[Inhoud]VIII.IN DE OMSTREKEN VAN MALTA.Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden, die hij dacht, dat voor hem verloren was.Zijne moeder!.…Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware overlijden van haren zoon te laten!Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.Maar, Sava!.…Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te[132]vergeten! Hoe zou dat ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen mededeelen.Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner krachten moesten medewerken.De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen daarvoor kunnen vrijwaren!Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen krijgen?Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken! Daaromtrent bestond geen twijfel.„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!” herhaalde steeds de dokter.En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te bereiken!Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt geworden was?Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden, die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede als ten verderve zal beheerschen.[133]Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre afstanden te bezigen.Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht, zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord gesproken is, zijne buitengewoon snelvarendeElectriekskunnen laten vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen, die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst voorzien.De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond vooreerst uit de goeletSavarena, welke wij reeds kennen, uit het stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, deFerratogenaamd, hetwelk zeven of achthonderdtonnen meette, en uit drieElectrieks, waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt mogelijk.[134]Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El Madi, uitermate begunstigd hebben.Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die deballistischevindingrijkheid der XIXdeeeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld, bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde eene sterkte vanvijf-of zeshonderd mannen, en dat was eene macht, waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had, als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten had.Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel, hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten, alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen hunne daken onder de dichte schaduwen[135]van hoog geboomte. Eenige waren van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na. Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en steeds overvloedig voorzien bleven.Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners, leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen, zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke onafhankelijkheid prijs te geven.Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo gelukkig als ooit eenvolksstamgeweest is en zijn zal.Ubi bene, ibi patria!Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig enrampzaligin hunne geboorteplaatsen een kommervol leven voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat gastvrij eiland vonden.Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof, devolksplantersnoemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar deprimus inter pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd, als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het Oosten verleend had.Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle[136]doeleinden, zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s, een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen de dokter, de eenige geneesheer van de kleinevolksplanting, zijne zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben durven droomen!„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend, terwijl hij zich de handen wreef.„Hoe meent gij?”„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde Pescadospunt!”„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen stand, vrees ik.”„Hoe bedoelt gij dat?”„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.„Wij moeten onderwijs genieten.…”„Onderwijs?”„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de spraakkunst.…”„He!.… in de spraakkunst?.… Alsof gij niet praten kunt …”„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat wij.…”„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartigeHercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen.…”[137]Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)[138]„Dat is waar, maar.…”Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen, dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s Gravenhage.Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die hoogst noodzakelijk was.Overigens moedigde PietBathoryPescadospunt zeer aan, wiens ongemeen schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan Pescadospunt hechtte.Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de familie Toronthal gade te slaan?Was hij niet in deStradona-laanaanwezig, toen Sava, bij het voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen gedragen was geworden?O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel gehad had!Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan elkander verbond.Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan ten uitvoer zou leggen.Dubbel plan, ja!Eerst beloonen; daarna straffen!Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen.[139]Dat was eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader, Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.Waarheen waren zij getrokken?Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde gespaard werden.Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory volkomen.Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging. Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.Zoo was toen de toestand.De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren. Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die konden hem dus niet ontsnappen.Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen, wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20stenAugustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas Toronthal, van Sava en van Sarcany,alsook de verdwijning[140]van mevrouw Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij zich begeven hadden.Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend optreden.Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde spelen!„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen man aankeek.„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.„Dat kan niet, mijn zoon.”„O, vergeef mij.… Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.… Waar zullen wij.…”Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.… De naam van Sava lag op zijne lippen.Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in de rede te vallen, door te zeggen:„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee ellendelingen wenden.”„Maar waar hen op te sporen?”„Waar?.… Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door Mathias Sandorf afgeluisterd werd.Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk zouden maken.Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory althans iets.Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om[141]op het eerste teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal, Sarcany en Carpena waren.„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.… En in mijne meening heb ik mij zelden vergist.”En tot Kaap Matifou fluisterde hij:„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de tijd gaat komen.”„Weldra?”De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:„Maar wacht op het slotwoord.”Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.DeFerratolag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen. Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen gevuld, de kruitkamer goed voorzien.… Het sloeg acht uren toen eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig. Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.DeFerrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen, werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met de beste van de geheele aarde.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat deFerratomet het meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers[142]alle gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte, die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit twee luitenants ter zee.De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan werden door twee kolenruimwerkers.Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig matrozen.In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle flinke borsten.Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder vrij gunstige omstandigheden volvoerd.Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo kon de gezagvoerder van deFerratotoch eene merkwaardige snelheid verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig, zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden, en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk neutraliseerden.Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij ondervonden, geen oog sloten.Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig[143]mijlen afgelegd. De bries woeisteedsuit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten, en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit, terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory goeden morgen.„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in uwe kooien doorgebracht?”„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk en opgeruimd.„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat gesmaakt?”„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het heerlijk was.”„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat hooren.”„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen scheepsbeschuit.”„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet Bathory lachende op.„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,”zei Pescadospunt op zijne beurt uitschaterende.Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel behagelijk.Intusschen stoomde deFerrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt, volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan voorzichtigheid heeten.Reeds had kapitein Köstrik zich afgevraagd, en had hij dan ook den dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een oppertje achter het eiland Maltate zoeken, welks kustlichten, tegen acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den dampkring werd al meer en meer dreigend.De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden[144]zich toen reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden. Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen- en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in, klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over boord gespoeld te worden.Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht, veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis, maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht ingetreden. De barometer bleef dalen.„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den gezagvoerder.„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik. „Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen. Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden, wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats LaVallettaaan te doen; maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde dokter Antekirrt, kalm en bedaard.[145]De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)[146]Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest deFerratoevenwel binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn, den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een toevluchtsoord te vinden.Zoo deedkapiteinKöstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere averij, zoowel aan den romp als aan de machine van deFerrato, te voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar voorzichtig zeeman.Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief. Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt? Hoe kon dat mogelijk zijn?Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden; terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde, terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu hand over hand onrustbarend worden.Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens[147]twintig mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal vervaardigd, daartegen was het niet bestand.Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het voornaamste!Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur bereikt.Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog, als het kon.Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in, terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren allerwege zichtbaar werden.„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende officieren op het achterschip herhaald.„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.DeFerratotoch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de nabijheid te ontwaren.De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen:[148]maar nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de dingen, die thans komen zouden.En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.… en in twintig minuten kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen, gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was gevaarvol!„Kluiver hijschen!.…Fok-en marszeilen bijzetten!.… Klaar bij het barkzeil!”.…De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.Maar de toestand, waarin deFerratozich bevond, was intusschen zeer gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen toestand geraakt.En zoo gebeurde het met deFerrato. Behalve dat het schip groote moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats vinden.Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaterster weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne monding te midden van die dikke duisternis[149]te vinden? Hoe te midden van die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te bereiken? Was dat wel mogelijk?Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvollemanoeuvrehebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het innood verkeerendevaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht gereefde zeilen naar deFerratotoestevende. Ongetwijfeld was het een visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de noodschoten van deFerratogehoord. Toen die signalen gegeven werden, bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de branding en stampte en slingerde hevig.Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast en onttakeld was, ter hulp te snellen.Wanneer deFerratonog te redden was, dan kon zij het slechts door hem worden.Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve kabellengte van de klippen verwijderd.De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van deFerratoaan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op hetzelfde oogenblik dat deFerratomet zijn voorsteven naar de rotsen gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen,[150]hield zij af, schoot het smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij den ingang der militaire haven, vallen. DeFerratowas gered. Uit aller borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman wendende:„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand toereikte.„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen toon.„Dat is waar, maar met levensgevaar!”„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee bevinden.”„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den jongen man scherp aankeek.„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik rustig doorstond.„Des te verdienstelijker is uwe daad!”„Gij zijt wel goed!.… Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel menschenlevens kan redden.…”„En hoe heet gij?”„Hoe ik heet?”„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te leeren kennen.”„Mijn naam?.… Luigi Ferrato!”„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.
[Inhoud]VIII.IN DE OMSTREKEN VAN MALTA.Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden, die hij dacht, dat voor hem verloren was.Zijne moeder!.…Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware overlijden van haren zoon te laten!Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.Maar, Sava!.…Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te[132]vergeten! Hoe zou dat ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen mededeelen.Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner krachten moesten medewerken.De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen daarvoor kunnen vrijwaren!Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen krijgen?Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken! Daaromtrent bestond geen twijfel.„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!” herhaalde steeds de dokter.En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te bereiken!Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt geworden was?Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden, die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede als ten verderve zal beheerschen.[133]Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre afstanden te bezigen.Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht, zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord gesproken is, zijne buitengewoon snelvarendeElectriekskunnen laten vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen, die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst voorzien.De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond vooreerst uit de goeletSavarena, welke wij reeds kennen, uit het stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, deFerratogenaamd, hetwelk zeven of achthonderdtonnen meette, en uit drieElectrieks, waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt mogelijk.[134]Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El Madi, uitermate begunstigd hebben.Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die deballistischevindingrijkheid der XIXdeeeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld, bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde eene sterkte vanvijf-of zeshonderd mannen, en dat was eene macht, waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had, als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten had.Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel, hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten, alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen hunne daken onder de dichte schaduwen[135]van hoog geboomte. Eenige waren van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na. Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en steeds overvloedig voorzien bleven.Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners, leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen, zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke onafhankelijkheid prijs te geven.Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo gelukkig als ooit eenvolksstamgeweest is en zijn zal.Ubi bene, ibi patria!Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig enrampzaligin hunne geboorteplaatsen een kommervol leven voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat gastvrij eiland vonden.Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof, devolksplantersnoemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar deprimus inter pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd, als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het Oosten verleend had.Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle[136]doeleinden, zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s, een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen de dokter, de eenige geneesheer van de kleinevolksplanting, zijne zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben durven droomen!„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend, terwijl hij zich de handen wreef.„Hoe meent gij?”„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde Pescadospunt!”„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen stand, vrees ik.”„Hoe bedoelt gij dat?”„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.„Wij moeten onderwijs genieten.…”„Onderwijs?”„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de spraakkunst.…”„He!.… in de spraakkunst?.… Alsof gij niet praten kunt …”„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat wij.…”„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartigeHercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen.…”[137]Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)[138]„Dat is waar, maar.…”Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen, dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s Gravenhage.Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die hoogst noodzakelijk was.Overigens moedigde PietBathoryPescadospunt zeer aan, wiens ongemeen schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan Pescadospunt hechtte.Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de familie Toronthal gade te slaan?Was hij niet in deStradona-laanaanwezig, toen Sava, bij het voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen gedragen was geworden?O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel gehad had!Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan elkander verbond.Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan ten uitvoer zou leggen.Dubbel plan, ja!Eerst beloonen; daarna straffen!Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen.[139]Dat was eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader, Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.Waarheen waren zij getrokken?Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde gespaard werden.Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory volkomen.Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging. Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.Zoo was toen de toestand.De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren. Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die konden hem dus niet ontsnappen.Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen, wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20stenAugustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas Toronthal, van Sava en van Sarcany,alsook de verdwijning[140]van mevrouw Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij zich begeven hadden.Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend optreden.Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde spelen!„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen man aankeek.„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.„Dat kan niet, mijn zoon.”„O, vergeef mij.… Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.… Waar zullen wij.…”Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.… De naam van Sava lag op zijne lippen.Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in de rede te vallen, door te zeggen:„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee ellendelingen wenden.”„Maar waar hen op te sporen?”„Waar?.… Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door Mathias Sandorf afgeluisterd werd.Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk zouden maken.Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory althans iets.Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om[141]op het eerste teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal, Sarcany en Carpena waren.„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.… En in mijne meening heb ik mij zelden vergist.”En tot Kaap Matifou fluisterde hij:„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de tijd gaat komen.”„Weldra?”De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:„Maar wacht op het slotwoord.”Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.DeFerratolag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen. Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen gevuld, de kruitkamer goed voorzien.… Het sloeg acht uren toen eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig. Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.DeFerrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen, werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met de beste van de geheele aarde.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat deFerratomet het meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers[142]alle gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte, die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit twee luitenants ter zee.De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan werden door twee kolenruimwerkers.Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig matrozen.In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle flinke borsten.Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder vrij gunstige omstandigheden volvoerd.Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo kon de gezagvoerder van deFerratotoch eene merkwaardige snelheid verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig, zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden, en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk neutraliseerden.Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij ondervonden, geen oog sloten.Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig[143]mijlen afgelegd. De bries woeisteedsuit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten, en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit, terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory goeden morgen.„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in uwe kooien doorgebracht?”„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk en opgeruimd.„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat gesmaakt?”„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het heerlijk was.”„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat hooren.”„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen scheepsbeschuit.”„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet Bathory lachende op.„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,”zei Pescadospunt op zijne beurt uitschaterende.Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel behagelijk.Intusschen stoomde deFerrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt, volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan voorzichtigheid heeten.Reeds had kapitein Köstrik zich afgevraagd, en had hij dan ook den dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een oppertje achter het eiland Maltate zoeken, welks kustlichten, tegen acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den dampkring werd al meer en meer dreigend.De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden[144]zich toen reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden. Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen- en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in, klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over boord gespoeld te worden.Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht, veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis, maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht ingetreden. De barometer bleef dalen.„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den gezagvoerder.„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik. „Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen. Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden, wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats LaVallettaaan te doen; maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde dokter Antekirrt, kalm en bedaard.[145]De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)[146]Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest deFerratoevenwel binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn, den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een toevluchtsoord te vinden.Zoo deedkapiteinKöstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere averij, zoowel aan den romp als aan de machine van deFerrato, te voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar voorzichtig zeeman.Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief. Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt? Hoe kon dat mogelijk zijn?Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden; terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde, terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu hand over hand onrustbarend worden.Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens[147]twintig mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal vervaardigd, daartegen was het niet bestand.Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het voornaamste!Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur bereikt.Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog, als het kon.Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in, terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren allerwege zichtbaar werden.„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende officieren op het achterschip herhaald.„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.DeFerratotoch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de nabijheid te ontwaren.De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen:[148]maar nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de dingen, die thans komen zouden.En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.… en in twintig minuten kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen, gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was gevaarvol!„Kluiver hijschen!.…Fok-en marszeilen bijzetten!.… Klaar bij het barkzeil!”.…De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.Maar de toestand, waarin deFerratozich bevond, was intusschen zeer gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen toestand geraakt.En zoo gebeurde het met deFerrato. Behalve dat het schip groote moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats vinden.Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaterster weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne monding te midden van die dikke duisternis[149]te vinden? Hoe te midden van die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te bereiken? Was dat wel mogelijk?Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvollemanoeuvrehebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het innood verkeerendevaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht gereefde zeilen naar deFerratotoestevende. Ongetwijfeld was het een visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de noodschoten van deFerratogehoord. Toen die signalen gegeven werden, bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de branding en stampte en slingerde hevig.Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast en onttakeld was, ter hulp te snellen.Wanneer deFerratonog te redden was, dan kon zij het slechts door hem worden.Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve kabellengte van de klippen verwijderd.De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van deFerratoaan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op hetzelfde oogenblik dat deFerratomet zijn voorsteven naar de rotsen gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen,[150]hield zij af, schoot het smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij den ingang der militaire haven, vallen. DeFerratowas gered. Uit aller borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman wendende:„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand toereikte.„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen toon.„Dat is waar, maar met levensgevaar!”„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee bevinden.”„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den jongen man scherp aankeek.„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik rustig doorstond.„Des te verdienstelijker is uwe daad!”„Gij zijt wel goed!.… Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel menschenlevens kan redden.…”„En hoe heet gij?”„Hoe ik heet?”„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te leeren kennen.”„Mijn naam?.… Luigi Ferrato!”„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.
VIII.IN DE OMSTREKEN VAN MALTA.
Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden, die hij dacht, dat voor hem verloren was.Zijne moeder!.…Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware overlijden van haren zoon te laten!Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.Maar, Sava!.…Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te[132]vergeten! Hoe zou dat ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen mededeelen.Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner krachten moesten medewerken.De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen daarvoor kunnen vrijwaren!Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen krijgen?Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken! Daaromtrent bestond geen twijfel.„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!” herhaalde steeds de dokter.En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te bereiken!Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt geworden was?Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden, die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede als ten verderve zal beheerschen.[133]Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre afstanden te bezigen.Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht, zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord gesproken is, zijne buitengewoon snelvarendeElectriekskunnen laten vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen, die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst voorzien.De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond vooreerst uit de goeletSavarena, welke wij reeds kennen, uit het stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, deFerratogenaamd, hetwelk zeven of achthonderdtonnen meette, en uit drieElectrieks, waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt mogelijk.[134]Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El Madi, uitermate begunstigd hebben.Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die deballistischevindingrijkheid der XIXdeeeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld, bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde eene sterkte vanvijf-of zeshonderd mannen, en dat was eene macht, waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had, als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten had.Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel, hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten, alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen hunne daken onder de dichte schaduwen[135]van hoog geboomte. Eenige waren van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na. Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en steeds overvloedig voorzien bleven.Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners, leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen, zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke onafhankelijkheid prijs te geven.Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo gelukkig als ooit eenvolksstamgeweest is en zijn zal.Ubi bene, ibi patria!Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig enrampzaligin hunne geboorteplaatsen een kommervol leven voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat gastvrij eiland vonden.Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof, devolksplantersnoemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar deprimus inter pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd, als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het Oosten verleend had.Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle[136]doeleinden, zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s, een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen de dokter, de eenige geneesheer van de kleinevolksplanting, zijne zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben durven droomen!„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend, terwijl hij zich de handen wreef.„Hoe meent gij?”„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde Pescadospunt!”„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen stand, vrees ik.”„Hoe bedoelt gij dat?”„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.„Wij moeten onderwijs genieten.…”„Onderwijs?”„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de spraakkunst.…”„He!.… in de spraakkunst?.… Alsof gij niet praten kunt …”„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat wij.…”„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartigeHercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen.…”[137]Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)[138]„Dat is waar, maar.…”Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen, dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s Gravenhage.Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die hoogst noodzakelijk was.Overigens moedigde PietBathoryPescadospunt zeer aan, wiens ongemeen schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan Pescadospunt hechtte.Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de familie Toronthal gade te slaan?Was hij niet in deStradona-laanaanwezig, toen Sava, bij het voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen gedragen was geworden?O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel gehad had!Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan elkander verbond.Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan ten uitvoer zou leggen.Dubbel plan, ja!Eerst beloonen; daarna straffen!Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen.[139]Dat was eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader, Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.Waarheen waren zij getrokken?Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde gespaard werden.Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory volkomen.Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging. Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.Zoo was toen de toestand.De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren. Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die konden hem dus niet ontsnappen.Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen, wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20stenAugustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas Toronthal, van Sava en van Sarcany,alsook de verdwijning[140]van mevrouw Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij zich begeven hadden.Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend optreden.Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde spelen!„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen man aankeek.„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.„Dat kan niet, mijn zoon.”„O, vergeef mij.… Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.… Waar zullen wij.…”Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.… De naam van Sava lag op zijne lippen.Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in de rede te vallen, door te zeggen:„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee ellendelingen wenden.”„Maar waar hen op te sporen?”„Waar?.… Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door Mathias Sandorf afgeluisterd werd.Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk zouden maken.Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory althans iets.Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om[141]op het eerste teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal, Sarcany en Carpena waren.„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.… En in mijne meening heb ik mij zelden vergist.”En tot Kaap Matifou fluisterde hij:„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de tijd gaat komen.”„Weldra?”De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:„Maar wacht op het slotwoord.”Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.DeFerratolag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen. Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen gevuld, de kruitkamer goed voorzien.… Het sloeg acht uren toen eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig. Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.DeFerrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen, werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met de beste van de geheele aarde.Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat deFerratomet het meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers[142]alle gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte, die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit twee luitenants ter zee.De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan werden door twee kolenruimwerkers.Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig matrozen.In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle flinke borsten.Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder vrij gunstige omstandigheden volvoerd.Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo kon de gezagvoerder van deFerratotoch eene merkwaardige snelheid verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig, zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden, en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk neutraliseerden.Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij ondervonden, geen oog sloten.Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig[143]mijlen afgelegd. De bries woeisteedsuit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten, en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit, terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory goeden morgen.„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in uwe kooien doorgebracht?”„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk en opgeruimd.„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat gesmaakt?”„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het heerlijk was.”„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat hooren.”„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen scheepsbeschuit.”„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet Bathory lachende op.„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,”zei Pescadospunt op zijne beurt uitschaterende.Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel behagelijk.Intusschen stoomde deFerrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt, volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan voorzichtigheid heeten.Reeds had kapitein Köstrik zich afgevraagd, en had hij dan ook den dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een oppertje achter het eiland Maltate zoeken, welks kustlichten, tegen acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den dampkring werd al meer en meer dreigend.De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden[144]zich toen reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden. Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen- en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in, klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over boord gespoeld te worden.Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht, veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis, maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht ingetreden. De barometer bleef dalen.„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den gezagvoerder.„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik. „Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen. Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden, wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats LaVallettaaan te doen; maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde dokter Antekirrt, kalm en bedaard.[145]De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)[146]Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest deFerratoevenwel binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn, den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een toevluchtsoord te vinden.Zoo deedkapiteinKöstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere averij, zoowel aan den romp als aan de machine van deFerrato, te voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar voorzichtig zeeman.Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief. Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt? Hoe kon dat mogelijk zijn?Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden; terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde, terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu hand over hand onrustbarend worden.Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens[147]twintig mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal vervaardigd, daartegen was het niet bestand.Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het voornaamste!Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur bereikt.Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog, als het kon.Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in, terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren allerwege zichtbaar werden.„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende officieren op het achterschip herhaald.„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.DeFerratotoch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de nabijheid te ontwaren.De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen:[148]maar nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de dingen, die thans komen zouden.En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.… en in twintig minuten kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen, gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was gevaarvol!„Kluiver hijschen!.…Fok-en marszeilen bijzetten!.… Klaar bij het barkzeil!”.…De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.Maar de toestand, waarin deFerratozich bevond, was intusschen zeer gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen toestand geraakt.En zoo gebeurde het met deFerrato. Behalve dat het schip groote moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats vinden.Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaterster weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne monding te midden van die dikke duisternis[149]te vinden? Hoe te midden van die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te bereiken? Was dat wel mogelijk?Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvollemanoeuvrehebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het innood verkeerendevaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht gereefde zeilen naar deFerratotoestevende. Ongetwijfeld was het een visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de noodschoten van deFerratogehoord. Toen die signalen gegeven werden, bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de branding en stampte en slingerde hevig.Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast en onttakeld was, ter hulp te snellen.Wanneer deFerratonog te redden was, dan kon zij het slechts door hem worden.Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve kabellengte van de klippen verwijderd.De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van deFerratoaan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op hetzelfde oogenblik dat deFerratomet zijn voorsteven naar de rotsen gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen,[150]hield zij af, schoot het smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij den ingang der militaire haven, vallen. DeFerratowas gered. Uit aller borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman wendende:„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand toereikte.„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen toon.„Dat is waar, maar met levensgevaar!”„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee bevinden.”„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den jongen man scherp aankeek.„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik rustig doorstond.„Des te verdienstelijker is uwe daad!”„Gij zijt wel goed!.… Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel menschenlevens kan redden.…”„En hoe heet gij?”„Hoe ik heet?”„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te leeren kennen.”„Mijn naam?.… Luigi Ferrato!”„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.
Piet Bathory zag, terwijl die gebeurtenissen, die hem van zoo nabij aangingen, te Ragusa voorvielen, te Antekirrta zijn gezondheidstoestand van dag tot dag, van uur tot uur verbeteren.
Zijne wond boezemde weldra geene ongerustheid meer in en de genezing zou binnen korten tijd volkomen zijn. Maar hoe ongelukkig moest de jonge man zich gevoelen, als hij aan zijne moeder dacht!
Hoezeer moest hij lijden, wanneer zijne gedachten bij Sava verwijlden, die hij dacht, dat voor hem verloren was.
Zijne moeder!.…
Maar het was onmogelijk om haar onder den indruk van dat onware overlijden van haren zoon te laten!
Er was dan ook overeengekomen, dat men haar uiterst voorzichtig omtrent de ware toedracht zoude inlichten, opdat zij zich bij haren zoon te Antekirrta zoude kunnen voegen. Een van de agenten van den dokter had in opdracht, haar gedurende het herstellingstijdperk van Piet niet uit het oog te verliezen, en dat herstel kon niet lang meer uitblijven.
Maar, Sava!.…
Piet had zich voorgenomen, nimmer over haar tot dokter Antekirrt te spreken. Maar hoewel hij thans meenen moest, dat zij de echtgenoote van Sarcany was, was het hem niet mogelijk haar te[132]vergeten! Hoe zou dat ook kunnen? Had hij opgehouden haar lief te hebben, hoewel zij voor hem thans de dochter van Silas Toronthal was? Neen, duizendmaal neen! Was Sava schuldig? Was zij verantwoordelijk voor de misdaad van haren vader? En toch, die laaghartige misdaad had Stephanus Bathory, zijn vader, het leven gekost! O, een tweestrijd ontwikkelde zich in de borst van den jongeling, en hij alleen, hij Piet Bathory, zou het verschrikkelijke en onophoudelijke lijden daarvan hebben kunnen mededeelen.
Dokter Antekirrt gevoelde dat. Om dan ook een anderen loop aan de gedachten van den jongen man te verleenen, herinnerde hij hem onophoudelijk de noodzakelijkheid tot uitoefening der rechtspleging die zij op zich genomen hadden en waartoe zij beiden naar gelang hunner krachten moesten medewerken.
De verraders moesten gestraft worden, en dat zouden zij! Niets zou hen daarvoor kunnen vrijwaren!
Maar hoe zou men hen bereiken? Hoe zou men die ellendelingen in handen krijgen?
Daaromtrent was nog niets beslist. Maar men zou hen bereiken! Daaromtrent bestond geen twijfel.
„Er bestaan duizend en meer wegen, daarentegen maar één doel!” herhaalde steeds de dokter.
En als het moest zijn, zou hij duizend wegen volgen, om dat doel te bereiken!
Gedurende de laatste tijden van zijn herstel mocht Piet over en door het eiland Antekirrta wandelen en mocht het bezichtigen, hetzij wandelende te voet, hetzij gemakkelijk gezeten in een rijtuig.
Wie zou inderdaad geene bewondering gevoeld hebben, bij het zien van hetgeen die kleine volksplanting onder het bestuur van dokter Antekirrt geworden was?
Vooreerst was men steeds bezig met aan de vestingwerken te arbeiden, die de stad, welke aan den voet van den kegelberg gebouwd was, alsook de haven en het geheele eiland zelf tegen eene gewelddadige aanranding moesten beschermen. Wanneer die werken voltooid zouden zijn, wanneer die batterijen bewapend zouden zijn met zware kanonstukken van groote dracht, die overal, maar vooral op de meest blootgestelde punten kruisvuren zouden daarstellen, dan zou de nadering van ieder vijandelijk vaartuig onmogelijk gemaakt zijn.
De electriciteit zou eene belangrijke rol bij dat verdedigingsstelsel vervullen, zoowel om de torpedo’s te doen ontploffen, waarmede het vaarwater, dat toegang tot het eiland verleende, bezaaid was, als tot ontbranding der kanonstukken zelven. De dokter had de meest verrassende uitkomsten bekomen van dit middel, hetwelk de toekomst zoowel ten goede als ten verderve zal beheerschen.[133]
Een centrale inrichting, waar door middel van stoom de noodige beweegkracht voortgebracht werd, en waartoe dan ook een zeker getal stoomketels aanwezig waren, bediende twintig dynamo-werktuigen van een geheel nieuw stelsel, dat de volkomenheid zeer nabij kwam. Daar werden stroomingen opgewekt, die door bijzondere accumulatoren van eene buitengewone spankracht opgegaard en zoo ten behoeve van de verschillende diensten op Antekirrta verstrekt werden, zooals van de waterleiding over het geheele eiland, van de verlichting der stad, van het telegraaf- en telephoon-wezen van de beweegkracht over stalen sporen rondom de stad en door het innerlijke van het eiland. In één woord, de dokter, voorgelicht door de ernstige studiën in zijne jeugd verricht, had een der droombeelden van de moderne wetenschap verwezenlijk, namelijk om de electriciteit als beweegkracht op verre afstanden te bezigen.
Daar nu had hij, dank deze zoo practische toegepaste beweegkracht, zijne vaartuigen, waaromtrent hierboven reeds met een enkel woord gesproken is, zijne buitengewoon snelvarendeElectriekskunnen laten vervaardigen, die hem gedoogden met grootere snelheid dan die van een sneltrein, van het eene uiteinde der Middellandsche zee naar het andere te ijlen. Vooral deze vinding mocht onschatbaar heeten.
Daar evenwel de steenkolen onontbeerlijk waren voor de stoomwerktuigen, die dienen moesten om de stroomingen op te wekken, zoo was er steeds een belangrijke voorraad van dîe brandstof in de kolenloodsen van het eiland Antekirrta aanwezig, en die voorraad werd voortdurend aangevuld door een kolenschip, dat te Newcastle in Schotland of te Swansea, of Cardiff in Engeland laden ging. Zoo was doelmatig in dezen dienst voorzien.
De havenkom, langs welker binnenbaai de kleine stad zich amphitheatersgewijs op den heuvelachtigen oever verhief, was een natuurlijk bekken in den bergwand ingesneden, maar door belangrijke werkzaamheden zeer verbeterd geworden. Twee kaden, een pierdam en een golfbreker, verleende er alle veiligheid aan, van welken kant de wind ook woei. Overal was de diepte in de haven voldoende, zelfs tot vlak bij de kademuren. Dus bij alle heerschende winden bestond er volkomen veiligheid voor de flotilje van Antekirrta. Die flotilje bestond vooreerst uit de goeletSavarena, welke wij reeds kennen, uit het stoomschip, dat bestemd was om de steenkolen te Swansea, Cardiff of Newcastle te gaan innemen, uit een stoomjacht, deFerratogenaamd, hetwelk zeven of achthonderdtonnen meette, en uit drieElectrieks, waarvan twee als torpedobooten ingericht waren, die dus uiterst krachtdadig en zeer nuttig het hunne tot de verdediging van het eiland konden bijbrengen. Het zeewezen van het eiland was dus zoo volmaakt mogelijk.[134]
Antekirrta zag dan ook onder den invloed van den dokter zijne weerstandsmiddelen met den dag vermeerderen. De zeeschuimers van de Tripolitaansche en van de Cyrenaïsche streken wisten dat zeer goed en hielden zich ook voorzichtigheidshalve op eerbiedigen afstand.
Toch was het hun grootste wensch,—en dat was wel te begrijpen,—dat eiland te kunnen bemachtigen; want het bezit daarvan zou de plannen van den grootmeester der broederschap van het Senousismus, Sidi Mohammed El Madi, uitermate begunstigd hebben.
Maar die dweeper was bekend met de moeielijkheden, aan zulk eene onderneming verbonden, en daarom wachtte hij een gunstig oogenblik, om handelend op te kunnen treden, met dat geduld, hetwelk een der voornaamste kenmerkende eigenschappen van het Arabische karakter uitmaakt. Dat geduld zou evenwel nog hard op de proef gesteld worden.
Het was den dokter niet onbekend, dat die dweeper het oog op zijn schoon Antekirrta geslagen had, en daarom bevorderde hij zijne verdedigingswerken zoo veel hem maar mogelijk was. Om die vestingwerken aan te kunnen tasten, wanneer zij voltooid zouden zijn, zou men die moderne vernielingswerktuigen moeten bezigen, die deballistischevindingrijkheid der XIXdeeeuw kenmerkt. En die werktuigen bezaten de Senousisten nog niet. De mannelijke bewoners van Antekirrta, van achttien jaren tot veertig jaren, waren reeds in compagniën ingedeeld, bezaten voortreffelijke en snelvurende zekerheidswapenen en werden ijverig geoefend in de behandeling van het geschut, waarbij zij aangevoerd werden door chefs, uit hun midden gekozen. Die militie telde eene sterkte vanvijf-of zeshonderd mannen, en dat was eene macht, waarop in tijd van nood gerekend kon worden en waarmede alsdan niet te spotten viel, of die zelfs niet te minachten was.
Eenige volksplanters bewoonden wel is waar ettelijke hoeven, die in de vlakte verspreid lagen; maar het meerendeel der ingezetenen bewoonde de kleine stad, die den Transylvanischen naam van Artenak ontvangen had, als vaderlandsche herinnering aan het feodale domein, hetwelk graaf Mathias Sandorf op de hellingen van het Karpathisch gebergte bezeten had.
Artenak had een zeer schilderachtig voorkomen. Dat stadje evenwel, hetwelk hoogstens een paar honderd huizen bevatte, in plaats van op Amerikaansche wijze schaakvormig met rechtlijnige lanen en straten, alsof zij langs een touwtje gebouwd zijn, aangelegen te zijn, had eene geheel andere bouworde. De woningen verhieven zich vrij ordeloos uit hunne frissche tuinen op de oneffenheden van den bodem en verborgen hunne daken onder de dichte schaduwen[135]van hoog geboomte. Eenige waren van Europeeschen bouwtrant, anderen bootsten de Arabische vormen na. Het was een mengelmoes, dat zich verhief langs de murmelende beek, die door de hoogdrukwerktuigen van heerlijk helder water voorzien werden en steeds overvloedig voorzien bleven.
Dat alles was frisch, bevallig, aantrekkelijk en bekoorlijk. Het was eene stad in de bescheiden beteekenis van het woord—waarin de bewoners, leden eener zelfde familie, aan het gemeenschappelijk leven deelnamen, zonder de vrede verstoord te zien en zonder de huiselijke onafhankelijkheid prijs te geven.
Ja, zij waren gelukkig, die ingezetenen van het eiland Antekirrta! Zoo gelukkig als ooit eenvolksstamgeweest is en zijn zal.
Ubi bene, ibi patria!Waar men het goed heeft, daar is het vaderland!
is ongetwijfeld eene weinig vaderlandslievende uiting; maar men zal haar die brave lieden wel willen vergeven, die op de roepstem van dokter Antekirrt daar samengevloeid waren, maar die voorheen ellendig enrampzaligin hunne geboorteplaatsen een kommervol leven voortsleepten, en nu het geluk en een onbekrompen bestaan op dat gastvrij eiland vonden.
Wat de woning van het hoofd der kolonie, van dokter Antekirrt betrof, devolksplantersnoemden haar het Stadhuis, dat eigenlijk meer het gemeentehuis was. Daar woonde niet de meester, maar deprimus inter pares, de eerste onder zijns gelijken. Dat was een van die overheerlijke Moorsche woningen met hare miradora’s, met hare moucharaby’s, met haar innerlijke patio’s, met hare galerijen, met hare zuilen, met hare portieken, met hare fonteinen, met hare zalen en vertrekken, die door kunstvaardige werklieden, welke daartoe opzettelijk uit de Arabische provinciën overgekomen waren, versierd werden. Tot bouwstoffen waren de meest kostbare materialen gebezigd, als marmer, onyxsteenen, die uit den zoo rijken berg Filfilla, langs de baai van Numidië op weinige kilometers van Philippeville gelegen, door een wetenschappelijk mijnbouwkundige, met een ware kunstenaarsziel begaafd, ontgind waren. Die koolzure kalkverbindingen hadden zich uitstekend geleend om de dichterlijke opvattingen van den kunstvaardigen bouwmeester te verwezenlijken, en onder het weelderig Afrikaansch klimaat hadden zij reeds die rijke tinten, die vergulde schakeering aangenomen, die de zon als met een penseel er over gestreken, met den punt harer stralen aan die kunstschatten in het Oosten verleend had.
Op den achtergrond werd Artenak beheerscht door den bevalligen klokketoren van een klein bedehuis, waarvoor dezelfde steengroeve haar wit en zwart marmer geleverd had, en die zich tot alle[136]doeleinden, zoowel van de beeldhouwkunst als van de bouwkunst, voortreffelijk leende. De blauwachtige turquinos, de gele aderen en vertakkingen van die marmersoort, kwamen overheerlijk uit en maakten haar tot eene geduchte mededingster van de voortbrengselen der mijngangen van Carare en van Paros, de beroemdste der geheele aarde.
Buiten de stad verhieven zich op de naburige heuvelvormingen andere woningen, die een meer onafhankelijken vorm vertoonden, eenige villa’s, een klein hospitaal, dit laatste in een hoogeren luchtstreek, waarheen de dokter, de eenige geneesheer van de kleinevolksplanting, zijne zieken wilde zenden, wanneer hij er namelijk zou hebben. Vervolgens verrezen langs de hellingen, die naar den zeekant afdaalden, andere fraaie woningen en vormden daar eene werkelijke badplaats. Een der best ingerichte onder die woningen, maar stevig en beknopt als een klein blokhuis gebouwd, en dicht bij den pier gelegen, verrukte den blik en zou men de villa Pescados of villa Matifou hebben kunnen heeten.
Het was daar inderdaad dat de twee onafscheidelijke vrienden gehuisvest waren, in gezelschap van een saïs, een Arabische bediende, die hun toegevoegd was en waarover zij zich zeer tevreden betoonden.
Neen, nooit zouden zij vroeger zulk eene gelukkige toekomst hebben durven droomen!
„Wij leven lekkertjes hier,” herhaalde Kaap Matifou voortdurend, terwijl hij zich de handen wreef.
„Hoe meent gij?”
„Lekkertjes! Zie je, wat men noemt lekkertjes, mijn waarde Pescadospunt!”
„Al te lekker!” meende Pescadospunt, „en het is waarlijk boven onzen stand, vrees ik.”
„Hoe bedoelt gij dat?”
„Ziet ge, Kaap Matifou, iets hindert mij. En dat nog wel zeer sterk.”
„Wat dan, in Gods naam?” vroeg de reus, die in de lucht staarde, alsof hij zocht, waar dat hinderlijke zijn mocht.
„Wij moeten onderwijs genieten.…”
„Onderwijs?”
„Ja, wij moeten naar school gaan, prijzen behalen in de spelkunst en de spraakkunst.…”
„He!.… in de spraakkunst?.… Alsof gij niet praten kunt …”
„Wij moeten diploma’s van knapheid erlangen! Getuigschriften, dat wij.…”
„Maar gij zijt onderwezen, Pescadospunt,” antwoordde de trouwhartigeHercules. „Gij kunt lezen, schrijven, rekenen.…”[137]
Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)
Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen. (Bladz. 142.)
[138]
„Dat is waar, maar.…”
Inderdaad, met zijn reusachtige kameraad vergeleken, kon de kleine Pescadospunt voor een wetenschappelijk man doorgaan. Maar in werkelijkheid gevoelde de arme drommel maar al te zeer, wat aan zijne vorming ontbrak. Waar en wanneer zou hij iets geleerd hebben, hij die nimmer eene andere school bezocht had dan het Lyceum van de karpers in de vijvers te Fontainebleau, of zooals wij Nederlanders zouden zeggen, dan de Hoogere Burgerschool van de herten in de Koekamp te ’s Gravenhage.
Maar hij was thans een trouwe bezoeker van de openbare boekerij te Artenak, hij trachtte te leeren, hij las, hij blokte, terwijl Kaap Matifou zich den tijd ten nutte maakte om met verlof van dokter Antekirrt veel zand te verzetten, veel rotsen op het strand op te stapelen, ten einde eene kleine visschershaven aan te leggen, die hoogst noodzakelijk was.
Overigens moedigde PietBathoryPescadospunt zeer aan, wiens ongemeen schrander brein hij had leeren waardeeren. Hij begreep dat zulke geestvermogens slechts oefening vereischten. Hij had zich tot professor van den gewezen potsenmaker opgeworpen, en leidde zijn onderwijs zoodanig, dat zijn leerling een volledig en grondig elementair onderricht deelachtig werd. Deze maakte snelle vorderingen, dat moet gezegd worden; maar er waren nog andere redenen waarom Piet zich aan Pescadospunt hechtte.
Was hij niet belast geweest met de opdracht, om de woning van de familie Toronthal gade te slaan?
Was hij niet in deStradona-laanaanwezig, toen Sava, bij het voorbijrijden van zijn begrafenisstoet, bewusteloos naar binnen gedragen was geworden?
O, Pescadospunt had natuurlijk meer dan eens het verhaal moeten leveren van die droevige gebeurtenissen, waaraan hij een onmiddellijk aandeel gehad had!
Hem, hem alleen, kon Piet Bathory dus daarover onderhouden. En dat hij er over sprak, wanneer zijn gemoed vol was en hij niet alles binnen de grenzen van zijn hart besluiten kon, wie zal dat kunnen wraken?
Maar daardoor werd een innige band geboren, welke die beide mannen aan elkander verbond.
Het oogenblik naderde evenwel, dat dokter Antekirrt zijn dubbel plan ten uitvoer zou leggen.
Dubbel plan, ja!
Eerst beloonen; daarna straffen!
Wat hij helaas niet had kunnen volbrengen voor Andreas Ferrato, die weinige maanden na zijne veroordeeling in het bagno van Stein overleden was, dat wilde hij ten uitvoer leggen jegens zijne kinderen.[139]Dat was eene treurige verplichting, hem door de dankbaarheid opgelegd.
Ongelukkig, welke nasporingen zijne agenten ook in het werk gesteld hadden, welke moeite zij zich ook gegeven hadden, zoo waren zij er nog niet in geslaagd om te weten te komen wat er van Luigi en van zijne zuster geworden was. Beiden hadden, na den dood van hunne vader, Rovigno en zelfs de provincie Istrië verlaten en waren dus voor den tweeden keer de ballingschap te gemoet getreden.
Waarheen waren zij getrokken?
Dat wist niemand, en dat kon ook niemand zeggen.
Dat was wel eene reden van kommer voor den dokter. Hij gaf evenwel den moed niet op om de kinderen terug te vinden van den man, die zich voor hem opgeofferd had. Op zijn bevel werden dan ook de nasporingen onophoudelijk voortgezet, terwijl geene kosten voor dat doeleinde gespaard werden.
Wat mevrouw Bathory betrof, koesterde hij slechts één wensch en die was, dat zij naar Antekirrta mocht komen. Maar de dokter wilde de voordeelen benuttigen van den vermeenden dood van Piet, zoo als hij inderdaad partij trok van zijn eigen vermeend overlijden. Hij bracht den jongen man aan het verstand, dat het noodzakelijk was, om met de uiterste omzichtigheid te werk te gaan. Dat begreep Piet Bathory volkomen.
Van den eenen kant daarenboven wilde de dokter ook wachten, totdat de herstellende jongeling genoegzaam krachten zou herkregen hebben, om den veldtocht mede te kunnen maken, dien hij ontworpen had; en van den anderen kant,—hij wist dat door het overlijden van mevrouw Toronthal het huwelijk van Sava met Sarcany uitgesteld was,—had hij besloten niets te ondernemen voor dat dit voltrokken was. Anders zouden zijne berekeningen wel eens kunnen falen. Een zijner agenten, die te Ragusa was, hield hem trouw op de hoogte van alles, wat daar ter stede omging. Deze moest het huis van mevrouw Bathory in de Marinella-straat met dezelfde nauwkeurigheid gadeslaan als de woning in de Stradona-laan.
Zoo was toen de toestand.
De dokter wachtte met ongeduld, dat iedere oorzaak van vertraging uit den weg geruimd zoude zijn. Hij wist nog niet, wat er van Carpena geworden was; diens spoor had men na zijn vertrek van Rovigno verloren. Maar Silas Toronthal en Sarcany waren steeds te Ragusa gevestigd, die konden hem dus niet ontsnappen.
Wanneer dat alles goed begrepen is, dan zal de lezer oordeelen kunnen, wat dokter Antekirrt ondervinden moest, toen hij op den 20stenAugustus, een telegram langs den electrischen draad over Malta naar Antekirrta op het Stadhuis ontving, die eerst het vertrek van Silas Toronthal, van Sava en van Sarcany,alsook de verdwijning[140]van mevrouw Bathory en van Borik meldde, die allen Ragusa verlaten hadden, zonder dat men hen op het spoor kon komen, zonder dat men wist, waarheen zij zich begeven hadden.
Toen wilde de dokter niet langer dralen. Hij moest, hij zou handelend optreden.
Hij liet Piet bij zich komen en verheelde hem niets van de tijding, die hij zoo even vernomen had. Welke slag dat voor den jongen man was, laat zich begrijpen. Zijne moeder verdwenen, Sava, God weet waarheen gesleurd! En door wien? Door dien Silas Toronthal, die haar, daaraan viel niet te twijfelen, dien laaghartigen Sarcany in handen wilde spelen!
„Wij vertrekken morgen,” zei dokter Antekirrt, terwijl hij den jongen man aankeek.
„Waarom morgen? Neen, heden nog!” riep Piet uit.
„Dat kan niet, mijn zoon.”
„O, vergeef mij.… Maar waar zullen wij mijne moeder zoeken?.… Waar zullen wij.…”
Hij haperde en voleindigde zijn gedachtengang niet.… De naam van Sava lag op zijne lippen.
Dokter Antekirrt, die raadde wat er in hem omging, haastte zich hem in de rede te vallen, door te zeggen:
„Ik weet niet, of er een eenvoudig toeval het samenvallen van die twee gebeurtenissen aan te nemen is. Hebben Silas Toronthal en Sarcany de hand in de verdwijning van mevrouw Bathory? Dat zullen wij wel te weten komen; maar wij moeten ons in de eerste plaats tot die twee ellendelingen wenden.”
„Maar waar hen op te sporen?”
„Waar?.… Wel in Sicilië,” antwoordde dokter Antekirrt.
De lezer zal zich het gesprek nog wel herinneren, dat tusschen Sarcany en Zirone gevoerd werd in den vestingtoren van Pisino en dat door Mathias Sandorf afgeluisterd werd.
Zirone had toen van Sicilië gesproken als van het tooneel zijner gewone heldenbedrijven, terwijl hij zijn makker uitgenoodigd had daarheen te stevenen, wanneer de omstandigheden dat vroeg of laat noodzakelijk zouden maken.
Dokter Antekirrt had die bijzonderheid zorgvuldig onthouden zoowel als Zirone’s naam. Dat was, men moet ’t beamen, slechts eene zwakke aanwijzing, maar bij gebrek aan eenige andere, kon zij er toe leiden om de wrekers op het spoor van Silas Toronthal en Sarcany te voeren.
Er werd dus tot onverwijld vertrek besloten. Dat was voor Piet Bathory althans iets.
Pescadospunt en Kaap Matifou werden gewaarschuwd, dat zij den dokter zouden vergezellen en moesten zich gereed houden om[141]op het eerste teeken te vertrekken. Pescadospunt vernam toen, wie Silas Toronthal, Sarcany en Carpena waren.
„Die schurken!” zei hij. „Ik dacht het wel!.… En in mijne meening heb ik mij zelden vergist.”
En tot Kaap Matifou fluisterde hij:
„Gij zult, denk ik, ten tooneele moeten verschijnen. Ik meen dat de tijd gaat komen.”
„Weldra?”
De kleine man knikte bevestigend; bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen:
„Maar wacht op het slotwoord.”
Dienzelfden avond had het vertrek reeds plaats.
DeFerratolag met stoom op en steeds gereed om zee te kiezen. Levensmiddelen waren er steeds aan boord, hare kolenhokken waren steeds stampvol, hare kompassen steeds nauwkeurig geregeld, de waterruimen gevuld, de kruitkamer goed voorzien.… Het sloeg acht uren toen eindelijk het anker gelicht werden en het vaartuig wegstoomde.
Van uit het binnenste gedeelte van de Groote Syrte tot aan de zuidelijkste punt van het Sicilië, dat wil zeggen: tot vlak tegenover Kaap Portio di Palo, kan gerekend worden op negen honderd mijlen. Om dien afstand af te leggen, had het vlugge stoomjacht, wiens snelheid achttien mijlen in het uur bedroeg, slechts anderhalf etmaal noodig. Dat was waarlijk een kort tijdsbestek.
DeFerrato, die kruiser van de Antekirrtsche zeemacht, was een bewonderenswaardig vaartuig. Het was in Frankrijk, op de scheepstimmerwerven van de Loire gebouwd, en kon eene daadwerkelijke kracht van ongeveer vijftienhonderd paarden ontwikkelen. Zijne ketels waren volgens het stelsel Belleville vervaardigd, een stelsel waarbij de buizen het water en niet de vlammen van den oven bevatten,—en hadden het voordeel van weinig steenkolen te verbruiken, van een schelle stoomontwikkeling toe te laten, van gemakkelijk eene verhoogde stoomspanning in het leven te roepen, zelfs tot van vijftien en twintig kilogrammen, zonder dat gevaar van springen van den ketel te vreezen was. De afgewerkte stoom, door zoogenaamde herverwarmers opgevangen, werd zoo de krachtdadige agent van eene mechanische werking van eene buitengewone spanning en verleende aan het stoomjacht, hoewel het minder smal en rank was dan de adviesbooten van de Europeesche oorlogssmaldeelen, eene zoodanige snelheid, dat het voor geen dier vaartuigen behoefde onder te doen. Het kon zich in waarheid meten met de beste van de geheele aarde.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat deFerratomet het meest mogelijke comfort ingericht was, en dat zij haren passagiers[142]alle gemakken, die maar te bedenken waren, aanbood. Het vaartuig voerde bovendien vier stalen kanons van het achterlaadstelsel, die overbanks konden vuren, bovendien nog twee revolverkanons van het stelsel Hotchkiss en twee Gatling mitrailleuses. Behalve dat, was het voorschip nog bewapend met een lang jaagstuk, dat op een afstand van zes kilometers een conisch projectiel van dertien centimeter kon voortdrijven. Eene zeer eerbiedwaardige bewapening dus.
Het état-major bestond uit een kapitein, een Dalmatiër van geboorte, die Köstrik heette, uit een eersten officier, onderbevelhebber, en uit twee luitenants ter zee.
De machine werd gedreven door een eersten en een tweeden werktuigkundige, door vier stokers, die daarenboven nog bijgestaan werden door twee kolenruimwerkers.
Voor den dienst der kombuis en tot bediening der salons en hutten waren vooreerst aanwezig: een uitmuntend hofmeester, dan twee koks, ware specialiteiten in hun vak, en drie saïs of bijloopers, terwijl de bemanning bestond uit een constabel, twee kwartiermeesters en dertig matrozen.
In het geheel dus vier officieren en zeven en veertig manschappen, alle flinke borsten.
Gedurende de eerste uren werd het verlaten van de baai van Sidra onder vrij gunstige omstandigheden volvoerd.
Hoewel de wind tegen was en vrij hard uit het noordwesten blies, zoo kon de gezagvoerder van deFerratotoch eene merkwaardige snelheid verleenen en die ook volhouden. Hij kon echter van zijn zeiltuig, zooals van fok, fokkemars, fokkebram, grootzeil, grootmars- en grootbramzeil en barkzeil geen gebruik maken.
Gedurende den nacht konden dokter Antekirrt en Piet Bathory in hunne elkander grenzende hutten, die zij in het achterschip betrokken hadden, en Pescadospunt en Kaap Matifou in hunne hutten in het voorschip, de meest gewenschte rust genieten, zonder zich te verontrusten over de bewegingen van het stoomjacht, dat evenals elk snelvarend vaartuig tamelijk slingerde. De slaapplaatsen waren evenwel van veerkrachtige toestellen voorzien, die de slingeringen zooveel mogelijk neutraliseerden.
Om evenwel der waarheid getrouw te blijven, moet verteld worden dat al ontbrak de slaap niet aan de beide gewezen acrobaten, evenwel dokter Antekirrt en Piet Bathory ten gevolge van ongerustheid, die zij ondervonden, geen oog sloten.
Toen den volgenden ochtend de passagiers op het dek verschenen, waren gedurende de twaalf uren, die sedert het vertrek van het eiland Antekirrta verstreken waren, meer dan honderdtwintig[143]mijlen afgelegd. De bries woeisteedsuit denzelfden hoek, namelijk uit het noordwesten, en toonde waarlijk neiging, om nog aan te wakkeren. Bij het opkomen der zon zag de gezichteinder er somber, dreigend en stormachtig uit, terwijl de drukkende dampkring, door den barometer duidelijk aangegeven, eene worsteling der elementen deed voorzien.
Pescadospunt en Kaap Matifou wenschten dokter Antekirrt en Piet Bathory goeden morgen.
„Dank je, vrienden,” hernam de dokter. „Hebt gij een goeden nacht in uwe kooien doorgebracht?”
„Als mollen met een gerust geweten,” antwoordde Pescadospunt vroolijk en opgeruimd.
„En heeft Kaap Matifou zijn eerste ontbijt genuttigd? En heeft dat gesmaakt?”
„Ja, heer dokter!” antwoordde de reus, „en ik moet bekennen, dat het heerlijk was.”
„En wat hebt gij verorberd?” vroeg de dokter belangstellend. „Kom, laat hooren.”
„Een soepkom met lekkere koffie gevuld en twee kilogrammen scheepsbeschuit.”
„Drommels! Een weinig hard, die beschuit, niet waar,” merkte Piet Bathory lachende op.
„Bah! Dat’s kinderwerk voor iemand, die vroeger keisteenen onder het eten als versnapering fijnmaalde en verzwolg,”zei Pescadospunt op zijne beurt uitschaterende.
Kaap Matifou knikte zachtkens met zijn dik hoofd,—zijn gewone manier om met de antwoorden van zijn makker in te stemmen,—en grinnikte heel behagelijk.
Intusschen stoomde deFerrato, op bepaald bevel van dokter Antekirrt, volle kracht en deed twee machtige waterkrullen, gekuifd met verblindend wit schuim, voor zijn scherpen boeg opsteigeren.
Haast en spoed mochten in het tegenwoordige geval niet anders dan voorzichtigheid heeten.
Reeds had kapitein Köstrik zich afgevraagd, en had hij dan ook den dokter er over geraadpleegd, of het niet noodig zou wezen om een oppertje achter het eiland Maltate zoeken, welks kustlichten, tegen acht uur des avonds ongeveer, binnen den gezichtskring moesten verschijnen. Een oppertje wordt door de zeelieden genoemd: eene gedekte stelling tegen den wind bij noodweer. En inderdaad, de toestand van den dampkring werd al meer en meer dreigend.
De barometer daalde onrustbarend, in weerwil van de heerschende noordwester bries, die bij het dalen der zon steeds aanwakkerde; dikke wolkengevaarten doemden uit het oosten op en verbreidden[144]zich toen reeds over drie vierden gedeelten van het uitspansel. Bij den gezichteinder, langs de oppervlakte der zee, trok een grauwe band voorwaarts, die een loodkleurig aanzien had, en een uitermate matte kleur vertoonde, maar zwart als inkt werd, wanneer eene zonnestraal er in slaagde, tusschen de scheuren van de wolkenlaag door te glijden. Reeds schoten, hoewel nog zonder dondergerommel, scherpe bliksemschichten door het luchtruim, als trachtte zij die electrische wolkenmassa’s te verscheuren, waarna de bovenrand zich in dikke ronde krulvormige koppen met scherp afgebakende grenzen vertoonde.
Terzelfder tijd was het alsof de strijd losbarstte tusschen de westen- en oostenwinden, welke laatste in de beneden luchtlagen door de menschen nog niet gevoeld werden, maar waarvan reeds de zee, bij hare pogingen om haar evenwicht te herstellen, den invloed ondervond.
De golven werden grooter en steigerden tegen de heerschende deining in, klotsten en begonnen over het dek van het jacht te krullen. Het werd zaak, om aan boord alles vast te zetten, wat gevaar kon loopen over boord gespoeld te worden.
Tegen zes uren evenwel viel de nacht in, een zwarte donkere nacht, veroorzaakt door het gewelf van donkere wolken, dat het uitspansel van het eene einde tot het andere bedekte. De donder begon te grommen en schel schitterende bliksemstralen doorkliefden die dikke duisternis, maar maakten, doordat zij de oogen verblindden, die duisternis als het ware nog donkerder. Onder zoodanige omstandigheden werd de nacht ingetreden. De barometer bleef dalen.
„Gij hebt volkomen vrijheid van handelen!” zei dokter Antekirrt tot den gezagvoerder.
„Ja. En dat is noodig ook, heer dokter,” antwoordde kapitein Köstrik. „Op de Middellandsche zee heeft men steeds met uitersten te doen. Uitnemend fraai weder of woeste gevaarlijke storm! Oosten- en westenwinden voeren thans krijg om den voorrang, wie de overhand behouden zal. En ik vrees, dat met behulp van het onweder de eerstbedoelde de overwinning zal behalen. De zee zal zeer woest worden, wanneer wij de eilanden Gozzo of Malta zullen zijn te boven gekomen, en het is wel mogelijk, dat wij met moeielijkheden te kampen zullen hebben. Ik stel u niet voor, om de havenplaats LaVallettaaan te doen; maar wel om een oppertje, een toevluchtsoord tot hedenavond onder de westkust van een der beide genoemde eilanden te zoeken. Wat denkt gij er van? Het is inderdaad een goede raad, dien ik u geef.”
„Doet, kapitein, wat gij denkt dat gedaan moet worden,” antwoordde dokter Antekirrt, kalm en bedaard.[145]
De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)
De gegeven bevelen werden met vlijt en bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. (Bladz. 148.)
[146]
Het stoomjacht bevond zich toen op ongeveer dertig mijlen ten westen van het eiland Malta. Op het eiland Gozzo, dat een weinig ten nood-westen van Malta gelegen is, en waarvan het gescheiden wordt door twee kanalen, smalle vaarwaters, die door een klein centraal eiland gevormd worden, verheft zich een vuurtoren van den eersten rang, die een boog verlicht met een straal van zeven en twintig mijlen. Dat verlichtingstoestel was dus op een grooten afstand zichtbaar.
In weerwil van de onstuimigheid der zee, moest deFerratoevenwel binnen het tijdsverloop van een uur, binnen den cirkel van dien lichtstraal aangekomen zijn. Na den stand van het schip zorgvuldig bepaald te hebben, kon de kapitein, zonder evenwel roekeloos te zijn, den wal genoegzaam naderen, om daaronder gedurende eenige uren een toevluchtsoord te vinden.
Zoo deedkapiteinKöstrik, evenwel niet zonder de voorzorg genomen te hebben, de snelle vaart van zijn schip te matigen, ten einde iedere averij, zoowel aan den romp als aan de machine van deFerrato, te voorkomen. Dat was niets anders dan plicht van een degelijk maar voorzichtig zeeman.
Evenwel het gestelde uur verstreek en nog werd de vuurtoren van Gozzo niet waargenomen. Het was onmogelijk den wal te ontwaren, hoewel de nok van de steile oevers zich hoog boven de oppervlakte der zee verhief. Was men uit de goede richting gedwaald? Was men uit den koers geraakt? Hoe kon dat mogelijk zijn?
Het onweder woedde toen met volle kracht. Oorverdoovend kraakte de donder over de wateroppervlakte, gillend floot de wind door het want.
Een warme regen vloot met stralen neer. De dikke dampen, die den gezichteinder benevelden, werden thans door den wind voortgesleurd en vlogen door de lucht met eene ongeëvenaarde snelheid. Tusschen de scheuren, welke zij lieten ontwaren, schitterden van tijd tot tijd plotseling eenige sterren, die evenwel dadelijk uitgedoofd werden; terwijl de nevelbanken langs de oppervlakte der zee scheerden en haar als met ommetelijke bezems schenen te willen aanvegen. Het waren als overgroote spookgestalten, die over de watervlakte voortijlden.
Drie dubbele bliksemstralen troffen soms de deininggolven op drie verschillende plaatsen te gelijk en omgaven dan het stoomjacht met een bleeke naargeestigen lichtkring, die evenwel spoedig weer uitdoofde, terwijl de lucht onder de electrische ontladingen als het ware trilde.
Tot nu toe was de toestand wel zeer moeielijk geweest; maar hij zou nu hand over hand onrustbarend worden.
Kapitein Köstrik, die gissen moest, dat hij zich op minstens[147]twintig mijlen van en dus binnen het bereik van den vuurtoren van Gozzo moest bevinden, durfde het eiland niet verder naderen. Hij begon zelfs te vreezen, dat de hoogte der kustlijn hem belette het licht te zien. In dat geval zou hij reeds te veel genaderd zijn. En stooten op de loodrecht uit zee oprijzende rotsen, die aan den voet van die steile oevers aangetroffen worden, dat was het verderf! Dan bleef er geen stuk van het vaartuig over. Neen, hoe stevig ook van ijzer en staal vervaardigd, daartegen was het niet bestand.
Tegen half tien ongeveer, nam de gezagvoerder het besluit om bij te leggen en de machine slechts halve kracht te laten werken. Hij stopte niet geheel en al, maar liet de schroefbladen slechts zooveel omwentelingen maken, om voldoende stuur in het schip, en den voorsteven op de aanrollende golf te kunnen houden. Het vaartuig stampte onder die omstandigheden vreeselijk, maar het liep zoo geen gevaar om op het strand te worden gezet, en dat was in den bestaanden toestand het voornaamste!
Zoo gingen drie uren voorbij en werd ongeveer het middernachtsuur bereikt.
Op dat tijdstip verergerde de toestand, toch al zeer hachelijk, nog, als het kon.
Zooals dat dikwijls bij zulke onweders geschiedt, hield de strijd tusschen de tegenovergestelde winden uit het westen plotseling op. De wind kromp snel en keerde naar de kompasstreek terug, waaruit hij den geheelen dag geblazen had, maar volvoerde dien sprong met de hevigheid van een uitschieter. Zijn geweld, dat gedurende eenige uren door de tegenovergestelde luchtstroomingen bedwongen was geweest, trad weer in, terwijl de hemel helder werd, het wolkendak scheurde en de sterren allerwege zichtbaar werden.
„Een licht, stuurboord vooruit!” riep een der wachthebbende manschappen, die in den fokkemast op uitkijk zat.
„Een licht, stuurboord vooruit!” werd door een der wachthebbende officieren op het achterschip herhaald.
„Het roer bakboord te boord!” commandeerde kapitein Köstrik, die zich van de kust wilde verwijderen. Ook hij had dat licht gezien. De tusschenpoozende schitteringen daarvan gaven duidelijk aan, dat het de vuurtoren van Gozzo was. Het was waarachtig tijd, om den tegenovergestelden kant uit te stevenen; wat de tegenwind ontketende met ongekend geweld. De toestand van het schip was inderdaad gevaarvol.
DeFerratotoch bevond zich toen nog slechts op een afstand van twee mijlen van de rotspunt, waarop de vuurtoren plotseling verscheen. Het was een ijzingwekkend gezicht, dat licht bij dat weer zoo in de nabijheid te ontwaren.
De machinist kreeg bevel om de stoomspanning te vermeerderen:[148]maar nauwelijks had hij gehoorzaamd, of de machine vertraagde, liet een doordringend ratelend geluid hooren, en stond weldra geheel stil.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory, het état-major en de geheele bemanning waren op het dek in de hevigste spanning en in de verwachting van de dingen, die thans komen zouden.
En werkelijk, een ongeval was geschied. De klep van de luchtpomp was onklaar geraakt; de condensor werkte een oogenblik onregelmatig en spoedig daarna niet meer. Nog eenige omwentelingen, die onder het achterschip als kanonschoten weerklonken, en daarna stond de schroef stil. Zij was niet meer in beweging te brengen.
Een zoodanig ongeval kon een ramp worden, omdat dit onklaar worden der luchtpomp onherstelbaar was, ten minste in de omstandigheden, waarin men zich bevond. Die pomp zou uit elkander genomen moeten worden en die arbeid zou verscheidene uren vereischt hebben.… en in twintig minuten kon het stoomjacht, voortgezweept door de noordwesten-windvlagen, gestrand zijn. En op welk rotsig strand dan nog! Ja, de toestand was gevaarvol!
„Kluiver hijschen!.…Fok-en marszeilen bijzetten!.… Klaar bij het barkzeil!”.…
De gegeven bevelen werden door de equipage met vlijt en met bewonderenswaardige eenheid uitgevoerd. Dat Pescadospunt met zijne vlugheid en Kaap Matifou met zijne kracht meehielpen, zal wel niet behoeven gezegd te worden. De katrollen en blokken zouden eerder uit elkander gesprongen zijn, dan dat Kaap Matifou zou toegegeven hebben.
Maar de toestand, waarin deFerratozich bevond, was intusschen zeer gevaarvol te noemen. Een stoomschip met zijne ranke vormen, zijn gebrek aan breedte, zijn weinigen diepgang, met zijn in den regel onvoldoend zeiltuig, is niet gebouwd om te laveeren. Als het scherp bij den wind moet zeilen, loopt het bij stormachtige zee gevaar af te vallen en de volle deining dwars in te krijgen, waardoor het in zeer noodlottigen toestand geraakt.
En zoo gebeurde het met deFerrato. Behalve dat het schip groote moeielijkheden ondervond bij het zeil zetten, was het onmogelijk om het naar het westen door den wind te doen gaan. Langzamerhand viel het af en werd naar den voet der rotsachtige kust gedrongen. Weldra scheen er niets anders meer over te blijven dan de plek te kiezen, waar de stranding onder de minst nadeelige omstandigheden zou kunnen plaats vinden.
Ongelukkig was de nacht zoo zwart, dat kapitein Köstrik niets van de kustgesteldheid kon ontwaren. Hij wist wel, dat twee vaarwaterster weerszijden van het centraal eilandje, Gozzo van Malta scheidden, het eene North Comino en het andere South Comino geheeten. Maar hoe hunne monding te midden van die dikke duisternis[149]te vinden? Hoe te midden van die woedende zee daarin te stevenen, om een toevluchtsoord op de oostkust van het eiland te vinden, om de havenplaats La Valletta te bereiken? Was dat wel mogelijk?
Een loods, een vakkundige zou alleen een zoo gevaarvollemanoeuvrehebben kunnen beproeven. Maar welke loods, welke visscher zou het bij dien dikken dampkring, in dien regen- en nevelachtigen nacht, bij het bulderen van dien storm, durven wagen, om naar het innood verkeerendevaartuig te stevenen? Daarop viel immers in het geheel niet te hopen.
Intusschen liet de stoomfluit haar gegil te midden van het oorverdoovend gehuil van den stormwind vernemen; terwijl bovendien nog drie kanonschoten achtereenvolgens gelost werden.
Plotseling werd aan de landzijde een zwart punt te midden der mistvlagen opgemerkt. Het was een klein vaartuig, dat met dicht gereefde zeilen naar deFerratotoestevende. Ongetwijfeld was het een visscher, die door den storm genoodzaakt was geworden, in de kleine kreek van Melléah een toevlucht te zoeken. Daar had hij, terwijl zijn vaartuig, voor de rotsen beveiligd in de bewonderenswaardige Calypso-grot, die met de Fingalgrot op de Hebridische eilanden vergeleken kan worden, ten anker gelegen had, de alarmfluit en de noodschoten van deFerratogehoord. Toen die signalen gegeven werden, bevond het in nood verkeerend stoomjacht zich reeds zeer nabij de branding en stampte en slingerde hevig.
Onmiddellijk had die visscher zonder aarzeling en met gevaar van zijn leven zich gehaast, om het stoomjacht, dat reeds gedeeltelijk ontmast en onttakeld was, ter hulp te snellen.
Wanneer deFerratonog te redden was, dan kon zij het slechts door hem worden.
Het visschersvaartuig naderde langzamerhand. Een tros werd aan boord gereed gehouden, om den koenen zeevaarder toe te werpen, wanneer hij langs boord zoude komen. Zoo gingen eenige minuten voorbij, die oneindig lang schenen te duren. Men was toen nog maar op eene halve kabellengte van de klippen verwijderd.
De tros werd in dit oogenblik toegeworpen; maar een vreeselijk hooge golf tilde toen het vaartuigje op en kwakte het tegen den romp van deFerratoaan. Het werd aan splinters verbrijzeld en de visscher, die zich daar aan boord bevond, zou voorzeker omgekomen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet gegrepen en met gestrekten arm vastgehouden had. Hij zette hem op het dek neer, zooals hij met een kind zoude gedaan hebben.
Toen zonder een woord te uiten,—daartoe zou hij waarlijk ook geen tijd gehad hebben,—sprong de visscher op de brug, greep het stuurwiel, en op hetzelfde oogenblik dat deFerratomet zijn voorsteven naar de rotsen gericht, er zich op zou gaan verbrijzelen,[150]hield zij af, schoot het smalle vaarwater van North Comino in, stevende er met den wind vlak van achteren door en bevond zich twintig minuten later achter de oostkust van Malta in veiliger en stiller water. Dat was eene koene wending geweest, die kalm en zonder aarzeling ten uitvoer gebracht was.
De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)
De visscher zou voorzeker omgekomen zijn. (Bladz. 149.)
Vervolgens, bij den wind komende, schoor het schip op minder dan een halve mijl langs de kust. Toen tegen vier uren de tinten van den dageraad ontwaard werden aan den oostelijken gezichteinder, die zich over volle zee uitstrekte, stevende ’t het vaarwater in dat naar La Valletta voerde, en liet het anker vlak bij de Senglea-kade, dicht bij den ingang der militaire haven, vallen. DeFerratowas gered. Uit aller borst steeg een zucht van verlichting ten hemel.
Dokter Antekirrt klom toen op de brug en zich tot den jeugdigen zeeman wendende:
„Gij hebt ons gered, vriend,” zeide hij, terwijl hij den zeeman de hand toereikte.
„Ik heb slechts mijn plicht gedaan,” antwoordde deze op eenvoudigen toon.
„Dat is waar, maar met levensgevaar!”
„Wij zeelieden zijn steeds in gevaar, althans als wij ons op zee bevinden.”
„Zijt gij loods?” vroeg dokter Antekirrt vervolgens, terwijl hij den jongen man scherp aankeek.
„Neen, ik ben slechts visscher,” antwoordde deze, terwijl hij dien blik rustig doorstond.
„Des te verdienstelijker is uwe daad!”
„Gij zijt wel goed!.… Maar mij dunkt, dat wanneer men zooveel menschenlevens kan redden.…”
„En hoe heet gij?”
„Hoe ik heet?”
„Ja! Hoe is uw naam? Gaarne wenschte ik onzen redder nog nader te leeren kennen.”
„Mijn naam?.… Luigi Ferrato!”
„Luigi Ferrato!!!” kreet de dokter.