[Inhoud]III.Zeventien malen„Zeventien malen?…”„Ja, zeventien malen!”„Onmogelijk!”[57]En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz. 59.)En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz.59.)[58]„Wel mogelijk!… Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!”„Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!”„Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!”„En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?”„Ja!”„Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?”„De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!”„Zeventien malen?… Zeventien malen?… Achter elkander?…”„Ja, zeventien malen! en achter elkander!”„Met de roulette of met het trente et quarante?… Zeg mij, met welke dier beiden?”„Met het trente et quarante!”„Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen.”„Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!” antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. „Ja, mijnheer, en het was toen zomer—wat zeer opmerkelijk is.—Ik ben betaald, om er iets van te weten.”Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3denOctober, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche evenwicht een rechtgeaarden speler aan?[59]Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.„Bijna een millioen!” mompelde men in de verschillende groepjes. „Bijna een millioen!”En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke uitkomst gestreden hadden.Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de „déveine” genoemd wordt.De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat, had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van een waanzinnige of van een wanhopige.Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het duister naar den kant van de Duivenschietbaan.„Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte serie ons te staan komt!” riep de oudste dier twee uit. „Het is verschrikkelijk!”„Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend,” verbeterde de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling controleert.„En thans blijft mij.…”„Hoeveel?… Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch niets baten!”„Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!” jammerde de eerste speler op treurigen toon.„Denkt ge dat?” vroeg de andere snijdend spottend. „Ik geloof, dat gij u vergist!”„Meent ge meer?”„Het mocht wat!… Slechts honderd zeven en negentig duizend!” antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen toon.„Slechts dat?”„Ja, kijk maar!” ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.„Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen.”„Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets meer of minder dan dat!”„En dat in minder dan twee maanden!…”[60]„In een maand en zestien dagen!”„Sarcany!…” riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers, die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.„Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap.”„Ga zoo niet voort!” sprak de andere dreigend.„Ah bah!” zei de ander met een luchtig gebaar. „Gij zijt heden in een booze bui.”Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had, was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop hadden beiden met Sava die stad verlaten.Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille, dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier, die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen bieden?Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering op te richten.Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft, verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde[61]bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan, als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen, de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet Bathory. Maar, … zou zij—die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen weerstand bieden?Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel mede te hebben.In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar het verderf.Daarenboven wat de spelers de „déveine” noemen,—een naam waarachter zij hunne domme verblindheid verbergen,—verklaarde zich werkelijk in hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest, om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan, om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat was een zware slag voor den bankier geweest.Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar het „rien ne va plus” der „croupiers” in de Peloponesische taal, in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan de roulette en aan het „trente et quarante” te Monte Carlo. Dat zij nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.[62]En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie weken te Monte Carlo bevonden.Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar hetà tout Seigneur tout honneurook hier betracht dient te worden, zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860 Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan laatstgenoemd rijk af.Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5□geograpische mijl beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad, die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon nationale militie.Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras, en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot schuilplaats van zeeroovers dienden.Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal, waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde wereld vindt.Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichteSalons de jeute vinden.[63]Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij, die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een pistoolschot het leven benam.De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng, ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée- of beter eene introductie-kaart, die door denCommissaire Spécialonderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven, terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts voor één dag geldig is.Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook dat is door de almachtige „Administration” bepaald.Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat gebarenspel!In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en[64]pleegden de meest bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld, welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond, die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo, door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij hettrente et quaranteuitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens meer tweemaal honderd duizend francs over.Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet, vooral voor mannen als deze.Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen, die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep en uitriep:„Kijk!… Kijk!… Hij draait steeds!… Hij draait steeds!… En zal altijd draaien!…”Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig reden om te lachen.De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer, hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder, door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide, draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der wereld!…De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!„Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?” vroeg Sarcany aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis was.„Kalm, kalm!” bromde de bankier binnensmonds. „Gij hebt goed praten! Ik wilde u wel in mijne plaats zien.”„Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil, in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen.”„Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten; maar ik wilde u wel in mijne plaats zien.”In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz. 63.)In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz.63.)„Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo,” vervolgde Sarcany; „maar[65][66]het lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder dat wij er iets voor doen.”Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende, knorde steeds binnensmonds.„Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger te stemmen!” ging Sarcany voort. „Dat is gevaarlijk, en daarenboven geheel overbodig.… Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen, wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in ons voordeel is!… Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij de veine hebben, hoog op te voeren.”Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht, zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte, namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.„Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „wij zijn heden zoo ongelukkig geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!… Morgen zal het ons gunstig zijn!”„En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!” antwoordde de bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte op te komen. „Zeg, wat dan?”„Dan blijft ons Sava Toronthal over!” was het antwoord, dat Sarcany vrij driftig gaf.„En dan?” vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. „En dan?…”„Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk overgetroefd worden!”„Ja, morgen!… Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt, niet waar?”[67]„Zeker morgen!” bevestigde Sarcany. „Morgen zal het mijn geluksdag zijn, wees daarvan verzekerd.”„Ja, morgen! … morgen!” herhaalde de bankier, die zich in die gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou stellen. „Morgen!… Morgen!… Welaan, het zij zoo!”Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels, de villa’s en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen, myrten, palmachristi’s en zoovele anderen, die in eene bevallige wanorde naast en tusschen elkander groeien.Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa’s, die zich op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen, van villa’s in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone Italië oplevert.Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven, van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad: dat is La Condamine.Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel, naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat[68]gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het Monacosche rijkje.Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen, zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in alle haast een blik in.In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich, terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen over. Die waren verre van rooskleurig.„Carpena dood!… Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!… Komaan, dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den bodem van den Oceaan begraven!… Van dien kant kan ik dus gerust zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!”Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief overgaande:„Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!… Wie is die man toch?… Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd[69]vond in alles wat mij betreft! … Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! … Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! … Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! … Hij was daar dicht bij Tetuan! … Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! … Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! … De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrenaïsche kuststrook; … zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! … Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden … welnu, dan zal ik wel …”Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany’s gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.„Ja,” zoo sprak hij tot zich zelven, „wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! … Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! … Of de bank zal springen, of … wij! Dat ik geruïneerd zal zijn door zijn val … wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen … Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders … Dan zal hij gevaarlijk worden, … dan kan hij geneigd zijn te praten, … dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! … Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!”En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo’n benauwend uiterste.Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een[70]lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand deFocinana-kaaptot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan … Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.„Silas! … ik in de macht van Silas Toronthal!..” zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. „Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! … Dat nooit! … Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! … Ja, dat zal ik … mij te volgen tot Tetuan toe … en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?”De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.[71]Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam—in dit oogenblik althans—om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.„Welnu, Silas Toronthal,” begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.„Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?” vervolgde Sarcany.„Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!” siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.„Niet?”„Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?” vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.„Zeker heb ik kunnen slapen. Maar … des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u.”[72]„Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten.”„Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben.”„Och, wat! Bah!… Wat beteekent rust?… Heb ik rust noodig?.. En toch.…”„Kijk mij … Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik.”„De fortuin?… De fortuin?…” herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.„Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,”„Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!”„Bah!… Een eenvoudige gril!… Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!”Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.„Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?” vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.„Ik?” hernam de bankier als verschrikt … „Ik?… Geef mij dat papier terug, Sarcany.”„Berekeningen, … onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!”„Kom, loop heen, ik … Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om.”„De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!”„Welnu?” vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.„Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,” hernam Sarcany op spotzieken toon.„Welnu?” herhaalde de bankier vragend: „Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is.”Ingang der haven van Monaco. (Bladz. 69.)Ingang der haven van Monaco. (Bladz.69.)„Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben[73][74]… en op dat gebied—dit moet gij erkennen—is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten.”„Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?” vroeg Silas Toronthal stampvoetende.„Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan”… Sarcany’s oogen glinsterden … „heb ik u niets meer te zeggen.”„Dan?…”„Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?”„Alles?…”„Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij.”„God geve het!” zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.„Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!”„En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?” hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. „Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?”„Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?”„Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?… Zoo zonder geld?”„Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten.”„Monaco verlaten?… Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij.”Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.„O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!”De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.„Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!” ging de bankier kermend voort.„Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!” antwoordde de schaamtelooze kerel. „Dat moest ge toch zelf inzien.”„Zwijg!” riep de bankier uiterst vertoornd. „Zwijg, of ik zal u …”„Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft.[75]Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!”„Pas op!” riep de bankier verbolgen uit. „Ik waarschuw u ernstig. Pas op!”„Ja!… ik zal oppassen!” mompelde Sarcany onverstaanbaar. „Daar kunt ge staat op maken.”Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:„Waarde Silas,” zei hij honigzoet, „laten wij toch niet boos op elkander worden!… Waartoe zou dat dienen?… Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!… Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!… Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!”„Maar, intusschen.… Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag.”„Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.… Dan … ja dan.…”„Welnu?…”„Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben.”„Ja!… Ja!…” riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. „Ja!… Ja!… ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!”„Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer.”„Te gelukkig geweest!” herhaalde Silas Toronthal, „en dezen avond nog.… Ja, dezen avond!…”„Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!” riep Sarcany uit, „en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge … wij zullen dan het spelen staken.”„Heden?…” vroeg de bankier in gespannen verwachting. „Het spelen staken?… Heden reeds?”„Morgen verlaten wij Monte Carlo!… Morgen stevenen wij naar Tetuan.”„Naar Tetuan?… Monte Carlo verlaten?… Waarom, als ik u bidden mag?”„Ja, wij zullen vertrekken.… En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen.”„Waarheen?… Maar, waarheen dan toch?”[76]„Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje.”Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.
[Inhoud]III.Zeventien malen„Zeventien malen?…”„Ja, zeventien malen!”„Onmogelijk!”[57]En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz. 59.)En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz.59.)[58]„Wel mogelijk!… Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!”„Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!”„Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!”„En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?”„Ja!”„Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?”„De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!”„Zeventien malen?… Zeventien malen?… Achter elkander?…”„Ja, zeventien malen! en achter elkander!”„Met de roulette of met het trente et quarante?… Zeg mij, met welke dier beiden?”„Met het trente et quarante!”„Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen.”„Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!” antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. „Ja, mijnheer, en het was toen zomer—wat zeer opmerkelijk is.—Ik ben betaald, om er iets van te weten.”Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3denOctober, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche evenwicht een rechtgeaarden speler aan?[59]Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.„Bijna een millioen!” mompelde men in de verschillende groepjes. „Bijna een millioen!”En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke uitkomst gestreden hadden.Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de „déveine” genoemd wordt.De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat, had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van een waanzinnige of van een wanhopige.Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het duister naar den kant van de Duivenschietbaan.„Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte serie ons te staan komt!” riep de oudste dier twee uit. „Het is verschrikkelijk!”„Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend,” verbeterde de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling controleert.„En thans blijft mij.…”„Hoeveel?… Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch niets baten!”„Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!” jammerde de eerste speler op treurigen toon.„Denkt ge dat?” vroeg de andere snijdend spottend. „Ik geloof, dat gij u vergist!”„Meent ge meer?”„Het mocht wat!… Slechts honderd zeven en negentig duizend!” antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen toon.„Slechts dat?”„Ja, kijk maar!” ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.„Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen.”„Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets meer of minder dan dat!”„En dat in minder dan twee maanden!…”[60]„In een maand en zestien dagen!”„Sarcany!…” riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers, die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.„Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap.”„Ga zoo niet voort!” sprak de andere dreigend.„Ah bah!” zei de ander met een luchtig gebaar. „Gij zijt heden in een booze bui.”Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had, was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop hadden beiden met Sava die stad verlaten.Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille, dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier, die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen bieden?Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering op te richten.Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft, verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde[61]bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan, als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen, de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet Bathory. Maar, … zou zij—die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen weerstand bieden?Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel mede te hebben.In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar het verderf.Daarenboven wat de spelers de „déveine” noemen,—een naam waarachter zij hunne domme verblindheid verbergen,—verklaarde zich werkelijk in hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest, om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan, om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat was een zware slag voor den bankier geweest.Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar het „rien ne va plus” der „croupiers” in de Peloponesische taal, in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan de roulette en aan het „trente et quarante” te Monte Carlo. Dat zij nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.[62]En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie weken te Monte Carlo bevonden.Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar hetà tout Seigneur tout honneurook hier betracht dient te worden, zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860 Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan laatstgenoemd rijk af.Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5□geograpische mijl beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad, die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon nationale militie.Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras, en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot schuilplaats van zeeroovers dienden.Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal, waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde wereld vindt.Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichteSalons de jeute vinden.[63]Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij, die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een pistoolschot het leven benam.De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng, ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée- of beter eene introductie-kaart, die door denCommissaire Spécialonderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven, terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts voor één dag geldig is.Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook dat is door de almachtige „Administration” bepaald.Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat gebarenspel!In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en[64]pleegden de meest bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld, welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond, die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo, door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij hettrente et quaranteuitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens meer tweemaal honderd duizend francs over.Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet, vooral voor mannen als deze.Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen, die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep en uitriep:„Kijk!… Kijk!… Hij draait steeds!… Hij draait steeds!… En zal altijd draaien!…”Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig reden om te lachen.De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer, hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder, door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide, draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der wereld!…De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!„Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?” vroeg Sarcany aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis was.„Kalm, kalm!” bromde de bankier binnensmonds. „Gij hebt goed praten! Ik wilde u wel in mijne plaats zien.”„Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil, in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen.”„Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten; maar ik wilde u wel in mijne plaats zien.”In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz. 63.)In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz.63.)„Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo,” vervolgde Sarcany; „maar[65][66]het lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder dat wij er iets voor doen.”Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende, knorde steeds binnensmonds.„Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger te stemmen!” ging Sarcany voort. „Dat is gevaarlijk, en daarenboven geheel overbodig.… Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen, wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in ons voordeel is!… Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij de veine hebben, hoog op te voeren.”Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht, zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte, namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.„Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „wij zijn heden zoo ongelukkig geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!… Morgen zal het ons gunstig zijn!”„En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!” antwoordde de bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte op te komen. „Zeg, wat dan?”„Dan blijft ons Sava Toronthal over!” was het antwoord, dat Sarcany vrij driftig gaf.„En dan?” vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. „En dan?…”„Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk overgetroefd worden!”„Ja, morgen!… Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt, niet waar?”[67]„Zeker morgen!” bevestigde Sarcany. „Morgen zal het mijn geluksdag zijn, wees daarvan verzekerd.”„Ja, morgen! … morgen!” herhaalde de bankier, die zich in die gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou stellen. „Morgen!… Morgen!… Welaan, het zij zoo!”Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels, de villa’s en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen, myrten, palmachristi’s en zoovele anderen, die in eene bevallige wanorde naast en tusschen elkander groeien.Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa’s, die zich op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen, van villa’s in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone Italië oplevert.Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven, van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad: dat is La Condamine.Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel, naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat[68]gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het Monacosche rijkje.Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen, zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in alle haast een blik in.In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich, terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen over. Die waren verre van rooskleurig.„Carpena dood!… Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!… Komaan, dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den bodem van den Oceaan begraven!… Van dien kant kan ik dus gerust zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!”Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief overgaande:„Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!… Wie is die man toch?… Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd[69]vond in alles wat mij betreft! … Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! … Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! … Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! … Hij was daar dicht bij Tetuan! … Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! … Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! … De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrenaïsche kuststrook; … zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! … Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden … welnu, dan zal ik wel …”Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany’s gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.„Ja,” zoo sprak hij tot zich zelven, „wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! … Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! … Of de bank zal springen, of … wij! Dat ik geruïneerd zal zijn door zijn val … wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen … Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders … Dan zal hij gevaarlijk worden, … dan kan hij geneigd zijn te praten, … dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! … Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!”En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo’n benauwend uiterste.Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een[70]lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand deFocinana-kaaptot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan … Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.„Silas! … ik in de macht van Silas Toronthal!..” zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. „Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! … Dat nooit! … Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! … Ja, dat zal ik … mij te volgen tot Tetuan toe … en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?”De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.[71]Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam—in dit oogenblik althans—om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.„Welnu, Silas Toronthal,” begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.„Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?” vervolgde Sarcany.„Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!” siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.„Niet?”„Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?” vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.„Zeker heb ik kunnen slapen. Maar … des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u.”[72]„Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten.”„Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben.”„Och, wat! Bah!… Wat beteekent rust?… Heb ik rust noodig?.. En toch.…”„Kijk mij … Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik.”„De fortuin?… De fortuin?…” herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.„Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,”„Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!”„Bah!… Een eenvoudige gril!… Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!”Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.„Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?” vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.„Ik?” hernam de bankier als verschrikt … „Ik?… Geef mij dat papier terug, Sarcany.”„Berekeningen, … onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!”„Kom, loop heen, ik … Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om.”„De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!”„Welnu?” vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.„Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,” hernam Sarcany op spotzieken toon.„Welnu?” herhaalde de bankier vragend: „Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is.”Ingang der haven van Monaco. (Bladz. 69.)Ingang der haven van Monaco. (Bladz.69.)„Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben[73][74]… en op dat gebied—dit moet gij erkennen—is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten.”„Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?” vroeg Silas Toronthal stampvoetende.„Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan”… Sarcany’s oogen glinsterden … „heb ik u niets meer te zeggen.”„Dan?…”„Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?”„Alles?…”„Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij.”„God geve het!” zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.„Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!”„En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?” hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. „Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?”„Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?”„Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?… Zoo zonder geld?”„Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten.”„Monaco verlaten?… Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij.”Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.„O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!”De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.„Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!” ging de bankier kermend voort.„Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!” antwoordde de schaamtelooze kerel. „Dat moest ge toch zelf inzien.”„Zwijg!” riep de bankier uiterst vertoornd. „Zwijg, of ik zal u …”„Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft.[75]Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!”„Pas op!” riep de bankier verbolgen uit. „Ik waarschuw u ernstig. Pas op!”„Ja!… ik zal oppassen!” mompelde Sarcany onverstaanbaar. „Daar kunt ge staat op maken.”Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:„Waarde Silas,” zei hij honigzoet, „laten wij toch niet boos op elkander worden!… Waartoe zou dat dienen?… Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!… Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!… Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!”„Maar, intusschen.… Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag.”„Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.… Dan … ja dan.…”„Welnu?…”„Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben.”„Ja!… Ja!…” riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. „Ja!… Ja!… ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!”„Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer.”„Te gelukkig geweest!” herhaalde Silas Toronthal, „en dezen avond nog.… Ja, dezen avond!…”„Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!” riep Sarcany uit, „en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge … wij zullen dan het spelen staken.”„Heden?…” vroeg de bankier in gespannen verwachting. „Het spelen staken?… Heden reeds?”„Morgen verlaten wij Monte Carlo!… Morgen stevenen wij naar Tetuan.”„Naar Tetuan?… Monte Carlo verlaten?… Waarom, als ik u bidden mag?”„Ja, wij zullen vertrekken.… En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen.”„Waarheen?… Maar, waarheen dan toch?”[76]„Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje.”Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.
III.Zeventien malen
„Zeventien malen?…”„Ja, zeventien malen!”„Onmogelijk!”[57]En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz. 59.)En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz.59.)[58]„Wel mogelijk!… Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!”„Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!”„Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!”„En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?”„Ja!”„Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?”„De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!”„Zeventien malen?… Zeventien malen?… Achter elkander?…”„Ja, zeventien malen! en achter elkander!”„Met de roulette of met het trente et quarante?… Zeg mij, met welke dier beiden?”„Met het trente et quarante!”„Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen.”„Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!” antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. „Ja, mijnheer, en het was toen zomer—wat zeer opmerkelijk is.—Ik ben betaald, om er iets van te weten.”Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3denOctober, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche evenwicht een rechtgeaarden speler aan?[59]Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.„Bijna een millioen!” mompelde men in de verschillende groepjes. „Bijna een millioen!”En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke uitkomst gestreden hadden.Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de „déveine” genoemd wordt.De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat, had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van een waanzinnige of van een wanhopige.Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het duister naar den kant van de Duivenschietbaan.„Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte serie ons te staan komt!” riep de oudste dier twee uit. „Het is verschrikkelijk!”„Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend,” verbeterde de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling controleert.„En thans blijft mij.…”„Hoeveel?… Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch niets baten!”„Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!” jammerde de eerste speler op treurigen toon.„Denkt ge dat?” vroeg de andere snijdend spottend. „Ik geloof, dat gij u vergist!”„Meent ge meer?”„Het mocht wat!… Slechts honderd zeven en negentig duizend!” antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen toon.„Slechts dat?”„Ja, kijk maar!” ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.„Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen.”„Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets meer of minder dan dat!”„En dat in minder dan twee maanden!…”[60]„In een maand en zestien dagen!”„Sarcany!…” riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers, die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.„Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap.”„Ga zoo niet voort!” sprak de andere dreigend.„Ah bah!” zei de ander met een luchtig gebaar. „Gij zijt heden in een booze bui.”Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had, was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop hadden beiden met Sava die stad verlaten.Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille, dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier, die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen bieden?Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering op te richten.Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft, verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde[61]bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan, als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen, de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet Bathory. Maar, … zou zij—die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen weerstand bieden?Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel mede te hebben.In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar het verderf.Daarenboven wat de spelers de „déveine” noemen,—een naam waarachter zij hunne domme verblindheid verbergen,—verklaarde zich werkelijk in hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest, om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan, om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat was een zware slag voor den bankier geweest.Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar het „rien ne va plus” der „croupiers” in de Peloponesische taal, in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan de roulette en aan het „trente et quarante” te Monte Carlo. Dat zij nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.[62]En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie weken te Monte Carlo bevonden.Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar hetà tout Seigneur tout honneurook hier betracht dient te worden, zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860 Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan laatstgenoemd rijk af.Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5□geograpische mijl beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad, die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon nationale militie.Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras, en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot schuilplaats van zeeroovers dienden.Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal, waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde wereld vindt.Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichteSalons de jeute vinden.[63]Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij, die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een pistoolschot het leven benam.De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng, ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée- of beter eene introductie-kaart, die door denCommissaire Spécialonderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven, terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts voor één dag geldig is.Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook dat is door de almachtige „Administration” bepaald.Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat gebarenspel!In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en[64]pleegden de meest bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld, welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond, die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo, door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij hettrente et quaranteuitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens meer tweemaal honderd duizend francs over.Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet, vooral voor mannen als deze.Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen, die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep en uitriep:„Kijk!… Kijk!… Hij draait steeds!… Hij draait steeds!… En zal altijd draaien!…”Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig reden om te lachen.De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer, hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder, door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide, draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der wereld!…De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!„Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?” vroeg Sarcany aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis was.„Kalm, kalm!” bromde de bankier binnensmonds. „Gij hebt goed praten! Ik wilde u wel in mijne plaats zien.”„Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil, in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen.”„Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten; maar ik wilde u wel in mijne plaats zien.”In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz. 63.)In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz.63.)„Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo,” vervolgde Sarcany; „maar[65][66]het lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder dat wij er iets voor doen.”Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende, knorde steeds binnensmonds.„Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger te stemmen!” ging Sarcany voort. „Dat is gevaarlijk, en daarenboven geheel overbodig.… Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen, wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in ons voordeel is!… Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij de veine hebben, hoog op te voeren.”Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht, zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte, namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.„Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „wij zijn heden zoo ongelukkig geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!… Morgen zal het ons gunstig zijn!”„En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!” antwoordde de bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte op te komen. „Zeg, wat dan?”„Dan blijft ons Sava Toronthal over!” was het antwoord, dat Sarcany vrij driftig gaf.„En dan?” vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. „En dan?…”„Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk overgetroefd worden!”„Ja, morgen!… Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt, niet waar?”[67]„Zeker morgen!” bevestigde Sarcany. „Morgen zal het mijn geluksdag zijn, wees daarvan verzekerd.”„Ja, morgen! … morgen!” herhaalde de bankier, die zich in die gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou stellen. „Morgen!… Morgen!… Welaan, het zij zoo!”Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels, de villa’s en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen, myrten, palmachristi’s en zoovele anderen, die in eene bevallige wanorde naast en tusschen elkander groeien.Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa’s, die zich op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen, van villa’s in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone Italië oplevert.Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven, van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad: dat is La Condamine.Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel, naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat[68]gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het Monacosche rijkje.Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen, zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in alle haast een blik in.In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich, terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen over. Die waren verre van rooskleurig.„Carpena dood!… Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!… Komaan, dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den bodem van den Oceaan begraven!… Van dien kant kan ik dus gerust zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!”Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief overgaande:„Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!… Wie is die man toch?… Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd[69]vond in alles wat mij betreft! … Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! … Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! … Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! … Hij was daar dicht bij Tetuan! … Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! … Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! … De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrenaïsche kuststrook; … zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! … Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden … welnu, dan zal ik wel …”Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany’s gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.„Ja,” zoo sprak hij tot zich zelven, „wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! … Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! … Of de bank zal springen, of … wij! Dat ik geruïneerd zal zijn door zijn val … wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen … Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders … Dan zal hij gevaarlijk worden, … dan kan hij geneigd zijn te praten, … dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! … Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!”En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo’n benauwend uiterste.Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een[70]lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand deFocinana-kaaptot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan … Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.„Silas! … ik in de macht van Silas Toronthal!..” zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. „Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! … Dat nooit! … Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! … Ja, dat zal ik … mij te volgen tot Tetuan toe … en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?”De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.[71]Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam—in dit oogenblik althans—om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.„Welnu, Silas Toronthal,” begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.„Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?” vervolgde Sarcany.„Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!” siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.„Niet?”„Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?” vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.„Zeker heb ik kunnen slapen. Maar … des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u.”[72]„Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten.”„Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben.”„Och, wat! Bah!… Wat beteekent rust?… Heb ik rust noodig?.. En toch.…”„Kijk mij … Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik.”„De fortuin?… De fortuin?…” herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.„Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,”„Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!”„Bah!… Een eenvoudige gril!… Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!”Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.„Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?” vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.„Ik?” hernam de bankier als verschrikt … „Ik?… Geef mij dat papier terug, Sarcany.”„Berekeningen, … onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!”„Kom, loop heen, ik … Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om.”„De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!”„Welnu?” vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.„Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,” hernam Sarcany op spotzieken toon.„Welnu?” herhaalde de bankier vragend: „Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is.”Ingang der haven van Monaco. (Bladz. 69.)Ingang der haven van Monaco. (Bladz.69.)„Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben[73][74]… en op dat gebied—dit moet gij erkennen—is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten.”„Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?” vroeg Silas Toronthal stampvoetende.„Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan”… Sarcany’s oogen glinsterden … „heb ik u niets meer te zeggen.”„Dan?…”„Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?”„Alles?…”„Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij.”„God geve het!” zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.„Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!”„En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?” hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. „Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?”„Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?”„Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?… Zoo zonder geld?”„Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten.”„Monaco verlaten?… Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij.”Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.„O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!”De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.„Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!” ging de bankier kermend voort.„Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!” antwoordde de schaamtelooze kerel. „Dat moest ge toch zelf inzien.”„Zwijg!” riep de bankier uiterst vertoornd. „Zwijg, of ik zal u …”„Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft.[75]Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!”„Pas op!” riep de bankier verbolgen uit. „Ik waarschuw u ernstig. Pas op!”„Ja!… ik zal oppassen!” mompelde Sarcany onverstaanbaar. „Daar kunt ge staat op maken.”Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:„Waarde Silas,” zei hij honigzoet, „laten wij toch niet boos op elkander worden!… Waartoe zou dat dienen?… Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!… Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!… Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!”„Maar, intusschen.… Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag.”„Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.… Dan … ja dan.…”„Welnu?…”„Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben.”„Ja!… Ja!…” riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. „Ja!… Ja!… ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!”„Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer.”„Te gelukkig geweest!” herhaalde Silas Toronthal, „en dezen avond nog.… Ja, dezen avond!…”„Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!” riep Sarcany uit, „en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge … wij zullen dan het spelen staken.”„Heden?…” vroeg de bankier in gespannen verwachting. „Het spelen staken?… Heden reeds?”„Morgen verlaten wij Monte Carlo!… Morgen stevenen wij naar Tetuan.”„Naar Tetuan?… Monte Carlo verlaten?… Waarom, als ik u bidden mag?”„Ja, wij zullen vertrekken.… En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen.”„Waarheen?… Maar, waarheen dan toch?”[76]„Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje.”Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.
„Zeventien malen?…”
„Ja, zeventien malen!”
„Onmogelijk!”[57]
En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz. 59.)En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz.59.)
En thans blijft mij nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over. (Bladz.59.)
[58]
„Wel mogelijk!… Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!”
„Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!”
„Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!”
„En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?”
„Ja!”
„Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?”
„De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!”
„Zeventien malen?… Zeventien malen?… Achter elkander?…”
„Ja, zeventien malen! en achter elkander!”
„Met de roulette of met het trente et quarante?… Zeg mij, met welke dier beiden?”
„Met het trente et quarante!”
„Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen.”
„Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!” antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. „Ja, mijnheer, en het was toen zomer—wat zeer opmerkelijk is.—Ik ben betaald, om er iets van te weten.”
Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3denOctober, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.
En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.
Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.
En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche evenwicht een rechtgeaarden speler aan?[59]
Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.
„Bijna een millioen!” mompelde men in de verschillende groepjes. „Bijna een millioen!”
En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke uitkomst gestreden hadden.
Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de „déveine” genoemd wordt.
De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat, had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van een waanzinnige of van een wanhopige.
Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het duister naar den kant van de Duivenschietbaan.
„Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte serie ons te staan komt!” riep de oudste dier twee uit. „Het is verschrikkelijk!”
„Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend,” verbeterde de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling controleert.
„En thans blijft mij.…”
„Hoeveel?… Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch niets baten!”
„Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!” jammerde de eerste speler op treurigen toon.
„Denkt ge dat?” vroeg de andere snijdend spottend. „Ik geloof, dat gij u vergist!”
„Meent ge meer?”
„Het mocht wat!… Slechts honderd zeven en negentig duizend!” antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen toon.
„Slechts dat?”
„Ja, kijk maar!” ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.
„Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen.”
„Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets meer of minder dan dat!”
„En dat in minder dan twee maanden!…”[60]
„In een maand en zestien dagen!”
„Sarcany!…” riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers, die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.
„Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap.”
„Ga zoo niet voort!” sprak de andere dreigend.
„Ah bah!” zei de ander met een luchtig gebaar. „Gij zijt heden in een booze bui.”
Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had, was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop hadden beiden met Sava die stad verlaten.
Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille, dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier, die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.
Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen bieden?
Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?
Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering op te richten.
Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.
De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft, verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde[61]bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan, als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.
Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen, de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet Bathory. Maar, … zou zij—die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen weerstand bieden?
Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel mede te hebben.
In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar het verderf.
Daarenboven wat de spelers de „déveine” noemen,—een naam waarachter zij hunne domme verblindheid verbergen,—verklaarde zich werkelijk in hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest, om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.
Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan, om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat was een zware slag voor den bankier geweest.
Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar het „rien ne va plus” der „croupiers” in de Peloponesische taal, in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan de roulette en aan het „trente et quarante” te Monte Carlo. Dat zij nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.[62]
En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie weken te Monte Carlo bevonden.
Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar hetà tout Seigneur tout honneurook hier betracht dient te worden, zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.
Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860 Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan laatstgenoemd rijk af.
Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5□geograpische mijl beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.
Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad, die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon nationale militie.
Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras, en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot schuilplaats van zeeroovers dienden.
Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.
De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal, waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde wereld vindt.
Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichteSalons de jeute vinden.[63]
Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.
Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.
De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij, die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.
Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een pistoolschot het leven benam.
De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng, ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée- of beter eene introductie-kaart, die door denCommissaire Spécialonderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven, terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts voor één dag geldig is.
Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.
In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook dat is door de almachtige „Administration” bepaald.
Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat gebarenspel!
In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en[64]pleegden de meest bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld, welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.
Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond, die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo, door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij hettrente et quaranteuitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens meer tweemaal honderd duizend francs over.
Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet, vooral voor mannen als deze.
Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen, die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep en uitriep:
„Kijk!… Kijk!… Hij draait steeds!… Hij draait steeds!… En zal altijd draaien!…”
Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig reden om te lachen.
De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer, hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder, door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide, draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der wereld!…
De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!
„Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?” vroeg Sarcany aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis was.
„Kalm, kalm!” bromde de bankier binnensmonds. „Gij hebt goed praten! Ik wilde u wel in mijne plaats zien.”
„Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil, in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen.”
„Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten; maar ik wilde u wel in mijne plaats zien.”
In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz. 63.)In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz.63.)
In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. (Bladz.63.)
„Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo,” vervolgde Sarcany; „maar[65][66]het lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder dat wij er iets voor doen.”
Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende, knorde steeds binnensmonds.
„Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger te stemmen!” ging Sarcany voort. „Dat is gevaarlijk, en daarenboven geheel overbodig.… Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen, wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in ons voordeel is!… Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij de veine hebben, hoog op te voeren.”
Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht, zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte, namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.
„Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „wij zijn heden zoo ongelukkig geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!… Morgen zal het ons gunstig zijn!”
„En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!” antwoordde de bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte op te komen. „Zeg, wat dan?”
„Dan blijft ons Sava Toronthal over!” was het antwoord, dat Sarcany vrij driftig gaf.
„En dan?” vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. „En dan?…”
„Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk overgetroefd worden!”
„Ja, morgen!… Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt, niet waar?”[67]
„Zeker morgen!” bevestigde Sarcany. „Morgen zal het mijn geluksdag zijn, wees daarvan verzekerd.”
„Ja, morgen! … morgen!” herhaalde de bankier, die zich in die gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou stellen. „Morgen!… Morgen!… Welaan, het zij zoo!”
Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.
De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels, de villa’s en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.
De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen, myrten, palmachristi’s en zoovele anderen, die in eene bevallige wanorde naast en tusschen elkander groeien.
Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa’s, die zich op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen, van villa’s in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone Italië oplevert.
Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven, van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad: dat is La Condamine.
Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel, naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat[68]gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het Monacosche rijkje.
Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen, zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.
Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?
Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in alle haast een blik in.
In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.
Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich, terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen over. Die waren verre van rooskleurig.
„Carpena dood!… Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!… Komaan, dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den bodem van den Oceaan begraven!… Van dien kant kan ik dus gerust zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!”
Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief overgaande:
„Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!… Wie is die man toch?… Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd[69]vond in alles wat mij betreft! … Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! … Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! … Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! … Hij was daar dicht bij Tetuan! … Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! … Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! … De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrenaïsche kuststrook; … zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! … Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden … welnu, dan zal ik wel …”
Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany’s gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.
„Ja,” zoo sprak hij tot zich zelven, „wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! … Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! … Of de bank zal springen, of … wij! Dat ik geruïneerd zal zijn door zijn val … wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen … Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders … Dan zal hij gevaarlijk worden, … dan kan hij geneigd zijn te praten, … dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! … Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!”
En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.
Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo’n benauwend uiterste.
Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.
Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een[70]lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand deFocinana-kaaptot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.
Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.
Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan … Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.
„Silas! … ik in de macht van Silas Toronthal!..” zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. „Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! … Dat nooit! … Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! … Ja, dat zal ik … mij te volgen tot Tetuan toe … en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?”
De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.
Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.[71]
Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.
Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam—in dit oogenblik althans—om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.
Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.
Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.
Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.
„Welnu, Silas Toronthal,” begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.
De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.
„Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?” vervolgde Sarcany.
„Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!” siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.
„Niet?”
„Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?” vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.
„Zeker heb ik kunnen slapen. Maar … des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u.”[72]
„Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten.”
„Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben.”
„Och, wat! Bah!… Wat beteekent rust?… Heb ik rust noodig?.. En toch.…”
„Kijk mij … Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik.”
„De fortuin?… De fortuin?…” herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.
„Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,”
„Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!”
„Bah!… Een eenvoudige gril!… Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!”
Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.
„Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?” vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.
„Ik?” hernam de bankier als verschrikt … „Ik?… Geef mij dat papier terug, Sarcany.”
„Berekeningen, … onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!”
„Kom, loop heen, ik … Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om.”
„De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!”
„Welnu?” vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.
„Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,” hernam Sarcany op spotzieken toon.
„Welnu?” herhaalde de bankier vragend: „Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is.”
Ingang der haven van Monaco. (Bladz. 69.)Ingang der haven van Monaco. (Bladz.69.)
Ingang der haven van Monaco. (Bladz.69.)
„Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben[73][74]… en op dat gebied—dit moet gij erkennen—is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten.”
„Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?” vroeg Silas Toronthal stampvoetende.
„Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan”… Sarcany’s oogen glinsterden … „heb ik u niets meer te zeggen.”
„Dan?…”
„Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?”
„Alles?…”
„Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij.”
„God geve het!” zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.
„Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!”
„En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?” hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. „Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?”
„Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?”
„Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?… Zoo zonder geld?”
„Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten.”
„Monaco verlaten?… Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij.”
Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.
„O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!”
De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.
„Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!” ging de bankier kermend voort.
„Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!” antwoordde de schaamtelooze kerel. „Dat moest ge toch zelf inzien.”
„Zwijg!” riep de bankier uiterst vertoornd. „Zwijg, of ik zal u …”
„Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft.[75]Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!”
„Pas op!” riep de bankier verbolgen uit. „Ik waarschuw u ernstig. Pas op!”
„Ja!… ik zal oppassen!” mompelde Sarcany onverstaanbaar. „Daar kunt ge staat op maken.”
Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.
Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:
„Waarde Silas,” zei hij honigzoet, „laten wij toch niet boos op elkander worden!… Waartoe zou dat dienen?… Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!… Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!… Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!”
„Maar, intusschen.… Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag.”
„Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.… Dan … ja dan.…”
„Welnu?…”
„Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben.”
„Ja!… Ja!…” riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. „Ja!… Ja!… ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!”
„Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer.”
„Te gelukkig geweest!” herhaalde Silas Toronthal, „en dezen avond nog.… Ja, dezen avond!…”
„Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!” riep Sarcany uit, „en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge … wij zullen dan het spelen staken.”
„Heden?…” vroeg de bankier in gespannen verwachting. „Het spelen staken?… Heden reeds?”
„Morgen verlaten wij Monte Carlo!… Morgen stevenen wij naar Tetuan.”
„Naar Tetuan?… Monte Carlo verlaten?… Waarom, als ik u bidden mag?”
„Ja, wij zullen vertrekken.… En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen.”
„Waarheen?… Maar, waarheen dan toch?”[76]
„Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje.”
Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.