[Inhoud]VII.WAT ER INMIDDELS TE RAGUSA GEBEURDE.Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was Ragusa het tooneel van andere voorvallen.Ziehier wat er gebeurde.Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar verlaten.Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden, er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen. Gedurende den eersten tijd had men gemeend,[111]dat het brein van de ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk niet ontbreken.Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote, die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen bieden?Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was, volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle vertrouweling van zooveel smarten te zijn.Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige slag toegebracht.Hij, dien zij lief had, was dood.… ongetwijfeld gestorven uit wanhoop!.… En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg, juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16enJuli, in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op hare beurt doodelijk aangetast worden.Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het kerkhof voorkwam, om beweend te worden![112]Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien, waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene oprechte walging op het lijf te jagen.Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende hij redenen te hebben.Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was, wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad onverbiddelijk.Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke gebeurtenis veroorloven zoude.De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van alles, voort te maken.Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat moest vermeden worden.Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken afschuw voor hem kon gevoelen.En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een gewetenlooze aterling genoemd worden.„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is, zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.[113]„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).[114]„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”En inderdaad, wie bleef er thans van de driefamiliënSandorf, Zathmar en Bathory over?Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen bijgevolg geteld waren.Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar kolossaal vermogen ware geworden!Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen. Het was voor dien woesteling ondragelijk.Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest het opgeven.Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had. Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat ziekbed.Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door[115]die ziekte was ook deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke omstandigheden een huwelijk gesloten werd?De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.Tegen den 29stenJuli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en twintig uren aan den rand van het graf brengen.Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk waren. Sava sloeg er weinig acht op.En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder, welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging overstelpt was:„Vergeving, mevrouw!.… O, vergeving!.… Als ge wist, wat ik geleden heb!.… O, wend het gelaat niet af!”En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en de grootste ontsteltenis:„Zwijg stil!.… Sava!.… O, zwijg stil!.… Spreek er geen mensch over! Ik heb niets gezegd!”Eindelijk trad de nacht van den 30stenop den 31stenJuli in. Een oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou beginnen af te nemen.Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde zulks.Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven, die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij een besluit genomen had en slechts de gelegenheid[116]afwachtte, om daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo uitdrukkelijk op stond.Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de „stilte des doods” genoemd heeft.Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij het navolgende adres schreef:„Mevrouw BathoryMarinella-straat, in de voorstad Stradona,Ragusa.”In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in de Stradona-laan.Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een rijtuig.Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin glijden en keerde toen naar hare woning terug.Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden. Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten,[117]om haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan werpen.Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te verrichten hebben gehad?Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene wezenlijke bron van onrust.De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was. Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend, dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets zeggen.„Moeder?”Het oog der stervende schitterde.„Moeder.… moeder, zeg, wat verlangt ge?”Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans herhaaldelijk met de oogleden.„Wilt ge spreken?”„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.„Ik luister, moeder.”Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader, wenkte haar oog.„Zoo dan, moeder?”En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.[118]„Ja,” knikte de stervende.„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.„Kindlief, ik ga sterven!.…”„Moeder!.… moeder!.…”„Stil, kind;.… ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen moeten vroeg of laat sterven!.…”„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.… gij vergist u voorzeker.…”„Zachter!.…” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand ons hoore!”„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen thans in dit huis.”De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen.…”„Moeder!”„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.… voor het kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”„Gij moeder! Gij!”„O, vergeving, Sava!”„Gij moeder!.… Gij mij leed berokkend?.… Hoe zou dat mogelijk zijn? O.… het is de koorts.…”De zieke schudde het hoofd.„Vergeving!.…” prevelde zij.„Gij mij vergeving vragen?”„Geef mij een laatsten kus, Sava!.…”Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:„Ja,.… de laatste!.… Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij vergeeft!”Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der stervende.„Wees gerust!” stamelde zij.Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid aan. De oogen waren reeds verglaasd.„Sava!.…”zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”„Ja, dierbare moeder!”„Sava.… ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne dochter niet!.… Uw vader is.…”Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen, terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen ontvlood.Het jonge meisje bukte zich over de doode!.… Zij poogde hulp aan te brengen!.… Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste stonden, het leven terug te roepen.…Alles was vruchteloos.[119]Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen. Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote verschenen.Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten; want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat gevoelde zij.Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende haar niet had kunnen zeggen!Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te boven gekomen worden.Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de begrafenis moesten voorbijsnellen.Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald werd:„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven, wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”[120]Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de heftigste tooneelen veroorzaakte.Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij de bestemming had willen geheim houden.Ja, dat was mogelijk!Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons aan onze vijanden te verraden.”„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier onmogelijk voor.”„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”„Hen voor te zijn?”„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen hebben?”„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,” antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw Toronthal.Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz. 132.)Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz.132.)Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden. Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst,[122]bekommerd in hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander gedeelte van de groote woning.Meer dan eens hadSarcanydie handelwijze van Silas Toronthal grof en onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de omstandigheden moest laten beheerschen.Ten gevolge van dien staat van zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging zouden afgezien hebben.Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16denAugustus liet verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking stelde.Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast besloten zich niet bij den neuste latenrondleiden, daar hij alle rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds, dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs met geen eenvoudigen hoofdknik.Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te willen zien.Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid[123]niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.… Hoewel gij uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn.…”De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet, hoe groot uw deel is in de erfenis van.…”„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden. Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht waren zij van het jonge meisje niet gewoon.„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld geslagen.„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij spreekt,” antwoordde Sava.Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner woorden niet goed gevat hebt.”„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”„Dat is de vraag nog.”„En de wet zal mij verplichten.…”„Tot wat?” vroeg Sava.„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig zult zijn geworden.…”„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje bedaard en kalm.„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord op die vraag.De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer hem door de leden.Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele[124]antwoorden van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft. Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en jurisprudentie-zaken te behandelen.”„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij dan hier ontboden?”„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis te aanvaarden!”„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.„Neen, gij hebt nietsanderste doen, dan u naar den wil van uw vader te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”„Wie weet?.… Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast besloten stem. „Wie weet?.… Misschien!”„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel en al verloor.„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit het oog te verliezen.”„Dat zal te bezien staan.”„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen, zooals ik dat goed zal vinden.”„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in hare stem en houding doorstraalde.„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.„Dat ik zal wachten?”„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig en vrij vertoornd.„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet meer alleen betrokken zijt in de zaak.…”„Ja!.… de zaak!.… goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava met diepe minachting.„Zijt overtuigd, mejuffrouw.…” meende Sarcany te moeten zeggen, wien dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was, vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens.…”Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en[125]keek alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem toevoegde:„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen niets veranderd heeft.”„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets af wist.„De huwelijksplannen!”„Welke huwelijksplannen?”„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw schoonzoon worden zou?”De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen! Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk zijn.….”Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna vervolgde zij:„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.… Maar, gij weet het zeer goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw vermogen!.… Dat is alles wat hij vraagt … Hij verlangt niets meer.”Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare schreden naar de deur.„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor haar plaatste.„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg, wat wilt ge nog meer?”„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.… gij ze ongetwijfeld zelf niet begrijpt.…”„O, wees gerust.…”„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder.…”[126]„Mijner moeder!.… Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!.… Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.„.… Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde. „Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt.…”„Krankzinnig!”„Ja, krankzinnig!”„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij op den bankier toetrad.„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze niet minder verbolgen.„Zoo bout!”„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de echtgenoote van Sarcany wezen!”„Dat nooit!”„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”„Nooit!”„Ik zal u wel weten te noodzaken!”„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich zelven van woede.„Gij.… gij, mijnheer?”„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”„Gij zijt mijn vader niet!”„Sava!”„En ik heet niet Sava Toronthal!”Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te vinden, ontsteld achteruit.„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog meer nadrukkelijken toon.„Sava!”„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare kamer terug te keeren.Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging[127]van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest, hachelijk genoeg.Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachtenknotsslagvernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit, goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal. Maar.… ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het tegenovergestelde gevalzou zij het thans wel in hare hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe dochter niet is.… en dat is alles!.… Kent zij haren vader? Ook dat niet!.… Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed medegedeeld heeft,.… maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is, dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij er van?”Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze, waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte, hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.[128]„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany. „Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik. Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa verlaten en dat binnendenkortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken. Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen. Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog welonmiddellijkna den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden, evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig straffe, wanneer ik niet slaag!”Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond, zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die wel wilde gedoogen.Waarom zou hij ook anders handelen?Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet opkomen!Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen een belangrijke avond geweest.Dat zij geen ongelijk haddenomzich zoo te haasten, zal de lezer weldra bemerken.Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello[130]en keerde voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning, alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar vertrek te treffen.Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden, in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog wel herinneren, waaronder dat plaats had.Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het geheim van Sava’s geboorte bevatten.Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!„Zij!.… Hij!.…” riep zij uit.En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door, stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen loop voor de woning van den bankier Toronthal.Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde verrichten?Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting, dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van Sava zelve?Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken, alsof haar echtgenoot,Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:„Red haar!.… Red haar!”Mevrouw Bathory schelde aan.De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij verlangde.Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig was.Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen zijn. Eene dochter met haren vader![131]Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk ingehaald had.Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke huwelijksplechtigheid bijwonen.”„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het uiterlijke der arme vrouw.„Ja, wij samen!”„Van Sava met Piet!”Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.Was dat te verwonderen?
[Inhoud]VII.WAT ER INMIDDELS TE RAGUSA GEBEURDE.Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was Ragusa het tooneel van andere voorvallen.Ziehier wat er gebeurde.Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar verlaten.Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden, er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen. Gedurende den eersten tijd had men gemeend,[111]dat het brein van de ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk niet ontbreken.Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote, die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen bieden?Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was, volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle vertrouweling van zooveel smarten te zijn.Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige slag toegebracht.Hij, dien zij lief had, was dood.… ongetwijfeld gestorven uit wanhoop!.… En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg, juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16enJuli, in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op hare beurt doodelijk aangetast worden.Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het kerkhof voorkwam, om beweend te worden![112]Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien, waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene oprechte walging op het lijf te jagen.Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende hij redenen te hebben.Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was, wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad onverbiddelijk.Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke gebeurtenis veroorloven zoude.De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van alles, voort te maken.Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat moest vermeden worden.Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken afschuw voor hem kon gevoelen.En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een gewetenlooze aterling genoemd worden.„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is, zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.[113]„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).[114]„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”En inderdaad, wie bleef er thans van de driefamiliënSandorf, Zathmar en Bathory over?Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen bijgevolg geteld waren.Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar kolossaal vermogen ware geworden!Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen. Het was voor dien woesteling ondragelijk.Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest het opgeven.Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had. Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat ziekbed.Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door[115]die ziekte was ook deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke omstandigheden een huwelijk gesloten werd?De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.Tegen den 29stenJuli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en twintig uren aan den rand van het graf brengen.Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk waren. Sava sloeg er weinig acht op.En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder, welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging overstelpt was:„Vergeving, mevrouw!.… O, vergeving!.… Als ge wist, wat ik geleden heb!.… O, wend het gelaat niet af!”En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en de grootste ontsteltenis:„Zwijg stil!.… Sava!.… O, zwijg stil!.… Spreek er geen mensch over! Ik heb niets gezegd!”Eindelijk trad de nacht van den 30stenop den 31stenJuli in. Een oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou beginnen af te nemen.Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde zulks.Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven, die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij een besluit genomen had en slechts de gelegenheid[116]afwachtte, om daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo uitdrukkelijk op stond.Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de „stilte des doods” genoemd heeft.Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij het navolgende adres schreef:„Mevrouw BathoryMarinella-straat, in de voorstad Stradona,Ragusa.”In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in de Stradona-laan.Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een rijtuig.Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin glijden en keerde toen naar hare woning terug.Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden. Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten,[117]om haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan werpen.Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te verrichten hebben gehad?Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene wezenlijke bron van onrust.De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was. Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend, dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets zeggen.„Moeder?”Het oog der stervende schitterde.„Moeder.… moeder, zeg, wat verlangt ge?”Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans herhaaldelijk met de oogleden.„Wilt ge spreken?”„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.„Ik luister, moeder.”Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader, wenkte haar oog.„Zoo dan, moeder?”En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.[118]„Ja,” knikte de stervende.„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.„Kindlief, ik ga sterven!.…”„Moeder!.… moeder!.…”„Stil, kind;.… ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen moeten vroeg of laat sterven!.…”„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.… gij vergist u voorzeker.…”„Zachter!.…” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand ons hoore!”„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen thans in dit huis.”De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen.…”„Moeder!”„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.… voor het kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”„Gij moeder! Gij!”„O, vergeving, Sava!”„Gij moeder!.… Gij mij leed berokkend?.… Hoe zou dat mogelijk zijn? O.… het is de koorts.…”De zieke schudde het hoofd.„Vergeving!.…” prevelde zij.„Gij mij vergeving vragen?”„Geef mij een laatsten kus, Sava!.…”Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:„Ja,.… de laatste!.… Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij vergeeft!”Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der stervende.„Wees gerust!” stamelde zij.Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid aan. De oogen waren reeds verglaasd.„Sava!.…”zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”„Ja, dierbare moeder!”„Sava.… ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne dochter niet!.… Uw vader is.…”Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen, terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen ontvlood.Het jonge meisje bukte zich over de doode!.… Zij poogde hulp aan te brengen!.… Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste stonden, het leven terug te roepen.…Alles was vruchteloos.[119]Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen. Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote verschenen.Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten; want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat gevoelde zij.Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende haar niet had kunnen zeggen!Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te boven gekomen worden.Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de begrafenis moesten voorbijsnellen.Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald werd:„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven, wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”[120]Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de heftigste tooneelen veroorzaakte.Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij de bestemming had willen geheim houden.Ja, dat was mogelijk!Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons aan onze vijanden te verraden.”„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier onmogelijk voor.”„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”„Hen voor te zijn?”„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen hebben?”„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,” antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw Toronthal.Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz. 132.)Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz.132.)Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden. Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst,[122]bekommerd in hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander gedeelte van de groote woning.Meer dan eens hadSarcanydie handelwijze van Silas Toronthal grof en onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de omstandigheden moest laten beheerschen.Ten gevolge van dien staat van zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging zouden afgezien hebben.Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16denAugustus liet verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking stelde.Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast besloten zich niet bij den neuste latenrondleiden, daar hij alle rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds, dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs met geen eenvoudigen hoofdknik.Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te willen zien.Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid[123]niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.… Hoewel gij uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn.…”De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet, hoe groot uw deel is in de erfenis van.…”„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden. Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht waren zij van het jonge meisje niet gewoon.„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld geslagen.„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij spreekt,” antwoordde Sava.Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner woorden niet goed gevat hebt.”„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”„Dat is de vraag nog.”„En de wet zal mij verplichten.…”„Tot wat?” vroeg Sava.„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig zult zijn geworden.…”„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje bedaard en kalm.„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord op die vraag.De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer hem door de leden.Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele[124]antwoorden van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft. Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en jurisprudentie-zaken te behandelen.”„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij dan hier ontboden?”„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis te aanvaarden!”„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.„Neen, gij hebt nietsanderste doen, dan u naar den wil van uw vader te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”„Wie weet?.… Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast besloten stem. „Wie weet?.… Misschien!”„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel en al verloor.„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit het oog te verliezen.”„Dat zal te bezien staan.”„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen, zooals ik dat goed zal vinden.”„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in hare stem en houding doorstraalde.„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.„Dat ik zal wachten?”„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig en vrij vertoornd.„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet meer alleen betrokken zijt in de zaak.…”„Ja!.… de zaak!.… goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava met diepe minachting.„Zijt overtuigd, mejuffrouw.…” meende Sarcany te moeten zeggen, wien dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was, vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens.…”Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en[125]keek alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem toevoegde:„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen niets veranderd heeft.”„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets af wist.„De huwelijksplannen!”„Welke huwelijksplannen?”„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw schoonzoon worden zou?”De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen! Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk zijn.….”Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna vervolgde zij:„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.… Maar, gij weet het zeer goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw vermogen!.… Dat is alles wat hij vraagt … Hij verlangt niets meer.”Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare schreden naar de deur.„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor haar plaatste.„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg, wat wilt ge nog meer?”„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.… gij ze ongetwijfeld zelf niet begrijpt.…”„O, wees gerust.…”„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder.…”[126]„Mijner moeder!.… Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!.… Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.„.… Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde. „Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt.…”„Krankzinnig!”„Ja, krankzinnig!”„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij op den bankier toetrad.„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze niet minder verbolgen.„Zoo bout!”„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de echtgenoote van Sarcany wezen!”„Dat nooit!”„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”„Nooit!”„Ik zal u wel weten te noodzaken!”„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich zelven van woede.„Gij.… gij, mijnheer?”„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”„Gij zijt mijn vader niet!”„Sava!”„En ik heet niet Sava Toronthal!”Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te vinden, ontsteld achteruit.„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog meer nadrukkelijken toon.„Sava!”„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare kamer terug te keeren.Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging[127]van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest, hachelijk genoeg.Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachtenknotsslagvernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit, goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal. Maar.… ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het tegenovergestelde gevalzou zij het thans wel in hare hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe dochter niet is.… en dat is alles!.… Kent zij haren vader? Ook dat niet!.… Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed medegedeeld heeft,.… maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is, dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij er van?”Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze, waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte, hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.[128]„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany. „Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik. Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa verlaten en dat binnendenkortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken. Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen. Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog welonmiddellijkna den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden, evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig straffe, wanneer ik niet slaag!”Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond, zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die wel wilde gedoogen.Waarom zou hij ook anders handelen?Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet opkomen!Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen een belangrijke avond geweest.Dat zij geen ongelijk haddenomzich zoo te haasten, zal de lezer weldra bemerken.Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello[130]en keerde voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning, alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar vertrek te treffen.Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden, in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog wel herinneren, waaronder dat plaats had.Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het geheim van Sava’s geboorte bevatten.Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!„Zij!.… Hij!.…” riep zij uit.En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door, stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen loop voor de woning van den bankier Toronthal.Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde verrichten?Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting, dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van Sava zelve?Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken, alsof haar echtgenoot,Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:„Red haar!.… Red haar!”Mevrouw Bathory schelde aan.De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij verlangde.Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig was.Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen zijn. Eene dochter met haren vader![131]Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk ingehaald had.Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke huwelijksplechtigheid bijwonen.”„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het uiterlijke der arme vrouw.„Ja, wij samen!”„Van Sava met Piet!”Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.Was dat te verwonderen?
VII.WAT ER INMIDDELS TE RAGUSA GEBEURDE.
Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was Ragusa het tooneel van andere voorvallen.Ziehier wat er gebeurde.Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar verlaten.Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden, er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen. Gedurende den eersten tijd had men gemeend,[111]dat het brein van de ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk niet ontbreken.Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote, die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen bieden?Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was, volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle vertrouweling van zooveel smarten te zijn.Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige slag toegebracht.Hij, dien zij lief had, was dood.… ongetwijfeld gestorven uit wanhoop!.… En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg, juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16enJuli, in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op hare beurt doodelijk aangetast worden.Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het kerkhof voorkwam, om beweend te worden![112]Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien, waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene oprechte walging op het lijf te jagen.Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende hij redenen te hebben.Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was, wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad onverbiddelijk.Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke gebeurtenis veroorloven zoude.De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van alles, voort te maken.Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat moest vermeden worden.Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken afschuw voor hem kon gevoelen.En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een gewetenlooze aterling genoemd worden.„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is, zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.[113]„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).[114]„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”En inderdaad, wie bleef er thans van de driefamiliënSandorf, Zathmar en Bathory over?Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen bijgevolg geteld waren.Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar kolossaal vermogen ware geworden!Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen. Het was voor dien woesteling ondragelijk.Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest het opgeven.Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had. Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat ziekbed.Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door[115]die ziekte was ook deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke omstandigheden een huwelijk gesloten werd?De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.Tegen den 29stenJuli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en twintig uren aan den rand van het graf brengen.Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk waren. Sava sloeg er weinig acht op.En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder, welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging overstelpt was:„Vergeving, mevrouw!.… O, vergeving!.… Als ge wist, wat ik geleden heb!.… O, wend het gelaat niet af!”En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en de grootste ontsteltenis:„Zwijg stil!.… Sava!.… O, zwijg stil!.… Spreek er geen mensch over! Ik heb niets gezegd!”Eindelijk trad de nacht van den 30stenop den 31stenJuli in. Een oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou beginnen af te nemen.Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde zulks.Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven, die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij een besluit genomen had en slechts de gelegenheid[116]afwachtte, om daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo uitdrukkelijk op stond.Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de „stilte des doods” genoemd heeft.Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij het navolgende adres schreef:„Mevrouw BathoryMarinella-straat, in de voorstad Stradona,Ragusa.”In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in de Stradona-laan.Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een rijtuig.Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin glijden en keerde toen naar hare woning terug.Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden. Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten,[117]om haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan werpen.Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te verrichten hebben gehad?Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene wezenlijke bron van onrust.De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was. Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend, dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets zeggen.„Moeder?”Het oog der stervende schitterde.„Moeder.… moeder, zeg, wat verlangt ge?”Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans herhaaldelijk met de oogleden.„Wilt ge spreken?”„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.„Ik luister, moeder.”Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader, wenkte haar oog.„Zoo dan, moeder?”En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.[118]„Ja,” knikte de stervende.„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.„Kindlief, ik ga sterven!.…”„Moeder!.… moeder!.…”„Stil, kind;.… ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen moeten vroeg of laat sterven!.…”„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.… gij vergist u voorzeker.…”„Zachter!.…” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand ons hoore!”„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen thans in dit huis.”De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen.…”„Moeder!”„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.… voor het kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”„Gij moeder! Gij!”„O, vergeving, Sava!”„Gij moeder!.… Gij mij leed berokkend?.… Hoe zou dat mogelijk zijn? O.… het is de koorts.…”De zieke schudde het hoofd.„Vergeving!.…” prevelde zij.„Gij mij vergeving vragen?”„Geef mij een laatsten kus, Sava!.…”Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:„Ja,.… de laatste!.… Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij vergeeft!”Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der stervende.„Wees gerust!” stamelde zij.Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid aan. De oogen waren reeds verglaasd.„Sava!.…”zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”„Ja, dierbare moeder!”„Sava.… ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne dochter niet!.… Uw vader is.…”Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen, terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen ontvlood.Het jonge meisje bukte zich over de doode!.… Zij poogde hulp aan te brengen!.… Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste stonden, het leven terug te roepen.…Alles was vruchteloos.[119]Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen. Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote verschenen.Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten; want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat gevoelde zij.Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende haar niet had kunnen zeggen!Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te boven gekomen worden.Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de begrafenis moesten voorbijsnellen.Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald werd:„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven, wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”[120]Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de heftigste tooneelen veroorzaakte.Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij de bestemming had willen geheim houden.Ja, dat was mogelijk!Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons aan onze vijanden te verraden.”„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier onmogelijk voor.”„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”„Hen voor te zijn?”„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen hebben?”„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,” antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw Toronthal.Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz. 132.)Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz.132.)Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden. Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst,[122]bekommerd in hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander gedeelte van de groote woning.Meer dan eens hadSarcanydie handelwijze van Silas Toronthal grof en onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de omstandigheden moest laten beheerschen.Ten gevolge van dien staat van zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging zouden afgezien hebben.Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16denAugustus liet verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking stelde.Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast besloten zich niet bij den neuste latenrondleiden, daar hij alle rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds, dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs met geen eenvoudigen hoofdknik.Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te willen zien.Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid[123]niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.… Hoewel gij uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn.…”De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet, hoe groot uw deel is in de erfenis van.…”„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden. Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht waren zij van het jonge meisje niet gewoon.„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld geslagen.„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij spreekt,” antwoordde Sava.Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner woorden niet goed gevat hebt.”„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”„Dat is de vraag nog.”„En de wet zal mij verplichten.…”„Tot wat?” vroeg Sava.„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig zult zijn geworden.…”„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje bedaard en kalm.„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord op die vraag.De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer hem door de leden.Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele[124]antwoorden van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft. Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en jurisprudentie-zaken te behandelen.”„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij dan hier ontboden?”„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis te aanvaarden!”„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.„Neen, gij hebt nietsanderste doen, dan u naar den wil van uw vader te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”„Wie weet?.… Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast besloten stem. „Wie weet?.… Misschien!”„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel en al verloor.„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit het oog te verliezen.”„Dat zal te bezien staan.”„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen, zooals ik dat goed zal vinden.”„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in hare stem en houding doorstraalde.„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.„Dat ik zal wachten?”„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig en vrij vertoornd.„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet meer alleen betrokken zijt in de zaak.…”„Ja!.… de zaak!.… goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava met diepe minachting.„Zijt overtuigd, mejuffrouw.…” meende Sarcany te moeten zeggen, wien dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was, vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens.…”Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en[125]keek alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem toevoegde:„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen niets veranderd heeft.”„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets af wist.„De huwelijksplannen!”„Welke huwelijksplannen?”„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw schoonzoon worden zou?”De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen! Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk zijn.….”Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna vervolgde zij:„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.… Maar, gij weet het zeer goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw vermogen!.… Dat is alles wat hij vraagt … Hij verlangt niets meer.”Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare schreden naar de deur.„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor haar plaatste.„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg, wat wilt ge nog meer?”„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.… gij ze ongetwijfeld zelf niet begrijpt.…”„O, wees gerust.…”„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder.…”[126]„Mijner moeder!.… Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!.… Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.„.… Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde. „Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt.…”„Krankzinnig!”„Ja, krankzinnig!”„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij op den bankier toetrad.„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze niet minder verbolgen.„Zoo bout!”„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de echtgenoote van Sarcany wezen!”„Dat nooit!”„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”„Nooit!”„Ik zal u wel weten te noodzaken!”„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich zelven van woede.„Gij.… gij, mijnheer?”„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”„Gij zijt mijn vader niet!”„Sava!”„En ik heet niet Sava Toronthal!”Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te vinden, ontsteld achteruit.„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog meer nadrukkelijken toon.„Sava!”„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare kamer terug te keeren.Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging[127]van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest, hachelijk genoeg.Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachtenknotsslagvernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit, goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal. Maar.… ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het tegenovergestelde gevalzou zij het thans wel in hare hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe dochter niet is.… en dat is alles!.… Kent zij haren vader? Ook dat niet!.… Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed medegedeeld heeft,.… maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is, dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij er van?”Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze, waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte, hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.[128]„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany. „Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik. Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa verlaten en dat binnendenkortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken. Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen. Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog welonmiddellijkna den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden, evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig straffe, wanneer ik niet slaag!”Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond, zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die wel wilde gedoogen.Waarom zou hij ook anders handelen?Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet opkomen!Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen een belangrijke avond geweest.Dat zij geen ongelijk haddenomzich zoo te haasten, zal de lezer weldra bemerken.Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello[130]en keerde voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning, alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar vertrek te treffen.Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden, in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog wel herinneren, waaronder dat plaats had.Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het geheim van Sava’s geboorte bevatten.Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!„Zij!.… Hij!.…” riep zij uit.En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door, stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen loop voor de woning van den bankier Toronthal.Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde verrichten?Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting, dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van Sava zelve?Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken, alsof haar echtgenoot,Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:„Red haar!.… Red haar!”Mevrouw Bathory schelde aan.De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij verlangde.Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig was.Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen zijn. Eene dochter met haren vader![131]Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk ingehaald had.Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke huwelijksplechtigheid bijwonen.”„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het uiterlijke der arme vrouw.„Ja, wij samen!”„Van Sava met Piet!”Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.Was dat te verwonderen?
Terwijl die gebeurtenissen op het eiland Antekirrta voorvielen, was Ragusa het tooneel van andere voorvallen.
Ziehier wat er gebeurde.
Mevrouw Bathory was toen reeds niet meer in de stad. Zij had haar verlaten.
Na den dood van haren zoon was Borik, geholpen door een paar vrienden, er in geslaagd, haar dat huis in de Marinella-straat te doen ontruimen. Gedurende den eersten tijd had men gemeend,[111]dat het brein van de ongelukkige moeder dien laatsten schok niet zou kunnen weerstaan. En werkelijk, hoe geestkrachtvol die bewonderenswaardige vrouw zich ook betoonde en betoond had, zoo deden zich toch eenige teekenen van geestesstoornis voor, die den geneesheer en nog al bezorgdheid inboezemden. Onder die omstandigheden en op aanraden en aandringen van de mannen der wetenschap, werd mevrouw Bathory ten huize van een vriend van hare familie in het kleine dorp Vinticello genaamd, opgenomen. Dat dorpje was op eenigen afstand van Ragusa gelegen.
Daar zouden haar de goede zorgen en eene doelmatige verpleging waarlijk niet ontbreken.
Maar welken troost zou men die arme moeder, die rampzalige echtgenoote, die zoo herhaaldelijk in hare liefde voor haren echtgenoot, in hare toegenegenheid voor haren zoon aangetast was geworden, hebben kunnen bieden?
Haar innig genegen dienaar, haar oude Borik, had haar niet willen verlaten. Toen dan ook het huis in de Marinella-straat gesloten was, volgde hij haar, om de nederige, bescheiden en toewijdingsvolle vertrouweling van zooveel smarten te zijn.
Wat Sava Toronthal betrof, de rampzalige moeder van Piet Bathory had haar gevloekt en nimmer was er sedert meer sprake van haar in het huisje te Vinticello geweest. De beide bewoners wisten zelfs niet, dat haar huwelijk tot een later tijdstip uitgesteld was.
Daarenboven de toestand, waarin het jonge meisje zich bevond, maakte haar weldra bedlegerig. Haar was een even onverwachte als wreedaardige slag toegebracht.
Hij, dien zij lief had, was dood.… ongetwijfeld gestorven uit wanhoop!.… En het was zijn lijk, dat men naar het kerkhof droeg, juist op het oogenblik, toen zij hare woning verliet, om de bruid te zijn en die hatelijke vereeniging te gaan voltrekken.
Sava verkeerde gedurende tien dagen, dat wil zeggen tot den 16enJuli, in zeer ontrustbarenden toestand. Hare moeder verliet haar in dit tijdperk niet. Het waren daarenboven de laatste zorgen, die mevrouw Toronthal aan hare dochter zoude wijden; want zij zelve zou weldra op hare beurt doodelijk aangetast worden.
Welke gedachten hielden gedurende die lange uren van het nachtwaken naast het ziekbed, moeder en dochter bezig? Och, die zal de lezer wel raden, zonder dat daarop gewezen zal behoeven te worden. Twee namen werden herhaaldelijk te midden van snikken en tranen herhaald: de naam van Sarcany, om met verwenschingen overstelpt te worden, en de naam van Piet Bathory, die nog slechts op een steenen gedenkteeken op het kerkhof voorkwam, om beweend te worden![112]
Uit deze gesprekken, waaraan de bankier Silas Toronthal nimmer deel nam,—hij vermeed zelfs om zijne dochter in hare vertrekken op te zoeken of te zien,—vloeide een laatste poging voort van mevrouw Toronthal bij haren echtgenoot, om hem over te halen van dat huwelijk af te zien, waarvan het denkbeeld alleen voldoende was, om Sava een schrik, eene oprechte walging op het lijf te jagen.
Maar de bankier bleef onverzettelijk in zijn voornemen. Daartoe meende hij redenen te hebben.
Misschien zou hij, wanneer hij aan zich zelf overgeleverd gebleven was, wanneer hij onttrokken had kunnen blijven aan vreemden invloed, aan vreemden dwang, dan zou hij wellicht gehoor hebben gegeven aan de opmerkingen, die hem gemaakt werden, aan de wroegingen, die zijn geweten hem deed ondervinden. Maar hij werd beheerscht door zijnen medeplichtige meer dan hij zelf meende. Hij weigerde dan ook gehoor te leenen aan mevrouw Toronthal en was op dat punt inderdaad onverbiddelijk.
Tot Sava’s huwelijk met Sarvany was besloten en het zou voltrokken worden, zoodra de gezondheid van het jonge meisje die belangrijke gebeurtenis veroorloven zoude.
De woede van Sarcany, toen dat toeval plaats had en alle plannen verijdelde, laat zich wel beseffen. Met weinig vermomden toorn, zag hij die verwarring aan, die in zijne plannen aangebracht werd. Hij overlaadde Silas Toronthal met drangredenen om toch, in weerwil van alles, voort te maken.
Het was waar, het gold ongetwijfeld slechts een uitstel; maar wanneer dat uitstel aanhield of verlengd werd, dan kon het den grondslag in gevaar brengen, waarop zijne geheele toekomst gesteund was. En dat moest vermeden worden.
Hij besefte aan den anderen kant, dat Sava slechts een onoverkomelijken afschuw voor hem kon gevoelen.
En waartoe zou die afschuw overgaan, zich vervormen, wanneer het jonge meisje ooit zou vernemen, dat Piet Bathory bezweken was onder het dolkmes van den man, dien men haar tot echtgenoot opdrong!
Van zijn kant evenwel wenschte hij zich innig geluk bij die gelegenheid zijn medeminnaar uit den weg geruimd te hebben. Geene wroeging drong daarenboven die ziel binnen, die voor ieder menschelijk gevoel hermetisch gesloten was. Hij kon in den volsten zin des woords een gewetenlooze aterling genoemd worden.
„Het is inderdaad gelukkig,” zei hij eens tot Silas Toronthal, toen die dood ter sprake kwam, „dat die lummel op de gedachte gekomen is, zelfmoord te plegen. Hoe minder er van dat ras van de Bathory’s overblijven, hoe beter dat voor ons zal uitkomen.[113]
„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).
„Gij zijt mijn vader niet!” (Bladz. 126).
[114]
„Waarlijk, het schijnt dat de hemel ons beschermt!”
En inderdaad, wie bleef er thans van de driefamiliënSandorf, Zathmar en Bathory over?
Niemand anders dan eene stokoude vrouw, die afgeleefd en welker dagen bijgevolg geteld waren.
Ja, zeker, God scheen die ellendelingen te beschermen! En Hij zou zijne bescherming tot de uiterste grens opgevoerd hebben, wanneer Sarcany tegelijkertijd én de echtgenoot van Sava Toronthal én de baas van haar kolossaal vermogen ware geworden!
Toch scheen diezelfde God hem door het oefenen van geduld te willen beproeven; want het uitstel van dat huwelijk scheen niet te eindigen. Het was voor dien woesteling ondragelijk.
Toen het jonge meisje hersteld en ter been was,—lichamelijk hersteld althans—en zij eenigszins van dien schrik bekomen was; toen Sarcany de meening begon te koesteren, dat het tijd werd, om de oude plannen weer op te rakelen, werd mevrouw Toronthal op hare beurt ziek. De levensdraden waren bij die goede vrouw versleten. Dat zal wel niemand der lezers verwonderen, die nagegaan hebben, welk leven zij geleid had na de gebeurtenissen van Triëst, nadat zij vernoemen had aan welk onwaardig man haar bestaan vastgeketend was. Daarop waren hare pogingen, die wel een voortdurenden strijd mochten genoemd worden, in het belang van Piet Bathory gevolgd, om ten minste zoo eenigermate het onrecht te vergoeden, hetwelk die familie aangedaan was. Hare vergeefsche smeekingen tegenover den onverbreekbaren invloed van Sarcany, die zoo onverwachts te Ragusa teruggekeerd was, hadden haar geheel en al geknakt. Hare geestkracht was thans uitgeput. Zij moest het opgeven.
Van den eersten dag van dien strijd af was het duidelijk, dat haar levensader onvermijdelijk geknakt was. Thans konden de geneesheeren nog slechts weinige dagen beloven, dat was alles. Volgens hen was mevrouw Toronthal onherstelbaar. Zij stierf tengevolge van uitputting, en niets had haar meer kunnen redden, al ware Piet Bathory ook uit het graf opgestaan om de echtgenoot van hare dochter te worden! En van zulk eene uitkomst was het ver af, al was de jonkman ook al uit den dood verrezen, hetgeen zij natuurlijk niet weten kon.
Toen kon Sava de zorgen vergelden, die zij van haar ondervonden had. Het jonge meisje verliet noch des daags noch des nachts de sponde van de arme vrouw. Als de meest ijverige pleegzuster zat zij naast dat ziekbed.
Het is te begrijpen, wat Sarcany bij dat nieuwe uitstel moest ondervinden. Hij bestormde den bankier letterlijk met drog- en drangredenen. Maar dat alles was te vergeefs. Door[115]die ziekte was ook deze tot onmacht gedoemd. Wat zou de wereld zeggen, wanneer onder zulke omstandigheden een huwelijk gesloten werd?
De afloop van dien toestand kon zich evenwel niet lang meer laten wachten. Dat was voor een ieder duidelijk.
Tegen den 29stenJuli, dat wil zeggen weinige dagen na het hier boven verhaalde, scheen mevrouw Toronthal weer eenige krachten te zullen terugkrijgen. Er scheen nieuw leven in te komen.
Het was evenwel eene heete koorts die ze haar verschafte. De hevigheid van dat ziekteverschijnsel zou haar evenwel binnen de tweemaal vier en twintig uren aan den rand van het graf brengen.
Gedurende die koorts ijlde de arme vrouw in hooge mate; zij sprak voortdurend volkomen wartaal, volzinnen die geheel en al onbegrijpelijk waren. Sava sloeg er weinig acht op.
En toch één woord—één naam, die steeds op de lippen der zieke zweefde,—was wel geschikt, om Sava te verbazen. Het was de naam van Bathory, niet de naam van den jongeling, maar de naam zijner moeder, welke de zieke met bange stem in hare ijlende koorts riep, terwijl zij haar voortdurend smeekte, alsof zij door de bitterste wroeging overstelpt was:
„Vergeving, mevrouw!.… O, vergeving!.… Als ge wist, wat ik geleden heb!.… O, wend het gelaat niet af!”
En wanneer het jonge meisje bij het intreden van heldere oogenblikken hare moeder ondervroeg, dan antwoordde deze met den grootsten schrik en de grootste ontsteltenis:
„Zwijg stil!.… Sava!.… O, zwijg stil!.… Spreek er geen mensch over! Ik heb niets gezegd!”
Eindelijk trad de nacht van den 30stenop den 31stenJuli in. Een oogenblik hadden de geneesheeren de meening kunnen koesteren, dat de ziekte van mevrouw Toronthal, na haar toppunt van hevigheid bereikt te hebben, tot staan gebracht was niet alleen, maar ook dat zij zou beginnen af te nemen.
Dien dag toch was de toestand veel beter geweest. Geen der gewone aandoeningen had zich voorgedaan en er was inderdaad reden om verbaasd te zijn over zulk een onverwachte wijziging in den ziektevorm van de waardige vrouw. De nacht beloofde zoo rustig mogelijk, althans niet minder te zijn dan de toestand gedurende den dag. Alles voorspelde zulks.
Het was zoo, dat viel niet te ontkennen. Maar het was de laatste flikkering van de wegstervende levensvlam. Op het punt van te overlijden, voelde mevrouw Toronthal eene geestkracht in zich herleven, die men onmogelijk van zoo’n uitgeput lichaam verwachten kon. De reden daarvan was, dat, na hare rekening met God afgesloten te hebben, zij een besluit genomen had en slechts de gelegenheid[116]afwachtte, om daaraan, als het haar mogelijk was, uitvoering te geven.
Nu zij zich zoo wel bevond, verlangde zij dat het jonge meisje dien nacht gedurende eenige uren rust zou nemen. Wat Sava er ook tegen inbracht, zij moest hare moeder gehoorzamen, nu deze daar zoo uitdrukkelijk op stond.
Sava begaf zich tegen elf uren des avonds naar hare kamer en mevrouw Toronthal bleef alleen in haar vertrek. Allen sliepen in de groote ruime woning, waarin die stilte toen heerschte, welke men terecht de „stilte des doods” genoemd heeft.
Toen stond mevrouw Toronthal op, en diezelfde zieke, die iedereen meende, dat zij door zwakte en uitputting onbekwaam zoude zijn om ook maar de geringste beweging uit te voeren, ontwikkelde thans genoegzame kracht, om zich te kleeden en plaats te nemen aan eene kleine dames-schrijflessenaar, die in een hoek van het vertrek stond.
Daar nam zij een vel postpapier en schreef daarop met bevende hand slechts weinige regels, die zij daarna onderteekende. Vervolgens stak zij dien brief in eene enveloppe, welke zij verzegelde en waarop zij het navolgende adres schreef:
„Mevrouw BathoryMarinella-straat, in de voorstad Stradona,Ragusa.”
„Mevrouw BathoryMarinella-straat, in de voorstad Stradona,Ragusa.”
In weerwil van de vermoeidheid, die zij voelde dat haar aangreep, en door dien arbeid veroorzaakt was, stond mevrouw Toronthal op, opende de deur van hare kamer, daalde langs de groote trap af, stak de binnenplaats der woning over, deed niet zonder moeite de kleine deur open, welke toegang naar buiten verleende en bevond zich eindelijk in de Stradona-laan.
Maar dat geheele kwartier der Stradona was somber en eenzaam in dit uur, want het was voorzeker meer dan middernacht. Niets werd er vernomen, alleen heel in de verte het wegstervend geluid van een rijtuig.
Mevrouw Toronthal sleepte zich met wankelende schreden de stoep op en volgde die ongeveer veertig passen, terwijl zij tegen de huisgevels leunde, bleef voor een brievenbus stilstaan, liet haren brief daarin glijden en keerde toen naar hare woning terug.
Maar al de kracht, die zij bijeenverzameld had, om die laatste handeling van haren wil ten uitvoer te leggen, was thans uitgeput. Zij viel bewegingloos neer op den drempel van de koetspoort harer woning.
Daar werd zij een uur later door eenige voorbijgangers gevonden. Haastig kwamen Silas Toronthal en Sava op het geklop naar buiten,[117]om haar te herkennen. Vandaar werd zij, zonder dat zij bij kennis gekomen was, naar haar vertrek gedragen. De arme Sava was wanhopend.
Daags daarna verhaalde Silas Toronthal alles wat er gebeurd was, aan Sarcany. Geen van beiden konden evenwel gissen, dat mevrouw Toronthal dien nacht een schrijven in de brievenbus van de Stradona-laan was gaan werpen.
Maar waarom had zij hare woning verlaten? Wat zou zij buiten te verrichten hebben gehad?
Dat konden zij natuurlijk niet verklaren en dat was voor hen eene wezenlijke bron van onrust.
De zieke kwijnde nog gedurende vier en twintig uren. Zij gaf geen ander teeken van leven meer dan enkele zenuwachtige trekkingen, als laatste inspanning van de ziel, die op het punt stond het gesloopte lichaam te verlaten. Sava had hare hand gegrepen, alsof zij haar in het leven had willen terughouden. Och! zij zou zich na dat sterfgeval zoo verlaten in dit tranendal gevoelen! De mond harer moeder bleef evenwel stom, hare lippen bleven gesloten. De naam van Bathory werd niet meer door de stervende uitgesproken. Ongetwijfeld was haar geweten, na hare volbrachte daad, gerustgesteld en had mevrouw Toronthal niets meer te vragen en geene vergiffenis meer te verwerven.
Den volgenden nacht maakte de stervende vrouw tegen drie uur des morgens eene beweging, terwijl Sava alleen bij haar in het vertrek was. Hare hand raakte daarbij die van het jonge meisje aan.
Bij die aanraking opende zij ten halve hare oogen, die zij gesloten had. Daarna richtte zich haar blik naar Sava. Die blik was zoo vragend, dat Sava zich daarin niet kon vergissen. De stervende wilde haar iets zeggen.
„Moeder?”
Het oog der stervende schitterde.
„Moeder.… moeder, zeg, wat verlangt ge?”
Mevrouw Toronthal wenkte als het ware met de oogen. Zij knipte althans herhaaldelijk met de oogleden.
„Wilt ge spreken?”
„Ja,” antwoordde mevrouw Toronthal duidelijk verstaanbaar met de oogen.
„Ik luister, moeder.”
Sava bukte zich over het boveneinde van het bed.
„Is het zoo goed, moeder? Zeg, is het zoo goed?”
De stervende gaf een teeken om nog nader te treden. Nog en nog nader, wenkte haar oog.
„Zoo dan, moeder?”
En Sava lei haar hoofd naast dat harer moeder op het kussen.[118]
„Ja,” knikte de stervende.
„Ik luister, moeder,” herhaalde het jonge meisje.
„Kindlief, ik ga sterven!.…”
„Moeder!.… moeder!.…”
„Stil, kind;.… ik ga sterven! Dat moet u niet ontstellen. Wij allen moeten vroeg of laat sterven!.…”
„Moeder!” kreet Sava met een verscheurenden snik. „Gij.… gij vergist u voorzeker.…”
„Zachter!.…” mompelde mevrouw Toronthal, „veel zachter!.. Dat niemand ons hoore!”
„O, niemand hoort ons, moeder! Niemand kan ons hooren. Allen slapen thans in dit huis.”
De zieke spande zich zichtbaar in. Zij snakte naar adem.
„Sava,” zei zij, „ik moet u vergiffenis vragen.…”
„Moeder!”
„Vergiffenis vragen voor het leed, dat ik u berokkend heb.… voor het kwaad, dat ik den moed niet gehad heb te verhinderen!”
„Gij moeder! Gij!”
„O, vergeving, Sava!”
„Gij moeder!.… Gij mij leed berokkend?.… Hoe zou dat mogelijk zijn? O.… het is de koorts.…”
De zieke schudde het hoofd.
„Vergeving!.…” prevelde zij.
„Gij mij vergeving vragen?”
„Geef mij een laatsten kus, Sava!.…”
Het meisje omhelsde hare moeder. Deze ging snikkend voort:
„Ja,.… de laatste!.… Die kus is voor mij het bewijs, dat gij mij vergeeft!”
Het meisje drukte andermaal zacht hare lippen op het voorhoofd der stervende.
„Wees gerust!” stamelde zij.
Deze had nog de kracht om den arm om den hals van Sava te slaan. Daarop richtte zij zich overeind, keek haar met een schrikkelijke strakheid aan. De oogen waren reeds verglaasd.
„Sava!.…”zeide zij, „Sava, hoort gij mij?”
„Ja, dierbare moeder!”
„Sava.… ge zijt de dochter niet van Silas Toronthal, gij zijt mijne dochter niet!.… Uw vader is.…”
Zij kon niet eindigen. Een zenuwtrilling wierp haar uit Sava’s armen, terwijl hare ziel met de laatst uitgesproken woorden aan hare lippen ontvlood.
Het jonge meisje bukte zich over de doode!.… Zij poogde hulp aan te brengen!.… Zij poogde met alle middelen, die haar ten dienste stonden, het leven terug te roepen.…Alles was vruchteloos.[119]
Toen schelde zij, toen riep zij. Men kwam nu van alle kanten aanloopen. Silas Toronthal was een der eersten in het vertrek zijner echtgenoote verschenen.
Toen Sava hem ontwaarde, werd zij door zoo’n gevoel van afkeer bevangen, dat zij voor dien man terugdeinsde als voor een vergiftig dier. O, zij had thans het recht om hem te verachten, hem te haten; want hij was haar vader niet! De doode had het gezegd en men sterft niet met eene onwaarheid op de lippen. Daarvan was zij overtuigd, dat gevoelde zij.
Sava ontvluchtte daarna dat vertrek, verschrikt en ontsteld over hetgeen de ongelukkige vrouw haar medegedeeld had, die haar als hare eigene dochter gekoesterd en liefgehad had.
Maar eigenlijk was zij nog meer verschrikt over hetgeen de stervende haar niet had kunnen zeggen!
Den derden dag na het overlijden had de lijkdienst en de begrafenisplechtigheid plaats, die met de meeste uiterlijke pracht geleid werden. De menigte van vrienden en bekenden, die ieder rijk man bezit, omringden den vermogenden bankier bij die gelegenheid.
Naast hem stapte Sarcany, die zoo door zijne tegenwoordigheid eene soort bevestiging verleende aan de meening, dat niets omtrent de huwelijksplannen gewijzigd was, die hem in de familie Toronthal moesten brengen. Dat was en bleef inderdaad zijne hoop; maar zou die ooit verwezenlijkt worden, dan moesten toch nog zeer vele moeielijkheden te boven gekomen worden.
Sarcany dacht evenwel, dat de omstandigheden niet anders dan gunstig konden zijn tot volvoering zijner plannen, daar zij Sava veel meer aan zijne genade of beter aan zijne willekeur overleverden.
Intusschen zou de vertraging, door de ziekte van mevrouw Toronthal veroorzaakt, door haar overlijden verlengd worden. Gedurende den rouwtijd der familie kon er van een huwelijk geen sprake zijn. De welvoegelijkheid eischte, dat minstens verscheidene maanden na de begrafenis moesten voorbijsnellen.
Natuurlijk kon dat niet anders dan Sarcany, die gehaast was om zijn doel te bereiken, teleurstellen en verbitteren. Maar wat er aan te doen? Hij was gedwongen de gebruiken te eerbiedigen, hoewel dat niet geschiedde, zonder dat er levendige woordenwisselingen tusschen hem en Silas Toronthal plaats hadden. En die woordenwisselingen eindigden steeds met dien volzin, die door den bankier tot vervelens toe herhaald werd:
„Ik wil en vermag in deze omstandigheden niets te doen; daarenboven, wanneer dat huwelijk maar binnen vijf maanden voltrokken wordt, dan bestaat er hoegenaamd geen reden om u ongerust te maken!”[120]
Klaarblijkelijk begrepen die twee personen elkander volkomen. Een misverstand tusschen hen scheen niet mogelijk.
Maar hoewel Sarcany die aangevoerde reden moest toegeven, zoo kon hij niet nalaten eenige verbittering te laten blijken, die soms de heftigste tooneelen veroorzaakte.
Beiden waren daarenboven niet geheel en al zonder ongerustheid, sedert de onverklaarbare handeling van mevrouw Toronthal, daags voor haren dood. En zelfs rees de gedachte bij Sarcany op, dat de stervende wellicht een brief in de bus had willen werpen, een brief, waarvan zij de bestemming had willen geheim houden.
Ja, dat was mogelijk!
Ook de bankier, wien Sarcany dat denkbeeld mededeelde, kon dat vermoeden niet afdoende tegenspreken en begon er zelfs aan te gelooven.
„Wanneer dat zoo is,” herhaalde Sarcany voortdurend, „dan is die brief eene onophoudelijke en ernstige bedreiging voor ons. Uwe vrouw heeft steeds de partij van Sava gekozen, met haar geheuld en tegen mij gestookt. Is dat zoo niet? Zij beschermde zelfs mijn medeminnaar, en wie weet of zij niet, op het punt van te sterven, eene geestkracht ontwikkeld heeft, waartoe wij haar niet meer in staat achtten, om ons aan onze vijanden te verraden.”
„Zoudt ge denken?” vroeg Silas Toronthal ontzet. „Dat komt mij schier onmogelijk voor.”
„Zoo is mijne meening,” ging Sarcany voort. „En in dat geval, zou het dan niet zaak zijn, om onze vijanden voor te zijn?”
„Hen voor te zijn?”
„Om de stad te verlaten, waar gij en ik meer te verliezen dan te winnen hebben?”
„Als er eene bedreiging voor ons in dien brief opgesloten lag,” antwoordde Silas Toronthal, „dan zouden wij van die bedreiging reeds eenige dagen later iets bemerkt hebben, en tot nu toe, dat moet gij erkennen, is aan onzen toestand niets veranderd!”
Sarcany kon op die bewijsvoering niets antwoorden. Wanneer de brief van mevrouw Toronthal inderdaad betrekking had op hunne plannen voor de toekomst, dan had hij nog geen gevolg gehad; zoodat aan een op handen zijnd vertrek nog niet gedacht behoefde te worden. Als het gevaar zoude opdoemen, zou de tijd tot handelen daar zijn.
Zoo gebeurde het, evenwel geheel anders, dan die twee het hadden kunnen gissen, en wel ongeveer veertien dagen na het overlijden van mevrouw Toronthal.
Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz. 132.)Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz.132.)
Wie zou geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting geworden was. (Bladz.132.)
Na den dood harer moeder, had Sava zich steeds afgezonderd gehouden. Zij had hare kamers zelfs niet verlaten. Men zag haar ook niet op de uren der maaltijden. De bankier gevoelde zich onthutst,[122]bekommerd in hare nabijheid en zocht volstrekt niet alleen met haar te zijn; want dan zou hij zich verlegen gevoeld hebben. Hij liet haar dus vrij om te handelen, zooals zij verkoos, en bewoonde voor zijn persoon een ander gedeelte van de groote woning.
Meer dan eens hadSarcanydie handelwijze van Silas Toronthal grof en onbehouwen afgekeurd. Hij meende dat de bankier zich zoo niet door de omstandigheden moest laten beheerschen.Ten gevolge van dien staat van zaken had hij volstrekt geene gelegenheid meer om het jonge meisje te ontmoeten. Dat strookte evenwel niet met zijne verdere plannen. Hij had dan ook eene levendige woordewisseling daarover met den bankier. Hoewel er geen sprake kon zijn van eene huwelijksplechtigheid gedurende de eerste maanden van den rouwtijd, wilde hij niet, dat Sava zich met het denkbeeld kon vereenzelvigen, dat haar vader en hij van die vereeniging zouden afgezien hebben.
Eindelijk sprak Sarcany op zoo’n gebiedenden toon, en met zulk een nadruk, dat Silas Toronthal Sava op den 16denAugustus liet verwittigen, dat hij haar dienzelfden avond wenschte te spreken. Daar hij haar liet weten, dat Sarcany verlangde bij dat gesprek tegenwoordig te zijn, verwachtte hij een weigerend antwoord. Dat gebeurde evenwel niet. Sava liet den bankier weten, dat zij zich ter zijner beschikking stelde.
Toen de avond gevallen was, wachtten Silas Toronthal en Sarcany met ongeduld het jonge meisje in het groote salon. Eerstbedoelde was vast besloten zich niet bij den neuste latenrondleiden, daar hij alle rechten voor zich had, die hij aan de vaderlijke macht ontleende. De tweede nam zich voor, bedaard en kalm, ja ingetogen te zijn. Hij wilde veel meer luisteren dan spreken, en zou vooral trachten, de geheime gedachten van het jonge meisje te weten te komen. Hij vreesde steeds, dat zij beter op de hoogte van zekere zaken was dan wel vermoed werd.
Sava trad op het vastgestelde uur de zaal binnen. Sarcany stond eerbiedig van zijn stoel op, toen zij verscheen; maar het jonge meisje beantwoordde den groet, dien hij zoo bevallig mogelijk bracht, zelfs met geen eenvoudigen hoofdknik.
Zij scheen hem niet gezien te hebben, of beter, zij scheen hem niet te willen zien.
Met een gebaar wees Silas Toronthal Sava een stoel aan, waarop zij plaats nam. Daar nu, koud en ijzig, met het gelaat nog witter dan het kraagje, dat op haar rouwgewaad scherp afstak, wachtte zij, totdat eene vraag tot haar gericht zoude worden. Dat wachten duurde een poos.
„Sava,” begon eindelijk de bankier, „ik heb uwe smart over het overlijden uwer moeder geëerbiedigd, en ik heb u in uwe eenzaamheid[123]niet willen storen. Maar in weerwil en zelfs ten gevolge van die droevige gebeurtenissen, bevinden wij ons in de noodzakelijkheid eenige zaken, die geen uitstel gedoogen, te moeten behandelen.… Hoewel gij uwe meerderjarigheid nog niet bereikt hebt, zal het toch goed zijn.…”
De bankier aarzelde hier. Sava keek hem met strakken blik aan, maar sprak geen woord. Sarcany gaf hem een teeken.
„Zal het toch goed zijn,” ging Silas Toronthal voort, „dat gij weet, hoe groot uw deel is in de erfenis van.…”
„Als hier slechts kwestie is van een vermogen,” antwoordde Sava, „dan valt er niet veel te praten, dan kan het onderhoud zeer bekort worden. Ik meen, dat ik daar niets mede te maken heb.”
Beide mannen keken haar met verbaasden blik aan. Zoo’n geestkracht waren zij van het jonge meisje niet gewoon.
„Hoe zoo?” vroeg Silas Toronthal beteuterd en geheel en al uit het veld geslagen.
„Ik wensch volstrekt geen aanspraak te maken op de erfenis, waarvan gij spreekt,” antwoordde Sava.
Sarcany maakte eene beweging, die van zijn kant als eene heftige teleurstelling kon gelden; maar ook wellicht op eene verbazing kon duiden, die niet van ongerustheid ontbloot was.
„Ik denk Sava,” hernam Silas Toronthal, „dat gij de beteekenis mijner woorden niet goed gevat hebt.”
„Ik heb haar zeer goed begrepen,” zei het jonge meisje.
„Of gij het wilt of niet,” ging de bankier voort, „gij zijt de erfgename van mevrouw Toronthal, uwe moeder.”
„Dat is de vraag nog.”
„En de wet zal mij verplichten.…”
„Tot wat?” vroeg Sava.
„Om u rekening en verantwoording af te leggen, wanneer gij meerderjarig zult zijn geworden.…”
„Tenzij ik van de erfenis afstand doe,” antwoordde het jonge meisje bedaard en kalm.
„Waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Silas Toronthal.
„Ja, waarom?” vroeg Sarcany.
„Omdat ik er ongetwijfeld geen recht op heb,” was het trotsche antwoord op die vraag.
De bankier sprong uit zijn leuningstoel omhoog.
Nimmer had hij dat antwoord verwacht! Neen, nimmer! Eene huivering voer hem door de leden.
Sarcany sprak geen woord. Volgens hem speelde Sava eene rol en hij trachtte eenvoudig een helderen blik in hare bedoelingen te verkrijgen.
„Ik begrijp niet,” hernam Silas Toronthal, die door de koele[124]antwoorden van het jonge meisje ongeduldig werd, „ik begrijp niet wat die woorden beteekenen moeten, en kan ook niet gissen, wie ze u ingeblazen heeft. Ik ben bovendien niet hier gekomen, om rechtskwestiën en jurisprudentie-zaken te behandelen.”
„Wat is dan de reden van uwe komst?” vroeg Sava. „Waarom hebt gij mij dan hier ontboden?”
„Dat zult gij wel hooren, als ge maar geduld hebt. Gij staat onder mijne voogdijschap en gij hebt geen recht, om te weigeren die erfenis te aanvaarden!”
„Niet, dat zullen we zien!” sprak Sava kortaf.
„Neen, gij hebt nietsanderste doen, dan u naar den wil van uw vader te schikken, u te buigen voor het gezag dat gij wel erkennen zult.”
„Wie weet?.… Misschien!” antwoordde Sava met ernstige en vast besloten stem. „Wie weet?.… Misschien!”
„Waarlijk,” riep Silas Toronthal uit, die zijne koelbloedigheid geheel en al verloor.
„Waarlijk, wat?” vroeg het jonge meisje.
„Gij praat drie jaren te vroeg, Sava, dat schijnt gij geheel en al uit het oog te verliezen.”
„Dat zal te bezien staan.”
„Wanneer gij uwe meerderjarigheid zult bereikt hebben, dan zult ge kunnen doen met uw vermogen, wat gij verkiest. Tot dat tijdstip zijn uwe belangen mij toevertrouwd. En ik zal die belangen behartigen, zooals ik dat goed zal vinden.”
„Het zij zoo!” antwoordde Sava kalm, hoewel niet veel gelatenheid in hare stem en houding doorstraalde.
„Wat beteekent dat: het zij zoo?” vroeg Silas Toronthal.
„Dat ik zal wachten?”
„En waarop wilt ge wachten?” hernam de bankier ongeduldig, nieuwsgierig en vrij vertoornd.
„Wel, zooals ge zegt, totdat ik mijne meerderjarigheid bereikt zal hebben. De raad is goed. Ik zal hem volgen.”
„Jawel, maar intusschen vergeet ge ongetwijfeld, dat de toestanden gaan veranderen, zoodra de welvoegelijkheid zulks zal gedoogen! Gij hebt te minder recht om zoo luchtig over uw vermogen te denken, daar gij niet meer alleen betrokken zijt in de zaak.…”
„Ja!.… de zaak!.… goed uitgedrukt: de handelszaak!” antwoordde Sava met diepe minachting.
„Zijt overtuigd, mejuffrouw.…” meende Sarcany te moeten zeggen, wien dat woord, hetwelk met de meest kwetsende bedoeling uitgesproken was, vooral trof, „weest overtuigd dat eervolle gevoelens.…”
Sava’s houding duidde aan, dat zij zelfs niet naar hem hoorde en[125]keek alleen den bankier onophoudelijk aan, die haar met vergramde stem toevoegde:
„Neen, niet meer alleen; omdat de dood uwer moeder aan onze plannen niets veranderd heeft.”
„Welke plannen?” vroeg het jonge meisje, alsof zij waarlijk van niets af wist.
„De huwelijksplannen!”
„Welke huwelijksplannen?”
„De huwelijksplannen, die gij veinst vergeten te hebben en die mijnheer Sarcany tot mijn schoonzoon zullen maken.”
„Zijt gij wel zeker dat mijnheer Sarcany door dat huwelijk uw schoonzoon worden zou?”
De bedoeling was thans zoo bepaald, zoo op den man af, dat Silas Toronthal ditmaal opsprong, ten einde naar buiten te snellen, zoo zeer gevoelde hij behoefte om zijne ontsteltenis te verbergen. Maar Sarcany weerhield hem met een gebaar. Deze wilde ten einde toe voortgaan; hij wilde volstrekt weten waaraan zich te houden.
„Luister, vader; want het is voor de laatste maal, dat ik u dien naam geef,” zei toen het jonge meisje en ging met nadruk voort,
„Het is niet voor mijn persoon, dat mijnheer Sarcany mij wil huwen; hij beoogt slechts dat vermogen, hetwelk ik niet meer hebben wil. Hoe groot zijne schaamteloosheid ook zij, dat zal hij wel niet ontkennen! Evenwel, daar men mij herinnerd heeft, dat ik vroeger mijne toestemming tot dat huwelijk gegeven heb, zal mijn antwoord thans gemakkelijk zijn.….”
Sava zweeg een oogenblik als om hare gedachte te verzamelen. Daarna vervolgde zij:
„Ja, ik meende mij te moeten opofferen, toen ik nog gelooven kon, dat de eer mijns vaders in die zaak gemengd was.… Maar, gij weet het zeer goed, dat mijn vader met dien geheelen hatelijken zwendel niets gemeens heeft. Wilt gij dus mijnheer Sarcany verrijken, geef hem dan uw vermogen!.… Dat is alles wat hij vraagt … Hij verlangt niets meer.”
Het jonge meisje was bij die laatste woorden opgestaan en richtte hare schreden naar de deur.
„Sava,” riep toen Silas Toronthal verwoed uit, terwijl hij zich voor haar plaatste.
„Wat wilt ge nog meer van mij?” vroeg zij trotsch en afgemeten. „Zeg, wat wilt ge nog meer?”
„Sava,” vervolgde de opgewonden bankier, „er heerscht in uwe woorden zoo weinig verband, dat ik ze volstrekt niet begrijp, dat.… gij ze ongetwijfeld zelf niet begrijpt.…”
„O, wees gerust.…”
„Ik stel mij waarachtig de vraag, of de dood uwer moeder.…”[126]
„Mijner moeder!.… Ja, het was inderdaad eene moeder voor mij!.… Mijne moeder volgens het hart!” mompelde het jonge meisje.
„.… Of de droefheid over dat overlijden uw verstand niet geschokt heeft,” vervolgde Silas Toronthal, die in zoo’n staat van opgewondenheid verkeerde, dat hij niets of niemand anders meer hoorde. „Ja, zeker, als gij niet krankzinnig zijt.…”
„Krankzinnig!”
„Ja, krankzinnig!”
„Dat zoudt ge wellicht wenschen!” hernam Sava opgewonden, terwijl zij op den bankier toetrad.
„Om het even, wat ik besloten heb, moet geschieden!” antwoordde deze niet minder verbolgen.
„Zoo bout!”
„Ja, zoo bout, en eer wij zes maanden verder zijn, zult gij de echtgenoote van Sarcany wezen!”
„Dat nooit!”
„Nooit? Herhaal dat woord nog eens! Dan zullen wij zien!”
„Nooit!”
„Ik zal u wel weten te noodzaken!”
„Dat’s gauw genoeg gezegd, echter minder spoedig volvoerd, hoort ge?”
„Dat zult ge wel ondervinden. Gehoorzamen zult gij mij, als ik beveel!”
„Maar aan welk recht ontleent gij dan toch de macht, om mij te bevelen?” vroeg Sava, die daarbij een gebaar van verontwaardiging niet kon onderdrukken. „Zeg, aan welk recht?”
„Aan mijn recht als vader!” bulderde Silas Toronthal, buiten zich zelven van woede.
„Gij.… gij, mijnheer?”
„Ja, ik! Ik, uw vader! Verstaat ge, Sava?”
„Gij zijt mijn vader niet!”
„Sava!”
„En ik heet niet Sava Toronthal!”
Bij deze laatste woorden deinsde de bankier, die geen antwoord wist te vinden, ontsteld achteruit.
„Neen, gij zijt mijn vader niet!” herhaalde het jonge meisje op nog meer nadrukkelijken toon.
„Sava!”
„En ik ben uwe dochter niet!” sprak het jonge meisje, die nu zonder het hoofd naar den rampzalige om te wenden, de zaal verliet om naar hare kamer terug te keeren.
Sarcany had gedurende dat geheele gesprek bijna niet gesproken. Niet anders dan om met een enkel woord te trachten tegen de beschuldiging[127]van hebzucht te protesteeren. Maar hij had Sava nauwkeurig gadegeslagen en was niets verwonderd over hetgeen hij vernomen had, ook niet over de wijze, waarop dat onderhoud geëindigd was. Dat had hij wel geraden en dat had hij kunnen voorspellen. Wat hij vreesde, was gebeurd. Sava wist, dat zij door geen band van bloedverwantschap aan de familie Toronthal verbonden was. En dit was, zoo als hij bekennen moest, hachelijk genoeg.
Wat den bankier aangaat, die was te meer door dien onverwachtenknotsslagvernietigd, daar hij hem niet had zien aankomen en dus geen zelfbeheersching in die omstandigheid had kunnen uitoefenen.
Sarcany wachtte een oogenblik, alsof hij zijne gedachten bijeen verzamelen wilde. Toen nam hij het woord en met zijne gewone scherpzinnigheid en nauwkeurigheid, begrensde hij den toestand.
Silas Toronthal kon niet anders doen dan te luisteren. Hij vermocht zijne gevoelens niet anders te uiten dan door slechts toestemmend te knikken, zoo zeer schenen de beweringen van zijn vroegeren medeplichtige door eene onverbiddelijke logica gekenmerkt te zijn.
„Gij moet er niet meer op rekenen,” sprak deze, „dat Sava ooit, goedschiks ten minste, hare toestemming tot dat huwelijk geven zal. Maar.… ter wille van de redenen, die wij beiden genoegzaam kennen, is het meer dan ooit noodig, dat dit huwelijk tot stand komt. Wat weet zij van ons misdadig verleden? Ik geloof niets; want in het tegenovergestelde gevalzou zij het thans wel in hare hartstochtelijkheid uitgekraamd hebben. Wat zij weet, is dat zij uwe dochter niet is.… en dat is alles!.… Kent zij haren vader? Ook dat niet!.… Want, let op, dat zou de eerste naam geweest zijn, dien zij ons naar het hoofd zou geslingerd hebben! Dat is voor mij ontwijfelbaar. Draagt zij reeds lang kennis van haren toestand tegenover u? Wie weet? Maar ik geloof het niet. Voor mij is het zeer waarschijnlijk, dat mevrouw Toronthal haar dat op haar doodbed medegedeeld heeft,.… maar wat mij niet minder zeker voorkomt, dat is, dat de stervende vrouw Sava niet meer heeft willen onderrichten dan noodig was, om haar het recht te verleenen gehoorzaamheid te weigeren aan den man, die haar vader niet is, maar dien zij tot heden als zoodanig beschouwd heeft. Zie, dat is mijne meening. Maar wat zegt gij er van?”
Silas Toronthal zat daar stil en wezenloos en had de redeneering van Sarcany slechts van tijd tot tijd met een lichten hoofdknik beaamd. Nu weet de lezer, dat Sarcany zich niet vergiste, noch omtrent de wijze, waarop het jonge meisje nopens die aangelegenheid onderricht was geworden, noch omtrent het tijdperk, sedert zij die zaken wist, noch eindelijk omtrent het gedeelte van het geheim nopens hare geboorte, hetwelk haar slechts onvolledig medegedeeld was.[128]
„Kunnen wij daaruit nu gevolgtrekkingen opmaken?” vervolgde Sarcany. „Hoe weinig Sava ook af weet omtrent de aangelegenheden, die haar raken, en hoewel zij geheel en al onkundig is omtrent ons verleden, zoo worden wij toch beiden ten ernstigste bedreigd, gij in den eervollen toestand, waarin gij u te Ragusa als eerste bankier bevindt; ik in de onmetelijke belangen, die dat huwelijk voor mij vertegenwoordigt, en waarvan ik volstrekt niet wil afzien. Dat zult ge begrijpen, hoop ik. Dus wij moeten nu uitmaken, wat er gedaan moet worden en dat wel zoo spoedig mogelijk. Ziehier mijne meening: Wij, gij en ik, moeten Ragusa verlaten en dat binnendenkortst mogelijken tijd. Wij moeten Sava medevoeren, voor dat zij tijd heeft om iemand te zien of te spreken. Dat verhuizen moet liever heden dan morgen geschieden; en dan, luister goed, moeten wij niet in deze stad terugkeeren dan nadat het huwelijk gesloten zal zijn, dat wil zeggen wanneer Sava, doordat zij mijne echtgenoote zal zijn, er alle belang bij zal hebben, om te zwijgen. Wanneer wij maar eenmaal buiten ’s lands zullen zijn, dan zal zij zoo volkomen aan iederen vreemden invloed onttrokken kunnen worden, dat wij niets van haar te vreezen zullen hebben. Wat de kwestie betreft, om haar te noodzaken hare toestemming tot dat huwelijk te geven en dat nog welonmiddellijkna den rouwtijd, door de welvoegelijkheid geboden, evenwel binnen den tijd, die mij de verwachte voordeelen kan verzekeren, dat is uitsluitend mijne zaak. En dat God mij eeuwig straffe, wanneer ik niet slaag!”
Silas Toronthal moest toegeven, dat de toestand werkelijk bestond, zooals hij door Sarcany zoo even geschetst was. Hij dacht er dan ook niet aan, om tegenstribbelingen te maken. Hij werd al meer en meer door zijn medeplichtige beheerscht en kon niet anders meer handelen dan die wel wilde gedoogen.
Waarom zou hij ook anders handelen?
Ter wille van dat jonge meisje, aan wie hij steeds een onoverwinnelijken afkeer ingeboezemd had, en voor wien zijn hart nimmer eenig gevoel gekoesterd had? Zoo iets kon toch in ernst bij hem niet opkomen!
Dien avond werd dan ook stellig overeengekomen, dat het door Sarcany ontworpen plan ten uitvoer gelegd zoude worden, vóórdat Sava de woning in de Stradona-laan zou kunnen verlaten.
Daarna scheidden Silas Toronthal en Sarcany. Het was voor alle partijen een belangrijke avond geweest.
Dat zij geen ongelijk haddenomzich zoo te haasten, zal de lezer weldra bemerken.
Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)
Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats. (Bladz. 141.)
Inderdaad den tweeden dag na het voorgevallene, verliet mevrouw Bathory, vergezeld van den ouden Borik, het dorp Vinticello[130]en keerde voor den eersten keer sedert het overlijden van haren zoon Piet, in het huis van de Marinella-straat weer. Zij had besloten om die woning, alsook de stad, die voor haar zoo vol hartverscheurende herinneringen was, te verlaten, en was gekomen om hare toebereidselen tot haar vertrek te treffen.
Toen Borik de deur geopend had, vond hij een brief, die gedurende hunne afwezigheid in de bus, in de deur aangebracht, geworpen was.
Dat was de brief, dien mevrouw Toronthal, daags vóór haar overlijden, in de rijkspostbus gedaan had. De lezer zal zich de omstandigheden nog wel herinneren, waaronder dat plaats had.
Mevrouw Bathory nam den brief, opende hem en keek eerst naar de handteekening. Daarna las ze ademloos, als met een oogopslag, de weinige regels, die door eene stervende hand geschreven waren en het geheim van Sava’s geboorte bevatten.
Welk eene vreemde samenkoppeling van Sava’s naam met dien van Piet vormde zich toen in het brein van mevrouw Bathory!
„Zij!.… Hij!.…” riep zij uit.
En zonder een enkel woord te spreken,—hoe had zij dat ook kunnen doen?—zonder antwoord aan haren ouden dienaar te geven, dien zij terugstiet, toen hij haar met de meeste behoedzaamheid wilde weerhouden, vloog zij naar buiten, stormde de Marinella-straat door, stak het geheele Stradonakwartier over en staakte eerst haren driftigen loop voor de woning van den bankier Toronthal.
Begreep zij volkomen de strekking van hetgeen zij thans wilde verrichten?
Begreep zij, dat het wellicht beter zoude zijn met minder overhaasting, dus met meer voorzichtigheid te werk te gaan, en dat in het belang van Sava zelve?
Neen, zij werd onweerstaanbaar naar het jonge meisje toegetrokken, alsof haar echtgenoot,Stephanus Bathory, alsof haar zoon Piet, beiden uit hun graf verrezen, haar toegeroepen hadden:
„Red haar!.… Red haar!”
Mevrouw Bathory schelde aan.
De deur ging open. Een bediende verscheen, die haar vroeg, wat zij verlangde.
Mevrouw Bathory wenschte Sava te zien.
Zij kreeg ten antwoord, dat mejuffrouw niet meer in de woning aanwezig was.
Mevrouw Bathory wenschte den bankier Silas Toronthal te spreken.
De bankier was daags te voren vertrokken. Hij had de stad verlaten zonder te zeggen, waarheen hij trok en had het jonge meisje medegenomen. Voor de buitenwereld kon daarin niets vreemds gelegen zijn. Eene dochter met haren vader![131]
Mevrouw Bathory werd dermate door die tijdingen geschokt, dat zij wankelde en voorzeker zou ter aarde gestort zijn, wanneer zij niet door Borik opgevangen was geworden, die haar gevolgd was en eindelijk ingehaald had.
Maar toen de oude dienaar haar in hare woning in de Marinella-straat teruggevoerd had, zeide zij hem met fluisterende stem:
„Morgen, Borik, gaan wij te zamen eene luisterrijke huwelijksplechtigheid bijwonen.”
„Eene huwelijksplechtigheid?” vroeg de oude man bekommerd over het uiterlijke der arme vrouw.
„Ja, wij samen!”
„Van Sava met Piet!”
Helaas! mevrouw Bathory was krankzinnig geworden.
Was dat te verwonderen?