[Inhoud]II.Eene proefneming van Dokter Antekirrt.Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers—dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa’s en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over[27]eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne „oude besjestanden” zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte „monos”, een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan[28]en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d’Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6′ 42″ Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779–1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht—twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.[29]Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa’s en tuinen, een weg naar Punta d’Europa.Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69vierk.geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,—jaarlijks ongeveer tienduizend,—geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen[30]den 21stenJuli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4enAugustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12endaaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7enMaart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27stenNovember 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.Wanneer deFerrato, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden[31]wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19enSeptember op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo’n vreeselijken dood vond.Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.[32]Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.„Sava?…” vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. „Waar is Sava?”„Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid,” antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.„Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?” vroeg de Tripolitaan.„Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust,” was het antwoord van de oude feeks.„Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden.…”„Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben.”„Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan.”„Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen.”„Is dat zeker?”„Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven …”„Ga voort … Ga dan toch voort … Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij.”„Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust.”„Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?… Gij weet, dat dit van belang is.”„Voorzeker, Sarcany,” antwoordde Namir. „Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!”„Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft … Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel.”„Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!”[33]Gibraltar.Gibraltar.[34]„Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren … Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij.”„Ik zal haar wel noodzaken toe te geven,” antwoordde Namir gemelijk. „Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!… Laat dat maar aan mij over, Sarcany!”Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.„Goed, Namir, zeer goed!” antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.„O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?”„Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,” antwoordde deze.„Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?” vroeg de Marokkaansche.„Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn,” antwoordde Sarcany met een glimlach.„Gij hebt gelijk,” zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.„Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?”„Zoo is het goed, Sarcany,” hernam Namir. „Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?”„Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven.”„Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!”„Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed,” antwoordde Sarcany: „Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!”[35]„Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend,” zei Namir met haren leelijken grijnslach.„Ja, maar …” hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. „Ja maar.…”„Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?” vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.„Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is.”„Wie zijn dat?” vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.„De eene is Carpena,” antwoordde Sarcany. „Gij weet wel, de Spanjaard Carpena!”„Zoo!” gromde de Marokkaansche met sombere stem. „En wie is de andere?”„De andere … dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam, en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!”De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar oogenblik.„Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken, natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!”„Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is,” antwoordde Namir. „Meer dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen … Ik heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd.”„Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen steeds te weten, wat hij uitvoert …”„Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel zoudt meenen.”„Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,” sprak de Tripolitaan.„Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,” antwoordde Namir.„Waarom dat?”„Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer aan het andere uiteinde!”[36]„Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te bezitten!” riep Sarcany met een zucht uit. „Maar het zal niet gezegd worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken, zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich ernstig in acht neme!”„Voorzichtig, Sarcany!” vermaande de oude. „Voorzichtig toch! Als gij met vuur omgaat …”„En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,” ging Sarcany hartstochtelijk voort, „ik zal hem …”„Als dat huwelijk voltrokken is,” suste hem Namir, „dan zult gij van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar, Sarcany? Van niemand meer?”„Ongetwijfeld, Namir; … maar intusschen … is dat huwelijk nog niet voltrokken.”„Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?”„Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?”„Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan, waar wij ons bevinden.”„Dat is waar.”„Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien man te vreezen?”„Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe makkers en vrienden waren.”„Zoo!”„Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan … dan zou ik verloren zijn.”„Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta, veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord, niet waar?”„Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik u niet verbergen.”„Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen.”„Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting van straf te erlangen, aan het verraden gaan.”„Och, kom!… Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo gauw niet.”„Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat anderen ook.”„Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet vatbaar is.”[37]„Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken.”„Dat is niet onmogelijk,” zei Namir peinzende. „En in dat geval is inderdaad het gevaar groot.”„Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe bezit hij de middelen.”„Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men zou hem dat daar toch maar afnemen.”„Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd goud gebruiken.”„Ja, zoo beschouwd … Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel geld!” zei de Marokkaansche.„Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!”Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand, zeer gevaarlijk kon worden.„Waarom,” riep Sarcany uit, „is hij niet in stede van Zirone daar ginds verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!”„Wat niet in Sicilië gebeurd is,” antwoordde Namir kalm en op ijskouden toon, „kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier geen krater ter beschikking staat.”Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen elkander.Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen, dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand, niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over zijne verdwijning?[38]Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena’s geheimen te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena, werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden, vanwaar niemand ontvluchten kan.Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid van elkander.Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde, alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.Dat was deFerrato. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het Catania aandeed, herkende het dadelijk.„Dokter Antekirrt hier!” prevelde zij binnensmonds. „Sarcany heeft gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan iemand onzer zelfs vermoedt.”Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest, als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen, dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.„Dus,” dacht zij, „er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk, een geluk bij een ongeluk!”[39]En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk verzekeren.DeFerratokwam in den avond van den 22stenSeptember in het binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd, zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar hetPost Officein de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek derFerrato, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina, zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou, die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van eene moeder dan wel van eene zuster.Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van deFerratote vullen met behulp der gabara’s, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die in een hôtel op deCommercial Squaregedineerd hadden, aan boord terugkwamen, op het oogenblik dat het „first gun fire”, het eerste kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als[40]in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche vesting als Mainz of Coblenz.Toch lichtte deFerratoniet dienzelfden avond het anker. Daar het vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta, na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn, die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond te boren.Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had, niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de zeewinden gedekt was. Daar liet deFerratoop twee kabellengten afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen onbewegelijk liggen.Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier, die in zee uitgebouwd was.Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot, gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen, uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie, vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.„Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!” riep kolonel Guyara uit. „Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen dag toebehoort …, zult gij mij niet ontsnappen.”„Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn gast zult geweest zijn. Vergeet niet …”„Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag …!” vroeg kolonel Guyara.„Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van deFerratogereed staat.”„Dat’s waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het niet beleefd zijn, mij te laten wachten!”[41]En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz. 52.)En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz.52.)[42]De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap gewekt had.„Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?” vroeg hij niet zonder belangstelling.„Niets,” antwoordde de gouverneur. „Ten minste, zooals mij is gerapporteerd geworden.”„Dat verwondert mij niet,” opperde dokter Antekirrt zoo ernstig mogelijk.„Maar,” ging kolonel Guyara voort, „hij is niet meer ten arbeid gesteld aan de verharding der wegen.”„Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer gouverneur?”„Neen, dokter Antekirrt,” antwoordde de kolonel. „Volstrekt niet.”„Waar is hij dan?” vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar te nemen.„Hij is in het hospitaal,” antwoordde de gouverneur. „Het schijnt dat dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar, die moet hersteld worden?”„Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher of een Italiaan?”„Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet,” antwoordde kolonel Guyara. „Hij is voor levenslang hier.”„Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd, die hem hier gebracht hebben?”„Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk geen verlies voor het Presidio zijn!”Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal zou verlaten.Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van het achterschip bevallig omhoog kronkelden.[43]Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te geleiden en hem alles te laten bezichtigen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien dag—het was op een Zondag—waren de gedeporteerden niet aan hunnen gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand kon waarnemen.Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt, des ochtends aan boord van het stoomjacht deFerratogenoten.Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende die wandelingintra et extra muros, binnen en buiten de stad, door Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten, wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie, verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het was volgens hem bewonderenswaardig.„Maar,” liet hij er op volgen, „het toezicht over de veroordeelden moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?”„Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht …”[44]„Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen, denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden.”De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk, alsof hij nadacht.„Daar nu de gevangenen,” ging de dokter voort, „er meer aan denken om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl mankeerden.”„Nooit!” riep de gouverneur uit. „Nooit! Ik zou wel eens willen zien, dat zoo iets zou gebeuren!”„Evenwel, heer gouverneur … Er bestaan legenden van beroemde ontsnappingen.”„Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens af! Daarin zit de groote moeilijkheid.”„Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve maar te kiezen hebben.”„Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan een doode ontsnapte.”„Als dat zoo is,” antwoordde de dokter, „dan kan ik u gelukwenschen, heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen in de toekomst allengs moeielijker zal worden.”„Om welke reden, als het u belieft?” vroeg een der genoodigden, die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur der strafkolonie was.„Welnu, mijnheer,” antwoordde de dokter, „omdat de studie der magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen heeft gemaakt.…”„Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen te maken?” vroeg de verblufte directeur.Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde, alsof hij niet gestoord ware:„Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken moeielijk wordt.”„En, in dat geval?” … vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.[45]„In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn, niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat zult gij moeten toegeven!”„Hé, hé!” riep de directeur geërgerd uit. „Dat is sterk. Als de bewakers bewaakt zullen moeten worden!”„Gedurende mijne reizen, heer gouverneur,” ging dokter Antekirrt voort, „ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is.”„Dus gij meent?…” vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.„Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten, eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even onbewust kan laten ontsnappen.”„Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel bestaat?” vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.„Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks verlangt. Spreek maar een woord.”„Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede zeer verplichten.”„Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en … zijn beter. Een enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,” antwoordde de dokter.„Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt,” zei de gouverneur. „En wachten met ongeduld uw voorbeeld.”„Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed op hem uitoefent … Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen.”„Ongetwijfeld, heer dokter,” antwoordde de directeur, „maar op eene voorwaarde, niet waar?”„En die is?” vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.„Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben, meen ik?”„Daarin vergist gij u, mijnheer,” antwoordde de dokter hoogst ernstig.„Zou ik?”[46]„Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of ondervindt.”„Wat, gij beweert …?”„Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!… Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk.”„Dat alles, wanneer hij wakker is?” vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.„Juist wanneer hij volkomen wakker is!” bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.„Niets is toch zekerder evenwel,” zei toen Piet Bathory; „en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken …”„Zoodat,” zei de gouverneur, „men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?”„Geheel en al, heer gouverneur,” antwoordde dokter Antekirrt, „evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen.”„Dokter Antekirrt” zei toen de gouverneur, „ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!”„En, zelfs dan nog! …” meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.„Het is dus zeer betreurenswaardig,” hernam de gouverneur, „dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen.”„Maar … met uw verlof, heer gouverneur,” zei de dokter tot den gouverneur.„Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?” vroeg kolonel Guyara. „Gij wildet iets zeggen.”[47]„Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven.”„Mijne toestemming? Dadelijk,” sprak de gouverneur opgewonden uit.„Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!” antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.„Ja, wat mij betreft,” antwoordde de gouverneur. „Zult gij willen? Zult gij kunnen?”„Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas.”„Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen.”„Het zij zoo,” antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. „Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?”„Inderdaad,” zei de directeur der strafkolonie, „en die man bevindt zich thans in het hospitaal.”„Gij herinnert u ook, niet waar,” ging de dokter voort tot den gouverneur, „dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?”„Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde kolonel Guyara levendig.„Welnu, dat is voldoende geweest,” ging de dokter kalm en bedaard voort.„Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?” vroeg de gouverneur. „Voldoende voor wat?”„Om tusschen mij en dien … Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?”„Carpena.”„… Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt.”„Ha!” riep de directeur ongeloovig. „Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!”„Zoodat … gij hier in het gouvernements-hôtel … en hij daar ginds in het hospitaal!…” vroeg de gouverneur nieuwsgierig.„Ongeloofelijk!” zei de directeur hoofdschuddend. „Dat is niet mogelijk!”„Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur,” vroeg de dokter, „om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?”„Jawel, hij zal wegloopen!” antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.[48]Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.„Neen, heeren,” hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, „die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!”„Maar wat, als ’t u blieft?” vroeg kolonel Guyara met aandrang.„Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel, heer gouverneur.”„En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk.”„Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts.”„Mij wel,” antwoordde de gouverneur. „Ik geef ten volle permissie, heer directeur.”„Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?” zeide dokter Antekirrt.„Mij?”„Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,—en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,—zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden.”„Voor wien, als ’t u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?”„Ja, voor wien?… Laat zien … Bij voorbeeld … voor den Koning Alphonsus XII.”„Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?” vroeg kolonel Guyara ongeloovig.„Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen …”„Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven.”„Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog …”„Wat?”„Het Isabella-kruis!”Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!„En die man zal dat volkomen wakker doen?” vroeg de directeur van de strafkolonie.„Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen.”„Neen!… Neen!… Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!” riep kolonel Guyara uit.„Meent gij, heer gouverneur?” vroeg de dokter met een glimlach. „Wacht de uitkomst af.”[49]Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz. 54.)Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz.54.)[50]„Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen.”„Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?”„Hoe kan dat?”„Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!”„Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef.”„Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb.”„Welnu, dat is afgesproken,” zei de gouverneur. „En wanneer gij slechts zult willen …”„Het is thans acht uren.” zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. „Welnu, te negen uren. Is dat goed?”„Zeer goed. Maar.…”„Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten.”„Na de proef?…”„Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben.”„Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?” vroeg de directeur van het bagno onthutst.„Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,—en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,—Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zalhijdat alles niet verrichten, maarik! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten.”De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme[51]of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:„Het is thans drie minuten vóór half negen.”„Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.„Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat.”Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:„Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door.”De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,—het was vijf minuten vóór negen,—dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:[52]„Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel genaderd!”„Och, kom!” zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. „Is hij reeds zoo nabij?”Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.„Laat dien persoon binnen komen,” antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.„Sire!” zei hij met heldere stembuiging, „ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!”De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.„Gij kunt hem gerust gratie verleenen,” zei de dokter glimlachende; „want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven.”„Ik verleen ze u!” antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.„Ja, maar …” zei Carpena aarzelend. „Ik wenschte nog een verzoek te doen.”„Wat wilt ge nog meer?” vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.„Dat ge die gratie aanvult,” ging de veroordeelde steeds geknield voort, „met het eerekruis van de Isabella-orde.”„Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?”Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds[53]met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-hôtel.„Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!” riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.„Gelooft gij mij nog niet?” vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.„Ik kan niet!” antwoordde kolonel Guyara. „Het gaat totaal mijn begrip te boven.”„Welnu, kom dan!” zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. „Kom dan!”De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den wegteruimen.De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van deFerrato, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene[54]ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt’s wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:„Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!…”„Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?” vroeg dokter Antekirrt zegevierend.„Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet.”„Dat’s nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?”„Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op …”„Welke, heer gouverneur?… Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?”„Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!”Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte …Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht … Alles was overbodig … Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.„Heer gouverneur,” zei dokter Antekirrt, „ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad.”[55]„Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?” vroeg de gouverneur belangstellend.„Niet anders dan daardoor,” antwoordde dokter Antekirrt, „dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig …”„Och kom!” zei kolonel Guyara lachende. „Wat is er bij zoo’n geval betreurenswaardig!”„Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur,” hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. „Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!”„Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!” antwoordde de gouverneur wijsgeerig.Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-hôtel aan.Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: „duizend wegen … maar één doel!”1Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.[56]Weinig tijds later had een van de sloepen van deFerratoden dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.„En die man?…” vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. „Is die man aan boord?”„De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde,” antwoordde de jeugdige zeeman, „heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten.”„Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?…” vroeg Piet Bathory.„Niets,” antwoordde Luigi.„In het geheel niets?”„Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken … Hij schijnt stom te zijn.”„Waarom kan hij niet spreken?”„Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen.”„Goed,” zei dokter Antekirrt.De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.„Het was mijn wil,” ging de dokter voort, „dat Carpena van boven die rots neerstortte en … hij is er afgestort.… Het was mijn wil, dat hij sliep en … hij slaapt!… Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!… En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben.”De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had deFerratode open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑
[Inhoud]II.Eene proefneming van Dokter Antekirrt.Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers—dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa’s en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over[27]eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne „oude besjestanden” zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte „monos”, een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan[28]en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d’Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6′ 42″ Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779–1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht—twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.[29]Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa’s en tuinen, een weg naar Punta d’Europa.Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69vierk.geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,—jaarlijks ongeveer tienduizend,—geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen[30]den 21stenJuli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4enAugustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12endaaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7enMaart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27stenNovember 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.Wanneer deFerrato, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden[31]wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19enSeptember op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo’n vreeselijken dood vond.Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.[32]Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.„Sava?…” vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. „Waar is Sava?”„Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid,” antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.„Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?” vroeg de Tripolitaan.„Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust,” was het antwoord van de oude feeks.„Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden.…”„Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben.”„Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan.”„Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen.”„Is dat zeker?”„Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven …”„Ga voort … Ga dan toch voort … Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij.”„Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust.”„Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?… Gij weet, dat dit van belang is.”„Voorzeker, Sarcany,” antwoordde Namir. „Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!”„Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft … Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel.”„Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!”[33]Gibraltar.Gibraltar.[34]„Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren … Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij.”„Ik zal haar wel noodzaken toe te geven,” antwoordde Namir gemelijk. „Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!… Laat dat maar aan mij over, Sarcany!”Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.„Goed, Namir, zeer goed!” antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.„O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?”„Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,” antwoordde deze.„Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?” vroeg de Marokkaansche.„Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn,” antwoordde Sarcany met een glimlach.„Gij hebt gelijk,” zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.„Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?”„Zoo is het goed, Sarcany,” hernam Namir. „Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?”„Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven.”„Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!”„Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed,” antwoordde Sarcany: „Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!”[35]„Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend,” zei Namir met haren leelijken grijnslach.„Ja, maar …” hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. „Ja maar.…”„Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?” vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.„Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is.”„Wie zijn dat?” vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.„De eene is Carpena,” antwoordde Sarcany. „Gij weet wel, de Spanjaard Carpena!”„Zoo!” gromde de Marokkaansche met sombere stem. „En wie is de andere?”„De andere … dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam, en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!”De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar oogenblik.„Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken, natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!”„Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is,” antwoordde Namir. „Meer dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen … Ik heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd.”„Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen steeds te weten, wat hij uitvoert …”„Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel zoudt meenen.”„Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,” sprak de Tripolitaan.„Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,” antwoordde Namir.„Waarom dat?”„Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer aan het andere uiteinde!”[36]„Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te bezitten!” riep Sarcany met een zucht uit. „Maar het zal niet gezegd worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken, zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich ernstig in acht neme!”„Voorzichtig, Sarcany!” vermaande de oude. „Voorzichtig toch! Als gij met vuur omgaat …”„En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,” ging Sarcany hartstochtelijk voort, „ik zal hem …”„Als dat huwelijk voltrokken is,” suste hem Namir, „dan zult gij van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar, Sarcany? Van niemand meer?”„Ongetwijfeld, Namir; … maar intusschen … is dat huwelijk nog niet voltrokken.”„Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?”„Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?”„Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan, waar wij ons bevinden.”„Dat is waar.”„Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien man te vreezen?”„Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe makkers en vrienden waren.”„Zoo!”„Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan … dan zou ik verloren zijn.”„Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta, veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord, niet waar?”„Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik u niet verbergen.”„Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen.”„Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting van straf te erlangen, aan het verraden gaan.”„Och, kom!… Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo gauw niet.”„Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat anderen ook.”„Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet vatbaar is.”[37]„Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken.”„Dat is niet onmogelijk,” zei Namir peinzende. „En in dat geval is inderdaad het gevaar groot.”„Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe bezit hij de middelen.”„Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men zou hem dat daar toch maar afnemen.”„Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd goud gebruiken.”„Ja, zoo beschouwd … Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel geld!” zei de Marokkaansche.„Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!”Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand, zeer gevaarlijk kon worden.„Waarom,” riep Sarcany uit, „is hij niet in stede van Zirone daar ginds verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!”„Wat niet in Sicilië gebeurd is,” antwoordde Namir kalm en op ijskouden toon, „kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier geen krater ter beschikking staat.”Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen elkander.Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen, dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand, niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over zijne verdwijning?[38]Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena’s geheimen te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena, werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden, vanwaar niemand ontvluchten kan.Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid van elkander.Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde, alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.Dat was deFerrato. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het Catania aandeed, herkende het dadelijk.„Dokter Antekirrt hier!” prevelde zij binnensmonds. „Sarcany heeft gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan iemand onzer zelfs vermoedt.”Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest, als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen, dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.„Dus,” dacht zij, „er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk, een geluk bij een ongeluk!”[39]En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk verzekeren.DeFerratokwam in den avond van den 22stenSeptember in het binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd, zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar hetPost Officein de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek derFerrato, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina, zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou, die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van eene moeder dan wel van eene zuster.Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van deFerratote vullen met behulp der gabara’s, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die in een hôtel op deCommercial Squaregedineerd hadden, aan boord terugkwamen, op het oogenblik dat het „first gun fire”, het eerste kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als[40]in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche vesting als Mainz of Coblenz.Toch lichtte deFerratoniet dienzelfden avond het anker. Daar het vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta, na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn, die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond te boren.Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had, niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de zeewinden gedekt was. Daar liet deFerratoop twee kabellengten afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen onbewegelijk liggen.Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier, die in zee uitgebouwd was.Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot, gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen, uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie, vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.„Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!” riep kolonel Guyara uit. „Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen dag toebehoort …, zult gij mij niet ontsnappen.”„Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn gast zult geweest zijn. Vergeet niet …”„Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag …!” vroeg kolonel Guyara.„Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van deFerratogereed staat.”„Dat’s waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het niet beleefd zijn, mij te laten wachten!”[41]En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz. 52.)En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz.52.)[42]De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap gewekt had.„Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?” vroeg hij niet zonder belangstelling.„Niets,” antwoordde de gouverneur. „Ten minste, zooals mij is gerapporteerd geworden.”„Dat verwondert mij niet,” opperde dokter Antekirrt zoo ernstig mogelijk.„Maar,” ging kolonel Guyara voort, „hij is niet meer ten arbeid gesteld aan de verharding der wegen.”„Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer gouverneur?”„Neen, dokter Antekirrt,” antwoordde de kolonel. „Volstrekt niet.”„Waar is hij dan?” vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar te nemen.„Hij is in het hospitaal,” antwoordde de gouverneur. „Het schijnt dat dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar, die moet hersteld worden?”„Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher of een Italiaan?”„Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet,” antwoordde kolonel Guyara. „Hij is voor levenslang hier.”„Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd, die hem hier gebracht hebben?”„Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk geen verlies voor het Presidio zijn!”Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal zou verlaten.Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van het achterschip bevallig omhoog kronkelden.[43]Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te geleiden en hem alles te laten bezichtigen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien dag—het was op een Zondag—waren de gedeporteerden niet aan hunnen gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand kon waarnemen.Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt, des ochtends aan boord van het stoomjacht deFerratogenoten.Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende die wandelingintra et extra muros, binnen en buiten de stad, door Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten, wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie, verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het was volgens hem bewonderenswaardig.„Maar,” liet hij er op volgen, „het toezicht over de veroordeelden moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?”„Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht …”[44]„Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen, denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden.”De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk, alsof hij nadacht.„Daar nu de gevangenen,” ging de dokter voort, „er meer aan denken om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl mankeerden.”„Nooit!” riep de gouverneur uit. „Nooit! Ik zou wel eens willen zien, dat zoo iets zou gebeuren!”„Evenwel, heer gouverneur … Er bestaan legenden van beroemde ontsnappingen.”„Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens af! Daarin zit de groote moeilijkheid.”„Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve maar te kiezen hebben.”„Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan een doode ontsnapte.”„Als dat zoo is,” antwoordde de dokter, „dan kan ik u gelukwenschen, heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen in de toekomst allengs moeielijker zal worden.”„Om welke reden, als het u belieft?” vroeg een der genoodigden, die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur der strafkolonie was.„Welnu, mijnheer,” antwoordde de dokter, „omdat de studie der magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen heeft gemaakt.…”„Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen te maken?” vroeg de verblufte directeur.Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde, alsof hij niet gestoord ware:„Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken moeielijk wordt.”„En, in dat geval?” … vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.[45]„In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn, niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat zult gij moeten toegeven!”„Hé, hé!” riep de directeur geërgerd uit. „Dat is sterk. Als de bewakers bewaakt zullen moeten worden!”„Gedurende mijne reizen, heer gouverneur,” ging dokter Antekirrt voort, „ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is.”„Dus gij meent?…” vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.„Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten, eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even onbewust kan laten ontsnappen.”„Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel bestaat?” vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.„Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks verlangt. Spreek maar een woord.”„Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede zeer verplichten.”„Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en … zijn beter. Een enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,” antwoordde de dokter.„Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt,” zei de gouverneur. „En wachten met ongeduld uw voorbeeld.”„Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed op hem uitoefent … Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen.”„Ongetwijfeld, heer dokter,” antwoordde de directeur, „maar op eene voorwaarde, niet waar?”„En die is?” vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.„Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben, meen ik?”„Daarin vergist gij u, mijnheer,” antwoordde de dokter hoogst ernstig.„Zou ik?”[46]„Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of ondervindt.”„Wat, gij beweert …?”„Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!… Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk.”„Dat alles, wanneer hij wakker is?” vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.„Juist wanneer hij volkomen wakker is!” bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.„Niets is toch zekerder evenwel,” zei toen Piet Bathory; „en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken …”„Zoodat,” zei de gouverneur, „men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?”„Geheel en al, heer gouverneur,” antwoordde dokter Antekirrt, „evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen.”„Dokter Antekirrt” zei toen de gouverneur, „ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!”„En, zelfs dan nog! …” meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.„Het is dus zeer betreurenswaardig,” hernam de gouverneur, „dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen.”„Maar … met uw verlof, heer gouverneur,” zei de dokter tot den gouverneur.„Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?” vroeg kolonel Guyara. „Gij wildet iets zeggen.”[47]„Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven.”„Mijne toestemming? Dadelijk,” sprak de gouverneur opgewonden uit.„Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!” antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.„Ja, wat mij betreft,” antwoordde de gouverneur. „Zult gij willen? Zult gij kunnen?”„Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas.”„Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen.”„Het zij zoo,” antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. „Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?”„Inderdaad,” zei de directeur der strafkolonie, „en die man bevindt zich thans in het hospitaal.”„Gij herinnert u ook, niet waar,” ging de dokter voort tot den gouverneur, „dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?”„Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde kolonel Guyara levendig.„Welnu, dat is voldoende geweest,” ging de dokter kalm en bedaard voort.„Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?” vroeg de gouverneur. „Voldoende voor wat?”„Om tusschen mij en dien … Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?”„Carpena.”„… Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt.”„Ha!” riep de directeur ongeloovig. „Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!”„Zoodat … gij hier in het gouvernements-hôtel … en hij daar ginds in het hospitaal!…” vroeg de gouverneur nieuwsgierig.„Ongeloofelijk!” zei de directeur hoofdschuddend. „Dat is niet mogelijk!”„Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur,” vroeg de dokter, „om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?”„Jawel, hij zal wegloopen!” antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.[48]Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.„Neen, heeren,” hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, „die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!”„Maar wat, als ’t u blieft?” vroeg kolonel Guyara met aandrang.„Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel, heer gouverneur.”„En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk.”„Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts.”„Mij wel,” antwoordde de gouverneur. „Ik geef ten volle permissie, heer directeur.”„Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?” zeide dokter Antekirrt.„Mij?”„Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,—en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,—zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden.”„Voor wien, als ’t u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?”„Ja, voor wien?… Laat zien … Bij voorbeeld … voor den Koning Alphonsus XII.”„Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?” vroeg kolonel Guyara ongeloovig.„Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen …”„Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven.”„Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog …”„Wat?”„Het Isabella-kruis!”Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!„En die man zal dat volkomen wakker doen?” vroeg de directeur van de strafkolonie.„Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen.”„Neen!… Neen!… Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!” riep kolonel Guyara uit.„Meent gij, heer gouverneur?” vroeg de dokter met een glimlach. „Wacht de uitkomst af.”[49]Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz. 54.)Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz.54.)[50]„Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen.”„Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?”„Hoe kan dat?”„Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!”„Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef.”„Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb.”„Welnu, dat is afgesproken,” zei de gouverneur. „En wanneer gij slechts zult willen …”„Het is thans acht uren.” zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. „Welnu, te negen uren. Is dat goed?”„Zeer goed. Maar.…”„Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten.”„Na de proef?…”„Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben.”„Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?” vroeg de directeur van het bagno onthutst.„Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,—en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,—Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zalhijdat alles niet verrichten, maarik! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten.”De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme[51]of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:„Het is thans drie minuten vóór half negen.”„Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.„Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat.”Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:„Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door.”De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,—het was vijf minuten vóór negen,—dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:[52]„Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel genaderd!”„Och, kom!” zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. „Is hij reeds zoo nabij?”Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.„Laat dien persoon binnen komen,” antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.„Sire!” zei hij met heldere stembuiging, „ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!”De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.„Gij kunt hem gerust gratie verleenen,” zei de dokter glimlachende; „want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven.”„Ik verleen ze u!” antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.„Ja, maar …” zei Carpena aarzelend. „Ik wenschte nog een verzoek te doen.”„Wat wilt ge nog meer?” vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.„Dat ge die gratie aanvult,” ging de veroordeelde steeds geknield voort, „met het eerekruis van de Isabella-orde.”„Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?”Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds[53]met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-hôtel.„Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!” riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.„Gelooft gij mij nog niet?” vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.„Ik kan niet!” antwoordde kolonel Guyara. „Het gaat totaal mijn begrip te boven.”„Welnu, kom dan!” zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. „Kom dan!”De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den wegteruimen.De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van deFerrato, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene[54]ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt’s wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:„Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!…”„Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?” vroeg dokter Antekirrt zegevierend.„Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet.”„Dat’s nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?”„Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op …”„Welke, heer gouverneur?… Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?”„Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!”Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte …Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht … Alles was overbodig … Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.„Heer gouverneur,” zei dokter Antekirrt, „ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad.”[55]„Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?” vroeg de gouverneur belangstellend.„Niet anders dan daardoor,” antwoordde dokter Antekirrt, „dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig …”„Och kom!” zei kolonel Guyara lachende. „Wat is er bij zoo’n geval betreurenswaardig!”„Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur,” hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. „Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!”„Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!” antwoordde de gouverneur wijsgeerig.Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-hôtel aan.Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: „duizend wegen … maar één doel!”1Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.[56]Weinig tijds later had een van de sloepen van deFerratoden dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.„En die man?…” vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. „Is die man aan boord?”„De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde,” antwoordde de jeugdige zeeman, „heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten.”„Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?…” vroeg Piet Bathory.„Niets,” antwoordde Luigi.„In het geheel niets?”„Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken … Hij schijnt stom te zijn.”„Waarom kan hij niet spreken?”„Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen.”„Goed,” zei dokter Antekirrt.De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.„Het was mijn wil,” ging de dokter voort, „dat Carpena van boven die rots neerstortte en … hij is er afgestort.… Het was mijn wil, dat hij sliep en … hij slaapt!… Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!… En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben.”De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had deFerratode open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑
II.Eene proefneming van Dokter Antekirrt.
Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers—dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa’s en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over[27]eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne „oude besjestanden” zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte „monos”, een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan[28]en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d’Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6′ 42″ Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779–1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht—twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.[29]Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa’s en tuinen, een weg naar Punta d’Europa.Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69vierk.geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,—jaarlijks ongeveer tienduizend,—geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen[30]den 21stenJuli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4enAugustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12endaaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7enMaart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27stenNovember 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.Wanneer deFerrato, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden[31]wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19enSeptember op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo’n vreeselijken dood vond.Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.[32]Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.„Sava?…” vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. „Waar is Sava?”„Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid,” antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.„Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?” vroeg de Tripolitaan.„Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust,” was het antwoord van de oude feeks.„Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden.…”„Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben.”„Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan.”„Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen.”„Is dat zeker?”„Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven …”„Ga voort … Ga dan toch voort … Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij.”„Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust.”„Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?… Gij weet, dat dit van belang is.”„Voorzeker, Sarcany,” antwoordde Namir. „Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!”„Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft … Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel.”„Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!”[33]Gibraltar.Gibraltar.[34]„Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren … Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij.”„Ik zal haar wel noodzaken toe te geven,” antwoordde Namir gemelijk. „Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!… Laat dat maar aan mij over, Sarcany!”Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.„Goed, Namir, zeer goed!” antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.„O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?”„Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,” antwoordde deze.„Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?” vroeg de Marokkaansche.„Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn,” antwoordde Sarcany met een glimlach.„Gij hebt gelijk,” zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.„Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?”„Zoo is het goed, Sarcany,” hernam Namir. „Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?”„Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven.”„Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!”„Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed,” antwoordde Sarcany: „Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!”[35]„Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend,” zei Namir met haren leelijken grijnslach.„Ja, maar …” hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. „Ja maar.…”„Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?” vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.„Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is.”„Wie zijn dat?” vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.„De eene is Carpena,” antwoordde Sarcany. „Gij weet wel, de Spanjaard Carpena!”„Zoo!” gromde de Marokkaansche met sombere stem. „En wie is de andere?”„De andere … dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam, en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!”De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar oogenblik.„Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken, natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!”„Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is,” antwoordde Namir. „Meer dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen … Ik heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd.”„Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen steeds te weten, wat hij uitvoert …”„Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel zoudt meenen.”„Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,” sprak de Tripolitaan.„Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,” antwoordde Namir.„Waarom dat?”„Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer aan het andere uiteinde!”[36]„Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te bezitten!” riep Sarcany met een zucht uit. „Maar het zal niet gezegd worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken, zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich ernstig in acht neme!”„Voorzichtig, Sarcany!” vermaande de oude. „Voorzichtig toch! Als gij met vuur omgaat …”„En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,” ging Sarcany hartstochtelijk voort, „ik zal hem …”„Als dat huwelijk voltrokken is,” suste hem Namir, „dan zult gij van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar, Sarcany? Van niemand meer?”„Ongetwijfeld, Namir; … maar intusschen … is dat huwelijk nog niet voltrokken.”„Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?”„Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?”„Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan, waar wij ons bevinden.”„Dat is waar.”„Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien man te vreezen?”„Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe makkers en vrienden waren.”„Zoo!”„Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan … dan zou ik verloren zijn.”„Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta, veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord, niet waar?”„Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik u niet verbergen.”„Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen.”„Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting van straf te erlangen, aan het verraden gaan.”„Och, kom!… Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo gauw niet.”„Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat anderen ook.”„Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet vatbaar is.”[37]„Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken.”„Dat is niet onmogelijk,” zei Namir peinzende. „En in dat geval is inderdaad het gevaar groot.”„Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe bezit hij de middelen.”„Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men zou hem dat daar toch maar afnemen.”„Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd goud gebruiken.”„Ja, zoo beschouwd … Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel geld!” zei de Marokkaansche.„Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!”Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand, zeer gevaarlijk kon worden.„Waarom,” riep Sarcany uit, „is hij niet in stede van Zirone daar ginds verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!”„Wat niet in Sicilië gebeurd is,” antwoordde Namir kalm en op ijskouden toon, „kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier geen krater ter beschikking staat.”Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen elkander.Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen, dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand, niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over zijne verdwijning?[38]Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena’s geheimen te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena, werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden, vanwaar niemand ontvluchten kan.Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid van elkander.Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde, alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.Dat was deFerrato. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het Catania aandeed, herkende het dadelijk.„Dokter Antekirrt hier!” prevelde zij binnensmonds. „Sarcany heeft gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan iemand onzer zelfs vermoedt.”Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest, als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen, dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.„Dus,” dacht zij, „er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk, een geluk bij een ongeluk!”[39]En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk verzekeren.DeFerratokwam in den avond van den 22stenSeptember in het binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd, zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar hetPost Officein de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek derFerrato, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina, zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou, die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van eene moeder dan wel van eene zuster.Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van deFerratote vullen met behulp der gabara’s, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die in een hôtel op deCommercial Squaregedineerd hadden, aan boord terugkwamen, op het oogenblik dat het „first gun fire”, het eerste kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als[40]in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche vesting als Mainz of Coblenz.Toch lichtte deFerratoniet dienzelfden avond het anker. Daar het vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta, na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn, die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond te boren.Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had, niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de zeewinden gedekt was. Daar liet deFerratoop twee kabellengten afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen onbewegelijk liggen.Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier, die in zee uitgebouwd was.Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot, gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen, uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie, vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.„Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!” riep kolonel Guyara uit. „Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen dag toebehoort …, zult gij mij niet ontsnappen.”„Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn gast zult geweest zijn. Vergeet niet …”„Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag …!” vroeg kolonel Guyara.„Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van deFerratogereed staat.”„Dat’s waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het niet beleefd zijn, mij te laten wachten!”[41]En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz. 52.)En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz.52.)[42]De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap gewekt had.„Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?” vroeg hij niet zonder belangstelling.„Niets,” antwoordde de gouverneur. „Ten minste, zooals mij is gerapporteerd geworden.”„Dat verwondert mij niet,” opperde dokter Antekirrt zoo ernstig mogelijk.„Maar,” ging kolonel Guyara voort, „hij is niet meer ten arbeid gesteld aan de verharding der wegen.”„Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer gouverneur?”„Neen, dokter Antekirrt,” antwoordde de kolonel. „Volstrekt niet.”„Waar is hij dan?” vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar te nemen.„Hij is in het hospitaal,” antwoordde de gouverneur. „Het schijnt dat dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar, die moet hersteld worden?”„Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher of een Italiaan?”„Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet,” antwoordde kolonel Guyara. „Hij is voor levenslang hier.”„Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd, die hem hier gebracht hebben?”„Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk geen verlies voor het Presidio zijn!”Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal zou verlaten.Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van het achterschip bevallig omhoog kronkelden.[43]Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te geleiden en hem alles te laten bezichtigen.Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien dag—het was op een Zondag—waren de gedeporteerden niet aan hunnen gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand kon waarnemen.Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt, des ochtends aan boord van het stoomjacht deFerratogenoten.Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende die wandelingintra et extra muros, binnen en buiten de stad, door Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten, wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie, verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het was volgens hem bewonderenswaardig.„Maar,” liet hij er op volgen, „het toezicht over de veroordeelden moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?”„Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht …”[44]„Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen, denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden.”De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk, alsof hij nadacht.„Daar nu de gevangenen,” ging de dokter voort, „er meer aan denken om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl mankeerden.”„Nooit!” riep de gouverneur uit. „Nooit! Ik zou wel eens willen zien, dat zoo iets zou gebeuren!”„Evenwel, heer gouverneur … Er bestaan legenden van beroemde ontsnappingen.”„Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens af! Daarin zit de groote moeilijkheid.”„Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve maar te kiezen hebben.”„Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan een doode ontsnapte.”„Als dat zoo is,” antwoordde de dokter, „dan kan ik u gelukwenschen, heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen in de toekomst allengs moeielijker zal worden.”„Om welke reden, als het u belieft?” vroeg een der genoodigden, die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur der strafkolonie was.„Welnu, mijnheer,” antwoordde de dokter, „omdat de studie der magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen heeft gemaakt.…”„Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen te maken?” vroeg de verblufte directeur.Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde, alsof hij niet gestoord ware:„Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken moeielijk wordt.”„En, in dat geval?” … vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.[45]„In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn, niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat zult gij moeten toegeven!”„Hé, hé!” riep de directeur geërgerd uit. „Dat is sterk. Als de bewakers bewaakt zullen moeten worden!”„Gedurende mijne reizen, heer gouverneur,” ging dokter Antekirrt voort, „ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is.”„Dus gij meent?…” vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.„Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten, eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even onbewust kan laten ontsnappen.”„Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel bestaat?” vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.„Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks verlangt. Spreek maar een woord.”„Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede zeer verplichten.”„Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en … zijn beter. Een enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,” antwoordde de dokter.„Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt,” zei de gouverneur. „En wachten met ongeduld uw voorbeeld.”„Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed op hem uitoefent … Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen.”„Ongetwijfeld, heer dokter,” antwoordde de directeur, „maar op eene voorwaarde, niet waar?”„En die is?” vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.„Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben, meen ik?”„Daarin vergist gij u, mijnheer,” antwoordde de dokter hoogst ernstig.„Zou ik?”[46]„Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of ondervindt.”„Wat, gij beweert …?”„Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!… Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk.”„Dat alles, wanneer hij wakker is?” vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.„Juist wanneer hij volkomen wakker is!” bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.„Niets is toch zekerder evenwel,” zei toen Piet Bathory; „en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken …”„Zoodat,” zei de gouverneur, „men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?”„Geheel en al, heer gouverneur,” antwoordde dokter Antekirrt, „evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen.”„Dokter Antekirrt” zei toen de gouverneur, „ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!”„En, zelfs dan nog! …” meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.„Het is dus zeer betreurenswaardig,” hernam de gouverneur, „dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen.”„Maar … met uw verlof, heer gouverneur,” zei de dokter tot den gouverneur.„Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?” vroeg kolonel Guyara. „Gij wildet iets zeggen.”[47]„Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven.”„Mijne toestemming? Dadelijk,” sprak de gouverneur opgewonden uit.„Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!” antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.„Ja, wat mij betreft,” antwoordde de gouverneur. „Zult gij willen? Zult gij kunnen?”„Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas.”„Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen.”„Het zij zoo,” antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. „Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?”„Inderdaad,” zei de directeur der strafkolonie, „en die man bevindt zich thans in het hospitaal.”„Gij herinnert u ook, niet waar,” ging de dokter voort tot den gouverneur, „dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?”„Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde kolonel Guyara levendig.„Welnu, dat is voldoende geweest,” ging de dokter kalm en bedaard voort.„Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?” vroeg de gouverneur. „Voldoende voor wat?”„Om tusschen mij en dien … Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?”„Carpena.”„… Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt.”„Ha!” riep de directeur ongeloovig. „Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!”„Zoodat … gij hier in het gouvernements-hôtel … en hij daar ginds in het hospitaal!…” vroeg de gouverneur nieuwsgierig.„Ongeloofelijk!” zei de directeur hoofdschuddend. „Dat is niet mogelijk!”„Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur,” vroeg de dokter, „om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?”„Jawel, hij zal wegloopen!” antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.[48]Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.„Neen, heeren,” hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, „die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!”„Maar wat, als ’t u blieft?” vroeg kolonel Guyara met aandrang.„Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel, heer gouverneur.”„En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk.”„Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts.”„Mij wel,” antwoordde de gouverneur. „Ik geef ten volle permissie, heer directeur.”„Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?” zeide dokter Antekirrt.„Mij?”„Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,—en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,—zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden.”„Voor wien, als ’t u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?”„Ja, voor wien?… Laat zien … Bij voorbeeld … voor den Koning Alphonsus XII.”„Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?” vroeg kolonel Guyara ongeloovig.„Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen …”„Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven.”„Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog …”„Wat?”„Het Isabella-kruis!”Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!„En die man zal dat volkomen wakker doen?” vroeg de directeur van de strafkolonie.„Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen.”„Neen!… Neen!… Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!” riep kolonel Guyara uit.„Meent gij, heer gouverneur?” vroeg de dokter met een glimlach. „Wacht de uitkomst af.”[49]Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz. 54.)Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz.54.)[50]„Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen.”„Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?”„Hoe kan dat?”„Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!”„Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef.”„Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb.”„Welnu, dat is afgesproken,” zei de gouverneur. „En wanneer gij slechts zult willen …”„Het is thans acht uren.” zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. „Welnu, te negen uren. Is dat goed?”„Zeer goed. Maar.…”„Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten.”„Na de proef?…”„Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben.”„Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?” vroeg de directeur van het bagno onthutst.„Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,—en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,—Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zalhijdat alles niet verrichten, maarik! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten.”De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme[51]of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:„Het is thans drie minuten vóór half negen.”„Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.„Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat.”Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:„Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door.”De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,—het was vijf minuten vóór negen,—dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:[52]„Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel genaderd!”„Och, kom!” zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. „Is hij reeds zoo nabij?”Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.„Laat dien persoon binnen komen,” antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.„Sire!” zei hij met heldere stembuiging, „ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!”De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.„Gij kunt hem gerust gratie verleenen,” zei de dokter glimlachende; „want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven.”„Ik verleen ze u!” antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.„Ja, maar …” zei Carpena aarzelend. „Ik wenschte nog een verzoek te doen.”„Wat wilt ge nog meer?” vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.„Dat ge die gratie aanvult,” ging de veroordeelde steeds geknield voort, „met het eerekruis van de Isabella-orde.”„Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?”Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds[53]met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-hôtel.„Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!” riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.„Gelooft gij mij nog niet?” vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.„Ik kan niet!” antwoordde kolonel Guyara. „Het gaat totaal mijn begrip te boven.”„Welnu, kom dan!” zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. „Kom dan!”De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den wegteruimen.De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van deFerrato, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene[54]ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt’s wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:„Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!…”„Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?” vroeg dokter Antekirrt zegevierend.„Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet.”„Dat’s nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?”„Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op …”„Welke, heer gouverneur?… Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?”„Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!”Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte …Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht … Alles was overbodig … Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.„Heer gouverneur,” zei dokter Antekirrt, „ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad.”[55]„Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?” vroeg de gouverneur belangstellend.„Niet anders dan daardoor,” antwoordde dokter Antekirrt, „dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig …”„Och kom!” zei kolonel Guyara lachende. „Wat is er bij zoo’n geval betreurenswaardig!”„Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur,” hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. „Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!”„Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!” antwoordde de gouverneur wijsgeerig.Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-hôtel aan.Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: „duizend wegen … maar één doel!”1Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.[56]Weinig tijds later had een van de sloepen van deFerratoden dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.„En die man?…” vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. „Is die man aan boord?”„De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde,” antwoordde de jeugdige zeeman, „heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten.”„Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?…” vroeg Piet Bathory.„Niets,” antwoordde Luigi.„In het geheel niets?”„Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken … Hij schijnt stom te zijn.”„Waarom kan hij niet spreken?”„Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen.”„Goed,” zei dokter Antekirrt.De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.„Het was mijn wil,” ging de dokter voort, „dat Carpena van boven die rots neerstortte en … hij is er afgestort.… Het was mijn wil, dat hij sliep en … hij slaapt!… Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!… En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben.”De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had deFerratode open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.
Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.
Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers—dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.
Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.
Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa’s en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over[27]eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.
Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne „oude besjestanden” zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.
Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte „monos”, een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.
Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.
Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan[28]en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.
De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.
Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d’Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6′ 42″ Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.
Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779–1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht—twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.[29]
Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.
Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.
Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa’s en tuinen, een weg naar Punta d’Europa.
Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.
Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69vierk.geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,—jaarlijks ongeveer tienduizend,—geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.
Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen[30]den 21stenJuli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4enAugustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12endaaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7enMaart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.
Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.
In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27stenNovember 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.
De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.
Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.
Wanneer deFerrato, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden[31]wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.
Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19enSeptember op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.
Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.
De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo’n vreeselijken dood vond.
Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.
De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.
Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.
Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.
Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.
Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.[32]
Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.
Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.
Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.
„Sava?…” vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. „Waar is Sava?”
„Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid,” antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.
„Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?” vroeg de Tripolitaan.
„Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust,” was het antwoord van de oude feeks.
„Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden.…”
„Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben.”
„Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan.”
„Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen.”
„Is dat zeker?”
„Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven …”
„Ga voort … Ga dan toch voort … Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij.”
„Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust.”
„Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?… Gij weet, dat dit van belang is.”
„Voorzeker, Sarcany,” antwoordde Namir. „Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!”
„Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft … Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel.”
„Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!”[33]
Gibraltar.Gibraltar.
Gibraltar.
[34]
„Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren … Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij.”
„Ik zal haar wel noodzaken toe te geven,” antwoordde Namir gemelijk. „Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!… Laat dat maar aan mij over, Sarcany!”
Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.
„Goed, Namir, zeer goed!” antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.
„O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?”
„Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,” antwoordde deze.
„Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?” vroeg de Marokkaansche.
„Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn,” antwoordde Sarcany met een glimlach.
„Gij hebt gelijk,” zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.
„Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?”
„Zoo is het goed, Sarcany,” hernam Namir. „Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?”
„Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven.”
„Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!”
„Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed,” antwoordde Sarcany: „Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!”[35]
„Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend,” zei Namir met haren leelijken grijnslach.
„Ja, maar …” hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. „Ja maar.…”
„Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?” vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.
„Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is.”
„Wie zijn dat?” vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.
„De eene is Carpena,” antwoordde Sarcany. „Gij weet wel, de Spanjaard Carpena!”
„Zoo!” gromde de Marokkaansche met sombere stem. „En wie is de andere?”
„De andere … dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam, en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!”
De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar oogenblik.
„Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken, natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!”
„Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is,” antwoordde Namir. „Meer dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen … Ik heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd.”
„Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen steeds te weten, wat hij uitvoert …”
„Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel zoudt meenen.”
„Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,” sprak de Tripolitaan.
„Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,” antwoordde Namir.
„Waarom dat?”
„Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer aan het andere uiteinde!”[36]
„Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te bezitten!” riep Sarcany met een zucht uit. „Maar het zal niet gezegd worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken, zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich ernstig in acht neme!”
„Voorzichtig, Sarcany!” vermaande de oude. „Voorzichtig toch! Als gij met vuur omgaat …”
„En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,” ging Sarcany hartstochtelijk voort, „ik zal hem …”
„Als dat huwelijk voltrokken is,” suste hem Namir, „dan zult gij van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar, Sarcany? Van niemand meer?”
„Ongetwijfeld, Namir; … maar intusschen … is dat huwelijk nog niet voltrokken.”
„Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?”
„Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?”
„Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan, waar wij ons bevinden.”
„Dat is waar.”
„Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien man te vreezen?”
„Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe makkers en vrienden waren.”
„Zoo!”
„Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan … dan zou ik verloren zijn.”
„Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta, veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord, niet waar?”
„Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik u niet verbergen.”
„Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen.”
„Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting van straf te erlangen, aan het verraden gaan.”
„Och, kom!… Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo gauw niet.”
„Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat anderen ook.”
„Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet vatbaar is.”[37]
„Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken.”
„Dat is niet onmogelijk,” zei Namir peinzende. „En in dat geval is inderdaad het gevaar groot.”
„Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe bezit hij de middelen.”
„Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men zou hem dat daar toch maar afnemen.”
„Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd goud gebruiken.”
„Ja, zoo beschouwd … Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel geld!” zei de Marokkaansche.
„Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!”
Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.
Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand, zeer gevaarlijk kon worden.
„Waarom,” riep Sarcany uit, „is hij niet in stede van Zirone daar ginds verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!”
„Wat niet in Sicilië gebeurd is,” antwoordde Namir kalm en op ijskouden toon, „kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier geen krater ter beschikking staat.”
Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen elkander.
Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen, dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand, niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over zijne verdwijning?[38]
Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena’s geheimen te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.
Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena, werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden, vanwaar niemand ontvluchten kan.
Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid van elkander.
Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.
Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde, alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.
Dat was deFerrato. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het Catania aandeed, herkende het dadelijk.
„Dokter Antekirrt hier!” prevelde zij binnensmonds. „Sarcany heeft gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan iemand onzer zelfs vermoedt.”
Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.
Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest, als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.
Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen, dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.
„Dus,” dacht zij, „er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk, een geluk bij een ongeluk!”[39]
En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.
Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk verzekeren.
DeFerratokwam in den avond van den 22stenSeptember in het binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd, zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar hetPost Officein de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.
Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek derFerrato, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina, zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.
Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou, die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.
De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van eene moeder dan wel van eene zuster.
Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.
Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van deFerratote vullen met behulp der gabara’s, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.
Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die in een hôtel op deCommercial Squaregedineerd hadden, aan boord terugkwamen, op het oogenblik dat het „first gun fire”, het eerste kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als[40]in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche vesting als Mainz of Coblenz.
Toch lichtte deFerratoniet dienzelfden avond het anker. Daar het vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta, na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn, die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond te boren.
Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had, niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de zeewinden gedekt was. Daar liet deFerratoop twee kabellengten afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen onbewegelijk liggen.
Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier, die in zee uitgebouwd was.
Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot, gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen, uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.
Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie, vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.
„Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!” riep kolonel Guyara uit. „Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen dag toebehoort …, zult gij mij niet ontsnappen.”
„Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn gast zult geweest zijn. Vergeet niet …”
„Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag …!” vroeg kolonel Guyara.
„Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van deFerratogereed staat.”
„Dat’s waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het niet beleefd zijn, mij te laten wachten!”[41]
En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz. 52.)En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz.52.)
En viel, toen hij hem op twee passen genaderd was, op de knieën. (Bladz.52.)
[42]
De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.
Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap gewekt had.
„Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?” vroeg hij niet zonder belangstelling.
„Niets,” antwoordde de gouverneur. „Ten minste, zooals mij is gerapporteerd geworden.”
„Dat verwondert mij niet,” opperde dokter Antekirrt zoo ernstig mogelijk.
„Maar,” ging kolonel Guyara voort, „hij is niet meer ten arbeid gesteld aan de verharding der wegen.”
„Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer gouverneur?”
„Neen, dokter Antekirrt,” antwoordde de kolonel. „Volstrekt niet.”
„Waar is hij dan?” vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar te nemen.
„Hij is in het hospitaal,” antwoordde de gouverneur. „Het schijnt dat dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar, die moet hersteld worden?”
„Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher of een Italiaan?”
„Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet,” antwoordde kolonel Guyara. „Hij is voor levenslang hier.”
„Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd, die hem hier gebracht hebben?”
„Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk geen verlies voor het Presidio zijn!”
Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal zou verlaten.
Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van het achterschip bevallig omhoog kronkelden.[43]
Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.
Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te geleiden en hem alles te laten bezichtigen.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien dag—het was op een Zondag—waren de gedeporteerden niet aan hunnen gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand kon waarnemen.
Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.
De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt, des ochtends aan boord van het stoomjacht deFerratogenoten.
Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende die wandelingintra et extra muros, binnen en buiten de stad, door Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten, wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?
Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie, verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.
De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het was volgens hem bewonderenswaardig.
„Maar,” liet hij er op volgen, „het toezicht over de veroordeelden moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?”
„Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht …”[44]
„Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen, denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden.”
De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk, alsof hij nadacht.
„Daar nu de gevangenen,” ging de dokter voort, „er meer aan denken om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl mankeerden.”
„Nooit!” riep de gouverneur uit. „Nooit! Ik zou wel eens willen zien, dat zoo iets zou gebeuren!”
„Evenwel, heer gouverneur … Er bestaan legenden van beroemde ontsnappingen.”
„Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens af! Daarin zit de groote moeilijkheid.”
„Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve maar te kiezen hebben.”
„Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan een doode ontsnapte.”
„Als dat zoo is,” antwoordde de dokter, „dan kan ik u gelukwenschen, heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen in de toekomst allengs moeielijker zal worden.”
„Om welke reden, als het u belieft?” vroeg een der genoodigden, die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur der strafkolonie was.
„Welnu, mijnheer,” antwoordde de dokter, „omdat de studie der magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen heeft gemaakt.…”
„Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen te maken?” vroeg de verblufte directeur.
Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde, alsof hij niet gestoord ware:
„Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken moeielijk wordt.”
„En, in dat geval?” … vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder achterdocht.[45]
„In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn, niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat zult gij moeten toegeven!”
„Hé, hé!” riep de directeur geërgerd uit. „Dat is sterk. Als de bewakers bewaakt zullen moeten worden!”
„Gedurende mijne reizen, heer gouverneur,” ging dokter Antekirrt voort, „ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is.”
„Dus gij meent?…” vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.
„Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten, eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even onbewust kan laten ontsnappen.”
„Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel bestaat?” vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.
„Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks verlangt. Spreek maar een woord.”
„Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede zeer verplichten.”
„Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en … zijn beter. Een enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,” antwoordde de dokter.
„Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt,” zei de gouverneur. „En wachten met ongeduld uw voorbeeld.”
„Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed op hem uitoefent … Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen.”
„Ongetwijfeld, heer dokter,” antwoordde de directeur, „maar op eene voorwaarde, niet waar?”
„En die is?” vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.
„Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben, meen ik?”
„Daarin vergist gij u, mijnheer,” antwoordde de dokter hoogst ernstig.
„Zou ik?”[46]
„Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of ondervindt.”
„Wat, gij beweert …?”
„Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!… Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk.”
„Dat alles, wanneer hij wakker is?” vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.
„Juist wanneer hij volkomen wakker is!” bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.
Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.
„Niets is toch zekerder evenwel,” zei toen Piet Bathory; „en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken …”
„Zoodat,” zei de gouverneur, „men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?”
„Geheel en al, heer gouverneur,” antwoordde dokter Antekirrt, „evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen.”
„Dokter Antekirrt” zei toen de gouverneur, „ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!”
„En, zelfs dan nog! …” meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.
„Het is dus zeer betreurenswaardig,” hernam de gouverneur, „dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen.”
„Maar … met uw verlof, heer gouverneur,” zei de dokter tot den gouverneur.
„Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?” vroeg kolonel Guyara. „Gij wildet iets zeggen.”[47]
„Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven.”
„Mijne toestemming? Dadelijk,” sprak de gouverneur opgewonden uit.
„Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!” antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.
„Ja, wat mij betreft,” antwoordde de gouverneur. „Zult gij willen? Zult gij kunnen?”
„Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas.”
„Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen.”
„Het zij zoo,” antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. „Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?”
„Inderdaad,” zei de directeur der strafkolonie, „en die man bevindt zich thans in het hospitaal.”
„Gij herinnert u ook, niet waar,” ging de dokter voort tot den gouverneur, „dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?”
„Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde kolonel Guyara levendig.
„Welnu, dat is voldoende geweest,” ging de dokter kalm en bedaard voort.
„Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?” vroeg de gouverneur. „Voldoende voor wat?”
„Om tusschen mij en dien … Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?”
„Carpena.”
„… Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt.”
„Ha!” riep de directeur ongeloovig. „Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!”
„Zoodat … gij hier in het gouvernements-hôtel … en hij daar ginds in het hospitaal!…” vroeg de gouverneur nieuwsgierig.
„Ongeloofelijk!” zei de directeur hoofdschuddend. „Dat is niet mogelijk!”
„Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur,” vroeg de dokter, „om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?”
„Jawel, hij zal wegloopen!” antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.[48]
Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.
„Neen, heeren,” hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, „die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!”
„Maar wat, als ’t u blieft?” vroeg kolonel Guyara met aandrang.
„Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel, heer gouverneur.”
„En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk.”
„Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts.”
„Mij wel,” antwoordde de gouverneur. „Ik geef ten volle permissie, heer directeur.”
„Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?” zeide dokter Antekirrt.
„Mij?”
„Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,—en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,—zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden.”
„Voor wien, als ’t u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?”
„Ja, voor wien?… Laat zien … Bij voorbeeld … voor den Koning Alphonsus XII.”
„Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?” vroeg kolonel Guyara ongeloovig.
„Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen …”
„Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven.”
„Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog …”
„Wat?”
„Het Isabella-kruis!”
Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!
„En die man zal dat volkomen wakker doen?” vroeg de directeur van de strafkolonie.
„Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen.”
„Neen!… Neen!… Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!” riep kolonel Guyara uit.
„Meent gij, heer gouverneur?” vroeg de dokter met een glimlach. „Wacht de uitkomst af.”[49]
Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz. 54.)Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz.54.)
Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan. (Bladz.54.)
[50]
„Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen.”
„Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?”
„Hoe kan dat?”
„Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!”
„Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef.”
„Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb.”
„Welnu, dat is afgesproken,” zei de gouverneur. „En wanneer gij slechts zult willen …”
„Het is thans acht uren.” zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. „Welnu, te negen uren. Is dat goed?”
„Zeer goed. Maar.…”
„Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten.”
„Na de proef?…”
„Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben.”
„Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?” vroeg de directeur van het bagno onthutst.
„Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,—en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,—Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zalhijdat alles niet verrichten, maarik! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten.”
De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.
Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.
Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme[51]of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.
Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.
Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.
Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:
„Het is thans drie minuten vóór half negen.”
„Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.
„Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat.”
Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.
Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:
„Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door.”
De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.
Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,—het was vijf minuten vóór negen,—dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:[52]
„Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel genaderd!”
„Och, kom!” zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. „Is hij reeds zoo nabij?”
Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.
Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.
„Laat dien persoon binnen komen,” antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.
Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.
„Sire!” zei hij met heldere stembuiging, „ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!”
De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.
„Gij kunt hem gerust gratie verleenen,” zei de dokter glimlachende; „want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven.”
„Ik verleen ze u!” antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.
„Ja, maar …” zei Carpena aarzelend. „Ik wenschte nog een verzoek te doen.”
„Wat wilt ge nog meer?” vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.
„Dat ge die gratie aanvult,” ging de veroordeelde steeds geknield voort, „met het eerekruis van de Isabella-orde.”
„Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?”
Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds[53]met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.
Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-hôtel.
„Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!” riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.
„Gelooft gij mij nog niet?” vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.
„Ik kan niet!” antwoordde kolonel Guyara. „Het gaat totaal mijn begrip te boven.”
„Welnu, kom dan!” zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. „Kom dan!”
De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den wegteruimen.
De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.
De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van deFerrato, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.
Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.
De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene[54]ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.
Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt’s wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.
De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:
„Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!…”
„Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?” vroeg dokter Antekirrt zegevierend.
„Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet.”
„Dat’s nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?”
„Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op …”
„Welke, heer gouverneur?… Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?”
„Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!”
Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.
Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?
Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.
Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte …
Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht … Alles was overbodig … Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.
„Heer gouverneur,” zei dokter Antekirrt, „ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad.”[55]
„Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?” vroeg de gouverneur belangstellend.
„Niet anders dan daardoor,” antwoordde dokter Antekirrt, „dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig …”
„Och kom!” zei kolonel Guyara lachende. „Wat is er bij zoo’n geval betreurenswaardig!”
„Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur,” hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. „Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!”
„Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!” antwoordde de gouverneur wijsgeerig.
Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.
Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.
De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-hôtel aan.
Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: „duizend wegen … maar één doel!”1
Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.[56]
Weinig tijds later had een van de sloepen van deFerratoden dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.
„En die man?…” vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. „Is die man aan boord?”
„De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde,” antwoordde de jeugdige zeeman, „heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten.”
„Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?…” vroeg Piet Bathory.
„Niets,” antwoordde Luigi.
„In het geheel niets?”
„Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken … Hij schijnt stom te zijn.”
„Waarom kan hij niet spreken?”
„Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen.”
„Goed,” zei dokter Antekirrt.
De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.
„Het was mijn wil,” ging de dokter voort, „dat Carpena van boven die rots neerstortte en … hij is er afgestort.… Het was mijn wil, dat hij sliep en … hij slaapt!… Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!… En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben.”
De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had deFerratode open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.
1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑
1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑
1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑
1Een zeer afkeurenswaardige leer; want dat is de leer van:het doel heiligt de middelenhuldigen.Vert.↑