lybische kustlanden zien stichten.Die sekte was de Muselmansche Broederschap van Sidi Mohamed Benn Ali-Es-Senoûsi. In dat jaar (1300 der Hegyra) was zij dreigender dan ooit en reeds telde hare aardrijkskundige uitbreiding meer dan drie millioen volgelingen. Hare zaouiyas, hare villayets, die als middelpunten van arbeidzaamheid verspreid, in Egypte, in het Ottomanische rijk, zoowel in Europa als in Azië, in Algerië, in het land van Baele en Touboe, in oostelijk Nigritië, in Tunis, in Marokko, in de onafhankelijke landen van de Sahara, tot aan de grenzen van westelijk Nigritië toe beschouwd konden worden,[104]bestonden in veel grooter aantal in Tripolis en in de Cyrenaïsche streken. Van daar ontstond een voortdurend gevaar voor de Europeesche etablissementen in Noord Afrika, voor dat bewonderenswaardige Algerië, hetwelk bestemd is om het rijkste land der aarde te worden, ook voor het eiland Antekirrta, zooals wel te denken valt.Alle middelen bijeen te brengen tot beveiliging en verdediging, was dus niet alleen als voorzichtigheidsmaatregel aan te bevelen, maar ook den dokter door de onverbiddelijke noodzakelijkheid geboden.Ziedaar, wat Piet Bathory gedurende dat onderhoud, hetwelk hem nog omtrent zoo onnoemelijk veel anders zou inlichten, wat hijzelfsniet gissen kon, vernam.Het was dus naar het eiland Antekirrta, waar hij heen gevoerd was. Dat eiland was in het binnenste der Syrtische zee gelegen, als het ware in een der meest verborgen van de oude wereld op eenige honderd mijlen van Ragusa verwijderd, waar hij twee wezens achtergelaten had, die hij nimmer vergat en welker herinnering hem overal vervolgde, waar hij ook ging, namelijk: zijne moeder en Sava Toronthal.De dokter voltooide vervolgens zijne mededeelingen, door de bijzonderheden betreffende het tweede gedeelte van zijn bestaan te verhalen, Piet Bathory luisterde natuurlijk aandachtig toe.Terwijl dokter Antekirrt aldus zijne maatregelen trof, om de veiligheid van zijn eiland te verzekeren; terwijl hij zich onledig hield met de rijkdommen van zijn bodem te voorschijn te doen treden, om hem langzamerhand voor de stoffelijke en zedelijke behoefte van zijne kleine volksplanting dienstbaar te doen zijn, werd hij voortdurend op de hoogte gehouden omtrent hetgeen zijne vroegere vrienden, welker spoor hij nimmer uit het oog verloren had, wedervoer. Daaronder behoorden in de eerste plaats mevrouw Bathory, haar zoon en Borik, die Triëst verlaten hadden, om zich te Ragusa te vestigen.Zoo vernam Piet Bathory, waarom de goeletSavarenate Gravosa aangekomen was, onder omstandigheden die zoo zeer de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt hadden; waarom de dokter toen een bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had, zonder dat haar zoon ooit het hoe en waarom had kunnen te weten komen dat het geld, hetwelk ter harer beschikking gesteld was, door de wakkere vrouw geweigerd werd; ook vernam hij hoe de dokter gelukkig bijtijds gekomen was om Piet aan het graf op het kerkhof te Ragusa te ontrukken, waarin hij trouwens slechts in een magnetischen slaap gedompeld lag.„Gij mijn zoon,” zoovervolgdedokter Antekirrt, „ja, gij, die het hoofd verloren hebbende, voor een zelfmoord niet teruggedeinsd zijt!.…”[105]Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).[106]Op dat woord: zelfmoord richtte Piet Bathory zich met een gevoel van verontwaardigingovereind. Hij was waarlijk buiten zich zelven van toorn. Zijne oogen schoten vuurstralen.„Een zelfmoord!” riep hij uit, terwijl zijn gelaat zich smartelijk verwrong. „Een zelfmoord!”„Ja, Piet, een zelfmoord!” hernam dokter Antekirrt met volle overtuiging. „Waarom ziet gij zoo ontsteld?”„Hebt gij dan kunnen gelooven, dat.…”De jongeling kon niet voortgaan.„Wat?.… Waarom aarzelt gij?” vroeg dokter Antekirrt met aandrang. „Spreek dan toch!”„Dat ik mij zelven zoude verwond hebben? Zeg? Hebt gij dat waarlijk geloofd?”„Piet.… in een oogenblik van wanhoop!.…”„Wat zegt ge?”„In een oogenblik van wanhoop, Piet, dan is alles mogelijk!”„Van wanhoop?.… Ja, wanhopig was ik.… Ik meende dat ik door iedereen verlaten was.…”„Door iedereen, Piet?”„Ja, door iedereen, zelfs door u!”„Door mij!” kreet dokter Antekirrtontzet. „Door mij?.…”„Ja, door u, door den vriend mijns vaders; verlaten, nadat gij mij beloften gedaan hadt, die ik niet gevraagd had, die ik niet had durven hopen! Verlaten door een ieder!”„Piet! Piet!”„Ja, wanhopig was ik, en waarlijk ik ben het nog!”„Nog?.… O noodlot!”„Ja nog!.… Maar God heeft den wanhopige niet geboden om te sterven!.… Hij heeft hem integendeel geboden om te leven.… ten einde zich te wreken!”„Wreken?”„Ja, wreken!” zei Piet Bathory woest en hartstochtelijk, terwijl hij den dokter somber aankeek.„Neen, Piet! Wreken niet.… straffen wel,” hernam de dokter op zachtaardigen toon.De jongeling glimlachte met zonderlingen blik. Hij scheen het onderscheid daarvan niet te vatten.„Maar Piet, als gij het dan niet gedaan hebt, wie heeft u dan toch gewond?” vroeg de dokter.„Een man, dien ik haat!” antwoordde de jeugdige ingenieur, in de grootste opgewondenheid.„Dien gij haat?”„Een man, dien ik dien avond bij toeval, op eeneenzamenweg ontmoette in de nabijheid van den walmuur van Ragusa!”[107]„Maar wie dan toch? Wie dan toch?”„Misschien heeft die man gedacht,”ging Piet Bathory opgewonden voort, „dat ik mij op hem wilde werpen, dat ik hem wilde uitdagen!.… Toen is hij mij voorgekomen en heeft toegestooten!…”„Maar spreek, wie dan toch? Wie is die man?” herhaalde dokter Antekirrt met aandrang.„Wie die man is? Wel, dat is Sarcany! Dat is.…”Piet kon niet eindigen. Bij de gedachte aan den ellendeling, dien hij thans moest gelooven de gelukkige echtgenoot van Sava te zijn, verwarde zich zijn brein en was hij verplicht de oogen te sluiten. Hij had een gevoel alsof het leven hem ontvlood, alsof zijne wond zich weer opende. Bleek en ademloos lag hij daar, het sterven nabij!In weinige oogenblikken had hem de dokter evenwel zijne zorgen gewijd en weer bij kennis gebracht. Hij bekeek hem medelijdend:„Sarcany!.… Sarcany!” prevelde hij.Het zou niet overbodig geweest zijn, dat Piet eenige rust genoot, na den schok, dien hij doorstaan had. Dat wilde hij evenwel niet; daartoe was hij te ongedurig, te overspannen.„Neen,” zei hij, toen de dokter aandrong. „Neen, ik kan, ik wil niet rusten! Althans nu niet!”„Toch zou rust weldadig voor u zijn.”„Neen, neen, neen! Gij zeidet bij het begin van ons onderhoud: Eerst de geschiedenis van dokter Antekirrt. Die hebt gij mij medegedeeld van het oogenblik af dat graaf Mathias Sandorf in de wateren der Middellandsche zee sprong en hij te midden der kogels, die rondom hem aansloegen en plasten, onder de oppervlakte verdween.”„Ja, Piet.”„Er blijft u nog over te vertellen, wat mij nog omtrent graaf Mathias Sandorf onbekend is.”„Omtrent graaf Mathias Sandorf?”„Ja.”„Zult gij de kracht hebben mij ten einde toe aan te hooren?” vroeg dokter Antekirrt met bezorgdheid.„Spreek! En wees geheel onbezorgd. De kracht zal mij niet in den steek laten,” sprak Piet.„Het zij zoo!” antwoordde de dokter.„Ik luister.”„Het is ook beter, dat er een einde komt aan die geheimen, die gij toch het recht hebt te vernemen. Luister, ik zal u alles, wat het verleden schrikkelijks heeft, ontvouwen. Piet, gij hebt geloofd dat ik u aan uw lot overgelaten had?.…”De jongeling glimlachte bitter, maar antwoordde op die vraag niet. Onderzoekend keek hij den spreker aan.[108]„U verlaten had” ging de dokter voort, „omdat ik van Gravosa vertrokken was?”.…De jongman knikte.„Hoor mij aan Piet!Dan zult ge met kennis van zaken kunnen oordeelen! Maar hoor aandachtig.„Gij weet, Piet, dat daags vóor de voltrekking van het vonnis, mijne makkers en ik eene poging aangewend hebben om uit de vesting van Pisino te ontvluchten. Graaf Ladislas Zathmar werd evenwel helaas! door de gevangenbewaarders gegrepen, juist toen hij op het punt stond zich bij ons aan den voet van den vestingtoren te voegen. Helaas! dat mocht niet gebeuren.„Uw vader en ik, medegesleept door den Buco-bergstroom, waren reeds buiten het bereik onzer beulen.„Na op wonderdadige wijze aan de kolken en maalstroomen van de Foïba ontsnapt te zijn, en nadat wij voet aan wal op een der oevers van het Léma-kanaal gezet hadden, werden wij door een ellendeling bespeurd, die geen oogenblik geaarzeld heeft om onze hoofden, waarop het Oostenrijksche gouvernement een hoogen prijs gesteld had, te verkoopen. Wij werden bij een visscher van Rovigno ontdekt, juist op het oogenblik toen hij ons naar de overzijde van de Adriatische zee wilde voeren. Uw vader werd gevangen genomen en naar de vesting van Pisino teruggevoerd. Ik was gelukkiger en slaagde er in te ontsnappen.„Ziedaar wat ge weet, Piet Bathory. Luister nu goed naar hetgeen gij niet weet.„Vóór de verklikking van dien Spanjaard, Carpena genaamd, eene verklikking die den armen visscher Andreas Ferrato de vrijheid en weinige maanden later het leven kostte—hadden twee mannen het geheim der samenzweerders van Triëst verraden, ja schandelijk verraden!”„Hunne namen?.…” riep Piet Bathory uit.„Hunne namen?”„Ja, hoe heeten zij?” vroeg de jonge man ongeduldig en onstuimig.„Vraag mij eerst hoe hun verraad aan het licht kwam,” antwoordde dokter Antekirrt.„Juist, laat hooren, dokter.”Deze verhaalde toen vluchtig wat er in de cel van den gevangentoren van Pisino voorgevallen was, en deelde mede hoe een verschijnsel op het gebied der gehoorleer hem de namen der twee verraders had leeren kennen.„Hunne namen, dokter!” riep Piet Bathory nogmaals uit.„Hunne namen?” vroeg Antekirrt andermaal, maar ditmaal met iets weemoedigs in zijne stem. Waarlijk hij aarzelde.[109]„O, gij zult thans niet weigeren die te noemen! Niet waar, graafSandorf?”„Ja, ik zal ze noemen!”„Welnu, wie zijn ze?”„De een is die schrijver, die als spion in het huis van graaf Ladislas Zathmar binnengedrongen is!”„Die spion? Maar hoe heet hij?” vroeg Piet Bathory.„Hoe die man heet? Maar gij kent hem; hij is het, die u heeft willen vermoorden! Het is Sarcany!”„Sarcany!” riep Piet uit, die eensklaps krachten genoeg vond, om op den dokter toe te treden. „Sarcany! Die ellendeling?”„Ja, Piet, Sarcany!”„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”„Ik wist het!”„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.… Ja, die misdaad, waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd is!”„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene vreeselijke woestheid in zijne stem.„En waarom?”„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de reden!”„Zij! Zij niet?”„Neen, vooral zij niet!”„O, waarom? Zeg, waarom?”„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde verraad. Hoort ge?”„Maar waarom?.… Waarom toch?” kreet Piet, die ten toppunt van zenuwachtige overspanning verkeerde.„Omdat Sarcany een medeplichtige had!.…”sprakgraaf Sandorf somber en schier sissend.„Een medeplichtige?.…”„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan den dood overleverde!”„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met mij! Noem mij zijn naam.”„Die medeplichtige?.… Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk leert kennen!.…”[110]„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”Piet had het gehoord, en had het begrepen!.… Hij slaakte geen kreet; hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke hij hem had laten ondergaan.Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.… Daarna liet hij zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den dokter rusten.„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet, voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!… Zeg, wilt ge mijn zoon zijn?”„Ja!.… vader.…” antwoordde Piet Bathory snikkend.„Ja, zeker wil ik uw zoon zijn!”En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen, gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die twee mannen in elkanders armen deed vallen.
VI.HET VERLEDEN EN HET TEGENWOORDIGE.
Dokter Antekirrt verhaalde alsnu de geschiedenis van graaf Mathias Sandorf en vervolgde, toen hij medegedeeld had, hoe deze zich in de wateren der Adriatische zee gestort had, als volgt:„Te midden of beter in weerwil van den kogelregen, die mij bij de laatste losbranding der politie-agenten om de ooren vloog, gelukte het mij toch heelhuids te ontkomen. De nacht was uitermate donker, zoodat door mij niets te zien was. De stroom zette van de kust naar buiten, en al had ik het ook gewild, dan zou ik niet meer naar den vasten wal hebben kunnen terugkeeren. Maar, zooals te begrijpen valt, dat wilde ik niet. Neen, ik wilde liever in de onmetelijke zee verzinken, dan weer gevangen genomen te worden, dan weer teruggebracht te worden naar dien engen vestingtoren van Pisino, om daar doodgeschoten te worden. Wanneer ik bezweek, welnu.… dan was alles gedaan, dan was alles uit!„Daarenboven, als ik er in slaagde, om mij te redden, dan kon ik voor dood doorgaan. Niets zou mij dan in den weg staan, om de vergeldende rechtspleging uit te oefenen, die ik aan graaf Ladislas Zathmar en aan Stephanus Bathory, uwen vader, gezworen had ten uitvoer te leggen, en die ik ook volbrengen zal!”Die laatste woorden werden met eene niet weer te geven zeggingskracht geuit.„Een rechtspleging?” vroeg Piet Bathory, wien oog schitterde bij het ontwaren van dat nieuwe en onverwachte gezichtspunt, hetwelk door dit woord voor hem geopend werd.[90]„Ja, Piet, eene rechtspleging!” bevestigde dokter Antekirrt met hoogst ernstige stem.„En welke, heer dokter, als ik u vragen mag?” hernam de jongman met niet minder ernst in stem en gebaar.„O, gij zult haar kennen; want om er u aan te verbinden, heb ik u aan den dood ontrukt, heb ik u op het kerkhof te Ragusa opgegraven. Voor de wereld zijt ge dood, evenals ik; maar evenals ik zijt gij levend! En dat zullen de verraders ondervinden!”Bij die woorden voelde zich Piet Bathory als het ware vijftien jaren teruggevoerd, tot op het oogenblik dat zijn vader op het binnenplein van de vesting te Pisino, door de moorddadige kogels doorboord, dood ter nederviel.„Vóór mij”, ging dokter Antekirrt voort, „strekte zich de onmetelijke zee tot bij het Italiaansche kustland uit. Hoe uitstekend zwemmer ik ook was, zoo kon ik toch de hoop niet koesteren, dien plas te kunnen oversteken, wanneer ik aan eigen kracht overgelaten bleef. Zoodat kwam mij de Voorzienigheid niet te hulp, hetzij door mij het een of ander wrakhout te laten ontmoeten, hetzij dat ik door een vreemd schip opgenomen werd, dan zou het mijn lot zijn, om ellendig te verdrinken. Dat kwam mij ontwijfelbaar voor. Maar wanneer men het offer van zijn leven gebracht heeft, wanneer men van alles afstand gedaan heeft en iedere nevenoverweging verdwijnt, dan is men wel sterk om dat leven te verdedigen, wanneer die verdediging althans mogelijk is.„Eerst had ik herhaaldelijk onder de watervlakte gedoken, om aan de laatste geweerschoten, die nog knalden, te ontkomen. Later, toen ik zeker was, dat ik niet meer bemerkt kon worden, en ik berekenen kon, buiten het bereik van het geweervuur te zijn, kwam ik weer boven en zwom regelrecht naar volle zee toe. Mijne kleederen hinderden mij weinig, daar zij van zeer lichte stof vervaardigd waren en zeer nauw om het lichaam sloten.„Het moest toen zoo omstreeks half tien in den avond zijn. Volgens mijne gissing zwom ik gedurende meer dan een uur in de tegenovergestelde richting van de kust en verwijderde mij zoodoende van de havenplaats Rovigno, welker laatste lichten ik langzamerhand zag verdwijnen.„Waar zwom ik zoo heen? Ik wist het niet.„En welke hoop bezielde mij? Helaas! Piet, ik had er geene; maar ik voelde in mijn binnenste eene kracht tot het bieden van weerstand, een taaie vasthoudendheid, eene bovenmenschelijke wilskracht, die mij steunde, en mij in staat stelde vol te houden. Het was mijn leven niet meer alleen, wat ik wilde redden; neen, ik wilde behouden blijven, om mijn werk, mijn levensdoel na tejagen, te voltooien. En waarlijk, wanneer ik in dit benarde oogenblik plotseling[91]een visschersvaartuig ontmoet had, zou ik ondergedoken hebben, om het te mijden,wanthoeveel verraders kon ik nog op dat Oostenrijksche kustland aantreffen, die gereed zouden zijn mij over te leveren voor een sommetje gelds? Hoeveel Carpena’s zou ik er ontmoeten, tegenover slechts één eerlijken Andreas Ferrato.„Dat gebeurde zelfs nog vóór dat het eerste uur voorbij was. Een scheepje verscheen in het schemerdonker bijna eensklaps voor mijne oogen. Het kwam uit volle zee en zeilde scherp bij den wind om de kust te bereiken. Daar ik reeds vermoeid begon te geraken, had ik mij op den rug gewenteld, om eenigermate te rusten. Maar alsinstinctmatigkeerde ik mij om, gereed tot duiken. Een vischschuit, die naar een der hoofdplaatsen van Istrië zeilde, kon niet anders dan mij verdacht voorkomen! Ik mocht niets meer in de waagschaal stellen! Ik mocht dat gevaar niet loopen!„Ik werd bijna oogenblikkelijk dienaangaande ingelicht.„Een der matrozen riep in het Dalmatische taal-eigen zijnen makker toe, om over den anderen boeg te wenden. Ik dook dadelijk en het vaartuig ging boven mijn hoofd over stag, voordat de opvarenden tijd hadden gehad mij te ontwaren.„Toen ik het stikken nabij was, kwam ik weer boven in de vrije lucht om adem tescheppen, en vervolgde ik mijn zwemtocht in westelijke richting, nadat ik mij overtuigd had, dat het scheepje in het nachtelijk duister verdwenen was.„De bries verzwakte bij het intreden van den nacht, en de deininggolven vielen met den wind. Ik voelde mij nog slechts opgeheven door die lange grondzeeën, die mij al verder en verder van het land meesleepten.„Onder die omstandigheden, dat wil zeggen, terwijl ik beurtelings zwom enrustte, verwijderde ik mij nog gedurende een uur van de kust. Ik zag niets anders dan het te bereiken doel en had geene gedachte voor den af te leggen weg. Het gold vijftig mijlen om de Adriatische zee over te steken! Ja, die wilde ik overzwemmen! Ja, ik zou ze oversteken! Mijn besluit stond onwrikbaar vast!„O, Piet men moet zulke beproevingen doorstaan hebben, om tot de ervaring te geraken, wat een mensch kan, waartoe hij bekwaam is, welke uitkomsten van de zedelijke krachten verkregen kunnen worden, wanneer zij met de lichamelijke krachten hand aan hand gaan en tot één doel samenwerken! O, dan is het menschelijke werktuig onovertroffen!„Zoo ondersteunde ik mij ook gedurende het tweede uur.„Dat gedeelte van de Adriatische zee was geheel eenzaam, men kon zeggen onbevolkt. De laatste watervogels hadden haar verlaten om hunne holen aan de oevers te gaan opzoeken. Geen enkele zweefde meer over mijn hoofd heen, behalve eenige meeuwtjes, die[92]scherpe kreten uitstieten, terwijl zij paarsgewijze over de oppervlakte van de blauwe zee scheerden en soms daarop neerstreken, om zich op de loome golfjes te laten wiegelen.„Hoewel ik niets van de vermoeidheid wilde gevoelen, begonnen mijne armen en beenen zwaar te worden. Reeds strekten zich mijne vingeren krampachtig van elkander uit, en het kostte mij moeite om de handen gesloten te houden, hetgeen bij het zwemmen zoo noodzakelijk is. Mijn hoofd woog loodzwaar, alsof een kogel aan mijne schouders bevestigd ware geweest. Ik begon moeielijkheid te ondervinden om het boven water te houden.„Eene soort van hallucinatie, van zinsbegoocheling overviel mij toen. De geregelde gang der denkbeelden begon mij te begeven, en tot eene gezette opeenvolging van gedachten kon ik mijn brein niet meer dwingen. Vreemde samenkoppelingen van meeningen vormden zich in mijne geschokte hersenen. Ik voelde dat ik niet anders dan zeer onvolmaakt een geluid zou kunnen hooren, het welk in mijne nabijheid zou waargenomen kunnen worden, of een licht zou kunnen zien, dat in mijne nabijheid ontstoken zoude worden.„En het was juist zoo iets,dat mij wedervoer.„Het kon ongeveer middernacht geweest zijn, toen een dof en verwijderd gerommel zich in oostelijke richting liet vernemen. Het was voor mij onmogelijk den aard van dat gerommel te onderscheiden.„Een lichtstraal drong door mijne oogleden heen, die zich mijns ondanks gesloten hadden. Ik poogde mijn hoofd op te beuren en slaagde daarin slechts door mij half te laten onderdompelen. Toen keek ik.…„Ik vertel u al die bijzonderheden, Piet, opdat gij ze weten zoudt en opdat gij door haar mij in mijn karakter zoudt leeren kennen.”„Van uw karakter is mij niets onbekend, dokter. Niets!” antwoordde de jongman.„Niets?” vroeg dokter Antekirrt.„Denkt gij dan, dat mijne moeder mij niet op de hoogte gebracht heeft, wie en wat graaf Mathias Sandorf was?”„Dat zij Mathias Sandorf gekend heeft, dat kan, Piet.…”„Zeker, heeft zij dien gekend!” fluisterde de jongman schier ademloos van spanning.„Maar dat zij dokter Antekirrt zoude kennen? Neen, dat niet.Dat kan niet, niet waar?”Piet Bathory luisterde ten hoogste ingespannen.„En het is juist die man, dien ge moet leeren kennen,” ging de dokter voort. „Luister dus goed.”De jeugdige ingenieur knikte. Hij was geheel gehoor. Zijn geheel uiterlijk kenmerkte dat.„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Het gerommel, dat ik gehoord had, werd veroorzaakt door een[94]groot schip, dat van den oostkant kwam en naar de Italiaansche kust stevende. De lichtstraal, die tot mij doorgedrongen was, kwam van zijn wit licht, hetwelk in den fokkemast bengelde. Dat was het onbedriegbare teeken, dat het een stoomvaartuig was. Wat zijne positie-lichten betrof, die onderscheidde ik weldra daarna, het roode aan bakboord en het groene aan stuurboord. En daar ik die twee seinlichten tegelijkertijd ontwaarde, wist ik dat het vaartuig recht op mij afkwam.„Het daaropvolgende oogenblik zou voor mij beslissend zijn. Inderdaad, alle kansen bestonden, dat dit stoomschip een Oostenrijks vaartuig was, daar het van den kant van Triëst kwam. Een toevlucht daar aan boord te verzoeken, zou gelijkstaan met mij zelven weer in de handen der maréchaussées van Rovigno te stellen! Ik was vast besloten zoo iets niet te doen, hoewel ik gereed was, alles te beproeven om het eerste het beste redmiddel aan te grijpen.„Dat stoomschip was een snelvarend vaartuig. Het vergrootte al meer en meer voor mijn oog, terwijl het naderde. Het vergrootte buitengewoon.„Eindelijk kon ik de zee voor den boeg in eene witte schuimkuif zien omkrullen. Binnen twee minuten zou die boeg de plaats snijden, waar ik mij bevond, waar ik bewegingloos lag te drijven.„Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat het een Oostenrijksche stoomer was. Maar het was toch niet onmogelijk, dat zijne bestemming Brindisi of Otranto was. En waren die havenplaatsen zijn einddoel niet, dan kon hij haar toch aandoen. Dat was zelfs zeer waarschijnlijk.„Als dat zoo was, dan moest hij er binnen de vier en twintig uren aankomen.„Mijn besluit was dan ook ras genomen: Ik zou blijven drijven en wachten. Dat was het best, wat mij te doen overbleef.„Ik was er zeker van, dat ik te midden van de dikke duisternis niet opgemerkt zou worden. Ik zorgde, dat ik in de richting bleef, welke die groote massa volgde, welker vaart toen vrij gematigd was en die ternauwernood door de lichte deining der kalme zee geschommeld werd.„Eindelijk was de stoomer in mijne onmiddellijke nabijheid. Zijn boeg beheerschte de zee twintig voet boven mij. Ik werd in de waterkrul, die hij voor zich uitstiet, met geweld opgenomen; maar ik ontving geen schok. De lange romp gleed langs mij heen en ik stiet mij krachtig met beide handen af. Dat duurde hoogstens een paar seconden. Toen ik daarna de vormen van het achterschip zag verschijnen, klemde ik mij, op gevaar af, door de schroefbladen te pletter geslagen te worden, aan het roer vast.[95]„Gelukkig was het stoomschip zeer zwaar geladen, zoodat de schroef zeer diep wentelde en de oppervlakte van het water niet bereikte. Want ware dat het geval geweest, dan zou ik aan de draaikolken, die daar gevormd werden, niet hebben kunnen ontkomen; ook zou ik het steunpunt, waaraan ik mij vasthield, niet omklemd hebben kunnen houden, en had ik moeten loslaten.„Maar, evenals bij alle stoomvaartuigen, hingen twee ijzeren kettingen aan het achterschip en sloten aan de roerwanden aan. Ik greep een van die kettingen en tilde mij tot de ijzeren kram omhoog waarin zij vastgeklonken waren. Ik kon nu boven water zitten en richtte mij zoo goed en zoo kwaad bij den achtersteven in, als maar mogelijk was.„Betrekkelijk was ik hier in veiligheid!„Drie uren later brak de dag eindelijk aan. Ik berekende toen, dat ik nog gedurende meer dan vier en twintig uren in dien toestand zou moeten doorbrengen, namelijk wanneer de stoomboot Brindisi of Otranto zou aandoen. Waar ik het meeste door zou lijden, dat was door dorst en honger.„Maar het voornaamste was, dat ik niet van het dek van de boot ontwaard werd; ook niet van uit de sloepen, die rechts en links van het achterschip in dedavitshingen. Het is waar, dat ik door eenige tegenliggende schepen kon gezien worden en dat die seinen konden wisselen; maar gelukkig ontmoetten wij gedurende dien dag zeer weinig schepen, en die wij ontmoetten, voeren ons op zoo’n grooten afstand voorbij, dat niemandbespeurenkon, dat een man zich aan de roerkettingen van het stoomschip vastgeklemd hield.„Eene brandend heete zon veroorloofde mij weldra mijne kleederen, die ik daartoe uittrok, te drogen.„De drie honderd gulden van Andreas Ferrato bevonden zich steeds in mijn gordel. Zij moesten mij onderhoud en veiligheid verschaffen, zoodra ik aan wal zoude zijn. Daar, daar zou ik niets meer te vreezen hebben.„Op vreemden bodem waren voor graaf Mathias Sandorf, de Oostenrijksche agenten en spionnen geen schrikbeelden meer. Daar zou ik het hoofd rechtop kunnen voeren. Daar zou ik niet meer als een rampzalige ellendeling moeten rondsluipen om het veege leven te redden.„Maar het was mij niet genoeg voor het oogenblik, dat ik dat leven gered had; ik wilde ook dat men aan mijnen dood geloofde.…„Niemand mocht vernemen, dat de laatste vluchteling uit den vestingtoren van Pisino, dat graaf Mathias Sandorf op Italiaanschen bodem voet aan wal gezet had. Ik had daar gegronde redenen voor, zooals gij weldra vernemen zult.[96]„Wat ik zoo innig verlangde, wat ik zoo innig hoopte, gebeurde gelukkig ook.„De dag ging zonder buitengewone voorvallen voorbij. De nacht viel eindelijk in. Ongeveer tegen tien uren in den avond flikkerde een licht met regelmatige tusschenpoozen in het zuidwesten. Ik herkende dat licht, want ik was meer in deze streken geweest. Dat was de vuurtoren van Brindisi.„Twee uren later was de stoomboot in het door boeien afgebakende vaarwater, hetwelk naar de haven geleidt.„Maar toen, vóórdat de loods aan boord gekomen was, en wij den wal op ongeveertweemijlen genaderd waren, bond ik mijn kleederen in een pakje, dat ik op mijn hoofd en aan mijn hals bevestigde, liet de kettingen van het roer los en gleed zonder gerucht te maken in het water, hoewel het stoomschip nog in volle beweging was.„Het hevige geplons van de schroef bedwelmde mij een oogenblik, ik werd ook in de kolken, welke zij met woest geweld vormde, voor een poos meêgesleurd; maar eene minuut later reeds—want ik repte mij en zwom krachtig voort—had ik de stoomboot uit het gezicht verloren en hoorde ik nog maar het oorverscheurend gegil harer stoomfluit, waarmede zij hare aankomst in de havenplaats aankondigde.„Een half uur later zette ik bij zeer kalme zee op een vlak en dor strand, waarop geen branding stond, voet aan wal, gelukkig zonder dat iemand mij gezien had. Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten, kleedde mij daar aan en zocht, terwijl de uitputting door de uitgestanevermoeienissende bovenhand boven den honger behield, eene rustplaats te midden van droog zeewier, waarmede de tusschenruimten der rotsen gevuld waren, en sliep weldra op dat bed in.„Bij het aanbreken van den dag wandelde ik Brindisi binnen en zocht daar een der meest bescheidene hôtels van de stad op, alwaar ik besloot de verdere gebeurtenissen af te wachten, alvorens het plan van geheel mijn toekomstig leven vast te stellen. Ik was nu in veilige haven en had derhalve volstrekt geen haast.„Twee dagen later, Piet, vernam ik door middel van de dagbladen, welke rampzalige ontknooping de Triëster samenzwering gehad had. Ik las dat nasporingen in het werk gesteld waren, om het lijk van graaf Mathias Sandorf te vinden; maar dat die te vergeefs geweest waren. In echten reporterstijl werden daar vele bijzonderheden medegedeeld, die mij deden glimlachen.Brindisi. (Bladz. 98).Brindisi. (Bladz. 98).„Maar ik werd voor dood gehouden, dat was het voornaamste, even zoo goed dood, alsof ik met mijn makker, graaf Ladislas Zathmar en uwen vader, Stephanus Bathory, onder de doodelijke[98]schoten op het binnenplein van den vestingtoren te Pisino gevallen was!„Ik, dood!.… Dood!”„Waarachtig niet, Piet.… en velen zullen wel ondervinden, dat ik nog levend ben!”Piet Bathory had met alle gretigheid, met de meeste opmerkzaamheid naar dat verhaal van den dokter geluisterd. Hij was onder den indruk daarvan, alsof hem dat alles, wat gebeurd was, in de diepte van een graf medegedeeld was geworden.Ja, het was graaf Mathias Sandorf die zoo tot hem sprak. Daaraan viel niet te twijfelen.Tegenover Piet, tegenover den zoon van Stephanus Bathory, tegenover dat levende evenbeeld van zijn vader, had graaf Mathias Sandorf zijne gewone koelheid langzamerhand verloren.Hij had thans den jongen man geheel en al toegang tot zijne ziel verleend en vertoonde haar in zijne tegenwoordigheid, zooals zij werkelijk was, na ze zoo lange jaren voor anderen gesluierd gehouden te hebben!Maar hij had nog niets gerept omtrent datgene, wat Piet toch zoo verlangend was te vernemen, niets omtrent hetgeen de armejongelingvan zijne medewerking verwachtte!Wat de dokter zoo even verhaald had van zijn stoutmoedigen overtocht over de Adriatische zee, was tot in de geringste bijzonderheden waar. Zoo was hij heelhuids te Brindisi aangekomen, terwijl graaf Mathias Sandorf volgens ieders opvatting dood was en dood bleef.Maar het kwam er nu op aan, om Brindisi zonder dralen te verlaten. Die haven daar, aan het uiteinde van Italië als het ware, kon slechts eene pleisterplaats genoemd worden. De reizigers komen daar, hetzij om zich in te schepen naar de Levant, of naar Indië; hetzij om, vandaar komende, te ontschepen en verder te reizen naar Europa. Het plaatsje kan in gewone omstandigheden verlaten genoemd worden, behalve gedurende een of twee dagen, wanneer de pakketbooten, voornamelijk die van de „Peninsular and Oriental Company” er aankomen. En die verlatenheid zou voldoende zijn, om den vluchteling te doen herkennen, en hoewel het waar was, zooals hierboven reeds verhaald werd, dat hij niet meer voor zijn leven te vreezen had, zoo was het hem toch boven alles waard, dat hij dood gewaand werd.Dit alles bedacht graaf Mathias Sandorf daags na zijne aankomst te Brindisi, terwijl hij aan den voet van het terras wandelde, die door de Cleopatra-zuil beheerscht werd, juist ter plaatse waar de Apische weg begint.Het plan van zijn volgend leven was reeds vastgesteld. Hij zou naar het Oosten gaan, om daar een vermogen te garen en met dat[99]vermogen eene groote macht te verwerven. Maar het kwam niet raadzaam voor, zich op een der pakketbooten in te schepen, die de geregelde vaart langs Klein-Azië verrichten en die gewoonlijk opgepropt waren met passagiers van de meest uiteenloopende nationaliteiten. Hij moest een ander en meer geheim vervoermiddel opsporen, en dat kon hij te Brindisi niet vinden. Hij vertrok dan ook denzelfden avond per spoortrein naar Otranto.Binnen anderhalf uur tijds had hij die stad, welke bijna aan het uiteinde van den hiel van de Italiaansche laars bij het kanaal, hetwelk den smallen toegang tot de Adriatische zee vormt, gelegen is, bereikt. Daar in die verlaten havenplaats kon graaf Mathias Sandorf prijs bepalen voor den overtocht met den schipper van een klein vaartuig, dat zeilree naar Smyrna lag, en eene lading Albaneesche paarden moest vervoeren, die te Otranto geen koopers gevonden hadden.Den volgenden morgen stak het vaartuig in zee en zag de dokter den vuurtoren van Punta di Luca, aan het uiterste puntje van Italië gelegen, aan den gezichteinderverdwijnen, terwijl aan den tegenovergestelden kant de Acroceraunische bergen in de nevelen weg vloden. Weinige dagen later werd, na een overtocht zonder wederwaardigheden, kaap Matapan, de zuidelijkste punt van Griekenland, voorbij gestevend en waren de reizigers spoedig daarna te Smyrna op hunne bestemmingsplaats aangekomen.Dokter Antekirrt had Piet dit gedeelte van zijn verhaal zoo beknopt en zoo vluchtig mogelijk medegedeeld, alsook hoe hij door middel der dagbladen den plotselingen dood van zijn dochtertje vernam, waardoor hij nu eenzaam en verlaten in de wereld achterbleef!„Ik was dan eindelijk,” zoo ging hij met zijn verhaal voort, „op dien bodem van Klein-Azië aangekomen, waar ik zoovele jaren geheel onbekend zoude leven. Ik zou aan de studiën in de geneeskunde, in de scheikunde, in de natuurlijke wetenschappen, aan welker bron ik mij in de scholen en in de universiteiten in Hongarije gelaafd had, aan die studiën, die door uwen vader met zooveel toewijding en zoo roemrijk onderwezen werden, thans vragen om mijn bestaan te waarborgen.„Ik was gelukkig genoeg om te slagen en dat wel veel spoediger dan ik aanvankelijk had durven hopen. Ik vestigde mij eerst te Smyrna, waar ik mij in den tijd van zeven of acht jaren een groote beroemdheid als geneesheer verwierf. Eenige onverwachte genezingen brachten mij in aanraking met de rijkste personen uit die streken, waar de geneeskunde eigenlijk nog in het tijdperk der kindsheid verkeert. Ik besloot toen die stad te verlaten. Ik wilde, evenals de professoren van weleer, de menschen genezen, terwijl ik tevens de kunst van genezen zou onderwijzen. Ik wilde terzelfder tijd de onbekende geneeswijze der taleb’s van Klein-Azië en der pandit’s[100]van Indië bestudeeren. Ik doorreisde al die provinciën, en vertoefde op de eene plaats eenige weken, elders eenige maanden, terwijl mijne hulp ingeroepen werd te Karahissar, te Bender, Adana, Haleb, Tripoli en Damas, waarbij ik steeds voorafgegaan werd door eene vermaardheid, die onophoudelijk aangroeide en waardoor mijn vermogen met die vermaardheid vermeerderde.„Maar, dat was voor mij niet genoeg, Piet. Neen, waarachtig niet! Dat gevoelde ik wel!„Ik moest een onbegrensde macht erlangen, eene macht zooals slechts een der rijkste rajah’s van Indië zou ten deel gevallen zijn, wanneer de wetenschap zich aan zijne onmetelijke rijkdommen gepaard zou hebben.„De gelegenheid daartoe bood zich eindelijk aan! Ik zou verkrijgen, wat ik wenschte.„Te Homs, in Noordelijk Syrië, bevond zich een man, die aan eene langzame ziekte wegkwijnende was. Geen enkel geneesheer had de geaardheid van zijn lijden kunnen onderscheiden. Daaruit werd natuurlijk de onmogelijkheid geboren, om eene doelmatige behandeling te kunnen voorschrijven en volgen. Die man, Taz-Rhât geheeten, had indertijd hooge betrekkingen in het Ottomanische rijk bekleed. Hij was toen nog slechts vijf-en-veertig jaar oud en betreurde te meer het leven, dewijl een onmetelijk fortuin hem de middelen aan de hand deed, zich alle denkbare genietingen te verschaffen en alle genoegens na te jagen.„Taz-Rhât had over mij hooren spreken; want mijne beroemdheid was op dat tijdstip reeds groot. Hij liet mij verzoeken hem te Homs te komen zien en ik voldeed volgaarne aan die uitnoodiging, die mij geen windeieren zou leggen.„Dokter,” zei hij, „mijn halve vermogen hoort u toe, wanneer gij mij het leven zult redden!”„Behoud dat halve vermogen,” antwoordde ik. „Ik zal u behandelen en verplegen en, zoo God het wil, zal ik u genezen.”„Ik bestudeerde nauwkeurig dien zieke, die door alle geneesheeren opgegeven was. Allen hadden uitspraak gedaan, dat hij nog maar weinige maanden te leven had. Maar ik was gelukkig genoeg eene stellige diagnose te kunnen maken. Ik bleef gedurende drie weken bij Taz-Rhât, om de uitwerking gade te slaan van de behandeling, die ik op hem toepaste.„Om kort te gaan, zijne genezing was geslaagd. Hij herstelde geheel en al, en kon weer in de maatschappij verkeeren.„Toen hij mij verlangde te betalen, wilde ik niet meer ontvangen, dan hetgeen mij voorkwam, mij redelijkerwijze toe te komen. Daarna verliet ik Homs en Syrië.„Drie jaren later verloor Taz-Rhât door een ongeluk bij eene[101]jachtpartij het leven. Hij liet geene bloedverwanten, geene onmiddellijke nakomelingen na, en bij laatste wilsbeschikking had hij mij tot universeel erfgenaam gemaakt van al zijne goederen, welker waarde op niet minder dan vijftig millioen gulden geschat kon worden. Dat was een aardige som, niet waar, Piet?„Het was toen ongeveer dertien jaren geleden, dat de vluchteling uit den kerkertoren van Pisino eene schuilplaats had komen zoeken in die verwijderde provinciën van Klein-Azië. De naam van dokter Antekirrt was toen al eenigermate legendarisch geworden en was ook in geheel Europa beroemd. Ik had dus het resultaat bereikt, wat ik voorshands beoogd had. Maar mij bleef nog over het groote doel na te jagen, hetwelk de eenige beweegreden van mijn geheele bestaan was.„Ik besloot toen naar de Europeesche gewesten terug te keeren, of mij ten minste op het uiterste uiteinde van dat werelddeel op het eene of andere punt van de Middellandsche zee te vestigen. Ik bezocht de Afrikaansche kuststreken en kocht—tusschen twee haakjes gezegd: zeer duur—een belangrijk vruchtbaar en rijk eiland, dat feitelijk in de behoeften van eene kleine volksplanting kan voorzien. Dat eiland noemde ik Antekirrta. En het is hier, Piet, dat ik souverein, volstrekt baas, koning zonder onderdanen ben, maar een personeel bezit, dat vol toewijding voor mij is, dat mij met lichaam en ziel toegedaan is. Hier heb ik verdedigingsmiddelen, die volmaakt en voor mijne tegenstanders verschrikkelijk zullen wezen, wanneer zij voltooid zullen zijn. Hier heb ik gemeenschapsmiddelen, die mij met de verschillende punten van den omtrek der Middellandsche zee in verbinding brengen. Hier heb ik eene vloot van eene zoodanige beweegkracht en snelheid, dat ik zonder overdrijving kan zeggen, dat ik die zee tot mijn domein, tot mijn onderdaan, tot mijn nederige slaaf gemaakt heb.„Waar is het eiland Antekirrta gelegen?” vroeg Piet Bathory uiterst nieuwsgierig.„In de nabijheid van de groote Syrtische zee, welker beruchtheid sedert de vroegste tijdrekening afschuwelijk is geweest; aan het uiteinde van die zee, die door de heerschende noordenwinden zoo gevaarlijk wordt gemaakt, zelfs voor vaartuigen van nieuweren scheepsbouw. Het is gelegen achter in den zeeboezem van Sidra, die de Afrikaansche kust insnijdt tusschen het Tripolitaansche rijk en de Cyrenaïsche regentschappen.”Daar inderdaad is het eiland Antekirrta ten noorden van de Syrtische eilandengroep te vinden.Vele jaren vroeger had de dokter de kusten vanCyrenaïcadoorreisd, had Souza, de oude havenplaats van dat land bezocht, alsook het rijk Barcah, zoowel als de kuststeden, die later het oude Ptolomaïs[102]Bereniec, Adrianopolis, in één woord dat oude Pentapolis, hetgeen vijf steden beteekent, uitmaakten, en vroeger nu eens Grieksch dan Macedonisch, later Romeinsch, Perzisch, Saraceensch enz. waren, evenwel nu Arabisch zijn en onder het Pachalik van Tripoli ressorteeren. De wisselvalligheden van zijne reis, want hij ging zoowat overal en waar men zijne hulp noodig had en inriep, voerden hem tot te midden van die talrijke eilandengroepen, waarmede de Lybische kust bezaaid is, te weten Paros en Anthirodos, de Plinthinische tweelingen, Enesipta, de Tyndarenische rotsen, Pyrgos, Platea, de Hyphlische en de Pontische eilanden, de Witte en de Syrtische eilanden.Daar in die baai van Sidara, op dertig mijlen ten zuidwesten van het vilayet van Ben Chazi, het meest nabijgelegen punt der Afrikaansche kust, trok dat eiland Antekirrta meer in het bijzonder zijne aandacht.Men noemde het zoo, omdat het voor de andere Syrtische of Kryrtische eilanden gelegen is.Van dien dag af koesterde de dokter het voornemen, dat eiland den een of anderen dag te koopen, en als eene voorloopige in bezitneming, nam hij den naam van Antekirrt aan, die weldra wereldberoemd en overal in alle streken van het oude halfrond vernomen werd.Twee wichtige redenen hadden hem na eenig bedenken tot die keuze geleid. Ziehier:Vooreerst was Antekirrta uitgestrekt genoeg—het had een omtrek van achttien mijlen—om het personeel, dat hij noodig zou heb ben en dat hij bij elkander hoopte te brengen, te onderhouden. Het was verheven genoeg om tegen watervloeden beveiligd te zijn, daar een kegelberg, die achthonderd voeten hoog was, het geheele eiland beheerschte en veroorloofde een wakend oog op de baai tot aan de Cyrenaïsche kust te houden. Dan was het voldoende vruchtbaar, daar het door vele riviertjes besproeid en een voldoende dikke laag teelaarde bezat. Het leverde verschillende producten op, genoegzaam om in het onderhoud van ettelijke duizenden inwoners te voorzien. Vervolgens was het eiland in die zee gelegen, die schrikwekkend was door hare stormen, welke reeds in voorhistorische tijden noodlottig voor de Argonauten waren, en waarvan Horatius, Virgilius, Propertius, Seneca, Valerius, Flaccus, Lucanus en nog andere schrijvers uit de oudheid, die meer aardrijkskundigen dan dichters waren, als: Polybius, Salustius, Strabon, Mela, Plinius en Procopus, de schrikkelijke gevaren schetsen in hunne gezangen, gedichten of beschrijvingen van die Syrtische eilanden, welker naam de „wegslepende” beteekende.Zoo was inderdaad het domein, hetwelk dokter Antekirrt in allen deele beviel. Hij kocht het dan ook in vollen eigendom voor eene[103]aanmerkelijke som, zonder eenige feodale of andere verplichting van welken aard ook te aanvaarden. De acte van afstand werd zonder eenig bezwaar door den Sultan geratificeerd, waardoor de nieuwe bezitter van Antekirrta souverein werd, meer souverein dan menig constitutioneel vorstje in Europa.De dokter had op het tijdstip van dit verhaal reeds sedert drie jaren dat eiland betrokken. Ongeveer drie honderd Arabische of Europeesche familiën waren door zijne aanbiedingen en door de verzekering van een gelukkig leven te zullen leiden, gelokt geworden. Deze vormden eene kleine kolonie, die ongeveer twee duizend zielen telde. Dat waren geen slaven, zelfs geen onderdanen, maar lotgenooten, die voor hun opperhoofd vol toewijding waren, en zoowel aan hem als aan het plekje gronds, hetwelk voor hen als een nieuw vaderland geworden was, uitermate gehecht waren.Langzamerhand werd er eene geregelde administratie ingevoerd, en eene militie gevormd, om de verdediging van het eiland op zich te nemen. Er werden verder onder de notabelen magistraten gekozen, die maar zelden geroepen werden om hunne autoriteit te doen gelden.Daarna werden door den dokter kundige mannen naar de voornaamste en beste scheepstimmerwerven van Engeland, Frankrijk, Amerika of Nederland gezonden, alwaar volgens zijne eigene inzichten eene bewonderenswaardige vloot gebouwd werd, bestaande uit stoombooten, stoomjachten, schooners, goeletten of „Electrieks”, die bestemd waren om snelle tochten in het bekken der Middellandsche zee uit te voeren.Terzelfder tijd werden versterkingen op het eiland Antekirrta opgeworpen; maar die waren nog niet voltooid, hoewel de dokter de uitvoering er van, zooveel hem maar mogelijk was, verhaastte. Hij meende daartoe ernstige redenen te hebben.Had dokter Antekirrt dan eenigen vijand in die streken van de baai Sidra te vreezen? Ja zeker. Eene angstverwekkende sekte, eigenlijk eene vereeniging van zeeschuimers, had niet zonder een gevoel van haat en nijd, een vreemdeling dievolksplantingin de nabijheid der Lybische kustlanden zien stichten.Die sekte was de Muselmansche Broederschap van Sidi Mohamed Benn Ali-Es-Senoûsi. In dat jaar (1300 der Hegyra) was zij dreigender dan ooit en reeds telde hare aardrijkskundige uitbreiding meer dan drie millioen volgelingen. Hare zaouiyas, hare villayets, die als middelpunten van arbeidzaamheid verspreid, in Egypte, in het Ottomanische rijk, zoowel in Europa als in Azië, in Algerië, in het land van Baele en Touboe, in oostelijk Nigritië, in Tunis, in Marokko, in de onafhankelijke landen van de Sahara, tot aan de grenzen van westelijk Nigritië toe beschouwd konden worden,[104]bestonden in veel grooter aantal in Tripolis en in de Cyrenaïsche streken. Van daar ontstond een voortdurend gevaar voor de Europeesche etablissementen in Noord Afrika, voor dat bewonderenswaardige Algerië, hetwelk bestemd is om het rijkste land der aarde te worden, ook voor het eiland Antekirrta, zooals wel te denken valt.Alle middelen bijeen te brengen tot beveiliging en verdediging, was dus niet alleen als voorzichtigheidsmaatregel aan te bevelen, maar ook den dokter door de onverbiddelijke noodzakelijkheid geboden.Ziedaar, wat Piet Bathory gedurende dat onderhoud, hetwelk hem nog omtrent zoo onnoemelijk veel anders zou inlichten, wat hijzelfsniet gissen kon, vernam.Het was dus naar het eiland Antekirrta, waar hij heen gevoerd was. Dat eiland was in het binnenste der Syrtische zee gelegen, als het ware in een der meest verborgen van de oude wereld op eenige honderd mijlen van Ragusa verwijderd, waar hij twee wezens achtergelaten had, die hij nimmer vergat en welker herinnering hem overal vervolgde, waar hij ook ging, namelijk: zijne moeder en Sava Toronthal.De dokter voltooide vervolgens zijne mededeelingen, door de bijzonderheden betreffende het tweede gedeelte van zijn bestaan te verhalen, Piet Bathory luisterde natuurlijk aandachtig toe.Terwijl dokter Antekirrt aldus zijne maatregelen trof, om de veiligheid van zijn eiland te verzekeren; terwijl hij zich onledig hield met de rijkdommen van zijn bodem te voorschijn te doen treden, om hem langzamerhand voor de stoffelijke en zedelijke behoefte van zijne kleine volksplanting dienstbaar te doen zijn, werd hij voortdurend op de hoogte gehouden omtrent hetgeen zijne vroegere vrienden, welker spoor hij nimmer uit het oog verloren had, wedervoer. Daaronder behoorden in de eerste plaats mevrouw Bathory, haar zoon en Borik, die Triëst verlaten hadden, om zich te Ragusa te vestigen.Zoo vernam Piet Bathory, waarom de goeletSavarenate Gravosa aangekomen was, onder omstandigheden die zoo zeer de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt hadden; waarom de dokter toen een bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had, zonder dat haar zoon ooit het hoe en waarom had kunnen te weten komen dat het geld, hetwelk ter harer beschikking gesteld was, door de wakkere vrouw geweigerd werd; ook vernam hij hoe de dokter gelukkig bijtijds gekomen was om Piet aan het graf op het kerkhof te Ragusa te ontrukken, waarin hij trouwens slechts in een magnetischen slaap gedompeld lag.„Gij mijn zoon,” zoovervolgdedokter Antekirrt, „ja, gij, die het hoofd verloren hebbende, voor een zelfmoord niet teruggedeinsd zijt!.…”[105]Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).[106]Op dat woord: zelfmoord richtte Piet Bathory zich met een gevoel van verontwaardigingovereind. Hij was waarlijk buiten zich zelven van toorn. Zijne oogen schoten vuurstralen.„Een zelfmoord!” riep hij uit, terwijl zijn gelaat zich smartelijk verwrong. „Een zelfmoord!”„Ja, Piet, een zelfmoord!” hernam dokter Antekirrt met volle overtuiging. „Waarom ziet gij zoo ontsteld?”„Hebt gij dan kunnen gelooven, dat.…”De jongeling kon niet voortgaan.„Wat?.… Waarom aarzelt gij?” vroeg dokter Antekirrt met aandrang. „Spreek dan toch!”„Dat ik mij zelven zoude verwond hebben? Zeg? Hebt gij dat waarlijk geloofd?”„Piet.… in een oogenblik van wanhoop!.…”„Wat zegt ge?”„In een oogenblik van wanhoop, Piet, dan is alles mogelijk!”„Van wanhoop?.… Ja, wanhopig was ik.… Ik meende dat ik door iedereen verlaten was.…”„Door iedereen, Piet?”„Ja, door iedereen, zelfs door u!”„Door mij!” kreet dokter Antekirrtontzet. „Door mij?.…”„Ja, door u, door den vriend mijns vaders; verlaten, nadat gij mij beloften gedaan hadt, die ik niet gevraagd had, die ik niet had durven hopen! Verlaten door een ieder!”„Piet! Piet!”„Ja, wanhopig was ik, en waarlijk ik ben het nog!”„Nog?.… O noodlot!”„Ja nog!.… Maar God heeft den wanhopige niet geboden om te sterven!.… Hij heeft hem integendeel geboden om te leven.… ten einde zich te wreken!”„Wreken?”„Ja, wreken!” zei Piet Bathory woest en hartstochtelijk, terwijl hij den dokter somber aankeek.„Neen, Piet! Wreken niet.… straffen wel,” hernam de dokter op zachtaardigen toon.De jongeling glimlachte met zonderlingen blik. Hij scheen het onderscheid daarvan niet te vatten.„Maar Piet, als gij het dan niet gedaan hebt, wie heeft u dan toch gewond?” vroeg de dokter.„Een man, dien ik haat!” antwoordde de jeugdige ingenieur, in de grootste opgewondenheid.„Dien gij haat?”„Een man, dien ik dien avond bij toeval, op eeneenzamenweg ontmoette in de nabijheid van den walmuur van Ragusa!”[107]„Maar wie dan toch? Wie dan toch?”„Misschien heeft die man gedacht,”ging Piet Bathory opgewonden voort, „dat ik mij op hem wilde werpen, dat ik hem wilde uitdagen!.… Toen is hij mij voorgekomen en heeft toegestooten!…”„Maar spreek, wie dan toch? Wie is die man?” herhaalde dokter Antekirrt met aandrang.„Wie die man is? Wel, dat is Sarcany! Dat is.…”Piet kon niet eindigen. Bij de gedachte aan den ellendeling, dien hij thans moest gelooven de gelukkige echtgenoot van Sava te zijn, verwarde zich zijn brein en was hij verplicht de oogen te sluiten. Hij had een gevoel alsof het leven hem ontvlood, alsof zijne wond zich weer opende. Bleek en ademloos lag hij daar, het sterven nabij!In weinige oogenblikken had hem de dokter evenwel zijne zorgen gewijd en weer bij kennis gebracht. Hij bekeek hem medelijdend:„Sarcany!.… Sarcany!” prevelde hij.Het zou niet overbodig geweest zijn, dat Piet eenige rust genoot, na den schok, dien hij doorstaan had. Dat wilde hij evenwel niet; daartoe was hij te ongedurig, te overspannen.„Neen,” zei hij, toen de dokter aandrong. „Neen, ik kan, ik wil niet rusten! Althans nu niet!”„Toch zou rust weldadig voor u zijn.”„Neen, neen, neen! Gij zeidet bij het begin van ons onderhoud: Eerst de geschiedenis van dokter Antekirrt. Die hebt gij mij medegedeeld van het oogenblik af dat graaf Mathias Sandorf in de wateren der Middellandsche zee sprong en hij te midden der kogels, die rondom hem aansloegen en plasten, onder de oppervlakte verdween.”„Ja, Piet.”„Er blijft u nog over te vertellen, wat mij nog omtrent graaf Mathias Sandorf onbekend is.”„Omtrent graaf Mathias Sandorf?”„Ja.”„Zult gij de kracht hebben mij ten einde toe aan te hooren?” vroeg dokter Antekirrt met bezorgdheid.„Spreek! En wees geheel onbezorgd. De kracht zal mij niet in den steek laten,” sprak Piet.„Het zij zoo!” antwoordde de dokter.„Ik luister.”„Het is ook beter, dat er een einde komt aan die geheimen, die gij toch het recht hebt te vernemen. Luister, ik zal u alles, wat het verleden schrikkelijks heeft, ontvouwen. Piet, gij hebt geloofd dat ik u aan uw lot overgelaten had?.…”De jongeling glimlachte bitter, maar antwoordde op die vraag niet. Onderzoekend keek hij den spreker aan.[108]„U verlaten had” ging de dokter voort, „omdat ik van Gravosa vertrokken was?”.…De jongman knikte.„Hoor mij aan Piet!Dan zult ge met kennis van zaken kunnen oordeelen! Maar hoor aandachtig.„Gij weet, Piet, dat daags vóor de voltrekking van het vonnis, mijne makkers en ik eene poging aangewend hebben om uit de vesting van Pisino te ontvluchten. Graaf Ladislas Zathmar werd evenwel helaas! door de gevangenbewaarders gegrepen, juist toen hij op het punt stond zich bij ons aan den voet van den vestingtoren te voegen. Helaas! dat mocht niet gebeuren.„Uw vader en ik, medegesleept door den Buco-bergstroom, waren reeds buiten het bereik onzer beulen.„Na op wonderdadige wijze aan de kolken en maalstroomen van de Foïba ontsnapt te zijn, en nadat wij voet aan wal op een der oevers van het Léma-kanaal gezet hadden, werden wij door een ellendeling bespeurd, die geen oogenblik geaarzeld heeft om onze hoofden, waarop het Oostenrijksche gouvernement een hoogen prijs gesteld had, te verkoopen. Wij werden bij een visscher van Rovigno ontdekt, juist op het oogenblik toen hij ons naar de overzijde van de Adriatische zee wilde voeren. Uw vader werd gevangen genomen en naar de vesting van Pisino teruggevoerd. Ik was gelukkiger en slaagde er in te ontsnappen.„Ziedaar wat ge weet, Piet Bathory. Luister nu goed naar hetgeen gij niet weet.„Vóór de verklikking van dien Spanjaard, Carpena genaamd, eene verklikking die den armen visscher Andreas Ferrato de vrijheid en weinige maanden later het leven kostte—hadden twee mannen het geheim der samenzweerders van Triëst verraden, ja schandelijk verraden!”„Hunne namen?.…” riep Piet Bathory uit.„Hunne namen?”„Ja, hoe heeten zij?” vroeg de jonge man ongeduldig en onstuimig.„Vraag mij eerst hoe hun verraad aan het licht kwam,” antwoordde dokter Antekirrt.„Juist, laat hooren, dokter.”Deze verhaalde toen vluchtig wat er in de cel van den gevangentoren van Pisino voorgevallen was, en deelde mede hoe een verschijnsel op het gebied der gehoorleer hem de namen der twee verraders had leeren kennen.„Hunne namen, dokter!” riep Piet Bathory nogmaals uit.„Hunne namen?” vroeg Antekirrt andermaal, maar ditmaal met iets weemoedigs in zijne stem. Waarlijk hij aarzelde.[109]„O, gij zult thans niet weigeren die te noemen! Niet waar, graafSandorf?”„Ja, ik zal ze noemen!”„Welnu, wie zijn ze?”„De een is die schrijver, die als spion in het huis van graaf Ladislas Zathmar binnengedrongen is!”„Die spion? Maar hoe heet hij?” vroeg Piet Bathory.„Hoe die man heet? Maar gij kent hem; hij is het, die u heeft willen vermoorden! Het is Sarcany!”„Sarcany!” riep Piet uit, die eensklaps krachten genoeg vond, om op den dokter toe te treden. „Sarcany! Die ellendeling?”„Ja, Piet, Sarcany!”„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”„Ik wist het!”„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.… Ja, die misdaad, waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd is!”„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene vreeselijke woestheid in zijne stem.„En waarom?”„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de reden!”„Zij! Zij niet?”„Neen, vooral zij niet!”„O, waarom? Zeg, waarom?”„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde verraad. Hoort ge?”„Maar waarom?.… Waarom toch?” kreet Piet, die ten toppunt van zenuwachtige overspanning verkeerde.„Omdat Sarcany een medeplichtige had!.…”sprakgraaf Sandorf somber en schier sissend.„Een medeplichtige?.…”„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan den dood overleverde!”„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met mij! Noem mij zijn naam.”„Die medeplichtige?.… Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk leert kennen!.…”[110]„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”Piet had het gehoord, en had het begrepen!.… Hij slaakte geen kreet; hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke hij hem had laten ondergaan.Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.… Daarna liet hij zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den dokter rusten.„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet, voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!… Zeg, wilt ge mijn zoon zijn?”„Ja!.… vader.…” antwoordde Piet Bathory snikkend.„Ja, zeker wil ik uw zoon zijn!”En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen, gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die twee mannen in elkanders armen deed vallen.
Dokter Antekirrt verhaalde alsnu de geschiedenis van graaf Mathias Sandorf en vervolgde, toen hij medegedeeld had, hoe deze zich in de wateren der Adriatische zee gestort had, als volgt:
„Te midden of beter in weerwil van den kogelregen, die mij bij de laatste losbranding der politie-agenten om de ooren vloog, gelukte het mij toch heelhuids te ontkomen. De nacht was uitermate donker, zoodat door mij niets te zien was. De stroom zette van de kust naar buiten, en al had ik het ook gewild, dan zou ik niet meer naar den vasten wal hebben kunnen terugkeeren. Maar, zooals te begrijpen valt, dat wilde ik niet. Neen, ik wilde liever in de onmetelijke zee verzinken, dan weer gevangen genomen te worden, dan weer teruggebracht te worden naar dien engen vestingtoren van Pisino, om daar doodgeschoten te worden. Wanneer ik bezweek, welnu.… dan was alles gedaan, dan was alles uit!
„Daarenboven, als ik er in slaagde, om mij te redden, dan kon ik voor dood doorgaan. Niets zou mij dan in den weg staan, om de vergeldende rechtspleging uit te oefenen, die ik aan graaf Ladislas Zathmar en aan Stephanus Bathory, uwen vader, gezworen had ten uitvoer te leggen, en die ik ook volbrengen zal!”
Die laatste woorden werden met eene niet weer te geven zeggingskracht geuit.
„Een rechtspleging?” vroeg Piet Bathory, wien oog schitterde bij het ontwaren van dat nieuwe en onverwachte gezichtspunt, hetwelk door dit woord voor hem geopend werd.[90]
„Ja, Piet, eene rechtspleging!” bevestigde dokter Antekirrt met hoogst ernstige stem.
„En welke, heer dokter, als ik u vragen mag?” hernam de jongman met niet minder ernst in stem en gebaar.
„O, gij zult haar kennen; want om er u aan te verbinden, heb ik u aan den dood ontrukt, heb ik u op het kerkhof te Ragusa opgegraven. Voor de wereld zijt ge dood, evenals ik; maar evenals ik zijt gij levend! En dat zullen de verraders ondervinden!”
Bij die woorden voelde zich Piet Bathory als het ware vijftien jaren teruggevoerd, tot op het oogenblik dat zijn vader op het binnenplein van de vesting te Pisino, door de moorddadige kogels doorboord, dood ter nederviel.
„Vóór mij”, ging dokter Antekirrt voort, „strekte zich de onmetelijke zee tot bij het Italiaansche kustland uit. Hoe uitstekend zwemmer ik ook was, zoo kon ik toch de hoop niet koesteren, dien plas te kunnen oversteken, wanneer ik aan eigen kracht overgelaten bleef. Zoodat kwam mij de Voorzienigheid niet te hulp, hetzij door mij het een of ander wrakhout te laten ontmoeten, hetzij dat ik door een vreemd schip opgenomen werd, dan zou het mijn lot zijn, om ellendig te verdrinken. Dat kwam mij ontwijfelbaar voor. Maar wanneer men het offer van zijn leven gebracht heeft, wanneer men van alles afstand gedaan heeft en iedere nevenoverweging verdwijnt, dan is men wel sterk om dat leven te verdedigen, wanneer die verdediging althans mogelijk is.
„Eerst had ik herhaaldelijk onder de watervlakte gedoken, om aan de laatste geweerschoten, die nog knalden, te ontkomen. Later, toen ik zeker was, dat ik niet meer bemerkt kon worden, en ik berekenen kon, buiten het bereik van het geweervuur te zijn, kwam ik weer boven en zwom regelrecht naar volle zee toe. Mijne kleederen hinderden mij weinig, daar zij van zeer lichte stof vervaardigd waren en zeer nauw om het lichaam sloten.
„Het moest toen zoo omstreeks half tien in den avond zijn. Volgens mijne gissing zwom ik gedurende meer dan een uur in de tegenovergestelde richting van de kust en verwijderde mij zoodoende van de havenplaats Rovigno, welker laatste lichten ik langzamerhand zag verdwijnen.
„Waar zwom ik zoo heen? Ik wist het niet.
„En welke hoop bezielde mij? Helaas! Piet, ik had er geene; maar ik voelde in mijn binnenste eene kracht tot het bieden van weerstand, een taaie vasthoudendheid, eene bovenmenschelijke wilskracht, die mij steunde, en mij in staat stelde vol te houden. Het was mijn leven niet meer alleen, wat ik wilde redden; neen, ik wilde behouden blijven, om mijn werk, mijn levensdoel na tejagen, te voltooien. En waarlijk, wanneer ik in dit benarde oogenblik plotseling[91]een visschersvaartuig ontmoet had, zou ik ondergedoken hebben, om het te mijden,wanthoeveel verraders kon ik nog op dat Oostenrijksche kustland aantreffen, die gereed zouden zijn mij over te leveren voor een sommetje gelds? Hoeveel Carpena’s zou ik er ontmoeten, tegenover slechts één eerlijken Andreas Ferrato.
„Dat gebeurde zelfs nog vóór dat het eerste uur voorbij was. Een scheepje verscheen in het schemerdonker bijna eensklaps voor mijne oogen. Het kwam uit volle zee en zeilde scherp bij den wind om de kust te bereiken. Daar ik reeds vermoeid begon te geraken, had ik mij op den rug gewenteld, om eenigermate te rusten. Maar alsinstinctmatigkeerde ik mij om, gereed tot duiken. Een vischschuit, die naar een der hoofdplaatsen van Istrië zeilde, kon niet anders dan mij verdacht voorkomen! Ik mocht niets meer in de waagschaal stellen! Ik mocht dat gevaar niet loopen!
„Ik werd bijna oogenblikkelijk dienaangaande ingelicht.
„Een der matrozen riep in het Dalmatische taal-eigen zijnen makker toe, om over den anderen boeg te wenden. Ik dook dadelijk en het vaartuig ging boven mijn hoofd over stag, voordat de opvarenden tijd hadden gehad mij te ontwaren.
„Toen ik het stikken nabij was, kwam ik weer boven in de vrije lucht om adem tescheppen, en vervolgde ik mijn zwemtocht in westelijke richting, nadat ik mij overtuigd had, dat het scheepje in het nachtelijk duister verdwenen was.
„De bries verzwakte bij het intreden van den nacht, en de deininggolven vielen met den wind. Ik voelde mij nog slechts opgeheven door die lange grondzeeën, die mij al verder en verder van het land meesleepten.
„Onder die omstandigheden, dat wil zeggen, terwijl ik beurtelings zwom enrustte, verwijderde ik mij nog gedurende een uur van de kust. Ik zag niets anders dan het te bereiken doel en had geene gedachte voor den af te leggen weg. Het gold vijftig mijlen om de Adriatische zee over te steken! Ja, die wilde ik overzwemmen! Ja, ik zou ze oversteken! Mijn besluit stond onwrikbaar vast!
„O, Piet men moet zulke beproevingen doorstaan hebben, om tot de ervaring te geraken, wat een mensch kan, waartoe hij bekwaam is, welke uitkomsten van de zedelijke krachten verkregen kunnen worden, wanneer zij met de lichamelijke krachten hand aan hand gaan en tot één doel samenwerken! O, dan is het menschelijke werktuig onovertroffen!
„Zoo ondersteunde ik mij ook gedurende het tweede uur.
„Dat gedeelte van de Adriatische zee was geheel eenzaam, men kon zeggen onbevolkt. De laatste watervogels hadden haar verlaten om hunne holen aan de oevers te gaan opzoeken. Geen enkele zweefde meer over mijn hoofd heen, behalve eenige meeuwtjes, die[92]scherpe kreten uitstieten, terwijl zij paarsgewijze over de oppervlakte van de blauwe zee scheerden en soms daarop neerstreken, om zich op de loome golfjes te laten wiegelen.
„Hoewel ik niets van de vermoeidheid wilde gevoelen, begonnen mijne armen en beenen zwaar te worden. Reeds strekten zich mijne vingeren krampachtig van elkander uit, en het kostte mij moeite om de handen gesloten te houden, hetgeen bij het zwemmen zoo noodzakelijk is. Mijn hoofd woog loodzwaar, alsof een kogel aan mijne schouders bevestigd ware geweest. Ik begon moeielijkheid te ondervinden om het boven water te houden.
„Eene soort van hallucinatie, van zinsbegoocheling overviel mij toen. De geregelde gang der denkbeelden begon mij te begeven, en tot eene gezette opeenvolging van gedachten kon ik mijn brein niet meer dwingen. Vreemde samenkoppelingen van meeningen vormden zich in mijne geschokte hersenen. Ik voelde dat ik niet anders dan zeer onvolmaakt een geluid zou kunnen hooren, het welk in mijne nabijheid zou waargenomen kunnen worden, of een licht zou kunnen zien, dat in mijne nabijheid ontstoken zoude worden.
„En het was juist zoo iets,dat mij wedervoer.
„Het kon ongeveer middernacht geweest zijn, toen een dof en verwijderd gerommel zich in oostelijke richting liet vernemen. Het was voor mij onmogelijk den aard van dat gerommel te onderscheiden.
„Een lichtstraal drong door mijne oogleden heen, die zich mijns ondanks gesloten hadden. Ik poogde mijn hoofd op te beuren en slaagde daarin slechts door mij half te laten onderdompelen. Toen keek ik.…
„Ik vertel u al die bijzonderheden, Piet, opdat gij ze weten zoudt en opdat gij door haar mij in mijn karakter zoudt leeren kennen.”
„Van uw karakter is mij niets onbekend, dokter. Niets!” antwoordde de jongman.
„Niets?” vroeg dokter Antekirrt.
„Denkt gij dan, dat mijne moeder mij niet op de hoogte gebracht heeft, wie en wat graaf Mathias Sandorf was?”
„Dat zij Mathias Sandorf gekend heeft, dat kan, Piet.…”
„Zeker, heeft zij dien gekend!” fluisterde de jongman schier ademloos van spanning.
„Maar dat zij dokter Antekirrt zoude kennen? Neen, dat niet.Dat kan niet, niet waar?”
Piet Bathory luisterde ten hoogste ingespannen.
„En het is juist die man, dien ge moet leeren kennen,” ging de dokter voort. „Luister dus goed.”
De jeugdige ingenieur knikte. Hij was geheel gehoor. Zijn geheel uiterlijk kenmerkte dat.
„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).
„Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten.” (Bladz. 96).
„Het gerommel, dat ik gehoord had, werd veroorzaakt door een[94]groot schip, dat van den oostkant kwam en naar de Italiaansche kust stevende. De lichtstraal, die tot mij doorgedrongen was, kwam van zijn wit licht, hetwelk in den fokkemast bengelde. Dat was het onbedriegbare teeken, dat het een stoomvaartuig was. Wat zijne positie-lichten betrof, die onderscheidde ik weldra daarna, het roode aan bakboord en het groene aan stuurboord. En daar ik die twee seinlichten tegelijkertijd ontwaarde, wist ik dat het vaartuig recht op mij afkwam.
„Het daaropvolgende oogenblik zou voor mij beslissend zijn. Inderdaad, alle kansen bestonden, dat dit stoomschip een Oostenrijks vaartuig was, daar het van den kant van Triëst kwam. Een toevlucht daar aan boord te verzoeken, zou gelijkstaan met mij zelven weer in de handen der maréchaussées van Rovigno te stellen! Ik was vast besloten zoo iets niet te doen, hoewel ik gereed was, alles te beproeven om het eerste het beste redmiddel aan te grijpen.
„Dat stoomschip was een snelvarend vaartuig. Het vergrootte al meer en meer voor mijn oog, terwijl het naderde. Het vergrootte buitengewoon.
„Eindelijk kon ik de zee voor den boeg in eene witte schuimkuif zien omkrullen. Binnen twee minuten zou die boeg de plaats snijden, waar ik mij bevond, waar ik bewegingloos lag te drijven.
„Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat het een Oostenrijksche stoomer was. Maar het was toch niet onmogelijk, dat zijne bestemming Brindisi of Otranto was. En waren die havenplaatsen zijn einddoel niet, dan kon hij haar toch aandoen. Dat was zelfs zeer waarschijnlijk.
„Als dat zoo was, dan moest hij er binnen de vier en twintig uren aankomen.
„Mijn besluit was dan ook ras genomen: Ik zou blijven drijven en wachten. Dat was het best, wat mij te doen overbleef.
„Ik was er zeker van, dat ik te midden van de dikke duisternis niet opgemerkt zou worden. Ik zorgde, dat ik in de richting bleef, welke die groote massa volgde, welker vaart toen vrij gematigd was en die ternauwernood door de lichte deining der kalme zee geschommeld werd.
„Eindelijk was de stoomer in mijne onmiddellijke nabijheid. Zijn boeg beheerschte de zee twintig voet boven mij. Ik werd in de waterkrul, die hij voor zich uitstiet, met geweld opgenomen; maar ik ontving geen schok. De lange romp gleed langs mij heen en ik stiet mij krachtig met beide handen af. Dat duurde hoogstens een paar seconden. Toen ik daarna de vormen van het achterschip zag verschijnen, klemde ik mij, op gevaar af, door de schroefbladen te pletter geslagen te worden, aan het roer vast.[95]
„Gelukkig was het stoomschip zeer zwaar geladen, zoodat de schroef zeer diep wentelde en de oppervlakte van het water niet bereikte. Want ware dat het geval geweest, dan zou ik aan de draaikolken, die daar gevormd werden, niet hebben kunnen ontkomen; ook zou ik het steunpunt, waaraan ik mij vasthield, niet omklemd hebben kunnen houden, en had ik moeten loslaten.
„Maar, evenals bij alle stoomvaartuigen, hingen twee ijzeren kettingen aan het achterschip en sloten aan de roerwanden aan. Ik greep een van die kettingen en tilde mij tot de ijzeren kram omhoog waarin zij vastgeklonken waren. Ik kon nu boven water zitten en richtte mij zoo goed en zoo kwaad bij den achtersteven in, als maar mogelijk was.
„Betrekkelijk was ik hier in veiligheid!
„Drie uren later brak de dag eindelijk aan. Ik berekende toen, dat ik nog gedurende meer dan vier en twintig uren in dien toestand zou moeten doorbrengen, namelijk wanneer de stoomboot Brindisi of Otranto zou aandoen. Waar ik het meeste door zou lijden, dat was door dorst en honger.
„Maar het voornaamste was, dat ik niet van het dek van de boot ontwaard werd; ook niet van uit de sloepen, die rechts en links van het achterschip in dedavitshingen. Het is waar, dat ik door eenige tegenliggende schepen kon gezien worden en dat die seinen konden wisselen; maar gelukkig ontmoetten wij gedurende dien dag zeer weinig schepen, en die wij ontmoetten, voeren ons op zoo’n grooten afstand voorbij, dat niemandbespeurenkon, dat een man zich aan de roerkettingen van het stoomschip vastgeklemd hield.
„Eene brandend heete zon veroorloofde mij weldra mijne kleederen, die ik daartoe uittrok, te drogen.
„De drie honderd gulden van Andreas Ferrato bevonden zich steeds in mijn gordel. Zij moesten mij onderhoud en veiligheid verschaffen, zoodra ik aan wal zoude zijn. Daar, daar zou ik niets meer te vreezen hebben.
„Op vreemden bodem waren voor graaf Mathias Sandorf, de Oostenrijksche agenten en spionnen geen schrikbeelden meer. Daar zou ik het hoofd rechtop kunnen voeren. Daar zou ik niet meer als een rampzalige ellendeling moeten rondsluipen om het veege leven te redden.
„Maar het was mij niet genoeg voor het oogenblik, dat ik dat leven gered had; ik wilde ook dat men aan mijnen dood geloofde.…
„Niemand mocht vernemen, dat de laatste vluchteling uit den vestingtoren van Pisino, dat graaf Mathias Sandorf op Italiaanschen bodem voet aan wal gezet had. Ik had daar gegronde redenen voor, zooals gij weldra vernemen zult.[96]
„Wat ik zoo innig verlangde, wat ik zoo innig hoopte, gebeurde gelukkig ook.
„De dag ging zonder buitengewone voorvallen voorbij. De nacht viel eindelijk in. Ongeveer tegen tien uren in den avond flikkerde een licht met regelmatige tusschenpoozen in het zuidwesten. Ik herkende dat licht, want ik was meer in deze streken geweest. Dat was de vuurtoren van Brindisi.
„Twee uren later was de stoomboot in het door boeien afgebakende vaarwater, hetwelk naar de haven geleidt.
„Maar toen, vóórdat de loods aan boord gekomen was, en wij den wal op ongeveertweemijlen genaderd waren, bond ik mijn kleederen in een pakje, dat ik op mijn hoofd en aan mijn hals bevestigde, liet de kettingen van het roer los en gleed zonder gerucht te maken in het water, hoewel het stoomschip nog in volle beweging was.
„Het hevige geplons van de schroef bedwelmde mij een oogenblik, ik werd ook in de kolken, welke zij met woest geweld vormde, voor een poos meêgesleurd; maar eene minuut later reeds—want ik repte mij en zwom krachtig voort—had ik de stoomboot uit het gezicht verloren en hoorde ik nog maar het oorverscheurend gegil harer stoomfluit, waarmede zij hare aankomst in de havenplaats aankondigde.
„Een half uur later zette ik bij zeer kalme zee op een vlak en dor strand, waarop geen branding stond, voet aan wal, gelukkig zonder dat iemand mij gezien had. Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten, kleedde mij daar aan en zocht, terwijl de uitputting door de uitgestanevermoeienissende bovenhand boven den honger behield, eene rustplaats te midden van droog zeewier, waarmede de tusschenruimten der rotsen gevuld waren, en sliep weldra op dat bed in.
„Bij het aanbreken van den dag wandelde ik Brindisi binnen en zocht daar een der meest bescheidene hôtels van de stad op, alwaar ik besloot de verdere gebeurtenissen af te wachten, alvorens het plan van geheel mijn toekomstig leven vast te stellen. Ik was nu in veilige haven en had derhalve volstrekt geen haast.
„Twee dagen later, Piet, vernam ik door middel van de dagbladen, welke rampzalige ontknooping de Triëster samenzwering gehad had. Ik las dat nasporingen in het werk gesteld waren, om het lijk van graaf Mathias Sandorf te vinden; maar dat die te vergeefs geweest waren. In echten reporterstijl werden daar vele bijzonderheden medegedeeld, die mij deden glimlachen.
Brindisi. (Bladz. 98).Brindisi. (Bladz. 98).
Brindisi. (Bladz. 98).
„Maar ik werd voor dood gehouden, dat was het voornaamste, even zoo goed dood, alsof ik met mijn makker, graaf Ladislas Zathmar en uwen vader, Stephanus Bathory, onder de doodelijke[98]schoten op het binnenplein van den vestingtoren te Pisino gevallen was!
„Ik, dood!.… Dood!”
„Waarachtig niet, Piet.… en velen zullen wel ondervinden, dat ik nog levend ben!”
Piet Bathory had met alle gretigheid, met de meeste opmerkzaamheid naar dat verhaal van den dokter geluisterd. Hij was onder den indruk daarvan, alsof hem dat alles, wat gebeurd was, in de diepte van een graf medegedeeld was geworden.
Ja, het was graaf Mathias Sandorf die zoo tot hem sprak. Daaraan viel niet te twijfelen.
Tegenover Piet, tegenover den zoon van Stephanus Bathory, tegenover dat levende evenbeeld van zijn vader, had graaf Mathias Sandorf zijne gewone koelheid langzamerhand verloren.
Hij had thans den jongen man geheel en al toegang tot zijne ziel verleend en vertoonde haar in zijne tegenwoordigheid, zooals zij werkelijk was, na ze zoo lange jaren voor anderen gesluierd gehouden te hebben!
Maar hij had nog niets gerept omtrent datgene, wat Piet toch zoo verlangend was te vernemen, niets omtrent hetgeen de armejongelingvan zijne medewerking verwachtte!
Wat de dokter zoo even verhaald had van zijn stoutmoedigen overtocht over de Adriatische zee, was tot in de geringste bijzonderheden waar. Zoo was hij heelhuids te Brindisi aangekomen, terwijl graaf Mathias Sandorf volgens ieders opvatting dood was en dood bleef.
Maar het kwam er nu op aan, om Brindisi zonder dralen te verlaten. Die haven daar, aan het uiteinde van Italië als het ware, kon slechts eene pleisterplaats genoemd worden. De reizigers komen daar, hetzij om zich in te schepen naar de Levant, of naar Indië; hetzij om, vandaar komende, te ontschepen en verder te reizen naar Europa. Het plaatsje kan in gewone omstandigheden verlaten genoemd worden, behalve gedurende een of twee dagen, wanneer de pakketbooten, voornamelijk die van de „Peninsular and Oriental Company” er aankomen. En die verlatenheid zou voldoende zijn, om den vluchteling te doen herkennen, en hoewel het waar was, zooals hierboven reeds verhaald werd, dat hij niet meer voor zijn leven te vreezen had, zoo was het hem toch boven alles waard, dat hij dood gewaand werd.
Dit alles bedacht graaf Mathias Sandorf daags na zijne aankomst te Brindisi, terwijl hij aan den voet van het terras wandelde, die door de Cleopatra-zuil beheerscht werd, juist ter plaatse waar de Apische weg begint.
Het plan van zijn volgend leven was reeds vastgesteld. Hij zou naar het Oosten gaan, om daar een vermogen te garen en met dat[99]vermogen eene groote macht te verwerven. Maar het kwam niet raadzaam voor, zich op een der pakketbooten in te schepen, die de geregelde vaart langs Klein-Azië verrichten en die gewoonlijk opgepropt waren met passagiers van de meest uiteenloopende nationaliteiten. Hij moest een ander en meer geheim vervoermiddel opsporen, en dat kon hij te Brindisi niet vinden. Hij vertrok dan ook denzelfden avond per spoortrein naar Otranto.
Binnen anderhalf uur tijds had hij die stad, welke bijna aan het uiteinde van den hiel van de Italiaansche laars bij het kanaal, hetwelk den smallen toegang tot de Adriatische zee vormt, gelegen is, bereikt. Daar in die verlaten havenplaats kon graaf Mathias Sandorf prijs bepalen voor den overtocht met den schipper van een klein vaartuig, dat zeilree naar Smyrna lag, en eene lading Albaneesche paarden moest vervoeren, die te Otranto geen koopers gevonden hadden.
Den volgenden morgen stak het vaartuig in zee en zag de dokter den vuurtoren van Punta di Luca, aan het uiterste puntje van Italië gelegen, aan den gezichteinderverdwijnen, terwijl aan den tegenovergestelden kant de Acroceraunische bergen in de nevelen weg vloden. Weinige dagen later werd, na een overtocht zonder wederwaardigheden, kaap Matapan, de zuidelijkste punt van Griekenland, voorbij gestevend en waren de reizigers spoedig daarna te Smyrna op hunne bestemmingsplaats aangekomen.
Dokter Antekirrt had Piet dit gedeelte van zijn verhaal zoo beknopt en zoo vluchtig mogelijk medegedeeld, alsook hoe hij door middel der dagbladen den plotselingen dood van zijn dochtertje vernam, waardoor hij nu eenzaam en verlaten in de wereld achterbleef!
„Ik was dan eindelijk,” zoo ging hij met zijn verhaal voort, „op dien bodem van Klein-Azië aangekomen, waar ik zoovele jaren geheel onbekend zoude leven. Ik zou aan de studiën in de geneeskunde, in de scheikunde, in de natuurlijke wetenschappen, aan welker bron ik mij in de scholen en in de universiteiten in Hongarije gelaafd had, aan die studiën, die door uwen vader met zooveel toewijding en zoo roemrijk onderwezen werden, thans vragen om mijn bestaan te waarborgen.
„Ik was gelukkig genoeg om te slagen en dat wel veel spoediger dan ik aanvankelijk had durven hopen. Ik vestigde mij eerst te Smyrna, waar ik mij in den tijd van zeven of acht jaren een groote beroemdheid als geneesheer verwierf. Eenige onverwachte genezingen brachten mij in aanraking met de rijkste personen uit die streken, waar de geneeskunde eigenlijk nog in het tijdperk der kindsheid verkeert. Ik besloot toen die stad te verlaten. Ik wilde, evenals de professoren van weleer, de menschen genezen, terwijl ik tevens de kunst van genezen zou onderwijzen. Ik wilde terzelfder tijd de onbekende geneeswijze der taleb’s van Klein-Azië en der pandit’s[100]van Indië bestudeeren. Ik doorreisde al die provinciën, en vertoefde op de eene plaats eenige weken, elders eenige maanden, terwijl mijne hulp ingeroepen werd te Karahissar, te Bender, Adana, Haleb, Tripoli en Damas, waarbij ik steeds voorafgegaan werd door eene vermaardheid, die onophoudelijk aangroeide en waardoor mijn vermogen met die vermaardheid vermeerderde.
„Maar, dat was voor mij niet genoeg, Piet. Neen, waarachtig niet! Dat gevoelde ik wel!
„Ik moest een onbegrensde macht erlangen, eene macht zooals slechts een der rijkste rajah’s van Indië zou ten deel gevallen zijn, wanneer de wetenschap zich aan zijne onmetelijke rijkdommen gepaard zou hebben.
„De gelegenheid daartoe bood zich eindelijk aan! Ik zou verkrijgen, wat ik wenschte.
„Te Homs, in Noordelijk Syrië, bevond zich een man, die aan eene langzame ziekte wegkwijnende was. Geen enkel geneesheer had de geaardheid van zijn lijden kunnen onderscheiden. Daaruit werd natuurlijk de onmogelijkheid geboren, om eene doelmatige behandeling te kunnen voorschrijven en volgen. Die man, Taz-Rhât geheeten, had indertijd hooge betrekkingen in het Ottomanische rijk bekleed. Hij was toen nog slechts vijf-en-veertig jaar oud en betreurde te meer het leven, dewijl een onmetelijk fortuin hem de middelen aan de hand deed, zich alle denkbare genietingen te verschaffen en alle genoegens na te jagen.
„Taz-Rhât had over mij hooren spreken; want mijne beroemdheid was op dat tijdstip reeds groot. Hij liet mij verzoeken hem te Homs te komen zien en ik voldeed volgaarne aan die uitnoodiging, die mij geen windeieren zou leggen.
„Dokter,” zei hij, „mijn halve vermogen hoort u toe, wanneer gij mij het leven zult redden!”
„Behoud dat halve vermogen,” antwoordde ik. „Ik zal u behandelen en verplegen en, zoo God het wil, zal ik u genezen.”
„Ik bestudeerde nauwkeurig dien zieke, die door alle geneesheeren opgegeven was. Allen hadden uitspraak gedaan, dat hij nog maar weinige maanden te leven had. Maar ik was gelukkig genoeg eene stellige diagnose te kunnen maken. Ik bleef gedurende drie weken bij Taz-Rhât, om de uitwerking gade te slaan van de behandeling, die ik op hem toepaste.
„Om kort te gaan, zijne genezing was geslaagd. Hij herstelde geheel en al, en kon weer in de maatschappij verkeeren.
„Toen hij mij verlangde te betalen, wilde ik niet meer ontvangen, dan hetgeen mij voorkwam, mij redelijkerwijze toe te komen. Daarna verliet ik Homs en Syrië.
„Drie jaren later verloor Taz-Rhât door een ongeluk bij eene[101]jachtpartij het leven. Hij liet geene bloedverwanten, geene onmiddellijke nakomelingen na, en bij laatste wilsbeschikking had hij mij tot universeel erfgenaam gemaakt van al zijne goederen, welker waarde op niet minder dan vijftig millioen gulden geschat kon worden. Dat was een aardige som, niet waar, Piet?
„Het was toen ongeveer dertien jaren geleden, dat de vluchteling uit den kerkertoren van Pisino eene schuilplaats had komen zoeken in die verwijderde provinciën van Klein-Azië. De naam van dokter Antekirrt was toen al eenigermate legendarisch geworden en was ook in geheel Europa beroemd. Ik had dus het resultaat bereikt, wat ik voorshands beoogd had. Maar mij bleef nog over het groote doel na te jagen, hetwelk de eenige beweegreden van mijn geheele bestaan was.
„Ik besloot toen naar de Europeesche gewesten terug te keeren, of mij ten minste op het uiterste uiteinde van dat werelddeel op het eene of andere punt van de Middellandsche zee te vestigen. Ik bezocht de Afrikaansche kuststreken en kocht—tusschen twee haakjes gezegd: zeer duur—een belangrijk vruchtbaar en rijk eiland, dat feitelijk in de behoeften van eene kleine volksplanting kan voorzien. Dat eiland noemde ik Antekirrta. En het is hier, Piet, dat ik souverein, volstrekt baas, koning zonder onderdanen ben, maar een personeel bezit, dat vol toewijding voor mij is, dat mij met lichaam en ziel toegedaan is. Hier heb ik verdedigingsmiddelen, die volmaakt en voor mijne tegenstanders verschrikkelijk zullen wezen, wanneer zij voltooid zullen zijn. Hier heb ik gemeenschapsmiddelen, die mij met de verschillende punten van den omtrek der Middellandsche zee in verbinding brengen. Hier heb ik eene vloot van eene zoodanige beweegkracht en snelheid, dat ik zonder overdrijving kan zeggen, dat ik die zee tot mijn domein, tot mijn onderdaan, tot mijn nederige slaaf gemaakt heb.
„Waar is het eiland Antekirrta gelegen?” vroeg Piet Bathory uiterst nieuwsgierig.
„In de nabijheid van de groote Syrtische zee, welker beruchtheid sedert de vroegste tijdrekening afschuwelijk is geweest; aan het uiteinde van die zee, die door de heerschende noordenwinden zoo gevaarlijk wordt gemaakt, zelfs voor vaartuigen van nieuweren scheepsbouw. Het is gelegen achter in den zeeboezem van Sidra, die de Afrikaansche kust insnijdt tusschen het Tripolitaansche rijk en de Cyrenaïsche regentschappen.”
Daar inderdaad is het eiland Antekirrta ten noorden van de Syrtische eilandengroep te vinden.
Vele jaren vroeger had de dokter de kusten vanCyrenaïcadoorreisd, had Souza, de oude havenplaats van dat land bezocht, alsook het rijk Barcah, zoowel als de kuststeden, die later het oude Ptolomaïs[102]Bereniec, Adrianopolis, in één woord dat oude Pentapolis, hetgeen vijf steden beteekent, uitmaakten, en vroeger nu eens Grieksch dan Macedonisch, later Romeinsch, Perzisch, Saraceensch enz. waren, evenwel nu Arabisch zijn en onder het Pachalik van Tripoli ressorteeren. De wisselvalligheden van zijne reis, want hij ging zoowat overal en waar men zijne hulp noodig had en inriep, voerden hem tot te midden van die talrijke eilandengroepen, waarmede de Lybische kust bezaaid is, te weten Paros en Anthirodos, de Plinthinische tweelingen, Enesipta, de Tyndarenische rotsen, Pyrgos, Platea, de Hyphlische en de Pontische eilanden, de Witte en de Syrtische eilanden.
Daar in die baai van Sidara, op dertig mijlen ten zuidwesten van het vilayet van Ben Chazi, het meest nabijgelegen punt der Afrikaansche kust, trok dat eiland Antekirrta meer in het bijzonder zijne aandacht.
Men noemde het zoo, omdat het voor de andere Syrtische of Kryrtische eilanden gelegen is.
Van dien dag af koesterde de dokter het voornemen, dat eiland den een of anderen dag te koopen, en als eene voorloopige in bezitneming, nam hij den naam van Antekirrt aan, die weldra wereldberoemd en overal in alle streken van het oude halfrond vernomen werd.
Twee wichtige redenen hadden hem na eenig bedenken tot die keuze geleid. Ziehier:
Vooreerst was Antekirrta uitgestrekt genoeg—het had een omtrek van achttien mijlen—om het personeel, dat hij noodig zou heb ben en dat hij bij elkander hoopte te brengen, te onderhouden. Het was verheven genoeg om tegen watervloeden beveiligd te zijn, daar een kegelberg, die achthonderd voeten hoog was, het geheele eiland beheerschte en veroorloofde een wakend oog op de baai tot aan de Cyrenaïsche kust te houden. Dan was het voldoende vruchtbaar, daar het door vele riviertjes besproeid en een voldoende dikke laag teelaarde bezat. Het leverde verschillende producten op, genoegzaam om in het onderhoud van ettelijke duizenden inwoners te voorzien. Vervolgens was het eiland in die zee gelegen, die schrikwekkend was door hare stormen, welke reeds in voorhistorische tijden noodlottig voor de Argonauten waren, en waarvan Horatius, Virgilius, Propertius, Seneca, Valerius, Flaccus, Lucanus en nog andere schrijvers uit de oudheid, die meer aardrijkskundigen dan dichters waren, als: Polybius, Salustius, Strabon, Mela, Plinius en Procopus, de schrikkelijke gevaren schetsen in hunne gezangen, gedichten of beschrijvingen van die Syrtische eilanden, welker naam de „wegslepende” beteekende.
Zoo was inderdaad het domein, hetwelk dokter Antekirrt in allen deele beviel. Hij kocht het dan ook in vollen eigendom voor eene[103]aanmerkelijke som, zonder eenige feodale of andere verplichting van welken aard ook te aanvaarden. De acte van afstand werd zonder eenig bezwaar door den Sultan geratificeerd, waardoor de nieuwe bezitter van Antekirrta souverein werd, meer souverein dan menig constitutioneel vorstje in Europa.
De dokter had op het tijdstip van dit verhaal reeds sedert drie jaren dat eiland betrokken. Ongeveer drie honderd Arabische of Europeesche familiën waren door zijne aanbiedingen en door de verzekering van een gelukkig leven te zullen leiden, gelokt geworden. Deze vormden eene kleine kolonie, die ongeveer twee duizend zielen telde. Dat waren geen slaven, zelfs geen onderdanen, maar lotgenooten, die voor hun opperhoofd vol toewijding waren, en zoowel aan hem als aan het plekje gronds, hetwelk voor hen als een nieuw vaderland geworden was, uitermate gehecht waren.
Langzamerhand werd er eene geregelde administratie ingevoerd, en eene militie gevormd, om de verdediging van het eiland op zich te nemen. Er werden verder onder de notabelen magistraten gekozen, die maar zelden geroepen werden om hunne autoriteit te doen gelden.
Daarna werden door den dokter kundige mannen naar de voornaamste en beste scheepstimmerwerven van Engeland, Frankrijk, Amerika of Nederland gezonden, alwaar volgens zijne eigene inzichten eene bewonderenswaardige vloot gebouwd werd, bestaande uit stoombooten, stoomjachten, schooners, goeletten of „Electrieks”, die bestemd waren om snelle tochten in het bekken der Middellandsche zee uit te voeren.
Terzelfder tijd werden versterkingen op het eiland Antekirrta opgeworpen; maar die waren nog niet voltooid, hoewel de dokter de uitvoering er van, zooveel hem maar mogelijk was, verhaastte. Hij meende daartoe ernstige redenen te hebben.
Had dokter Antekirrt dan eenigen vijand in die streken van de baai Sidra te vreezen? Ja zeker. Eene angstverwekkende sekte, eigenlijk eene vereeniging van zeeschuimers, had niet zonder een gevoel van haat en nijd, een vreemdeling dievolksplantingin de nabijheid der Lybische kustlanden zien stichten.
Die sekte was de Muselmansche Broederschap van Sidi Mohamed Benn Ali-Es-Senoûsi. In dat jaar (1300 der Hegyra) was zij dreigender dan ooit en reeds telde hare aardrijkskundige uitbreiding meer dan drie millioen volgelingen. Hare zaouiyas, hare villayets, die als middelpunten van arbeidzaamheid verspreid, in Egypte, in het Ottomanische rijk, zoowel in Europa als in Azië, in Algerië, in het land van Baele en Touboe, in oostelijk Nigritië, in Tunis, in Marokko, in de onafhankelijke landen van de Sahara, tot aan de grenzen van westelijk Nigritië toe beschouwd konden worden,[104]bestonden in veel grooter aantal in Tripolis en in de Cyrenaïsche streken. Van daar ontstond een voortdurend gevaar voor de Europeesche etablissementen in Noord Afrika, voor dat bewonderenswaardige Algerië, hetwelk bestemd is om het rijkste land der aarde te worden, ook voor het eiland Antekirrta, zooals wel te denken valt.
Alle middelen bijeen te brengen tot beveiliging en verdediging, was dus niet alleen als voorzichtigheidsmaatregel aan te bevelen, maar ook den dokter door de onverbiddelijke noodzakelijkheid geboden.
Ziedaar, wat Piet Bathory gedurende dat onderhoud, hetwelk hem nog omtrent zoo onnoemelijk veel anders zou inlichten, wat hijzelfsniet gissen kon, vernam.
Het was dus naar het eiland Antekirrta, waar hij heen gevoerd was. Dat eiland was in het binnenste der Syrtische zee gelegen, als het ware in een der meest verborgen van de oude wereld op eenige honderd mijlen van Ragusa verwijderd, waar hij twee wezens achtergelaten had, die hij nimmer vergat en welker herinnering hem overal vervolgde, waar hij ook ging, namelijk: zijne moeder en Sava Toronthal.
De dokter voltooide vervolgens zijne mededeelingen, door de bijzonderheden betreffende het tweede gedeelte van zijn bestaan te verhalen, Piet Bathory luisterde natuurlijk aandachtig toe.
Terwijl dokter Antekirrt aldus zijne maatregelen trof, om de veiligheid van zijn eiland te verzekeren; terwijl hij zich onledig hield met de rijkdommen van zijn bodem te voorschijn te doen treden, om hem langzamerhand voor de stoffelijke en zedelijke behoefte van zijne kleine volksplanting dienstbaar te doen zijn, werd hij voortdurend op de hoogte gehouden omtrent hetgeen zijne vroegere vrienden, welker spoor hij nimmer uit het oog verloren had, wedervoer. Daaronder behoorden in de eerste plaats mevrouw Bathory, haar zoon en Borik, die Triëst verlaten hadden, om zich te Ragusa te vestigen.
Zoo vernam Piet Bathory, waarom de goeletSavarenate Gravosa aangekomen was, onder omstandigheden die zoo zeer de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt hadden; waarom de dokter toen een bezoek aan mevrouw Bathory gebracht had, zonder dat haar zoon ooit het hoe en waarom had kunnen te weten komen dat het geld, hetwelk ter harer beschikking gesteld was, door de wakkere vrouw geweigerd werd; ook vernam hij hoe de dokter gelukkig bijtijds gekomen was om Piet aan het graf op het kerkhof te Ragusa te ontrukken, waarin hij trouwens slechts in een magnetischen slaap gedompeld lag.
„Gij mijn zoon,” zoovervolgdedokter Antekirrt, „ja, gij, die het hoofd verloren hebbende, voor een zelfmoord niet teruggedeinsd zijt!.…”[105]
Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).
Daalde langs den grooten trap af. (Bladz. 116).
[106]
Op dat woord: zelfmoord richtte Piet Bathory zich met een gevoel van verontwaardigingovereind. Hij was waarlijk buiten zich zelven van toorn. Zijne oogen schoten vuurstralen.
„Een zelfmoord!” riep hij uit, terwijl zijn gelaat zich smartelijk verwrong. „Een zelfmoord!”
„Ja, Piet, een zelfmoord!” hernam dokter Antekirrt met volle overtuiging. „Waarom ziet gij zoo ontsteld?”
„Hebt gij dan kunnen gelooven, dat.…”
De jongeling kon niet voortgaan.
„Wat?.… Waarom aarzelt gij?” vroeg dokter Antekirrt met aandrang. „Spreek dan toch!”
„Dat ik mij zelven zoude verwond hebben? Zeg? Hebt gij dat waarlijk geloofd?”
„Piet.… in een oogenblik van wanhoop!.…”
„Wat zegt ge?”
„In een oogenblik van wanhoop, Piet, dan is alles mogelijk!”
„Van wanhoop?.… Ja, wanhopig was ik.… Ik meende dat ik door iedereen verlaten was.…”
„Door iedereen, Piet?”
„Ja, door iedereen, zelfs door u!”
„Door mij!” kreet dokter Antekirrtontzet. „Door mij?.…”
„Ja, door u, door den vriend mijns vaders; verlaten, nadat gij mij beloften gedaan hadt, die ik niet gevraagd had, die ik niet had durven hopen! Verlaten door een ieder!”
„Piet! Piet!”
„Ja, wanhopig was ik, en waarlijk ik ben het nog!”
„Nog?.… O noodlot!”
„Ja nog!.… Maar God heeft den wanhopige niet geboden om te sterven!.… Hij heeft hem integendeel geboden om te leven.… ten einde zich te wreken!”
„Wreken?”
„Ja, wreken!” zei Piet Bathory woest en hartstochtelijk, terwijl hij den dokter somber aankeek.
„Neen, Piet! Wreken niet.… straffen wel,” hernam de dokter op zachtaardigen toon.
De jongeling glimlachte met zonderlingen blik. Hij scheen het onderscheid daarvan niet te vatten.
„Maar Piet, als gij het dan niet gedaan hebt, wie heeft u dan toch gewond?” vroeg de dokter.
„Een man, dien ik haat!” antwoordde de jeugdige ingenieur, in de grootste opgewondenheid.
„Dien gij haat?”
„Een man, dien ik dien avond bij toeval, op eeneenzamenweg ontmoette in de nabijheid van den walmuur van Ragusa!”[107]
„Maar wie dan toch? Wie dan toch?”
„Misschien heeft die man gedacht,”ging Piet Bathory opgewonden voort, „dat ik mij op hem wilde werpen, dat ik hem wilde uitdagen!.… Toen is hij mij voorgekomen en heeft toegestooten!…”
„Maar spreek, wie dan toch? Wie is die man?” herhaalde dokter Antekirrt met aandrang.
„Wie die man is? Wel, dat is Sarcany! Dat is.…”
Piet kon niet eindigen. Bij de gedachte aan den ellendeling, dien hij thans moest gelooven de gelukkige echtgenoot van Sava te zijn, verwarde zich zijn brein en was hij verplicht de oogen te sluiten. Hij had een gevoel alsof het leven hem ontvlood, alsof zijne wond zich weer opende. Bleek en ademloos lag hij daar, het sterven nabij!
In weinige oogenblikken had hem de dokter evenwel zijne zorgen gewijd en weer bij kennis gebracht. Hij bekeek hem medelijdend:
„Sarcany!.… Sarcany!” prevelde hij.
Het zou niet overbodig geweest zijn, dat Piet eenige rust genoot, na den schok, dien hij doorstaan had. Dat wilde hij evenwel niet; daartoe was hij te ongedurig, te overspannen.
„Neen,” zei hij, toen de dokter aandrong. „Neen, ik kan, ik wil niet rusten! Althans nu niet!”
„Toch zou rust weldadig voor u zijn.”
„Neen, neen, neen! Gij zeidet bij het begin van ons onderhoud: Eerst de geschiedenis van dokter Antekirrt. Die hebt gij mij medegedeeld van het oogenblik af dat graaf Mathias Sandorf in de wateren der Middellandsche zee sprong en hij te midden der kogels, die rondom hem aansloegen en plasten, onder de oppervlakte verdween.”
„Ja, Piet.”
„Er blijft u nog over te vertellen, wat mij nog omtrent graaf Mathias Sandorf onbekend is.”
„Omtrent graaf Mathias Sandorf?”
„Ja.”
„Zult gij de kracht hebben mij ten einde toe aan te hooren?” vroeg dokter Antekirrt met bezorgdheid.
„Spreek! En wees geheel onbezorgd. De kracht zal mij niet in den steek laten,” sprak Piet.
„Het zij zoo!” antwoordde de dokter.
„Ik luister.”
„Het is ook beter, dat er een einde komt aan die geheimen, die gij toch het recht hebt te vernemen. Luister, ik zal u alles, wat het verleden schrikkelijks heeft, ontvouwen. Piet, gij hebt geloofd dat ik u aan uw lot overgelaten had?.…”
De jongeling glimlachte bitter, maar antwoordde op die vraag niet. Onderzoekend keek hij den spreker aan.[108]
„U verlaten had” ging de dokter voort, „omdat ik van Gravosa vertrokken was?”.…
De jongman knikte.
„Hoor mij aan Piet!Dan zult ge met kennis van zaken kunnen oordeelen! Maar hoor aandachtig.
„Gij weet, Piet, dat daags vóor de voltrekking van het vonnis, mijne makkers en ik eene poging aangewend hebben om uit de vesting van Pisino te ontvluchten. Graaf Ladislas Zathmar werd evenwel helaas! door de gevangenbewaarders gegrepen, juist toen hij op het punt stond zich bij ons aan den voet van den vestingtoren te voegen. Helaas! dat mocht niet gebeuren.
„Uw vader en ik, medegesleept door den Buco-bergstroom, waren reeds buiten het bereik onzer beulen.
„Na op wonderdadige wijze aan de kolken en maalstroomen van de Foïba ontsnapt te zijn, en nadat wij voet aan wal op een der oevers van het Léma-kanaal gezet hadden, werden wij door een ellendeling bespeurd, die geen oogenblik geaarzeld heeft om onze hoofden, waarop het Oostenrijksche gouvernement een hoogen prijs gesteld had, te verkoopen. Wij werden bij een visscher van Rovigno ontdekt, juist op het oogenblik toen hij ons naar de overzijde van de Adriatische zee wilde voeren. Uw vader werd gevangen genomen en naar de vesting van Pisino teruggevoerd. Ik was gelukkiger en slaagde er in te ontsnappen.
„Ziedaar wat ge weet, Piet Bathory. Luister nu goed naar hetgeen gij niet weet.
„Vóór de verklikking van dien Spanjaard, Carpena genaamd, eene verklikking die den armen visscher Andreas Ferrato de vrijheid en weinige maanden later het leven kostte—hadden twee mannen het geheim der samenzweerders van Triëst verraden, ja schandelijk verraden!”
„Hunne namen?.…” riep Piet Bathory uit.
„Hunne namen?”
„Ja, hoe heeten zij?” vroeg de jonge man ongeduldig en onstuimig.
„Vraag mij eerst hoe hun verraad aan het licht kwam,” antwoordde dokter Antekirrt.
„Juist, laat hooren, dokter.”
Deze verhaalde toen vluchtig wat er in de cel van den gevangentoren van Pisino voorgevallen was, en deelde mede hoe een verschijnsel op het gebied der gehoorleer hem de namen der twee verraders had leeren kennen.
„Hunne namen, dokter!” riep Piet Bathory nogmaals uit.
„Hunne namen?” vroeg Antekirrt andermaal, maar ditmaal met iets weemoedigs in zijne stem. Waarlijk hij aarzelde.[109]
„O, gij zult thans niet weigeren die te noemen! Niet waar, graafSandorf?”
„Ja, ik zal ze noemen!”
„Welnu, wie zijn ze?”
„De een is die schrijver, die als spion in het huis van graaf Ladislas Zathmar binnengedrongen is!”
„Die spion? Maar hoe heet hij?” vroeg Piet Bathory.
„Hoe die man heet? Maar gij kent hem; hij is het, die u heeft willen vermoorden! Het is Sarcany!”
„Sarcany!” riep Piet uit, die eensklaps krachten genoeg vond, om op den dokter toe te treden. „Sarcany! Die ellendeling?”
„Ja, Piet, Sarcany!”
„En gij wist dat? Hoe is dat mogelijk? Zeg mij toch, graaf Sandorf!”
„Ik wist het!”
„Gij wist het? Gij, de makker van Stephanus Bathory! Gij, die aan zijn zoon bescherming beloofdet! Gij, wien ik het geheim mijner liefde bekend heb! Gij, die deze liefde aangemoedigd hebt! Gij hebt dien laaghartige, dien eerlooze toegang laten verkrijgen in het huis van Silas Toronthal! Gij hebt die misdaad toegelaten!.… Ja, die misdaad, waardoor dat ongelukkige jonge meisje aan dien Sarcany overgeleverd is!”
„Ja, Piet, dat alles heb ik gedaan!” sprak dokter Antekirrt met eene vreeselijke woestheid in zijne stem.
„En waarom?”
„Omdat dat jonge meisje uwe echtgenoote niet kon worden! Ziedaar de reden!”
„Zij! Zij niet?”
„Neen, vooral zij niet!”
„O, waarom? Zeg, waarom?”
„Omdat wanneer Piet Bathory juffrouw Sava Toronthal gehuwd had, dat eene nog afzichtelijker misdaad zou geweest zijn dan het gepleegde verraad. Hoort ge?”
„Maar waarom?.… Waarom toch?” kreet Piet, die ten toppunt van zenuwachtige overspanning verkeerde.
„Omdat Sarcany een medeplichtige had!.…”sprakgraaf Sandorf somber en schier sissend.
„Een medeplichtige?.…”
„Ja een medeplichtige bij dat schandelijke verraad, dat uwen vader aan den dood overleverde!”
„En die medeplichtige? Wie is hij? O, ik smeek u, heb medelijden met mij! Noem mij zijn naam.”
„Die medeplichtige?.… Ja, het is noodzakelijk, dat gij hem eindelijk leert kennen!.…”[110]
„Dat is de Triëster bankier, Silas Toronthal!”
Piet had het gehoord, en had het begrepen!.… Hij slaakte geen kreet; hij sprak geen woord. Het was alsof eene ijzeren vuist hem de keel dichtkneep. Een zenuwachtige lach trok zijne lippen te zamen en misvormde zijn gelaat. Hij zou tegen den grond geslagen zijn,—want zoodanig had de afschuw zijne spieren verlamd en verstijfd,—wanneer dokter Antekirrt hem niet in zijne armen opgevangen had. Hij staroogde en het was alsof zijn blik in ondoordringbare duisternissen boorde.
Die toestand duurde slechts kort, slechts weinige seconden, toch lang genoeg om dokter Antekirrt tijd te gunnen, zich met schrik af te vragen of de patiënt niet bezwijken zou na de schrikkelijke operatie, welke hij hem had laten ondergaan.
Maar Piet Bathory bezat een krachtig gestel. Hij slaagde er in om al de oproerige bewegingen zijner ziel te beheerschen. Eenige tranen ontsnapten eindelijk aan zijne branderige oogleden.… Daarna liet hij zich in zijn leuningstoel neervallen en liet zijne hand in die van den dokter rusten.
„Piet,” zei deze met eene teedere, maar hoogst angstige stem, „Piet, voor de geheele wereld zijn wij beiden dood. Ik ben thans geheel alleen op aarde; ik heb geen vriend, ik heb geen kind meer!… Zeg, wilt ge mijn zoon zijn?”
„Ja!.… vader.…” antwoordde Piet Bathory snikkend.„Ja, zeker wil ik uw zoon zijn!”
En inderdaad het was wel een soort vaderlijk gevoel van den eenen, gepaard aan een zeker kinderlijk gevoel van den anderen, hetwelk die twee mannen in elkanders armen deed vallen.