VI.

[Inhoud]VI.De geestverschijning.Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.Zonder dat daarop in ’t bijzonder gewezen behoeft te worden, zal de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder[118]was, hij ging naar haar toe!… Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne aandoeningen overmeesterd te worden.Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde, antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om deFerratohare meest mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren, werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend slecht weder of andere wederwaardigheden, kon deFerratoin twee en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende deFerratonaar die Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind[119]noodig om die Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen, werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.DeFerratostevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is, te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van deFerratoeene verkenning van het vijandelijke strand heeten.Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als uitloopers van de nog verder gelegen „djebels”, die het gebergte in het het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut, lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem, uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek- en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die uit een twintigtal goubi’s bestond en zijne tenten van vuil geel gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt op het zand, òf stonden onbeweeglijk,[120]alsof zij in steen uitgebeiteld waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining, die als ontschepingskade kon dienen.Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende, kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort van smokkelhandel.Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige contrôle hoegenaamd, gedreven werd.„Ja, Luigi,” antwoordde hij, „ik zie het wel. Dat is inderdaad bedenkelijk genoeg.”„En wat denkt gij er over?”„Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in ontvangst komen nemen.”„Maar voor wie die wapens.”„Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken, ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers te bevechten.”„Denkt gij dat?” vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om de lippen.„Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al meer en meer te zamen trekken.”„Zou zoo iets kunnen geschieden?”„Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de Tunische provinciën afkomstig zijn.”„Maar,” vroeg Luigi, „waarom verzetten de autoriteiten van het regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?”„Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde van kaap Bon voorvalt,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wanneer de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor.”„Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is,” merkte Luigi gekscherend op.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz. 124.)Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz.124.)„Zeker is dat gelukkig, want had deFerratohare snelheid niet in[121][122]haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen oogenblik aarzelen om haar aan te tasten.”Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende deFerratomet volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde, dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt is, verrijst.Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende, de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago uitstrekt. Ter linkerzijde van deFerratoverhief zich de reeks van steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis, geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira, een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.Het was ongeveer één uur, toen deFerratoop een afstand van drie kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal, hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren, en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk met boomen beplant, en met villa’s, handelskantoren, koffiehuizen enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het vanMaltezers, Joden, Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van[123]eenige bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert, hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa’s door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven, dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand, van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn, alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare[124]uitstekende punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen, hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele heerlijkheid uit.Maar wanneer er paleizen en villa’s aangetroffen werden tot op de plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der streek wonen. De meestenvande laatstbedoelde bewoners oefenen geen ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles, munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt zijn.Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van ellende vervallen zoude zijn.Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp, waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken en ruig overdekt.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur.Piet had haar herkend!… Hij stiet een wilden kreet uit!… Hij sprong uit het rijtuig.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij.Ja.… dat was zijne moeder!… Hij ijlde naar haar toe, knielde voor haar neder, sloot haar in zijne armen.…Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken blik aan.Zij scheen hem niet te herkennen.… Neen … dat oog stond levenloos … dof.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.„Bedaar, bedaar, Piet,” sprak dokter Antekirrt. „In Gods naam bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven.”In dit oogenblik verscheen bij den hoek der hut een grijsaard, die zij nog niet bemerkt hadden.[125]Dat was Borik.Borik de trouwe dienstknecht!Dadelijk herkende hij dokter Antekirrt. Zijne knieën knikten nu reeds en dat was wel te begrijpen.Maar toen hij Piet herkende.… Piet, wiens begrafenisstoet hij tot op het kerkhof van Ragusa gevolgd was! Dat was te veel voor den ouden man! Hij stortte bewegingloos neer, terwijl hij naar mevrouw Bathory wees en zijne lippen nog prevelden:„Zij is krankzinnig!”Krankzinnig! Dus op het oogenblik, dat die zoon zijne moeder wedervond, was alles wat haar overbleef, slechts een wezenloos lichaam! En het zien van haar kind, dat zij dood moest wanen en dat daar plotseling voor hare oogen verschenen was, was niet voldoende om haar de herinnering aan het verledene te hergeven!Mevrouw Bathory was opgestaan met verwilderde, maar toch nog heldere oogen. Daarna trad zij de stulp binnen, zonder iets gezien, zonder een enkel woord gesproken te hebben. Maria volgde haar op een teeken van dokter Antekirrt.Piet stond onbewegelijk bij de deur, zonder den moed, ja zonder de macht te hebben een pas te doen.Borik had intusschen, dank zij de goede zorgen van den dokter, zijn bewustzijn herkregen. Toen hij een poos rondgekeken en zijne verwarde gedachten verzameld had, riep hij uit:„Gij, mijnheer Piet!… Gij!… Levend!… Hoe is het bij God mogelijk? Gij!… Levend!”„Ja,” antwoordde Piet Bathory, „ja, levend!… En toch ware het beter, dat ik dood was!”In korte trekken stelde dokter Antekirrt den ouden dienaar op de hoogte van hetgeen te Ragusa gebeurd was. Daarna deed Borik op zijn beurt en niet zonder moeite het verhaal van de laatste twee maanden van armoede en ellende, die de arme vrouw doorstaan had. Het was inderdaad een schrikkelijk verhaal, schrikkelijk vooral voor den zoon om aan te hooren.„Maar,” vroeg dokter Antekirrt, zoodra hij de gelegenheid daartoe vond, „is het de dood van haren zoon, die de geestvermogens van mevrouw Bathory gekrenkt heeft? Heeft zij zich dat verlies zoozeer aangetrokken?”„Neen, mijnheer Antekirrt, neen,” antwoordde Borik. „Er is heel wat anders. Ik zal het u vertellen.”„Wat dan?… Spreek, o spreek!” kreet Piet Bathory onstuimig, terwijl hij den ouden man bij de handen greep.Ziehier, wat de trouwe dienaar toen in beknopte trekken, maar met horten en stooten verhaalde.Toen mevrouw Bathory, na den dood van haren zoon, alleen[126]op de wereld achterbleef, had zij Ragusa verlaten en zich in het dorpje Vinticello gevestigd, waar zij nog eenige bloedverwanten bezat. Gedurende dat tijdperk zou men het weinige, dat zij in haar bescheiden woning bezat, te gelde maken, daar het haar voornemen was, het huis in de Marinella-straat niet meer te betrekken.Zes weken later keerde zij in gezelschap van Borik naar Ragusa terug, om de laatste hand aan de regeling harer zaken te leggen, en toen zij in de Marinella-straat aankwam, vond zij een brief, die in de bus van het huis gestoken was.Bij het lezen van dien brief was het reeds alsof hare geestvermogens geschokt werden. Zij las hem evenwel ten einde toe, stiet toeneenkreet uit en stoof in ijlende vaart de straat op. Zij liep naar de Stradona-laan, stak die over en klopte aan de poort van het hôtel Toronthal, die dadelijk geopend werd.„Het hôtel Toronthal!…” riep Piet Bathory uit. „Mijn God, wat moet dat beteekenen?”„Ja, het hôtel Toronthal,” antwoordde de oude Borik, „en toen ik mevrouw Bathory eindelijk ingehaald had, herkende zij mij niet meer.… O God … Piet, Piet, zij was krankzinnig! Volslagen krankzinnig!”„Maar waarom ging mijne moeder naar het hôtel Toronthal” vroeg Piet Bathory onstuimig.Borik keek hem met nieuwsgierigen blik aan, maar antwoordde niet dadelijk.„Waarom ging zij naar het hôtel Toronthal?” herhaalde de jonge man, die den ouden dienaar met een verbijsterd oog aanzag, alsof hij niets van het gesprokene begreep. „Wat had mijne moeder in Gods naam daar te doen?”„Zij wenschte waarschijnlijk mijnheer Toronthal te spreken,” antwoordde Borik.„Wat had zij toch met mijnheer Toronthal te maken?” vroeg de jonge man afgetrokken … „Maar … verder? Verder?”„Mijnheer Toronthal had evenwel sedert twee dagen met zijne dochter die fraaie woning van de Stradona-laan verlaten, zonder dat iemand wist, waarheen zij gegaan waren. Ziedaar alles wat ik op mijne pogingen om inlichtingen te verwerven, kon vernemen.”„O, noodlot!” riep dokter Antekirrt uit. „Zonder dat iemand wist waarheen zij gegaan waren?…”„Ja, heer dokter.”„En die brief … die brief?…” vroeg Piet Bathory zoo hartstochtelijk mogelijk. „Die brief?…”„Dien heb ik niet kunnen weervinden, mijnheer Piet,” antwoordde de grijsaard,” en hetzij mevrouw Bathory hem verloren of verscheurd heeft, hetzij iemand haar dien afhandig gemaakt heeft, ik heb nimmer kunnen vernemen, wat hij inhield, hoeveel pogingen ik daartoe[127]ook heb aangewend, wanneer ik meende, dat de arme vrouw in meer heldere oogenblikken verkeerde.”Die brief spoorloos verdwenen! Dat was inderdaad iets geheimzinnigs!Dokter Antekirrt, die dat verhaal opmerkzaam gevolgd had, wist geenbeteekenisaan de handeling van mevrouw Bathory te verleenen. Welke kracht had haar naar dat hôtel van de Stradona-laan geleid, waarvan haar juist alles verwijderd had moeten houden? En waarom had zij zulk een hevigen schok ondervonden, dat zij er krankzinnig van was geworden, toen zij het verdwijnen van Silas Toronthal vernam? Inderdaad, dat alles kwam allen belanghebbenden zeer raadselachtig voor.Het verhaal van den ouden bediende, hoe dikwijls ook afgebroken door tranen, was nu spoedig geëindigd.Het gelukte hem den ongelukkigen toestand van mevrouw Bathory geheim te houden, terwijl hij zich onledig hield met hare verdere zaken te regelen en het weinige dat overbleef te gelde te maken. De aard van den waanzin van de ongelukkige vrouw was zacht en kalm, en daardoor was het hem mogelijk geweest te kunnen handelen zonder argwaan te wekken.Hij had slechts één wensch, namelijk Ragusa te verlaten en eene schuilplaats te zoeken, onverschillig waar, mits dat zij slechts ver van die gevloekte stad gevonden werd.Hij slaagde er eenige dagen later in, zich met mevrouw Bathory in te schepen op een der pakketbooten, die de kustvaart in de Middellandsche zee uitoefenen, en zoo kwam hij te Tunis of beter bij de Gouleta aan.Die streek kwam hem afgelegen genoeg voor en daar besloot hij zich te vestigen.En hier in die vervallen stulp, wijdde de grijsaard zich geheel en al aan de verzorging, die de gekrenkte geestestoestand van mevrouw Bathory noodzakelijk maakte. Zij scheen zelfs het gebruik der spraak terzelfder tijd met de rede verloren te hebben. Maar hare bezitting was zoo armzalig, dat hij het oogenblik zag naderen, dat zij beiden tot de uiterste ellende zouden gedoemd zijn. En dat op zoo’n leeftijd! Het was verschrikkelijk.Onder die noodlottige omstandigheden herinnerde de oude zich dokter Antekirrt en de belangstelling, die hij immer omtrent het gezin van Stephanus Bathory had laten blijken. Maar Borik wist niet, waar de dokter zich gewoonlijk ophield. Hij schreef evenwel, en de brief, die zulk een hartverscheurenden wanhoopskreet inhield, had hij aan de goede zorgen van de Voorzienigheid toevertrouwd. Het schijnt, dat de Voorzienigheid nog al goed den dienst der posterij uitoefent, daar de brief, in weerwil van alles, aan zijn adres terecht gekomen was.[128]Wat thans te doen viel, was als het ware aangewezen. Mevrouw Bathory werd, zonder dat zij den geringsten wederstand bood, naar het rijtuig gevoerd, waarin zij met haren zoon, Borik en Maria Ferrato, welke laatste haar niet meer verlaten zou, plaats nam. Terwijl zij naar de Goulet reden, volgden dokter Antekirrt en Luigi Ferrato te voet het strand. Dat was, zooals wij weten, niet ver. En die lichamelijke inspanning zou hen een gewenschte afleiding bezorgen.Allen waren een uur later aan boord van het stoomjacht, dat onder volle stoomspanning gebleven was, ingescheept. Het anker werd dadelijk gelicht en zoodra deFerratokaap Bon gerond had, stevende zij op den vuurtoren van Pantellaria aan. In den ochtend van den tweeden dag daarna, kwam het stoomjacht in de haven van Antekirrta aan, en lag weldra met zijn kostbaren last aan boord aan de veilige kade gemeerd.Mevrouw Bathory werd dadelijk ontscheept en naar Artenak vervoerd en daar in een der beste kamers van het Stadhuis gehuisvest. Maria Ferrato verliet hare woning om haren intrek bij de ongelukkige weduwe te nemen.Welke nieuwe oorzaak van verdriet en smart die toestand zijner moeder voor Piet Bathory was, is wel na te gaan.Die moeder krankzinnig, die moeder in hare geestvermogens gekrenkt onder omstandigheden, die waarschijnlijk onopgelost zouden blijven. Als men nu maar de oorzaak dier waanzinnigheid kende, dan ware de eene of andere heilzame reactie te beproeven! Maar men wist niets; men kon niets weten! En dat maakte allen nog radeloozer.„Ik moet haar genezen!…” had de dokter, die zich geheel en al aan haar wijdde, meermalen in zich zelven gepreveld. „Ja!… ik moet! ik zal slagen! In dien strijd moet ik overwinnen!”Dat was evenwel eene uiterst moeielijke taak; want mevrouw Bathory bleef voortdurend volkomen bewusteloos, omtrent hetgeen met haar en rondom haar voorviel.Maar zou die machtige gedachten-opdringing, die dokter Antekirrt in zoo hooge mate bezat, en waarvan hij zoo onbetwistbare bewijzen geleverd had, niet kunnen aangewend worden? Was het nu geen zaak om haar toe te passen, ten einde den geestestoestand van mevrouw Bathory te wijzigen? Zou men niet door magnetische invloeden het geschokte hersenvermogen kunnen herstellen en de rede kunnen vastketenen totdat de reactie, die toch niet uitblijven kon, ingetreden zoude zijn? Bedenkelijk schudde de geleerde het hoofd. Hij wanhoopte aan den uitslag.Piet Bathory smeekte den dokter, bezwoer hem als het ware, om toch schier het onmogelijke te beproeven tot genezing zijner arme moeder. Het was te vergeefsch.„Neen,” antwoordde dokter Antekirrt op diep bedroefden toon, „zelfs dat kan niet slagen.”[129]Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz. 133.)Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz.133.)[130]„Waarom toch niet?” snikte de arme jongen wanhopig. „Waarom toch niet?”„Omdat de krankzinnigen juist de sujetten zijn, die het meest weerstand aan het gedachten-opdringen bieden.”„Maar … zeg mij, ware het toch niet te beproeven? O, dat er toch iets gedaan worde!”„Neen, ik mag dat niet beproeven, Piet. Om den invloed der gedachten-opdringing te kunnen ondervinden,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „zou het noodig zijn, dat uwe moeder nog een persoonlijken onafhankelijken wil had, in wiens plaats ik den mijnen zou kunnen stellen. Maar, ik herhaal het, dat zou zonder invloed op haar blijken. Daarenboven, zou zoo iets haar zenuwgestel zeer aandoen.”„Neen …! die uitspraak kan ik niet voor onwederlegbaar aannemen!” hernam Piet, die er maar niet toe komen kon, om toe te geven. „Ik kan, ik wil niet aannemen, dat niet den een of anderen dag mijn moeders brein helder genoeg zal wezen, om haren zoon te herkennen … haren zoon, dien zij dood waant …!”„Ja!… dien zij dood waant!” herhaalde dokter Antekirrt, als in gedachten verzonken „Maar,… wellicht,… wanneer zij u levend waande,… of … wanneer zij, voor uw graf gebracht,… u zag verschijnen.…”Dokter Antekirrt bleef bij dat denkbeeld verwijlen. Wat werkte hij in zijn brein uit?Waarom zou zulk een moreele schok, die onder de meest gunstige omstandigheden aangebracht kon worden, geen invloed op mevrouw Bathory hebben? In ieder geval zouden er geen nadeelige gevolgen van te vreezen zijn.„Ik zal er de proef van nemen!” riep hij uit. „En … o, dat ik mocht slagen! Dat zou mij veel vergoeden!”Van nu af werd het tafereel, dat opgevoerd moest worden, en het welslagen der proefneming kon verzekeren, eene ware studie, de eenige gedachte van die mannen. Het gold toch niets minder dan bij mevrouw Bathory de uitwerkselen der herinnering, die in haren tegenwoordigen toestand vernietigd of verdoofd schenen, te verlevendigen en dat onder zulke aangrijpende omstandigheden, dat eene reactie in haar brein kon geboren worden.Dokter Antekirrt riep de hulp in van Borik en van Pescadospunt, om de plaatselijke gesteldheid van het kerkhof te Ragusa en den vorm van het gedenkteeken, hetwelk op den grafkelder der familie Bathory stond, met genoegzame nauwkeurigheid weer te geven.Nu verrees er op het kerkhof van het eiland, ongeveer op een mijl afstand van Artenak gelegen, onder een groep van groenende boomen eene kleine kapel, welke aan die van Ragusa niet ongelijk was. Men had slechts de omgeving een weinig te rangschikken, om[131]de gelijkenis der twee monumenten te treffender te maken. Toen dat geschied was, werd op den muur van den achtergrond een zwart marmeren steen geplaatst, waarop:STEPHANUS BATHORY1867.te lezen stond. Dat jaartal was het tijdstip van den dood van den martelaar voor de vrijheid vanHongarije.Den 13denNovember scheen het oogenblik gekomen te zijn, om met de voorbereidende proefnemingen tot opwekking der verstandelijke vermogens van mevrouw Bathory door eene langzame en nagenoeg onmerkbare opklimming te beginnen.Zoo omstreeks zeven uur des avonds nam Maria Ferrato, die daarbij door Borik bijgestaan werd, de weduwe onder den arm en bracht haar buiten het Stadhuis. Daarna geleidde zij haar door het veld naar het kerkhof. Voor den ingang der kleine kapel gekomen, bleef mevrouw Bathory zoo als zij steeds was, wezenloos, en sprak geen woord, hoewel zij door het heldere schijnsel eener lamp, die in het gebouwtje brandde, den naam van Stephanus Bathory op de marmeren plaat had kunnen lezen. Alleen toen Maria Ferrato en de grijsaard op de trappen der kapel knielden, was het alsof een bliksemstraal, die evenwel dadelijk verdween, haren wezenloozen blik verlevendigde.Mevrouw Bathory was ongeveer een uur later op het Stadhuis terug, alsook zij, die haar nabij geweest waren, of haar gedurende die eerste proefneming van verre gevolgd hadden.Den volgenden dag en de verdere dagen hervatte men die proefnemingen, die evenwel geen resultaat schenen op te leveren. Piet Bathory had ze met beklemde gemoedsaandoening gevolgd, en verkeerde inderdaad in volslagen wanhoop door den geringen uitslag, hoewel dokter Antekirrt hem toch herhaaldelijk verzekerde dat de tijd hun eenige helper, hun beste bondgenoot moest zijn. Hij wilde dan ook eerst den laatsten slag slaan, wanneer mevrouw Bathory genoegzaam voorbereid zou zijn, om er den geweldigen schok van te kunnen doorstaan, niet eerder. Intusschen viel het niet te ontkennen, dat bij ieder bezoek op het kerkhof, toch eene zekere verandering in den geestestoestand van de arme vrouw waar te nemen was. Zoo gebeurde het op een avond, dat mevrouw Bathory, die eerst achteraf gebleven was, langzamerhand naderbij trad, en terwijl de oude Borik en Maria Ferrato op de treden der kapel geknield lagen, het ijzeren hekwerk met hare handen omvatte, den achterwand, die door de lamp helder verlicht was, scherp aankeek, en daarop met spoed achterwaarts ijlde.[132]Toen Maria haar ingehaald had, hoorde zij haar herhaaldelijk een naam mompelen.Dat was wel de eerste maal, dat de lippen van de beklagenswaardige waanzinnige zich openden om te spreken.Maar hoe groot was de verwondering,—neen meer dan verwondering,—de verstomming van allen, die haar toen omringden en het gesprokene verstaan konden.Die naam was dien van haren zoon niet. Het was het woord: „Piet” niet, dat aan hare lippen ontgleden was, maar het woord: „Sava.” Hoe kwam die naam in deze oogenblikken haar te ontvallen?De lezer zal bevroeden, wat Piet Bathory toen moest ondervinden. En wie zou kunnen beschrijven, wat bij die onverwachte oproeping van den naam van Sava Toronthal in de ziel van dokter Antekirrt omging? Hij sprak evenwel geen woord, en liet in niets merken, wat hij bij het hooren van dien naam moest lijden.Op een anderen avond, dat de proefneming ook herhaald werd, kwam mevrouw Bathory, alsof zij door eene onzichtbare hand geleid werd, uit eigen aandrang op den drempel der kleine kapel knielen. Zij boog haar hoofd toen voorover, een zucht welde uit hare borst op, een traan ontsnapte aan hare oogleden. Maar dien avond ontglipte geen woord, geen naam aan hare lippen, en men zou hebben kunnen meenen, dat zij den naam van Sava vergeten had.Toen mevrouw Bathory op het Stadhuis teruggebracht werd, was zij ten prooi aan eene zenuwachtige opgewondenheid, die haar anders vreemd was. De kalmte, die tot heden de karakteristieke aanduiding van haren gemoedstoestand was, had plaats gemaakt voor eene zonderlinge inspanning. In dat brein werd voorzeker toen eene levenwekkende arbeid volbracht, die wel geschikt was, om de opmerkers met hoop te vervullen. Dokter Antekirrt sloeg haar met alle aandacht gade.Inderdaad, de lijderes bracht een naren en onrustigen nacht door. Zij prevelde herhaaldelijk woorden, die Maria Ferrato niet vatten kon. Het was alsof zij droomde. Maar als zij werkelijk droomde, dan was dat het bewijs, dat het verstand begon weder te keeren. Dat duidde op genezing, vooral wanneer de rede haar zou bijblijven bij het wakker worden. De hoop keerde in aller harten weder, nu men het tijdstip van den einduitslag zag naderen.Dokter Antekirrt besloot dan ook den volgenden dag eene nieuwe proefneming te wagen, waarbij het opgevoerde tafereel nog aangrijpender zoude wezen.Gedurende dien geheelen dag van den 18denwas mevrouw Bathory onophoudelijk onder den invloed van eene zeer sterke hersen-overspanning. Dat trof Maria Ferrato zeer, terwijl Piet, die bijna den geheelen tijd bij zijne moeder doorbracht, er een bijzonder gunstig[133]voorgevoel van ondervond. De arme jongen was evenwel zelf onrustiger en zenuwachtiger dan de lijderes.De nacht brak aan,—een zwarte nacht, zonder dat zich een koeltje, na een dag, die zelfs onder de lage breedte van Antekirrta zeer warm was geweest, had laten gevoelen.Mevrouw Bathory verliet, geleid door Maria Ferrato en door Borik, tegen half negen het Stadhuis. Dokter Antekirrt volgde, eenigszins op een afstand blijvende, met Luigi Ferrato en Pescadospunt.De geheele kleine volkplanting verkeerde in eene angstige spanning omtrent de verschijnselen, die te wachten waren. Eenige toortsen, die onder het hooge geboomte van het kerkhof ontstoken waren, wierpen met hunnen dikken rook een spookachtig schijnsel op de naaste omgeving der kapel. In de verte werd met regelmatige tusschenpoozen het luiden der klok van de kerk te Artenak vernomen, hetwelk weerklonk, alsof eene begrafenis plaats had.Piet Bathory ontbrak alleen aan de groep, die langzaam door het veld het kerkhof naderde. Hij was de overigen evenwel vooruit gesneld, om in het gewichtige oogenblik van die uiterste proefneming op te treden.Het was ongeveer negen uren, toen mevrouw Bathory op het kerkhof aankwam. Plotseling liet zij den arm van Maria Ferrato los en stapte naar de kleine kapel toe.Men liet haar geheel vrijheid van handelen onder den indruk van het nieuwe gevoel, hetwelk haar geheel en al scheen te beheerschen. Een ieder ging uit den weg voor haar, maakte plaats voor haar.Te midden eener doodsche stilte, die slechts afgebroken werd door het eentonige klokkengelui, bleef mevrouw Bathory een poos stil en bewegingloos staan. Toen knielde zij op de eerste trede, en boog het hoofd voorover, terwijl men haar duidelijk hoorde weenen.… Dat was eene handeling, die volgens dokter Antekirrt een zeer gunstig voorteeken opleverde.In dit oogenblik ging het hek van de kapel langzaam open en verscheen Piet Bathory, in een wit lijklaken gehuld, alsof hij uit zijn graf opstond, in het volle licht.…„Mijn zoon!… mijn zoon!…” riep mevrouw Bathory, de handen naar Piet toestekende uit, terwijl zij daarbij in zwijm viel. Gelukkig dat zij bijtijds door liefderijke armen werd opgevangen.Die val was niets! Maar de herinnering en de gedachten waren bij haar herboren! En dat was alles!De moeder had zich in dien kreet geopenbaard! Zij had haren zoon herkend! Dat was het voornaamste!Door de zorgen van dokter Antekirrt was zij weldra weder bijgebracht en toen zij tot bewustzijn wedergekeerd was en hare oogen den blik van haren zoon ontmoetten, riep zij:[134]„Levend!… mijn Piet,… levend! O, God! is dat toch waar?… Levend!… Mijn Piet!”„Ja, zeker levend, moeder! levend voor u, levend om u, dierbare, dierbare moeder te beminnen!”„En om haar … ook te beminnen … haar … Piet, gij weet wel … gij herinnert u toch nog?”„Haar?…” riep Piet Bathory ten hoogste verwonderd uit. „Haar?…”„Ja, haar!…”„Wie haar? Moeder, spreek. Wie haar? Spreek dan toch, wat ik u bidden mag.”„Zij!… Sava!…”„Sava Toronthal?…” riep dokter Antekirrt op zijne beurt ten hoogste verbaasd uit.„Neen, niet Sava Toronthal, maar Sava Sandorf!” antwoordde de arme moeder haastig.Bij die woorden tastte mevrouw Bathory in haren zak en bracht daaruit den verkreukelden brief te voorschijn, die door de stervende mevrouw Toronthal geschreven was, en reikte hem den dokter over.De regels, die deze las, lieten geen den minsten twijfel omtrent de geboorte van Sava over!Sava was het kind, hetwelk van het kasteel van Artenak opgelicht was! Dat was onwraakbaar duidelijk.Sava was de dochter van graaf Mathias Sandorf!Wat er in dat oogenblik in het hart van dien vader omging, zullen de lezers wel beseffen.

[Inhoud]VI.De geestverschijning.Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.Zonder dat daarop in ’t bijzonder gewezen behoeft te worden, zal de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder[118]was, hij ging naar haar toe!… Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne aandoeningen overmeesterd te worden.Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde, antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om deFerratohare meest mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren, werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend slecht weder of andere wederwaardigheden, kon deFerratoin twee en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende deFerratonaar die Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind[119]noodig om die Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen, werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.DeFerratostevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is, te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van deFerratoeene verkenning van het vijandelijke strand heeten.Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als uitloopers van de nog verder gelegen „djebels”, die het gebergte in het het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut, lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem, uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek- en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die uit een twintigtal goubi’s bestond en zijne tenten van vuil geel gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt op het zand, òf stonden onbeweeglijk,[120]alsof zij in steen uitgebeiteld waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining, die als ontschepingskade kon dienen.Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende, kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort van smokkelhandel.Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige contrôle hoegenaamd, gedreven werd.„Ja, Luigi,” antwoordde hij, „ik zie het wel. Dat is inderdaad bedenkelijk genoeg.”„En wat denkt gij er over?”„Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in ontvangst komen nemen.”„Maar voor wie die wapens.”„Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken, ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers te bevechten.”„Denkt gij dat?” vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om de lippen.„Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al meer en meer te zamen trekken.”„Zou zoo iets kunnen geschieden?”„Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de Tunische provinciën afkomstig zijn.”„Maar,” vroeg Luigi, „waarom verzetten de autoriteiten van het regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?”„Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde van kaap Bon voorvalt,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wanneer de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor.”„Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is,” merkte Luigi gekscherend op.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz. 124.)Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz.124.)„Zeker is dat gelukkig, want had deFerratohare snelheid niet in[121][122]haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen oogenblik aarzelen om haar aan te tasten.”Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende deFerratomet volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde, dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt is, verrijst.Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende, de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago uitstrekt. Ter linkerzijde van deFerratoverhief zich de reeks van steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis, geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira, een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.Het was ongeveer één uur, toen deFerratoop een afstand van drie kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal, hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren, en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk met boomen beplant, en met villa’s, handelskantoren, koffiehuizen enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het vanMaltezers, Joden, Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van[123]eenige bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert, hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa’s door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven, dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand, van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn, alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare[124]uitstekende punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen, hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele heerlijkheid uit.Maar wanneer er paleizen en villa’s aangetroffen werden tot op de plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der streek wonen. De meestenvande laatstbedoelde bewoners oefenen geen ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles, munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt zijn.Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van ellende vervallen zoude zijn.Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp, waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken en ruig overdekt.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur.Piet had haar herkend!… Hij stiet een wilden kreet uit!… Hij sprong uit het rijtuig.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij.Ja.… dat was zijne moeder!… Hij ijlde naar haar toe, knielde voor haar neder, sloot haar in zijne armen.…Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken blik aan.Zij scheen hem niet te herkennen.… Neen … dat oog stond levenloos … dof.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.„Bedaar, bedaar, Piet,” sprak dokter Antekirrt. „In Gods naam bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven.”In dit oogenblik verscheen bij den hoek der hut een grijsaard, die zij nog niet bemerkt hadden.[125]Dat was Borik.Borik de trouwe dienstknecht!Dadelijk herkende hij dokter Antekirrt. Zijne knieën knikten nu reeds en dat was wel te begrijpen.Maar toen hij Piet herkende.… Piet, wiens begrafenisstoet hij tot op het kerkhof van Ragusa gevolgd was! Dat was te veel voor den ouden man! Hij stortte bewegingloos neer, terwijl hij naar mevrouw Bathory wees en zijne lippen nog prevelden:„Zij is krankzinnig!”Krankzinnig! Dus op het oogenblik, dat die zoon zijne moeder wedervond, was alles wat haar overbleef, slechts een wezenloos lichaam! En het zien van haar kind, dat zij dood moest wanen en dat daar plotseling voor hare oogen verschenen was, was niet voldoende om haar de herinnering aan het verledene te hergeven!Mevrouw Bathory was opgestaan met verwilderde, maar toch nog heldere oogen. Daarna trad zij de stulp binnen, zonder iets gezien, zonder een enkel woord gesproken te hebben. Maria volgde haar op een teeken van dokter Antekirrt.Piet stond onbewegelijk bij de deur, zonder den moed, ja zonder de macht te hebben een pas te doen.Borik had intusschen, dank zij de goede zorgen van den dokter, zijn bewustzijn herkregen. Toen hij een poos rondgekeken en zijne verwarde gedachten verzameld had, riep hij uit:„Gij, mijnheer Piet!… Gij!… Levend!… Hoe is het bij God mogelijk? Gij!… Levend!”„Ja,” antwoordde Piet Bathory, „ja, levend!… En toch ware het beter, dat ik dood was!”In korte trekken stelde dokter Antekirrt den ouden dienaar op de hoogte van hetgeen te Ragusa gebeurd was. Daarna deed Borik op zijn beurt en niet zonder moeite het verhaal van de laatste twee maanden van armoede en ellende, die de arme vrouw doorstaan had. Het was inderdaad een schrikkelijk verhaal, schrikkelijk vooral voor den zoon om aan te hooren.„Maar,” vroeg dokter Antekirrt, zoodra hij de gelegenheid daartoe vond, „is het de dood van haren zoon, die de geestvermogens van mevrouw Bathory gekrenkt heeft? Heeft zij zich dat verlies zoozeer aangetrokken?”„Neen, mijnheer Antekirrt, neen,” antwoordde Borik. „Er is heel wat anders. Ik zal het u vertellen.”„Wat dan?… Spreek, o spreek!” kreet Piet Bathory onstuimig, terwijl hij den ouden man bij de handen greep.Ziehier, wat de trouwe dienaar toen in beknopte trekken, maar met horten en stooten verhaalde.Toen mevrouw Bathory, na den dood van haren zoon, alleen[126]op de wereld achterbleef, had zij Ragusa verlaten en zich in het dorpje Vinticello gevestigd, waar zij nog eenige bloedverwanten bezat. Gedurende dat tijdperk zou men het weinige, dat zij in haar bescheiden woning bezat, te gelde maken, daar het haar voornemen was, het huis in de Marinella-straat niet meer te betrekken.Zes weken later keerde zij in gezelschap van Borik naar Ragusa terug, om de laatste hand aan de regeling harer zaken te leggen, en toen zij in de Marinella-straat aankwam, vond zij een brief, die in de bus van het huis gestoken was.Bij het lezen van dien brief was het reeds alsof hare geestvermogens geschokt werden. Zij las hem evenwel ten einde toe, stiet toeneenkreet uit en stoof in ijlende vaart de straat op. Zij liep naar de Stradona-laan, stak die over en klopte aan de poort van het hôtel Toronthal, die dadelijk geopend werd.„Het hôtel Toronthal!…” riep Piet Bathory uit. „Mijn God, wat moet dat beteekenen?”„Ja, het hôtel Toronthal,” antwoordde de oude Borik, „en toen ik mevrouw Bathory eindelijk ingehaald had, herkende zij mij niet meer.… O God … Piet, Piet, zij was krankzinnig! Volslagen krankzinnig!”„Maar waarom ging mijne moeder naar het hôtel Toronthal” vroeg Piet Bathory onstuimig.Borik keek hem met nieuwsgierigen blik aan, maar antwoordde niet dadelijk.„Waarom ging zij naar het hôtel Toronthal?” herhaalde de jonge man, die den ouden dienaar met een verbijsterd oog aanzag, alsof hij niets van het gesprokene begreep. „Wat had mijne moeder in Gods naam daar te doen?”„Zij wenschte waarschijnlijk mijnheer Toronthal te spreken,” antwoordde Borik.„Wat had zij toch met mijnheer Toronthal te maken?” vroeg de jonge man afgetrokken … „Maar … verder? Verder?”„Mijnheer Toronthal had evenwel sedert twee dagen met zijne dochter die fraaie woning van de Stradona-laan verlaten, zonder dat iemand wist, waarheen zij gegaan waren. Ziedaar alles wat ik op mijne pogingen om inlichtingen te verwerven, kon vernemen.”„O, noodlot!” riep dokter Antekirrt uit. „Zonder dat iemand wist waarheen zij gegaan waren?…”„Ja, heer dokter.”„En die brief … die brief?…” vroeg Piet Bathory zoo hartstochtelijk mogelijk. „Die brief?…”„Dien heb ik niet kunnen weervinden, mijnheer Piet,” antwoordde de grijsaard,” en hetzij mevrouw Bathory hem verloren of verscheurd heeft, hetzij iemand haar dien afhandig gemaakt heeft, ik heb nimmer kunnen vernemen, wat hij inhield, hoeveel pogingen ik daartoe[127]ook heb aangewend, wanneer ik meende, dat de arme vrouw in meer heldere oogenblikken verkeerde.”Die brief spoorloos verdwenen! Dat was inderdaad iets geheimzinnigs!Dokter Antekirrt, die dat verhaal opmerkzaam gevolgd had, wist geenbeteekenisaan de handeling van mevrouw Bathory te verleenen. Welke kracht had haar naar dat hôtel van de Stradona-laan geleid, waarvan haar juist alles verwijderd had moeten houden? En waarom had zij zulk een hevigen schok ondervonden, dat zij er krankzinnig van was geworden, toen zij het verdwijnen van Silas Toronthal vernam? Inderdaad, dat alles kwam allen belanghebbenden zeer raadselachtig voor.Het verhaal van den ouden bediende, hoe dikwijls ook afgebroken door tranen, was nu spoedig geëindigd.Het gelukte hem den ongelukkigen toestand van mevrouw Bathory geheim te houden, terwijl hij zich onledig hield met hare verdere zaken te regelen en het weinige dat overbleef te gelde te maken. De aard van den waanzin van de ongelukkige vrouw was zacht en kalm, en daardoor was het hem mogelijk geweest te kunnen handelen zonder argwaan te wekken.Hij had slechts één wensch, namelijk Ragusa te verlaten en eene schuilplaats te zoeken, onverschillig waar, mits dat zij slechts ver van die gevloekte stad gevonden werd.Hij slaagde er eenige dagen later in, zich met mevrouw Bathory in te schepen op een der pakketbooten, die de kustvaart in de Middellandsche zee uitoefenen, en zoo kwam hij te Tunis of beter bij de Gouleta aan.Die streek kwam hem afgelegen genoeg voor en daar besloot hij zich te vestigen.En hier in die vervallen stulp, wijdde de grijsaard zich geheel en al aan de verzorging, die de gekrenkte geestestoestand van mevrouw Bathory noodzakelijk maakte. Zij scheen zelfs het gebruik der spraak terzelfder tijd met de rede verloren te hebben. Maar hare bezitting was zoo armzalig, dat hij het oogenblik zag naderen, dat zij beiden tot de uiterste ellende zouden gedoemd zijn. En dat op zoo’n leeftijd! Het was verschrikkelijk.Onder die noodlottige omstandigheden herinnerde de oude zich dokter Antekirrt en de belangstelling, die hij immer omtrent het gezin van Stephanus Bathory had laten blijken. Maar Borik wist niet, waar de dokter zich gewoonlijk ophield. Hij schreef evenwel, en de brief, die zulk een hartverscheurenden wanhoopskreet inhield, had hij aan de goede zorgen van de Voorzienigheid toevertrouwd. Het schijnt, dat de Voorzienigheid nog al goed den dienst der posterij uitoefent, daar de brief, in weerwil van alles, aan zijn adres terecht gekomen was.[128]Wat thans te doen viel, was als het ware aangewezen. Mevrouw Bathory werd, zonder dat zij den geringsten wederstand bood, naar het rijtuig gevoerd, waarin zij met haren zoon, Borik en Maria Ferrato, welke laatste haar niet meer verlaten zou, plaats nam. Terwijl zij naar de Goulet reden, volgden dokter Antekirrt en Luigi Ferrato te voet het strand. Dat was, zooals wij weten, niet ver. En die lichamelijke inspanning zou hen een gewenschte afleiding bezorgen.Allen waren een uur later aan boord van het stoomjacht, dat onder volle stoomspanning gebleven was, ingescheept. Het anker werd dadelijk gelicht en zoodra deFerratokaap Bon gerond had, stevende zij op den vuurtoren van Pantellaria aan. In den ochtend van den tweeden dag daarna, kwam het stoomjacht in de haven van Antekirrta aan, en lag weldra met zijn kostbaren last aan boord aan de veilige kade gemeerd.Mevrouw Bathory werd dadelijk ontscheept en naar Artenak vervoerd en daar in een der beste kamers van het Stadhuis gehuisvest. Maria Ferrato verliet hare woning om haren intrek bij de ongelukkige weduwe te nemen.Welke nieuwe oorzaak van verdriet en smart die toestand zijner moeder voor Piet Bathory was, is wel na te gaan.Die moeder krankzinnig, die moeder in hare geestvermogens gekrenkt onder omstandigheden, die waarschijnlijk onopgelost zouden blijven. Als men nu maar de oorzaak dier waanzinnigheid kende, dan ware de eene of andere heilzame reactie te beproeven! Maar men wist niets; men kon niets weten! En dat maakte allen nog radeloozer.„Ik moet haar genezen!…” had de dokter, die zich geheel en al aan haar wijdde, meermalen in zich zelven gepreveld. „Ja!… ik moet! ik zal slagen! In dien strijd moet ik overwinnen!”Dat was evenwel eene uiterst moeielijke taak; want mevrouw Bathory bleef voortdurend volkomen bewusteloos, omtrent hetgeen met haar en rondom haar voorviel.Maar zou die machtige gedachten-opdringing, die dokter Antekirrt in zoo hooge mate bezat, en waarvan hij zoo onbetwistbare bewijzen geleverd had, niet kunnen aangewend worden? Was het nu geen zaak om haar toe te passen, ten einde den geestestoestand van mevrouw Bathory te wijzigen? Zou men niet door magnetische invloeden het geschokte hersenvermogen kunnen herstellen en de rede kunnen vastketenen totdat de reactie, die toch niet uitblijven kon, ingetreden zoude zijn? Bedenkelijk schudde de geleerde het hoofd. Hij wanhoopte aan den uitslag.Piet Bathory smeekte den dokter, bezwoer hem als het ware, om toch schier het onmogelijke te beproeven tot genezing zijner arme moeder. Het was te vergeefsch.„Neen,” antwoordde dokter Antekirrt op diep bedroefden toon, „zelfs dat kan niet slagen.”[129]Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz. 133.)Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz.133.)[130]„Waarom toch niet?” snikte de arme jongen wanhopig. „Waarom toch niet?”„Omdat de krankzinnigen juist de sujetten zijn, die het meest weerstand aan het gedachten-opdringen bieden.”„Maar … zeg mij, ware het toch niet te beproeven? O, dat er toch iets gedaan worde!”„Neen, ik mag dat niet beproeven, Piet. Om den invloed der gedachten-opdringing te kunnen ondervinden,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „zou het noodig zijn, dat uwe moeder nog een persoonlijken onafhankelijken wil had, in wiens plaats ik den mijnen zou kunnen stellen. Maar, ik herhaal het, dat zou zonder invloed op haar blijken. Daarenboven, zou zoo iets haar zenuwgestel zeer aandoen.”„Neen …! die uitspraak kan ik niet voor onwederlegbaar aannemen!” hernam Piet, die er maar niet toe komen kon, om toe te geven. „Ik kan, ik wil niet aannemen, dat niet den een of anderen dag mijn moeders brein helder genoeg zal wezen, om haren zoon te herkennen … haren zoon, dien zij dood waant …!”„Ja!… dien zij dood waant!” herhaalde dokter Antekirrt, als in gedachten verzonken „Maar,… wellicht,… wanneer zij u levend waande,… of … wanneer zij, voor uw graf gebracht,… u zag verschijnen.…”Dokter Antekirrt bleef bij dat denkbeeld verwijlen. Wat werkte hij in zijn brein uit?Waarom zou zulk een moreele schok, die onder de meest gunstige omstandigheden aangebracht kon worden, geen invloed op mevrouw Bathory hebben? In ieder geval zouden er geen nadeelige gevolgen van te vreezen zijn.„Ik zal er de proef van nemen!” riep hij uit. „En … o, dat ik mocht slagen! Dat zou mij veel vergoeden!”Van nu af werd het tafereel, dat opgevoerd moest worden, en het welslagen der proefneming kon verzekeren, eene ware studie, de eenige gedachte van die mannen. Het gold toch niets minder dan bij mevrouw Bathory de uitwerkselen der herinnering, die in haren tegenwoordigen toestand vernietigd of verdoofd schenen, te verlevendigen en dat onder zulke aangrijpende omstandigheden, dat eene reactie in haar brein kon geboren worden.Dokter Antekirrt riep de hulp in van Borik en van Pescadospunt, om de plaatselijke gesteldheid van het kerkhof te Ragusa en den vorm van het gedenkteeken, hetwelk op den grafkelder der familie Bathory stond, met genoegzame nauwkeurigheid weer te geven.Nu verrees er op het kerkhof van het eiland, ongeveer op een mijl afstand van Artenak gelegen, onder een groep van groenende boomen eene kleine kapel, welke aan die van Ragusa niet ongelijk was. Men had slechts de omgeving een weinig te rangschikken, om[131]de gelijkenis der twee monumenten te treffender te maken. Toen dat geschied was, werd op den muur van den achtergrond een zwart marmeren steen geplaatst, waarop:STEPHANUS BATHORY1867.te lezen stond. Dat jaartal was het tijdstip van den dood van den martelaar voor de vrijheid vanHongarije.Den 13denNovember scheen het oogenblik gekomen te zijn, om met de voorbereidende proefnemingen tot opwekking der verstandelijke vermogens van mevrouw Bathory door eene langzame en nagenoeg onmerkbare opklimming te beginnen.Zoo omstreeks zeven uur des avonds nam Maria Ferrato, die daarbij door Borik bijgestaan werd, de weduwe onder den arm en bracht haar buiten het Stadhuis. Daarna geleidde zij haar door het veld naar het kerkhof. Voor den ingang der kleine kapel gekomen, bleef mevrouw Bathory zoo als zij steeds was, wezenloos, en sprak geen woord, hoewel zij door het heldere schijnsel eener lamp, die in het gebouwtje brandde, den naam van Stephanus Bathory op de marmeren plaat had kunnen lezen. Alleen toen Maria Ferrato en de grijsaard op de trappen der kapel knielden, was het alsof een bliksemstraal, die evenwel dadelijk verdween, haren wezenloozen blik verlevendigde.Mevrouw Bathory was ongeveer een uur later op het Stadhuis terug, alsook zij, die haar nabij geweest waren, of haar gedurende die eerste proefneming van verre gevolgd hadden.Den volgenden dag en de verdere dagen hervatte men die proefnemingen, die evenwel geen resultaat schenen op te leveren. Piet Bathory had ze met beklemde gemoedsaandoening gevolgd, en verkeerde inderdaad in volslagen wanhoop door den geringen uitslag, hoewel dokter Antekirrt hem toch herhaaldelijk verzekerde dat de tijd hun eenige helper, hun beste bondgenoot moest zijn. Hij wilde dan ook eerst den laatsten slag slaan, wanneer mevrouw Bathory genoegzaam voorbereid zou zijn, om er den geweldigen schok van te kunnen doorstaan, niet eerder. Intusschen viel het niet te ontkennen, dat bij ieder bezoek op het kerkhof, toch eene zekere verandering in den geestestoestand van de arme vrouw waar te nemen was. Zoo gebeurde het op een avond, dat mevrouw Bathory, die eerst achteraf gebleven was, langzamerhand naderbij trad, en terwijl de oude Borik en Maria Ferrato op de treden der kapel geknield lagen, het ijzeren hekwerk met hare handen omvatte, den achterwand, die door de lamp helder verlicht was, scherp aankeek, en daarop met spoed achterwaarts ijlde.[132]Toen Maria haar ingehaald had, hoorde zij haar herhaaldelijk een naam mompelen.Dat was wel de eerste maal, dat de lippen van de beklagenswaardige waanzinnige zich openden om te spreken.Maar hoe groot was de verwondering,—neen meer dan verwondering,—de verstomming van allen, die haar toen omringden en het gesprokene verstaan konden.Die naam was dien van haren zoon niet. Het was het woord: „Piet” niet, dat aan hare lippen ontgleden was, maar het woord: „Sava.” Hoe kwam die naam in deze oogenblikken haar te ontvallen?De lezer zal bevroeden, wat Piet Bathory toen moest ondervinden. En wie zou kunnen beschrijven, wat bij die onverwachte oproeping van den naam van Sava Toronthal in de ziel van dokter Antekirrt omging? Hij sprak evenwel geen woord, en liet in niets merken, wat hij bij het hooren van dien naam moest lijden.Op een anderen avond, dat de proefneming ook herhaald werd, kwam mevrouw Bathory, alsof zij door eene onzichtbare hand geleid werd, uit eigen aandrang op den drempel der kleine kapel knielen. Zij boog haar hoofd toen voorover, een zucht welde uit hare borst op, een traan ontsnapte aan hare oogleden. Maar dien avond ontglipte geen woord, geen naam aan hare lippen, en men zou hebben kunnen meenen, dat zij den naam van Sava vergeten had.Toen mevrouw Bathory op het Stadhuis teruggebracht werd, was zij ten prooi aan eene zenuwachtige opgewondenheid, die haar anders vreemd was. De kalmte, die tot heden de karakteristieke aanduiding van haren gemoedstoestand was, had plaats gemaakt voor eene zonderlinge inspanning. In dat brein werd voorzeker toen eene levenwekkende arbeid volbracht, die wel geschikt was, om de opmerkers met hoop te vervullen. Dokter Antekirrt sloeg haar met alle aandacht gade.Inderdaad, de lijderes bracht een naren en onrustigen nacht door. Zij prevelde herhaaldelijk woorden, die Maria Ferrato niet vatten kon. Het was alsof zij droomde. Maar als zij werkelijk droomde, dan was dat het bewijs, dat het verstand begon weder te keeren. Dat duidde op genezing, vooral wanneer de rede haar zou bijblijven bij het wakker worden. De hoop keerde in aller harten weder, nu men het tijdstip van den einduitslag zag naderen.Dokter Antekirrt besloot dan ook den volgenden dag eene nieuwe proefneming te wagen, waarbij het opgevoerde tafereel nog aangrijpender zoude wezen.Gedurende dien geheelen dag van den 18denwas mevrouw Bathory onophoudelijk onder den invloed van eene zeer sterke hersen-overspanning. Dat trof Maria Ferrato zeer, terwijl Piet, die bijna den geheelen tijd bij zijne moeder doorbracht, er een bijzonder gunstig[133]voorgevoel van ondervond. De arme jongen was evenwel zelf onrustiger en zenuwachtiger dan de lijderes.De nacht brak aan,—een zwarte nacht, zonder dat zich een koeltje, na een dag, die zelfs onder de lage breedte van Antekirrta zeer warm was geweest, had laten gevoelen.Mevrouw Bathory verliet, geleid door Maria Ferrato en door Borik, tegen half negen het Stadhuis. Dokter Antekirrt volgde, eenigszins op een afstand blijvende, met Luigi Ferrato en Pescadospunt.De geheele kleine volkplanting verkeerde in eene angstige spanning omtrent de verschijnselen, die te wachten waren. Eenige toortsen, die onder het hooge geboomte van het kerkhof ontstoken waren, wierpen met hunnen dikken rook een spookachtig schijnsel op de naaste omgeving der kapel. In de verte werd met regelmatige tusschenpoozen het luiden der klok van de kerk te Artenak vernomen, hetwelk weerklonk, alsof eene begrafenis plaats had.Piet Bathory ontbrak alleen aan de groep, die langzaam door het veld het kerkhof naderde. Hij was de overigen evenwel vooruit gesneld, om in het gewichtige oogenblik van die uiterste proefneming op te treden.Het was ongeveer negen uren, toen mevrouw Bathory op het kerkhof aankwam. Plotseling liet zij den arm van Maria Ferrato los en stapte naar de kleine kapel toe.Men liet haar geheel vrijheid van handelen onder den indruk van het nieuwe gevoel, hetwelk haar geheel en al scheen te beheerschen. Een ieder ging uit den weg voor haar, maakte plaats voor haar.Te midden eener doodsche stilte, die slechts afgebroken werd door het eentonige klokkengelui, bleef mevrouw Bathory een poos stil en bewegingloos staan. Toen knielde zij op de eerste trede, en boog het hoofd voorover, terwijl men haar duidelijk hoorde weenen.… Dat was eene handeling, die volgens dokter Antekirrt een zeer gunstig voorteeken opleverde.In dit oogenblik ging het hek van de kapel langzaam open en verscheen Piet Bathory, in een wit lijklaken gehuld, alsof hij uit zijn graf opstond, in het volle licht.…„Mijn zoon!… mijn zoon!…” riep mevrouw Bathory, de handen naar Piet toestekende uit, terwijl zij daarbij in zwijm viel. Gelukkig dat zij bijtijds door liefderijke armen werd opgevangen.Die val was niets! Maar de herinnering en de gedachten waren bij haar herboren! En dat was alles!De moeder had zich in dien kreet geopenbaard! Zij had haren zoon herkend! Dat was het voornaamste!Door de zorgen van dokter Antekirrt was zij weldra weder bijgebracht en toen zij tot bewustzijn wedergekeerd was en hare oogen den blik van haren zoon ontmoetten, riep zij:[134]„Levend!… mijn Piet,… levend! O, God! is dat toch waar?… Levend!… Mijn Piet!”„Ja, zeker levend, moeder! levend voor u, levend om u, dierbare, dierbare moeder te beminnen!”„En om haar … ook te beminnen … haar … Piet, gij weet wel … gij herinnert u toch nog?”„Haar?…” riep Piet Bathory ten hoogste verwonderd uit. „Haar?…”„Ja, haar!…”„Wie haar? Moeder, spreek. Wie haar? Spreek dan toch, wat ik u bidden mag.”„Zij!… Sava!…”„Sava Toronthal?…” riep dokter Antekirrt op zijne beurt ten hoogste verbaasd uit.„Neen, niet Sava Toronthal, maar Sava Sandorf!” antwoordde de arme moeder haastig.Bij die woorden tastte mevrouw Bathory in haren zak en bracht daaruit den verkreukelden brief te voorschijn, die door de stervende mevrouw Toronthal geschreven was, en reikte hem den dokter over.De regels, die deze las, lieten geen den minsten twijfel omtrent de geboorte van Sava over!Sava was het kind, hetwelk van het kasteel van Artenak opgelicht was! Dat was onwraakbaar duidelijk.Sava was de dochter van graaf Mathias Sandorf!Wat er in dat oogenblik in het hart van dien vader omging, zullen de lezers wel beseffen.

VI.De geestverschijning.

Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.Zonder dat daarop in ’t bijzonder gewezen behoeft te worden, zal de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder[118]was, hij ging naar haar toe!… Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne aandoeningen overmeesterd te worden.Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde, antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om deFerratohare meest mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren, werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend slecht weder of andere wederwaardigheden, kon deFerratoin twee en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende deFerratonaar die Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind[119]noodig om die Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen, werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.DeFerratostevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is, te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van deFerratoeene verkenning van het vijandelijke strand heeten.Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als uitloopers van de nog verder gelegen „djebels”, die het gebergte in het het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut, lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem, uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek- en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die uit een twintigtal goubi’s bestond en zijne tenten van vuil geel gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt op het zand, òf stonden onbeweeglijk,[120]alsof zij in steen uitgebeiteld waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining, die als ontschepingskade kon dienen.Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende, kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort van smokkelhandel.Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige contrôle hoegenaamd, gedreven werd.„Ja, Luigi,” antwoordde hij, „ik zie het wel. Dat is inderdaad bedenkelijk genoeg.”„En wat denkt gij er over?”„Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in ontvangst komen nemen.”„Maar voor wie die wapens.”„Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken, ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers te bevechten.”„Denkt gij dat?” vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om de lippen.„Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al meer en meer te zamen trekken.”„Zou zoo iets kunnen geschieden?”„Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de Tunische provinciën afkomstig zijn.”„Maar,” vroeg Luigi, „waarom verzetten de autoriteiten van het regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?”„Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde van kaap Bon voorvalt,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wanneer de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor.”„Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is,” merkte Luigi gekscherend op.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz. 124.)Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz.124.)„Zeker is dat gelukkig, want had deFerratohare snelheid niet in[121][122]haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen oogenblik aarzelen om haar aan te tasten.”Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende deFerratomet volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde, dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt is, verrijst.Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende, de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago uitstrekt. Ter linkerzijde van deFerratoverhief zich de reeks van steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis, geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira, een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.Het was ongeveer één uur, toen deFerratoop een afstand van drie kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal, hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren, en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk met boomen beplant, en met villa’s, handelskantoren, koffiehuizen enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het vanMaltezers, Joden, Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van[123]eenige bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert, hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa’s door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven, dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand, van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn, alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare[124]uitstekende punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen, hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele heerlijkheid uit.Maar wanneer er paleizen en villa’s aangetroffen werden tot op de plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der streek wonen. De meestenvande laatstbedoelde bewoners oefenen geen ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles, munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt zijn.Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van ellende vervallen zoude zijn.Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp, waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken en ruig overdekt.Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur.Piet had haar herkend!… Hij stiet een wilden kreet uit!… Hij sprong uit het rijtuig.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij.Ja.… dat was zijne moeder!… Hij ijlde naar haar toe, knielde voor haar neder, sloot haar in zijne armen.…Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken blik aan.Zij scheen hem niet te herkennen.… Neen … dat oog stond levenloos … dof.…„Moeder!… Moeder!…” riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.„Bedaar, bedaar, Piet,” sprak dokter Antekirrt. „In Gods naam bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven.”In dit oogenblik verscheen bij den hoek der hut een grijsaard, die zij nog niet bemerkt hadden.[125]Dat was Borik.Borik de trouwe dienstknecht!Dadelijk herkende hij dokter Antekirrt. Zijne knieën knikten nu reeds en dat was wel te begrijpen.Maar toen hij Piet herkende.… Piet, wiens begrafenisstoet hij tot op het kerkhof van Ragusa gevolgd was! Dat was te veel voor den ouden man! Hij stortte bewegingloos neer, terwijl hij naar mevrouw Bathory wees en zijne lippen nog prevelden:„Zij is krankzinnig!”Krankzinnig! Dus op het oogenblik, dat die zoon zijne moeder wedervond, was alles wat haar overbleef, slechts een wezenloos lichaam! En het zien van haar kind, dat zij dood moest wanen en dat daar plotseling voor hare oogen verschenen was, was niet voldoende om haar de herinnering aan het verledene te hergeven!Mevrouw Bathory was opgestaan met verwilderde, maar toch nog heldere oogen. Daarna trad zij de stulp binnen, zonder iets gezien, zonder een enkel woord gesproken te hebben. Maria volgde haar op een teeken van dokter Antekirrt.Piet stond onbewegelijk bij de deur, zonder den moed, ja zonder de macht te hebben een pas te doen.Borik had intusschen, dank zij de goede zorgen van den dokter, zijn bewustzijn herkregen. Toen hij een poos rondgekeken en zijne verwarde gedachten verzameld had, riep hij uit:„Gij, mijnheer Piet!… Gij!… Levend!… Hoe is het bij God mogelijk? Gij!… Levend!”„Ja,” antwoordde Piet Bathory, „ja, levend!… En toch ware het beter, dat ik dood was!”In korte trekken stelde dokter Antekirrt den ouden dienaar op de hoogte van hetgeen te Ragusa gebeurd was. Daarna deed Borik op zijn beurt en niet zonder moeite het verhaal van de laatste twee maanden van armoede en ellende, die de arme vrouw doorstaan had. Het was inderdaad een schrikkelijk verhaal, schrikkelijk vooral voor den zoon om aan te hooren.„Maar,” vroeg dokter Antekirrt, zoodra hij de gelegenheid daartoe vond, „is het de dood van haren zoon, die de geestvermogens van mevrouw Bathory gekrenkt heeft? Heeft zij zich dat verlies zoozeer aangetrokken?”„Neen, mijnheer Antekirrt, neen,” antwoordde Borik. „Er is heel wat anders. Ik zal het u vertellen.”„Wat dan?… Spreek, o spreek!” kreet Piet Bathory onstuimig, terwijl hij den ouden man bij de handen greep.Ziehier, wat de trouwe dienaar toen in beknopte trekken, maar met horten en stooten verhaalde.Toen mevrouw Bathory, na den dood van haren zoon, alleen[126]op de wereld achterbleef, had zij Ragusa verlaten en zich in het dorpje Vinticello gevestigd, waar zij nog eenige bloedverwanten bezat. Gedurende dat tijdperk zou men het weinige, dat zij in haar bescheiden woning bezat, te gelde maken, daar het haar voornemen was, het huis in de Marinella-straat niet meer te betrekken.Zes weken later keerde zij in gezelschap van Borik naar Ragusa terug, om de laatste hand aan de regeling harer zaken te leggen, en toen zij in de Marinella-straat aankwam, vond zij een brief, die in de bus van het huis gestoken was.Bij het lezen van dien brief was het reeds alsof hare geestvermogens geschokt werden. Zij las hem evenwel ten einde toe, stiet toeneenkreet uit en stoof in ijlende vaart de straat op. Zij liep naar de Stradona-laan, stak die over en klopte aan de poort van het hôtel Toronthal, die dadelijk geopend werd.„Het hôtel Toronthal!…” riep Piet Bathory uit. „Mijn God, wat moet dat beteekenen?”„Ja, het hôtel Toronthal,” antwoordde de oude Borik, „en toen ik mevrouw Bathory eindelijk ingehaald had, herkende zij mij niet meer.… O God … Piet, Piet, zij was krankzinnig! Volslagen krankzinnig!”„Maar waarom ging mijne moeder naar het hôtel Toronthal” vroeg Piet Bathory onstuimig.Borik keek hem met nieuwsgierigen blik aan, maar antwoordde niet dadelijk.„Waarom ging zij naar het hôtel Toronthal?” herhaalde de jonge man, die den ouden dienaar met een verbijsterd oog aanzag, alsof hij niets van het gesprokene begreep. „Wat had mijne moeder in Gods naam daar te doen?”„Zij wenschte waarschijnlijk mijnheer Toronthal te spreken,” antwoordde Borik.„Wat had zij toch met mijnheer Toronthal te maken?” vroeg de jonge man afgetrokken … „Maar … verder? Verder?”„Mijnheer Toronthal had evenwel sedert twee dagen met zijne dochter die fraaie woning van de Stradona-laan verlaten, zonder dat iemand wist, waarheen zij gegaan waren. Ziedaar alles wat ik op mijne pogingen om inlichtingen te verwerven, kon vernemen.”„O, noodlot!” riep dokter Antekirrt uit. „Zonder dat iemand wist waarheen zij gegaan waren?…”„Ja, heer dokter.”„En die brief … die brief?…” vroeg Piet Bathory zoo hartstochtelijk mogelijk. „Die brief?…”„Dien heb ik niet kunnen weervinden, mijnheer Piet,” antwoordde de grijsaard,” en hetzij mevrouw Bathory hem verloren of verscheurd heeft, hetzij iemand haar dien afhandig gemaakt heeft, ik heb nimmer kunnen vernemen, wat hij inhield, hoeveel pogingen ik daartoe[127]ook heb aangewend, wanneer ik meende, dat de arme vrouw in meer heldere oogenblikken verkeerde.”Die brief spoorloos verdwenen! Dat was inderdaad iets geheimzinnigs!Dokter Antekirrt, die dat verhaal opmerkzaam gevolgd had, wist geenbeteekenisaan de handeling van mevrouw Bathory te verleenen. Welke kracht had haar naar dat hôtel van de Stradona-laan geleid, waarvan haar juist alles verwijderd had moeten houden? En waarom had zij zulk een hevigen schok ondervonden, dat zij er krankzinnig van was geworden, toen zij het verdwijnen van Silas Toronthal vernam? Inderdaad, dat alles kwam allen belanghebbenden zeer raadselachtig voor.Het verhaal van den ouden bediende, hoe dikwijls ook afgebroken door tranen, was nu spoedig geëindigd.Het gelukte hem den ongelukkigen toestand van mevrouw Bathory geheim te houden, terwijl hij zich onledig hield met hare verdere zaken te regelen en het weinige dat overbleef te gelde te maken. De aard van den waanzin van de ongelukkige vrouw was zacht en kalm, en daardoor was het hem mogelijk geweest te kunnen handelen zonder argwaan te wekken.Hij had slechts één wensch, namelijk Ragusa te verlaten en eene schuilplaats te zoeken, onverschillig waar, mits dat zij slechts ver van die gevloekte stad gevonden werd.Hij slaagde er eenige dagen later in, zich met mevrouw Bathory in te schepen op een der pakketbooten, die de kustvaart in de Middellandsche zee uitoefenen, en zoo kwam hij te Tunis of beter bij de Gouleta aan.Die streek kwam hem afgelegen genoeg voor en daar besloot hij zich te vestigen.En hier in die vervallen stulp, wijdde de grijsaard zich geheel en al aan de verzorging, die de gekrenkte geestestoestand van mevrouw Bathory noodzakelijk maakte. Zij scheen zelfs het gebruik der spraak terzelfder tijd met de rede verloren te hebben. Maar hare bezitting was zoo armzalig, dat hij het oogenblik zag naderen, dat zij beiden tot de uiterste ellende zouden gedoemd zijn. En dat op zoo’n leeftijd! Het was verschrikkelijk.Onder die noodlottige omstandigheden herinnerde de oude zich dokter Antekirrt en de belangstelling, die hij immer omtrent het gezin van Stephanus Bathory had laten blijken. Maar Borik wist niet, waar de dokter zich gewoonlijk ophield. Hij schreef evenwel, en de brief, die zulk een hartverscheurenden wanhoopskreet inhield, had hij aan de goede zorgen van de Voorzienigheid toevertrouwd. Het schijnt, dat de Voorzienigheid nog al goed den dienst der posterij uitoefent, daar de brief, in weerwil van alles, aan zijn adres terecht gekomen was.[128]Wat thans te doen viel, was als het ware aangewezen. Mevrouw Bathory werd, zonder dat zij den geringsten wederstand bood, naar het rijtuig gevoerd, waarin zij met haren zoon, Borik en Maria Ferrato, welke laatste haar niet meer verlaten zou, plaats nam. Terwijl zij naar de Goulet reden, volgden dokter Antekirrt en Luigi Ferrato te voet het strand. Dat was, zooals wij weten, niet ver. En die lichamelijke inspanning zou hen een gewenschte afleiding bezorgen.Allen waren een uur later aan boord van het stoomjacht, dat onder volle stoomspanning gebleven was, ingescheept. Het anker werd dadelijk gelicht en zoodra deFerratokaap Bon gerond had, stevende zij op den vuurtoren van Pantellaria aan. In den ochtend van den tweeden dag daarna, kwam het stoomjacht in de haven van Antekirrta aan, en lag weldra met zijn kostbaren last aan boord aan de veilige kade gemeerd.Mevrouw Bathory werd dadelijk ontscheept en naar Artenak vervoerd en daar in een der beste kamers van het Stadhuis gehuisvest. Maria Ferrato verliet hare woning om haren intrek bij de ongelukkige weduwe te nemen.Welke nieuwe oorzaak van verdriet en smart die toestand zijner moeder voor Piet Bathory was, is wel na te gaan.Die moeder krankzinnig, die moeder in hare geestvermogens gekrenkt onder omstandigheden, die waarschijnlijk onopgelost zouden blijven. Als men nu maar de oorzaak dier waanzinnigheid kende, dan ware de eene of andere heilzame reactie te beproeven! Maar men wist niets; men kon niets weten! En dat maakte allen nog radeloozer.„Ik moet haar genezen!…” had de dokter, die zich geheel en al aan haar wijdde, meermalen in zich zelven gepreveld. „Ja!… ik moet! ik zal slagen! In dien strijd moet ik overwinnen!”Dat was evenwel eene uiterst moeielijke taak; want mevrouw Bathory bleef voortdurend volkomen bewusteloos, omtrent hetgeen met haar en rondom haar voorviel.Maar zou die machtige gedachten-opdringing, die dokter Antekirrt in zoo hooge mate bezat, en waarvan hij zoo onbetwistbare bewijzen geleverd had, niet kunnen aangewend worden? Was het nu geen zaak om haar toe te passen, ten einde den geestestoestand van mevrouw Bathory te wijzigen? Zou men niet door magnetische invloeden het geschokte hersenvermogen kunnen herstellen en de rede kunnen vastketenen totdat de reactie, die toch niet uitblijven kon, ingetreden zoude zijn? Bedenkelijk schudde de geleerde het hoofd. Hij wanhoopte aan den uitslag.Piet Bathory smeekte den dokter, bezwoer hem als het ware, om toch schier het onmogelijke te beproeven tot genezing zijner arme moeder. Het was te vergeefsch.„Neen,” antwoordde dokter Antekirrt op diep bedroefden toon, „zelfs dat kan niet slagen.”[129]Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz. 133.)Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz.133.)[130]„Waarom toch niet?” snikte de arme jongen wanhopig. „Waarom toch niet?”„Omdat de krankzinnigen juist de sujetten zijn, die het meest weerstand aan het gedachten-opdringen bieden.”„Maar … zeg mij, ware het toch niet te beproeven? O, dat er toch iets gedaan worde!”„Neen, ik mag dat niet beproeven, Piet. Om den invloed der gedachten-opdringing te kunnen ondervinden,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „zou het noodig zijn, dat uwe moeder nog een persoonlijken onafhankelijken wil had, in wiens plaats ik den mijnen zou kunnen stellen. Maar, ik herhaal het, dat zou zonder invloed op haar blijken. Daarenboven, zou zoo iets haar zenuwgestel zeer aandoen.”„Neen …! die uitspraak kan ik niet voor onwederlegbaar aannemen!” hernam Piet, die er maar niet toe komen kon, om toe te geven. „Ik kan, ik wil niet aannemen, dat niet den een of anderen dag mijn moeders brein helder genoeg zal wezen, om haren zoon te herkennen … haren zoon, dien zij dood waant …!”„Ja!… dien zij dood waant!” herhaalde dokter Antekirrt, als in gedachten verzonken „Maar,… wellicht,… wanneer zij u levend waande,… of … wanneer zij, voor uw graf gebracht,… u zag verschijnen.…”Dokter Antekirrt bleef bij dat denkbeeld verwijlen. Wat werkte hij in zijn brein uit?Waarom zou zulk een moreele schok, die onder de meest gunstige omstandigheden aangebracht kon worden, geen invloed op mevrouw Bathory hebben? In ieder geval zouden er geen nadeelige gevolgen van te vreezen zijn.„Ik zal er de proef van nemen!” riep hij uit. „En … o, dat ik mocht slagen! Dat zou mij veel vergoeden!”Van nu af werd het tafereel, dat opgevoerd moest worden, en het welslagen der proefneming kon verzekeren, eene ware studie, de eenige gedachte van die mannen. Het gold toch niets minder dan bij mevrouw Bathory de uitwerkselen der herinnering, die in haren tegenwoordigen toestand vernietigd of verdoofd schenen, te verlevendigen en dat onder zulke aangrijpende omstandigheden, dat eene reactie in haar brein kon geboren worden.Dokter Antekirrt riep de hulp in van Borik en van Pescadospunt, om de plaatselijke gesteldheid van het kerkhof te Ragusa en den vorm van het gedenkteeken, hetwelk op den grafkelder der familie Bathory stond, met genoegzame nauwkeurigheid weer te geven.Nu verrees er op het kerkhof van het eiland, ongeveer op een mijl afstand van Artenak gelegen, onder een groep van groenende boomen eene kleine kapel, welke aan die van Ragusa niet ongelijk was. Men had slechts de omgeving een weinig te rangschikken, om[131]de gelijkenis der twee monumenten te treffender te maken. Toen dat geschied was, werd op den muur van den achtergrond een zwart marmeren steen geplaatst, waarop:STEPHANUS BATHORY1867.te lezen stond. Dat jaartal was het tijdstip van den dood van den martelaar voor de vrijheid vanHongarije.Den 13denNovember scheen het oogenblik gekomen te zijn, om met de voorbereidende proefnemingen tot opwekking der verstandelijke vermogens van mevrouw Bathory door eene langzame en nagenoeg onmerkbare opklimming te beginnen.Zoo omstreeks zeven uur des avonds nam Maria Ferrato, die daarbij door Borik bijgestaan werd, de weduwe onder den arm en bracht haar buiten het Stadhuis. Daarna geleidde zij haar door het veld naar het kerkhof. Voor den ingang der kleine kapel gekomen, bleef mevrouw Bathory zoo als zij steeds was, wezenloos, en sprak geen woord, hoewel zij door het heldere schijnsel eener lamp, die in het gebouwtje brandde, den naam van Stephanus Bathory op de marmeren plaat had kunnen lezen. Alleen toen Maria Ferrato en de grijsaard op de trappen der kapel knielden, was het alsof een bliksemstraal, die evenwel dadelijk verdween, haren wezenloozen blik verlevendigde.Mevrouw Bathory was ongeveer een uur later op het Stadhuis terug, alsook zij, die haar nabij geweest waren, of haar gedurende die eerste proefneming van verre gevolgd hadden.Den volgenden dag en de verdere dagen hervatte men die proefnemingen, die evenwel geen resultaat schenen op te leveren. Piet Bathory had ze met beklemde gemoedsaandoening gevolgd, en verkeerde inderdaad in volslagen wanhoop door den geringen uitslag, hoewel dokter Antekirrt hem toch herhaaldelijk verzekerde dat de tijd hun eenige helper, hun beste bondgenoot moest zijn. Hij wilde dan ook eerst den laatsten slag slaan, wanneer mevrouw Bathory genoegzaam voorbereid zou zijn, om er den geweldigen schok van te kunnen doorstaan, niet eerder. Intusschen viel het niet te ontkennen, dat bij ieder bezoek op het kerkhof, toch eene zekere verandering in den geestestoestand van de arme vrouw waar te nemen was. Zoo gebeurde het op een avond, dat mevrouw Bathory, die eerst achteraf gebleven was, langzamerhand naderbij trad, en terwijl de oude Borik en Maria Ferrato op de treden der kapel geknield lagen, het ijzeren hekwerk met hare handen omvatte, den achterwand, die door de lamp helder verlicht was, scherp aankeek, en daarop met spoed achterwaarts ijlde.[132]Toen Maria haar ingehaald had, hoorde zij haar herhaaldelijk een naam mompelen.Dat was wel de eerste maal, dat de lippen van de beklagenswaardige waanzinnige zich openden om te spreken.Maar hoe groot was de verwondering,—neen meer dan verwondering,—de verstomming van allen, die haar toen omringden en het gesprokene verstaan konden.Die naam was dien van haren zoon niet. Het was het woord: „Piet” niet, dat aan hare lippen ontgleden was, maar het woord: „Sava.” Hoe kwam die naam in deze oogenblikken haar te ontvallen?De lezer zal bevroeden, wat Piet Bathory toen moest ondervinden. En wie zou kunnen beschrijven, wat bij die onverwachte oproeping van den naam van Sava Toronthal in de ziel van dokter Antekirrt omging? Hij sprak evenwel geen woord, en liet in niets merken, wat hij bij het hooren van dien naam moest lijden.Op een anderen avond, dat de proefneming ook herhaald werd, kwam mevrouw Bathory, alsof zij door eene onzichtbare hand geleid werd, uit eigen aandrang op den drempel der kleine kapel knielen. Zij boog haar hoofd toen voorover, een zucht welde uit hare borst op, een traan ontsnapte aan hare oogleden. Maar dien avond ontglipte geen woord, geen naam aan hare lippen, en men zou hebben kunnen meenen, dat zij den naam van Sava vergeten had.Toen mevrouw Bathory op het Stadhuis teruggebracht werd, was zij ten prooi aan eene zenuwachtige opgewondenheid, die haar anders vreemd was. De kalmte, die tot heden de karakteristieke aanduiding van haren gemoedstoestand was, had plaats gemaakt voor eene zonderlinge inspanning. In dat brein werd voorzeker toen eene levenwekkende arbeid volbracht, die wel geschikt was, om de opmerkers met hoop te vervullen. Dokter Antekirrt sloeg haar met alle aandacht gade.Inderdaad, de lijderes bracht een naren en onrustigen nacht door. Zij prevelde herhaaldelijk woorden, die Maria Ferrato niet vatten kon. Het was alsof zij droomde. Maar als zij werkelijk droomde, dan was dat het bewijs, dat het verstand begon weder te keeren. Dat duidde op genezing, vooral wanneer de rede haar zou bijblijven bij het wakker worden. De hoop keerde in aller harten weder, nu men het tijdstip van den einduitslag zag naderen.Dokter Antekirrt besloot dan ook den volgenden dag eene nieuwe proefneming te wagen, waarbij het opgevoerde tafereel nog aangrijpender zoude wezen.Gedurende dien geheelen dag van den 18denwas mevrouw Bathory onophoudelijk onder den invloed van eene zeer sterke hersen-overspanning. Dat trof Maria Ferrato zeer, terwijl Piet, die bijna den geheelen tijd bij zijne moeder doorbracht, er een bijzonder gunstig[133]voorgevoel van ondervond. De arme jongen was evenwel zelf onrustiger en zenuwachtiger dan de lijderes.De nacht brak aan,—een zwarte nacht, zonder dat zich een koeltje, na een dag, die zelfs onder de lage breedte van Antekirrta zeer warm was geweest, had laten gevoelen.Mevrouw Bathory verliet, geleid door Maria Ferrato en door Borik, tegen half negen het Stadhuis. Dokter Antekirrt volgde, eenigszins op een afstand blijvende, met Luigi Ferrato en Pescadospunt.De geheele kleine volkplanting verkeerde in eene angstige spanning omtrent de verschijnselen, die te wachten waren. Eenige toortsen, die onder het hooge geboomte van het kerkhof ontstoken waren, wierpen met hunnen dikken rook een spookachtig schijnsel op de naaste omgeving der kapel. In de verte werd met regelmatige tusschenpoozen het luiden der klok van de kerk te Artenak vernomen, hetwelk weerklonk, alsof eene begrafenis plaats had.Piet Bathory ontbrak alleen aan de groep, die langzaam door het veld het kerkhof naderde. Hij was de overigen evenwel vooruit gesneld, om in het gewichtige oogenblik van die uiterste proefneming op te treden.Het was ongeveer negen uren, toen mevrouw Bathory op het kerkhof aankwam. Plotseling liet zij den arm van Maria Ferrato los en stapte naar de kleine kapel toe.Men liet haar geheel vrijheid van handelen onder den indruk van het nieuwe gevoel, hetwelk haar geheel en al scheen te beheerschen. Een ieder ging uit den weg voor haar, maakte plaats voor haar.Te midden eener doodsche stilte, die slechts afgebroken werd door het eentonige klokkengelui, bleef mevrouw Bathory een poos stil en bewegingloos staan. Toen knielde zij op de eerste trede, en boog het hoofd voorover, terwijl men haar duidelijk hoorde weenen.… Dat was eene handeling, die volgens dokter Antekirrt een zeer gunstig voorteeken opleverde.In dit oogenblik ging het hek van de kapel langzaam open en verscheen Piet Bathory, in een wit lijklaken gehuld, alsof hij uit zijn graf opstond, in het volle licht.…„Mijn zoon!… mijn zoon!…” riep mevrouw Bathory, de handen naar Piet toestekende uit, terwijl zij daarbij in zwijm viel. Gelukkig dat zij bijtijds door liefderijke armen werd opgevangen.Die val was niets! Maar de herinnering en de gedachten waren bij haar herboren! En dat was alles!De moeder had zich in dien kreet geopenbaard! Zij had haren zoon herkend! Dat was het voornaamste!Door de zorgen van dokter Antekirrt was zij weldra weder bijgebracht en toen zij tot bewustzijn wedergekeerd was en hare oogen den blik van haren zoon ontmoetten, riep zij:[134]„Levend!… mijn Piet,… levend! O, God! is dat toch waar?… Levend!… Mijn Piet!”„Ja, zeker levend, moeder! levend voor u, levend om u, dierbare, dierbare moeder te beminnen!”„En om haar … ook te beminnen … haar … Piet, gij weet wel … gij herinnert u toch nog?”„Haar?…” riep Piet Bathory ten hoogste verwonderd uit. „Haar?…”„Ja, haar!…”„Wie haar? Moeder, spreek. Wie haar? Spreek dan toch, wat ik u bidden mag.”„Zij!… Sava!…”„Sava Toronthal?…” riep dokter Antekirrt op zijne beurt ten hoogste verbaasd uit.„Neen, niet Sava Toronthal, maar Sava Sandorf!” antwoordde de arme moeder haastig.Bij die woorden tastte mevrouw Bathory in haren zak en bracht daaruit den verkreukelden brief te voorschijn, die door de stervende mevrouw Toronthal geschreven was, en reikte hem den dokter over.De regels, die deze las, lieten geen den minsten twijfel omtrent de geboorte van Sava over!Sava was het kind, hetwelk van het kasteel van Artenak opgelicht was! Dat was onwraakbaar duidelijk.Sava was de dochter van graaf Mathias Sandorf!Wat er in dat oogenblik in het hart van dien vader omging, zullen de lezers wel beseffen.

Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.

Zonder dat daarop in ’t bijzonder gewezen behoeft te worden, zal de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder[118]was, hij ging naar haar toe!… Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne aandoeningen overmeesterd te worden.

Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde, antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!

Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om deFerratohare meest mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren, werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend slecht weder of andere wederwaardigheden, kon deFerratoin twee en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.

De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.

Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.

Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende deFerratonaar die Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.

Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind[119]noodig om die Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen, werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.

DeFerratostevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is, te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van deFerratoeene verkenning van het vijandelijke strand heeten.

Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als uitloopers van de nog verder gelegen „djebels”, die het gebergte in het het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.

Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut, lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem, uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.

Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek- en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die uit een twintigtal goubi’s bestond en zijne tenten van vuil geel gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt op het zand, òf stonden onbeweeglijk,[120]alsof zij in steen uitgebeiteld waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining, die als ontschepingskade kon dienen.

Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende, kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort van smokkelhandel.

Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige contrôle hoegenaamd, gedreven werd.

„Ja, Luigi,” antwoordde hij, „ik zie het wel. Dat is inderdaad bedenkelijk genoeg.”

„En wat denkt gij er over?”

„Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in ontvangst komen nemen.”

„Maar voor wie die wapens.”

„Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken, ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers te bevechten.”

„Denkt gij dat?” vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om de lippen.

„Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al meer en meer te zamen trekken.”

„Zou zoo iets kunnen geschieden?”

„Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de Tunische provinciën afkomstig zijn.”

„Maar,” vroeg Luigi, „waarom verzetten de autoriteiten van het regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?”

„Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde van kaap Bon voorvalt,” antwoordde dokter Antekirrt, „en wanneer de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor.”

„Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is,” merkte Luigi gekscherend op.

Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz. 124.)Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz.124.)

Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur. (Bladz.124.)

„Zeker is dat gelukkig, want had deFerratohare snelheid niet in[121][122]haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen oogenblik aarzelen om haar aan te tasten.”

Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende deFerratomet volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde, dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt is, verrijst.

Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende, de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago uitstrekt. Ter linkerzijde van deFerratoverhief zich de reeks van steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis, geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira, een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.

Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.

Het was ongeveer één uur, toen deFerratoop een afstand van drie kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.

Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal, hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren, en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk met boomen beplant, en met villa’s, handelskantoren, koffiehuizen enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het vanMaltezers, Joden, Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.

De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van[123]eenige bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.

Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert, hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.

Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.

Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa’s door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.

De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven, dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand, van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.

Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn, alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare[124]uitstekende punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen, hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele heerlijkheid uit.

Maar wanneer er paleizen en villa’s aangetroffen werden tot op de plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der streek wonen. De meestenvande laatstbedoelde bewoners oefenen geen ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles, munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.

Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt zijn.

Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van ellende vervallen zoude zijn.

Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp, waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken en ruig overdekt.

Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur.

Piet had haar herkend!… Hij stiet een wilden kreet uit!… Hij sprong uit het rijtuig.…

„Moeder!… Moeder!…” riep hij.

Ja.… dat was zijne moeder!… Hij ijlde naar haar toe, knielde voor haar neder, sloot haar in zijne armen.…

Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken blik aan.

Zij scheen hem niet te herkennen.… Neen … dat oog stond levenloos … dof.…

„Moeder!… Moeder!…” riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.

„Bedaar, bedaar, Piet,” sprak dokter Antekirrt. „In Gods naam bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven.”

In dit oogenblik verscheen bij den hoek der hut een grijsaard, die zij nog niet bemerkt hadden.[125]

Dat was Borik.

Borik de trouwe dienstknecht!

Dadelijk herkende hij dokter Antekirrt. Zijne knieën knikten nu reeds en dat was wel te begrijpen.

Maar toen hij Piet herkende.… Piet, wiens begrafenisstoet hij tot op het kerkhof van Ragusa gevolgd was! Dat was te veel voor den ouden man! Hij stortte bewegingloos neer, terwijl hij naar mevrouw Bathory wees en zijne lippen nog prevelden:

„Zij is krankzinnig!”

Krankzinnig! Dus op het oogenblik, dat die zoon zijne moeder wedervond, was alles wat haar overbleef, slechts een wezenloos lichaam! En het zien van haar kind, dat zij dood moest wanen en dat daar plotseling voor hare oogen verschenen was, was niet voldoende om haar de herinnering aan het verledene te hergeven!

Mevrouw Bathory was opgestaan met verwilderde, maar toch nog heldere oogen. Daarna trad zij de stulp binnen, zonder iets gezien, zonder een enkel woord gesproken te hebben. Maria volgde haar op een teeken van dokter Antekirrt.

Piet stond onbewegelijk bij de deur, zonder den moed, ja zonder de macht te hebben een pas te doen.

Borik had intusschen, dank zij de goede zorgen van den dokter, zijn bewustzijn herkregen. Toen hij een poos rondgekeken en zijne verwarde gedachten verzameld had, riep hij uit:

„Gij, mijnheer Piet!… Gij!… Levend!… Hoe is het bij God mogelijk? Gij!… Levend!”

„Ja,” antwoordde Piet Bathory, „ja, levend!… En toch ware het beter, dat ik dood was!”

In korte trekken stelde dokter Antekirrt den ouden dienaar op de hoogte van hetgeen te Ragusa gebeurd was. Daarna deed Borik op zijn beurt en niet zonder moeite het verhaal van de laatste twee maanden van armoede en ellende, die de arme vrouw doorstaan had. Het was inderdaad een schrikkelijk verhaal, schrikkelijk vooral voor den zoon om aan te hooren.

„Maar,” vroeg dokter Antekirrt, zoodra hij de gelegenheid daartoe vond, „is het de dood van haren zoon, die de geestvermogens van mevrouw Bathory gekrenkt heeft? Heeft zij zich dat verlies zoozeer aangetrokken?”

„Neen, mijnheer Antekirrt, neen,” antwoordde Borik. „Er is heel wat anders. Ik zal het u vertellen.”

„Wat dan?… Spreek, o spreek!” kreet Piet Bathory onstuimig, terwijl hij den ouden man bij de handen greep.

Ziehier, wat de trouwe dienaar toen in beknopte trekken, maar met horten en stooten verhaalde.

Toen mevrouw Bathory, na den dood van haren zoon, alleen[126]op de wereld achterbleef, had zij Ragusa verlaten en zich in het dorpje Vinticello gevestigd, waar zij nog eenige bloedverwanten bezat. Gedurende dat tijdperk zou men het weinige, dat zij in haar bescheiden woning bezat, te gelde maken, daar het haar voornemen was, het huis in de Marinella-straat niet meer te betrekken.

Zes weken later keerde zij in gezelschap van Borik naar Ragusa terug, om de laatste hand aan de regeling harer zaken te leggen, en toen zij in de Marinella-straat aankwam, vond zij een brief, die in de bus van het huis gestoken was.

Bij het lezen van dien brief was het reeds alsof hare geestvermogens geschokt werden. Zij las hem evenwel ten einde toe, stiet toeneenkreet uit en stoof in ijlende vaart de straat op. Zij liep naar de Stradona-laan, stak die over en klopte aan de poort van het hôtel Toronthal, die dadelijk geopend werd.

„Het hôtel Toronthal!…” riep Piet Bathory uit. „Mijn God, wat moet dat beteekenen?”

„Ja, het hôtel Toronthal,” antwoordde de oude Borik, „en toen ik mevrouw Bathory eindelijk ingehaald had, herkende zij mij niet meer.… O God … Piet, Piet, zij was krankzinnig! Volslagen krankzinnig!”

„Maar waarom ging mijne moeder naar het hôtel Toronthal” vroeg Piet Bathory onstuimig.

Borik keek hem met nieuwsgierigen blik aan, maar antwoordde niet dadelijk.

„Waarom ging zij naar het hôtel Toronthal?” herhaalde de jonge man, die den ouden dienaar met een verbijsterd oog aanzag, alsof hij niets van het gesprokene begreep. „Wat had mijne moeder in Gods naam daar te doen?”

„Zij wenschte waarschijnlijk mijnheer Toronthal te spreken,” antwoordde Borik.

„Wat had zij toch met mijnheer Toronthal te maken?” vroeg de jonge man afgetrokken … „Maar … verder? Verder?”

„Mijnheer Toronthal had evenwel sedert twee dagen met zijne dochter die fraaie woning van de Stradona-laan verlaten, zonder dat iemand wist, waarheen zij gegaan waren. Ziedaar alles wat ik op mijne pogingen om inlichtingen te verwerven, kon vernemen.”

„O, noodlot!” riep dokter Antekirrt uit. „Zonder dat iemand wist waarheen zij gegaan waren?…”

„Ja, heer dokter.”

„En die brief … die brief?…” vroeg Piet Bathory zoo hartstochtelijk mogelijk. „Die brief?…”

„Dien heb ik niet kunnen weervinden, mijnheer Piet,” antwoordde de grijsaard,” en hetzij mevrouw Bathory hem verloren of verscheurd heeft, hetzij iemand haar dien afhandig gemaakt heeft, ik heb nimmer kunnen vernemen, wat hij inhield, hoeveel pogingen ik daartoe[127]ook heb aangewend, wanneer ik meende, dat de arme vrouw in meer heldere oogenblikken verkeerde.”

Die brief spoorloos verdwenen! Dat was inderdaad iets geheimzinnigs!

Dokter Antekirrt, die dat verhaal opmerkzaam gevolgd had, wist geenbeteekenisaan de handeling van mevrouw Bathory te verleenen. Welke kracht had haar naar dat hôtel van de Stradona-laan geleid, waarvan haar juist alles verwijderd had moeten houden? En waarom had zij zulk een hevigen schok ondervonden, dat zij er krankzinnig van was geworden, toen zij het verdwijnen van Silas Toronthal vernam? Inderdaad, dat alles kwam allen belanghebbenden zeer raadselachtig voor.

Het verhaal van den ouden bediende, hoe dikwijls ook afgebroken door tranen, was nu spoedig geëindigd.

Het gelukte hem den ongelukkigen toestand van mevrouw Bathory geheim te houden, terwijl hij zich onledig hield met hare verdere zaken te regelen en het weinige dat overbleef te gelde te maken. De aard van den waanzin van de ongelukkige vrouw was zacht en kalm, en daardoor was het hem mogelijk geweest te kunnen handelen zonder argwaan te wekken.

Hij had slechts één wensch, namelijk Ragusa te verlaten en eene schuilplaats te zoeken, onverschillig waar, mits dat zij slechts ver van die gevloekte stad gevonden werd.

Hij slaagde er eenige dagen later in, zich met mevrouw Bathory in te schepen op een der pakketbooten, die de kustvaart in de Middellandsche zee uitoefenen, en zoo kwam hij te Tunis of beter bij de Gouleta aan.

Die streek kwam hem afgelegen genoeg voor en daar besloot hij zich te vestigen.

En hier in die vervallen stulp, wijdde de grijsaard zich geheel en al aan de verzorging, die de gekrenkte geestestoestand van mevrouw Bathory noodzakelijk maakte. Zij scheen zelfs het gebruik der spraak terzelfder tijd met de rede verloren te hebben. Maar hare bezitting was zoo armzalig, dat hij het oogenblik zag naderen, dat zij beiden tot de uiterste ellende zouden gedoemd zijn. En dat op zoo’n leeftijd! Het was verschrikkelijk.

Onder die noodlottige omstandigheden herinnerde de oude zich dokter Antekirrt en de belangstelling, die hij immer omtrent het gezin van Stephanus Bathory had laten blijken. Maar Borik wist niet, waar de dokter zich gewoonlijk ophield. Hij schreef evenwel, en de brief, die zulk een hartverscheurenden wanhoopskreet inhield, had hij aan de goede zorgen van de Voorzienigheid toevertrouwd. Het schijnt, dat de Voorzienigheid nog al goed den dienst der posterij uitoefent, daar de brief, in weerwil van alles, aan zijn adres terecht gekomen was.[128]

Wat thans te doen viel, was als het ware aangewezen. Mevrouw Bathory werd, zonder dat zij den geringsten wederstand bood, naar het rijtuig gevoerd, waarin zij met haren zoon, Borik en Maria Ferrato, welke laatste haar niet meer verlaten zou, plaats nam. Terwijl zij naar de Goulet reden, volgden dokter Antekirrt en Luigi Ferrato te voet het strand. Dat was, zooals wij weten, niet ver. En die lichamelijke inspanning zou hen een gewenschte afleiding bezorgen.

Allen waren een uur later aan boord van het stoomjacht, dat onder volle stoomspanning gebleven was, ingescheept. Het anker werd dadelijk gelicht en zoodra deFerratokaap Bon gerond had, stevende zij op den vuurtoren van Pantellaria aan. In den ochtend van den tweeden dag daarna, kwam het stoomjacht in de haven van Antekirrta aan, en lag weldra met zijn kostbaren last aan boord aan de veilige kade gemeerd.

Mevrouw Bathory werd dadelijk ontscheept en naar Artenak vervoerd en daar in een der beste kamers van het Stadhuis gehuisvest. Maria Ferrato verliet hare woning om haren intrek bij de ongelukkige weduwe te nemen.

Welke nieuwe oorzaak van verdriet en smart die toestand zijner moeder voor Piet Bathory was, is wel na te gaan.

Die moeder krankzinnig, die moeder in hare geestvermogens gekrenkt onder omstandigheden, die waarschijnlijk onopgelost zouden blijven. Als men nu maar de oorzaak dier waanzinnigheid kende, dan ware de eene of andere heilzame reactie te beproeven! Maar men wist niets; men kon niets weten! En dat maakte allen nog radeloozer.

„Ik moet haar genezen!…” had de dokter, die zich geheel en al aan haar wijdde, meermalen in zich zelven gepreveld. „Ja!… ik moet! ik zal slagen! In dien strijd moet ik overwinnen!”

Dat was evenwel eene uiterst moeielijke taak; want mevrouw Bathory bleef voortdurend volkomen bewusteloos, omtrent hetgeen met haar en rondom haar voorviel.

Maar zou die machtige gedachten-opdringing, die dokter Antekirrt in zoo hooge mate bezat, en waarvan hij zoo onbetwistbare bewijzen geleverd had, niet kunnen aangewend worden? Was het nu geen zaak om haar toe te passen, ten einde den geestestoestand van mevrouw Bathory te wijzigen? Zou men niet door magnetische invloeden het geschokte hersenvermogen kunnen herstellen en de rede kunnen vastketenen totdat de reactie, die toch niet uitblijven kon, ingetreden zoude zijn? Bedenkelijk schudde de geleerde het hoofd. Hij wanhoopte aan den uitslag.

Piet Bathory smeekte den dokter, bezwoer hem als het ware, om toch schier het onmogelijke te beproeven tot genezing zijner arme moeder. Het was te vergeefsch.

„Neen,” antwoordde dokter Antekirrt op diep bedroefden toon, „zelfs dat kan niet slagen.”[129]

Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz. 133.)Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz.133.)

Toen knielde zij op de eerste trede en boog het hoofd voorover. (Bladz.133.)

[130]

„Waarom toch niet?” snikte de arme jongen wanhopig. „Waarom toch niet?”

„Omdat de krankzinnigen juist de sujetten zijn, die het meest weerstand aan het gedachten-opdringen bieden.”

„Maar … zeg mij, ware het toch niet te beproeven? O, dat er toch iets gedaan worde!”

„Neen, ik mag dat niet beproeven, Piet. Om den invloed der gedachten-opdringing te kunnen ondervinden,” ging de dokter onverstoorbaar voort, „zou het noodig zijn, dat uwe moeder nog een persoonlijken onafhankelijken wil had, in wiens plaats ik den mijnen zou kunnen stellen. Maar, ik herhaal het, dat zou zonder invloed op haar blijken. Daarenboven, zou zoo iets haar zenuwgestel zeer aandoen.”

„Neen …! die uitspraak kan ik niet voor onwederlegbaar aannemen!” hernam Piet, die er maar niet toe komen kon, om toe te geven. „Ik kan, ik wil niet aannemen, dat niet den een of anderen dag mijn moeders brein helder genoeg zal wezen, om haren zoon te herkennen … haren zoon, dien zij dood waant …!”

„Ja!… dien zij dood waant!” herhaalde dokter Antekirrt, als in gedachten verzonken „Maar,… wellicht,… wanneer zij u levend waande,… of … wanneer zij, voor uw graf gebracht,… u zag verschijnen.…”

Dokter Antekirrt bleef bij dat denkbeeld verwijlen. Wat werkte hij in zijn brein uit?

Waarom zou zulk een moreele schok, die onder de meest gunstige omstandigheden aangebracht kon worden, geen invloed op mevrouw Bathory hebben? In ieder geval zouden er geen nadeelige gevolgen van te vreezen zijn.

„Ik zal er de proef van nemen!” riep hij uit. „En … o, dat ik mocht slagen! Dat zou mij veel vergoeden!”

Van nu af werd het tafereel, dat opgevoerd moest worden, en het welslagen der proefneming kon verzekeren, eene ware studie, de eenige gedachte van die mannen. Het gold toch niets minder dan bij mevrouw Bathory de uitwerkselen der herinnering, die in haren tegenwoordigen toestand vernietigd of verdoofd schenen, te verlevendigen en dat onder zulke aangrijpende omstandigheden, dat eene reactie in haar brein kon geboren worden.

Dokter Antekirrt riep de hulp in van Borik en van Pescadospunt, om de plaatselijke gesteldheid van het kerkhof te Ragusa en den vorm van het gedenkteeken, hetwelk op den grafkelder der familie Bathory stond, met genoegzame nauwkeurigheid weer te geven.

Nu verrees er op het kerkhof van het eiland, ongeveer op een mijl afstand van Artenak gelegen, onder een groep van groenende boomen eene kleine kapel, welke aan die van Ragusa niet ongelijk was. Men had slechts de omgeving een weinig te rangschikken, om[131]de gelijkenis der twee monumenten te treffender te maken. Toen dat geschied was, werd op den muur van den achtergrond een zwart marmeren steen geplaatst, waarop:

STEPHANUS BATHORY1867.

STEPHANUS BATHORY1867.

te lezen stond. Dat jaartal was het tijdstip van den dood van den martelaar voor de vrijheid vanHongarije.

Den 13denNovember scheen het oogenblik gekomen te zijn, om met de voorbereidende proefnemingen tot opwekking der verstandelijke vermogens van mevrouw Bathory door eene langzame en nagenoeg onmerkbare opklimming te beginnen.

Zoo omstreeks zeven uur des avonds nam Maria Ferrato, die daarbij door Borik bijgestaan werd, de weduwe onder den arm en bracht haar buiten het Stadhuis. Daarna geleidde zij haar door het veld naar het kerkhof. Voor den ingang der kleine kapel gekomen, bleef mevrouw Bathory zoo als zij steeds was, wezenloos, en sprak geen woord, hoewel zij door het heldere schijnsel eener lamp, die in het gebouwtje brandde, den naam van Stephanus Bathory op de marmeren plaat had kunnen lezen. Alleen toen Maria Ferrato en de grijsaard op de trappen der kapel knielden, was het alsof een bliksemstraal, die evenwel dadelijk verdween, haren wezenloozen blik verlevendigde.

Mevrouw Bathory was ongeveer een uur later op het Stadhuis terug, alsook zij, die haar nabij geweest waren, of haar gedurende die eerste proefneming van verre gevolgd hadden.

Den volgenden dag en de verdere dagen hervatte men die proefnemingen, die evenwel geen resultaat schenen op te leveren. Piet Bathory had ze met beklemde gemoedsaandoening gevolgd, en verkeerde inderdaad in volslagen wanhoop door den geringen uitslag, hoewel dokter Antekirrt hem toch herhaaldelijk verzekerde dat de tijd hun eenige helper, hun beste bondgenoot moest zijn. Hij wilde dan ook eerst den laatsten slag slaan, wanneer mevrouw Bathory genoegzaam voorbereid zou zijn, om er den geweldigen schok van te kunnen doorstaan, niet eerder. Intusschen viel het niet te ontkennen, dat bij ieder bezoek op het kerkhof, toch eene zekere verandering in den geestestoestand van de arme vrouw waar te nemen was. Zoo gebeurde het op een avond, dat mevrouw Bathory, die eerst achteraf gebleven was, langzamerhand naderbij trad, en terwijl de oude Borik en Maria Ferrato op de treden der kapel geknield lagen, het ijzeren hekwerk met hare handen omvatte, den achterwand, die door de lamp helder verlicht was, scherp aankeek, en daarop met spoed achterwaarts ijlde.[132]

Toen Maria haar ingehaald had, hoorde zij haar herhaaldelijk een naam mompelen.

Dat was wel de eerste maal, dat de lippen van de beklagenswaardige waanzinnige zich openden om te spreken.

Maar hoe groot was de verwondering,—neen meer dan verwondering,—de verstomming van allen, die haar toen omringden en het gesprokene verstaan konden.

Die naam was dien van haren zoon niet. Het was het woord: „Piet” niet, dat aan hare lippen ontgleden was, maar het woord: „Sava.” Hoe kwam die naam in deze oogenblikken haar te ontvallen?

De lezer zal bevroeden, wat Piet Bathory toen moest ondervinden. En wie zou kunnen beschrijven, wat bij die onverwachte oproeping van den naam van Sava Toronthal in de ziel van dokter Antekirrt omging? Hij sprak evenwel geen woord, en liet in niets merken, wat hij bij het hooren van dien naam moest lijden.

Op een anderen avond, dat de proefneming ook herhaald werd, kwam mevrouw Bathory, alsof zij door eene onzichtbare hand geleid werd, uit eigen aandrang op den drempel der kleine kapel knielen. Zij boog haar hoofd toen voorover, een zucht welde uit hare borst op, een traan ontsnapte aan hare oogleden. Maar dien avond ontglipte geen woord, geen naam aan hare lippen, en men zou hebben kunnen meenen, dat zij den naam van Sava vergeten had.

Toen mevrouw Bathory op het Stadhuis teruggebracht werd, was zij ten prooi aan eene zenuwachtige opgewondenheid, die haar anders vreemd was. De kalmte, die tot heden de karakteristieke aanduiding van haren gemoedstoestand was, had plaats gemaakt voor eene zonderlinge inspanning. In dat brein werd voorzeker toen eene levenwekkende arbeid volbracht, die wel geschikt was, om de opmerkers met hoop te vervullen. Dokter Antekirrt sloeg haar met alle aandacht gade.

Inderdaad, de lijderes bracht een naren en onrustigen nacht door. Zij prevelde herhaaldelijk woorden, die Maria Ferrato niet vatten kon. Het was alsof zij droomde. Maar als zij werkelijk droomde, dan was dat het bewijs, dat het verstand begon weder te keeren. Dat duidde op genezing, vooral wanneer de rede haar zou bijblijven bij het wakker worden. De hoop keerde in aller harten weder, nu men het tijdstip van den einduitslag zag naderen.

Dokter Antekirrt besloot dan ook den volgenden dag eene nieuwe proefneming te wagen, waarbij het opgevoerde tafereel nog aangrijpender zoude wezen.

Gedurende dien geheelen dag van den 18denwas mevrouw Bathory onophoudelijk onder den invloed van eene zeer sterke hersen-overspanning. Dat trof Maria Ferrato zeer, terwijl Piet, die bijna den geheelen tijd bij zijne moeder doorbracht, er een bijzonder gunstig[133]voorgevoel van ondervond. De arme jongen was evenwel zelf onrustiger en zenuwachtiger dan de lijderes.

De nacht brak aan,—een zwarte nacht, zonder dat zich een koeltje, na een dag, die zelfs onder de lage breedte van Antekirrta zeer warm was geweest, had laten gevoelen.

Mevrouw Bathory verliet, geleid door Maria Ferrato en door Borik, tegen half negen het Stadhuis. Dokter Antekirrt volgde, eenigszins op een afstand blijvende, met Luigi Ferrato en Pescadospunt.

De geheele kleine volkplanting verkeerde in eene angstige spanning omtrent de verschijnselen, die te wachten waren. Eenige toortsen, die onder het hooge geboomte van het kerkhof ontstoken waren, wierpen met hunnen dikken rook een spookachtig schijnsel op de naaste omgeving der kapel. In de verte werd met regelmatige tusschenpoozen het luiden der klok van de kerk te Artenak vernomen, hetwelk weerklonk, alsof eene begrafenis plaats had.

Piet Bathory ontbrak alleen aan de groep, die langzaam door het veld het kerkhof naderde. Hij was de overigen evenwel vooruit gesneld, om in het gewichtige oogenblik van die uiterste proefneming op te treden.

Het was ongeveer negen uren, toen mevrouw Bathory op het kerkhof aankwam. Plotseling liet zij den arm van Maria Ferrato los en stapte naar de kleine kapel toe.

Men liet haar geheel vrijheid van handelen onder den indruk van het nieuwe gevoel, hetwelk haar geheel en al scheen te beheerschen. Een ieder ging uit den weg voor haar, maakte plaats voor haar.

Te midden eener doodsche stilte, die slechts afgebroken werd door het eentonige klokkengelui, bleef mevrouw Bathory een poos stil en bewegingloos staan. Toen knielde zij op de eerste trede, en boog het hoofd voorover, terwijl men haar duidelijk hoorde weenen.… Dat was eene handeling, die volgens dokter Antekirrt een zeer gunstig voorteeken opleverde.

In dit oogenblik ging het hek van de kapel langzaam open en verscheen Piet Bathory, in een wit lijklaken gehuld, alsof hij uit zijn graf opstond, in het volle licht.…

„Mijn zoon!… mijn zoon!…” riep mevrouw Bathory, de handen naar Piet toestekende uit, terwijl zij daarbij in zwijm viel. Gelukkig dat zij bijtijds door liefderijke armen werd opgevangen.

Die val was niets! Maar de herinnering en de gedachten waren bij haar herboren! En dat was alles!

De moeder had zich in dien kreet geopenbaard! Zij had haren zoon herkend! Dat was het voornaamste!

Door de zorgen van dokter Antekirrt was zij weldra weder bijgebracht en toen zij tot bewustzijn wedergekeerd was en hare oogen den blik van haren zoon ontmoetten, riep zij:[134]

„Levend!… mijn Piet,… levend! O, God! is dat toch waar?… Levend!… Mijn Piet!”

„Ja, zeker levend, moeder! levend voor u, levend om u, dierbare, dierbare moeder te beminnen!”

„En om haar … ook te beminnen … haar … Piet, gij weet wel … gij herinnert u toch nog?”

„Haar?…” riep Piet Bathory ten hoogste verwonderd uit. „Haar?…”

„Ja, haar!…”

„Wie haar? Moeder, spreek. Wie haar? Spreek dan toch, wat ik u bidden mag.”

„Zij!… Sava!…”

„Sava Toronthal?…” riep dokter Antekirrt op zijne beurt ten hoogste verbaasd uit.

„Neen, niet Sava Toronthal, maar Sava Sandorf!” antwoordde de arme moeder haastig.

Bij die woorden tastte mevrouw Bathory in haren zak en bracht daaruit den verkreukelden brief te voorschijn, die door de stervende mevrouw Toronthal geschreven was, en reikte hem den dokter over.

De regels, die deze las, lieten geen den minsten twijfel omtrent de geboorte van Sava over!

Sava was het kind, hetwelk van het kasteel van Artenak opgelicht was! Dat was onwraakbaar duidelijk.

Sava was de dochter van graaf Mathias Sandorf!

Wat er in dat oogenblik in het hart van dien vader omging, zullen de lezers wel beseffen.


Back to IndexNext